Afscheid van het verleden

image_pdf

 22 maart 1963

Aan het begin van onze bijeenkomst moet ik u er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend zijn of onfeilbaar. Het is dus wel belangrijk, dat u zelf nadenkt over alles, wat er gebracht wordt.  Ik zou u deze avond willen spreken over: Afscheid

Ik bedoel daarmede niet een afscheid van de Orde, maar een afscheid van een oude wereld. De gehele wereld bevindt zich de laatste jaren in een voortdurende staat van opwinding. Haast iedereen roept luidkeels zijn idealen uit, maar ook een ieder tracht daarnaast, al is het maar in schijn, de oude waarden in stand te houden. De werkelijk nieuwe aspecten worden door deze beschouwd als iets, wat in korte tijd wel voorbij zal gaan, een modeverschijnsel, waartegen men zich met enige moeite succesvol kan verzetten.

De mens, die deel wenst te hebben aan de komende vernieuwing, zal daarentegen steeds vooruit zien. Hij besteedt te weinig aandacht aan de werkelijkheid van heden en zal juist daardoor zelden bemerken, hoe ver de vernieuwing reeds gevorderd is, zal haar toch op aarde duidelijk kenbare invloeden niet bemerken.

De behoudzuchtige, noch de progressief denkende mens zal daarom beseffen, in hoe grote mate hij reeds afscheid heeft genomen van oude begrippen, oude principes, oud geloof, ja, oude vormen. Juist op de verschijnselen van de vernieuwing wil ik vanavond uw aandacht vestigen.

Wanneer men u enige tijd geleden verteld had, dat een bepaalde godsdienst bereid zou zijn haar oude rituelen te wijzigen, om, ondanks het door haar erkende sacrament van het huwelijk, een verruiming van scheidingsmogelijkheden te overwegen en zelfs in positieve zin over kinderbeperking na te denken, zou u dit een niet geslaagde grap hebben beschouwd. Voor insiders en buitenstaanders was het 10 jaar geleden nog ondenkbaar, dat deze kerk haar meer dan 1000 jaren gebruikte methoden en stellingen zou wijzigen. Menigeen denkt ook nu nog zo. Maar wat zijn de feiten? De mogelijkheid van scheiding wordt – zonder een hernieuwd kerkelijk huwelijk mogelijk te maken – binnen de roomse kerk aanmerkelijk vergroot, ofschoon de hantering van deze nieuwe mogelijkheden voorlopig in handen van de bestuurders van de verschillende diocesen wordt gelaten.

Ofschoon heden – als weleer – het nageslacht in het huwelijk belangrijk wordt geacht, neemt dit toch niet meer de overwegende plaats in, maar wordt de noodzaak van een harmonisch leven van mensen en de belangrijkheid van hun onderlinge liefde temeer gelijkgesteld aan de voortbrenging van kinderen. De vaak verkondigde opvatting, dat geslachtelijk verkeer in zich zondig is en alleen toelaatbaar, omdat hierdoor nageslacht kan worden voortgebracht, is ongemerkt terzijde geschoven.
Zelfs bij orthodoxe christenen geeft men er meer en meer blijk van te beseffen, dat de liefde tussen man en vrouw ook in zichzelf een doel kan zijn en zeker niet zonder meer als zondig beschouwd hoeft te worden. De gedachte, dat in het huwelijk zoveel mogelijk kinderen moeten worden voortgebracht, omdat dit nu eenmaal een zegen Gods is, heeft ook bij vele kerkelijke leiders plaats gemaakt voor andere inzichten, zodat methoden van geboorteregeling zoals periodieke onthouding – maar onopvallend en haast aarzelend ook andere middelen als orale middelen waardoor de vrouw conceptie kan voorkomen – worden aanvaard. Men beseft niet, dat dit een grote en een veel betekenende omwenteling in betrekkelijk zeer korte tijd betekent: in 1945 stonden op voornoemde punten alle kerken als geheel nog pal.

Nu trachten oudere zielenherders dit standpunt nog te handhaven, maar kunnen van de kerk zelf weinig of geen werkelijke steun voor hun streven verwachten, terwijl vooral de jongeren onder geestelijkheid en gelovigen de door mij genoemde punten reeds als normaal beschouwen.

In de Islam werd, op grond van de Koran, tot voor kort hartstochtelijk het recht van de man verdedigd zich 4 vrouwen te nemen en van deze naar welbehagen te scheiden. Enige eis: men diende in staat te zijn deze vrouwen ook te onderhouden. Dit laatste is begrijpelijk, want ook in het oosten pleegt een vrouw niet slechts een kostbaar, maar ook een duur bezit te zijn. Nu ontwikkelde zich in de laatste jaren echter binnen de Islam een richting, die de monogamie predikt en stelt, dat alleen waar een werkelijk vrouwenoverschot bestaat, misschien een man nog meerdere echtgenotes zou mogen aanvaarden, omdat anders vele vrouwen tegen hun wil gedoemd zouden zijn een onvolledig leven te voeren. Dit betekent een zeer grote omwenteling, omdat hier de vrouw een eigen persoonlijkheid en waarde wordt toegekend, evenals vele eigen rechten – emancipatie – op een wijze, die in 1938 nog onvoorstelbaar was. Een ander belangrijk punt is, dat zeer vele leraren ook hier niet meer uitgaan van de door de Koran toegestane limieten, maar van de noodzaak binnen die limieten het voor alle mensen meest wenselijke en beste voor allen tot stand te brengen.

Al beseft men dit vaak niet, toch heeft men binnen de godsdienst reeds afscheid genomen van vele oude opvattingen en vele oude dogma’s tot onbeduidendheid teruggebracht. Ook op ander terrein vinden wij dergelijke veranderingen, die echter zoveel mogelijk worden gecamoufleerd.

De liberale opvattingen van de politici waren tot voor kort nog: geef de mens alle mogelijke vrijheid. Regeren betekent met zo klein mogelijke middelen een orde scheppen, waarbinnen een ieder vrijelijk voor eigen welzijn kan vechten. Het kenmerk van het kapitalisme was zelfs kort voor de oorlog nog: een zich zo weinig mogelijk bemoeien met de medemensen, hen slechts een bestaansminimum garanderen en vrijheid van onderneming. Nu is dit echter anders. Zelfs de meest liberale en kapitalistische staten leggen hun burgers steeds meer aan banden, beperken de vrijheid van onderneming steeds verder, terwijl aan de andere zijde de overheid het meer en meer als haar plicht blijkt te beschouwen om, desnoods tegen hun wil in, voor het welzijn van de onderdanen te zorgen.

Nog kort geleden ging men er in vele gebieden vanuit, dat een kleurling lust noch vermogen tot leren zou bezitten. Een beperkt lager onderwijs werd ook door de meer verlichten als voldoende beschouwd, de mogelijkheid voor kleurlingen, zich via hoger onderwijs voor de belangrijkere maatschappelijke posities te bekwamen, werd slechts aan enkelen gegeven. Nu echter begint men zelfs in gebieden waar rassendiscriminatie, vooroordeel en apartheidspolitiek nog steeds hoogtij vieren, juist voor deze kleurlingen steeds meer scholen, ook hogere, te bouwen; men houdt er rekening mee, dat ook vele van deze gekleurde bewoners van de aarde over een zeer groot intellect beschikken. Dit betekent een afscheid van de veronderstelde meerwaardigheid van het blanke ras.

