Achtergronden christelijke inwijding

16 oktober 1955

Wij zullen ook vandaag weer trachten wat achtergrondwaarden te vinden in de ware christelijke inwijdingsleer. Ik hoop u zo dadelijk een spreker te introduceren, die in staat zal zijn u daarover meer te zeggen.  Allereerst zou ik u willen verzoeken om met mij een paar kleine uiteenzettingen eigenlijk tweespraken een ogenblik te beschouwen.

Deze dialogen zijn uitgesproken gedeeltelijk in Jezus tijd, een daarvan echter ongeveer een 20 jaar nadat Jezus gekruisigd werd. Zij behandelen het eeuwige leven, zoals dit door de eerste christenen werd ervaren; zoals dit bestond in de kern van Jezus leerlingen.

“Gij zegt: Ons is het eeuwige leven. Maar wat is het eeuwige leven?”

Op deze vraag van een der leerlingen vinden wij het volgende, vaak verbluffende antwoord.

“Leven is bewustzijn is weten om jezelf en om de wereld. Wanneer een mens doordringt tot de Vader, dan deelt hij met hem een bewustzijn, dat uitgaat over alle grenzen van de tijd. Zoals de Meester – waarmede dan Jezus wordt bedoeld – zegt dat hij was vóór Abraham. Zo zijn wij allen reeds vóór Abraham geweest is. Wanneer hij zegt, dat hij terug zal keren aan het einde der tijden, zo zullen wij allen terug keren aan het einde der tijden. Maar niet een ieder zal weten, dat hij leeft. En ziet, zij die het bewustzijn verworven hebben en al deze fasen van hun bestaan bewust doormaken, zij hebben het eeuwige leven.”

Vraag: “Maar waar vinden wij dan het Koninkrijk der Hemelen? Waar leven wij dan eeuwig? Want hier op de aarde zal ons bestaan beëindigd worden. Waar zullen wij voortbestaan en hoe?”

En dit antwoord wil ik gaarne in uw bijzondere aandacht aanbevelen, omdat het een visie naar voren brengt, dat voor ons wel zeer belangrijk is.

“Wanneer wij van deze aarde verdwijnen, zo is dit voor het oog der mensen. Maar ons wezen bestaat voort, en heeft deel aan deze wereld, zoals onze meester altijd met ons zal; zijn, en voor hen, die hem begrijpen kunnen, altijd zich zal openbaren. Niet wij verdwijnen van de wereld, maar de wereld zal ons wezen niet verder omvatten en begrijpen. Want weet, dat het bestaan voortgaat in alle wereld en in alle tijd. Er is geen ogenblik, dat wij ergens in de schepping niet bestaan. Want zo is de wil van de Vader, die ons geschapen heeft. Dat wij zullen leven, deel van Zijn Wezen, zijnde Zijn beeld en Zijn gelijkenis.”

Hierin wordt aan de mens alomtegenwoordigheid toegeschreven, dat is een zeer belangrijk punt. Er is geen tijd, er is geen plaats in de ruimte, waar wij niet bestaan. Wij zijn overal. Alleen: wij weten het niet. En ook de wereld kan omtrent ons bestaan in verwarring geraken en menen, dat wij zijn heengegaan.

In verband hiermede, wil ik u een latere dialoog aanhalen, uitgesproken enige tijd zoals ik reeds naar voren bracht nadat Jezus was heengegaan.

Het Woord van de Meester is: “Waar twee Uwer in mijn naam vergaderd zijn, daar zal ik in hun midden zijn.” Hoe komt het dan, dat wij hem niet kennen, dat hij zich niet aan ons openbaart?”

Antwoord: Omdat wij blind en verblind zijn. Omdat wij niet in staat zijn zijn Wezen en Hoogheid te begrijpen. Maar zijn woord is waarheid, en zo hij gesproken heeft, is hij met ons, nu in dit ogenblik, waar wij binnen zijn naam tezamen zijn. Enkelen onzer weten, zoals zijn leerlingen Hem hebben gezien, en zagen, hoe Hij hen tegemoet schreed, zagen, waar Hij een stuk des weegs met hen is gegaan. Zij weten, dat Hij bestaat. Maar ook zij waren niet in staat om volledig te begrijpen, hoe Hij altijd en elke dag, elke schrede en elke ademtocht met hen deelde. En nog deelt. Want wanneer wij in Hem geloven, zoo gaat Hij met ons, omdat wij deel uit maken van Zijn wereld en Zijn bewustzijn, zoals Hij indringt in de onze. Daarom zeggen wij: “Wij dragen onze meester in het hart.” Wij zouden ook kunnen zeggen; “Hij verheft ons in Zijn wereld en gaat met ons tot het einde der dagen.”

Ik weet niet, of de betekenis hiervan u duidelijk is. Toch is het nodig, dat u deze dingen begrijpt, wilt u in staat zijn de volgende spreker te volgen. Daarom zal ik trachten u dit nog even duidelijker uiteen te zetten.

Het gaat niet om wat wij menen te zien, om wat wij denken te beleven. Het gaat om de werkelijkheid, en die werkelijkheid ligt ver achter al, wat wij ons kunnen voorstellen. Zo ver, dat wij blind blijven voor de belangrijkste aspecten van ons leven.

Wij geloven aan geesten, aan engelen, aan duivelen; wij geloven in Jezus en de andere grote meesters. Maar in dit geloof menen wij, dat zij ver van ons staan. En toch is dit niet waar. Wanneer wij onze geest verheffen tot Hem, zo zijn zij met ons in dezelfde wereld. Altijd spreken zij met ons en gaan zij onze wegen met ons.

Wanneer wij dit kunnen leren beseffen, zijn zij voor ons een werkelijkheid geworden en zullen wij nooit zonder leiding, nooit eenzaam en verlaten door het leven behoeven te gaan. Maar wij moeten eerste beseffen, dat zij met ons zijn. Want hun wezen, gereinigd en gelouterde geest. hoog en lichtend, onttrekt zich, aan het kenvermogen van het menselijk lichaam. Zij wordt al snel verwaarloosd tot een enkele glimp van het Goddelijk licht door een geest, die zich voortdurend tot de stof wendt.

