Achtergronden van de nieuwe wereldleer

oktober 1964

Achter de gedachten van de moderne wereldleer verschuilt zich het wezen van een Wereldleraar, die reeds vele malen op aarde is geweest en wiens werken op aarde dan ook ongetwijfeld ten dele voortvloeien uit zijn eigen erkenning van de menselijke noodzaken en onmogelijkheden.

Uit zijn leer wil ik vandaag trachten de meer praktische punten naar voren te brengen, die zo sterk slaan op de wereldsituatie van vandaag en die ook bepalend kunnen zijn voor de misvattingen, die er in deze dagen in de wereld heersen.

Ik citeer:

“Dat wat gij zijt, zijt ge krachtens uzelf. Zo gij uzelf waardeert naar uiterlijkheden, zo zult ge nimmer uzelf kunnen zijn en zijt gij niets in het oog van de Eeuwige.”

Hier stelt de Leraar zich wel sterk op tegenover de waardering van uiterlijkheden, die deze wereld op het ogenblik regeert.  Het gaat hem niet om aanzien, om prestige, ja zelfs niet om prestatie. Zijn leer, zijn wezenlijke gedachte gaat uit van de mens zelf, van de kracht die in de mens is gelegen en van de wijze waarop hij zich in het leven als mens weet te tonen.

In vele voorbeelden tracht hij de mensen duidelijk te maken, dat de leer van leven en geloof niet een abstracte is.  Hij spreekt daarom over vele figuren en gebruikt daarbij uit de aard der zaak de termen van de omgeving, waarin hij zijn lessen geeft.  Zo spreekt hij bv. over Jezus als; Jesu ben Mirjam.  Hij geeft daarmee aan, dat hij zich losmaakt van een formele opvatting.

Wanneer hij over Jezus spreekt, dan is wel zeer opvallend dat hij letterlijk zegt:

“Want ziet, wat hij sprak was de waarheid van zijn dagen.

En de waarheid, die hij sprak bestaat nog steeds; maar waar de wereld verandert, veranderen de termen.

Hij, die met een stenen ploeg wil ploegen, zal de mindere zijn van degene, die ploegt met de nieuwste, de moderne ijzeren ploeg.”

Hier maakt hij duidelijk, dat men de termen van de leer moet omzetten.  Niet de leer moet men aantasten, maar men moet het beeld dat die leer schept (het verouderde beeld) vervangen door een nieuw.  En hij begint dan ook dit meteen te doen.

Er zijn in de volgende uitspraken, die ik achtereenvolgens citeer enkele punten door elkaar gelopen.  Wij treffen daar naast vergelijkingen over het Christendom nl. ook vergelijkingen en beschouwingen aan over over de Islam; gezien de plaats waar hij deze leringen geeft, is dat begrijpelijk.  Het volgende neem ik weer letterlijk uit zijn beschouwingen, zij het vertaald.

“Wanneer in het verleden het mosterdzaadje een vergelijking kon zijn, omdat het uitgroeit tot een boom, zo moeten wij nu spreken over de gedachte, die uitgroeit tot een wereldproduct.  Want het is niet het wonder van de groei alleen, maar het wonder van het onschijnbare, dat wordt tot een waarde voor velen.

Wij mogen niet spreken alleen over het geloof van de grootte van het mosterdzaadje.  Wij moeten spreken over de oorspronkelijkheid van ons wezen en onze aanvaarding van het leven.

Als deze nog zo gering zijn, zo kunnen zij voor onszelf en de wereld onmetelijk veel vruchten brengen; maar dan moet het zaad tot boom worden.  Dan moet de idee worden tot de praktische handeling.

 “Wanneer de heilige oorlog wordt gepredikt, zo wordt hij niet gepredikt tegen de stad Mekka en haar bewoners, maar tegen de afgoderij die zij plegen.  De krijg is een krijg van ideeën, maar zij wordt uitgevochten met de wapens van de stammen der woestijnen.

Zo is de strijd, die wij strijden, een strijd van geestelijke erkenning en geestelijke ideeën. Maar wij moeten deze strijd uitdragen naar de werkelijkheid, waarin wij leven.  Onze wapens zijn onze daden.  Met onze daden kunnen wij de valse goden van hun troon storten, niet met onze gedachten.”

