Aanpassing

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Inzicht 1’ (hoofdstuk 10) – juli 1963

Gezien de vele waarden die in een moderne inwijding voorkomen, zal de mens van heden zich moeten aanpassen aan deze nieuwe waarden; en dat brengt enige moeilijkheden met zich mee. Wij zullen daarom kort beschouwen, welke de grootste aanpassingsmogelijkheden en ook de grootste aanpassingsmoeilijkheden in deze tijd zijn om daarna hieruit enige conclusies te trekken omtrent de mogelijkheid tot bereiking van inwijding, het vinden van een Meester en dergelijke.

Allereerst dan de moeilijkheden.

De mens van heden gaat langzaam maar zeker in de richting van een steeds straffere organisatie, die ook zijn denken steeds meer beïnvloedt. Een werkelijk eigen oordeel en een werkelijk eigen mening worden steeds zeldzamer. Daar staat tegenover, dat men steeds meer algemene gezichtspunten gaat huldigen. Het zal u duidelijk zijn dat slechts de mens, die zelfstandig denkt, kan hopen iets bijzonders te bereiken op het gebied van bewustwording. Om een inwijding te ontvangen zul je wel degelijk zelfstandig moeten denken, moeten streven en een eigen oordeel hebben.

In de tweede plaats is de moderne maatschappij zodanig oververzadigd met mensen, dat de voor bezinning vaak dienstige eenzaamheid zelden wordt bereikt. Men zal dus moeten leren om te midden van mensen tot een aanpassing te komen en gelijktijdig daarbij zijn zelfstandigheid te bewaren. Deze twee punten schijnen voor menigeen met elkaar in strijd te zijn, omdat men aanpassing ziet als een zich onderwerpen aan anderen.

Een derde negatieve factor is ongetwijfeld de materiële welvaart. Wanneer een mens bezit heeft, zal hij geneigd zijn dit bezit steeds verder uit te breiden en zijn bezit zelf als een noodzakelijk deel van zijn leven te zien. Een terugkeer tot armoede is in deze tijd haast niet denkbaar en in vele landen wordt ze niet eens toegelaten. Daarom moet men uitgaan van het standpunt dat de verhouding t.o.v. het bezit er één moet zijn van de erkenning van de gebruikswaarde maar gelijktijdig het scheppen van onafhankelijkheid. Waar een ieder gewend is in een zekere welstand te leven, die voor grote gebieden dus een gemiddelde maatstaf heeft, zal men daartoe zelden komen.

Ten laatste: Elk denken, dat voert tot een innerlijke bewustwording en een mogelijke inwijding, zal discipline moeten kennen. Wij kennen echter op het ogenblik bij de mensen hoofdzakelijk een uiterlijke discipline (d.w.z. gebaseerd op onderwerping aan anderen) dan wel een disciplineloosheid, waarbij men probeert zonder enige beheersing van het leven te nemen wat men wil hebben. Tussentrappen zijn niet denkbaar. De gedachte aan de mens, die een persoonlijke discipline voor zichzelf opbouwt, is velen vreemd en plaatst die mens in vele gevallen zelfs buiten de gemeenschap. Dit zijn enkele zeer negatieve punten, waar tegenover in deze tijd echter ook vele goede punten staan.

Laten we allereerst beginnen met het begrip: kennis.

De doorsnee‑mens is in staat om steeds meer kennis te vergaren op dat terrein waarop zijn belangstelling in het bijzonder is gericht. Hij heeft een overzicht over het gebeuren in praktisch geheel de wereld. Hij kan dus zijn conclusies trekken uit andere dan alleen plaatselijke condities. Het resultaat is, dat hij met een groter overzicht over de werkelijke ontwikkelingen en gebeurtenissen ook sneller begrijpt welke plaats hijzelf inneemt. Kan hij deze plaats zien als die van een onafhankelijk individu, dan heeft hij daarmee reeds een zeer juiste en goede oriëntatie verworven.

In de tweede plaats is de lichamelijke nooddruft en angst aanmerkelijk afgenomen. Een groot gedeelte van de belangstelling gaat op het ogenblik uit naar dingen die eigenlijk secundair zijn. En de mens, die dit begrijpt, zal zich dus niet genoopt zien ten koste van alles eerst voor zijn eigen levensonderhoud te zorgen. Hij behoeft zich ook niet meer zo fel te verdedigen, omdat men hem over het algemeen ‑ in beperkte, mate althans ‑ een zelfstandig denken toekent. Het resultaat is, dat men dus zelf kan filosoferen, dat men zich een beeld van God kan maken zonder direct in strijd te komen met anderen en dat men vanuit dit beeld soms anderen veel beter kan benaderen.

De wetenschappelijke ontdekkingen van de laatste tijd geven een achtergrond aan vele esoterische stellingen uit het verleden. Ook dit is een gunstig punt. Vroeger was men aangewezen op een geloof dat soms ‑ maar lang niet altijd ‑ door bewijzen werd gestaafd. Op het ogenblik is men zover gekomen, dat de uitgangspunten van een esoterische of magische stelling altijd bewijsbaar kunnen zijn.

De mens heeft verder in deze tijd ook nog de beschikking over een logica, die is gefundeerd op een veel algemener kennis van verschijnselen dan in het verleden ooit mogelijk of bereikbaar was; dus een rijker gebied van leven en beleven. Een aanpassing in deze tijd kan echter nooit uitgaan van de bestaande condities. Een mens, die begrijpt dat hij zich onmiddellijk moet aanpassen aan hetgeen nu opportuun is, zonder zich daarbij te richten naar besluiten die hij in het verleden heeft genomen of voorstellen die hij in het verleden heeft gedaan en tracht te leven aan de hand van voorstellingen, die uit het verleden stammen, zal hiermee veel bereiken. De mens, die vrij staat, zal in deze tijd n.l. ontdekken dat zijn persoonlijke ontwikkeling steeds sterker wordt bevorderd door de levenscondities en de daarin optredende wisselingen en veranderingen. Zo zijn er dus een aantal gunstige punten.

De ongunstige punten zijn vooral verknoopt met de mens zelf, omdat hij niet geneigd is inzicht te zoeken. Hij wil leven, maar hij wil zich daarbij hoofdzakelijk laten leven. De mens, die echter zijn leven zelf in handen neemt, die van zichzelf uitgaat en van uit zijn eigen waarden en waarderingen streeft, komt verder en hij vindt in de huidige maatschappij en de daarin optredende veranderingen alle middelen en mogelijkheden, waardoor hij zichzelf tot ingewijde kan maken.

Een belangrijk punt is ongetwijfeld ook dat men zelf naar een Meester zoekt en dat het contact met een Meester vaak onoverlegd of haast ondoordacht ontstaat. Vroeger waren er bepaalde procedures om een Meester te zoeken, ook al was dat in het begin niet altijd de juiste Meester; dan zocht men verder. Op het ogenblik heeft het geen zin naar een Meester te zoeken. Men moet zoeken naar een juiste levenshouding. In deze dagen is harmonie n.l. één van de meest bepalende factoren voor alle gebeuren. Daar, waar een disharmonie is ontstaan of bestaat, is het onmogelijk iets te bereiken. Daar echter, waar een harmonie ontstaat, trekken alle delen van die harmonie tot elkander en bereiken, niet de volgens hen juiste verhoudingen, maar de ‑ gezien het kosmisch plan ‑ juiste plaats, positie en verhouding. Het resultaat is dus dat de mens in deze dagen zeer sterk wordt gedreven in de richting van zijn eindbestemming. Daarbij moet hij echter meester over zichzelf blijven.