Rond 1930 hebben verschillende grote wetenschapsmensen gezegd, dat zij God nergens hadden kunnen vinden, dat zij in het lichaam nergens iets van geest of ziel hadden aangetroffen. Door minder begaafden worden deze uitspraken ook heden nog vaak geciteerd en herhaald. De wetenschap ging in die dagen uit van het standpunt, dat de mens met denken en onderzoeken wel alles bereiken kon. De laatste tijd echter gebeurt het steeds weer, dat wetenschapsmensen die atheïst of agnosticus zijn, toegeven, dat zij bij hun onderzoekingen ergens een onontwarbaar raadsel, iets wat men God zou kunnen noemen, ontmoeten; zonder het te beseffen neemt de wetenschap afstand van het zuiver materialisme, neemt de mensheid afstand van de illusie, dat zij alle dingen kan leren en beheersen.

Er is meer: grenzen bv. Eens waren deze afpalingen van bezit, en niet veel meer. Daarna werden de grenzen echter steeds meer economisch belangrijke afpalingen van bepaalde gebieden, die steeds meer en steeds sterker gesloten werden. Op het ogenblik gaan echter steeds meer grenzen langzaamaan weer zonder meer open voor mensen en goederen. Steeds meer landen zien af van hun recht een ieder eens goed te besnuffelen, vóór hem door middel van een visum de welwillende toelating tot betreden van hun grondgebied wordt verleend.

Men neemt afscheid van afzondering in eigen heerlijkheid en erkent steeds meer de noodzaak op alle gebied in zo groot mogelijke vrijheid samen te werken.

Dit alles zijn toch wel veranderingen van groot belang die, ofschoon zij vaak haast geruisloos en onopgemerkt plaats vinden, in wezen een betrekkelijk snelle omwenteling in menselijk leven en denken kunnen gaan betekenen. Het gaat hier niet alleen om wijzigingen in de wereld alleen, maar wel degelijk ook om veranderingen in de mens zelf, zijn verantwoordelijkheidsbewustzijn en zijn waarderingen. Dit komt bijvoorbeeld hierin tot uiting:

In 1950 achtten 90% van de geleerden – die over oordeelbevoegdheid moesten worden geacht – een verdere ontwikkeling van het atoomwapen en de proeven daarmee genomen, zonder enig gevaar. Op het ogenblik echter meent meer dan 50% van de deskundigen – ik hou dus geen rekening met de generaal van de infanterie, de professor in de historie en de politicus en dergelijke – dat de ontwikkeling van het atoomwapen een steeds groter gevaar betekent voor de mensheid. Ruim 60% van de betrokkenen geeft openlijk toe, dat men in het onbekende ronddwaalt en experimenteert.
Zo vroeger werd aangenomen, dat alleen een opvoering van de stralingsachtergrond tot 60 à 90 röntgen gedurende kortere tijd werkelijke schade in de erfmassa op aarde zou kunnen aanrichten. Men meent op het ogenblik reeds, dat een verhoging van de stralingsintensiteit gedurende langere tijd met 005 röntgen reeds voldoende is om blijvende wijzigen in mens, dier en gewas te veroorzaken, waarvan de gevolgen niet op korte termijn te overzien zijn. Wat meer is, zelfs bij vele “diehards”, mensen, die ten koste van alles – zelfs de ondergang van de wereld – eens hun proeven wensten voort te zetten, is in deze dagen een duidelijke twijfel kenbaar aan het werkelijke nut en de werkelijke mogelijkheden van het huidig systeem van experimenteren. Hier zijn zeer grote veranderingen op betrekkelijk korte termijn kenbaar geworden.

Dergelijke veranderingen zullen de meesten van u ontgaan, omdat zij zo geleidelijk plaats vinden. Zo zult u waarschijnlijk ook niet bemerkt hebben, dat de laatste 4 tot 5 jaar zeer vele mensen in uw omgeving hun gewoonten en wijze van leven aanmerkelijk hebben veranderd. Hoeveel mensen zijn er echter niet, wanneer u even nadenkt, geheel veranderd? Hoeveel mensen die eens vrijheid ten koste van alles voorstonden, ook in hun eigen bestaan, zijn op het ogenblik teruggekeerd tot grotere gebondenheid en tonen een veel verdergaand begrip van verantwoordelijkheid? Hoe velen, die vroeger in begrippen van orthodoxie gebonden waren, leven nu op een wijze, die zij vroeger waarschijnlijk bandeloos genoemd zouden hebben? Denk er maar eens over na.

Ook de houding van de mens tegenover het gezag is aanmerkelijk veranderd. Vroeger streed men ervoor een gezagsvorm te vinden, waarop men zelf invloed uit kon oefenen. Hoeveel mensen interesseren zich nu echter nog werkelijk voor de mogelijkheid, op gezagsvormen en gezagsuitoefening invloed uit te oefenen? Het zijn er maar weinigen.
Rond 1957 waren vele mensen ervan overtuigd, dat de wereld in de komende eeuwen net zo door zou draaien, als zij tot dan toe deed. Op het ogenblik zijn er zeer vele mensen, die een einde van de wereld binnen afzienbare tijd mogelijk achten of zelfs verwachten. Nog tien jaar geleden was het in vele landen gebruikelijk te sparen en op te potten, waar dit maar mogelijk was. Ofschoon openlijk de spaarzin wordt aangemoedigd, zou het toch werkelijke misleiding zijn, wanneer wij zouden willen volhouden, dat op het ogenblik, in verhouding tot de gestegen verdiensten enz., sprake is van een voortgaande of zelfs oplopende besparing. Integendeel, de lust tot sparen loopt, ondanks alle officiële maatregelen en alle beweringen, steeds verder terug. Het kopen op krediet neemt echter in zelfs sterkere mate toe, dan de gemiddelde besparing of spaarzin afneemt.

Zelfs in 1959 werden in vele landen nog maatregelen tegen trustvorming genomen. In 1964 blijken overal de trusts sterker te staan dan ooit en zelfs vaak een zeer grote invloed te hebben op regeringen en internationale politiek, waarin zij vaak de beslissende invloed vormen. Men zal dit niet gaarne toegeven, maar dit zijn de feiten.

Tien jaar geleden was een communist nog iemand, die meende met een minimum van persoonlijke eisen voor de gemeenschap te moeten leven en ten koste van alles zoveel mogelijk andere mensen in dezelfde toestand te moeten brengen. Op het ogenblik is menig communist – vooral in de landen, waar men de zegeningen van dit systeem ten volle kan genieten – een mens die streeft naar wat meer eigen bezit, wat meer winst, wat minder arbeid en wat meer gemak. In plaats van de wereld te willen veroveren, hoopt hij diep in zijn hart, dat de wereld hem met rust zal willen laten en niemand hem zo op zal jagen, dat hij ten strijde zal moeten trekken. De regeerders handelen nog, alsof de oude discipline, de oude strijdlust zou bestaan, maar echt waar is dit vandaag zeker niet meer.

