Achtergrond menselijke psyche en gedrag

20 maart 1973

Wanneer wij ons bezighouden met de menselijke psyche, dan ontdekken wij dat een betrekkelijk klein gedeelte van de mens behoort tot het direct bewustzijn, dat daarnaast vele factoren onbewust of onderbewust bestaan en ten laatste: dat in de mens een onbekend terrein is, een deel van een bestaan dat aanwezig is en dat desondanks zich niet laat formuleren of laat uitdrukken.

Wanneer wij van hieruit verdergaan dan komen wij tot het gedrag van de mens en moeten constateren dat het gedrag van de mens niet past bij datgene dat hij redelijk beseft. Het gemiddelde gedrag van een mens wordt slechts voor l/5 tot 1/6 bepaald door zijn bewust denken.

De verdere delen van zijn gedrag worden bepaald door zijn onderbewustzijn en daarnaast door impulsen en geestelijke krachten die hem, op welke wijze dan ook bereiken. Deze korte formulering impliceert dat de mens dus leeft in een wereld die hij niet volledig kent en beseft, dan wel dat hij zichzelf en zijn mogelijkheden in die wereld niet kent of beseft. Nu kun je aan de hand van hetgeen zich de laatste tijd ontwikkeld heeft, ontdekken dat er algemene tendensen bestaan. Om u een voorbeeld te geven: Zeer vele mensen in deze gebieden hebben, in de laatste veertien dagen, allerhande frustraties doorgemaakt. Zij hebben daarnaast ongetwijfeld zich ongedurig en daarnaast ook zich onredelijk gedragen. U kont dat constateren in uw eigen kring, u kunt dat bv. zien in het beeld van het verkeer in het algemeen, u kunt dat ook constateren in de ontwikkelingen die zich op een hogere economisch, politiek of sociaal niveau afspelen. Dit is slechts één van de vele invloeden die optreden. Wij kunnen die invloed niet helemaal vertalen, wij kunnen haar niet precies definiëren, maar zij is aanwezig. Vele van dergelijke invloeden kunnen steeds weer worden geconstateerd en altijd weer blijkt dat het gemiddeld gedrag van de mens zich aanpast aan een dergelijke invloed.

Dan moeten wij constateren dat de mens, van buitenaf althans voor een deel wordt beperkt door invloeden die hijzelf niet geheel kent en die invloed hebben op zijn humeur, zijn gevoel van gezondheid, zijn gevoel van al dan niet energie bezitten en daarnaast ongetwijfeld ook op zijn wijze van denken. Want het bewuste denken van de mens dient, althans voor een deel, om te rationaliseren wat men niet op basis van bewust en redelijk denken doet. Hier is dus een reeks invloeden van buitenaf aanwezig en wij moeten beginnen met te stellen: De gedragsvrijheid van de mens is, zelfs indien wij de beperkingen van het milieu buiten beschouwing laten, begrensd door invloeden waarbinnen zijn reacties mede worden bepaald door factoren die buiten hem bestaan, zonder dat hij zich daarvan bewust is. Hopelijk kunt u deze formulering aanvaarden. Wij proberen nu verder na te gaan wat dan die mens doet reageren.

De doorsnee mens wordt gemotiveerd door bepaalde angst- en begeertepatronen. Wij kunnen natuurlijk wel grijpen naar het hogere en zeggen: Er is een geestelijke intentie er is een Goddelijke waarde of waarheid in die mens aanwezig. Maar wanneer wij kijken naar de mens, zoals hij op aarde bestaat en zijn gedrag op die wereld, dan zien wij inderdaad angst- en begeertewaarden een zeer grote rol spelen. Zij zijn echter niet, zoals u misschien zou denken, direct conditionerend, zij bepalen zijn gedrag niet onmiddellijk.

Begeerte namelijk kan in vele vormen bestaan, maar zij zal in vele gevallen niet maatschappelijk of niet volgens geloof aanvaardbaar zijn. Zij wordt dan gesublimeerd, zij wordt omgezet tot iets anders. De mens zoekt in zijn leven voortdurend een plaatsvervanging voor begeertefactoren en andere factoren die in zijn wezen bestaan. In vele gevallen komt het daardoor tot een idealisme dat op zichzelf aanbevelingswaardig is. Met de angsten van de mens zien wij daar precies hetzelfde. Wanneer een mens bang is voor het donker, iets wat heel veel voorkomt, dan zal hij dat later ongetwijfeld ombouwen tot iets anders. Hij gaat dan zijn begrip duisternis verplaatsen naar duistere krachten bv. of ook wel naar een sociaal-politiek systeem dat hem niet bevalt. Er zijn mensen die hun angst voor zichzelf, hun eigen wereld, projecteren naar de communisten, anderen doen het naar de katholieken of de ketters, of naar wat anders. Al deze mensen begrijpen dus zelf niet hoe zij komen aan hun denkwijzen en stellingen.