Wanneer wij dan deze tijd nog verder willen ontleden, dan komen wij tot de conclusie dat de mens zeer afhankelijk wordt van wat wordt gezegd en wat wordt gesteld. De doorsnee‑mens zoekt een soort evangelie. Onverschillig of dit nu de reclame is voor Quaker Oats of wat anders, hij zoekt naar een aanbieding die de goedkoopste is. Niet omdat ze feitelijk de goedkoopste is, maar omdat wordt gezegd dat ze de goedkoopste is. Hij zoekt naar de beste kwaliteit, zonder die kwaliteit zelf te testen of te kunnen testen en neemt op gezag maar aan dat het in orde is. Deze mentaliteit, die wij in het dagelijks leven ontmoeten, zullen wij ook terugvinden overal waar een geestelijke bewustwording ter sprake komt. Men neemt eenvoudig aan wat er wordt gezegd; want als het wordt gezegd, zal het wel zo zijn. In deze dagen heb je de middelen om praktisch alles zelf te toetsen en vaak met betrekkelijk geringe moeite. Wanneer je je wilt aanpassen aan de nieuwe tijd, kun je niet uitgaan van dat wat wordt gezegd; dat is schijn, dat is begoocheling, dat is leugen. Je moet terugkeren tot de feiten. En die feiten zijn over het algemeen harder en minder prettig dan je zou willen hebben. Ze geven moeilijkheden, maar die kun je overwinnen. De mens van tegenwoordig heeft alle middelen om elke moeilijkheid te overwinnen en om zijn eigen pad op een voor hem verantwoorde wijze te kiezen. Hij is daarbij niet afhankelijk – al denkt hij dat misschien – van de gemeenschap, de leringen of de stelregels van de gemeenschap. Binnen de gemeenschap kan hij, zolang hij alleen voor zichzelf streeft, werkt en leeft, alles bereiken.

Een gunstig resultaat wat betreft inwijding kunnen wij alleen verkrijgen, indien wij leren uit te gaan van een geloof; maar een geloof dat persoonlijk is. Wij weten allemaal ‑ en daarop is verschillende malen met nadruk gewezen ‑ dat u God in uzelf hebt; d.w.z. dat er in u een kracht is die u zegt wat moet zijn. En die kracht is niet altijd in overeenstemming met uw verlangens en eigenlijke behoefte. Maar zij is er: scherp, duidelijk en verstaanbaar. En aan die stem moet u gehoorzamen. Die stem geeft geen bevelen, orders of verklaringen, die u aan de wereld kunt voorleggen. Maar ze geeft u precies aan wat voor u de juiste reactie, de juiste levenshouding is; en in alle condities en omstandigheden. De mens, die zich leert aanpassen aan deze innerlijke stem, heeft zich tevens aan de tijd aangepast.

Het veranderen van je eigen persoonlijkheid is ook al een moeilijkheid, waarmee wij heel vaak te strijden hebben. De doorsnee‑mens denkt dat hij zichzelf moet veranderen. Dat is niet waar. Hij moet zijn eigenschappen en kwaliteiten daarentegen exploiteren. Hij moet zichzelf zien als iets, waarvan je het beste moet maken, niet als iets wat je moet veranderen. Wat je bent, wat je hebt, wat je leeft, wat je denkt, heeft zin. Wanneer je luistert naar die goddelijke wet in jezelf, dan krijgt het geheel van je persoonlijke eigenschappen en kwaliteiten een vaste waarde. Die vaste waarde is je wet; maar zij is tevens je harmonie met de moderne tijd, met de vernieuwing, met alle veranderingen, die optreden.

U zult begrijpen, dat een mens, die zich op deze manier aanpast, ongetwijfeld verder komt dan iemand die probeert een compromis te treffen. Elk compromis, hoe prettig het op zichzelf ook is en hoe noodzakelijk het vaak in een meer stoffelijke zin lijkt te zijn, is geestelijk gezien op het ogenblik onaanvaardbaar. U kunt voor uzelf een compromis maken, omdat uw innerlijke stem soms dingen eist die u nu nog niet kunt verwerkelijken. Dan moet u zeggen: Ik zal ze later verwerkelijken, nu streef ik ernaar.

Maar u kunt niet zeggen: Ik ga een compromis treffen tussen wat ik graag zou willen en wat die wet zegt en dat wordt dan mijn nieuwe wet. Dat klopt niet.

Alles wat u doet om meer voor anderen te zijn is eveneens gebaseerd op harmonie. Die harmonie kan nooit alleen van uit uzelf bestaan. U kunt niet zonder meer van uit uzelf harmonisch zijn met een andere mens in de volledige zin van het woord. U kunt slechts harmonisch zijn met de kracht die in u leeft; en u kunt dit gevoel van harmonie in uw contact met anderen tot uiting brengen. En dat is een heel groot verschil.

U aanpassen aan de nieuwe tijd betekent dus niet een harmonie vinden met de gehele wereld. U zult altijd vijanden krijgen. U zult altijd problemen ontmoeten. U zult nooit kunnen zeggen: Nu ben ik een mens, die met iedereen harmonisch is zonder meer. Maar u zult kunnen zeggen: Ik heb van uit mijzelf geen enkele disharmonie geschapen. Ik heb van uit mijzelf in God harmonie gezocht en ik heb die innerlijke harmonie overal waar het mij mogelijk was in de wereld tot uiting gebracht. Ik heb die tot uiting gebracht in stof en in geest met denken, werken en daden. Op deze manier krijgt u dus de juiste verhouding.

Hierbij mogen wij misschien even terugwijzen naar het systeem dat de inwijding op het ogenblik gebruikt. Ze heeft nl. een groot aantal contactpunten over de gehele wereld verbreid en van deze contactpunten gaat er een zekere werking uit. Die werking wordt door een ieder, die harmonisch is met deze tijd, ondergaan. Er ontstaan kleine wijzigingen, kleine variaties in uw leven. Ze zijn schijnbaar onbelangrijk, maar uw manier van denken verandert iets, u leest iets anders, u hoort iets anders dan normaal. U gaat met uw belevingen misschien iets minder normaals zoeken, maar u doet het altijd in de zin van: harmonisch zijn met God, harmonisch zijn met de wereld. Het resultaat is dat u in harmonie komt met één van de vele centra van inwijding. En wanneer deze harmonie eenmaal is ontstaan, wordt de benadering van daaruit tot stand gebracht.

Ik heb u in een vorige les al gezegd, dat een Meester optreedt als een voorbijganger. Hij komt voor een kort ogenblik in uw leven, hij geeft u de enkele waarden die voor u noodzakelijk zijn en gaat verder. Soms is het niet eens een stoffelijke mens, het is dan een verschijning, ofschoon je dat meestal niet eens beseft. Op deze manier bouwt u voor uzelf een potentiaal van geestelijke krachten en geestelijke vermogens op. Deze vermogens worden natuurlijk ook materieel tot uitdrukking gebracht en komen tot uiting in het ontwikkelen van paranormale eigenschappen, grotere gevoeligheid, bekwaamheid om andere mensen beter te begrijpen en te helpen. Maar daarnaast bouwt zich in u een potentieel op van een nieuw besef.

De aanpassing aan deze tijd vergt niet allen maar een je aanpassen aan de wereld of aan de nieuwe geestelijke krachten, ze vergt een aanpassing van het “ik” aan de kosmos op een nieuwe wijze. U zult zich dus kunnen voorstellen, dat op het ogenblik dat in een mens het potentiaal van vernieuwing zo sterk is gestegen (dankzij de harmonie waarin hij leeft), dat hij dit in zich niet kan bevatten en zijn wezen als door een bliksemflits getroffen een verandering ondergaat. Deze verandering heeft enkele kentekenen, die bij de doorsnee‑inwijding altijd optreden en die ik hier even wil opsommen.

Wij hebben dan in de eerste plaats het ogenblik van kosmisch beleven. Het is een bijna verblindende lichtflits. Het lijkt alsof je de wereld anders ziet. Het verdwijnt weer en laat een zekere weemoed achter; je zou het terug willen vinden. Maar vanaf dat ogenblik heb je ergens een nieuwe motivering gevonden.