Wij kunnen dus wel zeggen, dat er grote veranderingen in betrekkelijk korte tijd op allerlei gebied plaats hebben gevonden. En wat uzelf betreft, ook u zult, vooral in de laatste tijd, van menige illusie afscheid genomen hebben, terwijl menig onderdrukt of schijnbaar onbelangrijk kwaaltje opeens ernstig tot uiting is gekomen. Zie maar eens om u heen, u bent geen uitzondering. Alle mensen hebben er kennelijk in deze dagen last van. Overal blijken de mensen van het oude los te slaan.
Daardoor zien wij overal mensen, die de meest eigenaardige godsdienstige, politieke en economische stellingen verkondigen. Kennelijk weten zij geen weg met zichzelf. Hoevelen daarvan kent u in uw eigen omgeving? Ook op ander gebied blijken de mensen geen begrip meer te hebben voor verhoudingen en belangen. Zelfs in de moeilijke jaren van de oorlog tot 1950 blijken bv. de middenstanders er in doorsnee nog van overtuigd, dat het hun belang is, klanten te binden door een zo groot en goed mogelijke service te verlenen.
In deze dagen blijken echter steeds meer middenstanders uit te gaan van het standpunt, dat de klanten hén een betere service hebben te verlenen en eigenlijk geen recht zouden mogen hebben een eigen leverancier te zoeken. Zeker, dit alles wordt niet uitgesproken en komt alleen in betrekkelijk kleine tekenen tot uiting. Maar dit betekent voor de middenstand toch wel een algehele ommekeer in houding en mentaliteit.

Wanneer men al deze veranderingen, waarvan ik er nu enkele heb genoemd, beschouwt, zo lijkt mij de vraag gerechtvaardigd, of de wereld eigenlijk niet bezig is, afscheid te nemen van iets. Afscheid van een tijd, waarin mensen nog werkelijk verlangden pioniers te zijn en daartoe de mogelijkheid hadden, een tijd van razend snelle ontwikkelingen in techniek en handel door particuliere initiatieven. Afscheid van een tijd, waarin de mens aan zichzelf alleen meende te mogen denken en dacht eigen lot en het lot van de wereld steeds in eigen hand te kunnen nemen, een tijd waarin een ieder nog meende in eigen huis en bedrijf, kapitein naast God op eigen schip te kunnen zijn. Een afscheid zelfs van de dagen, dat men meende, dat de code van de gemeenschap de enig juiste was, die men op eigen initiatief overal diende te handhaven, die ten koste van alles moest worden gevolgd. Ook dit kleine leven toont zijn veranderingen steeds sterker, wanneer men aandacht heeft voor de schijnbaar onbelangrijke verschijnselen.

1933: in toegelaten films worden damesbenen, die niet met kousen of tricot bekleed zijn, eenvoudig weggeknipt; nog in 1947 was het niet toegelaten op het filmdoek twee personen van verschillend kunnen te tonen, terwijl zij in kennelijk niet geklede staat zich gezamenlijk in één bed ophielden. 1962: zinnelijke vrijpartijen en het geheel onbekleed tonen van vrouwen blijkt een grote rol te spelen in de filmreclames en wordt door de keuringen toegelaten. Dit doet de vraag rijzen, of men in deze dagen misschien ook afscheid neemt van vele oude zedelijke normen.

Rond 30 jaar geleden zochten de mensen voornamelijk naar soliditeit. Op het ogenblik zoekt men naar moderne waarden en vormen, die door hun redelijke prijs en slechte kwaliteiten snel vervangen moeten en kunnen worden. Zo bijvoorbeeld een herenkostuum: in 1913 is de gemiddelde draagtijd 8 à 10 jaar, de omvang van de garderobe gemiddeld 1 kostuum, 1 werkpak. 1950: gemiddelde draagtijd van een herenkostuum twee en een half jaar, garderobe gemiddeld drie kostuums plus werkkleding.
Nu: gemiddelde draagtijd van een kostuum: één en een half jaar. Omvang van de garderobe rond 5 kostuums, sportkleding 1 à 2 sets, werkkleding, soms aangevuld met gelegenheidskleding. Eén kostuum is niet ouder dan ongeveer 6 maanden, 1 à 2 kostuums zijn 1 tot 1 en een half jaar oud, 1 combinatie of sportset niet ouder dan 1 jaar, verdere kleding gemiddeld niet ouder dan 4 à 5 jaar. Misschien vindt u, dat ik te nadrukkelijk hierop inga.
De reden is, dat juist hiermede geïllustreerd wordt, dat men tegenwoordig anders leeft en denkt, dat de koopgewoonten van heden aanmerkelijke verschillen van de gewoonten van enkele jaren geleden zelfs. Men neemt afscheid van de oude tijd – onbewust – door niet meer te vragen naar iets, wat over langere tijd nog goed en bruikbaar is – wie weet, wat er morgen gebeurt, niet waar? – maar vergt steeds weer iets, dat vandaag tevredenheid geeft, ongeacht de waarde daarvan voor morgen.

Ook het nadenken over mogelijke gevolgen blijkt af te nemen: steeds meer vraagt men zich af, wat men vandaag wenst, wat aan de verwachtingen en behoeften van heden tegemoet komt, zonder zich daarbij om de gevolgen voor morgen tegen te laten houden, of deze zelfs maar te overwegen.

Ook blijkt de mens steeds meer afscheid te nemen van wat ik de dogmatische esoterie zou willen noemen. Een enkele oudere groepering buiten beschouwing latend, kunnen wij stellen, dat de esoterische groepen in Europa en de wereld hun bloei doormaken in de tijd tussen 1900 en 1920. Dan zijn al deze groepen op dogma’s gebaseerd, werken intens en bereiken grote resultaten. Nu bestaan deze groepen nog voort, doch de leden houden zich maar zeer ten dele aan deze dogma’s, verwerpen soms zelfs een groot deel van de stellingen, terwijl velen van hen een nieuwe vrijheid van denken en streven zoeken in afgesplitste bewegingen of in een zelfstandig streven.
Toch was kort voor de tweede wereldoorlog de gemiddelde binding van de leden aan de groep groter dan bij de meeste kerkelijke organisaties. Op het ogenblik ligt de gemiddelde esoterische bereiking op een gelijk of zelfs hoger vlak, dan in die dagen. Het zich gebonden voelen aan het systeem en de school is echter teruggelopen tot één derde, vergeleken met het jaar vóór de wereldoorlog. Ook hier neemt men klaarblijkelijk afscheid van het oude, daarbij vooral afstand nemende van het dogma.

De eerbied voor de medemens was in het verleden gebaseerd op zijn positie in de maatschap- pij. Van een hierop gebaseerd respect voor anderen is in steeds mindere mate sprake, al neemt men de uiterlijke vormen nog wel in acht. Een ieder voelt zich de gelijke van de anderen, het besef dat men de mindere is van een ander door gebrek aan kennis, middelen, status, valt steeds meer weg. Slechts op grond van persoonlijkheid en geestelijke verwezenlijkingen worden dergelijke verschillen door velen nog werkelijk erkend. Ik mag dan ook wel stellen, dat wij op het ogenblik afscheid nemen van een oude wereld. Het lijkt mij niet juist dit te doen, zonder na te gaan, wat zij ons gegeven heeft en welk erfdeel zij de mens in deze dagen  nalaat.

