Aanpassing en aanvaarding

image_pdf

6 maart 1967

Ja, ik mag wel beginnen met er eerst even op te wijzen dat we niet alwetend of onfeilbaar zijn. U zit hier om wat te leren – dat hoop ik tenminste – dus denkt uzelf ook a.u.b. na en probeer uzelf eens een oordeel te vormen, in de eerste plaats natuurlijk wel over het onderwerp dat we vanavond zullen behandelen en dat is: Aanpassing en aanvaarding

Nu zult u begrijpen dat in deze moderne maatschappij het begrip aanpassing wel erg belangrijk wordt, en dat je je wel eens af gaat vragen wat daar nu eigenlijk geestelijk achter zit. Nu, aanpassing betekent dat je je eigen “ik” voortdurend in overeenstemming probeert te brengen met de mogelijkheden van je wereld. Dat klinkt allemaal heel gemakkelijk, maar het heeft een nadeel: Tot een aanpassing kan ik slechts dan komen, wanneer mijn eigen principes vaststaan aan de ene kant, en ik aan de andere kant toch bereid ben ook alle bijkomstige stellingen als het ware aan te passen en te variëren.

Ik heb daar een aardig voorbeeld van dat dit misschien toe kan lichten: We hebben christenen van verschillende soorten en kwaliteiten, zou ik er graag bij zeggen. We hebben islamieten, boeddhisten, hindoes, taoïsten en noem maar op. Wanneer al die mensen nu vanuit hun eigen stelregels gaan werken in de wereld, dan gaan ze uit van het standpunt: Elke stelling die ik ken is zonder meer juist, er kan dus geen andere juiste stelling bestaan.

In een geloof moet ik aanvaarden. In een geloof aanvaard ik doodgewoon een stelsel, het wordt in mij geboren misschien zelfs, en op grond daarvan heb ik zekerheden. Dat is dus best te aanvaarden. Maar die aanvaarding kan voor mij een hele reeks regels omvatten die dus niet algemeen geldend zijn voor de wereld. En dan komt juist de aanpassing op de voorgrond. Want die regels kunnen voor mij gelden, maar ze zijn niet noodzakelijkerwijze voor iedereen even geldend en even waar.

Zeg ik: “Er is een God, ik geloof in God”, akkoord!, dat hebben alle godsdiensten gemeen. Maar op het ogenblik dat ik daar bij ga zeggen: “En die God heeft deze of gene openbaring gegeven, dit is de enige waarheid, ik ga vechten voor een letter van die waarheid”, zoals dat soms gebeurt, dan maak ik het voor mijzelf en voor anderen onmogelijk om gezamenlijk God te ervaren. En het resultaat hebben we in het verleden gezien en we zien zelfs nu nog, ongeacht alle pogingen tot een meer oecumeen bestaan, tenminste binnen de christenheid, de mensen strijden over kleinigheden. En het christendom gelooft er niet in. Aan een Jezus die naastenliefde predikt, akkoord, maar wat die naastenliefde is, daarover verschilt men van mening. Jezus heeft een grote reeks van gelijkenissen gegeven, maar hoe die gelijkenissen precies geïnterpreteerd moeten worden, daarover bestaat verschil van mening.

Nu kan eenieder voor zich interpreteren, mits hij daar naar ook zijn handelen, zijn leven inricht volgens zijn erkenning. Maar hij kan die interpretatie niet als absoluut geldend stellen voor ieder ander. Er is een verschil tussen wat ik persoonlijk aanvaard en tussen datgene dat ik in de wereld zie. Wanneer we hier bij elkaar zijn, dan nemen we aan dat u gelooft in de geest, of dat u ten minste hoopt dat die geest inderdaad zo bestaat als dit in spiritistische kringen wordt voorgesteld. Dat is een geloof.

Nu komt er een ander en die zegt: “Nee, die geest is slecht!” Dat kan voor die ander volledig waar zijn. Die ander voelt zich in zijn innerlijke zekerheden aangetast daardoor. Hij kan deze wereld van de geest niet zonder meer aanvaarden. Maar zo lang nu die geest uitgaat van het standpunt: “Er is een God”, vanuit het standpunt dat we naastenliefde moeten kennen, vanuit het standpunt dat je niet leeft in strijd met, of in een voortdurende oorlog met de gemeenschap, maar dat je alleen kunt leven door juist uit je bewustzijn en uit je kunnen, dienend te bestaan in de gemeenschap, dan zou ik zeggen, dan zijn er zoveel punten van overeenkomst, dan kunnen wij ons bij deze andere interpretatie gemakkelijk aanpassen.

Aanpassen betekent eigenlijk dus: Het onbelangrijke terzijde weten te stellen. Er zijn in het leven van een mens en wat dat betreft ook in het leven van de geest, enkele punten die van het allerhoogste belang zijn. Op dat punt kunnen wij niet komen tot een aanpassing.

Wanneer ik als entiteit mijn eigen gevoel van verbondenheid met een hogere wereld, mijn eigen gevoel van verplichting ten aanzien van mijn eigen wereld, een lagere wereld terzijde zou schuiven, dan zou ik niet kunnen bestaan. Dan zou ik mezelf niet meer zijn, en ik moet mijzelf zijn! Daar is een aanpassing niet mogelijk. Maar nu moet ik gaan spreken, bv. bij u hier op aarde, dan kan ik niet alle denkbeelden die bij mij bestaan uitdrukken zoals ik die persoonlijk zou ervaren. Dan moet ik proberen deze uit te drukken op een manier waarop ze niet alleen waar worden weergegeven, maar gelijktijdig aangepast zijn aan uw vermogen om te begrijpen, om er mee te werken en om er over te denken.

Er zijn een hele hoop conflicten denkbaar. Wat moeten we bv. zeggen van…….. laten we het maar weer gooien op moraal, altijd een heerlijk punt, want de menselijke moraal die verschilt zo veel van plaats tot plaats, dat zou u haast niet geloven! Toch heeft u hier in de buurt Spakenburg geloof ik, hè……? Waar een heel eigen moreel inzicht schijnt te heersen op vele punten, ik geloof dat u dat ook elders kunt vinden. Wanneer ik nu uitga van een moraal, dan komen we op het punt terecht: Ergens is een vrouw pas wat waard wanneer zij door velen begeerd en bezeten is. En ergens anders is zij alleen naar wat waard wanneer ze nog onaangeroerd is. Nu kan ik voor mijzelf zeggen: Ik kies voor het geestelijke contact, al het andere is daar uiteindelijk een uitvloeisel van. Maar kan ik dit nu aan een ander opleggen? Ik kan eenvoudig mijn moraal niet aan een ander opleggen. Maar ik kan wel zien dat er in die mij vreemde opvatting hier en daar toch iets goeds schuilt.

Wanneer ik nu uitga van dit goede, wanneer ik mij aanpas in zo verre dat ik bij een ander de afwijking van zijn eigen normen duld, zolang zij geen aantasting betekent van mijn innerlijke waarde – dat wat ik aanvaard heb – dan kan ik met die wereld opschieten.

Je moet ergens een punt vinden van communicatie, van mededeling, en of dat nu gaat ten aanzien van God of ten aanzien van de medemens, het is altijd weer noodzakelijk dat je daarbij jezelf aan de ene kant kent en beseft wie je bent en wat je bent en wat je wilt, maar aan de andere kant ook beseft dat de andere, het andere, niet aan jou gelijk behoeft te zijn. Je moet je aanpassen zonder jezelf te verloochenen aan datgene dat in die ander leeft, dat in het andere aanwezig is, tot het ogenblik dat je elkaar werkelijk kunt gaan begrijpen. Dit begrip is vaak moeilijk. Laten we eens een ander voorbeeld nemen dat een beetje dichter ligt hier in de plaatselijke omstandigheden.

U hebt allemaal wel televisie, en televisie-recensie misschien nagelezen. Nu moet u eens opletten. Heel vaak blijkt de recensent nadrukkelijk af te keuren wat de meerderheid van de mensen in feite vreugde geeft. Andere keer horen wij iets bejubelen waar de doorsneemens niets van begrijpt. Dan gaat deze recensent uit van zichzelf. Dat is zijn volste recht zolang hij niet meent dat deze aan hem eigen interpretatie en mening bepalend moet zijn voor de waarde in de gemeenschap. En daar ligt nu juist het angeltje. Wanneer deze recensent zijn mening neerschrijft, dan doet hij dit niet als een persoonlijke mening. Hij doet alsof hij optreedt als arbiter, een soort scheidsrechter tussen de producent van een programma en de kijker of luisteraar. Dat is heel aardig, heel begrijpelijk, maar als er nu een slecht streekprogramma is, waar onze recensent – die dol is op Othello of misschien op Unesco – nu niets aan vindt, wil dat dan niet zeggen dat hij persoonlijk dus afwijst, niet op grond van de prestaties, maar op grond van een inhoud die toevallig niet strookt met zijn stelling, met zijn mening. U kunt dat misschien volgen?

Wanneer hij zegt: “Dit is slecht uitgevoerd”. Akkoord; het is zijn recht dat te constateren. Maar wanneer hij zegt: “Deze onzinnigheden zou men ons beter kunnen besparen”, dan zegt hij iets dat niet juist is, omdat de helft van de luisteraars of kijkers misschien van deze komedie wel hebben genoten. Daar zit dus het tere punt.

Nu gedraagt de doorsnee mens zich in het leven ook als een soort recensent. Hij keurt af wat de buren doen, hij keurt af wat de kerk doet, hij keurt af wat een ander denkt. Hij verwerpt bv. iemands denkwijze omdat deze bv. katholiek, protestant, theosoof, antroposoof, rozenkruiser of wat anders is, daar heeft hij geen recht toe.

Er zijn twee dingen die ik altijd moet weten. Ik moet aanvaarden in mijzelf en die aanvaarding kan alleen voortkomen uit mijn eigen wezen en datgene dat het leven, wat God voor mij betekent. Daarin kan ik een kracht vinden die mij ook het onaangename doet aanvaarden, net zo goed als het aangename. Maar het moet altijd iets blijven dat voor mijzelf echt is, dat waar is, dat deel is van mijn wezen. En zodra ik buiten dit ‘ik’ ga treden in de gemeenschap, dan zal ik mij moeten aanpassen. Aanpassing is noodzakelijk.

