Achtergronden in esoterie en magie

13 september 1968

Ik zou graag willen beginnen, wetende dat u allen zo langzamerhand vol­doende vooropleiding hebt genoten, met de achtergronden van bepaalde dingen in de esoterie en uit de aard der zaak ook in het magisch denken.

Wij staan altijd weer in een wereld. Wat die wereld is, weten wij niet. Onze wereld is in zekere zin een aantal voorstellingen, die voor ons ervaringsvermogen onderstreept wordt door een aantal controleerbare feiten plus een aantal toevalligheden, die wij niet kunnen controleren, maar die kennelijk in het gehele patroon van die wereld thuishoren.

Het onbekende in een wereld moeten wij een naam geven. Wij zijn geneigd al­les een eigenschap toe te kennen, alles te benoemen. Op deze wijze spreken wij dus van God als de Oerkracht, maar wij zetten tegenover die Oerkracht onmiddel­lijk een negatieve Oerkracht, die wij dan de satan of de duivel noemen. Wij trachten zo een lijn op te bouwen, die eigenlijk het voor ons niet meer vat­bare, het minder menselijke, verenigt met het meer dan menselijke. Een lijn, die een richtsnoer moet zijn voor ons eigen leven en denken, maar die daarnaast de aanduiding moet zijn van mogelijkheden, die in ons sluimeren en ook van gevaren, die erin en voor ons bestaan.

In die wereld hebben wij daarnaast de directe constatering (het z.g. con­troleerbare feit) en wat wij kunnen noemen de gevoelswaarde of de emotionele waarde (het niet onmiddellijk constateerbare feit). Binnen het kader van het constateerbare en het niet-constateerbare werkt ons verstand. Daar waar wij boven het verstand uitgaan, werken wij met gevoelswaarden. Waar wij werken met de krachten van het lagere tot het hoogste zijn wij bezig met z.g. zielekracht, die weliswaar een zekere emotionele vorm heeft, maar voor de mens en ook voor de geest vaak kenbaar wordt in z.g. fantastische of irreële symbolen en voor­stellingen.

Ik neem aan dat u dat allemaal weet, maar het is goed dit nog even in herinnering te brengen.

Wat doen wij nl. met de esoterie? In de esoterie trachten wij deze niet ge­heel te vatten fantastische voorstellingen en emoties, die vaak losstaan van elke feitelijkheid, samen te voegen tot een concreter beeld; een voor ons dus steeds vaster wordende voorstelling van het hogere dat wij als ons doel zien.

In de magie trachten wij op grond van het voorstelbare uit te gaan boven de grens van het mogelijke; en wij kunnen dit slechts doen door aan te nemen dat achter het voorstelbare en bewijsbare dus ook andere waarden moeten liggen. De totale samenhang van het “ik” maakt het echter zeer moeilijk om beide dingen gelijktijdig te doen. Je kunt je in je leven en denken maar op één wijze voldoen­de richten. Je kunt logisch denken en van daaruit tot in het para-logische ge­bied doordringen of je kunt uitgaan van de gevoelsemotie, het geloof, de geestelijke waarde en vandaaruit trachten een wereldvoorstelling te krijgen (en ook een Godsvoorstelling), die boven de eigen wereld uitgaat. Het vreemde is dat wij, zodra wij het terrein van het feitelijke en verstandelijke – op welk gebied dan ook – verlaten, er onmiddellijk op elk ander terrein een soortgelijke compen­satie kenbaar wordt. Verschuiving van waarde treedt wel op, maar deze is in vele gevallen een uitbreiding, voor zover het ons eigen voorstellingsvermogen betreft.

Dit zijn de grondslagen waar wij van uitgaan bij de volgende punten:

  1. In de esoterie is niet de direct gevormde voorstelling belangrijk, maar eerder een soort beleving. Op het ogenblik, dat mijn beleving zich onttrekt aan het normaal menselijke, ontstaan hierdoor in mijn wezen be­paalde gevoelssporen en daarnaast ook zekerheden, die in mijn eigen we­reld niet verantwoord zijn, maar die voor mij deel worden van de werkelijk­heid. Naarmate mijn persoonlijke werkelijkheid groter wordt, zal de belangrijkheid van de z.g. feitelijke of verstandelijke werkelijkheid voor mezelf geringer worden. In de magie geldt, dat ik door het aanvaarden van waarden, die bui­ten de logica liggen of daarboven, automatisch mijn eigen voorstellingsver­mogen van en houding tegenover de feitelijke wereld zal moeten wijzigen. Hoe ik ook werk, ik verander mijzelf.
  2. Magie is een veel misbruikt woord, dat niets anders weergeeft dan het zien van andere waarden, mogelijkheden of wetten in de totaliteit. Een waarde of een wet is nooit onmiddellijk manifest (direct geopenbaard). In vele gevallen ontdekken wij de wet pas, nadat wij het feit zeer lange tijd hebben gadegeslagen. Denkt u aan Newton en de vallende appel bv., of aan James Watt en zijn theepot. Dingen, die tienduizendmaal, honderd-duizendmaal zijn waargenomen, krijgen opeens een andere betekenis. Dat is eigenlijk de kern van deze magische verruiming. Ik ga erkennen dat iets niet zomaar bestaat, maar dat er een reden is, een wetmatigheid. Deze wet­matigheid moet dan worden geformuleerd. De formulering daarvan is uit de aard der zaak voor anderen voorlopig onlogisch en wij zullen haar eerst aanvaardbaar moeten maken. Daarom kunnen wij over magische bereikingen e.d. weinig spreken. Wat wij wel kunnen doen – en dat is heel belangrijk – wij kunnen er mee werken.

Wie zich wil bezighouden met de magie moet uitgaan van dit standpunt: Alle dingen die gebeuren (ook toeval, schijnbare dwaasheid of buitengewone prestaties) zijn niet toevallig. Ze zijn een verschijnsel van een vaste orde. Een verschijnsel dat in een vaste orde thuishoort, kan als deel van die orde worden omschreven en geformuleerd. Naarmate ik meer van de schijnbaar onsamen­hangende verschijnselen in een bepaalde orde kan samenvoegen, zal ik deze orde nauwkeuriger omschrijven en krachtens die orde nauwkeuriger kunnen werken. Zolang ik dit niet kan, ben ik eraan onderdanig. Ik ben dus de slaaf van het noodlot of van het toeval. Zodra ik de ordening erken, sta ik erboven. Ik kan het hanteren. Het is niet uitgeschakeld, maar in de plaats van het onverwachte komt het verwachte. In de plaats van het toevallige komt het plan.

Alle magie is gebaseerd op een zekere planmatigheid. Deze planmatigheid echter, dat moet u ook heel goed begrijpen, kan niet altijd geformuleerd zijn in verstandelijke termen. Heel vaak wordt in bijgeloof (in feite emotionaliteit plus voorstelling) de orde vastgelegd, die wij op geen enkele andere wijze voor onszelf nog rationeel weten vast te leggen. En naarmate wij verdergaan krijgen wij dus ofwel een netwerk van bijgelovigheden, rationalisaties, dan wel – wanneer wij verstandig zijn – een kader dat ons de hoofdlijnen van de werkelijkheid en haar verdere betekenis geeft.

In de esoterie is het niet mogelijk om een innerlijk ervaren uit te druk­ken. Misschien hebt u weleens een ogenblik van verrukking gehad, maar u kunt het niet omschrijven. De mens is wat dat betreft niet in staat om in zijn gedach­ten vorm te geven aan de werkelijkheid. De werkelijkheid die hij doormaakt (een persoonlijke werkelijkheid) gaat ver uit boven zijn formulerings- of vergelijkingsmogelijkheden. Maar in de esoterie hebben wij wel wat anders.