Zo is het noodzakelijk, willen wij ons realiseren, dat de lichtende krachten dezer met ons zijn, dat wij onze aandacht op deze krachten richten en trachten hun bestaan voor onszelf zo reëel mogelijk te maken. Dan zullen wij ontdekken, dat zij werkelijk bestaan, dat zij met ons gaan, dat zij tot ons spreken, en antwoord geven op onze vragen. Ziehier de essentie van hetgeen wij deze morgen zullen behandelen.

Het verheugt mij, dat ik in staat ben, om u iemand te sturen (te sturen is misschien erg brutaal uitgedrukt; iemand tot u sturen), die tot u wil spreken; iemand, die juist de periode van visioenen en uiteindelijke realisatie van één zijn in alle wereld met Jezus en alle grote krachten heeft doorgemaakt. Hij heeft geleefd, verschillende honderden jaren, nadat Jezus was heengegaan. Hij was kluizenaar en monnik. Om te spreken zal hij dan ook zo veel mogelijk gebruik moeten maken van het medium, de vocabulaire van het medium en misschien zelfs de gedeeltelijke uitdrukkingswijze, stem en uiterlijk van het medium. Ik kan niet weten, in hoeverre hij tot beheersing kan komen.

Ik zou U ongetwijfeld vele dergelijke voorbeelden tot het medium kunnen voeren en tot u laten spreken. Want vele mannen en vrouwen van ouden en nieuwe tijden hebben deze toestand ervaren. Dat wij deze vriend in het bij zonder tot u voeren is te danken aan het feit, dat zijn beleven de aandacht bij zonder waard is, waar het ligt in een sfeer van boven natuurlijkheid. Ik mag u verzoeken om deze vriend in een zo harmonisch mogelijk samenzijn te ontvangen. Ik voor mij, ik neem afscheid van u en men verstandig te doen mij van verdere commentaren te onthouden, waar ik u de nodige uiteenzettingen thans gegeven heb.

o-o-o-o-o

Er zijn waarden in de oneindigheid, die wij niet zonder meer kunnen omvamen in het dagelijks leven. Vluchtenden uit het rumoer der samenleving heb ik gezocht naar deze bovennatuurlijke wereld in de eenzaamheid. En vele mijner jaren zijn droog en dor, vruchteloos voorbijgegaan. Toch is het mij gegeven, voor de dood mij bevrijdde van stoffelijke gebondenheid, om volledig te ervaren, wat een samengaan met alle wereld betekent. Op verzoek van uw vrienden, zal ik trachten u te beschrijven, hoe dit beleven tot mij kwam.

Ik mediteerde over het leven en lijden van Jezus. Plots was het mij, of de woestijn verdween en ik voor mij iemand zag, gezeten, gekleed in een wit bruin gekleed gewaad, gestreept gewaad. Een tenger, schoon mens. In mijn verwondering zei ik tot hem; “Hoe zijt gij hier gekomen.” En het antwoord klinkt mij nog deze dag in de oren; “ Ik ben altijd met u geweest.”

Toen begreep ik, dat hier sprake was van een visioen, van een openbaring. En zo zegde ik, angstig geworden:

”Heer, zo gij met mij zijt, hoe komt het dan, dat gij eerst thans u aan mij openbaart?”

Hij antwoordde mij:”In uw zoeken naar heiligheid en verdienste hebt gij heel de wereld vergeten, behalve uzelf. Zolang uw ogen op uzelf gericht bleven, was het u onmogelijk om mij te zien. Nu echter hebt gij ook uzelf vergeten, uw ogen zijn geopend en ge kunt schouwen in deze wereld, die de ware wereld is; de wereld des Vaders, die leeft in alle mens, in alle leven.”

De figuur vervaagde voor mij en ik kwam bij uit een toestand van verrukking, in de eenzaamheid en armoede van de woestijn. Ik wist toen nog niet, waardoor ik dit visioen verloren had. Ik heb lang moeten zoeken, wederom enkele jaren, voordat het beeld zich herhaalde.

Toen hij terugkeerde tot mij en ik hem zag, staande naast mij, toen ik schouwde naar de zon, de zon, die onderging, heb ik hem gezegd; “Waarom hebt gij mij verlaten”?

Hij heeft mij geantwoord :”Gij hebt mij verlaten, niet ik u.” Deze aanklacht scheen mij een onrecht. Een onrecht, omdat ik hem gezocht had met heel mijn wezen en heel mijn bestaan.

Toen zegde ik tot hem: “Maar ik heb u gezocht, Heer.” Maar hij zegde; “Neen, gij hebt mij gezocht om uzelf te verheffen. Zo hebt gij in mij uzelf gezocht. Vergeet toch, dat gij een mens zijt, die naar heiligheid streeft. Want heiligheid is een roem der mensen. Ze is geen werkelijkheid in het huis mijns Vaders. Want ziet, mijn Vader kent geen heiligen, maar slechts Zijn kinderen. En zoals ik Zijn kind ben, zo zijt gij evenzeer Zijn kind. En daarom mijn broeder. In dien gij kunt, ga met mij en ik zal u de wereld tonen.”

Ik ben met hem geschreden en ik heb niet begrepen, dat mijn lichaam achterbleef. We zijn gegaan door vele landen, door steden en dorpen, langs zalen, waarin orgieën werden gevoerd en tempels, waarin werd gebeden tot afgoden. En altijd waren er, die tot ons gesproken hebben. En altijd waren er vele, die blind waren voor onze doorgang.

Toen heb ik begrepen, dat het geen leer is, die ons brengen kan tot Jezus, of tot God, onze Vader. Dat het alleen maar een toestand is van je innerlijk bestaan, je innerlijk wezen.

Vanaf dat ogenblik ben ik nooit eenzaam geweest. Ik vond mijzelf terug in de woestijn en ik wist, dat anderen de gestalten rond mij niet konden zien. Gestalten, die op mensen geleken, die op vlammen geleken; gestalten, die ik herkende als grote wijsgeren en Meesters en gestalten van wezens, die waren als ik, pas ontwakend, pas bewust van een nieuwe wereld. Zo ben ik teruggegaan naar de steden. Ik heb een handwerk uitgeoefend. En men heeft gezegd, dat ik mijn God had verloochend, omdat de kerken mij niets zeiden en menige priester mijn een dwaas leek. Zij wisten dan ook niet, dat de stemmen van hen, die met mij gingen, meer betekenden en waardevoller waren. Zij wisten niet, dat er een waarheid bestaat, groter dan alle menselijke waarheid. Want in hun leer zochten zij zichzelf. En hun prediking was een zelfverheerlijking. Hun God was slechts een voetstuk, waarop zij hun eigen bewustzijn trachten te plaatsen.