“Wanneer ik u zeg, dat er één is, die de zoon van God wordt genoemd, zo glimlacht gij en zegt: Hij was een profeet.”

En zo ik u vraag: Waar zijn de profeten van deze dagen? Zo zegt gij: ‘De Alvermogende de Eeuwige heeft om Zijn redenen de profeten weggenomen van deze wereld.’

Ik zeg u echter: Elk onzer is een kind Gods.  En indien hij de kracht Gods door zich uit, zo is hij waarlijk een zoon Gods.

Gij zegt: ‘Er zijn geen profeten.’

Maar ik zeg u: Eenieder, die de hoge kracht in zich ontvangt, wordt tot profeet.

Profeten en gezondenen zijn niet zij, die u spreken in holle taal en hoge woorden, doch zij die u leren hoe gij uw geluk vindt reeds op deze wereld.”

Een typisch beeld dus van een Wereldleraar, die uit verschillende geloofspunten steeds weer terugkeert tot de hedendaagse werkelijkheid en de mens daarbij tracht duidelijk te maken, dat het niet alleen gaat om de geestelijke leer, maar om de praktijk.

Hij gebruikt daarbij soms vergelijkingen, die buitengewoon aardig zijn. Er zijn in een bepaalde streek van Pakistan zilversmeden, die buitengewoon trots zijn op hun werk.  Tot hen sprekende neemt hij het beeld van hun arbeid.  En daaruit vormt zich het volgende patroon:

“Ik zeg u: De gedachte is zonder waarde, zo zij niet haar bevestiging vindt.”

Dan zeggen zij: “Meester, waarom?” En zijn antwoord is:

“Zo gij een sieraad maakt, hoe vormt gij dit?”

Ze zeggen: “We bewerken het zilver.”

En dan zegt de wereldleraar – en ik citeer nu weer letterlijk – het volgende:

“Gij ziet in uzelf het sieraad en werkende ziet gij een deel daarvan waar worden.  En telkenmale wanneer gij uw arbeid ziet, herschept gij in uw gedachten.  En hoe meer gij herschept, hoe groter de schoonheid van het sieraad dat gij maakt.”

Ik geloof, dat ook hier een zeer typische en ook moderne strekking in dit betoog van de wereldleraar ligt.  Want indien wij alleen willen scheppen, willen verwerkelijken wat in ons vaststaat, dan zullen wij over het algemeen mislukken.  Maar indien wij een denkbeeld hebben en wij durven beginnen om dit denkbeeld te verwezenlijken zonder – zoals die smeden dat doen –  dat eerst in een tekening, in plannen uit te werken, dan zullen wij in dat begin steeds weer de mogelijkheid zien tot verbetering, tot wijziging.

“Scheppen,” zo zegt hij letterlijk, “is geestelijk en stoffelijk niet een proces van concept en verwezenlijking, maar van een voortdurend ontvangen van nieuwe waarden en begrippen, waardoor de arbeid zelf een compilatie wordt van vele denkbeelden, uitgaande van een enkel begrip, van een enkele daad.”

Er zijn aan onze Wereldleraar natuurlijk ook andere zijden.  Hij is vaak mysticus; en sommigen van zijn woorden hebben inderdaad die verheven vaagheid of die dichterlijke schoonheid, die menig gelovige zo dierbaar is.  Maar altijd weer komt hij daarnaast terug tot de werkelijkheid van deze dagen en die werkelijkheid is er niet één, die de idealist zo gemakkelijk kan aanvaarden.

Zo zegt hij:

“Begeert gij de vrede?”

Als ze antwoorden: “Ja, Meester,” dan komt hij – ik citeer weer – met de volgende uitspraak:

“Gij begeert de vrede.  Zult ge uw vrede verdedigen?

Zo ja, zo breekt gij de vrede.  Zo neen, zo zal men u vernietigen.  Wat zult ge dan doen om die vrede tot werkelijkheid te maken?”

En dan zegt er één: “Strijden.”