Indien wij de angsten en de begeerten nagaan, dan blijkt een groot gedeelte daarvan materieel te zijn. Die materiële conditionering begint overigens reeds in het moederlichaam. De moeder maakt bepaalde belevingen door. Het kind zal deze niet bewust doormaken, maar een beleving van de moeder kan betekenen dat de afscheidingen in het bloed veranderen, dat het gehele balanssysteem van alle klierafscheidingen dus een scherpe en plotselinge wijziging ondergaan en een deel daarvan dringt door tot het wordend kind. Hierdoor ontstaan dus schokken en nu is het vreemde dat dergelijke schokken, die in wezen toch lichamelijk zijn, vaak aanleiding worden tot angstbegrippen die direct samenhangen met ervaringen van de moeder. Angstbegrippen kunnen dus kennelijk overgedragen worden door een biochemische schok, die echter gepaard gaat met een fixerend beeld van datgene wat de moeder doormaakt. Zo zijn er mensen die bang zijn voor een bepaald dier, die een afkeer hebben van een bepaalde kleur, omdat in de periode voor de geboorte de moeder een zeer onaangename ervaring in verband daarmee heeft doorgemaakt. Het wonderlijke is dat in dergelijke gevallen de angst bij het kind gefixeerd blijft, terwijl ze bij de moeder een sterk voorbijgaand karakter heeft.

Hier komen wij dus tot een materiële conditionering, waarbij angst gepaard gaat met een verwerpen van een ervaring; men vreest dus een ervaring, een beleving, niet een feitelijke toestand. Wanneer wij zien waarom mensen een bepaalde houding aannemen, zo blijkt vreemd genoeg vaak dat het hun angst is voor pijn, of voor verstoring van rust. In het leven van de mens stapelen zich ervaringen op, waarbij hij het onaanvaardbare tijdelijk moet aanvaarden en hij bouwt het in zichzelf op tot een begrip, waardoor het hanteerbaar wordt. Maar de angst blijft primair aanwezig en zij blijft eveneens primair zijn gedrag beïnvloeden.

U zult nu waarschijnlijk wel begrijpen dat ook het zuiver stoffelijke deel van de menselijke psyche voor het gedrag sterk beslissend is.

Maar wij hebben nog een ding waar wij niet over gesproken hebben namelijk: de intentie. De intentie van een mens is datgene wat hij wil. Die wil is een vorm van begeren. Maar dit begeren is gebaseerd op dagdromen die niet alleen met zijn eigen ervaringen en wereld samenhangen. Wij kunnen hier zonder meer spreken van de psychische beïnvloeding vanuit de omgeving. Maar wij kunnen daarnaast met dezelfde kracht en hetzelfde recht overigens wijzen op beïnvloedingen die ergens uit het onbekende komen. Die kunnen dan uit de eigen geest, de kern van het “ik” komen en zij kunnen ook voortkomen uit andere entiteiten die zich op een voor de mens niet kenbaar vlak bewegen. Dan zal de mens hierdoor zijn intentie kunnen wijzigen, zijn bedoeling.

Bij die uiting van wil of dit nastreven van iets, blijven de conditionerende vooroordelen bestaan die hij lichamelijk heeft opgedaan. Eveneens blijven de begeerte-elementen een rol spelen en die zullen vaak bepalen op welke wijze je een doel nastreeft. Maar alles bij elkaar is het doel op zichzelf iets dat belangrijker is. En het wonderlijke is dat het doel van een mens bijna altijd ten dele abstract is. Het is dus niet zuiver materieel, het houdt niet alleen stoffelijk emotionele waarden in. Er zitten ook geestelijke krachten, intenties, bedoelingen, zuiver mentale visies in verborgen.

En dit maakt duidelijk dat de mens niet alleen leeft in een wereld die bepaald wordt door de wijze waarop hij ze ziet, maar ook dat hij die wereld en de invloed die zij op hem kan hebben, door zijn eigen visie, zijn eigen wil, zijn eigen gerichtheid, kan wijzigen. Hier hebben wij dan te maken met een betrekkelijk eenvoudige stelling: Elke mens bezit een vrije wil, ofschoon zijn mogelijkheden om die wil tot uiting te brengen feitelijk zeer beperkt is.