Ik heb veel gezien en veel beleefd, voordat ik de stof volledig achter mij kon laten. Zo volledig, dat ik nooit meer daarin ben teruggekeerd. Ik heb gezien, hoe ook het lichaam en de lusten van het lichaam hun gezellen hebben. Ik heb gezien, hoe ook deze soms schoon, soms afzichtelijk kunnen zijn. De wereld was zo groot, maar zij bleef voor mij gelijk. Want geen nieuwe gezichten waren er in die wereld. Slechts ontwaakte soms een, die nog niet mee had gesproken, bewust, in onze discussies, plotseling op en sprak mee met ons in enkele woorden. En soms zag ik in deze wereld ook weer degenen, die verrukt luisterden naar hogere werelden.

Zo heb ik begrepen, dat het eeuwig leven is de waarde, die werkelijk telt; een bewustzijn, dat ons verenigt met al, wat wij groot en heilig achten. Een bewustzijn, dat ons inzicht geeft in de werkelijke waarde van leven, van leer en van denken.

Waar men mij verzocht heeft om dit mede te delen, wil ik daaraan een les toevoegen. Wanneer gij God wilt vinden, dient gij uzelf te vergeten.

Wanneer ge uw God gevonden hebt, verhef u daarop en ge zult Hem en alle wereld van glans en licht, die gij gevonden hebt, verliezen. Maar aanvaard ge God als een natuurlijk deel van uw leven en ge zult met Hem wandelen door alle tijden, door alle wereld. Omdat alle wereld en alle tijd in Hem leeft en bestaat en zo weerkaatst wordt in ons allen, die deel zijn van Zijn wezen en Zijn Schepping.

Het is een vreugde God te vinden. Zoals nu, dat ik met u spreek, zijn er rond mij hoge krachten, is rond mij licht en bewustzijn en vreugde. Terwijl mijn stem tot u spreekt, delen andere stemmen mee in mijn denken en ze zeggen mij; ”Dit lijkt hen nog een droom. Maar zij, die dromen, zullen ontwaken tot de werkelijkheid. Zij zullen vinden, dat de werkelijkheid schoner is dan de droom in hun ogen ooit heeft geleken.” Moge de vrede onzes Heren met u zijn. Moge uw ogen geopend worden, opdat gij met ons kunt zijn in Gods Rijk. Dat is de werkelijkheid, die reikt over alle tijd, alle wereld.

Die is de kracht in elk hart, die is de grondslag onder elke gedachte. Moge uw dag een gezegende zijn.

o-o-o-o-o

Voor vandaag wil ik met U gaan praten over wat meer algemene filosofie, die wij nu eenmaal in het Oosten kennen.

Er bestaat een gezegde, dat men nooit weet, wie leeft in de tijger. Dit is gebaseerd op het geloof in zielsverhuizing. En men gelooft dan ook vaak, dat in de tijger woont de grootvader of de vader misschien van degene, die de tijger ontmoet. Daarom heeft men voor de tijger grote eerbied.

Zegt men; “hij is de vorst van de jungle”. Hij leeft als mens eigenlijk. Het is een mens, die leeft en als tijger herboren is. Nu zouden wij van daaruit verder kunnen gaan natuurlijk en spreken over de reïncarnatieleer. Maar de Oosterse filosofie gaat anders verder. Zij zegt nl. ook, dat in de mens vaak de ziel van een dier wordt herboren. En dit dier kan dan zijn een slang, een kat, een hond, een tijger. En wanneer iemand een bijzonder grote doerak is, een bijzonder groot onaangenaam persoon, dan kan men ook wel zeggen, niet waar, dat hij vroeger geleefd als hond.

Daarin zit eigenlijk iets van waarheid. Zo hebben verschillende grote denkers ontwikkeld een stelling, waarin zij vertellen, dat in elke mens een bepaald dier tot uiting komt. Ik wil proberen om u dit eens weer te geven op een manier, die niet speciaal de mijne is.

Toen de mensheid ontwikkeld werd en gegroeid is, waren er altijd vele andere grote invloeden op de wereld, zoals wij ook in de oude legenden terugvinden. Wanneer wij bv. denken aan het apenvolk met koning Hanuman, die een grote berg bouwde, zo groot, dat zij van daaruit eigenlijk tenminste het apenvolk de goden lastig maakten, dan valt mij in de eerste plaats de gelijkenis op met uw eigen toren van Babylon. Ook daar een opstijgen tot boven de wolken, en a.h.w. het God lastig maken.

Eigenaardig genoeg ziet het Oosten dan niet als een verschijnsel dat door mensen wordt veroorzaakt. Zij zien dit veel eerder als een – ik mag zeggen – uiting van dieren. Wanneer wij verder gaan kijken, dan vinden wij ook het dier in menige sage en legende terug. Het komt altijd weer op de voorgrond als iets, dat in al de tijden menselijke of mens gelijke handelingen heeft volbracht.

Nu gelooft men in sommige kringen, dat de ontwikkeling van het mensdom geleid heeft tot het opnemen van de geaardheid der verschillende dieren, die zich naast de mens ontwikkeld hebben uit dezelfde bron. Zo leven óók vandaag de dag nog vele apen. Apen, die tegenwoordig mens geworden zijn, maar die hun aapachtige gewoonten nog steeds niet hebben kunnen afleren. Het is misschien erg gevaarlijk, dat ik dit zeg, want wanneer de inboorlingen zitten voor hun hut en de haren in orde maken en nakijken, dan is men wel eens geneigd om een vergelijking te maken met de bezigheid, die de apen in de verschillende dierentuinen van Europa graag uitoefenen. Toch zijn het niet vooral deze eigenschappen, waar ik op wil wijzen, het gaat niet om de uiterlijke gelijkenis. Het gaat hier om een innerlijke kwestie. Wanneer de mens n.l, stoffelijk voortgeplant, bepaalde eigenschappen in het ras weet te behouden van bv. de aap of de tijger of misschien van de slang, dan wordt het ons veel duidelijker, waarom er zoveel verschillende soorten van karakters zijn.

