Achtergronden van de magie

12 december 1967

Ik wilde vanavond met u spreken over enkele achtergronden van de magie, die indirect en ook direct te maken hebben met de mens en al datgene, wat in hem aan geestelijke mogelijkheid en waar­de bestaat. Ik zou daartoe enkele punten voorop willen stellen.

Leven en ziel zijn niet identiek, ofschoon leven in menselijke zin voortvloeit uit een actie van de ziel.

Geest is niet gebonden aan ziel of leven als een afzonderlijke eenheid, maar is een voortvloeisel uit het leven, dat een beperkende bepaling geeft t.a.v. de werking en reactiemogelijkheid in de ziel.

Alle interacties en relaties, die bestaan hebben voor de ziel of zullen bestaan voor de ziel, zijn te allen tijde in het totale bewustzijn actief; kunnen van daaruit weerspiegelen naar het waakbewustzijn; en zullen zowel de handelingen van de mens als ook zijn mogelijkheid om eventuele occulte of paranormale krachten aan te trekken mede definiëren.

Het zijn enkele stellingen om het eenvoudig te maken.

Op het ogenblik dat de mens in zichzelf komt tot een verge­telheid van zijn omgeving, zijn wereld en ook zijn eigen ogenblikkelij­ke relaties met die wereld, ontstaat een eigenaardige innerlijke be­slotenheid, waarbij niet meer de buitenwereld bepalend is, maar de in het ik levende waarden en mogelijkheden.

In het magisch denken wordt over het algemeen veel van die innerlijke wereld veruiterlijkt en voorgesteld. Maar de feitelijke magie ligt niet in de veruiterlijking, maar in de primaire inner­lijke waarde. Op het ogenblik nu dat de bewustzijnsdrempel zover verhoogd is dat geen bewust en direct contact met het heden meer plaats vindt, zullen alle relaties, die de ziel – en dus ook haar bewustzijn, de geest – hebben met alle sferen en werelden, actief kun­nen zijn. De instelling van het eigen ik zal hierbij bepalen welke invloeden optreden.

Een klein voorbeeld ter verduidelijking:

Indien ik geestelijk ben ingesteld, mijn doel is in een be­paalde sfeer en mijn bewustzijn voor de wereld als mens houdt tijde­lijk op mij te beïnvloeden, dan zal ik deze wereld of sfeer in mijzelf als werkelijkheid voorstellen en op grond van deze ervaring reageren volgens de wetten van die voorgestelde sfeer.

Denk ik echter aan een vroegere omstandigheid van leven, een vroegere incarnatie eventueel, maar eventueel ook een van de vele oertypen, die dus in de genen zijn vastgelegd op zuiver stoffelijk terrein, dan volgt een regressie naar dit terrein. Men gaat zich dus gedragen volgens normen, die nu niet meer gelden. Men heeft daarbij een kennis – over het algemeen beperkt maar toch wel aan­wezig – omtrent het verleden of de toekomst. Men reageert verder alsof de regels van die tijd, dat leven en die vorm van bestaan op dit ogenblik zouden gelden.

Nu moet u zich proberen in te denken wat dus in feite deze magie betekent. Zij is het ingaan in een andere wereld. Dat daarbij het lichaam blijft bestaan in de eigen originele wereld, maakt geen verschil uit, zolang de zintuiglijke beïnvloeding vanuit die wereld terugvalt tot nul; of – zo zij aanwezig is – is afgestemd op de we­reld of sfeer, waarin ik leef.

Hier spreekt men van harmonische resonans, omdat al datgene wat ik bereiken kan in overeenstemming moet zijn met het ook in de stof nog denkbare, het in de stof nog aanvaardbare.

Je kunt dus niet stellen dat je alle sferen, werelden of toestanden zonder meer zult kunnen bereiken. Het eigen voorstellingsleven bepaalt de wereld. En dat is een geestelijk element, dat wij ook terugvinden in bepaalde sferen.

De geest bepaalt het milieu door haar denken. Het is mijn voorstelling van dit verleden, waarbinnen ik de mogelijkheden van een verleden kan herbeleven. Het zijn mijn verwachtingen omtrent de toekomst, waarbinnen ik iets van een toekomstige realiteit van mijn wezen zou kunnen constateren. Op dezelfde wijze geldt, dat ik alleen een sfeer of wereld met daarin bestaande krachten of wezens kan be­reiken, zolang er voor mij een voorstellingsmogelijkheid is.

Dit is van groot belang. Wij zullen nl. in de esoterie en in de magie heel vaak te maken krijgen met iets, wat ons een vervalsing lijkt van waarden en soms van de werkelijkheid.

Dit is natuurlijk niet volledig concreet en reëel. Maar je kunt nu eenmaal een Nederlands gedicht niet letterlijk overzetten in het Engels, in het Spaans of ik het Russisch. Je kunt de voor­stellingswereld, die je hier hebt, niet gebruiken om de werkelijke behoeften en noodzaken volledig in de termen van een andere sfeer uit te drukken.

De belemmering die ontstaat betekent in de taal over het algemeen: het zoeken naar beelden, die zo goed mogelijk weergeven wat er aan de hand is. Die dus ongeveer een stemmingsvertaling gaan betekenen bv. in plaats van een woordvertaling.

Ditzelfde geschiedt dus in het ego. Omdat de totaal-uitdruk­king wordt teruggebracht naar de materie, zal elke vertaling in termen van die materie geschieden. En daarbij zullen alle hiaten in het bewustzijn binnen die materie, zowel als de neigingen die in die materie bestaan, het beeld dus beïnvloeden. De emotionele taal van het stofbestaan bepaalt de weergave van geestelijk bestaan, van erkenning van zielenkracht en van relatie met het werkelijke leven.

Het werkelijke leven nl. is niet alleen deze beperkte uiting. Leven is bestaan. Bestaan is – zodra men althans zich daarvan bewust moet zijn – ervaren. Ervaren is een definiëren van onderscheid, op welke wijze en in welke mate dan ook.