In de tweede plaats zal een dergelijke kracht uw eigen geestelijke waarnemingsmogelijkheden (uw geestelijke zintuigen), evenzeer beroeren als uw stoffelijk wezen. Er moet op worden gerekend, dat in al deze delen van het “ik” dus een plotselinge verandering plaatsvindt. U gaat opeens de wereld anders zien. Wat gisteren mooi was, kan vandaag lelijk zijn en omgekeerd. Verbaas u daarover niet. U zult zich moeten aanpassen. Alle waarden op zichzelf moet u appreciëren en aanvaarden, of ze nu lelijk of mooi zijn. U moet ze niet zien als iets wat door de beoordeling kan worden verworpen of aanvaard, want die beoordeling kan als bij toverslag veranderen. De enige maatstaf, die u kunt aanleggen, is de God in uzelf.

Hebben wij deze eerste schok gehad, dan ontstaat er vanzelf een versterking van bepaalde telepathische contacten. Voor sommigen heet dat contact met de geest. Ik noem dit eenvoudigheidshalve telepathische contacten, omdat het ook contacten op de wereld kan omvatten. Hierbij komen bepaalde denkbeelden, dromen en gedachten steeds sterker naar voren. Denk niet dat die dromen, denkbeelden en gedachten zonder meer kunnen worden uitgevoerd of dat ze duiden op een werkelijkheid. Ze zijn alleen maar deel van uw inwijding. En dat betekent, dat uw besef van het Goddelijke, uw besef van het goede, uw innerlijk erkende wet de enige maatstaf is, waarmee u deze beelden kunt meten. U bepaalt op deze wijze van uit uzelf en voor uzelf hoe u op de droom reageert; hoe u op de werkelijkheid, die soms op de droom gelijkt, zult reageren; wat u wel en wat u niet kunt doen. Vele van deze dromen en vele van de werkelijke situaties daarmee verwant, kunnen worden beschouwd als de beproevingen, die in de oudheid werden opgelegd aan een ieder die inwijding zocht; de beproevingen van o.m. de elementen.

Je wordt in contact gebracht met de zwakke kanten van je wezen en je zult daarbij jezelf moeten overwinnen. Is die overwinning voldoende, dan ontstaat er in het “ik” iets wat de mens op aarde misschien berusting zou noemen, maar wat het toch in wezen niet is, omdat het een streven is dat nu uitgaat van de feiten en niet slechts van een wensdroom.

Zodra ook dit is gebeurd, krijgen wij wederom een sterke invloed; nu meestal direct vanuit een geestelijk centrum. Men wordt betrokken bij groepen, werkzaamheden of krachten, die men tot op dat ogenblik niet heeft gekend of zich misschien niet eens kon voorstellen. Zo past men, langzaam maar zeker, door innerlijk naar het Hogere toe te groeien de waarderingen, die in het “ik” bestaan, aan aan de nieuwe tijd. Men is niet meer gebonden aan het beeld dat op de wereld geldt (het schijnbeeld dat de mensen hebben geschapen ), maar men is steeds sterker deel van een werkelijk beeld, dat blijft voortbestaan, waar de schijn eventueel vergaat of verandert.

Het verkrijgen van die onveranderlijke waarde is voor de mens op aarde één van de belangrijkste fasen van zijn inwijding. Zodra je nl. een vaste basis hebt, kun je alle krachten die in jezelf leven, alle krachten die je rond je erkent, ook op basis van het beleefde en het gekende, gebruiken en richten met de zekerheid dat dit goed en juist is. De twijfel verdwijnt. In de periode van niet‑twijfelen ontwikkelt men dan vanzelf een aantal denkbeelden, die op den duur in elkaar sluiten, totdat er een soort filosofisch systeem ontstaat.

Bij dit filosofisch systeem spelen dan niet alleen hoge geestelijke waarden maar ook wel degelijk stoffelijke waarden een belangrijke rol. Dit systeem moet worden uitgewerkt. En dat is wederom een deel van de inwijding. Want de mens, die eerst in zich een systeem heeft ontwikkelt dat harmonisch past in de grote werkelijkheid en dat is aangepast aan de verandering, zal daarmede actief deel hebben aan de verandering; nu niet meer als een meeloper, als iemand die half geblinddoekt het goede probeert te doen, maar als één die wéét wat het doel is van de verandering van deze tijd. Er is dus geen sprake meer van een je aanpassen aan niet te overziene condities en omstandigheden, waarbij je elk ogenblik a.h.w. je hele wezen zou moeten kunnen veranderen, maar er is sprake van een vaste basis, op grond waarvan de toekomst voor een groot gedeelte berekenbaar wordt, eigen denkbeelden en reacties op langere termijn kunnen worden vastgelegd en de betekenis van eigen daden eveneens een vast kenmerk krijgt; nl. het kenmerk van de harmonische persoonlijkheid, die past in de nieuwe tijd.

In de laatste periode treden natuurlijk Meesters steeds sterker op. Denk niet dat het altijd Meesters zijn, die zich als zodanig aandienen. In heel veel gevallen zal een Meester iemand blijken te zijn met wie u gewoon praat; iemand waarvan u het misschien nooit hebt gedacht. Het zijn eenvoudige mensen, die u regelmatig benaderen en die u helpen uw denken te kristalliseren. Heel vaak spelen ze daarbij de advocaat van de duivel door tegen te spreken. Zij dwingen u om u te realiseren wat u eigenlijk wilt zeggen, denken en geloven en om dit ook voor uzelf te formuleren. Is de formulering praktisch volledig, dan krijgt u steeds een aanvullend element, zodat de gevonden formulering zich steeds meer uitbreidt en steeds meer van het Al omvat.

In deze periode treedt voor een tweede keer het kosmisch licht op, die innerlijke verlichting. En nu verandert de wereld niet meer ineens, maar zij krijgt een andere betekenis. We zien dat we wel de werkelijkheid hebben gezien, maar dat we de waarden nog verkeerd hebben toegekend. Daardoor is het mogelijk met zeer kleine krachten zeer grote gevolgen te bereiken en kan men direct en volledig deelnemen aan de vernieuwing.

U ziet dat de inwijding in de moderne tijd dus voor een groot gedeelte is gebaseerd op een steeds weer aanpassen van het “ik” aan de nieuwe condities, de nieuwe omstandigheden. Een voortdurend prijsgeven van gisteren om vandaag te kunnen leven. Een voortdurend erkennen van een innerlijke wet – ongeacht wat er buiten je bestaat – om daardoor vandaag die wet morgen meer te beseffen.

Hieraan zijn natuurlijk vele bezwaren verbonden. En aan het einde van deze reeks bijeenkomsten kan ik dan ook rustig zeggen, dat we lang niet voldoende daarover hebben gezegd. Het is moeilijk dit alles in een korte tijd en in korte formulering begrijpelijk uit te drukken. De bezwaren van deze wereld zijn:

Opvattingen, waarbij stof en geest als van elkander gescheiden worden gezien. Het gehele leven zou moeten worden gezien als een continuïteit, waarin geest en stof elkander aanvullen, het werkelijk ego via de stof zijn ervaringen opdoet en als zodanig zichzelf in de stof moet verwerkelijken, voordat een geestelijke bewustwording of een inwijding eventueel op aarde of in de sferen daaruit voortspruit.

Men dient verder te beseffen, dat alle regels die er in de maatschappij bestaan er alleen zijn voor het organisme van de gemeenschap, dus voor iets dat een kunstmatige structuur is. De natuurlijke waarden gaan altijd boven de kunstmatige. Het resultaat is, dat men eerst vanuit zijn innerlijk moet werken met zijn innerlijke krachten en dat men dan later kan nagaan in hoeverre men zich kan aanpassen aan de eisen of wetten van de gemeenschap. Dit betekent dat u in vele gevallen in oppositie zult zijn. Een bezwaarlijk iets, omdat de aanpassing aan de nieuwe tijd nu eenmaal vergt dat je de oude tijd achter je laat; en de meeste mensen kunnen dat niet.