Er zijn dan ook wetenschapsmensen uit de oude tijd en ook denkers van heden, die deze betekenis zeer hoog aanslaat. Zo zeggen: Kijk, deze mens is verwant met de slang. Wanneer zij verwant zijn met de slang, dan moet ik dus, wanneer ik hen bestrijden wil, wanneer ik hen op een of andere manier betoveren wil, gebruik maken van krachten, die de slang bestrijden en speciaal die goden en geesten aanroepen, die dus tegen het kruipende leger zijn.

Aan de andere kant, wanneer ik een tijger heb dan zal ik proberen om de geest van de olifant aan te roepen of de geest van een ander wezen, waarvoor men bang is. Heb ik met de tijger te maken, dan kan ik bv. wanneer ik in Indië woon dit tegenover stellen de buffel. De buffel, die, wanneer hij schudt om te bestrijden (de karbouw eigenlijk in staat is om met zijn grote horens, de ander zo te bedreigen, dat deze in de jungle terugwijkt.

Het stellen van de tegenstelling tussen het menselijk karakter en de krachten, die men oproept, magisch, om hem te bestrijden, die geeft ons een inzicht in het karakter van de magie, zoals bv. in het tegenwoordig Indonesië, zowel als in Achter Indië en een groot gedeelte van Azië wordt uitgeoefend.

Er zijn bepaalde geestelijke krachten noemt u ze demonen of dewa’s die in hun geaardheid de vijanden zijn geworden van bepaalde krachten op aarde. Wanneer ik iemand wil gaan bestrijden, dan moet ik hem dus in contact brengen met een dewa of demon, die in staat is juist deze karaktereigenschappen te haten en daardoor een stoffelijke vernietiging tot stand te brengen.

Wil ik echter iemand helpen en bevorderen, dan moet ik iemand in contact brengen met een geest, die laat ons zeggen ongeveer gelijk is aan zijn eigene. Wanneer dus een erfgenaam van een aap op aarde leeft, dan zal ik hem in contact moeten brengen met Hanuman en zijn groten. Want deze vorst der apen zal ongetwijfeld een kind van zijn eigen volk erkennen in deze mens, die zo aapachtig is; die zo gaarne nabootst, zo nieuwsgierig is en die zo gaarne gebruik maakt van hetgeen een ander heeft geplant. Daardoor kunnen wij dan zien, dat deze mens beter wordt, sterker wordt en bepaalde voornemens tot uitdrukking brengen kan brengen, ook in de daad, die tot op dit moment hem vreemd zijn gebleven.

Wanneer wij nu echter dit gaan overbrengen in uw eigen wereld, dan geloof ik, dat ook menigeen onder u spreekt in een gelijkenis met dieren. Iemand is zo moedig als een leeuw, zo loom als een os, zo dom als een koe, zo listig als een slang, zo bang als een haas. U gaat dus ook bepaalde eigenschappen verenigen met dieren. En wanneer wij een magisch principe tot uiting willen brengen, wij willen iemand helpen, dan moet u altijd onthouden, dat degene, die de haas wil helpen, nooit moet beginnen met de hond te roepen. Dan moet men de hond integendeel binden en laat voor de haas dan rustig de hazen en konijnen los. Hen kan ook de vos niet halen, wanneer men een kip nee, dat is in Europa niet een goede vergelijking, kip nou ja, maar wanneer men dus een hoen heeft, dan moet men de vos niet roepen, om dat te bewaken en te beschermen.

Wanneer men een bepaald mens wil helpen, die ziek is, een bepaald mens wil beschermen, die zorgen heeft, iemand troost wil geven, iemand helpen om bepaalde geestelijke prestaties te volbrengen, iemand wil helpen om voordelen te behalen dus in de stoffelijke wereld, dan zal men zich wel degelijk eerst moeten instellen op het karakter van deze mens. Men zal moeten trachten om gelijksoortige krachten uit de geest aan te roepen en deze tot hem te geleiden.

Vanuit dit principe der tovenarij echter komen wij tot een waarde, die de broeders der Orde noemen: de harmonie van gelijk klinkende waarden, Harmonie omdat er sprake is van een samenklank. Alles wat op aarde gebeurt, klinkt mee in de sferen. En al, wat in de sferen gebeurt, kan bij gelijksoortig gestemde mensen op aarde een zekere weerklank wekken.

Wanneer wij op het ogenblik hier samen zijn en wij spreken over deze dingen, dan zijn wij op het ogenblik niet alleen in contact met de sferen maar ook met een aantal gelijk denkende mensen, die op uw eigen wereld elders aanwezig zijn, die op het ogenblik slapen misschien of reeds bezig zijn om zich voor te bereiden voor de nacht. Mensen, die misschien net ontwaken, mensen, die allen dezelfde gedachten hebben en die op dezelfde wijze zoeken naar een middel, om met hun gedachten, met de krachten der magie, met de krachten van het bewustzijn hun medemensen te helpen en tot groter bewustzijn, tot groter inzicht te brengen.

Deze weerklank kunnen wij natuurlijk gebruiken. Want op dit moment zijn wij gezamenlijk in éénklank daarmee. Wij zijn in harmonie. Maar wij kunnen ook evenzeer onszelf in harmonie brengen met bepaalde waarden. Doch dan is nodig, dat wij eerst weten, wat voor soort mens wij zijn.

Nu bezit u in uw wereld niet meer de wijze man, die u het kind kunt brengen of waar u zelf heen kunt gaan en zeggen; Heer, vertel mij, wat ben ik voor iemand? Ben ik familie van de slang of van de leeuw, van de karbouw, van de hond? Nu is het betrekkelijke gemakkelijk misschien om te zeggen, wie familie van de hond is. Tenminste ik heb ontdekt, dat zeer veel mensen veelal in Engelse landen graag familierelaties tussen mensen, die ze niet graag zien en een hond vaststellen. Het is mijzelf ook wel overkomen in de tijd, dat ik bediend heb aan een Engelsman, die in Indië was. Het was heel leuk. Deze man noemde mij altijd: son of a bitch. Ik voelde mij daardoor eerst zeer gekrenkt. Maar op de duur heb ik begrepen, dat dit niet zo dwaas was. Want deze man had meer zorg voor zijn honden evenals zijn vrouw dan voor de mensen, die rond hem waren. Zo ik dus voor hem een zoon van een hond was, was hij verplicht mij beter te behandelen en te verzorgen dan een mens. Helaas heeft hij dit zelf niet altijd goed begrepen. U komt dus zelf tot een vergelijking. Wanneer wij iemand met een kamponghond vergelijken, dan willen wij ook zeggen, dat het een rover is, een onaangenaam mens, een bedelaar, enz. Zo zegt u ook: iemand is een hond of een kat. U zegt: iemand is edel. Wanneer u zegt: Iemand is edel, dan moet u dat niet alleen in verband brengen met uw eigen wereld, met de mensen, maar dan moet u proberen om ook te vinden daarbij een contact met al hetgeen, dat rond u leeft.