Hij antwoordt letterlijk:

“Zo gij strijdt, vernietigt gij de vrede, die in uzelf bestaat.  Gij brengt de anderen geen vrede.  Zo sterft de vrede door uw wil haar te verdedigen.”

Dan zegt er één: “Sterven.”

En dan zegt de Meester:

“Indien ge sterft, blust gij de vrede uit, die in uw wezen woont – althans voor deze wereld.”

Dan staan ze allemaal perplex en zeggen: “Heer, hoe moeten wij dan handelen?”

En dan is het antwoord geloof ik ook weer zeer toepasselijk voor de hele tijd. Hij zegt:

“Behoud de vrede in uzelf en tracht de vrede te vinden met hen die u bedreigen door hen te volgen, niet door hen te ontgaan.  Want hij, die meewerkt met degene die hem bedreigt, is onoverwinnelijk.”

Een concept, waarvan menig strateeg misschien zou rillen. Een concept, dat vele mensen zullen verwerpen, omdat zij menen dat de tegenstander onaanvaardbaar is.  En toch is dat eigenlijk de enige methode, die werkelijke vrede geeft.  Want hoe kun je iemand bestrijden, die je ijverig helpt om zichzelf te bestrijden?  Hoe kun je iemand doden, die – wanneer je wens kenbaar wordt – al op het punt staat zichzelf te doden?  Hij ontneemt je elke mogelijkheid om iets te doen, doordat hij het zelf doet.  Hierdoor is hij onoverwinnelijk en zal zijn idee het idee van elke tegenstander overwoekeren.

Het is misschien opvallend, dat dit concept bijna onmiddellijk werd gevolgd -nl. de volgende middag – door een betoog, waarbij het ging om een godsdienst.  Er was in die dagen tussen Moslims en Hindoes een tamelijk felle godsdienststrijd aan de gang.

Zij vroegen: “Heer, moeten wij dan Hindoe worden met de Hindoes?”

En de Meester antwoordt letterlijk:

“Of gij nu bidt tot uw God voor hun beelden of in de beeldloosheid van uw eigen kerken, gelooft gij dat uw God u minder zal horen of antwoorden?  Indien gij komt tot de waarheid, meent ge dat de waarheid u zal vragen, welk gewaad gij draagt?

Er is slechts één waarheid.  En deze waarheid kunt ge slechts in uzelf vinden en erkennen.

Is het dan belangrijk, wie zegt uiterlijk die waarheid te bezitten?”

Een veroordeling, zoals u merkt, van alle dogmatisme.  Maar juist voor de dogmaticus het meest gevaarlijke dat er bestaat: nl. de aanvaarding van elke uiterlijke norm om binnen de mogelijkheden van die norm het innerlijk wezen en de innerlijke waarheid voortdurend te beleven; uw vormen en mijn waarheid a.h.w.

Het zal u duidelijk zijn, dat sommigen dat onaanvaardbaar vinden.

En wij horen daar dan ook termen als: ketterij, afgoderij en ontkenning van de profeet.  En dan antwoord de Leraar:

“Indien gij zoekt uw bevrijding te vinden in één die was, zo zeg ik u dat gij niets bereikt.

Zoekt gij uw bevrijder te vinden in één die komt, zo zeg ik u dat uw wachten nutteloos is.

Doch zoekt gij vrij te zijn te midden van al wat er bestaat, zo zeg ik u dat de vrijheid de uwe is.”

En om a.h.w. de ellende voor sommigen vol te maken vervolgt hij:

“Want wie van u, die het licht van de zon kan kennen, stelt zich tevreden met het licht van een olielamp?  Wie van u, die de vrijheid der natuur kan kennen, metselt zich in een kluis?

Het zijn slechts de dwazen, die zichzelf van al beroven.

Het zijn wijzen, die al kennen en die zoeken naar de levende Kracht in alle dingen.

Ik zeg u, indien één, zich stelt tussen u en uw God, zo is hij schuldig, want hij ontneemt u het licht van uw God.  Maar indien gij hem niet erkennen wilt en slechts uw God erkent, hoe zal hij het contact tussen u en uw God kunnen belemmeren?”

