Afrekenen met het ego

Dinsdag 25 maart 1980

Ik wil er wel wat over zeggen. Het ego is opgebouwd uit ongeveer 90% illusie en ongeveer 10% werkelijke kwaliteiten. Dit klinkt misschien erg hatelijk, maar laten we de praktijk bekijken. Wanneer je kijkt naar de wereld, dan kijk je door je eigen ogen. Je ziet een beperkt deel van hetgeen er aanwezig is. Op grond van de ervaringen, die je met het beperkte deel dat je waarneemt, voor jezelf opdoet, vorm je een beeld ten aanzien van jezelf, je kwaliteiten, je mogelijkheden. Wanneer je dus begint met het ego in te schatten volgens de normen van je eigen wereld, is het wel zeker, dat je jezelf bedriegt. Dan zitten we in een wereld waarin het werkelijk deel dat je waarneemt – laten we het niet overdrijven – maar ongeveer 1/10 deel is van het totaal van de verschijnselen, die reëel constateerbaar zijn.

Toch realiseer je je dit niet en je gaat weer uit van je eigen beperkte waarnemingskader. Wat meer is: zelfs wanneer je omgeving andere mogelijkheden heeft dan jezelf. (Denk aan iemand, die kleurenblind is bv., dan kom je tot een soort overeenkomst waarbij je leert bijvoorbeeld bepaalde tinten grijs rood te noemen, maar je weet niet wat rood is. Zodra die kleurvariatie iets afwijkt, ben je niet meer in staat om mee te gaan.) Er ontstaat een vervreemding op dit terrein tussen jou en de werkelijkheid van de anderen. Dan zijn we nog maar halverwege. Een van de meest gangbare dingen in het leven is het geloof. Nu is geloof op zichzelf aanvaardbaar. Geloof is in feite een innerlijke zekerheid, die dan geconcretiseerd wordt in materiële termen. Daar zit je natuurlijk wel in de moeilijkheden. Wanneer ik spreek over God, dan spreek ik over iets wat ik niet kan omschrijven. Op het ogenblik echter, dat ik dit mijzelf realiseer, ben ik niet meer een gelovige in de algemeen aanvaardbare termen, want die hebben in woorden, begrippen, zeer mooi uitgewerkt, een omschrijving van hetgeen God is. Het ego nu, heeft de neiging zich te conformeren aan de algemeen geldende opvattingen. Dat wil zeggen, dat men vaak gelooft omdat andere geloven, dus niet op grond van eigen denken of persoonlijke ervaring. Daarbij zal men heel vaak woorden in de plaats stellen van gevoelens, terwijl een werkelijk geloof toch een mystiek gevoelsbeleven is. Wanneer ik dit allemaal opsom, dan zal het u duidelijk zijn, dat u met het ego nu niet bepaald alle kanten uit kunt, tenzij je natuurlijk houdt van een vervreemding van alle werkelijke waarden.

Wil je met het ego afrekenen, dan zul je er niet omheen komen eerst de betrekkelijkheid van alle dingen te stellen, ook van je eigen mening, van je eigen visie van goed en kwaad. Het relativeren is een begin, want wanneer ik relativeer dan ga ik begrijpen, dat er geen normen bestaan die absoluut zijn. Het ik-begrip en ik-waardering zijn in het algemeen juist opgebouwd op grond van absoluut gestelde normen, zij het persoonlijke, zij het algemene.