In Holland leven natuurlijk zeer veel koeien en u heeft waarschijnlijk schapen en bokken en geiten. U heeft daar…. wat zult u nog meer hebben.. ja kippen heeft u natuurlijk.. (varkens) Varkens, ja ik geloof niet, dat het varken een wezen is, dat voor vergelijking volgens westerse begrippen zeer geschikt is. Een paard, ja een paard. Wanneer u dus nu iemand heeft, waarbij u bepaalde eigenschappen ontdekt en u tot uzelf gaat zeggen: He, in deze mens erken ik iets, dat in een plant of in een dier voorkomt, dan moet u niet ineens proberen om die mens geestelijk te helpen vanuit uzelf, maar u moet a.h.w. al die planten en al die dieren, waarmee u een gelijkenis in streven en denken ontdekt heeft, ook daar op afsturen.

Nu moet u zo denken: wanneer iemand gulzig is en u wilt hem van gulzigheid genezen en u vindt; deze man lijkt een klein beetje op zwijn, dat u niet het zwijn daarop aandrijft, dat u niet zegt: nog een zwijn, niet waar, erbij. Dan wordt het een hele zwijnenstal. Maar dan moet U gaan zeggen: welk wezen is beheerst? En dan neemt u bv. een kat. Een kat, die beleefd is, die haar manieren heeft, die wel graag eet en gezond eet, maar aan de andere kant toch zeer voorzichtig is met hetgeen zij verteert. Zelfs wanneer ze iets steelt, zal ze het niet altijd helemaal opeten alleen wanneer zij bang is gestraft te worden. En dat is bij mensen net zo. Wanneer iemand ontzettend veel uitgeeft en u wilt die mens brengen tot spaarzaamheid, dan behoeft u niet alleen te beginnen met geestelijke krachten te werken op spaarzaamheid, maar denkt u verder aan dieren, die hamsteren. Wat heeft u bv., de hamster natuurlijk zelf, de eekhoorn, de bijen en de mieren. Alle dieren dus, die voorraad opslaan. Daardoor brengt u een geestelijk contact waarin deze tendens, die u begeert, nu zonder sterk vertegenwoordigd is. Ook al is zij instinctief en onbewust mede in contact met die mens en daardoor ondergaat hij die indruk.

Wanneer een mens met dieren in contact komt, dan zal de invloed van het dier ook in de mens doorwerken. Soms gunstig, soms ongunstig. Dat ligt aan de mens. Maar de eigenschappen, die het dier krachtens zijn groepsgeest heeft, krachtens zijn beschermgeest, die werken ook in op elke mens die met die beschermgeest in contact wordt gebracht. Deze beschermgeest staat vaak hoger dan de doorsneemens, die pas is overgegaan.

Wij hebben dus een grote kracht in het werk kunnen stellen, om die mens in een goede richting te leiden. Wanneer dat gebeurd is, dan zal – zeker omdat zo’n beschermgeest stoffelijk werkt en niet op de geest – de geest van de mens zelve zich aan kunnen passen aan deze stoffelijke beïnvloeding, daardoor een nieuw inzicht krijgen en rustig zijn eigen gang gaat. Hij wordt niet benadeeld. U haalt iemand niet naar beneden. U haalt iemand alleen naar beneden, wanneer u zijn lichamelijke strevingen en lusten versterkt, niet waar, in de zin, waarin de geest reeds misbruik maakt van haar stoffelijk bestaan. Maar als u dat bestrijdt, zal die geest een lichamelijke verbetering ondergaan en gelijktijdig ook geestelijk daardoor vrijer worden en een groter bewustzijn kunnen verwerven.

Op deze gedachtegang is een groot gedeelte van de magie gebaseerd. Men heeft ons vaak uitgelachen vroeger, omdat wij bepaalde bloemen een voorkeur geven. Omdat wij bepaalde planten en bomen heilig achten. Wanneer er iets bijzonders was, vaak van deze planten, deze bomen, deze bloemen gebruik maakten, deze kruiden mede gebruiken, om hierdoor een magische werking tot stand te brengen. Dan zeggen ze hier: er zit geen werkzaam bestanddeel. Misschien waar, dat daarin geen chemische werkzame bestanddelen zijn. Maar dat was ook niet de bedoeling van de magiër. Hij wilde een contact brengen met bepaalde krachten, die eigen zijn aan het ras, aan het soort plant, bloem, boom, kruid, dat werd mee ingegeven, bv. in de drank of werd opgelegd. Het ging hier om de geestelijke tendens en eigenschap en niet om de zuiver stoffelijke kwaliteiten.

Daarmee zult U begrijpen, welk grote gedachtegang hierachter zit. Een eenheid, waarbij de mens niet staat tegenover de wereld van planten, de mens bang moet zijn voor die geesten, die kwaad zijn. Wanneer een dessa bijzonder zwaar getroffen wordt, doordat regelmatig slangen in de omgeving zijn, doordat slangenbeet optreedt, dan zal de doekoen een bezwering uitspreken. En deze bezwering is een afweer voor de geest der slangen. Hij roept dan gelijktijdig geesten op van die dieren die de slang vijandig zijn. Daardoor schept hij een geestelijke invloed, die elke slang, die in die omgeving komt, huiverig maakt Daar is een sfeer van gevaar. Hij voelt nl. de geestelijke invloed van deze andere kwade kracht, die aangeroepen is, aan. Het is geen dwaasheid, Hier is een redelijke afweer geschapen, omdat het instinct, het stoffelijk aanvoelen van de dieren zegt: Hier zijn machten aan het werk, die voor mij de plek onveilig maken.