In de eerste plaats blijkt de esoterie voor ons sterk gebonden te zijn aan onze persoonlijkheid, aan ons leven, maar in even zo grote mate aan onze stemming van het ogenblik, aan omstandigheden, die van buitenaf kunnen worden gewekt. Suggestieve invloeden spelen een grote rol. Ik weet dus niet pre­cies wat ik beleef, maar ik kan heel vaak wel een systeem ontwerpen, waar­door ik beleef. Dat systeem is altijd persoonlijk. Er bestaat geen algemeen geldend esoterisch systeem. Er bestaan wel voor de mensheid geldende grond­regels. Die grondregels zal ik bij dit punt even noemen.

  1. Esoterisch beleven is altijd het gevolg van een hiaat, een gevoel van wanhoop of onvolkomenheid. Daar, waar de mens zichzelf als een af­gerond geheel beschouwt, komt hij niet tot die beleving.
  2. Elke esoterische beleving is gebonden aan de eigen stemming. Die stemming heeft niets te maken met de waardering van anderen, zodat sommigen in woede, anderen in een soort stupor, weer anderen misschien als gevolg van een activiteit, de juiste toestand bereiken. Wie wil weten hoe hij het best esoterisch kan werken, moet nagaan welke factoren, die zijn verbeeldings- of daadleven prikkelen, daarvoor het best geschikt zijn. Wat geeft u de meest juiste stemming? Wat u beleeft, behoeft niet te wor­den omgezet in begrip. Het moet worden omgezet in kracht, in gevoel. Uitdrukking eraan geven is over het algemeen verkeerd. Het ontwaard en ontluisterd hetgeen u hebt meegemaakt en doet daarmede ook de kracht er­van – misschien volgens de redelijke denkers deels een suggestieve kracht, maar ze is er – teniet.
  3. Verder moet u bij esoterische belevingen rekening houden met het feit dat de wijze, waarop u probeert te beleven, van groot belang is. Elke beleving, die gepaard gaat met een sterke wilsuiting in één richting, geeft een beperkte beleving, vaak een overprikkeling en daarmede een vertekening van de werkelijkheid voor het “ik”. Elke esoterische beleving, die voortkomt uit een gevoel van eenheid, van aanvaarding met het andere, zonder definities voor het “ik” of voor het andere, pleegt alomvattend te zijn en in haar residuen ook meer albetekenend.

Dan heb ik hier een moeilijkheid, want hoe kan ik u duidelijk maken waar eigenlijk esoterie en magie beginnen.

U gelooft in een God. U dient die God op een bepaalde wijze. De wijze van dienen is niet belangrijk; de associatie God-actie is van belang. Of u nu danst, psalmen zingt, brood eet of iets anders, indien de overgave aan de Godheid, aan het Onbekende, door actie of daad bijzonder wordt versterkt, dan schakelt het “ik” zich uit zijn werkelijkheid uit. Het betreedt a.h.w. een nieuwe werkelijk­heid, waarin de normale maatstaven voor een eigen beleven tijdelijk zijn uitge­schakeld. Op het ogenblik dat dit wordt bereikt – onverschillig hoe – krijgen wij te maken met een hernieuwde rangschikking van waarden in de persoonlijkheid. En dat is heel belangrijk.

De magiër bereikt zijn magisch resultaat door anders te zijn dan normaal. Hij moet zijn persoonlijkheidsinhoud op een andere wijze a.h.w. distribueren; een soort nieuw evenwicht zoeken.

Voor de esotericus geldt precies hetzelfde. Ook hij moet de bestaande evenwichten vergeten en daarvoor een nieuw evenwicht vinden, dat voor hem op dat ogenblik bepalend is. Vreemd genoeg zien wij de vereenzelviging optreden bij de esoterie en bij de magie. De innerlijke beleving, de verrukkingstoestand komt bij velen voor door vereenzelviging met een Boeddha, met Jezus in een bepaalde fa­se van zijn leven, met bepaalde krachten waaraan men gelooft, engelen bv.

In de magie zien wij dat de magiër zichzelf a.h.w. langzaam maar zeker transformeert tot een deel van de godheid en van zichzelf spreekt als die god­heid, die demon of engel. Hier is dus zuiver een vervreemding van de eigen persoonlijkheid aan de gang. Ik kan magisch en esoterisch niets bereiken, in­dien ik de nuchtere en logische maatstaven van de erkende en kenbare wereld zonder meer handhaaf. Maar daarmee valt de controle weg.

Controle: Wanneer ik werk met een agens, een werkstof die ik niet kan zien, dan kan ik haar werking alleen constateren door de reactie die zij tot stand brengt.  De vraag, of ik inderdaad een toestand van uittreding, esoteri­sche verrukking e.d. heb bereikt, ligt niet alleen maar in het feit dat ik het denk. Het ligt wel degelijk ook in de vraag: Is er voor mij iets kenbaars ver­anderd?

De magiër kan een fantasieverhaal opvoeren met alle rituele plechtig­heden, die u zich kunt voorstellen en zeggen dat hij magisch gewerkt heeft. Maar zeker is dat niet, tenzij er een voorzegbaar en controleerbaar resultaat ontstaat. En dat leert ons dat wij en in de esoterie en in de magie toch altijd moeten terugkeren tot de beperking van onze eigen wereld om een waardebegrip te krijgen. De waarde van alle geestelijk werken en alle geestelijk beleven is constateerbaar in onze eigen wereld. Waar dit niet het geval is, blijft de waar­de ervan vraagwaardig.

Nu kom ik tot een wat ingewikkelder punt. Mensen hebben zeer veel gemeen. Ze hebben een bepaald grondtype, een bepaald grondkarakter. Een bekende vergelijking: de cellen van een lichaam hebben waarschijnlijk geen begrip van elkaar, maar ze functioneren samen in de harmonie van het lichaam. De mensheid kan den­ken. Maar dit denken is op een niveau dat voor een hoger bewustzijn misschien ook gelijkkomt met dat van een soort cel. Met andere woorden: wij functioneren eveneens als een eenheid en kunnen die eenheid over het algemeen niet beseffen. Wij begrijpen onze eigen functionaliteit even weinig als een wit bloedlichaampje dat de een of andere indringer in de bloedbaan eenvoudig verzwelgt of bij een verwonding probeert alle binnendringers zonder meer te verdrijven.

Belangrijk is echter dat wij – willen wij tot een para-logische begripswaar­de van mens-zijn komen, zonder daarbij met idealismen te spelen, die ten slotte maar formuleringen zijn van menselijke verlangens – zullen moeten gaan werken met dit begrip van mensheid als totale eenheid. Wanneer de menselijke wereld drie dimensies omvat, dan kan worden gezegd dat de totale mensheid als één we­zen in een anders gestelde dimensionale ruimte kan optreden. Op het ogenblik dat de cel zich realiseert dat zij deel is van het lichaam, kan zij aan de we­reld van het lichaam deelhebben. Op het ogenblik dat de mens zich zijn opgeno­men zijn in de totale mensheid als functioneel deel bewust wordt, dringen ook tot hem (moeilijk vertaalbaar) impulsen door uit de wereld, waarin de totale mensheid bestaat. In dit verband gebruikt men vaak symbolische termen en spreekt men over de spiegelsfeer, over de rode Adam e.d. Ik geloof niet dat wij ons daarover al te druk moeten maken.