We zullen dan verder opmerken, dat zeer vele mensen van het ene uiterste in het andere vervallen. Zij erkennen: er zijn geen redenen meer om alle stoffelijke bindingen en banden, die door de mensen zijn ontworpen verder te aanvaarden. Ze zeggen: Dus kan ik geen enkele band of binding aanvaarden. Dit is een groot gevaar, want zo ontstaat er een bandeloosheid en een onbeheerstheid, waarbij men zelf niet meer beslist, maar het leven en alles rond het “ik” moet beslissen. Wij moeten zelf de touwtjes in handen houden.

Wij moeten zelf a.h.w. het leven regeren. En dat kunnen wij alleen in­dien wij verder vrij van alle vooroordeel, van alle menselijke beslommeringen en menselijke opvattingen aan de hand van ons innerlijk erkennen de meest juiste weg kiezen; en deze dan kiezen op een voor ons zo positief  mogelijke wijze.

U weet, dat de huidige mensheid bestaande vormen van beleven en van vreugde, kwaad en andere buitengewoon goed zijn, ofschoon voor beide gevallen ook het tegendeel zou kunnen worden beweerd; nl. in de uitwerking op de mens. Wat wij in de moderne tijd nodig hebben is een voortdurende vreugde aan het leven, omdat wij alleen uit die vreugde kracht putten om verder te gaan. Wij zullen voor ons het leven zoet en prettig moeten maken. Niet door nu maar eenvoudig alle richtlijnen en alle beheersing overboord te gooien, maar door uit datgene, wat voor ons aanvaardbaar is, steeds het beste te kiezen, elke dag weer; door alles wat wij kunnen doen a.h.w. te overzien en daaruit die dingen te kiezen, welke voor ons wezen het meest prettig, het meest harmonisch zijn. Want dat, wat ons vreugde geeft, is ook datgene,wat ons sterk maakt.

Verwerping en haat spelen in deze wereld een heel grote rol. Ik denk hierbij niet alleen aan politieke overtuiging e.d. maar ook aan vele andere opvattingen, waarbij men een ander afwijst of verwerpt. Laten wij één ding onthouden: juist in deze dagen is haat de uiting van onmacht. Het zijn de zwakken die haten en het zijn de sterken die kunnen liefhebben. Dit beseffende zult u begrijpen dat elk verwerpen en elk haten voor een mens, die een aanpassing zoekt aan deze tijd, verkeerd is. Hij maakt zichzelf tot de zwakkere. Hij maakt zichzelf tot iemand, die wordt beheerst in plaats van iemand, die leert zichzelf en tenslotte ook een deel van zijn wereld te beheersen. Daarom moet in deze wereld de nadruk steeds weer liggen op de begrippen: harmonie, genegenheid, liefde, vreugde, gemeenschappelijk streven, gemeenschappelijk volbrengen, gemeenschappelijke kracht; en wel in de praktijk. Want waar geen gemeenschappelijke praktijk is, heeft een bereikte harmonie op aarde weinig zin en gaat ze snel verloren. Daar waar men speelt met denkbeelden en dromen, zonder ze ooit tot werkelijkheid te maken, is alle energie die daaraan wordt besteed over het algemeen ook nutteloos en gaat ze teloor. Men moet zich in deze tijd van verandering aanpassen aan de nieuwe wereld, aan de nieuwe leer en de nieuwe tijd; en dat kan men alleen doen door onmiddellijk en praktisch gebruik te maken van al datgene, wat op het ogenblik wordt gegeven, wat bruikbaar is en praktisch. Het moet deel zijn van je wezen, onverbrekelijk en onveranderlijk.

Laten we nu terugkeren tot de veranderingen van deze tijd om u daarvan nog het een en ander duidelijk te maken.

Wanneer wij op het ogenblik zien, dat de z.g. financiële situatie overal verandert (iets dat door een gegoochel met getallen kan worden weggewerkt, maar dat toch bestaat), dan zult u moeten begrijpen dat elke waardering, die in getallen wordt uitgedrukt, voor u onjuist is. Ze is misleidend. Het gaat altijd om een feitelijke waarde, of het nu gaat om de koopkracht van de gulden, om de feitelijke betekenis van een vriendelijk woord of om de feitelijke betekenis van een glimlach. Geef aan alle dingen hun werkelijke waarde weer; maak ze niet goedkoper. Geef aan uzelf de werkelijke waarde weer, want in deze tijd wordt alles steeds meer vervalst; alles wordt z.g. veredeld, maar in feite wordt het ontdaan van enkele van zijn intrinsieke bestanddelen. Dat vinden wij bij denkwijzen, dat vinden wij bij religies, bij de gewone producten op de markt en wij vinden het ook bij mensen.

Een mens, die inwijding zoekt en zich wil aanpassen aan deze nieuwe tijd, kan niet bepaalde delen van zijn wezen kunstmatig onderdrukken en terzijde stellen. Hij kan niet zeggen: Ik maak mijzelf onvolledig, dan ben ik edeler. Hij moet beseffen: om werkelijk mijzelf te zijn, om te leven en te werken in deze nieuwe tijd moet ik alle factoren en delen van mijn wezen gelijkelijk aanvaarden. Iemand die dat niet kan, zal zich niet kunnen aanpassen aan de veranderingen die zich voltrekken. De politieke en economische evenwichten op deze wereld gaan veranderen. Dat kunt u op het ogenblik al zeer sterk zien. En als ik even mag terugwijzen naar hetgeen wij daarover jaren geleden al hebben gezegd en steeds herhaald: een steeds toenemende golf van groeps­egoïsme, geuit in stakingen, opstanden e.d. komt tot uiting.

Wanneer wij ons laten vangen in het groepsegoïsme van een enke­le groep, wanneer wij ons laten betrekken in een dergelijke strijd, zul­len wij nooit onszelf kunnen zijn. Wij worden dan geleefd door een massabewustzijn. Wij kunnen dus geen deelnemen aan enigerlei massale actie, – zelfs indien die voor de groep, waartoe wij worden gerekend belangrijk is – omdat wij daarmede ingaan tegen onze persoonlijke bewustwording en ontwikkeling. Wij moeten voor onszelf beslissen; niemand anders kan dit doen. Wij moeten zelf weten hoe wij handelen en mogen ons daarbij nim­mer van de massapsychose afhankelijk stellen, waardoor wij misschien wor­den meegesleurd in een richting die voor ons niet de juiste is. Een aanpassing aan de verwarring van deze tijd betekent: begrijpen waaruit die verwarring voortkomt; begrijpen in hoeverre ze gerechtvaardigd is en van uit jezelf, zonder daarbij deel uit te maken van de gemeenschap, de juiste richting ingaan.

Dan hebben wij in deze periode te maken met zeer grote geestelijke krachten, die op aarde optreden. Ook bij deze krachten zult u zich moeten aanpassen; en dat is een omschakeling, die soms erg moeilijk is. Van deze krachten kunnen wij o.m. stellen:

  1. Zij zijn eigenlijk te eenvoudig.
  2. Zij herhalen zich teveel. Ze geven dus niet de nieuwheid, de sensatie, die vaak wordt verlangd .
  3. Ze bezitten een overweldigende kracht, maar die wordt niet altijd op gelijke wijze beleefd en men voelt niet wat men met die kracht kan doen.
  4. Wanneer die krachten zich ergens manifesteren, dan is men al zeer snel geneigd ze te verbinden met een bepaalde idee.

Dit is t.o.v. deze nieuwe krachten verkeerd.