Een slang, die in een dergelijk gebied blijft, zal onvoorzichtig en fel aanvallen en te snel en daardoor het slachtoffer worden van de mensen. De mens zal zo gemakkelijker kunnen overwinnen. Ze zijn verstoord. Degene, die er nog buiten blijven, die zullen nooit die grens overschrijden, want hier is het onveilig, hier is het niet zeker. Op deze manier heeft men in onze gebieden altijd getracht die eenheid zo te gebruiken, dat de mens de meest juiste positie inneemt. En datzelfde dat is ook voor u misschien van meer belang, dan u zichzelf realiseert. Ik kan mij voorstellen, dat iemand in Europa slank wil worden. En dan klinkt het erg dwaas, wanneer ik zeg: Wend u tot de peppel, de populier. De populier, die een grote, slanke boom is. Want hierin zit een bepaalde groeitendens. Wanneer U zich vereenzelvigt daarmee, dan zal deze wijze van groei zeer zeker ook een kleine invloed doen gelden op uw gestalte, dan wordt u misschien ook zo rijzig en schoon, als u in de boom bewondert. Waarom niet?

Wanneer u verlangt naar het mooie, fleurige, zonnige, wat u in een zonnebloem ziet of in een papaver, waarom zoudt U niet de papaver of de zonnebloem als symbool in huis houden van hetgeen, dat u wilt, dat u verlangt. Waarom zoudt u ze niet in uw tuin zetten, wanneer u die heeft? Ik kan u vertellen, dat in Indië menigeen op zijn erf bepaalde plant en teelt, alleen, omdat hun eigenschappen hem begerenswaardig voorkomen. Zij zullen dat niet zeggen. Maar zo iemand, die zal een bepaalde struik, een bepaalde bloem telen, hij zal die bij zich dragen. Voortdurend bij zich dragen, wanneer hij kan, levend. Omdat hij verlangt naar de eigenschappen, die in deze plant, in deze bloem zijn en deze stoffelijk en geestelijk in zichzelf willen uitdrukken.

Alles wat leeft, is één. Er is geen directe scheiding te maken, behalve in bewustzijn, tussen mens, dier en plant. Er is alleen het bewustzijn. Maar de stoffelijke uiting, die is gelijk. En er zijn geestelijke krachten die de plant leiden, er zijn geestelijke krachten, die de bloem doen bloeien op een bepaalde wijze en zich doen wijzigen in haar bloei. Er zijn krachten, die het dier zijn eigenschappen verlenen en heerschappij kunnen geven zelfs aan de mens over het dier. Ik weet niet, of u wel eens gezien hebt de slangenbezweerder. Die komt langs een huis, waar ergens een slang verscholen ligt. Misschien in wat u het dak noemt. Daar gaat hij dan naar toe en dan zegt hij; Er is een gast in huis. Staat u mij toe…. dan neemt hij een schaaltje met melk, en hij lokt de slang, hij bezweert de slang; hij neemt ze naar zich toe. Hij neemt ze mee, hij verzorgt ze goed. Die heeft kracht over de slang. Maar alleen, omdat hij de geest van de slang verstaat. Er is een zekere inwijding voor nodig. Het is niet alleen maar een truc.

Deze eenheid van geest, die wordt dus gerealiseerd door het Oosten. Maar wanneer ook het Westen deze gaat realiseren dan zoudt u de rijpheid van uw eigen koren een invloed kunnen maken voor uw eigen land. U zoudt de gedachtegang van de mensen af kunnen stemmen op plant en dier. U zoudt daardoor uw planten thuis kunnen laten bloeien, zoals men in Holland graag doet, niet waar: een potje met een bloemetje en een potje met een plantje. Al deze dingen kunt u door uw eigen geest daarop af te stellen, mee laten bloeien want er is een grote geest, die die groei beheerst. Wanneer u met die geest in harmonie bent zal die geest juist doordat u bewust bent, in u nog weer door kunnen werken en zo extra invloed geven aan dat deel van zijn bestaan op aarde, en dit schoner en groter laten bloeien. Omgekeerd zal door de invloed van de plant ook u eigen karakter kunnen veranderen.

Er is een voortdurende wisselwerking in de stof tussen alle verschillende waarden. Maar die bestaat ook tussen de geestelijke krachten, die aan de vorming in de stof leiding geven..

Ik merk, dat ik niet veel prettige herinneringen van Indië van vroeger naar voren breng. Datgene, wat men in mij zo bijzonder apprecieert. Maar toch is dit wel belangrijk, wat ik u vertel. Het klinkt U misschien wat primitief in de oren. U begrijpt het niet goed. Zoals het voor een Europeaan zo moeilijk is om te begrijpen, wat de muziek van de gamelan betekent. Men kent deze melodieën in mineur en zo niet. Men begrijpt die melodie niet. En wanneer wij onze liedjes zingen, zelfs op Europese muziek, dan voelt men daarin alleen maar sentimentaliteit. Toch zit daar veel meer in. Je drukt je karakter daarin uit.

En zo is ons karakter afgestemd op de natuur. Zij zijn veel bijgeloviger zegt u. Maar ik zou willen zeggen: Wij zijn veel bewuster van de invloeden rond ons en houden daar veel meer rekening mee. Misschien te veel. Dat is heel vaak moeilijk. Maar wij weten in ieder geval, dat die invloeden er zijn.

Wanneer u in het Westen ook weet, dat die invloeden bestaan en u leert ze te gebruiken, dan kunt u daardoor uw eigen leven schoner en prettiger maken. Gelooft u mij; wanneer een heilige boom in een dorp staat, dan kan dat dorp daar veel zegen van ondervinden. Dan wordt zo’n boom een plaats waar je je zorgen uitspreekt; en waar eigenlijk het hele leven zich zo’n beetje afspeelt, onder het welziend oog a.h.w. van een geestelijke invloed, die goedig en goedertieren allen helpt, die deze kracht erkennen.

Geloof mij, dit is geen dwaasheid. Veel geluk wordt er geboren, wanneer een heilige boom ergens staat. Niet omdat die boom zo heilig is maar omdat de kracht, die er in woont, doordat alle mensen die erkennen, omdat de eigenschap, de lichamelijke, de stoffelijke eigenschappen van de boom met haar rust, met haar vruchtbaarheid, mede over het dorp uitstromen en daardoor een nieuw vermogen geven aan de mens, dat hij anders misschien zou verliezen.