Elke vrije wil impliceert gerichtheid, gerichtheid impliceert de benadering van de wereld. Hierdoor worden de waarden van het eigen wezen op een andere wijze geïnterpreteerd. D.w.z: dat hun emotionele betekenis kan veranderen, maar ook dat daaruit een bepaalde geladenheid kan voortkomen. Deze geladenheid overigens noemt men weleens charisma. Charisma kan aanwezig zijn bij een priester, maar net zo goed bij een politicus. Wij kunnen zeggen dat de paus een groot charisma heeft, maar wij kunnen niet ontkennen dat Winston Churchill, Hitler en dergelijke personen een persoonlijk charisma hadden, een uitstraling, een kracht, die het redelijke te boven gaat. Wanneer een mens deze kracht bezit, werkt hij in de eerste plaats eigenlijk suggestief. Hij brengt de denkbeelden over en overbrugt daarmee a.h.w. de afstand tussen zich en de anderen. Daarnaast is hij dermate sterk in de denkbeelden die hij uit, dat hij hierdoor de denkbeelden van anderen tijdelijk wijzigt. Ook dit heeft een grote invloed op het menselijk gedrag. Iemand die een persoonlijkheid is, die dit charisma bezit, is in staat om denkbeelden en denkwijzen over te brengen aan mensen die deze normalerwijze niet zouden kunnen bevatten. Een mens die door een dergelijk charisma wordt beroerd, die deze invloed, deze kracht ondergaat, verandert zijn eigen reacties. Zijn angsten en begeerten blijven wel dezelfde, maar zij worden anders georiënteerd ten aanzien van de wereld, de associaties veranderen.

  • Het laatste dat u heeft uitgelegd, is dat nu precies het mechanisme van sublimering?

Dat is niet het enige mechanisme dat tot sublimering kan voeren. De sublimatie die wij zien in de menselijke psyche is dus voor een deel mede georiënteerd door o.a. de opvoeding. Opvoeding is dus voor een deel dressuur, sociale dressuur. Daarnaast kennen wij de ideële dressuur die de mens oriënteert binnen de wetten van een bepaalde godsdienst, van een bepaald socio-politiek systeem etc. Er is dus altijd eigenlijk een neiging tot sublimeren aanwezig.

De eisen die je omgeving aan je stelt zijn eveneens vaak een oorzaak dat je bepaalde zaken verandert, sublimeert, omzet in andere waarden schijnbaar, ofschoon de motivering de gelijke blijft.   Wij kunnen dus niet zeggen dat dit charisma het enige is dat tot sublimering aanleiding geeft. Wij kunnen wel zeggen dat het charisma in staat is tijdelijk eigen angsten of begeerten uit te schakelen, te doen vergeten en daarvoor in de plaats een nieuwe motivering te stellen.

Later zou die motivering dan vaak aanvaard worden, soms associatief, soms direct en dan speelt hier wederom die oude begeerte- en angstverhoudingen een rol.

Nu heb ik u tot nog toe niet veel verteld van geestelijke aard. Maar wie de geest wil begrijpen zou toch, als u op aarde leeft, bij de mens moeten beginnen. Ik kan mij helaas de weelde niet veroorloven om de hele avond alleen door te gaan over deze zuivere menselijke zaken.

Ik heb u gesproken over dit charisma. Wat is dit? Wanneer wij het ontleden blijkt dit te bestaan uit een zeer sterke motivering in een persoon. Zijn gerichtheid is dus dermate scherp gericht op één doel, dat men van daaruit eigenlijk alles domineert wat in die mens verder voorkomt via scherpe gerichtheid. Maar zij is niet alleen aansprakelijk. Daarnaast is een soort geloof nodig. Dit is gebaseerd op zelfvertrouwen, maar wordt dan vaak verder uitgebreid door geloof in bv. God, of in een lotsbestemming, in supra-naturale krachten die een lotsbestemming veroorzaken. Het is dus in de mens een toestand die schijnbaar geen verandering zou kunnen brengen, althans redelijk niet, hoogstens in zijn eigen gedrag, waardoor hij komt te beschikken over een eigen uitstraling waarmee hij andere mensen tijdelijk kan richten, kan veranderen, kan beïnvloeden. Indien wij dit stellen alleen ten aanzien van de politieke of de religieuze samenhangen dan kunnen wij nog zeggen: Ach dat is allemaal een beetje onwerkelijk. Maar het wonderlijke is dat wij ook bv. een richting van onderzoekingen van wetenschapsmensen, zonder dat zijzelf beseffen waarom, zien veranderen hierdoor. Wij zien dat dit charisma onder omstandigheden gebruikt kan worden tot het genezen van mensen, dat het heel vaak een enorme sterke toekomstvisie geeft, of deze nu profetisch is of niet, doet niets verder. Hiermee hoop ik dan weer gesteund te hebben dat wat wij omschreven hebben als charisma. Niet alleen maar de kracht die van iemand uitgaat, maar een samenwerking van materiële en spirituele eigenschappen.