Indien ik het gevoel heb dat ik met een medemens verbonden ben, zonder dat ik daarbij rangonderscheid of verstandsonderscheid voor mijzelf kenbaar maak, word ik een functioneel deel. Mijn functioneren met de ander is in overeenstem­ming met het evenwicht, met de wetmatigheid van de mensheid. Dan zal als gevolg daarvan voor mij de wetmatigheid van die mensheid eveneens kenbaar worden. Ik beleef haar. Zo kunnen wij stellen dat de beleving van de totaliteit nodig is om tot een hoger bewustzijn te komen. Heb ik dit hoger bewustzijn bereikt, dan moet ik ook begrijpen dat dit bewustzijn alleen maar te delen is met dege­nen, die een gelijk peil van besef, beter gezegd van leven, hebben bereikt. Je kunt dus nooit verwachten dat als je bewust bent geworden van de totaliteit, een ander als mens tegenover mens daar zonder meer in kunt inwijden. Pas wan­neer de ander een gelijke instelling bereikt, is het contact mogelijk. Om het eenvoudig te zeggen: Doofstommen, die telepaten zijn, zijn misschien voor de spre­kende mens arme mensen, omdat ze belemmerd zijn in hun uiting. Aan de andere kant echter hebben zij in hun telepatische vermogens, een zodanig waarnemings-, uitdrukkings- en uitwisselingsmogelijkheid, dat zij vanuit hun standpunt be­schouwd a.h.w. de beteren zijn en de sprekende mensen eigenlijk maar onbelangrijk.

Denkt u zo nu eens over de mens, die doordringt buiten die logica? Hij is in de ogen van de anderen een dwaas, maar gelijktijdig beseft hij dat de anderen, zijn gaven en ook zijn begrip niet kunnen delen. Het heeft geen zin met die ande­ren te werken. Je kunt hoogstens kijken, zoals de telepaat: krijg ik misschien een respons, een antwoord. Dat gebeurt echter maar zelden en dan is het meest­al een emotionele en niet besefte respons. Dus: wees niet bang een dwaas te zijn, mits deze dwaasheid u meer inzicht in het leven geeft, meer kracht vanuit de to­taliteit van het leven doet ervaren. Zodra u zich de mindere voelt van gewone mensen, moet u voorzichtig zijn.

De techniek

Elke gedachte vormt, zoals bekend, een matrix, die in je astrale wereld vorm aanneemt. Elke sterke of door velen gedeelde gedachte vormt een matrix van grotere houdbaarheid, waarin de totale eigenschap wordt uitgedrukt als de som van de daarin gelegde krachten, verlangens en vermoedens. Elke projec­tie van angst betekent dus angst in astrale vorm. Elke projectie van geluk betekent geluk in astrale vorm. Op het ogenblik, dat ik in de astrale vormenwereld een aantal verbindingen heb – en de meeste mensen hebben die – zal ik gebonden zijn aan zekere vormen (dus op een bepaalde wijze omschreven) van geluk, ongeluk of angst. Het zijn deze krachten, die mijn voorstellingsvermogen beïnvloeden en zo aan de interpretatie, die ik mij van het leven heb gevormd, gestalte geven.

Hierbij kunnen natuurlijk levende geesten of demonen zijn ingeschakeld, maar de kern ervan is de verbinding, die ik heb in deze astrale vorm. Dat geldt dus voor de mens op aarde. Ik kan t.a.v. de astrale vormen niet onmiddellijk selectief optreden. Als ik dus bepaalde angsten heb, kan ik niet zeggen: Nu breek ik deze band af. Ik kan wel zeggen: Ik verzwak deze band. Een ver­zwakken van de band wordt het best bereikt door te beseffen dat de angst in zichzelf niet geheel juist is. Een versterken van de harmonische factor (het vertrouwen in geluk bv.) zal gepaard gaan met een vergroting van de contac­ten met deze astrale vormen en daardoor ook – dat moet u heel goed begrijpen – een je gelukkiger voelen en daardoor weer evenwichtiger en harmonischer en misschien ook gelukbrengender voor jezelf en anderen reageren.

Dan ga ik uit van het standpunt dat elke kracht, waarmee ik mij verbonden weet of mij verbinden kan, voor mij een middel is om te werken met alle anderen, die met deze zelfde kracht verbonden zijn.

In de zwarte magie kennen wij het wekken van angst, zelfs doodsangst. Dat kan ik alleen doen, indien ik weet wat de ander vreest en zelf een vol­doende voorstelling heb van deze angst om mij daarmee in verbinding te stellen. Ik kan dan de stuwende kracht worden.

Voor het goede kan ik precies hetzelfde doen. Als ik weet wat de hoop, het beetje geluk, het beetje licht van een bepaalde mens is, dan kan ik dus, mits ik mij dit kan voorstellen, mij harmonisch ermee voelen en maken tot het voertuig, waardoor ik op die ander geluk, enz. afdruk. Het is duidelijk, dat een contact via deze astrale vormen dus magisch zin heeft en zeer belangrijk kan zijn.

Maar ook esoterisch is het belangrijk. Een angst nl. is niet alleen een angst. Zij is een omschrijving van onzekerheden en onmacht. Wanneer ik contact heb met een angst en ik kan begrijpen welke onzekerheden, welke vorm van onmacht daarin aanwezig is, dan zal ik hierdoor niet alleen mijzelf beter leren kennen, maar ik zal ook beter begrijpen wat er in mijn wereld aan de hand is. Ik zal de reactie begrijpen.

Zoek ik met de kennis van onmacht en onvermogen, zoals zij bestaat, naar het goede en erken ik dit goede, dit geluk wederom in zijn samenstelling (laat ik dus in mijn gevoelswereld en eigenlijk ook een beetje in mijn begripswereld al de verschillende mogelijkheden daarvan doordringen), dan is het voor mij mogelijk om zo goed en kwaad of duister en licht te definiëren. Want duister en licht zijn belevingswaarden. Ik kan dan het duister onmachtig maken door mijn erkennen er­van, door het om te zetten in iets wat aanvullend werkt met of harmonisch is met datgene, wat ik als licht heb erkend. Verander ik de zin van het kwade, dan wordt het het goede. Maar dat betekent ook: verander ik het alleen in deze betekenis (het gaat dus niet om de menselijke handeling goed en kwaad, het gaat om het besef goed en kwaad), besef ik – en dit is misschien heel belangrijk voor u – dat iets goed is, dan is dit goede voor mij ongeacht de voorstelling de weergave van Licht of van het Goddelijke. Alle mogelijkheden daarin gelegen worden voor mij toegankelijk op het ogenblik dat ik de angst onderdanig kan maken aan het geluk en de verschillende vormen van disharmonie kan gebruiken voor een opbouw, die ten slotte harmonisch is. Vergelijk het met muziek: Ik kan een dissonant gebruiken om een harmonisch akkoord een grotere nadruk te geven. Op dezelfde manier moet men werken met deze astrale krachten.

De beleving van het Licht is een gelukservaren. (Een woordloos geluk over het algemeen; je hebt er geen uitdrukking voor) Een gelukservaren be­tekent harmonie zonder meer. De mens, die werkelijk gelukkig is, is werkelijk harmonisch. Dat wil niet zeggen dat hij evenwichtig is, maar hij is op dat ogenblik dus in éénklank met het andere. Als ik die harmonie kan vinden op welk terrein dan ook, dan kan ik hierdoor het gelukservaren vergroten en de kracht uit het geluk voortkomende schept in mij wederom een uitbreiding van voorstelling. Deze voorstelling is misschien niet volkomen reëel, maar ze behoort bij de totale mensheid; d.w.z. dat zij astraal als deel van de mens­heid aanwezig zal zijn en zo voor mij een voortdurende krachtbron is.

In de magie geldt dus dat ik de krachten afzonderlijk moet afwegen en t.o.v. elkaar richten. In de esoterie betekent het erkennen van de krachten, dat in het “ik” een harmonie kan worden gevonden; dat deze harmonie de bele­ving van licht geeft en een nieuwe voorstelling, die onlogisch is voor de rest van de wereld, doet ontstaan, welke bijdraagt tot mijn grotere harmonie met de mensheid en van daaruit met het Licht.