Het zal u duidelijk zijn dat de ziel in zichzelf geen onder­scheid erkent. De geest sorteert erkenningen en ervaringen. U zult in de geest bv. aantreffen alle hoogtepunten van bepaalde incarna­ties. U zult daarin verder aantreffen een groot gedeelte van de eigenschappen (en ook kennis), die genetisch op dit moment in uw lichaam ligt, maar ook – voor zover dit voor haar belangrijk is -van lichamen, die u in het verleden hebt gebruikt. Er is dus een reservoir van kennis. Dit reservoir van kennis is niet leven (onthoudt u dat goed!), maar het is de bestaansbeleving die hieruit voortvloeit.

Nu is materieel leven in feite te herleiden tot organische functies. En wanneer wij verder willen gaan, kunnen wij dit dus be­palen in moleculaire reacties en al datgene, wat daarbij te pas komt. Maar willen wij dus het stoffelijk leven nu even scheiden van het werkelijke leven (dus dit bewustzijn van de geest, dit reservoir van uitingsmogelijkheid, plus de existentiële kracht van de ziel), dan moeten wij zeggen: Elk leven in stoffelijke zin is een beperking van de mogelijkheden van de geest, maar tevens een selectieve beperking.

Alle redelijkheid en rationaliteit is nog een verdergaande beperking. In de magie kunnen wij de rationele beperking terzijde stellen, maar wij kunnen niet de ingebouwde materiële beperking terzijde stellen. Daardoor mag men als volgt redeneren:

Magie (en alle nu anders genoemde verschijnselen, die vroe­ger daaronder werden begrepen) omvat dus een uitdrukking van hogere waarde binnen de materiële beperking.

De voorstellingswereld van de mens bepaalt zijn mogelijkheden, omdat hij zonder deze voorstellingswereld niet tot een gerichtheid en eveneens niet tot een weergave van andere krachten kan komen.

Dit impliceert dat een wonder (een mirakel) dus in feite voortvloeit uit het onvermogen van de materie om de totaliteit van de werking die geestelijk bestaat en desnoods zelf gewekt is, te begrijpen. (Het wegvallen van samenhangen.)

Dit houdt ook in dat wij bij een esoterisch streven op een moment tot belevingen komen, welke schijnbaar strijdig zijn en daar­bij niet over voldoende termen (erkenningsmogelijkheid) beschikken in de stof, om de verbinding tussen deze schijnbaar tegengestelde waarden tot stand te brengen.

Ik mag dan verder stellen: Het geheel van een geestelijke bewustwording is dus niet af te meten aan de hand van een stoffe­lijke bereiking of een stoffelijk bewustzijn. Omgekeerd zullen de werkingen en mogelijkheden van het stoffelijk bewustzijn niets aan­duiden omtrent de werkelijke geestelijke bereiking. Slechts daar, waar geestelijke krachten – op welke wijze dan ook – manifest wor­den binnen de materie aan de hand van het eigen werken, is het mo­gelijk enigszins te constateren hoever men geestelijk zou kunnen zijn. Zou kunnen; want nimmer wordt het geheel van de mogelijkheden be­seft, doch alleen het deel van de geactiveerde mogelijkheden.

Dit heeft enkele implicaties. De mens die op aarde zeer veel weet, maar daaruit geen innerlijke kracht weet te putten en daaruit ook niet de inspiratie verkrijgt om a.h.w. zijn taak op aarde beter dan rationeel te verwachten was te vervullen, zal geestelijk een zekere achterstand vertonen.

Dat is natuurlijk niet prettig voor de intellectuelen onder u, die zich hier misschien aangesproken voelen. Maar het is mogelijk dat u nooit geprobeerd hebt met die krachten te werken. Probeert u het echter, dan zal blijken dat, naarmate de mogelijkheden die u mentaal bezit groter zijn, uw mogelijkheden om te werken met gees­telijke krachten eveneens groter zullen zijn.

Omgekeerd kunnen we natuurlijk ook stellen dat iemand die in zijn denken betrekkelijk simpel is en die desondanks geestelijke resultaten bereikt, een geestelijk betrekkelijk hoog plan bereikt moet hebben, omdat hij met de zeer beperkte materiële mogelijkheden en middelen nog zoveel resultaat tot stand kan brengen.

Ik wil nu trachten u iets te verklaren omtrent de magie van het materiële zijn, zoals deze in verband staat met de zielskracht.

De zielenkracht kan de levenskracht inhoud en betekenis geven. Zij kan haar a.h.w. bundelen. Maar zij kan niet zonder meer leven tot stand brengen.

Wanneer wij een voorbeeld willen gebruiken, kunnen wij aan de ziel denken als een net, gevormd uit kracht, waarin de op zich vluchtige elementen die tezamen “leven” heten, worden samengehouden voor een langere periode, dan zij tezamen zouden blijven rea­geren zonder dit. Dit is dus een eenvoudig voorbeeld.

Nu ga ik uit van het standpunt dat al hetgeen in mijn leven een uitdrukking vormt van een denkbeeld, voor mij een concrete ge­dachte ten gevolge moet hebben. Wie handelt zonder te denken kan weliswaar krachten van de geest in de materie vertalen, maar hij zal niet in staat zijn om zijn eigen behoeven over te dragen in waarden (de mogelijkheidswereld) van de geest en eventueel ook de eigen krachten van de ziel te activeren. Daarom geldt:

Elke stemming, die gelijktijdig een rationeel beeld oproept, dat verder gaat dan het normaal bereikbare, kan als magisch worden aangesproken, mits het gevolgd wordt door een periode van ont­spanning.