En dan zouden wij de bron van die kracht moeten nagaan. Nu kunnen wij ons eenvoudig van al die dingen afmaken wanneer wij zeggen dat het God is die de bron is van alle kracht.

Maar, God is ver weg. God is ongrijpbaar. Hij uit zich in zoveel verschillende facetten dat geen mens en ook geen geest definitief kan zeggen: God is zo en God is niet anders. Daarom zoeken wij het eenvoudiger te vinden en wij komen terecht bij de eigen innerlijke persoonlijkheid van de mens. Het is een structuur die bepaalde geestelijke waarden omvat. Die waarden zijn voor de stofmens in het begin illusies. Hij kan ze niet volledig verwerken. Hij kan ze niet volledig begrijpen. Wanneer hij ermee geconfronteerd wordt, probeert hij het vaak om te zetten in zuiver materiële zaken en loopt vast, omdat hij dit krachtens zijn eigen scholing, zijn lichamelijke achtergrond a.h.w. niet helemaal kan doen.

Maar kom je in het “ik”, dat is dus een esoterisch beschouwen, dan ontdek je dat er verschillende niveaus zijn van kennisnemen van de dingen. Wanneer je emotionele afstand kunt nemen van iets, dan ontstaat niet altijd een meer rationele, een meer objectieve beschouwing. Integendeel, wij blijken vaak nog veel meer een vooroordeel te hebben, maar dit komt dan voort uit het niet materiële en niet in het denken aanwezige zaken. Het is het “ik”, de geest. Gaan wij nog verder dan zien wij de samenhangen anders.

Er bestaat een oude legende: Er was een man die wilde zien hoe de wereld was en God had hem lief. Hij zond hem een Engel. Het was in een mohammedaans land. En zo zei de engel tot hem: Zie de wereld en hij keek en zag alleen de gewone mensen. Daarna zei hij: Kom ik zet u op de toren van een minaret. Toen zag hij dat die mensen op een zeer merkwaardige manier door elkaar liepen. Toen nam de engel hem mee en plaatste hem tussen de aarde en de maan en hij keek naar beneden en hij dacht dat al die mensen, op een vreemde wijze, een kleurtje achter zich aansleepten en zei: Wat is dat warrig. Toen zei de engel: Wacht, je bent nog veel te dichtbij. Hij nam hem mee tot aan de hoogste hemel en zei: Zie nu naar de wereld. En hij zag een wondermooi tapijt dat nog steeds zichzelf verfijnde en uitbreidde, want, wat de mensen deden was eigenlijk het weven van draden in een tapijt van de Goddelijke oneindigheid. Dit is de historie.

Stel nu echter dat je in jezelf afstand kunt nemen, ook dan vallen allerhande denkwijzen, vooroordelen, reacties die je normaal hebt, weg. Wanneer je terugkijkt naar die wereld heeft zij dus samenhangen die je normaal niet ziet. Kijk je naar boven toe, dan kom je tot de ontdekking dat er ergens een licht is. Het licht waarin je waarneemt. Verander je de relatie tussen jezelf en het licht, dan zal ook je mogelijkheid tot waarneming veranderen. Dat is een geloofspunt. Dat kun je alleen beleven en de beleving is het enige bewijs dat daarvoor niet te leven, een fout is. Er is geen absoluut bewijs in wetenschappelijke zin te brengen.

Nu stel ik: In de mens is een verbinding met het hoogste licht. Deze verbinding houdt kracht in. Naarmate de mens beperkter is in zijn manier van denken en leven zal hij meer onderdanig zijn aan de hem conditionerende invloeden in hemzelf, of in de wereld rond hem. Maar hoe meer dat licht spreekt, hoe groter zijn vrijheid wordt. Hij ziet de wereld anders, maar hij ziet ook zichzelf anders. De belangrijkheid van de in hem ingebouwde factoren vrees en begeren nemen af. Zij zullen hem nog wel beheersen, maar alleen lichamelijk. Indien het niet lasterlijk klinkt zou ik als voorbeeld willen aanhalen wat gezegd is over Jezus in de Hof van olijven: Hij siddert van angst, valt op zijn knieën, hij bidt, want de angst is in hem. Maar hij kan niet door de angst gedomineerd worden er is een deel van zijn wezen dat erbuiten staat en de aanvaarding stelt indien het noodzakelijk is.