De afgelopen eeuwen hebben we de mensheid een zeer snelle en sterke vooruitgang zien doormaken. De technische ontwikkelingen, waarop de huidige maatschappij zich baseert, stammen grotendeels uit de dagen tussen de zestiende eeuw en het heden. De ontwikkelingen van het verkeer, dat een zo grote invloed uitoefent op leven en mogelijkheden van de hedendaagse mens, begint in wezen eerst zijn huidige vorm te benaderen in de Napoleontische tijd. Ook het begin van modernere telegraafsystemen en openbare berichtgeving stamt uit die dagen. Toch vormen deze een van de grootste voordelen, maar ook een van de grootste belastingen van de hedendaagse mens. Nu weet men immers van elkaar, wat aan de andere kant van de wereld gebeurt; dit beïnvloedt zonder meer en onmiddellijk uw eigen leven. Strijd zowel als samenwerking zijn minder gelimiteerd, de noodzaak met elkander rekening te houden is op onvoorstelbare wijze toegenomen.

De laatste eeuwen hebben de mogelijkheid geschapen kennis te nemen van de wijsheid van de mensheid, van vele filosofieën. Niet slechts is het denken van de ouden als Cicero, Zeno, Plato, Aristoteles voor de menigte ontsloten, maar ook vele nieuwe denkwijzen zijn voor een ieder in eigen taal toegankelijk. Hierdoor is het voor elke moderne mens mogelijk geworden kennis en inzichten te verwerven, zonder zich daardoor aan een bepaalde school te binden, of is het mogelijk de juistheid van bepaalde stellingen en het bestaan van andere mogelijkheden voor zich te bezien. Kennis, wetenschap en filosofie staan vrijer tot beschikking van meer mensen, dan in het verleden mogelijk scheen.

De tijd, waarvan u – zonder het te beseffen – reeds afscheid neemt, bracht de mensheid verder de massaproductie, iets wat gelijktijdig in mijn ogen iets zeer moois én iets verschrikkelijks is. In de afgelopen tijd hebt u de systemen geleerd en de mogelijkheid verschaft allen op aarde het werkelijk noodzakelijke te geven op een wijze, die voor allen begrijpelijk en bruikbaar is. Helaas is schoonheidszin en scheppingsvreugde daardoor aanmerkelijk afgenomen. Overigens is het aardig te zien, hoe, ongeacht de methodiek van de massaproductie, de individuele uitvoering, de individuele smaak, steeds weer meer invloed gaat krijgen. Men produceert steeds meer onderdelen en masse, terwijl de samenstelling, het samenvoegen van elementen, aan de kunstenaar of zelfs aan het individu worden gelaten.

Het systeem van massale productie bracht de wereld materiële overvloed, daar waar dit proces werd gebruikt. Daardoor kon het gemiddelde levenspeil in een zeer groot deel van de wereld aanmerkelijk stijgen. Nu kent de oude tijd echter een systeem van winstbejag, waardoor men de werkelijke mogelijkheden van massale productie nooit op rendabele wijze heeft leren gebruiken. Het is nog niet zo lang geleden, dat men in Brazilië locomotieven stookte met koffie, in Nederland melk in de sloten liet wegvloeien en groenten op de mestvaalt liet rotten, in Amerika grote hoeveelheden graan voor consumptie ongeschikt maakte, terwijl elders mensen hunkerden naar deze producten, soms zelfs ook in eigen land.

Ook op het ogenblik wordt er onnoemelijk veel geproduceerd. Er is in sommige landen hongersnood. Toch zal men ofschoon men het overtollige niet meer vernietigt – tenzij geen andere mogelijkheid schijnt te bestaan – het overschot niet zonder meer willen afstaan aan hen, die daaraan zo’n grote behoefte hebben. In vele gevallen wacht men eerst tot de overtollige producten hun kwaliteit bijna verloren hebben – ten koste van veel geld en moeite – voor men ze tegen voordeliger prijs aan de minvermogenden aanbiedt.
De productiemethoden, die de laatste 150 jaren ontwikkeld werden, maken het mogelijk geheel de wereld zo te voeden, dat er geen honger meer is, zo te kleden, dat op dit gebied geen nood bestaat, en zo te huisvesten, dat redelijke zekerheid voor allen aanwezig is. Zo laat de tijd, die gaat, ons als erfdeel de kennis en mogelijkheid om alle mensen een menswaardig leven te verschaffen, ook al maakt men hiervan geen juist gebruik en verleent men geen steun naar behoefte aan armeren, maar zoekt men vooral zichzelf door zijn gaven en steun te verrijken. De mogelijkheid bestaat echter en daarvoor mogen wij het verleden dankbaar zijn.

Enerzijds dus goede waarden, anderzijds een grote warboel. Zo worden de energiebronnen van de wereld op ondoelmatige wijze gebruikt, de energie verspild, omdat men daarin een mogelijkheid ziet winsten te behalen of eigen aanzien te vergroten. Men stimuleert, omwille van een schijnwelvaart, productie van goederen, die te kostbaar worden, of zo overvloedig zijn, dat zij uiteindelijk opgeslagen of vernietigd zullen moeten worden, zonder voor de gemeenschap werkelijk nut te hebben.
Een groot deel van de westerse welvaart bv. is gebaseerd op een systeem, waarbij tussen productie en behoefte geen werkelijk verband meer bestaat, terwijl prijzen niet meer door de vraag naar het product, maar door de wensen en behoeften van de producent worden beheerst. Dit is nog dwazer dan het klinkt, omdat op deze wijze werkkracht, grondstoffen en energie nodeloos worden verspild. Reeds nu echter zien wij een opleven van het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid voor anderen – niet via instanties, maar persoonlijk – waardoor vele overschotten een juiste bestemming bereiken. Reeds nu schijnen velen te beseffen, dat het niet zo belangrijk is, wat de zakelijke aspecten zijn, wanneer men maar in staat is, armere en behoeftige broeders en zusters te helpen. Wanneer deze tendens zich vol ontwikkeld zal hebben, zal de mensheid een goed gebruik kunnen maken van haar nu vaak nog zinloos opgevoerde overvloed.

Niets, wat het verleden u nalaat, is geheel nutteloos. Op het ogenblik echter bevindt zich de mensheid en haar maatschappij nog teveel in een staat van verstarring, in een toestand, die m.i. soms aan verdwazing gelijk komt. Van dit laatste wil ik u een voorbeeld geven:

Arbeiders staakten om enkele uren meer vrij te kunnen krijgen, ofschoon zij reeds nu met die vrije tijd geen raad weten en – mede om aan de huishoudelijke taken te ontkomen waarvoor moeder de vrouw de vrije tijd van de man geschikt acht – op de zwarte markt karweitjes te verrichten, waardoor de mogelijkheden van rendabel en lonend werken in hun beroep uiteindelijk verminderen. Het is niet denkbeeldig, dat deze gang van zaken op de duur zal voeren tot een grote reeks van moeilijkheden door gebrek aan arbeidsgelegenheid binnen kleinere bedrijven en in de dienstverlenende sectoren van de maatschappij.

Hoe dwaas dit alles klinkt, ook dit kan voeren tot goede en noodzakelijke ontwikkelingen in de toekomst. Wij moeten afscheid nemen van het verleden en zijn opvattingen. Dat wat eens was, komt nooit weer. De tijd, dat iemand twee flessen met balletjes kocht en in zijn huiskamer daarmede een winkel opende, is reeds lang begraven onder vaardigheidseisen, vestigingsvergunningen, bedrijfschappen enz. Ook vele andere overblijfselen van het verleden zullen op deze wijze moeten sneuvelen, ofschoon zij tot op heden een moeizaam bestaan blijven voeren.