(Noot: Deze ontspanning is noodzakelijk, om bij een beperking van men­tale werkzaamheid de retournerende beelden en krachten vanuit geest en ziel ook voor het ik onmiddellijk kenbaar te maken. Krachten zullen – ongeacht de activiteit of niet-activiteit van de mens op mentaal terrein – zich uiten. Maar bij de ontspanning (de verwach­ting, zoals dat heet) krijgen wij dus een bewuste realisatie van de­ze krachten en daarmee de mogelijkheid hun gevolgen beter uit te buiten voor onze eigen doeleinden)

Elke poging om eigen geestelijk leven aan te passen aan uiterlijk geldende normen is in feite een aberratie, een afwijking t.a.v. eigen noodzaak en behoeven. Slechts de mens die uitgaat van zichzelf zoals hij is (en niet van een ideaalbeeld), zal in staat zijn een magisch resultaat te behalen.

Ook dit is logisch. Hoe meer ik met valse voorstellingen werk, hoe moeilijker het zal zijn om in de geest de nodige resonans en harmonie te wekken. En daardoor: hoe beperkter de mogelijkheden.

Al hetgeen ik eens geweest ben, zal zijn rol spelen in het heden. Ik bezit dus een geestelijk reservoir van kunde, kennis en ver­mogen, ook toepasselijk op aarde, mits ik daartoe toegang weet te vinden. Daar de mens meestal niet in staat is om zelf deze vroegere waarden voor zich onmiddellijk toegankelijk te maken, zal hij vaak als intermediair daarbij gebruiken iemand uit de geest (soms genius of dienaar genoemd, soms ook beschouwd als vriend, helper of meester), die dus a.h.w. de waarden van het ik helpt vertalen in materiële begrippen. Het onvermogen van de mens om onmiddellijk het eigen ik te begrijpen maakt het noodza­kelijk, dat een tussenschakel optreedt als vertaler.

Wanneer dit het geval is, zullen alle bereikingen uit het verleden en alle kunde uit het verleden (dus niet de fouten, maar de kunde en de bereikingen, de positieve waarden) gere­flecteerd worden in het heden en daarbij ingepast worden in het bestaande gedragspatroon of kader van streven.

Dit laatste is zeer belangrijk. Iemand die vroeger priester is geweest, tovenaar, slaaf, visser of iets anders, zal daarvan in het heden gebruik kunnen maken, zolang dit blijft binnen zijn nu aan­vaard beeld van het ik. Zodra men tracht de waarden van vroegere incarnaties uit te breiden tot functies, die niet als werkelijk deel van het huidig ik aanvaard worden, ontstaan gevaarlijke invloeden, die het mentaal evenwicht van de persoon zelf ten zeerste kunnen bedreigen.

Aangezien het denkbeeld van een innerlijke bewustwording in de meeste gevallen een kwestie is van ik-projectie naar het Hogere of Goddelijke toe, waardoor de feitelijke erkenning er één is van eigen idealen (en via deze idealen een bereiken van harmonie met een werkelijkheid, die niet beseft wordt), mag worden aan­genomen dat alle esoterisch streven op zichzelf nuttig is. Maar dat elke verstarring daarvan, een wegvallen van de werkelijke be­tekenis of waarde met zich brengt.

Zowel voor de magiër als voor de esotericus is er een voort­durende flux (dus een vloed van factoren als tijd, erkenning en mogelijkheid) in het eigen wezen, materieel en geestelijk. In deze flux komt tot uitdrukking: de eeuwige waarde. Daarnaast komen tot uitdrukking: de waarden van verschillende z.g. sferen (anders gezegd: niveaus van bestaanserkenning). Door deze flux nu dus te erkennen met al zijn voortdurende veranderingen, zal een voort­durende aanpassing aan de goddelijke waarde en de waarden van andere bestaansniveaus mogelijk blijven. Hierdoor zal men niet komen tot het fixeren (het nemen van een foto van een waarheid op één moment), maar zal men a.h.w. een film van de waarheid vinden, zodat men haar niet in een enkele pose vindt, maar in een totale en levende uitdrukking.

(Noot: De levende waarheid, die in de voortdurende flux en veran­dering tot stand komt, is de basis van het sterk en direct magisch werken. Zij is daarnaast de basis van een concrete vordering in het eigen ik, waardoor het Goddelijke toch beter in zijn waarde beseft wordt. Het ideaal zal zich in dit laatste geval voortdurend wijzi­gen, daar het zich meer en meer aanpast aan de werkelijkheid)

In het derde deel van dit betoog heb ik nog enkele opmer­kingen.

Denk aan de mens en aan de menselijke geest – ook zoals zij in u bestaat – niet als één vlak, als een soort lens, maar denk er eerder aan als aan een briljant. De menselijke geest, zijn mentaliteit en zijn eigen werkelijke geest hebben nl. zeer vele vlakken, waardoor een weerkaatsing van een goddelijke werkelijkheid mogelijk is.

Het zal u duidelijk zijn dat eigen instelling bepaalt op welk vlak de weerkaatsing plaatsvindt en daarnaast zal bepalen in hoever­re de ontstane flonkering naar buiten toe belangrijk kan zijn. U hebt zeer vele facetten in uw wezen, die elk voor zich bruikbaar zijn. Maar er moet licht zijn, d.w.z. er moet zielenkracht (en niet normale levenskracht) aanwezig zijn, die in dit facet van uw wezen op dit mo­ment aangevoeld en uitgedrukt kan worden. Daarom hebben in het leven al die dingen bijzondere betekenis en waarde, die iets van het in de geest bevatte weten, weer te geven; en daarmede iets van de functio­naliteit van de ziel in het totaal-Goddelijke.

Dan zou ik u er ook op willen wijzen dat alle wekken van krach­ten die wij in de magie maar ook in de esoterie tegenkomen, op die weerkaatsing berust. Maar er is nimmer sprake van één kracht of één weerkaatsing. Stel het u als volgt voor:

Er is een stroom van willen, een vorm van begeren dus of wensen. Deze gaat als water door een goot en drukt daardoor een hen­del over. Daardoor kan op een tweede niveau water worden toegelaten in een andere leiding. Daar geschiedt hetzelfde. Zo vier à vijf malen. Er zijn dus niet slechts één maar vier à vijf verschillende stromingen, elk op eigen niveau; en – om het iets eenvoudiger en duidelijker te zeggen – elk bestaande uit een andere vloeistof, dus met andere kwa­liteiten.