Een versie van persoonlijke verantwoordelijkheid en persoonlijke vrijheid en aansprakelijkheid.

De werkwijze van de Wereldleraar is overigens opvallend en wordt heel vaak mee bepaald door het feit, dat hij een technische opleiding heeft gehad.  Hij is inderdaad een mens van uw tijd geweest.  Hij kon een auto besturen.  En indien het nodig was, geloof ik ook wel dat hij een klein vliegtuig zou kunnen besturen.  Hij was niet bang voor de techniek.  Maar zijn denken komt a.h.w. tot uiting in de eis, dat wat wij scheppen, ons nl. zal dienen; en dat wij slechts datgene zullen dienen, waardoor wij geschapen zijn.

Ik besluit deze reeks citaten daarom met een kleine beschouwing, verkort weergegeven in dit geval, die door de Wereldleraar werd gewijd aan o.m. de moderne olie-industrie; iets, wat ik overigens er uit zal laten, omdat dat op het ogenblik niet zo belangrijk is.

“Gij zegt dat ge machtig zijt, omdat ge doordringt tot de ingewanden der aarde; omdat op uw bevel de vloeistof stroomt over duizenden mijlen.

Maar ik zeg u: Zij ketenen u.  Want de machine, die de vloeistof haalt, brengt u die vreemd zijt in dit land onder een verzengende zon, die gij niet kunt verdragen.

Zij bindt u in een eenzaamheid, die gij niet kunt aanvaarden.  Zij brengt u in een wereld, waarin gij eigenlijk een vreemde zijt.

Gij doet de vloeistof stromen, maar gij betaalt ervoor met de vrijheid van hen, die tot slaven zijn geworden van de eenzame pomphuizen en stations, van de voortdurende controle die noodzakelijk is.  En gij zegt daarmee de vrijheid te kopen, want gij verdient geld.

Maar het geld dat gij bezit, vergt zorg.  Het vergt uw aandacht, ja zelfs de besteding ervan eist overleg.  Uw gedachten zijn geketend door het geld, dat gij verdient.  Hoe zijt ge dan meesters en vrijen?

Hoe wilt ge uw bereiking stellen als die ven een ware mens?  Uw machines en uw voertuigen, dienen u niet in werkelijkheid, want zij maken u niet tot een mens, die vrijer is en meer is dan een mens, die alleen zichzelf leeft.  Zij maken u tot slaaf.

Wanneer gij in uw auto stapt, zo geeft zij u beweging, sneller dan gijzelf kent en in korter tijd.  Maar waartoe?

De tijd, waarin gij anders zou beleven en denken, gaat nu voorbij met een angstvallig bestuderen van de temperatuur van uw koelwater en de hoeveelheid benzine, waarover ge nog beschikt.  Zijt ge dan nog vrij?  Gij maakt uzelf tot slaven.

Ge zegt, dat uw wereld een goede is en dat er voor iedereen scholen zijn.

Maar ik vraag u: Wat is de waarde van een school, die een mens slechts leert om letters te dienen, om slaaf te zijn van machines, om zijn vrijheid van leven en denken, de tijd die hem behoort tot ervaren en de mogelijkheid tot besluiten, opdat hij zal beleven, prijs te geven voor de zinloosheid van een bestaan, waaruit niets overblijft?”

Niet voor niets besluit ik hier deze reeks citaten met dit laatste.  Want het is een bittere aanklacht; niet tegen de techniek, maar tegen de mens.  Hij probeert de mens duidelijk te maken, dat het leven er is voor de mens; en niet de mens voor het leven. Hij tracht de mens duidelijk te maken, dat de hele wereld bestaat voor hem; en niet hij voor de wereld.  Hij wil de mens duidelijk maken, dat hij allereerst zichzelf moet zijn en zichzelf moet leven, voordat hij anderen ooit kan dienen, voordat hij werkelijk betekenis kan krijgen in geestelijke of stoffelijke zin.