Wil ik esoterisch of magisch iets bereiken of beleven, dan moet ik dus beginnen met te ondergaan. Het ondergaan is een belangrijk punt. Wanneer u te maken krijgt met een spreker, die probeert u een esoterische waarheid duidelijk te maken, dan is de vraag niet of die spreker mooi spreekt, maar of u die spre­ker kunt ondergaan. Is u dat niet mogelijk, dan zijn de woorden zinledig. Onder­gaat u die spreker wel, dan ontstaat er een nieuwe betekenis, die eigenlijk ver uitgaat boven de werkelijke woorden en samenhangen, zoals ze worden gebracht. U kunt dit vanavond zien of proberen.

U zult dit elke keer weer kunnen constateren. Alleen waar u deelhebt aan dit bovenredelijke, krijgt u a.h.w. een sleutel, een harmonie-begrip voor uzelf. Dit harmonisch begrip behoeft niet aan de hand van woorden te worden herinnerd. Indien u zich kunt herinneren wat u voelde, krijgt u de harmonische inhoud van een dergelijke toespraak a.h.w. hernieuwd toegevoegd. Hier is het weer de spie­geling vanuit het astrale. Indien u ontledend wilt luisteren, dan is daartegen natuurlijk geen bezwaar. Ontledend luisteren maakt nl. de magie mogelijk, mits u de opbouw en opzet begrijpt. U kunt zeggen: Deze redenaar heeft op een bepaal­de wijze met emotie en klankvorming gewerkt. Besef, hoe hij ermee werkt en u weet welke regels hij heeft gevolgd. Het resultaat is voor u niet bestaand, maar de methodiek is bereikbaar en daarmede een soortgelijk contact met uw medemensen.

Contact met de geest kan alleen plaatsvinden op basis van een harmonie met de gehele mensheid of met een groter deel ervan. Elke beleving, waarin de geest een rol speelt, wordt door de mens ofwel gepersonifieerd (er wordt een kunst­matige persoonlijkheid geschapen), dan wel, ze vindt op persoonlijke basis plaats. Maar een dergelijk contact tussen mens en geest, mits de zuiver persoonlijke ver­plichtingen, die onderling zouden kunnen bestaan te boven gaande, draagt dus altijd totaliteit in zich. Begrip hiervoor lijkt mij ook belangrijk.

U leeft in een wereld die wordt beperkt door uw vermogen tot waarnemen en tot denken. U heeft daarnaast een wereld van voorstellingen, van angsten, van gelukgevoelens. Deze beide werelden lopen dooreen. Indien u deze werelden kunt scheiden (voor een ogenblik de werkelijkheid buiten de voorstellingswereld stellen en daarbij ook de gevoelswereld), dan zult u zien dat beide werelden op elkaar kunnen inwerken en dat elk wenselijk resultaat daardoor esoterisch en voor zover het uzelf betreft een harmonische werking zelfs magisch bereikbaar is. De mens is niet machteloos, integendeel. Maar hij wordt pas machtig, indien hij zichzelf begrijpt. Zijn macht is geen macht over mensen, maar kennis van de regels in de totaliteit.

Ik geef u nu een zestal korte regels in de hoop, dat u die zult willen overwegen.

  1. Dat wat ik denk te zijn is datgene, wat ik nimmer waarlijk ben. Door mijn normaal beeld van het “ik” te bezien, kan ik een aanwijzing krijgen omtrent datgene wat ik in wezen zal zijn. Harmonie op grond van deze laatste voorstelling gebouwd, kan voeren tot innerlijke verlichting, maar ook tot vergroting van levenskracht, vergroting van magische energie.
  2. Elke beperking van leven en denken, die niet uit mijzelf voort­komt, betekent strijd met mijzelf en daardoor disharmonie en verdeeld­heid. Het is belangrijk in leven en denken voortdurend de nadruk te leggen op die aspecten van het algemeen aanvaarde, die voor het “ik” onmiddellijk en zonder meer aanvaardbaar zijn. Bouw vandaaruit uw persoonlijk denken en leven op. U krijgt een grotere integratie van de eigen persoonlijkheid, een grotere veerkracht en evenwichtigheid en op de duur daardoor ook een beter voorstellingsvermogen.
  3. Al wat denkbaar is, kan werkelijkheid zijn, ook als dit niet voor u geldt. De gedachten als werkelijkheid stellen heeft alleen dan zin, indien wij uitgaan van een harmonie, die voor het “ik” bestaat en in het fantasiebeeld mede uitdrukbaar is. In een dergelijk geval voert het tot nieuwe gedachten, die zowel voor eigen leven als ook voor eigen kunnen een uitbreiding kunnen betekenen. Het zijn de richting­aanwijzers voor eigen bereiking.
  4. Eeuwige kracht is onvoorstelbaar. Energie is meetbaar, maar niet bepaalbaar. Ik ben eeuwig en ik ben energie; onmeetbaar en onbepaal­baar in een zekere zin. Daarom heeft het geen zin mij bezig te houden met mijn wezen, voor zover ik dit niet kan constateren, vastleggen en rubriceren volgens mijn huidig vermogen. Ik moet echter wel zover gaan met de benadering van mijn persoonlijkheid en ontleding, dat ik juist hierdoor mij van kracht, mogelijkheid en eventueel tijdloosheid bewust word. Alle bewustzijn van fasen in de tijd, die niet het heden zijn, houdt in: een erkenning van geestelijke waarden, gebaseerd niet op het stoffelijk verleden of de voorstelling daarvan, maar op de huidige geestelijke moge­lijkheid en bereiking.
  5. Wie denkt en zijn denken scherp weet te omlijnen, schept hiermede rond zich – ruimtelijk en geestelijk – een conditie, die alle bewustzijn van geest en stof zal beïnvloeden. Door scherp gericht en geformuleerd denken is zowel het bereiken van harmonieën met eigen en geestelijke wereld als ook het afschermen tegen eigen en geestelijke wereld mogelijk. Scherp denken be­tekent het eenvoudig formuleren van de in u levende begrippen, erkenningen en mogelijkheden.
  6. Formuleer nimmer uw angsten, omdat u ze daardoor zou versterken.

Met deze regels heb ik mijn bedrage geleverd. Wij hebben twee gastsprekers. Eén van hen behoort tot de hogere groep van onze Orde; de ander is een gast van buiten. Ik neem aan dat ons Ordelid eerst zal spreken, maar ben daarvan niet geheel zeker. Ik wens u een zegenrijk contact met de gasten van van­daag.

eerste gastspreker

Om te kunnen leven heeft je leven zin nodig. Je leven is niet zinrijk, als anderen het als zodanig beschouwen, maar als je het zelf als zodanig ge­voelt. De grote vraag is altijd weer: Wat is voor mij in dit leven belangrijk? Wat kan ik voor mijzelf betekenen? Word ik daarbij gekweld door schuldbewustzijn, door innerlijke verscheurdheid, dan zal dit uitermate moeilijk worden. Daarom moet ik eerst proberen als mens – en ook als geest – om voor mijzelf uit te ma­ken wat werkelijk kan en wat niet kan. Wat ik werkelijk wil en wat ik onbelang­rijk vind.