Nu is het belangrijke bij het magisch en esoterisch gebeuren niet slechts dat deze stromingen aanwezig zijn, maar dat zij t.o.v. elkander een zekere synchroniciteit bezitten. Dat zij dus voor de mens één sterke pulsatie vormen en niet een aantal misschien strij­dige invloeden. Om dit te bereiken is het misschien wel goed reke­ning te houden met lichamelijke invloeden, die onregelmatigheden kunnen veroorzaken.

U weet allemaal bv. dat de inwerking van de maan in uw eigen leven bepaalde verschuivingen van psychische reactie ten gevolge hebben. Houd rekening hiermede en werk slechts dan, wanneer u in uzelf gerust kunt zijn. Een gejaagd mens zal nimmer de verschillen­de krachten zodanig kunnen synchroniseren, dat zij een voor hem (en desnoods ook voor anderen) kenbare werking betekenen; en dat ze daarnaast de idee van de mens kunnen dragen, totdat een weerkaat­sing uit de geest ontstaat.

Dan zult u natuurlijk allemaal ook weten dat een mens een eigen ritme van energie heeft. Wanneer ik rustig ben en op het maximum van mijn energie gekomen, zal ik natuurlijk betere resultaten behalen. Dit betekent energie van denken. Onthoudt u dat goed. Het heeft dus niets te maken met lichamelijke energie, waar vele mensen vormen van ongedurigheid en gejaagdheid verkeerdelijk als energie plegen uit te leggen.

Realiseer u ten laatste in dit verband: Elke mens met zijn eigen levensritme, zijn eigen reactie op invloeden van buiten, weet voor zichzelf wanneer hij zich voldoende sterk gevoelt en wanneer hij zich voldoende rustig gevoelt.

Wanneer men dit niet ervaren kan, zal men zich moeten voor­bereiden, opdat die toestand wel ontstaat. De voorbereiding van de magiër, maar ook andere gebruiken zoals bv. de nachtwake van de ridder voor de ridderslag, vloeien hieruit voort. Het is het be­reiken van een bepaalde gesteldheid. Deze gesteldheid is nodig voor magische werking, maar ook voor contact met de grotere werkelijkheid van ziel en geest. De weerslag daarvan zal gevonden worden in de reactie van het lichaam en kan daardoor ook de levenskracht van dit lichaam enigszins beïnvloeden, maar niet in blijvende zin.

Met deze enkele kleine punten heb ik getracht het geheel enigszins af te ronden. De hoofdstelling, die ik vandaag heb willen duidelijk maken, is kort samengevat de volgende:

Uw ziel is de kracht van het werkelijke bestaan. De geest is de kenbare uitdrukking ervan. Uw stoffelijk wezen omvat of bevat niet de totaliteit hiervan, maar slechts een punt van beroering. Al datgene, wat stoffelijk bereikt wordt, is dus beperkt. Wanneer men rekening houdt, met de gunstigst mogelijke materiële con­ditie, zal men een zo gunstig mogelijke reactie kunnen krijgen vanuit ziel en geest; en als resultaat daarvan ook weer betere en meer bruikbare erkenningen of bereikingen binnen eigen verstandelijk nog vatbare wereld.

Ik hoop dat u het geheel uw aandacht waardig zult keuren. Ook hier geldt: schrap het voor u overbodige. Of beter gezegd: tracht uit hetgeen u bijzonder aanspreekt een samenhangend geheel te vormen. Indien u een volgende maal vragen wilt stellen, baseert u zich dan eens daarop. U zult ontdekken, dat uw persoonlijke reactie niet alleen een vergroting van uw zelfkennis ten gevolge kan hebben, maar daarnaast u duidelijk maakt, op welke wijze u een groter contact met uw ziel en geest waar kunt maken, zonder daardoor de voor u toch noodzakelijke materiële aanpassing aan uw eigen wereld te verliezen.

Na de pauze is er een bijzondere gast. Ik mag hem niet verder omschrijven of aankondigen. Ik kan u slechts zeggen, dat het in zijn bedoeling ligt met u enkele elementen van de z.g. verlossing te be­spreken. Ik hoop dat u ook hem de aandacht zult waardig keuren, die u ook mij hebt gegeven

De gastspreker

Vrede zij u.

Er was eens een koning. Hij was zeer beroemd om zijn grote wijsheid. Hij wenste echter dat alle dingen, die hij zou doen, zouden slagen. Want hij zag niet het vele, wat hij tot stand bracht, maar alleen zijn mislukkingen. Zo zocht hij de hulp van vreemde krachten. En ziet, hij doemde zichzelf tot ondergang, alleen omdat hij het goede niet kon zien.

In deze dagen, wanneer men zich bezighoudt met Kerstmis en met al die dingen van vrede, van de liefde Gods, handelen vele men­sen als deze koning. Zij zien het vele, dat anders zou kunnen zijn; maar zij zien niet het vele, dat goed is. En daarom zijn er velen op deze wereld dwaas. Want hij, die alleen maar ziet naar datgene, wat verkeerd is, hij ziet in het leven voortdurend de krachten van de­monen spelen. Hij gaat voorbij aan de engelen, die klaar staan om hem te helpen.

Je zou eigenlijk nog verder moeten gaan.

Er was eens in een dorp een man, een Jood, die zozeer opging in zijn zaken, dat hij met gebedsmantel en gebedsriemen om naar buiten snelde, om alvast vlug de assen van zijn wagen door te smeren, opdat hij – zodra de sabbat voorbij zou zijn – zou kunnen heengaan om voor zijn zaken te zorgen.

Een heilige man, die op dat ogenblik zich ter synagoge begaf, zag dit en hij riep uit: “O, mijn God, hoe vroom is dit volk, dat het zelfs bij het smeren van wagenraderen zich de herinnering aan de wet aanlegt en een mantel omhangt om U daarmee te eren.”