Op deze wijze kon misschien de allerhoogste kracht op aarde dat bereiken. Maar een mens kan toch zeker in zichzelf iets van rust, van een vrede vinden, waardoor hij gemakkelijker wat noodzakelijk is, aanvaardt. Hij kan daarnaast in zichzelf voldoende kracht vinden om datgene wat op die wereld gedaan moet worden, te doen zonder daardoor te sterk door zijn persoonlijk patroon geregeerd te worden. Ik heb geprobeerd u de verhoudingen duidelijk te maken en stel nu een paar regels:

Elke mens is direct verbonden met de hoogste kracht of het hoogste licht. Dit is zijn aard, zijn oorsprong, zijn wezen. In de stoffelijke vorm echter zal hij slechts een klein deel van dit licht kunnen aanvaarden, omdat een groot gedeelte van zijn vermogen met het licht te werken of daarin te leven, wordt afgesloten door de angsten, door de begeerten die hij kent, door de invloeden in de wereld rond hem die hem mede beheersen. Naarmate hij echter minder zijn afhankelijkheid van die wereld stelt, zal hij ook minder door zijn angsten en begeerten direct gedomineerd worden en ontstaat een grotere invloed van kracht. Deze kracht kan uit zichzelf voortdurend sterker worden en sterker groeien tot een eenheid bestaat, ook voor de mens in de materie, met dit hoogste licht. Een mens die de hoogste bereiking heeft, zal dit licht voortdurend in zichzelf kunnen zien en beschouwen en zonder enige hulp of invloed van anderen door kunnen dringen in die hogere wereld en daaruit zijn krachten putten. Anderen zullen een deel van die kracht ontvangen. Deze kracht uit zich dan in iets dat je een uitstraling of een charisma kunt noemen.

Dan komen wij aan het derde punt van mijn betoog: Indien ik aanneem dat hogere krachten de uitstraling van een mens kunnen wijzigen en veranderen, dan moeten die uitstralingen ook alles beheersen wat aan energie in een menselijk lichaam bestaat. Dat betekent: Wanneer de mens de hoogste krachten in zich wekt, hetzij tijdelijk, hetzij in meer blijvende vorm, dan zal zijn gedrag daardoor een wijziging ondergaan, maar ook gelijktijdig zijn eigen constitutief zijn eigen lichamelijke verhouding en gezondheid. Deze verandering brengt met zich mee dat hij daardoor in de wereld een nieuwe weg gaat bewandelen, dat zijn reëel redelijk denken wijzigingen ondergaat. En het belangrijke daarbij is bovendien dat hij vaak essentiële delen van het bestaan opmerkt die anderen voorbijgaan. Hij ziet bv. verbindingen en tegenstellingen waar die voor anderen nog niet kenbaar zijn. Ook dit moet voor u aanvaardbaar zijn.

Nu heeft elke mens een voorgeschiedenis. Voordat u als mens op deze wereld leeft, heeft u reeds bestaan. Uw geest bestaat reeds als het lichaam wordt gevormd, de geest is reeds aanwezig. Deze geest heeft ervaringen opgedaan. Zonder dit zou hij in de materie niet eens kunnen leven. De ervaringen van die geest die meer bewust zijn op geestelijk vlak, zullen ook een gewoontepatroon kunnen vormen. Dit gewoontepatroon kan contrasteren met het stoffelijke, het kan ermee in overeenstemming zijn. Er is dus geen parallelliteit tussen beiden noodzakelijk. Wanneer de stoffelijke angsten en begeerten een mens domineren en geestelijk bestaan vergelijkbare waarden, dan verschuift zich deze tegenstelling en wordt deze mens vaak instinctief gedreven. Wanneer er een betrekkelijke tegenstelling is tussen deze beiden, dan zullen aspecten van de angst, of aspecten van het begeren verdrongen kunnen worden. Zij komen tijdelijk niet tot uiting. In deze gevallen kan eveneens sublimatie, dus omvorming tot een wel aanvaardbare factor optreden.

Is de geest echter in zichzelf redelijk harmonisch en is de mens, al is het voor nog zo’n kort ogenblik op de wereld, eveneens harmonisch, dus evenwichtig, gelijkgestemd in zichzelf ten aanzien van zijn eeuwigheid, dan zal de geest, met haar kwaliteiten en eigenschappen, het lichaam tijdelijk domineren. Hierbij ontstaat, en dat is het meest wonderlijke wat je hier kunt constateren, een vaak onverklaarbare en plotselinge verandering in het geheel van de zenuwstromen in het lichaam. Daarnaast ontstaan vaak wijzigingen van belangrijkheid in de lijnen van het levenslichaam, maar dat kent u niet en daarover moet ik dan niet uitweiden. Dit impliceert, op zeer korte termijn vaak, een verandering van het gehele spel van de interne klieren, ten opzichte van elkaar.