  1. Elke geestelijke kracht, die op het ogenblik optreedt, zal in haar eenvoud zoeken naar de kernwoorden, de slagzin, de sleu­tel van uw leven. Beter één enkele stelregel van een nieuwe Meester aan te nemen, die geheel bij uw wezen past en daardoor uw daden kan richten in overeenstemming met de nieuwe tijd, dan een geheel nieuwe leer te aanvaarden, waarmee u geen raad weet. Zoek in de eenvoud de verklaring voor uw eigen wezen.
  2. Wees niet bang voor herhaling. Het gehele leven is niets anders dan herhaling. Elk proces in de natuur is een kringloop, waarin voortdurend dezelfde fasen optreden. Bij een versnelde geestelijke vernieuwing zullen dezelfde fasen van geestelijke waar­den en geestelijk werk bij herhaling terugkeren; u zult er niet aan kunnen ontkomen. Laat de herhaling u niet ergeren. Zoek niet naar iets anders. Zoek naar de intensivering van dat­gene wat u op het ogenblik belangrijk acht. Ga uit van dit ogen­blik. Wat is nú de sleutel die op mijn wezen past. Hoe kan ik die nu zo intens en zo volledig mogelijk beleven en voor mijzelf verwerkelijken. En als die honderd keer wordt herhaald en hij is hon­derd keer mijn sleutel, dan is het goed en ga ik ermee voort. Ben ik morgen voor een andere sleutel vatbaar, dan geldt al het oude niet meer. Ik neem de nieuwe sleutel en ga daarmee werken net zolang, totdat ik voor mijzelf een begrip heb gekregen van een vaste waarde.
  3. De kracht van een Meester is ten slotte een kracht, die in uzelf moet leven en niet een kracht, die van buitenaf kan komen. In deze tijd worden krachten gemanifesteerd. Maar de ma­nifestatie van deze krachten is niet in directe overeenstemming met uw eigen wezen. Het is eerder een aantonen dat iets mogelijk is. Maar wanneer u in uzelf zoekt naar die kracht, zult u ontdekken dat u die kracht kunt reproduceren. De reproductie van deze kracht ‑ onverschillig welke methode u daartoe gebruikt ‑ is voor u goed; ze is een directe aanpassing aan de eisen van deze tijd. Want een gebruikmaken van de krachten, die er op het ogenblik bestaan, betekent:
    1. de problemen van deze tijd meester worden;
    2. de wereld helpen harmoniseren, zodat zij past in de nieuwe tijd en verder kan gaan zonder zichzelf te vernietigen;
    3. alle vermogens die in u bestaan (geestelijk en stoffelijk) te richten op het ene doel: het directe contact met God voor geheel de wereld.

De grote Meesters proberen dit en anders niets tot stand te brengen. Ze komen niet om u dogma’s te geven. Hun nieuwe leer, hun nieuwe regel, hun nieuwe wet is niet iets nieuws. Het is het oude dat weer herleeft. Maar het is het oude dat in u moet herle­ven op een wijze, die past in deze tijd. Alles wat was moet aange­past zijn aan deze nieuwe omstandigheden en condities met de nieu­we condities van menselijk leven, de nieuwe problemen van het men­selijk leven. Dan pas heeft de Meester zijn doel bereikt.

U weet allen, dat er een nieuwe Wereldleraar is en dat hij a.h.w. de verandering heeft voorbereid. Wij hopen in het volgende jaar op zijn leer terug te komen op een andere wijze dan tot nu toe; nl. veel minder abstract, veel feitelijker en vooral vollediger. Maar op het ogenblik moet u beseffen, dat ook die leer slechts een inleiding is. Het is een pijl, die u zegt in welke richting u ongeveer zoudt moeten gaan: Het is niet de leer, waaraan u zich alleen zaligmakend kunt verbinden. Begrijp dat goed. Verder zullen er grote manifestaties op deze wereld komen, allerlei krachten en allerhande geweld. Het grootste gedeelte ervan wordt genegeerd, want het past niet in de oude tijd. Wanneer u ontdekt dat die krachten werken, merk ze op, houd u er mee bezig, tracht ze in u te beleven, tracht ze te uiten. Wanneer u plotseling talenten ontdekt, uit ze. Wanneer u ineens voelt dat u moet dichten, schilderen, schrijven, musiceren of wat anders, probeer het te doen. Laat deze periode van ontwikkeling op u inwerken. Want de grote krachten gaan natuurlijk een uitingsmogelijkheid scheppen en die vereist in de eerste plaats harmonie, maar in de tweede plaats een synchronisatie van de vele verschillende ontwikkelingen die er op deze wereld bestaan. Een dergelijke synchronisatie kan alleen gebeuren, wanneer elk van de delen van die ontwikkeling eerst voor zichzelf zijn volledige bekwaamheid bereikt. Wanneer je een keten maakt, is ze altijd zo sterk als de zwakste schakel. Wanneer je een groot aantal mensen, die voor een inwijding geschikt zijn gelijktijdig actief zou willen maken en willen inwijden, dan zou dat geheel vallen met de zwakste. Daarom moet een ieder zijn eigen intuïtieve eigenschappen, zijn persoonlijke vermogens, zijn aanvoelen in deze dagen gaan ontwikkelen; niet door ze te gaan zoeken, maar door te zien wat er in de persoonlijkheid op dit ogenblik bestaat en dit in de praktijk om te zetten; door dit door het “ik” te laten heen werken en gelijktijdig toch te leren zeggen: Nu is het genoeg.

Blijf meester over datgene wat in u rijst, maar geef het een mogelijkheid tot uiting. Zie het niet als iets nutteloos, ook als het niet onmiddellijk vruchten afwerpt, maar zie het als een voorbereiding, als een training voor dat wat komt.

Als u zich wilt aanpassen aan een nieuwe tijd, dan zult u ook de capaciteiten en de mogelijkheden moeten ontwikkelen, die de nieuwe tijd eist. Die kans wordt u gegeven.

Dan heb ik ten laatste nog dit op te merken. We hebben in deze lessen geprobeerd u van uit vele standpunten dichter bij deze tijd te brengen en u een inzicht te geven in al datgene wat noodzakelijk is. Wij zullen ook in de toekomst moeten proberen dat inzicht verder op te bouwen. Wij zijn volledig bereid en naar wij menen ook in staat dit te doen. Het ligt aan uzelf hoeveel u daarvan kunt profiteren en wat u ermee kunt doen.

Inzicht betekent alleen, dat u ergens achter de schermen kunt zien; dat u kunt begrijpen hoe deze vernieuwingen en al wat ermee gepaard gaat op u persoonlijk inwerken en hoe u door u aan te passen aan deze krachten en aan deze tijd meer kunt worden ‑ niet beter ‑ maar meer kunt worden “ik”. Meer waarlijk uzelf. En meer waarlijk uzelf zijnde juister een harmonie kunt vinden met het Hogere. Daarvoor zult u vele dingen terzijde moeten stellen. U zult afscheid moeten nemen van bepaalde dierbare illusies. Maak u daarover geen zorgen. U zult aan de andere kant misschien brutaal moeten worden, waar u liever bescheiden zou zijn. U zult moeten luisteren, waar u zou willen spreken; of moeten spreken, waar u liever luistert.

Veel kan veranderen. Maak u ook daarover geen zorgen. Veel van wat op het ogenblik nog schijnbaar zinloos of doelloos is, krijgt binnen enkele jaren een zo volledige betekenis en zin, dat u zult begrijpen waarom het nodig was.

En wat meer is: degene, die gebruik maakt van die oefening, van die kracht en van die mogelijkheden, zal door het inzicht dat hij krijgt (en daar werken wij aan mee en ook honderden, duizenden andere groepen op de wereld) ook begrijpen hoe hij in deze trainingsperiode zich voorbereidt op een volledige inwijding en een volledig harmonische taak in een nieuwe tijd.