Nu zult u zien dat ik ben uitgegaan van die aanpassing. Die aanpassing is heel erg moeilijk – dat geef ik graag toe – maar ik vraag me bv. altijd af waarom de mensen dus zo eigenaardig schijnen te denken over kapitalisten, over communisten en over die rare chinezen waarvan je niet eens weet of ze nu communist, maoïst of wat anders zijn. En dan hebben ze direct hun oordeel klaar, ze weten er niets van. Ze oordelen over Zuid-Afrika en Vietnam en ze weten er in feite niets van. Ze kunnen er ook niets van afweten.

Zij benaderen dit theoretisch vanuit hun eigen standpunt – dat is hun volste recht – maar nu komt de grote vraag: wanneer zij dus eenvoudig beginnen met af te keuren of goed te keuren, maken zij dan voor zichzelf het contact met de ander niet onmogelijk? Ik vind het bv. heel vreemd dat iemand het communisme kan afkeuren terwijl hij eigenlijk nog niet eens weet wie Marx is, van Engels nooit heeft gehoord en van Lenin alleen maar weet dat hij een agitator was. Dat is een hele filosofie. Als je er iets van wilt begrijpen, dan moet je er dus ook kennis van nemen. Je hoeft het er niet mee eens te zijn, je moet er kennis van nemen. En je moet aanvaarden – en hier komt dus de aanvaarding – dat de waarheid voor verschillende mensen in verschillende vormen kan worden uitgedrukt, zonder dat die waarheid daarom in zichzelf een andere wordt.

U gelooft…..ik hoop tenminste voor uzelf dat u gelooft. U gelooft in iets. Misschien in een betere toekomst, ofschoon dat geloof aan het uitsterven is op ’t ogenblik in Nederland. U gelooft in God, misschien in rechtvaardigheid, in een hiernamaals. Waarom gelooft u daaraan? Waarom aanvaardt u deze dingen, die eigenlijk niet vaststaan, in uzelf eigenlijk als een onveranderlijke waarheid? Vooruit, dat is dat! Omdat u niet zonder kunt!

U gelooft in een sociale rechtvaardigheid, zoals u die ziet, niet omdat die sociale rechtvaardigheid noodzakelijk is, helemaal niet. Maar omdat voor u het leven alleen zin heeft wanneer er een bepaalde achtergrond is. Met andere woorden, u wilt zichzelf zien tegen een bepaalde achtergrond in het leven. En daarvoor heeft u dat nodig, en dat doet u met een geloof precies hetzelfde.

Wanneer u remonstrants, gereformeerd of nederduits-hervormd bent, katholiek of oud-katholiek of wat anders, vrij-katholiek misschien, dan kiest u in wezen een achtergrond. U kiest iets dat voor u in het leven onmisbaar is, omdat tegen die achtergrond van God, maar ook van moraal, van Goddelijk gebod en overlevering uw eigen figuur in uw eigen ogen reliëf krijgt. Wanneer u gelooft in een leven na de dood, dan doet u dat niet in de eerste plaats omdat het misschien wel eens bewezen is. U doet dit omdat dit voor uzelf nodig is, uw bestaan te zien als een continuïteit. Zonder dit kunt u eenvoudig niet meer de zin van het leven zien.

Waarom zou je werken en zwoegen en onaangenaamheden verwerken als er niets meer is? U heeft behoefte aan dat hiernamaals, zelfs wanneer het er niet zou zijn, en daarom aanvaardt u die dingen vaak kritiekloos – wat volgens mij niet juist is – want zonder dit heeft uw leven geen betekenis.

We gaan nu een stap verder. Wanneer je de dingen dus aanvaardt uit noodzaak, dan is elke aanvaarding en elk geloof niet alleen maar een erkenning van iets, het is wel degelijk een poging om jezelf te definiëren. De achtergrond van al die sociale troebels van de laatste tijd, al die omwentelingen. Of we nu kijken naar de bijna provo, naar de echte socialist en naar de zacht rose pseudo socialist (die is op ‘t ogenblik wel talrijk) of we kijken naar degene die eigenlijk in zich een individualist is, ze hebben allen deze denkwijze nodig omdat ze op die manier kunnen leven, iets kunnen betekenen. En daarom aanvaarden ze, zonder zich af te vragen: “Wat zit er aan vast?”

Ik kan u gemakkelijk aantonen dat het werkelijk doorvoeren van het socialisme, voeren moet tot een soort mierenstaat, waarin een individueel bestaan en ook een individuele bewustwording haast onmogelijk worden. Ik kan u net zo goed aantonen dat een anarchistische maatschappij niet kan bestaan, zolang niet alle mensen eerst respect hebben voor hun naaste. Zonder dat krijgen we dus in de anarchie de dwang en de terreur als eerste verschijnsel.

Wanneer we bezig zijn met individualisme, dan kunnen we zeggen: “Individualisme is alleen dan aanvaardbaar, wanneer het individu, gezien zijn erkende kwaliteiten en eigenschappen, zijn eigen weg volgt en zich daarbij toch ten opzichte van de gemeenschap dienend stelt. We hebben die achtergrond nodig …. goed, maar die achtergrond op zichzelf, die aanvaarding, dit innerlijk bewustzijn, desnoods dit innerlijk weten (want dat kan het echt wel zijn) is alleen maar hanteerbaar wanneer wij het niet behandelen als een kosmische norm, maar als een persoonlijke eigenschap. Want aan zijn persoonlijke eigenschappen kunnen wij ons heel gemakkelijk aanpassen. Wanneer u kijkt naar de uiterlijke gedragsregel van de maatschappij, dan zult u zien dat iedereen in feite zichzelf voortdurend kan verloochenen. Als iemand op je tenen trapt en je zou willen zeggen: “Potver …. stomme …. weet je niet dat je ongelijk staat?” Dan kijk je op en dan ben je beleefd en dan stamel je ietwat benepen “oh. . oh, . pardon.”

Dat is dus een aanpassing. Je gaat ergens het flagrante van je eigen reactie wegnemen en daarvoor in de plaats iets zetten van een bescheiden communicatie, en dan zegt de ander ook pardon. Dan heb je wel niet minder pijn in de tenen, maar wat je dus wel hebt, je hebt dus een relatie samengesteld, al is dat maar een ogenblik van erkenning: “Nou ja ik neem het zo kwaad niet”, bij de een. Erken dan a.u.b. dat de ander zegt: “Nou ja, je hebt me pijn gedaan, maar ik weet dat je het niet opzettelijk hebt gedaan”. Daar schep je een zekere sfeer mee. En dan kunt u zeggen, dat is onoprecht; zeker, alle aanpassing is ergens onoprecht, omdat je een deel van wat in jezelf opwelt dus als het ware beperkt, beteugelt.

Maar vroeger hadden we paarden, tegenwoordig zie je ze niet veel meer. Tegenwoordig heb je daarvoor de paardenkrachten in de plaats gekregen. Als je nu paarden had, dan konden die beesten vaak fantastisch veel presteren; je kon er een behoorlijke snelheid mee halen als het nodig was. Maar je had wel een ding nodig: een koetsier met een vaste hand. Niet dat hij die paarden voortdurend behoefde te sturen, dat was helemaal niet nodig, maar de paarden moesten weten dat er iemand zat aan de teugels die ze desnoods vast kon houden, waar ze niet tegenop konden spelen. En wanneer u nu die P.K.’s hebt, dan heb ik zo’n flauw idee – ja, ik heb zelf nooit in blik gereden…. dus. . . – dan krijg ik zo het idee dat de ellende dus is dat er nu een koetsier nodig is om de chauffeur te bedienen. De chauffeur de zekerheid te geven dat er ergens iemand aan de touwtjes trekt. Wanneer dat ontbreekt, tja, dan slaan de paarden op hol en dan zal de auto waarschijnlijk zich niet aan de verkeersregels houden en de snelheid overschrijden, misschien ongelukken maken. Kijk, wat wij nodig hebben bij aanpassing, is dus de drijfkracht van onze aanvaarding zodanig richten en beperken, dat ze in de wereld geen schade aanricht.

Nu zult u zeggen: “Wat heeft dat geestelijk voor belang?”. In de eerste plaats: Wanneer u in een God gelooft, dan is dat heel mooi. Maar wanneer u met dit geloof aan die God u in de wereld kunt aanpassen, aan de mogelijkheden – niet noodzakelijk aan al de regels, want dat kun je misschien niet – die er bestaan, dan maak je daardoor die God voor jezelf nog veel meer waar. Want doordat je meer als het ware schippert – aanpassen is een beetje schipperen – moet je je veel beter gaan realiseren wat die God dan eigenlijk nog wel en wat hij niet kan aanvaarden. Of die God een droombeeld is of niet, daar praten we niet over. Ik ga mij mijn God dus zuiverder voorstellen, ik ga begrijpen wat bij die God essentieel is en wat er eigenlijk bijkomstig is. Ik ga leren waar ik zelf in moet grijpen en waar ik het aan God kan overlaten. Met andere woorden, ik definieer mijn eigen verplichtingen binnen het goddelijke. Ik leer mijzelf kennen. De aanvaarding, dat is de stuwkracht van het goddelijke zelf. Wanneer je leeft (de meesten van u kennen daar zelf wel een voorbeeld van), wordt je soms gegrepen door iets dat je creatieve drang kan noemen. En die creatieve drang zal misschien bij een vrouw bestaan uit het opnieuw arrangeren van iets in haar huis; voor een man desnoods uit het maken van een tafel met vier ongelijke poten, dat komt er niet op aan. Maar je wilt iets maken, je wilt iets doen, je wilt iets voortbrengen, je wilt produceren als het ware, je wilt uiten, en wat … dat weet je soms zelf niet.