Er zijn gevallen bekend waarbij, door een ogenblik van geestelijke rust bv., een wijziging in de schildklierfunctie optrad. Er zijn gevallen bekend waarbij bijnierwerkingen gewijzigd werden. Ik zou nog vele andere organen kunnen aanhalen. Maar belangrijk is dat u begrijpt: organen kunnen daardoor hun afscheiding wijzigen. De wijziging van die afscheiding, of van de samenstelling van die afscheiding, – er zijn organen die tot dertig verschillende prikkelelementen in het lichaam kunnen loslaten – impliceert dan weer dat het gedrag verandert. Want de lichamelijke reactie verandert. Het menselijk gedrag kan, voor een groot gedeelte, door de geest mede bepaald worden. Wanneer wij dit aanvaarden, moeten wij ook aanvaarden dat geestelijke krachten, mits in die mens vrijelijk aanvaard dus, ook zelfs zijn lichamelijke structuur en toestand kunnen wijzigen. Is dit voor u aanvaardbaar? Dan komen wij aan punt vier, het laatste punt van mijn betoog.

Indien wij stellen dat geestelijke, althans niet materieel direct constateerbare krachten en invloeden de structuur van de mens, zelfs van zijn lichaam, van zijn bewustzijn, van zijn onderbewuste factoren kan veranderen, en wij zijn wel in onszelf in staat om te streven naar die invloed uit de geest, dan zou dit impliceren dat wij een volledige vrijheid van wil kunnen vinden. Maar alleen wanneer wij het innerlijk licht vinden.

Dat innerlijk licht wordt dan vaak verschillend omschreven. Je kunt dat licht bereiken langs de weg van Yoga. Je kunt het doen langs studiesystemen, theosofie, antroposofie, Rozenkruisers… Je kunt het doen via een wederkerig leersysteem, zoals het in bepaalde loges bestaat. Je kunt het ook doen door het geloof. Daarbij is het niet het geloof dat in één bepaalde zin, dus als enig juist, erkend moet worden, maar eenvoudig “geloof” zonder verdere definitie, mits in dat geloof de aanvaarding van een hogere kracht hoe dan ook aanwezig is. Wij kunnen de vrijheid vinden door het licht dat wij in onszelf vinden en dat wij, op velerlei wijzen, in onszelf kunnen wekken.

Wanneer wij dit licht aanvaard hebben en daardoor de eerste wijzigingen zijn ontstaan, vinden wij veelal een grotere beheersing van onszelf. Wij worden minder door onbewuste factoren geleefd, de verhouding van bewustzijn en automatische reactie verandert zo dat op de duur de omgeving en de innerlijke factoren het gedrag nog maar voor misschien één derde beïnvloeden, terwijl twee derde door wil, door eigen visie bepaald kan worden.

De mens die zich dus vreemd gedraagt zou zich moeten afvragen of dit gedrag op zichzelf juist is. Eenieder moet zich afvragen of zijn plaats in de wereld niet voor een groot gedeelte bepaald wordt door bepaalde lichamelijke factoren bv. bepaalde angst- en begeertefactoren. Hij moet zich vooral afvragen of er in hem misschien de mogelijkheid is, hoe dan ook, iets van dat hogere licht te beseffen of te streven om het te benaderen. Kan hij dit laatste voor zich erkennen, dan heeft hij de eerste stap gezet op de weg naar de psychische vrijheid en psychische vrijheid impliceert een toenemende lichamelijke vrijheid.

Hiermede kom ik dan aan een paar eindconclusies:

  1. Elke mens, in zich dragende een lichtende kracht en deze erkennende, kan tot een steeds grotere beheersing van zichzelf komen.
  2. Naarmate het licht innerlijk beter aanvaard en beleefd wordt, zal de visie op de wereld juister worden. Men zal zijn eigen gedrag beter kunnen bepalen.
  3. Door het winnen van een innerlijke harmonie met het licht, zal een groot gedeelte van hetgeen in het onderbewustzijn verdrongen of begraven was, langzaam maar zeker weer op de voorgrond komen. Het komt tot bewustzijn en kan verwerkt worden. Vele sublimaties worden als zodanig eveneens erkend. Men weet dus waarom men bepaalde dingen nastreeft, begeert of gelooft.
  4. Ten laatste: Elke mens die in zich de verbinding met het innerlijk licht heeft gevonden, heeft daarmede voor zich de mogelijkheid geschapen in de eigen psyche een maximum aan bewustzijn te bereiken. Dit impliceert een grote beheersing ten aanzien van het lichaam en verder de mogelijkheid vanuit dit lichaam, werkingen uit te oefenen op anderen die hijzelf en bewust kan bepalen. Anders gezegd: Er is niet alleen maar een charisma, er is wel degelijk een bewust uitstralen van krachten, waarbij de werking door het “ik” volledig en bewust wordt bepaald.

De menselijke psyche is dus van groot belang voor het menselijk gedrag. Maar juist de innerlijke en verborgen factoren van de menselijke psyche zijn belangrijk, omdat zij het menselijk gedrag vrijmaken van dwingende factoren, van zelfmisleidingen en hem brengen tot een juist weergeven van datgene wat de mens in zich voelt te zijn en te moeten zijn, in zijn wereld zowel als daarbuiten. Hiermee beëindig ik mijn inleidend betoog. Heeft u vragen?