Dan komt de vraag: Wie ben ik en wat ben ik. Dat is een heel moeilijk probleem. Je hebt wel een denkbeeld van jezelf, maar is dat wel waar. Laten we het typerend stellen voor de jongere mensen op deze wereld. Ze hebben vaak een enorm idee van hun rechten ten aanzien van de maatschappij. Dat is niet alleen maar een maatschappijvisie, het is wel degelijk ook een visie op het eigen ik, waarvan de belangrijkheid, zowel maatschappelijk als anderszins, gemeenlijk wordt overschat. Niet dat het erg is, per slot van rekening zijn er zoveel mensen, die hun eigen werkelijkheidswaarde overschatten. Menig politicus denkt ook, dat hij er is om de problemen op te lossen voor het volk, zonder te begrijpen dat hij tegen een heel goed salaris bezig is met problemen, die hij door zijn eigen kissebissen met concurrenten heeft geschapen. Dus ik zeg niet, dat het verwerpelijk is, maar ik constateer. Wanneer dit zo is moeten we eerst af van het denkbeeld: ik heb bepaalde rechten of plichten. Rechten en plichten zijn normen, die buiten mij liggen, maar mijn eigen reactie op de wereld kan alleen vanuit mijzelf bepaald worden.

Nu zijn we nog niet ver, maar we zijn wel zo ver gekomen, dat we bereid zijn om dat vreemde mengelmoesje wat we ego plegen te noemen onder de loep te nemen. We zijn niet meer zo overtuigd, dat het een vast geheel is vol met vastheden en zekerheden, dat we niet eens bereid zijn om te kijken wat er in zit. Dan kom je in een fase van – zeg maar – zelfonderzoek. Dit zelfonderzoek kan nooit betrekking hebben op hetgeen je werkelijk bent. Het kan ook maar ten dele psychologisch verantwoord zijn. Je kunt nu eenmaal bepaalde verdrongen complexen niet zonder meer op de voorgrond brengen, dat is duidelijk.

Er is een andere methode. Wanneer ik af wil rekenen met het ik, zoverre het niet echt is, dus niet reëel is, dan kan ik wel degelijk gaan begrijpen, dat de dingen op zichzelf geen vaste waarde meer hebben. Dat ik alleen vanuit mijzelf kan reageren en dat ik dan voor mijn eigen reactie en alles wat er uit voortvloeit, ook zelf een volledige aansprakelijkheid aanvaard. Dan kom ik af van het idee, dat de wereld, of God, of zijn engelen voor me moeten zorgen of dat de wereld, de maatschappij, het kapitalisme, de duivel (ook weer allemaal namen voor een begrip, alleen een beetje anders gedefinieerd) de schuld zijn van mijn mislukken. Dan vraag ik me onwillekeurig af: wat wil ik?

Nu blijkt eigenlijk, dat wat je wilt meestal niets anders is dan een erkenning afdwingen van een beeld, dat je omtrent jezelf in je draagt. Die erkenning confronteert je dan weer met het beeld. Waarom wil ik, dat de mens mij op die manier ziet? Dan blijkt het te zijn omdat ik het gevoel heb te kort te schieten. Indien ik mijn tekortschieten aanvaard is het niet meer nodig, dat ik een erkenning afdwing, die verder gaat dan mijn feitelijke mogelijkheden.

We komen weer dichter bij de werkelijkheid. Op den duur ontstaat een soort splitsing. Het ik kent zijn wereld in de termen van zijn wereld. Het reageert op die wereld in de termen en vaak ook volgens de normen van die wereld. Deze dingen zijn niet meer beheersend en niet meer belangrijk.

Een tweede factor is nu een eigen wereld waarin een eigen normsysteem begint te functioneren, wat voor het ik goed is en kwaad en dergelijke en waardoor tegelijkertijd een beoordeling van zowel je eigen functioneren als je eigen daden mogelijk wordt vanuit jezelf en een vergelijking van dit verworven oordeel met de reactie van de wereld. Er is dus een duidelijke confrontatie met de wereld op dit eigen niveau, maar gelijktijdig komt men hierdoor tot een juistere erkenning van zijn eigen wezen, zijn capaciteiten en zijn mogelijkheden.

Er ontstaat echter een derde niveau wat helaas in de mens nog wel eens wordt ontkend, want op het ogenblik, dat wij dit ego beginnen aan te vallen als een vaste waarde, ontstaat er in onszelf een droom. Deze is niet rationeel. Het is nog meer emotioneel dan welk geloof ook, het is een reeks belevingen die we tezamen dan ‘mystiek’ plegen te noemen, omdat ze zich nu eenmaal aan redelijkheid en kenbaarheid pleegt te onttrekken. Op dit derde niveau nu ontvang ik impulsen waardoor mijn beeld op het tweede niveau voortdurend gecorrigeerd wordt.