De totaliteit van de Goddelijke kracht blijft dezelfde. En leven met die Goddelijke kracht is één van de dingen, die elke esotericus als een noodzaak ervaart. Maar die Goddelijke kracht behoeft toch niet vastgelegd te zijn in een bepaalde vorm of formule? Die vorm moet iets zijn, waarmee ik kan leven. Wanneer ik God vind, en het is belangrijk dat ik God vind, dan ligt de zin van mijn leven in de beantwoording aan deze Godheid, aan dit hogere. Wat anderen denken is niet van belang. Wat anderen zijn is niet van belang. Voor mijzelf zal ik als mens en ook als geest altijd weten welke dingen ik eigenlijk doe om com­pensatie te zoeken voor iets anders, op welke wijze ik wegvlucht voor bepaalde aspecten van mijn werkelijkheid en wat ik werkelijk meen. Dat wat ik werkelijk wil, meen, gevoel, is het meest belangrijke dat er in deze dagen bestaat. Want dat is een weg naar harmonie. Niet harmonie met de mensheid, harmonie met mijzelf.

Het is eenvoudig genoeg om neer te zitten en bespiegelend de wereld aan je voorbij te laten gaan. Het is interessant om alles te zien wat de mensen doen; hoe dom ze zijn, hoe vreemd en hoe wreed. Maar daarmee stel je jezelf buiten de stroom van het leven. De beschouwer krijgt al snel het gevoel van nutteloosheid. Wat je nodig hebt is activiteit. Je moet ergens met geest of stof iets beteke­nen. Je moet werken. Je moet inhoud geven aan je bestaan. En die inhoud kun je in een verwarde tijd nooit geven door uit te gaan van wat anderen doen of door eenvoudig maar te zien wat er gebeurt. Wat wil ik? Wat ben ik? Dat zijn vragen, die meer dan ooit belangrijk zijn.

De kern van de grote Leer, die in deze jaren wordt uitgedragen, is een bepaalde vorm, die men dan naastenliefde noemt: een gevoel van eenheid en ver­bondenheid, van dienstbaarheid. Maar degene, die dienstbaar is en dit als een last ervaart, is eigenlijk niet dienstbaar in de juiste zin van het woord. De namaak-vreugde, het opgeschroefd enthousiasme, waarmee je vele dingen doet, is eigenlijk een belediging voor je persoonlijkheid, maar gelijktijdig een rem t.a.v. alle innerlijke bereiking, alle gevoel van innerlijke kracht.

Er zijn problemen in ieders leven. Sommige problemen lijken u bitter en blijken later de rechtvaardiging van uw bestaan te zijn. Maar of die problemen er nu zijn of dat ze misschien zullen wegvallen, het is toch wel heel belangrijk dat u voor uzelf iets hebt gevonden waarvan u zegt: Hier wil ik dienen. Hier wil ik behoren tot die wereld.

Vergeet niet dat de kracht van gedachte, van gebed en van de daad alle gelijk meetellen. Zodra u voelt dat u iets doet voor de wereld, past u in deze tijd. Maar tracht de wereld niet te dwingen naar uw eigen denken. Tracht haar niet te infiltreren met bepaalde gevoelens en emoties die haar vreemd zijn. Aanvaard de wereld zoals ze is. Aanvaard de medemens zo­als hij is. Bespaar uzelf de illusie, waarin u maar al te vaak door teleur­stelling krachteloos wordt.

Hoe zijn de dingen? Belangrijk is het te weten hoe de dingen zijn, niet hoe je ze zou willen hebben. Als ik weet waar ik sta, wat ik doe of wat ik kan doen, dan zijn mijn dromen er nog altijd en zij kunnen mij een geestelijke stimulans zijn. Maar dan zal ik nooit verder grijpen dan ik kan gaan. Tracht niet meer te doen dan je kunt, want je gaat eraan ten onder. Maar doe ook niet minder dan je kunt, want je zult jezelf ontevreden gevoelen, je zult een gevoel van minderwaardigheid hebben. Je zult jezelf veroordelen en juist daarmede voor jezelf disharmonie scheppen, waaraan je niet kunt ontkomen.

Wij nemen aan dat u allen streeft naar het geestelijk licht. Maar dat u ook probeert op de een of andere manier een geestelijk houvast, een geestelijke inhoud te vinden, waarmee het mogelijk is te leven en het licht te zien. Indien u dat in deze tijd kunt doen, zonder daarbij anderen enige drang, enige last op te leggen, indien u in deze dagen kunt zoeken naar dat innerlijk licht, zonder te stellen dat dit de weg is, dan bent u al veel waard voor de wereld.

De komende jaren brengen het laatste opvlammen van een te ver doorgevoerd materialisme en tegelijk het geestelijk herboren worden van de mens. Geboorte is altijd pijnlijk. Het is de schok vanuit geborgenheid naar een koude, kille, onbekende wereld; behalve als je die wereld reeds kent. U kent die we­reld in feite. Voor u behoeven de schokken van deze dagen niet belangrijk te zijn. U hebt de kracht en de veerkracht. U weet wat u wilt, wat u gaat doen. En u hebt daarmede uw bijdrage reeds geleverd. Wij gezamenlijk (geest en stof) moeten proberen in deze tijd een zekere balans te houden, een soort girokompas te vormen dat kan blijven functioneren, wanneer de andere middelen om richting te bepalen in leven, maatschappij en geestelijk bestaan, langzaam maar zeker niet hanteerbaar lijken. Een richting, wel te verstaan, die wij aangeven, die wij zijn; niet een richting, die wij opdringen. Wij moeten een middel zijn ter oriëntatie voor anderen; niet een leidraad, waaraan men gebonden is.

Het is in deze zin dat de Orde als geheel haar programma opbouwt voor de komende tijd. Het is in deze zin, dat de lessen gegeven worden, maar ook dat de gasten worden gevraagd. U zult in het komende jaar in deze kring vele vreemde vogels aantreffen onder die gasten; figuren, die u eigenaardig aandoen. Probeer dan niet een oordeel te vellen, maar tracht iets te begrijpen. Want juist uit de warrigheid, die bestaat en de nog grotere strijdigheden en verwarringen, die gaan komen op elk terrein, trachten wij mede aan de hand van de leidraad van de Wereldleraar u iets te geven, waardoor u alle dingen zult kunnen begrijpen en aanvaarden en toch geestelijk gericht blijven op het sterke Licht.

Voor velen bestaat er in de komende tijd een mogelijkheid tot inwijding. Men zal het misschien zakelijk willen zeggen: We gaan nieuwe graden betreden. Dat is waar. Men zal het misschien geestelijk willen zeggen: Ik dring door tot hogere vlakken van bewustzijn. Ook dat is waar. Maar deze dingen veranderen niets. Ze veranderen alleen uw taak zoals u die zelf ziet, uw wezen, uw wijze van leven. Grote vrijheid, maar ook een groot besef van verantwoordelijkheid is wat het re­sultaat moet zijn van elke inwijding.

De inwijdingen, die gegeven worden, zijn in deze tijd z.g. persoonlijke sleu­tel-inwijdingen; wat betekent dat zij de persoonlijkheid verder doen ontplooien en niet gebonden kunnen zijn aan een vast schema. Wij hopen binnen het kader van deze bijeenkomsten die mogelijkheid te scheppen. Maar de sleutel, die u wordt gegeven, zult u zelf in het slot moeten passen. U zult zelf moeten doordringen in de schijnbaar duistere ruimte van uw eigen wezen, waarin een totaal nieuw be­grip ligt voor het leven, wanneer u eenmaal het licht van besef daarin laat doordringen.

Ik hoop dat ik niet te veel van uw tijd heb gevergd nu ik u hier mijn denken en iets van onze plannen voorleg. Voor mij en zeker nog meer voor al mijn broe­ders en vrienden is wat ik zeg van het grootste belang. Of het voor u van belang is, zal moeten blijken. Maar wij kunnen niet anders doen in deze tijd, dan trachten u te helpen zelf te zijn, zelf te ontdekken, zelf te leven, zelf te bereiken. Wij kunnen u niet vertellen wat de mogelijkheden, de banden, de plich­ten, de contacten zullen zijn; dat moet u zelf vinden. Wij kunnen u wel helpen door u duidelijk te maken hoe wonderlijk in deze dagen niet alleen het gebeuren, maar ook de mogelijkheid tot geestelijke ontwikkeling is.