Die vrouw die aan de schoonmaak tijgt en daar gelijk binnenshuis een complete verhuizing begint te organiseren, die vraagt zich heus niet af: “Waarom doe ik dat?”. Ze weet het niet eens en wanneer ze er al over nadenkt, zegt ze: “Nou ja, goed, nest-instinct misschien”. Maar het is meer, het is de behoefte om je persoonlijkheid uit te drukken. Wat doe je? Door het creatieve werk probeer je de materiële wereld aan te passen aan wat je op dit moment van binnen bent. De kracht daartoe, die krijg je, die is er. Dat is het spontane. Zolang je God, zolang je het leven zelf maar aanvaardt, is die energie er. Naarmate die aanvaarding meeromvattend is, is er meer kracht, zijn er meer mogelijkheden. Maar nu moet je ze gaan uiten. En ja, dan kan het wel eens een keer voorkomen dat ze met alle geweld de piano precies op de plaats wil zetten waar eigenlijk pa zou moeten zitten als hij aan de eettafel komt, en dan komt er ruzie. Dan moet pa dus begrijpen dat ma met het arrangeren hem niet uit de weg heeft willen helpen, naar omgekeerd moet ma begrijpen dat pa een plaatsje moet hebben aan tafel. Ze moeten aanpassen. Hetgeen ontstaat is dan niet ma’s ideale rangschikking en het is zeker ook niet wat pa zo graag wil. Het gemakkelijke, steeds het zelfde plekje waar je met een hand de pijp, met de andere de krant en met de derde hand de radio te pakken kunt krijgen en met de vierde het glaasje-met-inhoud, waarmee men zich in de vermoeide avonduren pleegt te verkwikken.

Men moet zich aanpassen, en natuurlijk doe je dat. Bij een huwelijk betreft het alleen maar twee mensen, maar wanneer je nu gaat begrijpen dat die hele wereld eigenlijk precies hetzelfde is, of je wilt of niet, je bent eigenlijk met het leven en met de wereld getrouwd.

Man en vrouw zullen elkaar nooit helemaal volledig kennen, ofschoon beiden ten aanzien van de partner die illusie vaak een lange tijd koesteren. Maar je gaat veel van elkaar begrijpen. Je gaat begrijpen hoe iets bedoeld is, je gaat begrijpen wat de betekenis eigenlijk is van de dingen. Dingen waaraan je vroeger voorbij bent gelopen of waaraan je je misschien hebt geërgerd. En doordat je ze begrijpen kunt, wordt er een soort eenheid gevormd. Juist door dat begrip, hoe beperkt het ook moge zijn.

U bent getrouwd met de wereld. Wanneer u in die mensheid, in die wereld gaat begrijpen wat die wereld eigenlijk bedoelt, wat zij is, denkt u dan ook niet dat u die wereld beter gaat begrijpen? Want wat is de wereld anders dan een deel van de Goddelijke openbaring. In jezelf God, in jezelf jouw wet van God, de aanvaarding van het leven, de toestanden en de mogelijkheden van het leven op je eigen manier. Het reliëf waardoor je persoonlijkheid kan spreken, maar dan ook het begrip voor die wereld en uit het begrip dat je hebt voor de wereld, de weerkaatsing van het begrip van de wereld voor jou, een uitbreiding van bewustzijn.

Nu kunt u denken dat het bewustzijn uiteindelijk op uiterlijkheden berust, maar niets is minder waar. Wat wij erkennen dat zijn niet de uiterlijke feiten, wat wij erkennen in feite zijn innerlijke, bijna emotionele relaties. En de emotie, zelfs in het menselijk leven, is veelal de uitdrukking van een hogere eenheid, van een hoger iets in je, of een lager zoals sommigen het ook wel eens plegen te definiëren.

Wanneer ik dus een relatie krijg met die wereld waar begrip, waar zekere gevoelens als het ware een rol spelen, die niet verwerpend maar begrijpend zijn, dan maak ik mij eigen de samenhang, zeg voor mijn part, de hiërarchieke opbouw van de kosmos. Ik leer mij bewegen in een wereld waarin ik mijn eigen taak, mijn eigen plaats heb. Ik leer mij bewegen in een kosmos waarin ik mijzelf ben met een aparte bestemming, met een aparte taak in de totaliteit van de volmaakte schepping, en toch gelijktijdig het geheel te aanvaarden. Kijk, en daar ligt de grote moeilijkheid en gelijktijdig ook de grote bereiking. Wanneer ik alles vanuit mezelf bezie (en wie doet dat niet?), dan ben ik geneigd alles naar mijzelf te beoordelen. Maar kan ik God ooit begrijpen? Kan ik het leven ooit begrijpen in zijn ware mogelijkheden en betekenis, wanneer ik probeer te limiteren tot mijzelf?

God is meer dan ik ben, de wereld is meer dan ik ben, leven is meer dan die paar jaar die in de materie bestaan, of die ogenblikken dat je, door een of andere sfeer gebonden, meent een nieuwe wereld gevonden te hebben. Geloof me, werkelijk leven omvat alle sferen en alle werelden, werkelijk leven omvat niet alleen maar enkele mensen, maar de totaliteit van alle mensen en alle geschapen wezens. En wanneer ik dat ga begrijpen, wanneer ik daarin God terug ga vinden, wanneer ik daarin het leven terug ga vinden in zijn ware betekenis, dan ben ik nog wel mijzelf, maar dan leef ik als het ware als mijzelf, gelijktijdig een totaliteit. Dit is misschien een gek voorbeeld.

Als je naar een voetbalteam kijkt – voetballen is tegenwoordig erg populair, in mijn tijd niet – dan zie je dus dat elk van die mensen in dat elftal zichzelf blijft, met zijn eigen capaciteiten, met zijn mogelijkheden, maar dat ze gelijktijdig samen iets vormen, het elftal. En als het elftal goed is, dan is dat goed, niet omdat die mensen nu vergeten wat ze zelf zijn en wat ze zelf willen, maar omdat ze hun mogelijkheden op de meest juiste, de meest efficiënte wijze weten te combineren. Een team kan alleen ontstaan door de onderlinge aanpassing. Maar die aanpassing heeft geen waarde zonder dat men a priori aanvaardt dat die anderen er zijn, niet alleen voor jou, maar dat ze als ik-heid er zijn en het doel van dat totale elftal, al is dat alleen maar om de tegenstander zoveel mogelijk kolen te stoven in zo kort mogelijke tijd.

Zo moet u het leven zien. Alleen kun je weinig of niets bereiken. Je denkt het misschien wel, maar het is niet waar. Je kunt geestelijk en materieel pas wat bereiken door de samenwerking met anderen, door de wisselwerking met anderen. Je eigen verstand, je eigen begrip kan zich pas werkelijk ontplooien wanneer je de ander gaat leren aanvaarden zoals hij is en gelijktijdig zelf daarmee leert werken. En daarmee heb ik, geloof ik, het essentiële naar voren gebracht. Het is niet voldoende om een enkel leven als mens, door wat aanvaarding van de essentiële, voor jou vaststaande dingen, en wat aanpassing aan de verschillen bij de anderen, door de aanvaarding ook van de anderen als iets dat een eigen recht heeft van leven, denken en bestaan (het leven van een ander erkent men meestal wel als zijn recht, maar zijn eigen denken gunt men hem meestal niet) nee, van daaruit moeten wij proberen verder te komen.

Een mens is niet alleen maar een wezen van een dag weet u. En ook niet van tachtig of desnoods honderd jaar. Een mens is een bewustzijn, een bewustzijn dat van vorm tot vorm en van wereld tot wereld kan gaan, maar dat nooit helemaal wordt uitgeblust; een wezen dat betrekkingen, dat relaties heeft met de materie. En al zou die materie duizend andere vormen aannemen, dan toch voelt hij zich daar ergens blijvend mee verbonden. En dat de kracht, de energie van die materie niet verloochend kan worden, ook niet door dit wezen. Dit wezen moet leren om al die werelden en al die tijden bij elkaar te vatten. En hoe kun je dat wanneer je elke keer het punt, waarop je nu bent, beschouwt als het enige waarvan aan de hand de wereld beoordeeld kan worden.

Laten we het heel eenvoudig zeggen: De paus van vandaag kan in het verleden baälpriester zijn geweest, nu zegent hij de kindertjes en vroeger gooide hij ze in de brandende buik van de een of andere afgod. Is die man daarom minder? Neen, maar hij is wel minder wanneer hij gaat zeggen: “Alleen het verbranden van kinderen is goed, of alleen mijn geloof, mijn manier van geloven en denken is goed!” Zodra hij dat gaat doen, dan breekt hij niet alleen met de wereld, maar hij breekt met zichzelf.

Om de continuïteit van je eigen leven te kunnen begrijpen en daarin door te kunnen dringen, ja, alleen maar om te beseffen wat eventueel een incarnatie in het verleden geweest kan zijn, moet je beginnen met aanpassen. Aanvaarding is goed, maar er is meer nodig. U moet begrijpen dat het heden, behalve in zijn essentiële punten (en die zijn er betrekkelijk weinig) voortdurend variabel is.

Ik zou haast geneigd zijn een vriend van me hier aan te halen, die in een debat het volgende zei: “Wetenschap is het voortdurend onderzoeken der verschijnselen en op grond van deze verschijnselen en hun bewijsbare samenhang, het voortdurend vormen van werktheorieën waardoor een verder onderzoek en erkennen van verschijnselen mogelijk is.” Dan zei hij er achteraan: “Maar wetenschappelijk denken is over het algemeen: Dogmatisch als juist de huidige werkstelling aanvaarden, en alles dat wijst op de onjuistheid daarvan wegpraten of als onaanvaardbaar ter zijde schuiven.”

Nu weet ik wel dat een wetenschapsman daartegen kan gaan protesteren, maar daarin ligt geloof ik hetzelfde dat wij hier hebben gezegd. Een wetenschapsman kan alleen een waar wetenschapsmens zijn wanneer hij de verschijnselen aanvaardt. Dan mag hij ze onderzoeken, maar hij moet ze eerst aanvaarden. Maar hij moet zich ook aanpassen. Wanneer blijkt dat zijn interpretatie of waarneming niet de juiste of enig juiste is, dan moet hij bereid zijn om een nieuwe benadering te vinden. En wanneer hij dat niet doet, wanneer hij zichzelf als criterium stelt, dan zal hij wetenschappelijk in een slop geraken.

Wanneer u geestelijk uw innerlijke waarheid als de enig juiste stelt en u daarbij niet baseert op de innerlijk erkenbare feiten, maar op uw interpretatie daarvan, dan bevindt u zich geestelijk in een doodlopend slop, dan komt u er niet meer uit.

Aanpassen naar buiten toe (het terugdringen van de noodzakelijke feiten, de noodzakelijk te aanvaarden dingen tot een minimum) is het begin van alle ware bewustwording, van alle ware geestelijke zowel als stoffelijke bereikingsmogelijkheid.

Nu, ik geloof, dat ik daarmee genoeg gezegd heb. Is er iemand die onmiddellijk hierop wil commentariëren?