  • Welk zou het gevolg zijn van die psyche voor het maatschappelijk bestel? Zou het geen verandering geven in de structuren?

Wanneer één mens dat bereikt, dan kunnen wij niet zonder meer zeggen dat zonder meer een verandering in de structuur daardoor ontstaat. Wel kunnen wij zeggen dat deze mens een wijziging in de structuur en zijn omgeving tot stand brengt die, wanneer zij waarden van licht omvat, rond zich reikt en uiteindelijk een zekere uitbreiding verwerft. Wanneer vele mensen in zich dat licht zouden vinden, dan moeten wij wel stellen dat zij daardoor een veel groter vermogen krijgen om anderen te bereiken en te benaderen. Hun invloed wordt dus groter ten aanzien van anderen. Terwijl zij gelijktijdig in zich weten wat juist reageren is. Niet meer door hun angsten en begeerten alleen worden gedirigeerd en zo dus bewust de juiste richting weten te pakken. Hier zou je dan aan toe moeten voegen: Indien een redelijk aantal van dergelijke mensen bestaan, dan zullen zij niet een onmiddellijke verandering in de sociale structuren tot stand kunnen brengen. Maar zij zullen een wijziging doen beginnen die zich als een gistingsproces voortzet, waarbij velen zich dus niet bewust zijn van hun reden om te ageren, maar waarbij in wezen het charisma van de originators medebepalend is voor de wijze waarop zij de wereld zien en zo een gerichtheid in die wereld tijdelijk bereiken.

  • U sprak ook van angst en hebt een onderscheid gemaakt tussen lichamelijke angst en voorstellingsangst. Kunt u dat beter omschrijven?

Zuiver lichamelijke angst is een conditionering van het lichaam, waarbij dus voorstellingsvermogen of bewustzijn geen verdere rol hoeft te spelen, omdat het optreden van een bepaalde prikkel automatisch de angstreactie ten gevolge heeft. Het is dus een soort conditionering die door een bepaalde schok prenataal in het gewone leven tot stand kan worden gebracht en dus blijft voortduren. U reageert automatisch. Vb. Bij deze angst kunt u te maken hebben met een soldaat die vaak beschoten is. Knal, is voor hem de dood die dichtbij komt. Zo iemand loopt op een kermis; hij weet waar zij vandaan komen. Toch, telkens wanneer hij ze niet kan zien in een oorzaak, schokt hij in elkaar, want dat is zijn lichaamsreactie. Ziet hij het, dan is de reactie aanwezig, maar wordt zij door het bewustzijn onmiddellijk door een tegencommando deels opgeheven. Dan hebben wij daarnaast de innerlijk voorstellingsangst. Wij kunnen ons dingen voorstellen die niet eens bestaan en wij kunnen daarvoor bang zijn. Wij kunnen dan menen dat dingen die wij wel zien, daar de boden of tekenen daarvan zijn. Iemand die bang is omdat een zwarte kat over zijn pad loopt, die is helemaal niet bang voor een zwarte kat, maar voor het ongeluk dat hij meent dat op hem wacht en dat is het gezelschap van een zwarte kat. Dus zou de zwarte kat, als symbool van een andere aanwezige macht, hem kunnen benadelen. Wanneer de mens gevoelig is, dan stelt hij zich open voor negatieve invloeden in de omgeving en dan ontstaan nieuwe angstbeelden. Zij hebben dus niets met de werkelijkheid te maken. Het is geen lichamelijke reactie, het is een voorstelling die soms op aanvoelen, soms op constateren, soms zelfs op een soort bewustzijnstraining is gebaseerd en waardoor hij dus komt tot volkomen irreële vaststellingen, welke echter met hevige angstgevoelens gepaard kunnen gaan.

  • Deze voorstellingsangst is dus ook mogelijk in de geest?

Deze is mogelijk in de geest en bestaat voor eenieder die dus niet de waarheid omtrent zichzelf kan aanvaarden. Dat is in de geest het meest belangrijke. Het is niet belangrijk of je een zondaar bent, het is belangrijk of je erkent dat je een zondaar bent. Het is niet belangrijk wat je gedaan hebt, het is belangrijk dat je aanvaardt dat het gedaan is en dat je de consequenties daarvan moet aanvaarden. Op het ogenblik dat je probeert het beeld van jezelf te vervalsen, dan ontstaat angst. Omdat de tegenstelling tussen de erkenning en de angst voor die erkenning, het dus niet willen aanvaarden van het “ik” in de werkelijke vorm, een soort angstpsychose veroorzaakt die bestaat uit een voortdurend vluchten voor elke mogelijkheid van contact, omdat men daarin gelijktijdig vreest in zijn ware gedaante door anderen erkend te worden. Dat is het grootste angstproces dat in de geest bestaat.