Hij had ook kunnen zeggen: “Hoe slecht van deze mens, dat hij hier op dit ogenblik, juist op deze dag van rust, arbeid verricht.” Maar hij zeide: “Zie, God, hoe groot en goed is Uw volk.”

Wanneer u in deze dagen en in het gehele leven de werkelijke liefde van God wilt vinden, wanneer u wilt proberen uit het leven het beste te maken wat er is, dan moet u spreken zoals deze rabbi deed. Ge moet zeggen: Hoeveel goeds is er zelfs nog in het verkeerde te vinden. Niet: hoeveel verkeerds vind ik nog in het goede.

In het geheel van de tijd en van het leven zoekt de mens naar de krachten Gods. En er zijn er velen, die tot God bidden en zeggen: “Hij geeft mij geen antwoord.” Maar moet God dan direct antwoorden? God antwoordt alleen, wanneer wij vragen uit onze nood. God antwoordt niet op al onze grillen.

De Vader heeft Zijn kinderen lief. Maar Zijn liefde betekent nog niet, dat Hij bestemd is om hen voortdurend aan te horen en voort­durend te vervullen wat zij van Hem wensen. De kinderen moeten zich­zelf maar bezighouden.

Wanneer u werkelijk een medemens wilt helpen, u hebt die mens lief en u kunt niet verder, dan vindt u een weg om toch verder te gaan, want dan is er de kracht van de Vader. En wanneer u het hele­maal niet meer weet, dan moet u niet zeggen; “Nu is alles verloren.” Maar dan moet u zeggen: “Hier komt God mij te hulp.” En dan is het al gebeurd.

Een mens is soms zo dwaas. Hij gaat naar God toe, klopt be­scheiden aan en staat dan te wachten, tot de heerscharen de poorten jubelend zullen openwerpen om aan al zijn vragen en al zijn behoeften tegemoet te komen. En als hij een tweede keer moet kloppen, zegt hij: “Ze luisteren niet.” En dan zoekt hij het elders.

Volharding, volharding in alle dingen is het begin van eso­terie, van bewustwording, van geloof, kortom van de ontmoeting, met het goede en met God. Wanneer je niet weet van volhouden, kun je ook nooit zeggen, dat iemand je in de steek heeft gelaten.

En er is veel goeds in uw wereld. Er zijn vele grote en goede krachten in uw wereld. Maar die krachten kunt u niet zomaar vin­den. U zult ze moeten zoeken. En wanneer u ze dan niet onmiddellijk ziet, moet u verder zoeken tot u het goede gevonden hebt.

Ik weet dat in deze tijd het Christendom en het kerstgebeuren vaak belachelijk schijnt. Wanneer je denkt aan engelen, die “vrede op aarde” zingen, dan word je een klein beetje bitter. En wanneer je denkt aan een hulpeloos kind in de stal, dan lijkt deze warme, barokke romantiek in strijd met de werkelijkheid.

Maar Kerstmis is eigenlijk niet de geboorte van het kind ergens in een stal. Het is eenvoudig de hergeboorte van het licht in onszelf. Het is de herinnering aan het licht dat wij misschien vergeten zijn.

In deze dagen Kerstmis vieren betekent niet: zien naar het vele wat verkeerd is op de wereld. Zelfs toen Jezus geboren werd, toen dit leven op aarde begon, was het in een wereld vol van on­gerechtigheid. De tempel was een plaats van koophandel. De wijzen en geleerden waren in feite dwazen en egoïsten, die zich verschans­ten achter de woorden van de wet of het gezag van de keizer. Er was veel honger en ellende in Israël. Er was veel honger en ellende en slavernij in de hele wereld. Ook in het mooie Griekenland; daar wa­ren ook slaven en die hadden het ook niet goed. Overal!

En toch werd het licht geboren. En toch was dit licht een nieuwe kracht. Maar horen we nu, dat Jezus uitroept: “O, wat zijn de mensen slecht.” Neen. Hij probeert duidelijk te maken, dat je van het kleinste eigenlijk nog iets groots kunt maken.

Ik herinner mij dat hij eens zei: ‘Wanneer je één ogenblik het goede durft verwachten en begint om het beter te maken, word je niet beschaamd. Maar wanneer je verwacht dat het goede geboren zal wor­den zonder dat je iets doet, dan zul je zien dat het onkruid op­schiet en dat de verwachte vruchten verdroogd zijn.

Hoe moet ik het anders samenvatten in een paar regels? Mis­schien zo:

In uw dagen verwachten de mensen allen het goede. Ze willen het goede bereiken. Ze willen het goede zien. Ze staan en ze wach­ten tot het goede komt. En ondertussen woekert aan alle kanten wat zij zien als kwaad. En zich beklagend over het kwade komen zij er niet toe het goede te doen. Zij moedigen slechts anderen aan het goede te doen.

Zij spreken over de liefde Gods. Maar ze brengen Gods liefde niet tot uiting. Zij proberen te voorkomen dat een ander Gods liefde onwaardig zal zijn. En dat is dwaasheid. God weet wie Hij liefheeft en waarom en hoe.

God heeft alle dingen lief. Maar in Zijn liefde laat Hij het kwade zichzelf zijn, tot het zichzelf beseft. Daar behoeft een mens niet voor te zorgen. Dat is iets van de Eeuwige. Het is voor ons niet belangrijk om anderen aan te moedigen nu beter te zijn. Het is voor ons belangrijk dat wij zelf iets wat goed is beter maken. Daarin ligt de kern van het kerstgebeuren. En daarin ligt de kern van Jezus’ leven, van zijn hele leer. Niet waar ik het goede kan vinden, maar hoe ik iets beter kan maken.