Er zijn dorpen, die nooit vruchtbare velden kennen. Toch vertelt de legende, dat eens iemand is gekomen in zo’n onvruchtbaar dorp, die sprak tot een boom, een verdroogde boom, die daar stond. Regelmatig. Hij gaf haar water, hij sprak goed tegen haar en hij ging gewoon zijn wegen, hij bouwde zijn droog rijstveld. En langzaam, maar zeker kwam het water. Anders liepen de regens weg, nu bleven zij staan. Anders was er een droogte, nu kwam er een bron. En niemand begreep, hoe het was, behalve degene, die de dryade vereerde (want zo noemt U dergelijke geesten).

Deze boomgeest was een deel van de vruchtbaarheid der plantengroei. En doordat het verlangen naar vruchtbaarheid van deze mens werd overgedragen op deze geest, werd de gehele natuur beïnvloed en werd de omgeving van het dorp steeds vruchtbaarder. En dit is zo lang gegaan, tot een mens kwam, die deze boom omkapte. Een grote dwaas. Toen verdroogde de bron, toen kwam de grote droogte en de grote armoede. Velen zijn aan de ziekte bestorven in dat jaar.

Wanneer men zo’n legende vertelt, dan is een Europeaan vaak geneigd om te lachen; te zeggen: “dat was alleen maar natuurlijk; daar moest weer een droog jaar komen en die boom heeft daar niets mee te maken”. Wij weten beter.

Er is een evenwicht van krachten in de natuur. Wanneer men van die krachten gebruik weet te maken, wanneer de mens daarmee in harmonie is, dan zal de natuur zich ook vaak naar de mens voegen. Zij zal voor de mens veel meer betekenen. De mens, die in harmonie is met de natuur, krijgt uit de natuur krachten, die andere mensen onthouden zijn. Die vindt welvaart en gezondheid boven alle anderen. Die wordt veel leed bespaard. Vindt u het dan vreemd, dat ik deze middag wil gebruiken, om u een ogenblik te wijzen op deze eigenschappen? Deze kwaliteiten, die er liggen in de krachten der natuur. De vele bescherm en schutgeesten van plant en dier. Zij staan op een gelijk plan met u. Zij ontwikkelen lagere wezens.

Zeker. Maar om dat te kunnen doen, moeten zij geestelijk op zijn minst gelijk, doch meestal veel hoger staan dan u. Deze geesten kunnen u dus helpen. Zij kunnen u vooral geestelijke kracht geven. Maar zij kunnen door hun stoffelijke uitwerking op het dier, wanneer zij met u contact hebben, u stoffelijk vaak helpen in de richting, waarin ze ook dier en plant helpen.

Is een mens geen dwaas, om dergelijke geestelijke hulp te verwerpen? Toch doet de mens dat.

Wanneer wij daarmee bezig zijn, dan zeggen ze; “Ach, goena goena, tovenarij, dwaasheid, bijgeloof. Alleen dwaasheid en bijgeloof voor de mensen, voor die de wereld geen stem meer heeft. Voor wie de natuur niet leeft. Voor wie er geen geesten zijn in de rijst, geen geesten in het bos, voor wie in de tijger geen mensenziel kan leven. En die niet gelooft, dat zelfs de slang eens in een mens kan incarneren.

Maar al deze dingen zijn mogelijk en waar. Zij komen misschien zelden voor, doch ze zijn waar. En omdat ze waar zijn, is de mens een dwaas wanneer hij deze dingen verwerpt, en er geen gebruik van maakt, om zichzelf te helpen en de wereld te helpen, te komen tot groter eenheid en groter vrede.

En wanneer u nu niet zegt: “Ik voelde mij heerlijk weer op Java”, of; ik voelde mij zo heerlijk weer terug in Indië, na deze lezing, neemt u mij niet kwalijk. Ik heb alleen getracht een van de aspecten te belichten die zo belangrijk zijn in het leven van de Oosterling. En die voor het Westen, – naar ik meen – meer zouden kunnen betekenen, wanneer het zou kunnen begrijpen, wanneer het niet ontgroeid was aan deze eenheid, die altijd nog bestaat vanuit de andere delen van het leven. Alleen de mens verwerpt deze eenheid en deze harmonie.

o-o-o-o-o

Lotus.

Het onderwerp zou een mens haast verleiden om dichterlijk te worden. Want wie de Lotus in de nacht heeft zien openbloeien, zilver in de manestralen, een geheimzinnig wit, lichtend leven, dat drijft op de wateren, die voelt in zich de behoefte om dichterlijk te zijn en om te zingen van geest, die ontluikt en zich ontplooit.

Echter zijn er vele dingen, die men vergeet, omdat men bij de lotus slechts schouwt op de bloem. Maar deze bloem voedt zich en haar voedsel komt uit de modder. De modder, die afzichtelijk is in de ogen der mensen, uit het water, dat geheimzinnig en diep is.

Zo is het ook met de geestelijke krachten, die door de lotus worden gesymboliseerd en die de mens er toe hebben gebracht om een chakra, een geestelijk aanrakingspunt, waar stof en geest samen hun kracht tot uiting kunnen brengen, voor te stellen als een lotus. Eerst gesloten als knop, langzaam zich ontplooiend tot in volle bloei, de volle werking tegenover de wereld wordt bereikt.

Want de krachten van de geest trekken ook hun bewustzijn, hun ervaring, hun leven uit de modder van het stoffelijke bestaan. Geestelijk leven is niet alleen de stralende schoonheid van de lichtende gestalte, die als een opengebloeide bloem van vuur door een lichtende wereld gaat, waarin God als glans zich openbaart. Een geest is een wezen, dat voortdurend voedsel puurt, puurt uit de stof, puurt uit al datgene, wat in mensenogen vaak zo verwerpelijk is, ervaringen opdoet, lijdt en leeft en daar door eerst in staat wordt te stijgen naar de oppervlakte van de vijver des levens en zo te vinden de sfeer van de geest, waarin zij, openbloeiend, kan zijn; volle schoonheid der goddelijke schepping.