  • U zegt bv. met die communisten, daar heeft u een voorbeeld gebruikt, die hebben ook een eigen waarheid, net zo goed als de tegenstanders daarvan een eigen waarheid hebben en het is in principe hetzelfde. Hoe ziet u dan, als deze mensen met elkaar in contact komen, vechtend voor hun eigen waarheid, de aanpassing?

De aanpassing tot elkaar zou zijn bv. …. ik kan dus dit zeggen: Dat de christen begrijpt dat de kern van Jezus’leer in feite communistisch is. En dat de communist leert begrijpen dat de christen communistisch kan zijn, ook al gelooft hij aan andere dingen dan alleen aan Marx en Lenin. Dat is het punt van contrast. Men moet zich dus aanpassen door niet zijn christendom allereerst te etaleren, maar door zijn christelijke praktijk te tonen. En als hij dat bijzonder juist doet, dan zal de communist zeggen: “Hier vind ik een communist.” En omgekeerd moet de communist niet beginnen met zijn dialectiek voorop te stellen. Hij moet beginnen met te bewijzen wat hij in zijn leven is als communist. En wanneer hij dat op de juiste wijze doet, dan zal de christen zeggen: “Deze mens erkent misschien Jezus niet, maar hij leeft als een christen.” En dan is het begrip mogelijk en dan kom je misschien uiteindelijk tot de conclusie dat het enige dat aan Marx en Marxisme mankeert de kwestie is van een God. God is er buiten gelaten.

Een andere keer zal de marxist tot de conclusie komen dat het christendom volledig aanvaardbaar is. Er is natuurlijk maar een ding helaas te veel in, dat is een God. Maar als je erover nadenkt zal de communist zeggen: “Ja, die God heeft toch ergens wel iets bevredigends, dat idee dat er nog meer is.” En hij zal – zonder het toe te geven of het aan zichzelf te zeggen – langzaam maar zeker zijn idee van ‘voor de latere geslachten’ ook nog gaan veranderen in ‘voor een onbekende waarde’. Omdat er iets is.

En omgekeerd zal de christen waarschijnlijk terugkeren van zijn noodzaak tot geloofsverkondiging als leer en leerstelling en hij zal zeggen: “Wij moeten terugkeren tot de christelijke praktijk.”

Kijk, als je die dingen bij elkaar brengt, dan is die aanpassing dus inderdaad mogelijk. Het beroerde is op het ogenblik …. om een krankzinnig voorbeeld te geven: Terwijl aan de ene kant de zgn. communistische staten – of ze het weten of niet en of ze het willen of niet –  langzaam maar zeker de richting uitgaan van toch wel enigszins kapitalistisch-socialistische maatschappij, de zogenaamde kapitalistische landen in feite steeds verder gaan met hun eigen proces van socialisatie aan de andere kant. En daarmee eveneens de communiteit der gemeenschap als het ware voorop gaan stellen bij het individu. En terwijl dus de communist, of laat ik liever zeggen, de bolsjewist (dat is in dit verband juister eigenlijk) de mens meer vrijheid gaat geven, omdat hij beseft dat alleen de mens die een zekere vrijheid heeft waarlijk mens is en daarmee zijn ware belangrijkheid krijgt voor de gemeenschap, zien we aan de andere kant dat de kapitalistische maatschappij de vrijheid van de mens dus aan het inperken is, omdat zij begint te begrijpen dat een onbeperkte vrijheid binnen de gemeenschap niet aanvaard kan worden zodra zij gepaard gaat met het hanteren van een macht, die buiten de maatstaven gaat van een normaal menselijk ageren.

En als u dat gaat begrijpen, dan zult u zien hoe dicht ze eigenlijk bij elkaar komen. Het verschil is niet zo groot in de praktijk, het verschil is ideologie. Nu ja, er zijn heel vreemde dingen en ik hoop dat u me niet kwalijk neemt als ik hier zo over doorpraat. Wanneer ik hoor zeggen dat de staat een leger nodig heeft, omdat dit het enige middel is om vrijheid en recht te handhaven, dan vraag ik mij af waarom die staat meent dat zij dit – maar dan onder staatsgezag alleen – nodig heeft, terwijl ze gelijktijdig aan haar burgers het recht om wapens te dragen ontzegt.

Hier is een discrepantie, dat klopt ergens niet. Want wanneer wapens nodig zijn voor recht en wet, dan heeft elke mens recht op een wapen. En als ze niet nodig zijn voor recht en wet, dan heeft ook een staat geen recht op wapens, begrijpt u? Maar ik begrijp het wel. Natuurlijk, de staat kan dus de gewapende macht niet missen, omdat zij door de gewapende macht tracht zichzelf te handhaven. Je kunt dit in Indonesië op het ogenblik heel aardig zien en ook in China.

En de burger die wapens heeft, zal dus zichzelf gaan handhaven tegen zijn omgeving en hij zal dus een zekere macht bezitten en daarmee de machtsuitoefening van anderen niet zo gemakkelijk meer accepteren.

Hoe heet het ook weer, dat boerenstel….. nu, dat heeft er ook zo’n half oorlogje. Als die mensen in plaats van tractoren om over de weg te zetten, wapens hadden gehad, wat was er dan gebeurd? Dan waren ze waarschijnlijk geëindigd met het fusilleren van het Landbouwschap.

Kijk, als je dat gaat zien, dan zeg je: mensen waarom toch eigenlijk al die krankzinnigheid? Natuurlijk, de één kan zeggen: het Landbouwschap is nodig en de ander kan zeggen: het is het niet. Maar laten we – uitgaande van wat voor onszelf juist is – proberen ons aan te passen bij die ander, opdat we zullen zien wat er in die ander, in zijn stelling misschien voor goeds zit. Dan ontstaat er misschien iets dat voor ons allebei goed is. Dan hebben we allebei een veer moeten laten ten opzichte van onze stellingen. Maar gelijktijdig hebben we een grotere mogelijkheid gekregen, we begrijpen elkaar beter, we kunnen meer tot stand brengen. Door dit tot stand brengen, kunnen we ook beter beseffen wat er belangrijk is, ons innerlijk leven, ons idealisme. Idealisme, idee… niet werkelijkheid, idealisme is geen werkelijkheid.

Het is altijd grijpen naar het idee, die in de werkelijkheid niet kan bestaan. Worden aangepast, …. wij worden meer onszelf en tegelijkertijd worden wij meer verwant met de wereld. Kijk, dat kun je met communisten doen, met socialisten, .. dat zou je kunnen doen met katholieken en protestanten. Uiteindelijk, is het nu zo belangrijk dat er een heiligenbeeld in de kerk staat of niet? Het is helemaal niet belangrijk. Waar de mens God dient, wanneer hij leeft volgens wat hij ziet als Gods wet, is dat niet veel belangrijker? En het is ook helemaal niet belangrijk of je nu een Latijnse mis zingt of ergens berijmde psalmen. Dat geeft allemaal niet. Het maakt toch geen werkelijk verschil. Net zo min als het verschil uitmaakt of je nu de katholieke uitleg hebt bij het avondmaal of de protestantse. Wat maakt dat in wezen uit? Het is alleen verschil voor de mens innerlijk, maar voor de rest zijn het uiterlijkheden die onbelangrijk zijn. Wat eruit voortkomt, de kracht die men christelijk noemt, is belangrijk.

En is het nu werkelijk zo belangrijk of je als theosoof en antroposoof over sommige dingen anders denkt? Is het niet veel belangrijker dat je begrijpt dat de samenhang van de wereld, het weten omtrent de wereld voor jou eigenlijk de enige manier vormt om in die wereld jezelf te beseffen en het andere te leren kennen? Is dat niet veel belangrijker?

Kijk, als de mensen dat over boord gaan gooien, het idee van wat verbindt, de communicatie, dan is de aanpassing onmogelijk geworden, en dan blijft alleen de aanvaarding over. En aanvaarden kun je alleen datgene dat met je wezen strookt. En wat niet met je wezen strookt, aanvaard je niet. En dan kan dat op zich goed of kwaad zijn – dat doet niet ter zake – maar het moet een deel zijn van jezelf, dan kun je het aanvaarden. En anders dan kom je in verzet en dan kun je het nooit aanvaarden, en daarvoor juist hebben we de aanpassing nodig.

Wat met ons wezen strookt, dat accepteren we toch wel, maar juist wat niet schijnt te stroken met ons denken, met ons leven, met ons wezen, met onze hele opvatting, met onze doelstellingen, geestelijk, sociaal en anderszins, daar moeten we de tussenweg zoeken. Daar moeten we zoeken naar het positieve dat er is, naar het begrip, naar het samenkomen, opdat de gemeenschap wordt tot een brug waardoor ego en ego met elkaar verbonden zijn, opdat stelling en stelling door de mens met elkaar verbonden zijn, opdat God, opdat het leven, opdat de werkelijkheid beseft kan worden. Niet vanuit een punt, maar vanuit de totaliteit. En als u me niet gelooft, onthoud u dan maar dit:

Wanneer je een punt nauwkeurig wilt vaststellen of een hoogtemeting doen, dan doe je dat door triangulatie en dan moet je verschillende waarnemingen op verschillende punten doen. De waarheid van het leven, de waarheid omtrent God, de waarheid zelfs omtrent jezelf, kun je nooit vinden vanuit één punt. En daarom is die aanpassing noodzakelijk. Maar ook dat ene punt is noodzakelijk, omdat zonder dat de andere punten geen betekenis hebben. Daarom: het ‘innerlijk ik’ dat aanvaard ik, maar gelijktijdig aanpassing met het andere, zodat wij tot een nauwkeurige definitie kunnen komen van wat belangrijk is, een doel.

  • Zou je het zo kunnen zeggen: dat de aanpassing met je verstand gebeurt en dat je de ervaring met je gevoel beleeft?

Nu, ik zou haast zeggen dat de aanvaarding primair een gevoelszaak is, maar een verstandelijke uitdrukking zelfs een zekere rationalisatie vergt om er dus mee te kunnen leven, terwijl een andere keer de aanpassing over het algemeen gebaseerd wordt op rationalisaties, maar in feite toch ook weer een emotionele verhouding uitdrukken. Verstand, dat is het middel waarmee wij omschrijven, waarmee wij aan de vaststelling, aan de constatering een vorm geven, waardoor zij teruggeroepen kan worden, waardoor een herinnering, een vergelijking mogelijk wordt. Maar dat wordt alleen mogelijk door onze formulering.