De dagen, dat men met een klein bedrijf kon beginnen en met veel werk en ijver dit tot een groot bedrijf kon uitbreiden, is ook al voorbij, evenals de tijd, dat men alleen met eerlijke verontwaardiging anderen in beweging kon brengen voorbij is.

De komende tijd vergt een integratie van de mensen, die niet alleen economische of politieke aspecten behelst, maar ook geestelijke waarden omvat. Dit kan niet bereikt worden onder dwang, door de zelfzucht van groepen of partijen, door egoïsme, maar alleen door een toenemende gemeenschapszin. Het zal niet lang meer duren, voor vele van de nu zo weerbare partijen zullen moeten sneuvelen. Men zal dan wel uitroepen, dat het alternatief dictatuur is, terwijl sommigen wel zullen stellen, dat nu het rijk Gods op aarde aanbreekt. Geen van beiden beseffen de werkelijkheid.
Indien de mensheid wil blijven voortbestaan, zal zij afstand moeten doen van nationale vooroordelen en belangen, van standenstrijd enz. om te komen tot een begrip van de ware gemeenschap, waarin men alle mensen allereerst beseft als delen van eigen bestaan, als de basis van eigen wereld. Dat de mens dit leert beseffen, heeft hij te danken aan deze periode, waarin hij zich wel bij pressiegroepen en belangengemeenschappen aan moet sluiten, wanneer hij nog enige betekenis wil hebben, wanneer hij nog iets wil bereiken. Want door de lusteloosheid, die uit deze gebondenheid voortkomt, zal enerzijds de behoefte aan vrijheid groeien, terwijl aan de andere kant men heeft leren beseffen, dat ook dit niet mogelijk kan zijn zonder anderen, zodat het geen zin heeft zijn eigen wegen te gaan zonder met die anderen rekening te houden.

Deze tijd vooral leert de mens, dat hij niets bereiken kan, dat hij niet leven kan zonder anderen. Tot op heden is dit een stoffelijke kwestie. Maar steeds meer mensen beginnen op het ogenblik onafhankelijk van elkaar, dezelfde ideeën te ontwikkelen, die tegen de gangbare opvattingen, wetten en inzichten of gebruiken ingaan. Zij zullen ook hier bereid blijken elkander te helpen en bij te staan, al bestaat er nog geen organisatievorm, waarin deze mensen zich met hun ideeën thuis kunnen voelen. Daardoor zullen overigens eerst de minder prettige aspecten kenbaar worden. Misschien betreurenswaardig, maar noodzakelijk. Want dit zijn de resultaten, wanneer mensen beginnen te beseffen, dat zij niet alleen kunnen bestaan en leven: de ontevredenen vinden elkaar het eerste, de extremen trekken de meeste aandacht en banen de weg voor de gematigden, voor hen, die werkelijk iets kunnen bereiken, nietwaar? De gedachte, dat de mens alleen mét zijn God en alleen verantwoordelijk tegenover die God op aarde kon bestaan, heeft een lang leven gehad.
Maar nu begint men meer en meer te beseffen, dat men alleen kan leven, bestaan op aarde, geestelijk iets bereiken, wanneer men samen gaat en zich verantwoordelijk weet. Ook tegenover de medemens.

Neem afscheid, van de schone illusie, dat men als mens geheel vrij kan zijn. Men kan alleen vrij zijn door zijn eigen Ik te wijden aan anderen. U wint echter voor die verloren illusie veel terug in de komende tijden: betere samenwerking, de vrijheid van samengaan, samenzijn, samen werken met Licht en kracht, gezamenlijk geestelijk inzicht winnen. Wanneer men dit beseft, zal het afscheid van vele oude en dierbare instellingen en methoden niet zo zwaar vallen. Wees de oude tijd dankbaar voor het vele, dat zij mogelijk maakte en bracht, maar besef, dat het goed is, dat mensheid en maatschappij zich verjongen en vernieuwen. De verdienste van het oude is, dat het de vernieuwing mogelijk heeft gemaakt.

Wanneer men afscheid neemt aan het begin van een tocht, is het ook gebruikelijk even over het doel van de reis te spreken. Ook ik wil nu een ogenblik aandacht besteden aan de vraag: waar gaan wij naar toe?

Er is hierover reeds veel gezegd. Laat mij beginnen te constateren, dat het een lange en stoffige reis zal worden. Alleen reeds het noodzakelijke uitroeien van de ambtsschimmel zal veel stof op doen waaien. Ook zal het tijd vergen voor alle begrippen van heerszucht en machtsnoodzaak uitgeroeid zijn, zal er veel tijd overgaan. Wanneer men echter gaat beseffen, dat men alleen verder zal kunnen leven, wanneer men beseft niet de meerdere van een andere te kunnen zijn, maar de gelijke van anderen te moeten zijn, terwijl elke poging om bewust bepaalde tegenstellingen te handhaven ondergang zal betekenen, zal de wereld toch wel tot betere reacties dan de huidige kunnen komen.

Bluf wordt steeds gevaarlijker, omdat anderen uw opschepperij ernstig zullen kunnen nemen en u zo een taak zullen kunnen toedelen, die past bij uw woorden, maar niet bij uw vermogens. Men zal eerlijker moeten worden. Ik meen, dat de wereld veel verrassende ontdekkingen zal doen, wanneer zij eindelijk leert werkelijk eerlijk te zijn. Men zal vooral beseffen, dat men meer zichzelf moet zijn, meer beantwoorden moet aan eigen mogelijkheden, wensen en inzichten, kortom, meer zichzelf zal moeten leven. Alleen op mensen die zo leven, kan een evenwichtige gemeenschap gebaseerd worden. Aan het einde van de huidige ontwikkeling kan een dergelijke gemeenschap m.i. verwacht worden. De verbondenheid, die een ieder dan met deze gemeenschap zal gevoelen, zal een bepalende waarde in eigen leven worden, zonder dat dit tot een knellende band met die gemeenschap worden zal, die van buitenaf opgelegd wordt.

God zal voor de mensen ook iets anders betekenen dan een vorst, die vanuit de hemelen regeert, of een abstracte kracht, waarmede men misschien in een hiernamaals geconfronteerd zal worden – dat op het ogenblik voor velen eigenlijk minder belangrijk lijkt. God wordt deel van de mens en van de wereld. De menselijke geest gaat steeds meer ontwaken. Waar de wetenschap nu reeds voor het raadsel staat, dat haar beoefenaren het onbekende of God noemen, is het niet zo dwaas aan te nemen, dat aan het einde van deze ontwikkeling begrippen als God en geest niet meer vaag en abstract zullen zijn, maar een werkelijke functie zullen hebben in de menselijke wereld. God was tot op heden voor al te velen de stok achter de deur, die alleen straffend tevoorschijn kwam, wanneer het nodig was. In de toekomst zal God eerder een licht, een lamp zijn, die men nodig heeft om zelfs in de materie zijn weg te kunnen vinden. Wat meer is, vroeger was God iets, wat bestond ondanks de wetenschap. Het zal misschien nog wat duren, maar in de toekomst zal de wetenschap alleen verder kunnen gaan en kunnen bestaan dankzij haar besef van God. Wij mogen rekenen op meer dergelijke omwentelingen, die nu onlogisch en niet voorstelbaar lijken te zijn, maar die tot de toekomst behoren en het doel aantrekkelijk maken, hoe lang en moeilijk de weg daarheen ook moge zijn.