Daarmede geef ik het woord over aan degene, die de eerste gastspreker in dit verenigingsjaar voor u zal zijn: een van mijn meest gewaardeerde Meesters en vrienden, die èn in de raad van de Broederschap èn in bepaalde activiteiten van dit ogenblik een zeer grote rol speelt. Ik ben dankbaar dat hij na mij tot u wil spreken, hierdoor bevestigend dat wij in de geest een eenheid vormen, die boven alle kleine verschillen van opvatting, denken of actie uitgaat. Moge voor u op aarde hetzelfde bereikbaar zijn.

De gastspreker

Wat is het moeilijk te denken in de materie. De materie doet alles stollen en kristalliseren. Het lijkt een beetje op ijs, dat eigenlijk pas tot regen kan worden, als het smelt. De vruchtbaarheid van onze gedachten komt eerst voort uit de losheid van vorm. De gedachte moet doordringen in het gebeuren en ze moet in dat gebeuren een klein beetje de vruchtbaarheid geven.

De aarde, die droog ligt, brak en braak, onder de zon, draagt geen plan­ten. Een materiële wereld, waarin het denken niet kan doordringen, die mate­rie aanvaardend en doordringend zoals de materie is, kan ook niet vruchtbaar zijn; die brengt ook dorheid, droogte en misschien dood. Toch is eigenlijk het hele denken van de mens zo eenvoudig, zo gemakkelijk te vormen, als je maar weet wat je eigenlijk ermee moet doen.

Natuurlijk, het denken is als een werktuig; en een werktuig gebruik je om vorm te geven aan iets. Maar de gedachte is meer. De gedachte is een werktuig voor alle materie. Je kunt er alles mee doen. Je kunt er pijpleidingen mee leg­gen tussen de sferen. Je kunt er rails mee aanleggen, zodat geestelijke krach­ten als exprestreinen je wereld kunnen binnendenderen. Je kunt er boormachi­nes van maken, die graven tot in de diepste diepte van de essentie, van het zijn. Maar dan moet je ook de gedachte veranderen. Want de gedachte, die weten en bewustzijn van een andere sfeer kan overbrengen in je eigen wereld, is van een andere vorm dan een gedachte, die kracht moet kunnen geleiden. En dat is weer heel iets anders dan de gedachte, die moet doordringen in de essentie van het zijn. Het gaat hier niet alleen maar om de vorm van de gedachte, maar het gaat om een samenstelling. In sommige gevallen heb je hout nodig, in andere ge­vallen staal. Soms is de hardheid van een diamant noodzakelijk en soms heb je meer aan de zachtheid van zeep of stopverf. Zo moeten je gedachten ook kunnen zijn.

Wij leven in een wereld, waarin wij moeten komen tot het juiste begrip van mens-zijn, van samenwerken, van leven. Maar dat kunnen wij toch niet, indien wij keihard aan één richting blijven vasthouden. Dat kunnen wij alleen, indien wij on­metelijk flexibel zijn geworden, indien elke gedachte kan worden omgezet in een denkwijze, in een gedragswijze, die weer past bij hetgeen wij willen. Er zijn ogen­blikken dat losbandigheid misschien nog beter is dan vrome ernst; en er zijn ogenblikken, dat sterke wetenschappelijke logica veel noodzakelijker is dan in­nerlijk beleven. Het ligt er maar aan wat je doet.

De gedachten van een mens moeten eigenlijk door hem worden beschouwd als een werktuig. Hij moet niet zeggen: Wat zeggen mijn gedachten.  Hij moet zeggen: Wat ervaar ik als nodig? Hoe kan ik mijn gedachten en mijn gedrag, plooien om dat te bereiken?

O, niet dat ik u wil leren, dat het doel de middelen heiligt. Dat is iets wat mensen elkaar altijd leren, als ze middelen willen gebruiken, waarvan ze weten dat ze demonisch zijn. Neen, ik wil u alleen maar proberen duidelijk te maken dat u begrippen als bv, mensenliefde, naastenliefde, rechtvaardigheid, eenvoudig niet kunt vastleggen in één vaste lijn van denken, van begrip, in één redelijke samenhang. Het is elke keer anders. En zo bent u zelf ook. U bent vandaag niet dezelfde die u morgen zult zijn. En daarom is het belangrijk dat u vandaag zo goed mogelijk bent wat u bent. Maar meer nog, dat u met wat vandaag voor u geldt en voor u werkt en voor u leeft, dat u daarmee ook iets bereikt.

Er zijn mensen, die vandaag een mes hebben en zeggen: Morgen zal ik hout gaan snijden. Morgen hebben ze een steenbeitel en daarmee kun je het hout niet bewerken of heel slecht, U bent elke dag een werktuig door uw den­ken, door uw handelen, maar gebruik dan ook wat u bent op die dag om geeste­lijk en menselijk datgene te doen, wat nodig is.

Het is heel prettig om te praten over naastenliefde. Zoiets van: Hebt uw naasten lief, kinderen. En dat is volkomen juist. Maar naastenliefde is ook iets wat elke dag verandert. Naastenliefde is vandaag een aalmoes, morgen een kus, en overmorgen sjouwen. Naastenliefde is elke dag anders, om­dat je zelf anders bent.

Mijn hele denkwijze, mijn geloof, is eigenlijk dit: Als ik nu hier ben met mensen, dan moet ik in de eerste plaats proberen mens te zijn. Ben ik bij gees­ten, dan moet ik geest zijn. Gaat het om de techniek, dan moet ik technicus zijn. En gaat het om het geloof, laat ik mij niet schamen en theoloog worden. Het kan goed zijn. Verander jezelf, elk ogenblik weer, zo goed als je kunt, maar hou in jezelf die ene kracht vast: dat geloof aan de zin van je bestaan, aan een God, Die in dat bestaan werkt of – als dat misschien moeilijk is – aan een soort eeuwigheid. Een voortbestaan, waardoor alles, wat je vandaag doet, morgen ook nog ergens zin heeft.

Men zegt weleens: een mens bouwt zich een huis in de sferen. Dat kan best. Maar er zijn mensen, die hun hele leven alleen maar bouwen aan een centrale ver­warming en dan erg boos zijn, wanneer ze bovengekomen het ontzettend warm heb­ben aan de ene kant en ontzettend koud aan de andere kant. Een huis bouwen wil zeggen: graven, fundamenten leggen. Dat wil zeggen: timmeren, stenen opstapelen, een dak maken, maar ook meubels voor je kamers, sfeer scheppen zelfs en mis­schien een tuin aanleggen. Het zijn allemaal verschillende dingen, maar ze horen bij elkaar.

U leeft allen op aarde, en als u het mij zo vraagt, de meesten van u hebben al zo het een en ander achter de rug. Ze weten het misschien niet allemaal, maar u hebt heel wat beleefd. Daarvoor behoeft u zich niet te schamen, dat is mij ook overkomen. Ik heb heel wat op aarde rondgezworven. Elke keer leer je iets; je doet een bekwaamheid op. Je weet het misschien zelf niet eens, maar je hebt een handigheidje gekregen, je hebt een bepaalde methode van denken gekregen, een zekere begaafdheid om anderen te begrijpen misschien. En nu, vandaag, moet u daarmee bouwen. Bouwen in de zin van naastenliefde. Vergis u niet: bouwen in de zin van naastenliefde betekent: niet verwachten dat de naaste antwoord geeft op u, maar antwoord geven op de naaste. Naastenliefde wil zeggen: gewoon samenwer­ken. Per slot van rekening, als twee mensen trouwen, dan is dat wel geen naas­tenliefde, maar het komt er soms toch wel dicht in de buurt. Dan verwacht u toch ook niet dat de vrouw of de man de baas speelt. Indien dat gebeurt, is het geen goed huwelijk. Dan houden ze niet echt van elkaar. Je verwacht eigenlijk dat ze samenwerken, dat ieder probeert zijn functies zo te vervullen, dat de ander daar­door iets beter de zijne kan vervullen.