Een mens die geestelijk rijp wordt is als een lotus die zich langzaam ontplooit. Maar voordat het zover was heeft hij eerst voedsel moeten vergaren, licht als blad rustend op het water, heeft hij zich gevormd, heeft zijn wortels laten zakken, totdat zij in de modder haar voedsel vonden. Hij is vanuit de wereld van de geest onbewust, nog niet bloeiend en zichzelf openbarend, eerst gegaan tot in de diepe afgrond van alle stoffelijke belangen en belevenissen, voor daaruit het voedsel gepuurd kon worden, dat de mens rijp doet worden en vrucht dragen.

Want de mens draagt, evenzeer als de bloem, geestelijk vrucht. Wanneer hij komt tot het volle bewustzijn van het Goddelijk licht, dan plooit hij niet slechts zich open. Maar zoals van bloem tot bloem de geheimzinnige kracht gaat, waaruit het zaad ontstaat, zo gaat van geest de gedachte die – het bewustzijn bevruchtend – het groter doet groter, tot het helpend uit kan gaan, zich verdelend onder scheppend een algemener, een groter bewustwording, een groter realisatie van goddelijke werkelijkheid.

Al het leven draagt in zich het beginsel van de levende lotus, van de geestelijke kracht, die zich openplooit, in het goddelijk licht. Zoals de Lotus van kleur schijnt te veranderen, wanneer de maan wegtrekt en de zon haar belicht, zo verandert ook de geest haar wezen en haar kwaliteiten, naarmate zij uit het zilveren licht van weten, leven en mystiek komt in de wereld van werkelijkheid en bestaan, waarin het onmiddellijke contact met het Goddelijke ligt, een openbaring van al het geschapene, zowel als van de Schepper.

De Lotus kent de zon en de maan. Eerst plooit zij zich alleen open voor het zilverige maanlicht, dat koel is en troostend. Zoals de mens eerst zijn geest doet openbloeien en inademt de geuren der mystiek en het weten der verborgen occultismen. Dan echter, wanneer de rijpheid groter wordt, sluit de knop zich niet meer, wanneer de morgen komt. Ze blijft meer en meer open en geeft zich meer en meer aan de zon. Tot ze in deze zon schijnt te verdorren.

Dan zegt de mens; de Lotus is uitgebloeid. Maar dat is niet waar. Ze heeft haar taak volbracht en ze gaat nu zorgen, dat er meer rijpheid komt en meer leven. Dat er meer verbindingen worden gelegd tussen stof en geest. Opdat steeds meer planten, (steeds meer mensengeesten) het goddelijk licht kunnen aanvaarden en begrijpen.

Elke nieuwe Lotus bloeit weer open in de maannacht. Het is altijd weer de mystiek, de esoterische wetenschappen, het grote geheim, dat de geest in de eerste plaats weer brengt tot de ontplooiing. Maar wanneer het eenmaal aanvaard is, dan gaat men langzaam maar zeker in deze geheimzinnigheid ook tevens de werkelijkheid zoeken. Men zoekt niet meer in de kleurverblekende lichten van de maan alleen. Men zoekt de werkelijkheid, het volle leven in al zijn felheid.

Zo zal het gaan met ons, wanneer we leven in de stof en in de geest en langzaam ons bewust worden van hoger waarden. Wij zijn nog de lotus, die vanuit haar eigen wereld, die voor ‘het “ik” toch altijd stoffelijk schijnt te zijn, omhoog gaat naar een hoger bewustzijnsvlak, dat men geest noemt. Om daar, eerst in het licht der bespiegelingen, de weerkaatsing van het volle licht, dat daar heerst, zich bewust te worden van bestaan en omgeving. Dan langzaam de volheid van die sfeer te aanvaarden, van daaruit terug te werken naar eigen sfeer, opdat er meer bewust zijn zij. Meer streven naar licht en ontwikkeling.

De Lotus mag dan ook wel een symbool genoemd worden van het verborgene. Niet omdat zij zelve het verborgene is. Maar omdat zij het verborgene wekt in anderen, tot leven brengt en uit als kracht. De Lotus is het symbool van het leven: Groeiend uit wat voor ons troebel, modderig en onaangenaam is, zoekt zij haar weg naar boven. Wanneer zij de hoogste top bereikt en daar openbloeit, brengt zij rijpheid en zal uit zichzelf verder kunnen gaan naar andere werelden, terwijl zij na zich trekt duizenden anderen, die op het vlak, waarop zij openbloeiende, ook eens hun eigen pracht van geestelijk ontwaken zullen tonen.

Gij zijt deel van de grote Lotus, van de mensheid, die openbloeit, bewust in het vlak van de geest. Wij zijn deel van de grote Lotus, geest die eens ontwaken zal op hoger en minder stoffelijk bestaansplan, die eens vrijer nog zal begrijpen de grote lichtende kracht, die het Al heeft geschapen. Als symbool daarvan zien wij in onszelf steeds weer het openbloeien der verschillende punten van bewustzijn, de chakra’s. Gij zijt bij U, hoe geestelijk leven na geestelijk leven wordt gewekt, steeds groter delen van de stof kennend, regerend en beheersend. Tot uiteindelijk de top chakra openbloeiend, U in contact brengt met hoger wereld.

Zo gaat het ons, zo gaat het allen. Telkenmale ontwaakt in ons een kracht op hoger vlak, op hoger niveau. Wanneer ze zich ontvouwt, is ze voor ons het bewustzijn, de realisatie van nieuwe krachten in onszelf en nieuwe machten in de wereld buiten onszelf.

Eens komt er een ogenblik, dat we niet meer opnieuw zullen bloeien op hoger vlak. Wanneer dat gebeurd is, dan kunnen we niet meer spreken van de Lotus. Dan heeft de voorstelling van de Boddhisvatma, die in de Lotus ontplooiend zich, komend vanaf de bodem der vijver, ontwaakt in de nieuwe wereld, geen zin meer. Dan zullen wij waarschijnlijk het Al zien of een grote Lotus, die openbloeit door de goddelijke wil.

Wanneer deze zich weer sluit, zal het duister worden. Uit die duisternis zullen duizenden nieuwe werelden geboren worden, die elk voor zich op zullen bloeien naar hetzelfde plan. Omdat dit de kracht en de taak is, die de Schepper heeft gelegd in al het zijnde, zelfs in de Schepping.

Lotus, symbool van bewustwording, symbool van de band tussen het laagste en het hoogste. Symbool van de werkelijkheid, die eerst gerealiseerd moet worden, voordat men open kan bloeien en tot volle rijpheid komen.