Bij het afscheid van een periode, die, al beseft u dit misschien nog niet, binnen enkele jaren ten einde zal zijn, past daarom zeker dankbaarheid voor de middelen die zij schonk, om een nieuwe en betere tijd te scheppen. Velen zullen juist nu spreken over leraren, meesters en ingewijden als een belangrijke factor in de vernieuwing, zonder te beseffen dat ook deze behoren tot de tijd, die voorbij gaat, de periode waarvan zij het beste deel vormden, maar die toch binnenkort ten einde zal zijn. De mens heeft in het verleden de noodzaak geschapen voor dergelijke verlichte geesten, omdat hij God op een troon heeft gezet en vervolgens deze troon heeft omringd met het prikkeldraad van dogma, organisatie en menselijke interpretatie.
In de nieuwe tijd zal echter elke mens leren persoonlijk contact op te nemen met zijn God, Hem zelf te beleven in zijn eigen wezen. Reeds nu komt men er steeds dichter bij door de noden en verwarringen van de overgangsperiode. Want wanneer je je alleen maar kunt redden door over prikkeldraad te klimmen, dan doe je dat, zelfs al scheurt je pak en loop je schrammen op. Wanneer je niet zonder God kunt leven en toch God niet kunt vinden in de gangbare stellingen en opvattingen, dan zul je Hem zoeken en vinden.

Om tot ware gemeenschapszin te komen – en dat is de enige uitweg uit de huidige verwarring – kun je niet volstaan met macht of gedeelde belangen. Om werkelijk geheel met anderen samen te kunnen werken, is er meer nodig. Dan is er God nodig, omdat hij de bindende factor is. In het begin zal een ieder, die God leert beseffen, Hem nog wel op eigen particuliere wijze beleven, zien en interpreteren. Maar dit zal niet zo lang duren, omdat men zich al snel aan de gemeenschap zal wennen als enige weg tot innerlijke vrede en zo aan elkanders voorstellingen meer en meer deel zal hebben, tot de waarheid overblijft. Vele gewoonten van leven en denken, ja, zelfs gewoonten waardoor het innerlijk bewustzijn te vaak nog op aardse redelijke basis gericht wordt, zal de mens moeten achterlaten, wanneer hij wil komen tot de ware levensvreugde en ware levensaanvaarding.

Ik meen dat de nieuwe tijd een stelling op de voorgrond gaat brengen, waarmee men reeds meende afgerekend te hebben, namelijk, niets is belangrijker dan uit jezelf de juiste daad, het juiste woord en de juiste plaats te vinden. Het lijkt te veel op bijgeloof, op magie, wanneer ik daaraan toevoeg dat het juiste woord, het juiste gebaar enz. alleen mogelijk zijn voor hen, die innerlijke het ritme van leven en wereld op de juiste manier aanvoelen.

Vroeger was het voor de mens belangrijk steeds het juiste woord, gebaar enz. te gebruiken, onverschillig of hij alleen was dan wel met anderen, in de natuur dan wel in huis. Ik meen, dat in de komende tijd de mens zal ontdekken dat, ongeacht de redelijke argumenten, waarmee de mens een logische verwerping van dit alles schiep, de juiste trilling, het juiste ritme van bepalend belang voor zijn leven en bereiken zullen zijn.

Misschien meent u, dat ik weinig belangrijks heb gezegd. Maar dit is dan ook een afscheid. En daarbij past deze toon. Maar dit afscheid dient ook een welkom te zijn aan de nieuwe tijd. Daarbij past bazuingeschal: “Le roi est mort, vive le roi”. Welaan: de koning ‘materialisme’ is stervende, is reeds bijna dood. Leve de vorst van een nieuwe en betere tijd: de geest. Bij het welkom past geen genoeglijke beschouwing, maar waarheid en kracht. Er wordt met het oude afgerekend. De demonen, die de mensen als hoogste goed hebben vereerd, zullen worden uitgedreven. Geslecht worden de muren die zij gebouwd hebben tussen zichzelf en de waarheid, om zo hun dwaasheden voor zich en anderen te verbergen. Streng en fel komt de nieuwe kracht en de nieuwe tijd. Een bode ging haar vooraf, maar deze heeft zijn taak op deze wereld welhaast volbracht. Toch weten wij, dat de nieuwe heerser niet wil komen met groot geweld. Hij komt niet om te straffen en te verdelgen, maar om levend te maken wat gestorven is. In uw geest ligt de kracht van Licht en leven. Maar u hebt haar als dwazen verborgen in de kelders van uw wezen. Maar Licht, Leven en Kracht zullen u gegeven worden. Want u zult zich moeten keren tot het nieuwe Licht, omdat al het andere u geheel duister zal worden.

Nu meent u misschien, dat dit alles wellicht later, veel later zal gebeuren. Maar voor u het beseft, is er midden op de dag, of in de nacht wanneer gij rust, opeens het gebeuren. Dan kunt u uw machteloosheid en wanhoop niet meer afschudden, tenzij u zich vrij maakt van alle waan, opdat het waarlijk Lichtende, levende en vreugdige, de kracht die woont in uw wezen, tot uiting komt. Het gaat nu niet meer alleen om een sleutel, om een woord. Wij nemen afscheid van een oude tijd, die veel goeds heeft gegeven. Maar de nieuwe tijd is belangrijker: een tijd van geestelijke kracht, van geestelijk leven, dat de stof doorgloeit en leven geeft aan veel, dat in u dood schijnt te zijn. Zo is de tijd, die komt.

Misschien vreest gij, vrienden, voor een vorst van de duisternis. U zult zelf kiezen: kunt u opgaan in een gemeenschap, waarin alleen het Licht, de krachten van het Licht, de vreugden van het bestaan de erkenning vormen van de eeuwigheid? Of wilt u in de bekrompen beslotenheid van uw eigen wezen en denken langzaam vergaan door gebrek aan kracht, aan leven en ervaringen? De keuze is aan u.
De tijd, die komt, is geen paradijs. Maar het is een tijd, waarin u steeds weer groeien kunt, een tijd, waarin niet eindeloos voor u ligt de slaventaak, die een maatschappij u toemeet of de dwang, de gesel, die u dwingt uzelf te vergeten omwille van het dagelijks brood. Maar bereiken kunt u in die tijd alleen, door steeds meer met anderen, gezamenlijk, eerlijk te streven, de innerlijke kracht uitende. Weigert de meerderheid van de mensheid dit te beseffen, dan zal men zijn wereld zien vergaan zonder de mogelijkheid te hebben, zichzelf of deze wereld te redden.