Het gevoel, dat is onze reactie en die kan van keer tot keer verschillend zijn bij dezelfde waarde. Dat gevoel, de emotie, geeft ons geen vaste inhoud. Daarom hebben we het verstand nodig. Maar verstand dient alleen maar als communicatiemiddel. Achter het verstand, zelfs bij de meest verstandelijke denker en werker, schuilt ergens de emotionaliteit. En op de achtergrond van elke moderne, belangrijke wetenschappelijke ontwikkeling en ontdekking staat ergens ook een emotie, die er misschien schijnbaar niet mee samenhangt, maar zonder dewelke nimmer de verstandelijke prestatie tot stand had kunnen komen.

De mensen beroepen zich zo op hun rede. En als u kijkt in de wereld, en dan moet u kijken naar de godsdienst, naar de wetenschap, naar de sociale structuur, u mag kijken naar de commerciële structuren, u mag kijken naar de politieke structuren, ja zelfs alleen naar de gewoon menselijke gedragingen. Dan zult u moeten toegeven dat het verstand schijnbaar dicteert, maar het in feite slechts rationaliseert wat innerlijk onvermijdelijk schijnt te zijn. En dat het door de rationalisatie en ook de definitie die daar dus mee verbonden is, een vergelijkbaarheid mogelijk maakt. Een vergelijkbaarheid van gisteren, vandaag en morgen. Maar de kern is en blijft emotionaliteit, dat is de werkelijke drijfveer. En zo zou je kunnen zeggen dat aanvaarding de kern is van het getal drie. Die aanvaarding kunnen we niet beredeneren, we kunnen ze alleen omschrijven.

De aanpassing is het proces van aanvaarding in de ander, waarbij wij dus onszelf als het ware overgeven aan het feit, aan het nieuwe. Er ontstaat een emotionele reactie op de mens, inderdaad. En dan komt de verstandelijke realisatie van de toestand en deze dicteert de aanpassing, dus de beperking van mijzelf ergens. En nu kan ik komen tot een communicatie met de ander, het andere. Daardoor kan het andere begrijpelijke emoties in mij wekken, waardoor de oorspronkelijke emotie juister wordt, gedefinieerd, en in zekere zin zelfs geraffineerd, omdat ze van onbelangrijke bijkomstigheden ontdaan wordt.

  • Ik denk dat in de praktijk veel aanpassingen maar schijnaanpassingen zullen blijken te zijn.

Ja …. een aanpassing, ook wanneer het een schijnaanpassing heet, is altijd een werkelijke aanpassing. Een mens realiseert zich dat niet, omdat hij het begrip van werkelijkheid in die aanpassing, de werkelijke erkenning die hij innerlijk wel doet voor zichzelf, niet kan verwerken. En wat ik daarnet zei over die beleefdheid, dat is in zekere zin een schijnaanpassing, want je verwenst die vent die op je tenen heeft gestaan, en vooral als het een dame met een stelthak is, helemaal natuurlijk, van ganser harte. Dus…..die verwensing blijft wel degelijk bestaan. En de ander die maakt zijn excuses wel, maar die denkt: Mens, moet je die poot nu precies daar neerzetten waar ik mijn voet heb. Dat is dus eigenlijk een schijn. Maar door die schijn maak je het mogelijk elkaar te accepteren en in feite wordt dus niet de ervaring uitgeblust of het verschil uitgeblust, maar in die schijn ontstaat een samenhang die er anders niet zou zijn. Er ontstaat een communiteitsgevoel, een gemeenschapsgevoel dat er anders niet zou zijn. En of de basis daarvoor nu angst is of zelfbeheersing of beleefdheid, dat is minder van belang. En veel van wat u schijnaanpassing noemt, is dus – zolang het eerlijk blijft en dat is belangrijk ergens – het voor mijzelf toegeven dat het schijn is, maar het is voor mij toch weer een benadering van de ander.

Soms blijkt juist uit die schijnaanpassing zelfs een grote overeenkomst. En als we denken aan Hitler en Stalin, die hadden allebei een heerlijk verdrag gesloten waardoor ze de wereld onder elkaar zouden verdelen. En allebei waren ze van plan te juister tijd een dialectisch opportunisme, zoals dat dan pleegt genoemd te worden, teniet te doen en terug te keren tot de zuivere leer. Hitler had de eerste slag, Stalin de laatste. En tot op dat ogenblik is dat dus vergeten. Maar in feite hebben ze veel van elkaar overgenomen.

Wanneer we dus de organisatie bekijken van de Russen en we bekijken de organisatie van de Duitsers, dan zien we dat juist nadat de oorlog met Rusland begint, een grote verandering optreedt in de innerlijke reactie in het Duitse Rijk en gelijktijdig de Russen organisatorische trucjes gaan overnemen van de Duitsers. En dan zegt men: “Dat is een controverse”. Nee hoor, er was ergens begrip, en die schijneenheid die we dus eigenlijk hebben gehad, was in wezen de mogelijkheid voor beiden om zich ergens te veranderen. Nu kunnen we zeggen: “Die verandering was geen verbetering”; het was in ieder geval een evolutie, en een evolutie die voortkwam uit de primaire aanname, uit de aanvaarding van de superioriteit van het ras of van de stelling. Naar gelang je kijkt bij de een… Bij de een is het: ‘Onze stelling is zo superieur en alles op de wereld, en daarom wij ook’; bij de ander was het: ‘Ons ras is superieur en alles op de wereld, en daarom wij ook’; dat is eenvoudig gesteld.

En nu ga ik nog een eindje verder en dan zeg ik: “Ja, nu moet je het zo bekijken: Zelfs wanneer er dus een schijn is, dus dat de aanpassing niet volledig oprecht is, zal alleen de geste van aanpassing verandering in inzicht en ook in persoonlijke definitie tot stand brengen. En daardoor een beïnvloeding vormen voor het verdere leven, voor het verdere bestaan.” Dat kun je in Nederland zien.

Nederland, dat is een land dat ontzettend hard heeft gevochten voor zijn vrijheid tegen de Duitsers, maar gelijktijdig hebben zij van het Duitse organiseren zoveel overgenomen dat op het ogenblik driekwart van de huidige wetgeving en maatregelen ergens zeer grote parallellen vertonen, zo niet afleidingen van hetgeen de Duitsers indertijd als regels hebben gehanteerd en dan kunt u zeggen: Tja, dat vind ik niet leuk om te horen, maar daarom is het niet minder waar.

Hier was ook een zekere aanpassing, een aanpassing door wederkerige erkenning. Maar als die erkenning nu alleen maar in het negatieve ligt, kan er wel iets positiefs uit voortkomen. Maar dan gaat er veel meer mee te gronde.

Wanneer wij elkaar aanvaarden en we passen ons aan de ander aan met behoud van onszelf, dan wordt ons weten verrijkt en gelijktijdig zullen wij de ander in positieve zin kunnen stimuleren. En dat betekent dat wij eveneens actief moeten zijn wanneer de ander actief is. Dat betekent dat we op elke vraag een antwoord moeten geven. Er moet een uitwisseling zijn, een communicatie en het is die communicatie die hier en daar misschien ontbreekt. En ik geloof zelfs dat het ontbreken van een werkelijke communicatie tussen de mensen onderling, en nu denk ik heus niet aan de politiek, die politiek is zo duidelijk dat je toch blind moet zijn om niet te weten wat er aan de hand is; de doorsnee mens wil het niet zien, maar goed.

Tegenover elkaar begrijpen de mensen elkaar niet meer, ze weten niet meer wie de ander is, de communicatie ontbreekt, omdat zij zich wel willen aanpassen aan een in zich onbezield sociaal schema, maar niet zich willen aanpassen aan de medemens, aan de ander, aan de groep. En als ze dat maar eens zouden proberen, dan zou in vele landen de innerlijke structuur ten gunste veranderen. En zou ongetwijfeld ook de internationale verhouding eerlijker, reëler en daardoor veel vruchtbaarder zijn. Maar goed, dat wordt een heel betoog en eerlijk gezegd is het tijd voor de pauze.

Dan mag ik misschien nog kort even opmerken dat het belangrijke dat wij vanavond geprobeerd hebben met elkaar te bespreken is: In onszelf zijn dingen, daar kunnen we niet buiten, die aanvaarden we, niet omdat ze zijn wat we zeggen dat ze zijn, maar omdat we niet minder kunnen, omdat zij voor ons een soort rede of noodzaak zijn voor een zelferkenning, een soort bron van waarde voor ons bestaan. En wanneer we daar van uit gaan, dan zijn we voor onszelf volkomen juist en in orde, maar wij moeten erkennen dat in een ander hetzelfde op een andere wijze tot stand kan komen en daardoor zoeken naar datgene dat ons met de ander verenigt. Wij moeten zoeken naar datgene dat ons een zo groot mogelijke harmonie geeft. De aanpassing is het middel om de innerlijke aanvaarding tot een uitdrukking te brengen die voor het geheel en niet alleen voor het ‘ik’ van betekenis is.

Mag ik daarmee dan voorlopig beëindigen; na de pauze krijgt u alle gelegenheid om over het onderwerp verder door te gaan. Mijn dank voor uw aandacht en ook voor uw spontane en directe reactie op hetgeen ik gezegd heb.

Tweede gedeelte 

Zo Vrienden, goedenavond weer, ik zou graag willen beginnen met de vragen. Mag ik weten wat er schriftelijk is binnen gekomen?

  • Waarin schuilt de fout dat zowel in de persoonlijke verhoudingen als tussen de volken onderling, zo weinig aanvaarding en onderling begrip plaatsvindt?

Ik geloof dat de fout hoofdzakelijk is gelegen in de overwaardering van het eigen ik en deze overwaardering kun je dan waarschijnlijk verklaren uit wat men noemt een innerlijke of onderbewuste onzekerheid, in vele gevallen zelfs een soort minderwaardigheidscomplex, waardoor men dus zijn superioriteit meent naar buiten te moeten uitdrukken omdat men anders in zijn werkelijke gedaante herkend zou worden. Het is heel eigenaardig. De mensen die innerlijk sterk en zeker van zichzelf zijn, die hebben een over het algemeen zeer groot aanpassingsvermogen. Mensen die erg onzeker zijn en erg instabiel, zijn over het algemeen tegenover anderen agressief. Dat is een verschijnsel dat wij uit de psychologie kunnen verklaren en ik geloof dat je dat ook voor de staten kunt doen.