 Dit lijkt ons van uit het moderne standpunt vaak maar ten dele aanvaardbaar.  Het is niet voor niets, dat sommige volgelingen van de Wereldleraar op het ogenblik in bepaalde streken anarchisten of communisten worden genoemd.  Zij zijn dit niet.  Maar zij erkennen één eerste plicht en één eerste recht:

De eerste plicht is: zelf te leren, te besluiten, te handelen.

Zelf te zijn en niets in staat te stellen je tot slaaf te maken.

En dat is niet aanvaardbaar voor de moderne tijd.

 De tweede plicht is: een dienen van de wereld op hun eigen wijze.

Zij bewijzen de wereld niet de diensten die de wereld eist, ze bewijzen de wereld de diensten, die zij als noodzakelijk zien. En dat wil zeggen, dat zij soms een arme helpen, terwijl een rijke zijn rijkdom dreigt te zien vergaan door hun afwezigheid.  Zij zullen soms een kostbare machine kapot laten draaien om één mens een ogenblik van pijn te besparen.  Dat noemen de mensen dwaasheid.  Maar de kern van de wereldleer is niet de aantasting van het bestaande geloof of van het bestaande systeem, het is de terugkeer tot de werkelijke waarde van het leven in dat geloof en in dat systeem.

Wij, die zelfkennis willen verwerven, die inzicht willen krijgen in de verschillende waarden van het leven, zouden ons dan ook aan de hand van zijn leringen wel eens een paar vragen kunnen stellen.

  1. In hoeverre ben ik vrij om mijzelf te zijn?
  2. In hoeverre sta ik het mijzelf toe datgene te zeggen, te volbrengen, wat mijn eigen wezen eist en vergt?
  3. In hoeverre sta ik het mij toe om de wereld en anderen alleen te dienen, zoals ik het juiste acht en niet zoals anderen dat van mij eisen?

Indien wij ons die vragen stellen, dan komen wij ook ineens dichter bij het grote probleem, dat juist de nieuwe Wereldleraar voor zoveel mensen betekent: Wat is de werkelijkheid?  Wat is de waarheid van het leven?  Wat is de waarheid van God, van de schepping, van sferen, van kosmos en mensen.

En dan blijkt, dat de Wereldleraar het geheel heeft herleid tot een voor deze tijd haast onvoorstelbaar zelfzuchtig geheel.  Hij zegt:

“Ik moet de weg gaan.  Daarom bepaal ik mijn schreden en mijn tempo, want alleen ik weet, hoe ik de weg kan gaan en niemand anders.

Wie in de wereld met mij wil gaan, zo is hij welkom.  Wil hij mij vergezellen, zo ga ik mijn weg, desondanks, alleen.”

En daaruit blijkt dan (ik zal daarvoor geen citaten geven), dat de Wereldleraar de mens beschouwt, als iemand die reist van station tot station, of van school tot school.  Zodra de mens zich heeft bevrijd van datgene wat hem op één plaats bindt, moet hij verder gaan; want hij is niet tevreden zonder bestemming.  Zodra hij zijn bestemming niet ziet als het verwerven van uiterlijke waarden, maar slechts als het innerlijk leren, zal hij elke plaats graag en vrijelijk verlaten, zodra ze hem niets meer te bieden heeft.

Het leven bestaat uit een serie stations, waarop je iets leert.

Maar als dat geleerde dan de werkelijkheid van je persoon wordt, als dat je bezit is, dan heb je iets eeuwigs.

De eeuwigheid verwerven uit het tijdelijke, dat is de weg, die hij ons tekent.  En wanneer wij daartegenover moeten stellen de door zovelen gepredikte verwerving van het tijdelijke om het eeuwige te dienen, dan zien wij hoe groot het verschil kan zijn tussen de leer van een Wereldleraar en de opvatting, die onder de mensen is gegroeid omtrent dezelfde openbaring in vroeger tijden.

Want wij moeten wel beseffen, dat in de uitingen van de goddelijke Waarheid en de goddelijke Liefde in feite niets nieuws ontstaat.

Zoals ik reeds in het begin zei: Alles moet worden herleid tot uw eigen tijd, tot het kader van de mode, de gebruiken en mogelijkheden van uw tijd.  En dat kunt u alleen zelf doen.  Maar dat kunt u nooit doen door de uiterlijkheden te stellen voor de innerlijke waarde.