Vergis u niet, dit is geen boetepreek. Het is een feit, dat velen onbewust reeds nu beseffen. Wanneer wij dan vanavond afscheid willen nemen van het oude, zullen wij tevens moeten beseffen: ook al duurt veel van het oude nog wat voort, toch is er voor ons reeds heden een wekroep tot nieuw leven, een Licht, dat ons wordt tot een nieuwe kracht. Reeds nu is er een mogelijkheid om innerlijke vreugde te gewinnen, die sterker is dan alle tegenvallers, alle ellende zelfs in deze tijd die het u allen schijnbaar zo moeilijk maakt. Er is kracht. Nu! Lichtende kracht. Gouden kracht. Reeds nu wervelt zij boven deze aarde. Reeds nu kunnen wij, die hier zijn, deze kracht in geest en stof ervaren en aanschouwen. Het is een kracht, die geen naam heeft, die mensen kunnen uitspreken. Er is reeds nu een voldoende intense en levende kracht, zodat zij u datgene kan zeggen, wat voor u persoonlijk bestemd is, dat, wat ik u hier niet kan zeggen.

Aanvaard deze kracht gewoon. Roep niet uit: dit is de verlossing; mompel niet: dit is dwaasheid. Doe dit en ik zeg u, dat de komende week voor u – en voor velen die hier niet aanwezig zijn – een vernieuwing zal betekenen, omdat u ergens een nieuw begrip, een nieuwe mogelijkheid, een nieuwe kracht zult vinden. Reeds nu dus.

Ik zeg u meer: voor het 28 dagen verder is, zal in geheel de wereld voor elke mens, die maar openstaat voor vernieuwing, nieuwe vitaliteit, een nieuw besef van waarheid, van doelbewustheid, deze kracht zó sterk bevestigd zijn, dat zij in staat zullen zijn uit de huidige verwarring tot rust te komen, tot harmonisch leven en streven. Binnen drie maanden zal voor een ieder, die aan deze kracht deel heeft, veel in het leven veranderen. Dan zult u misschien begrijpen waarom wij hedenavond afscheid hebben genomen van het oude, dat voor u nog zozeer leeft, waarom wij spraken van zovele dingen, die toch schijnbaar geestelijk onbelangrijk zijn. Want zij, die reeds waarlijk openstaan voor het Licht, nemen in deze dagen afscheid van het verleden en omvamen al haast de nieuwe trilling, de nieuwe klank, het nieuwe leven, dat de toekomst zal beheersen. Een leven, dat zeker arbeid te over zal brengen, maar daarnaast ook vreugde, beleving en een intense menselijkheid, waardoor het goddelijke voor de mensheid sterker kenbaar zal worden.

Dit was dan mijn betoog. Ik geef u geen gelegenheid vragen te stellen: wie verstaan heeft, heeft geen verdere uitleg nodig. Wie niet verstaan heeft, wie niet begreep, kan ik verder niets uitleggen. Ik kan daarom als besluit alleen nog zeggen: hier, rond en boven ons, is dat Licht, waarvan ik sprak, als de nieuwe koning. Het oude is nog niet dood. Die worsteling duurt nog enkele jaren. De krachten van Licht bereiden zich echter reeds nu op de aanvaarding van de heerschappij voor. Reeds nu vult dit Licht meer en meer het wezen van allen, die deel kunnen zijn van een mensheid, die in de ware zin van het woord één is. Eén omdat men elkaar erkent en respecteert en gezamenlijk het geestelijk werk wil voltooien.

Esoterie: De lichtende essence

In dit tweede deel van de bijeenkomst pleegt men over esoterie te spreken. Het onderwerp, dat ik heden met u wil behandelen, heeft zeker veel met de esoterische waarden gemeen, maar kan niet helemaal door het begrip esoterie gedekt worden. In aansluiting op de rede van mijn voorganger wil ik uw aandacht vragen voor enkele bijzondere aspecten van de komende krachten, in het bijzonder wel over de inwerkingen, die wij binnenkort ook zelf zullen kunnen ondergaan. Kortom, ik wil met u spreken over: De lichtende essence.

Wij weten allen, dat er extracten bestaan, die in bijzonder sterke mate de eigenschappen van een bepaalde stof in zich dragen. Deze zijn niet onmiddellijk en zonder meer te gebruiken, maar winnen hun oude eigenschappen toch weer terug, wanneer zij op de juiste wijze verdund worden. Denk maar eens aan koffie-extract. Dergelijke extracten en essencen hebben over het algemeen de eigenschap veel beter houdbaar te zijn dan de stoffen, waaruit zij gewonnen worden.

Normalerwijze hebben wij rond ons in werelden en sferen een zekere Lichtende kracht, een soort levenskracht. Deze is mooi, goed en bruikbaar, maar lijkt van het ene ogenblik op het andere te vervliegen, zodat regelmatige aanvulling noodzakelijk is. Men moet zich dus voort- durend van deze Lichtkracht opnieuw voorzien. Zou men daarin falen, dan ondervindt men onmiddellijk de weerslag hiervan in geest en lichaam. Wanneer er nu een kracht optreedt, die de essentie van voornoemde Lichtkracht is, zo bevat zij dus waarden die essentieel zijn bij alle bewuste beleven, bij alle gebeuren. Een dergelijk extract van kracht kan de mens wel onmiddellijk beroeren, maar de mens zal deze toch niet onmiddellijk en zonder meer kunnen gebruiken.

Wanneer de mens dit extract echter in zich kan opnemen, kan hij steeds weer een beroep daarop doen, wanneer om de een of andere reden hij meer dan normale Lichtende kracht nodig heeft, of tijdelijk niet tot normale opname daarvan in staat is. Hij zal dan echter zijn daden, de ontwikkelingen van zijn wezen ook, moeten gebruiken en daarin de opgenomen reserve voorzichtig moeten mengen. In wezen zal men dus om van deze essence van Licht gebruik te kunnen maken, dit Licht moeten uiten en gebruiken in de wereld. Eerst dan zal men zich ook zelf kunnen opladen op de normale wijze. Zoals koffie-extract eerst drinkbaar wordt, wanneer het verdund wordt.

Deze huishoudelijke vergelijking dringt zich onwillekeurig aan mij op, wanneer ik de kracht bezie, die zich op het ogenblik rond en naar de aarde beweegt. Mijn voorganger heeft gesproken over het gouden Licht. U zult wel begrijpen, dat je goud in vele verschillende mengingen en samenstellingen kunt aantreffen. Zo is bijvoorbeeld het gouden Licht van de mens toch altijd weer anders dan het gouden Licht van de geest, al zal de grondwaarde erin aanwezig zijn. Nu bezitten wij allen ergens iets van het onvervalste goud van de eeuwigheid. Het is de kern van ons bestaan en wordt ook wel ziel, goddelijk Licht of goddelijk leven genoemd. Het is deze kracht, die, slechts zeer weinig vermengd met lagere invloeden, op het ogenblik de wereld benadert. Door verschillende grote leraren van het verleden en de toekomst wordt deze Lichtende kracht a.h.w. naar de aarde gedirigeerd. Daarbij is de essentie van dit Licht door hen zodanig gericht, dat zij voor elke mens, die werkelijk van goede wil is, zonder meer aanvaardbaar kan worden genoemd.