De mens wordt mysticus ook wanneer hij tegenover de buitenwereld nog steeds volgens de normen van de buitenwereld blijft functioneren. Heb je het ik zover aangevallen, dan blijft er dus een persoonlijkheid over waarin de tegenstellingen langzaam maar zeker worden opgelost, of moet ik zeggen: geïntegreerd tot een geheel. Hier is de emotie de bindende factor, dat geef ik toe, de mystiek, dat bovenzinnelijke. Het bovenzintuiglijke. Wanneer ik een geheel ben, dan is het niet meer nodig om mijzelf te bewijzen. De neiging om jezelf te manifesteren als ego, te werken met je ik, komt juist voort uit het feit, dat je in jezelf verdeeld bent. Nu voor het eerst ontstaat de mogelijkheid om een rapport te krijgen met de wereld om je heen, waarbij je niet meer gehinderd wordt door de noodzaak een voortdurende relatie te stellen tussen het ik en die wereld. Het ik gaat functioneren als deel van die wereld.

Dan hebben we het ik nog niet verdreven, maar zover mij bekend, is dat ook niet mogelijk. Er zijn theorieën. Een van die theorieën – bij ons door zeer velen aangehangen – is wel, dat wij op den duur steeds minder persoonlijk gaan ervaren, maar steeds meer gaan functioneren als deel van het geheel, waarbij de ervaringen van het geheel voor ons de stimuli zijn, waardoor het ik binnen het geheel blijft functioneren, maar niet meer als afzonderlijke eenheid pleegt op te treden.

Tussen haakjes: is het allemaal begrijpelijk? Het klinkt misschien ingewikkelder dan het is.

Ik heb geprobeerd een klein beetje aan te geven, dat je het ik niet zonder meer helemaal ontmantelen kunt. Nu wil ik een paar tegengestelde argumenten gaan aanvoeren om u duidelijk te maken, dat wij geen afstand kunnen doen van die trap van het ik, waarmee we in de wereld staan. De wereld is opgebouwd uit een gemeenschappelijke reeks illusies, geld, goed, kwaad, recht, onrecht en dergelijke. Het zijn allemaal illusies, zaken die alleen kunnen bestaan omdat wij een norm hebben gesteld. Om een vriend van mij hier aan te halen: normen stel je willekeurig, hetzij aan de hand van feiten, hetzij aan de hand van voorkeuren. Op het ogenblik, dat je normen stelt ont­staat een kader, een stelsel waarbinnen dus vaste verhoudingen gaan regeren. Op het ogenblik, dat dat het geval is, moet je misschien die vaste ver­houdingen nader verklaren; er is een leer nodig en je krijgt een leerstelsel, maar verder dan dat kom je eigenlijk niet. We leven in een wereld waarin de illusie een hoofdrol speelt, zoals mensen de illusie hebben dat ze als ze een paar procenten meer inkomen krijgen, meer kunnen doen, zonder te begrijpen, dat ze steeds minder zullen kunnen doen naarmate ze meer krijgen. Dan wil ik nog niet eens spreken over de heerlijke illusie, die men pleegt te verbergen achter het woord “progressieve belasting”, waarbij het er op neer komt, dat je harder werkt om steeds meer van je inkomen door anderen besteed te zien. We hebben die nodig. Het is een maatschappij, het is een gemeenschap. Wanneer we allemaal hebben aangenomen, dat rood de modekleur is, dan lopen we in het rood, al is net alleen maar omdat anderen, die de betrekkelijkheid niet inzien daardoor een conflict zouden kunnen ervaren of dat ikzelf met die anderen in conflict zou kunnen komen wanneer ik zou proberen hen duidelijk te maken waarom dat rood eigenlijk maar onzin is.