  • Kunt u iets meer zeggen over de structuur van het onderbewuste?

Wel, wij hebben in de eerste plaats te maken natuurlijk met de wijze waarop men de herinneringen opneemt. Herinneringen die gedupliceerd worden, worden sterker. Herinneringen die emotioneel geladen zijn, zijn eveneens sterk. Vele waarnemingen die niet bewust gerealiseerd worden, worden echter wel opgenomen. Zij behoren tot het onderbewustzijn en kunnen, wanneer gelijksoortige factoren optreden, plotseling toch weer als herinnering zich manifesteren. In het onderbewustzijn is er verder een ontvankelijkheid voor het denken van anderen. Naarmate de massaliteit van het denken groter wordt, zal de invloed die men ervan ondergaat eveneens groter worden. Daarbij geldt verder: datgene dat in jezelf op een ogenblik bestaat, en gelijktijdig in een ander, betekent een zéér sterke overdracht van denkbeelden en zelfs ook van bepaalde gevoelens.

Dan moeten wij verder zeggen over deze  buitenlichamelijke structuur: het gehele lichaam wordt doortrokken door wat men zou kunnen noemen, een reeks van trillingen. Een mens heeft bv. in zijn uitstralingen een laag die vorm geeft, dat is de directe lichaamsuitstraling. Daarnaast is een uitstraling die behoort bij het zenuwstelsel, zij geeft de reactie aan van zenuwstromen. Daarbuiten is weer een laag die men zou kunnen vertalen als het geven van denkprocessen en daarbuiten is dan nog weer een andere laag die wij dan maar “geestelijk” zullen noemen. Elk van deze lagen is receptief. D.w.z. dit deel van je eigen uitstraling reageert op alle vergelijkbare waarden buiten je en dat betekent weer dat zij worden toegevoerd aan je bewustzijn. In het geheel van de indrukken die in het stoffelijk bewustzijn aanwezig zijn, wordt dan gezocht naar een vergelijkbaarheid en ontstaat dus een beeld. Er komen mensen in een huis waar een ongezonde sfeer hangt, het huis is helemaal droog, maar wat zij als associatie vinden is bv. een slak of een pad die zij zich voorstellen als vochtig, dus zeggen zij: Wat is dat een vochtig huis.

Op deze wijze speelt zich dat dus ook af. Dan moeten wij verder rekening houden dat in het onderbewustzijn, een deel van de inbreng direct uit de geest komt. Het is een deel van het denken, van het besef dat je niet benaderen kunt. Je kunt het hoogstens psychologisch begrenzen. In dit gebied speelt zich af wat men noemt, de inwerking van de geest. Zodra die geest een vergelijkbaarheid bezit, ten aanzien van een deel van het proces, in het gehele bewustzijn – waakbewustzijn, onderbewustzijn, alles bij elkaar – dan kunnen wij dus zeggen dat hier de geest beelden wekt waarop dan ook gereageerd kan worden.

Naarmate de bewustzijnsdrempel voor indrukken van buiten hoger wordt, dus minder van die indrukken worden waargenomen en tot het “ik” doordringen, zal men gelijktijdig zien dat de grens die tussen een direct bewustzijn en onderbewustzijn bestaat, vervalt. Daarbij blijkt dat de sterkste indrukken, vaak die wij ook waakbewust kunnen hanteren, de beelden vormen, waarvan echter de samenhang en oorzaak door het onderbewustzijn bepaald en waarin dit onderbewustzijn daarnaast symbolen in kan voegen en gevoelsassociaties bij de beelden kan bepalen. Opvallend is dat veel mensen, die in een droom komen waar het hele bewustzijn een rol speelt, symbolen hanteren om daarmee in hun bewustzijn verdrongen factoren toch een duidelijk rol te laten spelen.

Dan kunnen wij ten laatste zeggen dat, wanneer wij het onderbewustzijn als zodanig ontleed hebbende de geest, althans een deel van het geestelijk bewustzijn, zich daarvan los kan maken. Hierdoor zijn waarnemingen dus buiten eigen lichaam en eventueel buiten eigen wereld mogelijk. Wanneer dit besef wordt teruggebracht, wordt het in het onderbewustzijn verankerd en zullen ook hier de associatieve elementen over het algemeen domineren. Dit wil zeggen: Het beeld dat men dan meebrengt is opgebouwd op de gedachten die men in zich reeds kende, bewust of onbewust, terwijl de feitelijk droominhoud niet volledig duidelijk zal worden weergegeven.