Sferen

Elke mens draagt in zichzelf alle sferen mee die er bestaan. Want het werkelijk ego van de mens omvat het totaal van al het zijnde. Hij is deel van elke wereld, hij is deel van elke voorstelling, van elk bewustzijn, dat er maar kan bestaan.

Wanneer wij nu van uit de geest de sferen zien, dan ontdekken wij een groot aantal verschillende werelden. Wij moeten echter wel beseffen, dat die werelden nooit apart staan. Zij zijn altijd met elkaar verbonden, doordat ze eigenlijk alleen maar één deel zijn van het innerlijk landschap dat je ziet.

Je gaat door de sferen heen en je meent vele vreemde werelden te ontdekken. In wezen ontdek je slechts nieuwe delen van jezelf en steeds nieuwe functies en taken die je in het heelal hebt. Degene, die zich beweegt in het begrip van de beperkte sferen zal dus vaak bedrogen uitkomen.

Wij weten ook dat – vooral in de eerste tijd na de overgang – een groot gedeelte van de sferen, van de werelden die je leert kennen afhankelijk zijn van je persoonlijk bewustzijn. Dat is o.m. op deze manier te verklaren.

Het werkelijk “ik” (het grote ego, dat zich dus ook in de stof heeft gemanifesteerd) heeft in het menselijk leven geprobeerd voor zich bepaalde hiaten aan te vullen. Het wilde harmonischer worden en heeft daarvoor een bepaald aantal ervaringen gekozen; het heeft voor zich een aantal mogelijkheden geschapen. Nu moet echter dat geheel eerst worden verwerkt. Zolang het “ik” nog niet in staat is om alle vorige belevingen, alle andere fasen van bestaan, met het huidige leven te integreren, blijft dus het leven dat je op aarde hebt gehad en de herinneringen die daaruit voortspruiten voor een groot gedeelte invloed uitoefenen op datgene wat je ziet, wat je beleeft: het deel van de wereld waarin je bestaat. U weet, dat Zomerland een soortgelijke wereld is.

Gaan we echter van daaruit verder, dan komt er, zoals dat eens zo mooi is gezegd: het ogenblik van rust onder de Boom van Kennis; door anderen ook wel genoemd: de Vallei der Herinneringen. Het is een periode van rust, omdat je bewustzijn van alles wat was verwaast, het is dood geworden als een foto; het heeft geen beweging meer. En dan ga je je realiseren wat er vroeger is geweest.

Je ziet misschien Troye branden; en je ziet het eerste dorp bouwen op een vulkanisch eiland ergens in de Stille Zuidzee; je ziet de eerste stichters van de Parsi’s rondtrekken, de eerste leraren spreken; of misschien zelfs in de vroege oernevelen de eerste mens voor het eerst naar het grote keizerrijk trekken. En al die dingen vormen tezamen één geheel, één verband. En wat je nu bent geweest en wat je in die z.g. lagere sferen hebt gevonden en gedroomd, dat is niets anders dan een aan vulling van dat verleden; en daardoor ontstaat er een totaal nieuwe wereld.

U heeft al gehoord van de werelden waarin kleuren en klanken een rol spelen. Wel, dat zijn de werelden waarin een vorm niet meer zichzelf is, omdat de vorm een gekristalliseerd tijdsmoment betekent. Maar zodra we de tijd zelf kristalliseren, gaat de vorm teloor. Zo ontstaan er dus een groot aantal werelden of sferen, die wij achtereenvolgens betreden en waarin de verschillen verdwijnen naarmate dat ego zich dus meer van zichzelf bewust wordt. Ten slotte blijft de tijd over. De tijd, die zich kristalliseert als één enkel kristal, wonderlijk symmetrisch, wonderlijk mooi, maar aan de andere kant toch ook weer volkomen vrij van alles wat wij vorm noemen. Daarom zou men over de sferen ook nog het volgende kunnen zeggen.

De sferen op zichzelf zijn de kleine en begrensde delen van een groot mathematische structuur, die in haar wezen deel is van het “ik”. Door een klein deel daarvan te beseffen kunnen wij alles, wat er in dit deel aanwezig is, projecteren op elk ander daarmee symmetrisch deel. Wanneer wij een asymmetrie hebben (een ongelijkmatigheid, wanneer er dus geen parallellen aanwezig zijn), dan kunnen wij zeggen: Hier is geen overdracht van krachten of van weten mogelijk. En daaruit volgt weer, dat elk wezen dat zich maar in een bepaalde sfeer bewust is, andere sferen en delen van de tijd, waarin het op het ogenblik dus geen direct bewustzijn bezit, beïnvloedt en daarin werkt. Er is een voortdurende wisselwerking. Wanneer je zover bent gekomen dat je weet: alles wat ik nu doe, zal ergens in een gelijksoortig deel van de tijd invloed hebben, dan wordt voor het eerst duidelijk wat er wordt bedoeld met de spreuk:

“In het gaan door de sferen corrigeert men zichzelf, vervolledigt men zichzelf en herstelt men de volledige evenwichtigheid, die noodzakelijk is voor een eeuwig bestaan.”

Hier aarzel ik een ogenblik, omdat die concepten altijd heel moeilijk onder woorden te brengen zijn. Toch moet u begrijpen, dat ook dit stoffelijk leven één van de vele sferen is. U kent het nu in vormen; dus in brokstukjes van tijd, die elk op zichzelf voor u gescheiden en vaststaand zijn. De tijd zelf is een beweging, die aan u voorbij schijnt te gaan en waarin u langzaam en haast onmerkbaar verandert. Maar u bent ook vroeger in de stof geweest. Alles wat u vroeger in de stof bent geweest, heeft meegewerkt aan de vorming van dit leven. Alles wat er in dit leven verandert, wijzigt de inhoud, de betekenis van het verleden voor u. En zo krijgt u dus eigenlijk te maken met een persoonlijke sfeer, die niet meer een wereld is maar eerder een persoonlijke uitstraling. Naarmate je persoonlijke uitstraling harmonischer is ‑ ook nu in dit kleine aardse bestaan ‑ zal elke wereld die je betreedt harmonischer zijn, maar zal ook elk verleden, waaraan je ooit hebt deel gehad, harmonischer zijn geworden. Je verandert dus eigenlijk niet slechts jezelf, maar je verandert het hele beeld van de wereld dat in je leeft. Een wijsgeer (aan onze kant overigens) heeft het eens zo uitgedrukt:

”Door steeds meer harmonisch te zijn met mijzelf, kies ik mijn taak en wezen uit het totaal der mogelijkheden. Zodra ik mijzelf heb verwerkelijkt, in overeenstemming met datgene waarvoor ik ben geschapen, eindigt mijn bestaan in sferen of zelfs maar in een afzondering van het grote geheel. Ik verdwijn in een Niet, dat de uiteindelijke sfeer is, waarin alle dingen opgaan, omdat wat zichzelf is, buiten de tijd staat en in zichzelf alle elementen van tijd bevat.”