We moeten dus wel degelijk een reeks normen aanvaarden. Die normen kunnen we nooit zien als God gegeven, onveranderlijk of eeuwig of wat dan ook. Ze zijn eenvoudig een gedragscode, waardoor de mens, een samenleving met betrekkelijk dichte schappen wordt mogelijk gemaakt. Wanneer je dat begint te aanvaarden dan zeg je ook, dat je moet meespelen in die maatschappij. Tot op zekere hoogte. Namelijk naarmate ikzelf mee belang heb bij datgene wat die maatschappij biedt, zal ik mij in grotere mate moeten voegen binnen het systeem waarop die maatschappij gebaseerd is. Dat is een heel eenvoudig iets.

Afrekenen met het ik is dus allemaal heel eenvoudig wanneer je het stelt als: wanneer ik eenmaal vrij ben, dan gebeurt er verder niets. Maar je bent niet vrij. Wanneer je persoonlijk afgerekend hebt met alle illusies omtrent jezelf en daardoor gekomen bent van een werkelijke beleving van datgene wat je werkelijk bent, dan heb je het nog niet ver genoeg gebracht om te kunnen zeggen: ik heb die wereld niet nodig. Een kluizenaar werd eens gevraagd waarom hij zich in de bergen terugtrok. Toen zei hij: “Omdat ik mijzelf niet kan zijn, wanneer er zoveel mensen om mij heen leven.” Toen zeiden ze: “Dus u doet afstand van de wereld.” “Oh nee, zei hij, ik heb het eten nodig dat de dorpelingen voortdurend bij mijn kluis brengen.”

Daar heb je al die relatie. We kunnen niet helemaal buiten die wereld. We kunnen niet helemaal buiten die zogenaamde werkelijkheid van een maatschappij of van een wereld, maar we kunnen er een relatie mee opbouwen die voor onszelf aanvaardbaar en draaglijk is. Dat had de kluizenaar als voorbeeld gedaan, maar hoeveel mensen zijn ook niet gelijktijdig voor zichzelf mensen, die steeds vrijer worden van illusies, terwijl ze naar buiten toe toch nog volledig en formeel juist deelnemen aan de processen van de maatschappij. Ook daar bestaat die splitsing. Je kunt echter niet zonder dit contact. Dit betekent, dat je ego – zover dit op aarde denkbaar is – voortdurend mede bepaald zal worden door de behoeften en noodzaken, die in jou en vanuit jou ten aanzien van de omgeving bestaan. Dat is altijd een uitwisselingsrelatie. Je krijgt niets voor niets. In uw tijd natuurlijk moeilijk om te aanvaarden. U kunt zeggen: “Geef ons dan maar subsidie.”Subsidie is ook niet iets voor niets. Subsidie is in feite een illusie, waardoor een kleine groep zichzelf verder kan ontwikkelen, ten koste van vele anderen, die iets anders veel liever zouden willen. Subsidie is dus in feite een gelegaliseerde Robin Hood-mentaliteit bij de overheid, welke de rijke berooft om de volgens haar behoeftigen te schenken, zich niet afvragend wat daar het resultaat van zal zijn zelfs. Dat had ik natuurlijk niet mogen zeggen, maar het is wel zo volgens mij.

Wanneer ik dan constateer, dat we dat nodig hebben, dan moet ik ook constateren, dat we wat denkbeelden betreft ook niet helemaal vrij kunnen gaan. Wanneer ik een behoefte heb o.m. een innerlijk erkende God op welke manier dan ook te beleven, dan zal ik zoeken naar een gemeenschap waarin dit voor mij mogelijk is. Dan zal de een naar een kerk gaan, de ander zal in een loge bepaalde riten volbrengen en de derde zal misschien magiër worden of ergens anders naar toe trekken. Het heeft allemaal niets te maken met de werkelijkheidswaarden van: de kerk, de loge en die andere dingen, perse, het heeft gewoon te maken met de wisselwerking, waardoor desnoods uit illusies, die ik tijdelijk aanvaard, voor mij een werkelijke mogelijkheid ontstaat om mijzelf meer te beleven en waar te maken. Ik stel, dat geloof in feite al datgene is waarbij men ongeacht de feiten of vaak tegen de feiten in, dus zonder enig bewijs zaken als vaststaand aanneemt. Dat geldt dus ook voor het denkbeeld, dat de mens beter wordt door het socialisme of door het kapitalisme.