Wanneer wij dus zien de typische, vaak agressieve houding die een land als Rusland in het verleden heeft aangenomen, dan moeten wij ons daarbij realiseren dat deze staatsvorm en dit systeem zeer nieuw is. Dat het in zichzelf veel onvolmaaktheden bergt en zich daarvan bewust is. En dat het juist daarom agressief is naar buiten toe om het denkbeeld van eigen waardigheid wat beter te kunnen handhaven. Men is innerlijk onzeker, daardoor is men wantrouwend ten aanzien van anderen. En het is ook typisch dat de agressiviteit van Amerika aanmerkelijk is toegenomen in een periode dat juist de eigen problemen, de interne problemen en spanningen veel groter werden.

Als u dat allemaal nagaat, dan kunt u zeggen: dat is de feitelijke fout. En de grote fout is dus volgens mij wel het feit dat men niet geneigd is om zichzelf te aanvaarden zoals men weet te zijn. Wanneer je uitgaat van wat je bent, werkelijk bent, dan kun je onnoemlijk veel betekenen. Wanneer je pretendeert meer te zijn dan je bent, dan kun je aan de eisen van de wereld en aan de eisen die je jezelf stelt in feite nooit volledig tegemoet komen. Een individu krijgt er een maagzweer van of eindigt met een echtscheiding; een staat komt over het algemeen tot een oorlog of een economische crisis.

  • Katholiek en protestant zijn bezig zich aan elkaar aan te passen ten aanzien van: ‘Het Onze Vader’. Maar ik heb nog steeds bezwaren tegen het; ‘Leid ons niet in verzoeking’. Een God van liefde wil naar mijn mening niet verzoeken.

Ja dat is natuurlijk ergens wel waar, maar laten wij een ding niet vergeten. De verzoeking bestaat in feite uit onze eigen reactie op iets dat in de wereld op zichzelf bestaat. En wanneer wij dus God vragen om deze situaties zo ver mogelijk van ons te houden, dan lijkt me dat eerder een beroep op de liefde Gods, dan een aannemen dat die God ons bewust zal willen verzoeken. Want de fout van de mens is ook altijd weer: Dat hij niet bereid is de wereld te nemen zoals zij is. En dan zeggen wij bv. dat het een daad van liefde is van Jezus, wanneer Hij de overspelige vrouw in bescherming neemt wanneer zij op het punt staat gestenigd te worden; dat Hij spreekt met de Samaritaanse aan de bron, een vrouw van slechte reputatie, die vele malen gehuwd was, enz. En wanneer Hij de mensen dus helpt, geneest en zelfs bezoekt, zoals de tollenaar, dan zeggen we: Dat is liefde van Jezus.

Neen, dat is eigenlijk niet Jezus’ liefde dus in het bijzonder. Jezus erkent dat die dingen er zijn; Hij neemt ze aan. En doordat Hij ze erkent en aanvaardt zoals ze zijn, kan Hij zijn innerlijk licht en zijn innerlijke wijsheid overdragen. Maar dat kan Hij nooit doen wanneer Hij a priori oordeelt. En dat is juist een van die dingen die de mensen vergeten. Het Onze Vader is heel goed wanneer wij begrijpen dat het Onze Vader een persoonlijk gebed is. We zeggen wel ‘ons’, maar we bedoelen ‘ik’. En in deze zin hebben wij volgens mij het recht om God te vragen ons te helpen uit al die situaties te blijven waarin wij nu nog het gevoel van schuld zouden hebben tegenover Hem, totdat wij in staat zijn de werkelijkheid van die dingen te aanvaarden zoals ze zijn en Hem ook daarin te erkennen.

Ik heb er absoluut geen bezwaar tegen, maar een ander misschien wel. Ik geloof nl. niet dat je je God voor moet stellen als iemand die alleen maar liefde is, in de zin van een vertroetelaar. Elk geschapen mens de troetel God’s, nou…. ik weet het niet. Het klinkt gek, maar het komt er vaak op neer wat men van die goddelijke liefde verlangt. Ik geloof dat die goddelijke liefde is dat je jezelf kunt zijn binnen de totaliteit van de schepping en dat God je, zolang je de werkelijkheid aanvaardt en daarin Hem erkent, aanvaardt als deel van Zichzelve. Ik geloof dat dat de goddelijke liefde is.

  • Wilt u dat even herhalen, wat u daarnet zei?

Nu, dat is heel eenvoudig. Wij moeten dus alles aanvaarden en in alle dingen God erkennen. Dan zal God ons erkennen als deel van Zijn Wezen. Dat is dus niet een kwestie van feiten, maar van erkenning, van communicatie eigenlijk.

  • De volgende vraag is buiten het onderwerp, maar mag ik het toch even lezen? Kunt u iets zeggen over de continuïteit van het leven in zijn verschillende bestaansvormen?

Ja, dat is natuurlijk weer zo’n heerlijke vage vraag hè? Kunt u er iets over zeggen? Ja, het bestaat, dan heb ik er iets over gezegd, maar dat is niet de bedoeling. Kijk eens, in dit verband kunnen we daar dus wel een klein ding uithalen; er is veel meer over te zeggen.

We moeten het feit aanvaarden dat wij waren, voordat wij ons bewust waren. Wij moeten ook het feit aanvaarden dat wij ons nog bewust kunnen zijn, nadat wij voor anderen niet meer kenbaar bestaan. Laten we daar nu van uitgaan, dan kunnen we dus zeggen: Die periode voor de nu bestaande bewuste erkenning, en na het punt dat die erkenning in onze eigen wereld verdwijnt, is in feite oneindig en kan een groot aantal nieuwe werelden inhouden. Wanneer u die werelden niet aanvaardt, dan komt u terecht in wat men noemt: “het duister”.

Wanneer je overgaat en je aanvaardt niet wat je werkelijk bent en je aanvaardt niet wat Gods werkelijkheid rond je is, dan vlucht je weg, dan groei je in dat duister, omdat het een ontkenning is van het kenbare. Dus het is een ‘niet-willen-waarnemen’ in feite. Een feit dat die waarneming zich toch steeds opdringt, is dan vanzelf de oorzaak van menige kwelling. Een kennis van mij heeft kort geleden een aantal verhalen verteld en een ervan is dit:

God is zo goed, dat er geen hel is. Eenieder zal uiteindelijk na zijn dood aan Gods voeten zitten voor de troon Gods en daar voortdurend leren. Dit kan voor sommigen de hel zijn. En daar heeft u geloof ik het essentiële punt hier. Wat daaraan vooraf gaat, wat daarna komt, ach, natuurlijk, u heeft waarschijnlijk voor deze tijd ook in menselijke vorm geleefd. Zeker kun je het niet zeggen. Het is heel waarschijnlijk dat u op één of andere wijze als bewustzijn voor die tijd met eenvoudige levensvormen gebonden bent. Het is wel zeker dat uw eerste bestaan en uw eerste kennen er één was in een soort chaos, waarin u alleen kon zeggen: “Ja, ik besta”. Dat is uw eerste erkenning geweest. En na deze bestaansperiode kende u dus leven in vele werelden, geestelijke net zo goed als stoffelijke. U kunt vele vormen en gestalten hebben, maar er komt een ogenblik, en dat is zeker, dat u gaat beseffen wat u werkelijk bent. En op het ogenblik dat u beseft wat u werkelijk bent, daar bedoel ik dus het grote ‘ik’ mee – niet alleen de tijdelijke openbarings- of verschijningsvorm ervan – dan zult u dus ook erkennen dat er een grote werkelijkheid bestaat. Dan meen ik (dit kan ik niet met zekerheid zeggen), maar dan meen ik ook dat er een volledige Godserkenning mogelijk is, omdat het ‘ik’ dus, voor zover het zijn zelfstandigheid van handelen betreft, in die Godheid opgaat en als bewustzijn weliswaar deel is van de Godheid, maar vanuit zich voortdurend toch van een zekere Godheid bewust blijft. Dit laatste, dat kan ik dus niet met zekerheid zeggen, ik heb dat wel gehoord van anderen, maar die hebben het ook nog niet zover gebracht. Maar waarschijnlijk lijkt het me wel. Is dit voldoende?

  • Ik zou wel graag iets willen vragen, het leende zich niet zoiets kort op te schrijven. Toen ik van deze en dergelijke bijeenkomsten hoorde van een bekende, toen zei hij : Je hoeft daar niet bang te zijn want je bent er beschermd. Nou geloof ik niet dat ik uit mezelf gauw erg bang ben, maar ik heb over die uitdrukking vaak nagedacht. Waartegen word ik beschermd? Dus ik zou in eerste instantie willen vragen: Heeft deze uitdrukking: “Je bent daar beschermd!” enige grond van waarheid of is dat maar, om het met een kort woord te zeggen, bakerpraat?

Ja, nu zal ik eens even bekijken hoe ik dat heel diplomatiek kan formuleren. Dat is wel nodig in dit geval.

Bakerpraat is het niet, in zoverre dat wanneer een gemeenschap zoals wij dit hier zijn, er dus alle voorzorgsmaatregelen worden genomen dat uw eigen levenskracht niet wordt afgetapt. U hebt een eigen uitstraling. Die uitstraling bereikt voor een groot gedeelte een soort tussengebied. Dit is tussen de geest en de stof in, men zegt meestal astraal. Van die energie kan iets genomen worden door een geest of een entiteit en die verkrijgt daardoor meer mogelijkheden om zich in uw wereld kenbaar te maken. Maar dat kan ook op een andere manier. Wij werken op die andere manier.

Nu zijn er ook bijeenkomsten, seances waar – laten we zeggen – geen controle is, waar dus niet ervoor gezorgd wordt dat er geen kwaad gebeuren kan. Dan kan hier één of andere entiteit, die dus eigenlijk het geestelijk leven niet zo prettig vindt, hier komen en van u wat energie wegnemen en van een ander, en dan krijgt hij zo hutje bij mutje een soort hutspot van astrale kracht, en die kan hij dan gebruiken om op uw wereld contact te leggen, om op uw wereld meer bewust te zijn en er zelfs in te grijpen. En dat laatste is natuurlijk niet erg wenselijk. En u kunt dus wel zeggen dat mensen die zich op een of andere manier bv. met een soort eigenbelang of met een behoefte aan grote belangrijkheid of soms ook wel met de misbegrepen idee dat zij de geest iets kunnen leren (neemt u me niet kwalijk dat ik het zeg, maar dat komt ook nog wel voor) en dan bedoel ik dat op geestelijk terrein, en die dus overgaan tot bijeenkomsten, waarbij ze heerlijk bij de neus worden genomen. Daar komt iemand die laat zich vijfentwintig keer redden en voeren tot het licht en dan pikt hij voldoende energie om daarmee zijn duistere bezigheden voort te zetten. Dat is dus wel werkelijk zo.