Waarom zou je dat dan niet overdragen op de mensheid? Wanneer een mens in nood is, dan help je hem natuurlijk. Maar het is niet belangrijk dat jij die mens helpt. Het is belangrijk, dat hij wordt geholpen, hoe dan ook. En als het mogelijk is om honderd mensen bij elkaar te brengen, die elkaar vrijwillig helpen, als ze in moeilijkheden zijn, dan heb je veel meer bereikt dan als je zelf met een ge­voel van “wat ben ik toch goed” honderd mensen helpt. Je moet je laten helpen en ook zelf helpen. Je moet deel zijn van het geheel. Dat is naastenliefde.

Een van degenen, die ik het meest bewonder (die op het ogenblik weer bij ons in de sferen terug is), heeft geprobeerd de mensen duidelijk te maken dat het er eigenlijk niet op aankomt, hoe je nu tot die samenwerking komt. Hij heeft gezegd: Je moet gebruik maken van alle mogelijkheden en alle middelen die je hebt, maar je moet het zo doen dat je niet voor jezelf een recht opeist: het recht om goed te doen of het recht om geholpen te worden, het recht om te bezitten, te geven of te ontvangen.

Het gaat er dus om dat je het met anderen tezamen doet, dat je met anderen tezamen bent. Toen men hem vroeg, hoe hij zich dat wel voorstelde, zei hij: Het is heel eenvoudig: Als wij samen lopen en er wordt er één moe, draag dan zolang zijn pak voor hem. Als hij uitgerust is en jij bent moe, vraag dan of hij een tijdje jouw pak wil dragen. Zo eenvoudig is het eigenlijk allemaal.

Het leven is niet moeilijk. Het is alleen maar moeilijk om de eenvoud er­van te vinden. Die eenvoud vinden wij niet, omdat wij teveel uitgaan van de be­langrijkheid van een mens of van een gedachte. Belangrijk is alleen maar dat we op het juiste ogenblik het juiste doen.

Nu zult u zeggen: Waarde vriend, zou u werkelijk een hoge broeder zijn en komt u nu hier om ons dat allemaal te vertellen? Ja. Ik kan u natuurlijk vertellen, hoe het bij mij in de sfeer is. Anders dan u denkt waarschijnlijk. Verbluffend. Elke persoonlijkheid die je bij mij in de sfeer ontmoet, is een wereld op zichzelf. Daarop raak je bijna niet uitgekeken. Het is een voortdu­rende verwondering. Bij de een sta je stil aan een Grand Canyon van gedachten; bij de volgende zie je de vruchtbaarheid in een oceaan van emoties. Iedereen heeft zijn wereld, met zoveel facetten. Maar wat heeft u aan die facetten, wat heeft u eraan wat ik in mijn sfeer heb. Wat heeft u eraan of ik grote woorden gebruik. O, ik wil u wel zegenen, als u dat prettig vindt. Maar is het eigenlijk niet veel beter om gewoon met elkaar de krachten te delen, die u en ik hebben, zo­als wij hier zijn. Ik wil gewoon met u mens onder de mensen zijn. Maar ik wil ook de kracht die de mijne is beschouwen als de uwe.

Het gaat er mij niet om u te vertellen wat wij willen en wat wij denken, of wat de juiste leefregels zijn. Ik zou u alleen willen laten voelen dat u erbij hoort. Ik kan u niet alleen helpen, u kunt mij ook helpen. Alleen als wij samen iets doen, kan het pas goed zijn. Natuurlijk, ik ken iets van het Goddelijk licht, zeker. Maar u kunt dat net zo goed vinden. Het gaat er niet om, of ik nu het Goddelijk licht ken of dat u het kent. Het gaat erom dat wij gezamenlijk leven in dat Goddelijk licht, dat is veel belangrijker.

Het is altijd zo gemakkelijk om een mooie opbouw te maken. Ik heb er in mijn tijd veel van geleerd. Ik heb vele systemen geleerd, hele hiërarchieën, waarmee je de hemel kunt binnendringen, en de namen van alle engeltjes en duiveltjes. In de eerste plaats hebben zij wel mooie namen als je het zo leert, maar als ze ook al bestaan, dan heten ze misschien Piet Jansen of zo. In de tweede plaats: het is toch niet belangrijk wie hoog is en wie laag. Het is belangrijk dat wij samen iets zijn.

Goddelijk licht vinden, kunt u op uw eentje misschien. Maar als u het ge­vonden hebt, dan moet u toch maar proberen het vast te houden. Want als wij gezamenlijk de Goddelijk kracht waarmaken door te leven in wat die kracht bete­kent, als wij niet alleen maar spreken over de Goddelijke liefde en niet zelf eens proberen haar waardig te zijn of haar waar te maken, maar altijd die Godde­lijke liefde zien als iets dat rond ons is, dat ons inhoud geeft, dat ons be­staan is, dan zijn wij toch veel verder?

Wij kunnen elkaar sprookjes vertellen. Dat gebeurt ook vaak. Je kunt er soms niet omheen. Ik ken heel hoge geesten, die altijd in gelijkenissen spreken. Maar ik ben bang, dat je dan van de mensen afdwaalt. Het gaat om de mens, als je met de mens spreekt. Ik ben nu wel geest, maar ik ben ergens toch net zo goed mens als u. Wij behoren tot dezelfde totaliteit. Wij zijn deel van diezelf­de persoonlijkheid. In ons werkt dezelfde kracht. Wij bestaan ten slotte in de­zelfde eindeloosheid van leven. Waarom zouden wij dan verschil maken?

U moet niet zeggen: O, hoge geest, sta mij bij. U moet zeggen: In God zijn wij één, broertje, geef mij een hand.  Dat is veel beter.  U moet niet redeneren: O, machtige die en die, doe dit of dat voor mij. Neen, u moet zeggen: Vrienden, dat is nodig, ik begin eraan, help me een handje. Heel eenvoudig. U behoeft de stof en de geest niet te zien als iets, wat ver van elkaar afstaat. Schaam u er niet voor te zeggen: Ik kan alleen niet verder, help me. En als een ander dat tegen u zegt, dan is het heel natuurlijk, dat u helpt zoals u kunt en zoals u voelt dat het goed is op dat moment.

Treed nu eens terug tot het eenvoudigste. U wilt soms iets en u zegt het niet. Waarom zou u het niet zeggen? U voelt dat iets goed is om te doen, maar eigenlijk zou u het toch maar liever even uitstellen. Waarom eigenlijk? Kunt u dan niet ergens een weg vinden, waarbij dat harmonisch is, waarbij dat mogelijk is?

Die geliefde vriend van mij heeft eens tegen de mensen gezegd: “Het is veel belangrijker elkaar één ogenblik van vreugde te geven, dan een heel leven lang de Geschriften te onderzoeken om God te vinden.” En hij heeft groot gelijk. Hij heeft gezegd: “Het is belangrijk om God in jezelf te vinden, maar is het niet belangrijker jezelf in God te vinden?”

Er zijn veel mensen, die u helpt. En u moet niet vragen: waarom? Natuurlijk, u heeft er een reden voor. Kunt u daar blij mee zijn, zonder te zeg­gen: “Nu moet die ander dat maar eens erkennen”? Dan is het goed.