Bij het kapitalisme denkt men, dat de kapitalist er beter van wordt en in het socialisme worden bepaalde socialisten er beter van zonder dat de sociale omstandigheden meer ideaal worden. Dat zijn ook dingen, die je gewoon moet doorzien. Je kunt zeggen, dat de meest ideale mensheid – in geloof en op elk ander terrein – de anarchistische is. Op het ogenblik dat we een algemeen gezag kunnen uitschakelen, krijgen we de vrijheid tot een persoonlijke interactie, gebaseerd op onze persoonlijkheidswaarde met die wereld buiten ons. Het is niet meer geformaliseerd, we zitten niet meer in een of ander keurslijf. Er staat wel tegenover dat een dergelijke anarchische samenwerking alleen daar denkbaar is, waar men een voldoende zelfrespect en een voldoende zelfbeheersing heeft. Ook in de anarchie is samenwerking noodzakelijk, zij het op basis van vrijwilligheid. Waar die niet bestaat is dus in feite het anarchisch ideaal niet haalbaar. Wanneer wij geloven in een vaag iets, wat de een God noemt, de andere eerste noodzaak, een derde het licht en we kunnen tezamen die kracht beleven, best, maar op het ogenblik, dat we er om gaan vechten wie het meeste gelijk heeft, degene die spreekt van God, degene die spreekt van het licht of degene die spreekt van de eerste oorzaak, is de werkelijke bewustwordingsmogelijkheid weg. Ik probeer hiermee duidelijk te maken, dat we dat ego wel voor een deel aan de kant kunnen zetten, maar dat we leven in een wereld, die bepaald wordt door onze interactie met anderen. Het is die interactie, die voor ons belangrijk is. Zij is onze existentie-uitdrukking, als ik het zo eens mag zeggen. We bestaan krachtens de erkenning van anderen. Ofschoon iemand eens heeft gezegd: cogito, ergo sum, ik denk, dus ik ben. Maar ja, hoeveel mensen denken niet dat ze er zijn, terwijl ze er toch nooit komen. Dat is een heel betrekkelijk iets. Je zoudt kunnen zeggen: ik word erkend. Daar ik dit beleef, besta ik. Bestaan wordt door de relatie met de wereld om u vastgelegd, niet door een zuiver persoonlijk besef. Is er geen factor om je heen, dan vervalt het besef in een nultoestand, het functioneert niet en daarmee is de zelferkenning, de waarde van het ik, weggevallen.

Dan heb ik nog maar een paar punten voor u. Daarna zullen we kijken of u er op wilt reageren. Ik zou stellen – van mij uit, u moet dan maar eens denken of het juist is of niet – wanneer een mens leert afstand te doen van zijn illusies omtrent zichzelf, zal hij meer op de werkelijkheid om hem heen kunnen reageren, mits hij daarbij de illusies van anderen niet te fel aanvalt.

Het tweede punt: Naarmate het ik zich meer ontdoet van zijn opgedrongen denkbeelden en behoeften, zal het als consument minder waardevol zijn, als zodanig is een dergelijke ontwikkeling in een socialistische of kapitalistische maatschappij niet aanvaardbaar. Het is noodzakelijk deze ontwikkeling binnen jezelf te beleven zonder haar gelijktijdig vol missiedrang aan de buitenwereld te tonen.

Dan heb ik nog een laatste raadgeving: Wanneer u doorgedrongen bent tot het ik, zover, dat de door mij genoemde drie niveaus functioneren, dan hebt u feitelijk een complete handel in bewustwordingswaarde. Onthoudt u één ding: in de etalage leg je alleen die dingen, die je kwijt wilt.