Er was eens een boer die een diamant had gevonden. Hij had de steen een beetje afgeklopt en hij wilde hem laten vatten in een ring. En toen hij het sieraad terugkreeg en de prijs had betaald, sprak hij tot zijn buren: “Ik begrijp niet waarom de mensen diamanten mooi vinden. Ik vind er niets aan. Ze zijn alleen maar duur.” En daarom verkocht hij het sieraad voor niet veel meer dan de ring hem gekost had aan een koopman. Deze deed de diamant splijten en liet hem slijpen, totdat hij een fonkeling had als de zon zelf. En toen zei de boer: “Je hebt me bedrogen.”

Dat gebeurt altijd in het leven. De mensen vinden in hun le­ven vaak diamanten van licht en van wijsheid en van kracht. Maar zij willen ze alleen maar vatten in hun gouden ring van menselijk berei­ken en menselijk denken. En wanneer ze dan met veel moeite tenslotte voor dit gevonden kleinood een redelijke vatting hebben, dan zeggen ze: “Het valt me toch tegen.” Maar dat komt omdat je de steen eerst moet slijpen.

Je draagt in jezelf onvermoede mogelijkheden. Maar hoe kun je die mogelijkheden ooit openbaren, wanneer je niet in staat bent om jezelf een klein beetje a.h.w. te polijsten? Hoe kun je die mogelijk­heden ooit laten blinken, wanneer je ze niet ontwikkelt? Het gaat er niet om hoe wij het geheel omkleden; het gaat erom wat het kost­bare zelf is.

In deze tijd let men veel meer op de zetting dan op de steen. En daarom zijn er zovelen ontevreden. Want de flonkering die ze hadden verwacht, is er niet.

Wanneer ik wil spreken van Gods liefde, dan moet ik niet spre­ken over de manier, waarop wij Gods liefde moeten uitleggen of beleven. Dan moet ik gewoon zeggen: “Kijk, als ik vertrouw, is Gods lief­de er.” En dan moet ik tegen elke mens zeggen: “Vertrouw op je eigen wijze. Roep God op je eigen wijze. Vind Hem op je eigen wijze. Beleef Hem.”

Beleef Hem niet alleen in een bepaald facet van het leven, maar in alle denkbare facetten. Zie Gods liefde niet als een ver­bodsbepaling, die maar één klein hiaatje openlaat waar een klein beetje licht uitkomt, maar als iets wat het hele leven doordrenkt. En probeer dan in alles van je leven iets van die kracht, van dat licht, van die liefde te vinden.

Dan kun je later weleens een keer – wanneer je tijd hebt – een vatting ervoor maken. Dan kun je de gedachten vinden, die erbij horen. En misschien de mooie woorden. En misschien zelfs het gewaad, dat erbij past. Maar die dingen zijn bijkomstig.

Als u mij vraagt wat de moeilijkheid is van uw dagen en uw tijd en vaak ook van uw eigen denken en streven, dan zou ik zeggen, dat men de kostbaarheden haast onzichtbaar heeft gemaakt in het leven door alles wat men er omheen heeft geplaatst. Men zoekt de perfec­tie in het ornament; niet in het wezen. En toch kunnen wij uit de kleinste dingen vaak een innerlijke schoonheid opbouwen die ons al­tijd weer helpt om het goede te vinden, om het goede te zien.

Je kunt natuurlijk een dwaas zijn zoals de man, die omdat zijn ezel de lasten niet wenste te dragen ze zelf droeg. En toen de ezel nog meesleurde en tenslotte ook ging dragen. Je kunt een wijze zijn als de man, die haast had. En toen de ezel hem niet wilde volgen, het dier eenvoudig aan een boom bond en zelf verder ging.

Ik geloof dat we al te veel de behoefte hebben om alle dingen met ons mee te nemen. Het achterlaten van de dingen, dat Jezus leerde, was wel erg moeilijk. Het betekende heel vaak, wanneer je een paar bruikbare schoenen had en een paar nieuwe, dat je de nieuwe dan maar aantrok en daarmee verder ging met pijnlijke voeten en dat je het zon­de vond de oude achter te laten, alleen omdat je bang was iets kwijt te raken.

Zo lijkt het me ook in uw tijd vaak. Je bent zo bang om iets kwijt te raken. Maar wat je denkt te verliezen, dat heb je nooit be­zeten. Dat is niet werkelijk van jou. Wat je werkelijk hebt, is alleen datgene wat je nu hebt. Dat is het goede dat je vandaag hebt. De glimlach van vandaag gaat nooit teloor. Maar de zorg voor morgen blijft eeuwig, want morgen is nooit nu.

De problemen waarmee je worstelt zullen altijd problemen blij­ven; want als je ze oplost ontwikkelen ze zich tot nieuwe problemen. Maar dat ene vonkje waarheid dat ik niet eens verklaren kan, dat ik met me draag, is eeuwig. Dat is onvervreemdbaar. Wat wij vinden aan positieve dingen en aan het goede, dat is onvervreemdbaar, dat is ons eigendom.

Maar ja, misschien vindt u dat ik een slechte prediker ben. Misschien ben ik dat ook wel.

Ik zou u dit willen zeggen: Of het nu Kerstmis is of niet, er is altijd rond je een licht en een kracht, waarop je een beroep kunt doen. Wanneer je tenminste bereid bent om alles in dat licht te zien. Op het ogenblik dat je dat licht kwijtraakt, is er geen goed meer. Het goede is, wat je zelf uit God legt in de dingen rond je. Wat je legt in jezelf.

Erken desnoods uw eigen fouten, maar werk met uw deugden. Erken uw eigen dwaasheid, maar werk met dat beetje wijsheid dat u bezit. U kent misschien alle problemen voor de komende jaren, maar werk met uw mogelijkheden van vandaag aan vandaag.

God zorgt voor alle dingen. God is een liefde, die niet alleen maar een kindje in Bethlehem geboren laat worden. God is ie­mand of iets dat altijd weer licht geeft. Maar hoe kun je tenslot­te licht ontvangen, als je het niet wilt aannemen?