Maar wanneer je zelf zorgt voor een goede en niet-egoïstische instelling en wanneer je probeert de zuiver persoonlijke relatie, als het ware, te vermijden met de geest, en daarvoor in de plaats te stellen de communicatie met de geest, dan is die bescherming eigenlijk niet zo buitengewoon ingewikkeld. Dan zou je jezelf ook nog kunnen beschermen. Het enige dat wij dus doen is: zorgen dat degenen die zichzelf niet beschermen kunnen – laten we het nu zo maar noemen – dat die niet worden aangevallen. Dat men dus niet moe en met hoofdpijn e.d. naar huis gaat en misschien zelfs met allerhande eigenaardige suggesties, maar dat men heel eenvoudig zelf nadenkt, zichzelf blijft en dus ook zelf een oordeel kan vormen.

In deze zin, ja, zijn onze bijeenkomsten wel beschermd. Zodra u het zich voorstelt als een soort klein legertje van geesten, gewapend met speer, lans en zwaard en lichtbundels om de zaak af te zetten (ongeveer zoals de politie het Lieverdje soms probeert af te zetten), dan bent u volledig mis; dit soort bescherming is er zeker niet.

  • Hoe stelt u zich die mensen voor die zich niet kunnen beschermen?

Ik stel ze me niet voor, ik zie ze soms, dat is wat anders. Maar deze mensen zijn mensen die over het algemeen alles anders willen buiten wat er nu is. Dus, om kwetsbaar te zijn, moet je ontevreden zijn. Dat is punt één.

Dan blijken die mensen vaak onevenwichtig. En ik wil er onmiddellijk bijvoegen dat – niet alleen in zuiver seksuele zin gebruikt dus hier het woord – een zekere hysterie deze kwetsbaarheid aanmerkelijk vergroot. Dan kunnen we daar verder aan toevoegen, dat veel van die mensen ten koste van alles, maar dan ook werkelijk ten koste van alles, het fenomeen wensen. En door deze begeerte stellen ze zich bloot voor iedereen.

Er is wel verschil of je trouwt of achter de ruiten zit te tikken. En iemand, die nu ten koste van alles contact wil hebben met de geest, is iemand die aan de ruit zit te tikken; en je moet maar afwachten wat er binnen komt, meestal niet veel goeds. Deze mensen zijn dus degenen die het meest kwetsbaar zijn.

Een andere groep die ook wel heel erg kwetsbaar is meestal, dat is de groep die voor zich meestal een voordeel zoekt te bereiken. En nu denk ik dus niet geestelijk, maar die daar materiële macht of kennis aan willen ontlenen die ze voor zichzelf alleen willen gebruiken. Dat is een vorm van egoïsme waardoor ze – zodra er een contact is, is het met de beste geest die denkbaar is, de hoogste geest ook – een soort uitstraling krijgen; het is net of zij een zekere hoeveelheid ectoplasma, een zekere plastische kracht en energie uitwasemen. Een astraal dus niet meer helemaal bundelende aura wordt vlammig en vlekkig en die kan dan aangevallen worden. Dat zijn dus eigenlijk de kwetsbare mensen zoals je dat ziet. Kan naarmate iemand meer vanuit zichzelf en alleen naar licht zoekend om een behoefte naar licht of naar erkenning te verwezenlijken, zonder dat hij daar voor zichzelf iets in zoekt, is hij minder kwetsbaar en naarmate hij zichzelf dus minder op de voorgrond probeert te schuiven en maar gewoon zichzelf blijft, is hij ook minder kwetsbaar.

  • Dus als je het idee hebt van beschermd te zijn, dan ben je al in de goede richting?

Nou, dat durf ik nu niet helemaal te bevestigen.

  • Heeft niet ieder mens zijn eigen bescherming bij zich?

Als u bedoelt: Is er voor de doorsnee mens een contact met een geest die zal trachten hem te beschermen? Ja.

  • Want u stelt in uw antwoord dat die bescherming alleen nodig zou zijn voor bijeenkomsten zoals deze, maar hoe is het nu elders, in een schouwburg bv.?

In een schouwburg zal dat dus minder voorkomen, omdat de concentratie van kracht die er plaatsvindt, meestal een enigszins andere is. Waar je het dus wel weer krijgt, dat zijn massabijeenkomsten waarbij de redelijkheid wordt aangetast, politieke bijeenkomsten bv. Daar wordt onnoemelijk veel vaak gestolen omdat de mensen in een volledig onredelijk enthousiasme losbarsten en daarbij zichzelf, bewust of niet bewust, op de voorgrond stellen. Wij gaan dit of dat, en wij zullen…. enz. En die instelling, gepaard gaande met wat ik toch een soort massahysterie noem, geeft dus een vergrote kwetsbaarheid.

En wat u zegt over bescherming? Ja, iedereen heeft wel bescherming, maar wat voor bescherming is het? Per slot van rekening, laten we zeggen dat uw beschermgeest een meisje van zes jaar is en dat er een soort Enak aan komt sjouwen, wat moet dat arme kind dan nog doen om u te beschermen? Ze kan hoogstens weglopen en om hulp roepen in de hoop dat er iemand komt.

  • Is dat niet onwaarschijnlijk?

Nu, dat komt wel voor, dat komt wel voor, ja.

  • Maar hoe komt iemand nu aan een beschermgeest van zes jaar?

Ja, een beschermgeest, zoals men dat noemt, is altijd iemand die zich met je verbonden of aan je verplicht voelt. Er moet dus een zekere band zijn.

  • Een hoger wezen dus?

Nee, het is niet noodzakelijk een hoger wezen. Helemaal niet.

  • Dus er zijn mensen die met één beschermgeest door het leven gaan en er zijn er misschien wel die er wel vijftig hebben?

Dat is inderdaad mogelijk. En daarbij moet u ook niet denken dat een beschermgeest voortdurend aanwezig is. Het kan heel goed zijn dat je er misschien 250 hebt, en dat er toch steeds maar één of twee dienst hebben, om het zo eens uit te drukken. Maar dan is er dus een grotere kans dat er reserve aanwezig is. Hoe beter je bent voor anderen, hoe groter de mogelijkheid is dat je bescherming krijgt en hoe hoger je eigen geestelijke instelling, hoe groter de mogelijkheid dat je innerlijk, en dat ben je dan zelf, verbonden bent met een hogere sfeer en wezens van die sfeer en ook van daaruit hulp kunt krijgen als het nodig is.

  • U hebt het over sfeer en wezens uit die sfeer, maar hoe staat het dan met het gevoelsleven?

 Ja,.. weet u, mensen hebben een eigenaardige gewoonte: ze plakken overal een etiket op. Wat is nu gevoelsleven? Wat is uw gevoelsleven?

  • Nou ja, daar straks zat ik zo te denken: Moet ik nu als ik vriendelijk wil zijn en beleefd, noem het innerlijk, gevoelsleven, moet ik dat dan een duw geven opdat die ander onbeschaafd of onbeschoft tegen me kan zijn?

Ja, ik zou haast zeggen, het is ook een zeker gevoel van eigenwaarde. Wanneer je dus in jezelf het gevoel hebt dat naastenliefde – om nu een voorbeeld te geven – de juiste weg is en een ander wordt onbeschoft, dan zeg je : “Laat ik nu niet onbeschoft terug zijn, want anders ben ik mezelf onwaardig, laat ik hem aanvaarden zoals hij is; proberen te begrijpen waarom hij het is, misschien dat ik dan die naastenliefde toch nog tot uiting kan brengen.” Want de meeste mensen zijn geneigd alles te zien als excentrisch, buiten het ‘ik’ liggend, buiten de kern waar het ‘ik’ beweegt en dat is niet waar.

  •     Je komt dat tegenwoordig al erg veel tegen, vind ik.

Ongetwijfeld. Naarmate de mensen minder begrip tonen voor elkaar zal de agressie en daarmee ook de onbeleefdheid aanmerkelijk toenemen.

  • Maar dan hebben veel mensen als gevoelsmens het toch wel moeilijk, dunkt me?

Dat ligt er aan of ze rekening houden met hun gevoelens of met hun gevoeligheden. Dat zijn twee verschillende dingen. Wanneer iemand tegen je zegt: “Sukkel” en je reageert daar dus op van: “Eh, hoe durf je?” Dat is nu een gevoeligheid. En als je denkt: gut, zie ik er in jouw ogen zo uit, dan moet ik toch proberen het wat beter te doen, dan voel je het wel, in je gevoelsleven betekent het wel iets, maar het heeft geen noodzaak meer tot reactie.

De meeste mensen tegenover de buitenwereld doen me denken aan kleine kinderen. Het begint met: “Mijn vader is knapper dan jouw vader” en dan spuugt de eerste en dan staan ze tegenover elkaar te spuwen en ondertussen hun moeder te roepen. Dat zijn nu gevoeligheden. Maar wanneer je dus eerlijk probeert om een strijd te vermijden zolang als het mogelijk is, en wanneer die ander een strijd forceert, daarop dus reageert met het minimum aan noodzaak om die strijd te beëindigen……. ik zou zeggen dan reageer je juist, dan reageer je goed.

  • Ik heb begrepen dat in principe dus u de aanvaarding stoelt op de emotionaliteit, is dan de mate van aanpassing afhankelijk van de grootte van meegekregen emotionaliteit of is die ook te ontwikkelen? Is die aangeboren of hoe zit dat?