Dat is misschien een beetje moeilijk gezegd, maar wanneer u de bedoeling ergens kunt aanvoelen, dan weet u dus dat eeuwigheid niet is: het uitsmeren van één moment, bewegingloos en zonder zonde, maar dat het eerder is: het in je dragen van alle dingen, die je elk afzonderlijk kunt bezien, maar die allemaal gelijkelijk en gelijkmatig toegankelijk zijn.
En nu wij dit over de sferen hebben gesteld, wordt het misschien ook gemakkelijker duidelijk wat men in de magie bedoelt met: het werken met de verschillende sferen. Wanneer u werkt met een bepaalde sfeer, die buiten u ligt, dan werkt u in feite dus met wezens die u niet kent. U bent hun slaaf. U weet niet wat ze zijn, u weet niet wat ze tot stand kunnen brengen. Maar wanneer u werkt met een deel van uzelf, dan werkt u met een realiteit die, in uzelf gevormd, bestaat. Alles wat daarin bestaat, is kenbaar. Het is te overzien. En omdat er een wet van harmonie en evenwicht in mijn wezen is, zal alles wat ik in dat bekende gedeelte verander ook veranderen in de door mij niet gekende delen van mijn leven. En vergeet niet, dat mijn leven de gehele wereld die ik erken omvat; want deze bestaat in mij en niet alleen maar buiten mij. Op deze manier gaat u dus werken met heel veel verschillende sferen, verschillende geestelijke werelden. Hoe dichter zo een wereld bij de kern ligt, hoe hoger wij haar noemen. Niet, omdat zij in wezen hoger is, maar eenvoudig omdat dus de potentie, de kracht die erin schuilt, groter is. Want de vormende kracht van het kristal gaat uit van de kern en nooit van de randvormen.
Op deze manier benaderen wij dus het meest innerlijke van ons wezen, het verborgen “ik” eigenlijk en vinden daarin een vorm, die wij nu nog kunnen erkennen; of het een denkbeeld is of wat anders, dat geeft niet. Wij wijzigen daarin iets en weten nu dat elk deel van ons bestaan, waarmee dus een vormgelijkheid bestaat, elk deel dat een gelijke symmetrie bezit (of asymmetrie, dat kan ook) die invloed ondergaan; en wel zo, dat de delen, die geheel gelijk zijn de volledige invloed ervaren en de delen, die ten dele gelijk zijn, in verhouding de invloed ten dele ondergaan. Ik kan echter nooit van uit een cirkel een driehoek beïnvloeden. Wel kan ik van een vierkant een deel van een rechthoek beïnvloeden. Van uit een driehoek kan ik ook een deel van een ruit of van een vierkant beïnvloeden. Als u dit gaat begrijpen, zult u dus inzien dat wij in onszelf onnoemelijk veel mogelijkheden hebben om te werken.

Alles wat ik ben, alles wat ik doe, wijzigt niet alleen maar hier iets in het nu maar in het totaal van mijn verleden.

U zegt: karma. Maar u kunt een vorig leven voor uzelf wijzigen. U kunt een toekomstig leven, dat voor u nog niet eens is gerealiseerd en waarvan u zich eerst later bewust zult worden, reeds nu opbouwen. De eenvoudige mens zegt wel eens, dat hij zich hier op aarde een huis bouwt in de sferen. Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Maar zo goed als je bepaalde sferen hebt (vooral de overgangstijden, die tussenperioden van rust, waarin het “ik” zich eerst weer moet realiseren welke hiaten wel en welke niet door een stoffelijk leven werden aangevuld), die sterk beïnvloed zullen worden door wat je nu bent en wat je nu en in de toekomst doet, zo bouw je dus de grenzen op van de wereld, waarin je geestelijk kunt bestaan. Die grenzen gelden zolang je alleen in die wereld leeft.

Onze grote fout nu is over het algemeen, dat ons bewustzijn niet geneigd is om het gehele kristalpatroon tegelijk te overzien. Een mens, die weinig weet, zegt: Ik heb hier drie verschillende wegen en die weg ben ik. Een ander zegt al: Ik ben alle drie de wegen en die vloeien samen in dat deel van mijn wezen. Die is iets verder. Maar degene die beseft: Daaruit is weer een nieuwe vertakking gegroeid, die in een middelpunt samenkomt en van uit dat middelpunt wordt dat patroon op verschillende vlakken en manieren misschien honderdmaal herhaald, die weet pas wat hij werkelijk is. Onze zelfkennis, ons begrip voor het leven, alles wat we zijn is dus wel afhankelijk van het erkennen van de samenhangen.

Misschien mag ik hier dan een ogenblik terugkeren tot uw eenvoudig stoffelijk bestaan, waar u toch ook vaak te worstelen hebt met het feit, dat er drie wegen in uw leven zijn en dat u meent dat er maar één de juiste is.

Alle mogelijkheden, die er voor u bestaan, behoren tot het patroon van uw leven. Het gaat er alleen maar om niet steeds één weg te herhalen. Want wanneer je steeds dezelfde weg beleeft, dan wordt er niets aangevuld; het bewustzijn wordt niet groter. Het ego ziet bepaalde delen als niet verwerkelijkt en weet wel hoe ze zouden moeten zijn, maar voelt ze niet als deel van het “ik”. Wanneer je dus in een vorig bestaan weg A bent gegaan, zou je nu weg B moeten gaan en morgen weg C. Van daaruit eerst de geestelijke ontwikkeling tot de kern doormaken en dan opnieuw weg A, weg B en weg C gaan.

Ik geef hier een zeer eenvoudig beeld. Ik heb hiervoor een ijskristal genomen, een uit sneeuwkristallen opgebouwd beeld. Wat ik dus heb gedaan en beleefd, is altijd afgesloten. Zodra iets mij geen werkelijke vernieuwing, geen innerlijke vernieuwing, geen vervulling biedt, moet ik een andere weg zoeken. Want ik moet in dit menselijk leven (als ik dus in de stof ben) proberen om zoveel mogelijk van de buitenste randen te vullen, opdat symmetrisch aan de andere kant beseft wordt wat de mogelijkheden daar feitelijk zijn; opdat ik niet gevangen blijf in een enkele rustsfeer en vandaar moet terugkeren naar de wereld, maar steeds tot de kern van mijn wezen kan doordringen. En wanneer ik hier één kristal volledig heb opgebouwd, zal ik de kern van mijn wezen beroeren en ik zal het spiegelbeeld ervan (het tweede kristal) volledig kunnen bouwen. En uit het begrip van de samenhang van die twee kan ik weer andere kristallen verwerkelijken. Zo bouw je eigenlijk je hele leven door aan iets wat tijdloos is door te leven in de tijd. Zo bouw je – door verschillende werelden en sferen afzonderlijk te zien en te beleven – voor jezelf langzaam maar zeker de volledigheid van bestaan, die “ik” heet.

Ik geloof, dat ik met deze korte uiteenzetting iets heb bijgedragen tot uw begrip van sferen. Want wij zijn maar al te zeer geneigd alleen af te gaan op de organisatie, de vorm, de opbouw, zonder te beseffen wat ze voor ons betekenen. Ze zijn deel van ons wezen, allemaal. Het is niet zo, dat wij alleen tot die sferen behoren; het is zo, dat die sferen bij ons behoren en dat niets wat er bestaat van wereld of sfeer en wat niet deel is van ons wezen door ons wordt gerealiseerd.

Alles wat voor ons mogelijk is ligt in ons wezen besloten, maar het is in een kosmische symmetrie opgebouwd, in een volledige harmonie, in een volledige evenwichtigheid. En die volledige evenwichtigheid, die symmetrie, die harmonie kunnen wij bevorderen door ‑ waar wij ook zijn en in welke wereld wij ook leven ‑ te streven naar volledigheid. Nimmer blijven hangen aan een gewoonte, als die gewoonte geen zin meer heeft. Nimmer een beeld blijven vasthouden, omdat het zo mooi of zo rustig is, wanneer het begint te verstillen en het voor ons geen leven, geen beweging meer heeft. Laten de ervaringen zich vernieuwen. Laat de wereld veranderen, het is alleen maar een kostbaar goed dat je verwerft, omdat je je zo meer bewust wordt van je eeuwig “ik”.

En daarmee eindig ik mijn kort betoog, omdat we nog een spreker krijgen, die de cursus voor u zal besluiten naar ik aanneem, ofschoon hij daarvoor ongetwijfeld niet komt. Ik mag er misschien nog een kort commentaar bij geven.