En misschien is voor deze wereld en vooral voor vele godsdienstigen op deze wereld wel het meest schokkende: zijn leer, dat het niet onze taak is om te lijden op deze wereld, maar om gelukkig te zijn als we kunnen.  En toch heeft hij geloof ik ook daar de waarheid gesproken.  Want ligt ons geluk niet in het verwezenlijken van ons innerlijk “ik”?  In het werkelijk uiten van wat wij zijn?  Ons geluk is de bereiking, waarmee wij één zijn; niet de verwezenlijking van dromen, niet het vervullen van wat de wereld van ons eist of verwacht.

Laten we hier als besluit dan een lering citeren, die niet van de wereldleraar stamt, maar die behoort tot een beschouwing, gehouden op de laatste bijeenkomst van de Witte Broederschap.

“Zeker is het noodzakelijk, dat de mens de vrijheid terugwint.

Want ziet, zijn onvrijheid heeft hem gebracht tot onbeheersbaarheid.  En zijn onbeheerstheid heeft hem gebracht tot de problemen, die hij bijna niet meer meester kan.

Vrijheid betekent verantwoordelijkheid.  Hoe vrijer men is, hoe groter het waagstuk van het leven, maak ook hoe heerlijker de beloning.

Laat ons daarom – zo sprak deze Broeder – de tijd, waarin wij actief kunnen zijn binnen de heersende golven, gebruiken om de mens te voeren tot het begrip, dat je alleen bereiken kunt, wanneer je ook wagen wilt.  Dat je alleen verwezenlijken kunt, wanneer je werken wilt.  Dat niets tot stand komt, zonder dat je het a.h.w. gemaakt hebt tot deel van jezelf, jezelf waardig eraan hebt getoond en zo jezelf gevonden hebt.”

En de eindconclusie van die bijeenkomst was – ik vat het vrijelijk en met mijn eigen woorden samen – ongeveer als volgt:

De vrees, die de mensen kennen om te gaan buiten datgene, wat maatschappelijk, technisch, politiek of godsdienstig aanvaardbaar wordt genoemd en de angst die de mensen kennen om in te gaan tegen wat een erkende wetenschappelijke theorie is e.d., is op dit moment haar grootste belemmering tot onmiddellijke bereiking.

Wij kunnen deze dingen niet wegnemen zonder de mens in een verwarring te storten, waaruit voor velen geen ontkomen meer bestaat.  Wat wij slechts kunnen doen is: voortdurend streven naar een vermindering van een zich binden aan ordening, een zich binden aan een stelling en daarvoor in de plaats stellen een steeds groter behoefte om het eigen “ik” tot uiting te brengen.

Het is opvallend dat daar zelfs bij werd gezegd: Al weten wij dat dit voor velen tijdelijk leed brengt, zo is het beter dat velen van de heersenden van hun troon worden gestort, dat veel van het nu erkende onwaar wordt bewezen, dan dat de mens versteend en ten ondergaat door zijn huidige gebondenheid.

U moet wel begrijpen, dat dit laatste zeker niet een kwestie van enkele jaren is.  Het behoort tot een bespreking van een richtlijn voor vele jaren.  Het is voor een deel zelfs een recapitulatie van werkzaamheden, die reeds lang aan gang zijn.  Maar gezien als aanvulling op datgene, wat ik u vertelde over de Wereldleraar komt hier toch wel tot uiting de noodzaak van vernieuwing, die uitgaat van de mens.

Niets kan iets tot stand brengen behalve de mens zelf in deze dagen.  Slechts daar, waar de mens bewust leiding geeft aan datgene, wat er geschiedt, indien de mens bewust zoekt naar zijn persoonlijke uiting, naar zijn eigen wezen, naar de verwerkelijking van dat, wat hij noodzakelijk acht – ook al is dat misschien voor anderen minder aanvaardbaar – kan een toestand ontstaan, waarin de mens langzaam groeit tot de geestelijke ontplooiing die noodzakelijk is.