Er zijn heel veel gedachten die u soms over anderen hebt. Kunt u er mis­schien eens iets van waarmaken, kunt u er een klein beetje licht aan geven? Dat is belangrijk. De gehele kosmos is één geheel, één en ondeelbaar, en wij zijn er een brokstukje van. Wij zijn één enkele regendruppel in die enorme regenbui van geestelijk vermogen, die voortdurend over dat materiële Al uitwasemt om het vruchtbaar te maken; om te zorgen dat de materie betekenis krijgt; om te zorgen dat én denken en vorm tezamen a.h.w. de oneindigheid omschrijft. Daarvoor leven we naar ik hoop een beetje gelukkig. Want als wij ongelukkig zijn, dan wijzen we alleen maar een deel van het bestaan af.  Wij kunnen gelukkig en geduldig zijn. We hebben alle tijd. We moeten nooit zo haastig zijn. Als we maar met elkaar zijn.

Nu zult u zeggen: Wat is nu de zegening? Ik zal proberen het u duidelijk te maken. Stel je voor dat je heel erg lang en hard hebt gewerkt. Je kleeft aan alle kanten, je voelt je vies en vlakbij is er een rivier of de zee. Je gaat het water in. Het is misschien wat koel, je schrikt er even van, maar dan is het net of niet alleen het vuil wegspoelt, maar ook de vermoeidheid. Wat nu eigenlijk de zee of de rivier is, dat is wat wij noemen: het licht, de to­taliteit. We werken en zwoegen en we hebben het weleens een beetje te kwaad met onszelf. Maar als wij dat voor een moment kunnen loslaten, voor een ogenblik kunnen zeggen: “Nu baden we in dat licht, helemaal ontspannen, laat nu Gods licht het werk maar eens doen,” dan voel je het vuil en de kleffigheid verdwij­nen, dan voel je dat je weer veerkracht krijgt. Dat is nu zegening.

Zegening is geen grote plechtigheid. Dat is soms nodig om een suggestie te wekken. Maar in feite is de hele zegening die wij hier bij elkaar hebben, als het goed is, alleen maar dit: dat we een ogenblik baden in het Licht en dat wij een beetje ontspannen zijn en dat we zo al die kleffigheid, dat vuil en dat on­behagen eens even van ons laten afspoelen. Dat wij even uitrusten.

Ja, ik weet het wel, u daar bent een beetje ziek; en u hebt ook wat last; en het is niet gezellig. Het zou eigenlijk tijd zijn om even te gaan rusten. Zo is het met ieder van u. Laten we het even vergeten. Geen grote woorden. We zijn met elkaar, geest en stof. Mensen onder elkaar. Hier is de oneindig­heid. Laat die oneindigheid nu even in ons doordringen; 5 minuten geen zorg. Laat de hele wereld maar even ploffen, dat geeft niet. Nu diep ademhalen. Het is misschien een beetje koud en een beetje kil en stil, maar laten we zor­gen dat we erdoorheen gaan. Even los durven zijn van alles. Gods licht rond ons. Er zijn er al een paar, die er iets van merken. En als je nu zo’n bad uitkomt, ben je wat uitgerust. Dan ga je je wat ontspannen. Maar eigenlijk neem je zo’n bad ook wel, opdat je beter kunt werken, opdat je het beter aan kunt. Het heeft geen zin je alleen maar te ontspannen en te zeggen: Wat ben ik heerlijk fris, nu blijf ik het.  Niet bang zijn weer vuil te worden.

We hebben werk te doen. Want zolang niet alle mensen innerlijk blij en ge­lukkig zijn, mankeert er toch iets. We horen bij elkaar. We moeten samenzijn. Niet met grote verschillen in kracht en in stand. We moeten samenzijn in dat ene Licht. Daar is heel veel te doen. Voor mij ook. Ik voel me ook weleens kleffig. Sommige aspecten van de wereld en ook wat ik zelf soms ben, als je die wereld bekijkt, maken je een beetje kleffig. Maar er is altijd licht om je schoon te wassen.

Ontspan je in de eeuwigheid. Maar heb je naaste lief door te begrij­pen, dat je moet samenwerken, moet samenzijn. Samen, doodgewoon. Niet met een bijzondere krampachtigheid, maar natuurlijk. Wij horen bij elkaar binnen God, binnen het Goddelijk licht; alle geest, alle mensen. Degenen, die vol­gens u in het diepste diep zitten. Degenen die nog blind zijn voor de wer­kelijkheid, net zo goed als degenen die misschien een ogenblik de oneindige vista kunnen genieten van een grote persoonlijkheid of misschien zelfs meer. We horen allemaal bij elkaar. Daarvan moet u uitgaan.

Wanneer men mij vraagt om iets over esoterie te zeggen op zo’n avond, dan kan ik zeggen: Dat is esoterie. En dat is ook magie. O, het is van alles. Het is mens-zijn. Het is meer, het is eeuwig-zijn. Het is een bron van alle kracht en alle mogelijkheden. Als je maar twee dingen durft doen: gewoon van­daag werken met wat je vandaag kunt en wilt en moogt bijdragen aan het geluk van anderen: de dienstbaarheid in jezelf t.a.v. het geheel. En morgen weer op een andere ma­nier. Nooit bang zijn om tegen een ander te zeggen: Help een handje. Nooit bang zijn om een hand toe te steken. De geest zal u heus ook weleens om hulp vra­gen. Sommigen van u weten wel dat dat gebeurt. Dan geef je die hulp. Niet als eerbiedige slaven en dienaren, maar als gelijken.

We zijn gelijk in God, gelijk in het Licht. En in die gelijkheid moeten wij – ieder op onze manier – eenvoudig werken en nog eens werken. Misschien in het vuil, in de ellende van de materie, als het niet anders kan, of in de disharmo­nie van bepaalde werelden en sferen en dan terugkomen en zeggen: Nu nemen we een lekker bad. We gaan even rusten en beginnen dan opnieuw. Elke dag anders en toch met dat ene zelfde als waarde van je leven: die verbondenheid in het on­eindige met alle dingen die de mensen wel liefde noemen en die eenvoudig be­rust op de samenwerking, waardoor je geluk voor allemaal opbouwt zo goed als je kunt. Zo zeg je dat. O, helemaal geen hoge geest, hoor. Als ik de kleinste on­der u ben en ik weet dit en u kunt het even met mij delen, dan ben ik net zo be­langrijk alsof ik de hoogste geest was. Dat weet u misschien nog niet, maar dat is het enig belangrijke.

Ik wil u alleen maar één ding bewijzen. Ik heb Licht. U heeft het ook. U weet het misschien niet. Maar misschien dat u het toch wat beter weet, als ik een ogenblik dat Licht wat laat uitstralen.

Alleen maar een beetje Licht….Alleen maar Licht…. Geen gebaren…. Maar wat ik heb aan Licht, dat deel ik met u … omdat wij gelijken zijn binnen God.

Misschien voelt u het een beetje.  Dat is nu het geheim van een hogere sfeer, zegt u. In feite is het alleen maar dat van een beter weten en beter voe­len, dan u misschien bewust doet. En als u het bewust doet, dan hebt u hetzelfde.

Als het even kan, maak ik nog eens contact met u buiten het medium om als u rust hebt, om nog even te laten zien wat Licht is. De geest kan soms zien, waar de materie een beetje doof voor is.

Dat is dan alles wat ik vandaag kan zeggen en doen. Ik ga aan het werk en ik hoop dat u uitgerust bent, dat u misschien een beetje gebaad hebt en dat u daarna ook weer komt.

Beeld van God, de lichtende waarheid die wij gezamenlijk maken, opdat de uiting gelijk is aan de kracht, die zich uit.

Vrede, rust, licht en kracht wens ik u allen. Maak er een gezellige avond van. Doe het met de kleine dingen zo goed u kunt, elke dag opnieuw.