U zit hier bij elkaar, zoekers naar wijsheid, zoekers naar esoterische bewustwording, zoekers naar verklaring voor de proble­men van het leven. Wat zijn eigenlijk uw positieve kanten? Wat zijn de positieve dingen in uw leven? En niet de problemen die u hebt. En ook niet de reden, waarom u probeert te ontvluchten aan uw eigen aardse werkelijkheid. Die heb ik niet nodig.

Wat is er goed voor u? Wat leeft er voor u, nu? Wat is nu belangrijk? O, niet wat voor banden u hebt of wat voor verplichtin­gen. Wat is er belangrijk, nu? Wat is uw vreugde? Wat kunt u doen om uzelf of de wereld of het leven een ietsje beter te maken, nu? Dat is alles. Dat is God. Dat is Gods liefde. Dat is Kerstmis. Dat is Christus.

Jezus heeft in zijn vele leringen nogal eens wat dingen ge­zegd, die schokkend waren; zeker in die tijd. Misschien heb ik hem niet eens altijd helemaal goed kunnen begrijpen. Maar ik herinner mij die avond, toen we nogal veel gelopen hadden en veel last gehad van mensen die allemaal genezen wilden worden. En we waren alle­maal een beetje moe en een beetje prikkelbaar. En toen zei Jezus tot ons: “Ga eens naar dat huis en vraag of zij voor ons een beetje wijn hebben.” En tegen een ander zei hij: “Ga naar de vrouwen en vraag of je iets van het vers geputte water moogt hebben.” En hij mengde water en wijn door elkaar en zei: “Laat ons drinken en vrolijk zijn.”

Toen dachten we allemaal: Is dat nu alles? En toen zei Jezus tegen ons: “Je bent teleurgesteld, omdat ik je geen lering geef. Maar jullie zijn moe en wat nors. Hoe kun je begrijpen wat ik je zeg? Daar­om, drink en wees vrolijk. Want hij, die in zich het leven vreugdig erkent, zal openstaan voor de kracht die de Vader hem geeft.” Dat zal ik nooit vergeten.

Ik weet wel, er zijn anderen bij ons die het een beetje droe­vig hebben gemaakt. Petrus bv. (de mensen zijn hem later zo gaan noe­men, maar hij heette gewoon Simon), dus Simon of Petrus was zo gekrenkt door zijn eigen schuldbewustzijn dat hij eigenlijk niet anders kon dan voortdurend wenen over hetgeen hij had nagelaten. En pas tegen zijn dood – dat heb ik later van een ander gehoord – kon hij een ogenblik blij zijn om wat hij geweest was.

Wij gaan misschien allemaal ergens naar een kruisiging toe op de een of andere manier. En misschien ook niet. Misschien gaan we zo eenvoudig een hemel binnen. Ieder van ons. Wie zal het zeggen?

Maar wij weten één ding: Wanneer wij vandaag vreugde kennen, wanneer wij vandaag Gods licht erkennen, wanneer wij de moed hebben om vandaag te doen wat wij denken dat nu goed en juist is voor ons­zelf, voor de wereld, voor anderen – ook voor onszelf – dan spreekt God. Dan is Christus met ons, want dan wordt de eenheid van leven en wereld uitgedrukt. Dan is er een kracht die niet te ontkennen is. Een kracht, die het je mogelijk maakt om alles te doen wat je eigenlijk onmogelijk achtte.

Jezus zond ons een keer uit om zieken te genezen. Er was een man, die grote verzweringen had aan het oog en halfblind was. En die kwam bij mij om genezing.

Ik durfde het eigenlijk niet. Het zou een te groot wonder ge­weest zijn. Maar op een gegeven ogenblik heb ik gedacht: Wat geeft het? Ik wil het in ieder geval proberen. Ik wil het proberen, dood­gewoon. Want Jezus heeft mij zoveel gegeven, daar moet ik toch iets van kunnen doorgeven.

O, er is niemand meer verbaasd geweest dan ik zelf dat hij genas. Je zag het zo wegtrekken. Hij zei dat hij genezen was. Maar ik zag dat die genezing nog aan de gang was. Doch de man voelde zich ineens gelukkig en genezen. En ik had het gedaan en ik wist niet eens hoe.

Toen heb ik iets begrepen van wat Jezus ons altijd heeft geleerd: van dat gelukkig zijn, dat vrolijk zijn. Hij heeft toch niet ge­zegd dat we droevig moesten zijn. Hij heeft toch niet gezegd dat we ons strikt aan een wet moesten houden of zo. Hij heeft gezegd dat wij moeten leven uit de liefde Gods. Hij heeft ons ook gezegd dat wij moes­ten leven uit de kracht van de Vader. En dan gebeuren er dingen, waar je je over verbaast.

Kerstmis in deze tijd zou eigenlijk de terugkeer moeten zijn voor u allemaal naar dat primitieve wonder. Dat heel kinderlijke. U kunt het misschien niet helemaal begrijpen.

Kijk, kinderen zijn erg lastig. Ik heb het heel vaak gezien. Dan kwamen ze bij Jezus om te vragen of hij een verhaal wilde vertel­len. Want Jezus vertelde goede verhalen, ook aan de kinderen. En dan maakten ze lawaai en ze speelden en ze luisterden niet eens goed. En ze drongen zich op. Maar ze kregen altijd hun zin.

Weet u waarom? Omdat Jezus ons gezegd heeft: “Kijk eens, deze kinderen nemen geen genoegen met “nee”. Ze houden aan. Primitief, misschien een beetje zelfzuchtig; maar ze houden aan. En wanneer ze iets niet begrijpen, dan vragen ze het. En wanneer ze iets willen doen, dan proberen ze het. De kinderen staan dichter bij God dan jullie.

De mensen van vandaag willen het allemaal perfect hebben. Ze willen het weten. Ze willen a.h.w. een verzekering hebben dat alles goed zal gaan. En ze kijken naar alle dingen, die verkeerd gaan. En ze zeggen: “Zoveel gevaren, dan kunnen we toch beter niets doen.”