Elke Meester behoort tot een bepaalde sfeer. Maar als u nu goed beseft wat ik heb gezegd: uw Meester behoort ook tot uw wezen. Het kan wel een ander zijn; maar wat in hem leeft, moet in u bestaan, in uw leven ergens een rol hebben gespeeld. Het moet ook in u volledig denkbaar en verwerkelijkbaar zijn. Hij kan nooit iets zeggen wat voor u onbereikbaar of onmogelijk is, want dan begrijpt u het niet. Hij kan u nooit iets geven wat voor u te hoog is. Wat hij u geeft, is alleen datgene wat in uzelf bestaat. En daarom denk ik, dat u ook uit zijn leer, uit zijn misschien kort betoog veel zult kunnen putten. Ik hoop het in ieder geval wel, vrienden. Ik dank u voor uw aandacht en wens u allen een gezegend en sterkend ogenblik en een voortdurend verdergaande bewustwording.

Gastspreker

Het begin van alle wijsheid is het begrip van eigen beperking.
Het begin van alle openbaring is de aanvaarding van de innerlijke wijsheid.
Het begin van alle vernieuwing is de erkenning van de onvolmaaktheid van het oude. Zo zal een ieder, die wil beginnen met iets, moeten uitgaan van zijn eigen wezen. Ga uit van uzelf, van uw eigen kracht, van uw eigen bestaan en zoek daarin een waarde die nieuw kan zijn.
Het begrip “liefde”, een veelomvattend woord, betekent in kosmische zin: eenheid, harmonie en verbondenheid.
Wanneer gij verbondenheid wenst, leer lief te hebben door uzelf te ontkennen. Want hij die lief heeft, omdat hij meer zichzelf wil zijn, verliest alle dingen. Doch wie de liefde zoekt in het voorbijzien van zichzelf, hij vindt de eenheid die hij begeert; een eenheid, die eeuwig is en onveranderlijk.
Wanneer gij zoekt naar begrip voor de mensen, zult gij moeten uitgaan van uzelf. Begrip is: gelijk aan, identiek zijn met. Want slechts dat gene, wat aan u gelijk is, zult ge waarlijk begrijpen. Zoek daarom uzelf te kennen, opdat ge kunt beseffen wat gelijk is aan uzelf; en ge zult begrijpen.
Weet, dat de kern der wijsheid niet is de formulering van het bestaande, maar de formulering van het niet‑bestaande.
Indien gij wijsheid begeert, denk over de dingen die onmogelijk zijn en tracht er een conclusie uit te trekken, die tot uw mogelijkheden behoort. Dan zult ge weten, dat uit de schijn der beperking de oneindigheid der mogelijkheden opbloeit.
Gij zoekt het goede. Besef, dat gij het goede slechts kunt zoeken door het kwade te zijn. En dat gij het kwade zoekende het goede niet kunt vermijden. Zoek daarom niet naar goed of kwaad, naar licht of duister, maar een aanvaarden zonder vrees, zonder beperking, uit eigen wil en door eigen beslissing van al wat komt: goed of kwaad. Want hij, die niet vreest, kent harmonie. Hij, die vreest en een deel van het leven ontwijkt, dwingt zichzelf om terug te keren in de draaikolk der verwarringen.
Wanneer gij zoekt naar krachten, besef dat hij die zijn zwakheden beseft, daarin reeds sterk is en kracht bezit. Doch dat degene, die – zijn zwakheden niet beseffende – zich beroept op anderen de zwakste van allen is. Beroep u op dat wat gij in uzelf erkent. Maar beroep u daarop, omdat ge weet, dat ge onvolmaakt zijt. Want wie de onvolmaaktheid in zijn wezen erkent, vindt de kracht om de volmaaktheid te verwerven.
Gij weet soms niet het verschil tussen werkelijkheid en droom. Laat mij u zeggen, dat uw werkelijkheid een droom is, die zich steeds hernieuwd; dat uw droom een werkelijkheid is, die ge slechts voor korte ogenblikken bezoekt. Want dit is waar: alle dingen in het Al zijn werkelijk en waar; en alle dingen in het Al zijn onwerkelijk en onwaar. Het is slechts uw eigen wezen, dat daaraan de betekenis zal hechten en dat daaruit de vervulling voor zichzelf mogelijk maakt. Kies dan uw eigen leven en uw eigen weg met een erkennen van uw eigen persoonlijkheid en ge zult slagen in al wat gij wilt bereiken. Maar stel het bereiken niet voor uzelf, opdat ge niet ‑ al bereikende ‑ zult zien hoe arm gij zijt geworden.
Alle leven is één. Wanneer ge de eenheid beseft, zo leeft ge niet meer, maar bestaat ge in eeuwigheid. Zolang ge leeft echter, beseft ge niet wat leven is, zoekt ge in de beperking iets van de volheid te vinden, zonder haar ooit tot een werkelijkheid te maken. Want wat gij begeert is niet het leven en het beleven, het is de vervulling van uw wezen, die pas ontstaat daar, waar het leven heeft plaatsgemaakt voor het bewust bestaan in alle dingen.
Gij zult altijd weer roepen om één, die u leiding geeft. Doch zo ge wordt geleid, leeft ge niet zelf. En wie zal aan een marionet een eigen ziel toekennen? Wie leiding vraagt en niet zelf beslist, wie verwacht dat anderen zullen beslissen en zelf slechts wacht, is een dwaas; want hij maakt zich tot een marionet van de omstandigheden. Een marionet van ander leven en denken en hij verwerft voor zichzelf niets; zelfs niet een blijvende ervaring. Maar wie van zichzelf uit zoekt, besluit en leeft, deze ervaart uit zichzelf en door zichzelf. En beslissende zijn eigen beleven, bepalende zijn eigen ervaring zal hij zijn vervulling vinden.
Uit de grote kracht zijn wij allen voortgekomen, tot de grote kracht keren wij allen terug. Wij kunnen die kracht niet bepalen, maar wij kunnen in de erkenning van deze kracht ons leven zo richten, dat wij zelf levende die kracht tot werkelijkheid maken. Daarom zeg ik u:

Leef in en van uit uzelf, heersend in uw wereld door te volbrengen wat ge zelf hebt besloten.
Leef vreugdig, werkend voor anderen, niet omdat de anderen u behoeven, maar omdat gij uw wezen daarmee vervult.
Besef, hoezeer gijzelf het centrum van alle beleving en alle werking bent. En vervul uzelf door reeds nu deel te zijn van een Al, dat ge eerst later volledig zult beseffen.

En hiermee kan ik mijn raad en leer kort samenvatten:

Heb elkander lief, niet om wille van anderen, maar om wille van uzelf, waar gij zonder liefde niet zijt.
Help elkander, omdat gij anderen niet helpende zult ondergaan aan hun kwalen.
Leef voor anderen, opdat gij in anderen de waarheid van uw eigen leven gespiegeld ziet.
Gebruik de krachten die rond u zijn, zodat gij ‑ u beroepende op deze krachten ‑ bewust wordt van de kracht, die in u leeft en deze kracht kunt richten.
Zoek geen rechtvaardigheid in anderen, doch zoek het recht in uzelf en druk het door uw wezen uit, zonder beperking, opdat gij weten zult wat het recht is dat heerst in uw wereld, welke wet uw wezen schiep en vormde.
Leef in vrede, doordat gij vrede geeft; niet doordat gij vrede begeert.
Leef in kracht; niet omdat gij krachtig zijt, maar doordat ge kracht geeft, kracht gewint, zelfs waar gij zwak zijt.
Vervolmaak uzelf; niet omdat ge de volmaaktheid nastreeft, maar omdat gij tracht al het onvolmaakte dat u stoort in u te verdrijven en in de wereld rond u anderen te helpen hetzelfde te doen. Want zo vindt de mens de verzadiging van zijn wezen, de bekroning van zijn bestaan, de eeuwige kracht, die zijn leven beweegt.