De mate van aanpassing, u bedoelt aanpassingsmogelijkheid, is afhankelijk van de voor jouw bestaande concretisering van het innerlijk aangevoelde ofwel de aanvaarding. Hetgeen je dus innerlijk aanvaardt, wat voor jou een zekerheid wordt, meestal veel minder dan de mensen pretenderen zeker te weten en te geloven, en dat is dus de basis waarop je reageert. En wanneer je vanuit die basis bewust reageert, dan is je aanpassingsvermogen maximaal. Op het ogenblik dat je niet helemaal zeker bent of God wel bestaat en je bent godsdienstig, zul je ieder die zegt dat God misschien niet bestaat erom willen vermorzelen. Maar wanneer je weet dat God bestaat en de ander zegt: “God bestaat niet”, dan zeg je: “God, wat jammer!”

Maar laten we dan toch proberen tenminste iets van het goede in die ander wakker te maken. Overtuigen kan ik hem toch niet, maar ik kan hem overtuigen dat het zin heeft je te gedragen alsof God bestaat en dan kom je verder. Daar ligt dus het hele verschil in.

Maar de zekerheden van een mens en de verworvenheden die zijn allemaal ergens emotioneel gebaseerd, dat is volledig juist. Een zekerheid die je dus niet bewijzen kunt. Wij geloven dat er een God is. Ik meen voor mijzelf te weten dat er een God is …. maar kan ik dat bewijzen? Neen. Heb ik enige reden om het te zeggen? Neen. Er zijn duizend andere verklaringen ook mogelijk. Ik doe het toch. Waarom? Omdat deze God mij een rustpunt geeft, omdat ik met die God als achtergrond gemakkelijk besta. Als ik alleen maar een vaagheid, een onbestemde eerste oorzaak aanneem zonder meer, dan hebben al die dingen, die ik in mijn leven heb gedaan en alles wat ik in de geest probeer te doen, geen zin. Dan zou ik eigenlijk niet weten wat ik wel of niet zou moeten doen. En toch heb ik ergens iets in mijzelf, noem het een geweten, noem het een voorkeur of noem het een erkenning, noem het voor mijn part een rationalisatie van iets, waardoor ik in het leven op een bepaalde manier zou willen reageren. Daarvoor heb ik geen God nodig. En daarom aanvaard ik die God zonder dat ik zeker van Hem ben.

Maar nu is het gekke, nu aanvaard ik die God en zonder enig voorbehoud. En ik ga werken en nu blijkt dus dat datgene dat ik aanvaard voor mij kracht betekent. Ik kan meer doen, ik kan meer zijn, ik heb meer mogelijkheden, alleen omdat ik dat geloof. En zo bewijst dat geloof zich in mij, voor mij en aan mij. Het wordt dus een steeds grotere zekerheid, het wordt bijna een ervaring zonder dat daarom ooit de bewijsbaarheid groter wordt of de redelijke verklaringsmogelijkheid verandert. Het enige dat ontstaat is een veel diepere emotionele gebondenheid, waardoor steeds grotere mogelijkheden en reserves voor mij bestaan die ik op zich moet rationaliseren en inpassen in mijn wereldbeeld.

En als je dus zo kijkt, dan zul je toch moeten toegeven dat alle idealisme en alle geloof, dat dat alles ergens een behoefte is in jezelf. En nu is het beroerde alleen maar, als we een kaarsvlammetje hebben, denken we dat het zo weinig is en dan fantaseren we er twintig kronen met kaarsen bij en daardoor verliezen we vaak het enige dat voor ons belangrijk is uit het oog. Ik geloof dat we moeten leren als mens en als geest uit onszelf al datgene te elimineren dat we alleen maar als versiering gebruiken voor onszelf, om terug te vallen op de essentiële innerlijke aanvaarding, datgene dat we werkelijk aanvaarden en niet wat we eromheen praten. En als we dat doen, dan hebben we inderdaad een emotioneel iets, maar gelijktijdig daarin een krachtbron waardoor onze reactie op de wereld en onze aanpassing aan de wereld veel gemakkelijker mogelijk wordt.

De kennis wordt dan de uitdrukking van hetgeen wij beleven. De schoonheid wordt de emotionele ondergrond van onze beleving en de naastenliefde, de liefde zoals u wilt, wordt de kern van ons bestaan. En wanneer deze drie factoren dus aanwezig zijn in ons bestaan, dan zien wij de bekroning van de schepping en de basis, de chaos van de schepping als een geheel. Ze zijn voor ons niet meer verschillend, ze zijn de totaliteit. En doordat wij de verbinding vormen tussen de schijnbare tegendelen van die totaliteit, kunnen wij in elk daarvan volledig onszelf zijn en voor onze totale waarde ageren, maar ja, misschien ga ik nu te ver. Zijn er nog meer vragen?

  • Is er in uw sfeer ook discussie of is men het met elkaar wel in uw sfeer over die dingen eens?

Nou, de groep waarmee ik verkeer is het daar wel over eens ja, maar er bestaan groepen die dit toch op een of andere manier ontkennen, zonder dat zij daarom (en dat zal voor u misschien verbazingwekkend zijn) leven in wat wij “duister” noemen.

Zij gaan uit van een feitelijke aanvaarding van de toestand en zij erkennen dus wel steeds nieuwe noodzaken en mogelijkheden vanuit zichzelf, maar zij komen daardoor nog niet tot een zo volledige aanvaarding van God als wij hebben. Maar voor zover ik kan nagaan is dat in een nog een aantal sferen hoger dus niet meer zo. Daar schijnt God wel anders omschreven te worden, maar God als wezen als entiteit en dus niet alleen maar als een of andere oorzaak of kracht wordt daar wel aanvaard. Maar ik weet dus dat op het niveau waarop ik mij beweeg er zijn die vanuit uw standpunt al zeer hoogstaand zijn, en die toch niet komen tot een absolute aanvaarding van God.

  • Er is dus geen communicatie tussen degenen die het niet aanvaarden en die het wel doen?

Hoe zou je kunnen weten dat ze bestonden als er geen communicatie zou zijn?

  • Nee, maar in uw sfeer?

In onze sfeer….. Hoe zou ik weten dat ze in onze sfeer zijn, wanneer er geen communicatie was? Iets anders is wat je werken en wat je activiteiten betreft ….. dus bij voorkeur samenwerkt met wezens waarmee je innerlijk ook zo harmonisch mogelijk bent. Dat betekent dus dat we met dergelijke, niet aan God gelovende wezens, alleen kunnen samenwerken, wanneer het bepaalde zuiver materiële taken betreft. En verder kom je daar niet toe. Zij zijn anders in hun streven en in hun denken.

Ik geloof dat ik deze vraag eigenlijk wel voldoende beantwoord heb; dat ik u dus duidelijk heb gemaakt dat we wel degelijk contact hebben, maar dat dit contact zeer beperkt is zover het onze activiteiten betreft. Gezelligheidscontacten zijn wel mogelijk, maar ik geloof dat die voor u niet van veel belang zullen zijn.

  • Hoe komt u in een hogere sfeer?

Eenvoudig door te leren alles in een nieuwe samenhang te zien. Een hogere sfeer is niets anders dan de oude sfeer, maar gezien op een concretere, meer omvattende wijze dan in het verleden.

  • Ik dacht dat in een sfeer allemaal mensen leefden die dezelfde opvattingen hadden?

Dat is één van de definities die men aan sferen geeft. Een sfeer is over het algemeen een gedeeld bewustzijnsniveau.

  • Wat is gedeeld bewustzijnsniveau?

Gedeeld bewustzijnsniveau is een niveau en realisatie dat men met anderen zodanig gemeen heeft, dat men tot een onderling vergelijkbare uitwisseling van waarden kan komen. Ik zal voorstellen om nu te eindigen. Zullen we het doen met een improvisatie, een schoon woord of wilt u wat anders?

  • Een kort woord a.u.b. Een improvisatie

Een paar woorden waarop we het zullen baseren.

  • Verdraagzaamheid. Vrede. Gemeenschap.

Dan zouden we dus kunnen zeggen:

Vrede kan voor een gemeenschap slechts bestaan wanneer zij komt tot een onderlinge aanvaarding en verdraagzaamheid. En dan zeggen we: gemeenschap, samenzijn en samengaan.

Veelheid die tot eenheid wordt en toch een veelheid blijft. Een wezen dat zichzelf omschrijft en in ’t omschrijven ‘t andere erkent en toch zich niet wendt.

Van al wat de gemeenschap is, tot ik en omgekeerd.

Een wezen dat in het Al steeds leert zichzelf te zijn

Zichzelve zijnd, het Al steeds dient en zo de vrede schept van harmonie,

Waar ieder constant de ander dient.

En zo begrijpt en leert de ander zonder vragen,

 Zoals hij is te aanvaarden, te erkennen, zelfs ook te verdragen.

Gemeenschap is een samenzijn, waarin een strijd ook niet vermeden worden kan

Wanneer er tussen man en man of tussen man en vrouw of tussen staat en staat een breuk gekomen is,

Een hiaat die niet meer overbrugd kan worden, alleen maar met begrip of woorden,

Dan wordt het strijd, zo niet het moorden

Dat soms de wereld kent

Het meten van de krachten totdat men weer elkander

Zoals men is, zoals men bestaat in waarheid heeft erkend.

En dan elkander kennend en respecterend vaak juist om de strijd. Toch leert aanvaarden in een dan geboren nieuwe vorm van een verdraagzaamheid.

Die niet slechts is een schijn van vrede, maar het bewuste samengaan. Waardoor de mensheid als gemeenschap geestelijk en als mensheid kan bestaan.

Dan is het breken van de grenzen…..

Het vallen van de muren opgetrokken rond de eigen waan.

Dan is het: Zien hoe in de mensen krachten leven die nog verder reiken dan de stof.

Het is geestelijk erkennen, geestelijk voortbestaan,

En zo uit kracht van geest en innerlijk beseffen,

Levende in vrede met het al wat mensheid heet,

Te verdragen onvolkomenheden…. en ook dat anderen anders zijn,

Zo men dit niet vergeet, voegt alles samen zich

En schrijft in enen lijn.

Het Woord dat men geheime naam en kracht des Scheppers heet.

Mag ik er nog dit aan toevoegen? Het zal wel eens een beetje rumoerig worden in de komende dagen, morgen bvb. Weest u dan eens extra verdraagzaam, verlies uw geduld niet en heb niet te veel haast, zelfs al lijkt het nodig. Probeer de ander te begrijpen en probeer trouw te blijven aan jezelf. U zult zien dat dan de dagen lichter worden, dat de komende lente niet alleen een uiterlijkheid, maar een in je ontplooiende kracht wordt.

image_pdf