Maar dat is nu juist hetgeen ik u vandaag zou willen vertellen: Je wantrouwt zo vaak jezelf, omdat je in feite God wantrouwt. Je wantrouwt zo vaak God en de geest en alles, omdat je zoveel ver­keerde dingen ziet.

Zoek het goede. Zoek naar dat ene lichtje, waarop je je rich­ten kunt in de nacht. Want als het zo donker is, kun je tenminste een richting aanhouden. Zoek naar dat ene kleine vonkje, waarvan je zegt: dat zou goed zijn. Of: dat zou prettig zijn. Dat zou leuk zijn. Ik voel dat dit mogelijk is en maak het waar.

Zeg niet: Ach, wat is er veel haat en veel strijd in de wereld. Vraag je af: Op welk punt kan ik nog goedheid zijn, geven, vinden. Dat is het hele raadsel.

O, ik weet het wel, u spreekt hier veel over allerhand lerin­gen van waarschijnlijk psychologie en esoterie en de magie en al wat erbij komt. Maar laat mij u één ding zeggen: Al die dingen zijn een aanloop, meer niet. En wie is er dwazer dan degene, die een aanloop neemt zonder ooit te springen? De sprong die je waagt is een sprong in het onzekere, dat geef ik u graag toe. Maar het is dan toch ook het onzekere, waarin je God vindt, waarin je vertrouwen kunt hebben.

Het is Kerstmis. En Gods liefde lijkt ontzettend ver weg. Het gaat Kerstmis worden en de hele wereld … nu ja, draagt een karton­nen vouwstalletje met zich mee, om er dan tenminste nog aan te den­ken en er zo iets aan te doen. Terwijl u vandaag zoveel kunt.

Natuurlijk, u moet geloven. Maar als je gelooft in een God, wanneer je gelooft in een Kracht die ons geschapen heeft en lief­heeft, wanneer je gelooft in een Christus (in de kracht van Gods Liefde, geopenbaard in alle schepselen en bij voortduring), dan kun je veel meer dan je ooit vermoed hebt. Dan is er veel meer licht en vreugde in de wereld dan de meeste mensen erkennen. Dan is de onzekerheid alleen maar de onzekerheid van gebeuren, maar niet van bereiken. Laat ons de bereiking stellen als het belangrijkste. Laat ons niet spreken over de kracht, die wij misschien willen hebben; maar laat ons spreken over dat weinige, wat wij kunnen doen en voor de rest vertrouwen.

Het is soms moeilijk, ik weet het. Ik heb het zelf doorge­maakt. Maar het is de enige methode om te bereiken.

Ik zal u nog één verhaal vertellen en dan kunt u rustig huiswaarts gaan. En misschien vergeten.

Jezus zat samen met Johannes. Dat was kort nadat Jezus de gelijkenis had gegeven van de goede herder. En toen maakte Johannes de opmerking (hij was van goeden huize zoals u misschien weet), dat schapen ook weleens stinken. En dat het weleens lastig was om de schapen te aanvaarden.

En weet u wat Jezus toen zei? Hij zei: “Johannes, wanneer je een herder bent, wat gebeurt er dan?”

Toen zei Johannes: “Ja heer, die rieken ook naar schapen.”

“Juist”, zei Jezus, “En dat is nu het grote geheim van de herder. Niet dat hij zijn kudde tracht op te heffen tot zichzelf, maar dat hij zichzelf maakt tot deel van de kudde. En slechts in zoverre zichzelf blijft, dat hij – waar de kudde faalt – zelf kan leiden. De herder is niet iemand die de kudde tot iets anders maakt, maar zorgt dat zij als kudde gezond en goed is”

Toen zei Johannes tegen Jezus: “Heer, ik begrijp het. Ik moet niet trachten te zijn zoals u, maar te uiten wat gij in mij legt.”

Toen begon Jezus te glimlachen. En hij zei tegen Johannes: “Zo eenvoudig en zo vertrouwend zijt gij dat ik niet anders kan dan u liefhebben.”

Dit is feitelijk gebeurd. De woorden zijn anders, maar zo was het. En ik heb even een beetje vreemd zitten kijken en ik ben mis­schien een beetje jaloers geweest. Maar tenslotte heb ik begrepen waar het om ging.

Niet om méér te zijn, maar om goed te zijn. Niet om wonderen te doen en de wereld te regeren, maar om als deel van de wereld de wonderen van de wereld waar te maken.

Dat is nu mijn hele betoog. Maak waar wat er in u leeft. Maar maak daardoor de wereld wat beter. Maak waar wat er in u aan ge­dachten is. Maar dan datgene wat licht kan geven, wat een beetje vreugde betekent. Maak waar wat u voelt als goed. Niet morgen, maar vandaag. Wees vrij en laat alle dingen achter u, behalve het goede.

Dat is eigenlijk alles. Erg eenvoudig.

Maar ik kan u wel één ding zeggen: Deze eenvoud is voor mij eens het begin geweest van vrede; en daarna van het licht in deze wereld. En ik geloof dat ze dat voor u ook kan zijn. En wanneer je het licht in de wereld eenmaal gaat erkennen, is er geen duisternis meer. Dan is er alleen nog maar de vreugde van het deel-zijn van het leven, waar dan ook.

Dat is alles. Ik zei u al, ik ben nooit een goed prediker geweest. Het enige wat ik de mens ooit heb kunnen leren, is: om in vreugde samen te zijn met God, beseft in je midden.

Dit is een kerstwaarheid, die altijd geldt. En daarom hoop ik dat ik u toch iets heb kunnen geven, al is het maar het besef dat er licht is. Dat er goede dingen zijn. Dat er leven is dat werkelijk ge­leefd wordt in licht en met God en met kracht. En dat het voor u openligt op elk ogenblik dat u zelf wilt zoeken naar het licht en het goede en wilt zeggen: “Ik wil trachten daarin iets van mijzelf te leggen, zodat het beter is in de wereld.”

Maar toch: Vrede met u. Dat wij de vreugde van het Licht allen mogen kennen in de kleine dingen van altijd.