Wij zoeken altijd in onszelf naar de waarheid. Men vergeet daarbij wel eens, dat men ook ín zich dient te zoeken naar het Licht en de kracht. Toch kunnen het Licht en de kracht ons slechts helpen door ons eigen wezen, door ons denken en leven. Wij kunnen zeggen dat God iets mogelijk maakt voor ons. Maar Hij doet alles dóór ons wezen. De kracht is altijd in ons. Maar die kracht binnen ons wezen kan aanmerkelijk versterkt worden, wanneer de essentie van het Licht, dat de kern van ons wezen en leven vormt, nu opeens in veel grotere mate dan normaal ook rond ons aanwezig is. Het lijkt eigenlijk wel op een toepassing van de wet der communicerende vaten. Wanneer wij contact hebben met de krachten van goed, van het levende, het vreugdige, het aanvaardbare op de wereld, dan zullen wij de grote krachten, die rond ons zijn, als vanzelf ervaren en in ons wezen op kunnen nemen.

Wanneer wij over de essence van Licht spreken, zo vragen wij ons onwillekeurig af: Wat is dit eigenlijk? Maar dat is moeilijk te zeggen. Wanneer wij zeggen, dat dit God is, zo is dit waar, maar eigenlijk toch wel erg onvolledig. Te zeggen, dat het alleen maar energie is, zou echter evenmin juist zijn. Wij zouden waarschijnlijk nog het beste kunnen zeggen: het is een vorm van goddelijke energie, op een zodanige manier gebonden, dat zij zich niet zonder meer op alle manieren zal kunnen ontwikkelen of uiten. Het is dus iets, wat alleen gebruikt kan worden in de richting van leven, naastenliefde, van het ontwikkelen van innerlijke krachten en het sterker geven van krachten uit eigen wezen. Kortom, de kerneigenschappen lijken gebaseerd te zijn op een stelsel van uitwisseling.

Het zal helaas niet kunnen voorkomen worden, dat het optreden van deze kracht in het wezen van vele mensen, ook zal voeren tot een fellere uiting van conflicten. Want wijzelf zijn het, die aan deze rond ons levende en in ons sterk tot uiting komende krachten, richting geven. Weten wij de kracht, die ons gewordt, te gebruiken volgens haar wezen, als hetgeen zij werkelijk is – de essentie van Licht, het leven zelf – dan zullen wij daarmee wonderen kunnen doen en a.h.w. ons innerlijk kosmisch besef buiten ons omzetten in werkelijkheid.

Maar wanneer wij alleen maar blijven denken in menselijke en beperkte termen, vooral in de menselijke termen van goed en kwaad, van recht en onrecht, dan zullen wij geneigd zijn deze ons gegeven kracht vooral te gebruiken, om ons gelijk, ons recht te bewijzen. Daarbij vergeten wij, dat ook anderen vaak denken, dat zij gelijk hebben, dat zij in hun recht staan, zodat zij op gelijke wijze van de in hen werkzame krachten gebruik zullen willen maken. Daaruit kunnen ongewoon hevige botsingen voortkomen. Daarom kunnen wij stellen, dat deze essentie van Licht voor de mensheid als geheel niet alleen maar een zegen zal zijn.

Deze kracht wordt eerst een zegen, wanneer wij leren haar op de juiste wijze in ons op te nemen en te gebruiken.

Over deze juiste manier zou zeer veel te vertellen zijn: allereerst dient men te leren, hoe met deze kracht te leven; daarna zal men moeten leren haar als normaal deel van eigen bestaan te zien, voor er sprake kan zijn haar goed en volledig te gebruiken. Maar hoe moeilijk dit ook is, er bestaan kleine hulpmiddelen, kleine bijwegen, waardoor het toch mogelijk wordt veel te bereiken, zonder daarom zich geheel van die kracht bewust te zijn, of haar als intrinsiek deel van eigen wezen te leren beschouwen. Juist deze aspecten van de kracht en haar mogelijkheden zijn de reden, dat ik de essence van Licht deze avond met u bespreek.

Je kent jezelf over het algemeen maar zeer ten dele. Een volledige zelfkennis is voor de door- snee mens zelfs niet bereikbaar. Toch weten wij heel goed, wat voor ons binnen ons huidige bestaan het goede, het levende, het Lichtende is. Wanneer wij nu de Lichtende krachten in ons wezen kunnen ontvangen, doordat wij voor alle Lichtende en goede waarden openstaan en gelijktijdig vanuit ons wezen het goede zoveel mogelijk aan anderen schenken, zonder daarbij een bepaalde bedoeling te hebben, of er iets voor terug te vragen, zal ons handelen in overeenstemming zijn met het Goddelijke zelf. God is voor ons immers bovenal de in instandhoudende en liefdevolle Kracht. Zo zal het Licht op natuurlijke wijze binnen ons kunnen uitwerken, daar het door ons niet tot een soort strijdmiddel wordt gemaakt, maar eerder iets wordt, wat anderen verzadigt, helpt en beschermd.

Toch zal er, wanneer wij dit alles alleen aan anderen willen geven, een ogenblik komen, waarop wij ondanks alle goede wil en streven, niet meer verder komen. Want een mens heeft nu eenmaal zijn eigen leven. Dit is voor de mens van groter belang dan alle waarden, die buiten hem bestaan: zelfs de mens met het grootste kosmische bewustzijn zal nog steeds nat worden, wanneer het regent, boos worden, wanneer iets hem te zeer tegenvalt. Ook de meer bewuste mensen hebben de neiging zich alleen met dromen bezig te gaan houden, wanneer de werkelijkheid, waarin zij menen te leven, voor hen ergens niet meer aanvaardbaar is. Zo zijn mensen nu eenmaal. Daarom lijkt het mij verstandig te stellen, dat men boven alles en allereerst deze kracht ook in zich en door zich werkzaam wil weten. Pas wanneer je iets in jezelf erkent, wanneer je iets erkent als deel in eigen bestaan, zal het als mens mogelijk zijn daaraan een voldoende uitingsmogelijkheid te verschaffen.

Er moet dus in u iets groeien. In de komende maand zal dit voor vele mensen allereerst wel een idee zijn, een denkbeeld, een gedachte, waarbij men in het begin niet eens zo zeer stil blijft staan, maar die steeds weer in het bewustzijn oprijst. Wanneer u nu ontdekt, dat u op deze wijze uw verhouding tot uw medemensen – of eigen wezen – omschrijft in zeer bepaalde termen, is het goed met eigen gedachten een beroep te doen op de Lichtende essence.

Zeg dan: “Kracht en Energie, die mij beroeren, ik wens niet slechts een ogenblik mij van u bewust te zijn. In deze denkbeelden, in deze daden, in deze benadering van de wereld, wil ik u leren uiten.” Op deze wijze schept men – zonder dat hiervoor een te groot bewustzijn noodzakelijk is – een uitweg in eigen wezen, waardoor de kracht eerst waarlijk in en door u werkzaam kan worden. Men zal de Lichtende kracht dan gelijktijdig in zichzelf intenser gaan beleven en haar meer bewust uit zich gericht voortstuwen. Wees niet bang, dat dit teveel van uw krachten zal vergen, want de bron, waaruit gij put is voor u, zolang zij de aarde beroert, onuitputtelijk.

Misschien vraagt u zich nu af, wat er nog verder met deze kracht samenhangt. Het is voor mij moeilijk, dit vanuit menselijk standpunt te belichten. Maar wanneer je vanuit de kosmos het schouwspel beziet, lijkt het haast, of er een zon van geestelijk licht is, die aanmerkelijk groter in omvang is dan de aarde. Dit is dan de Lichtende essence zelf, welke zich aan de sferen op deze wijze voordoet. De aarde zal eerst a.h.w. langs deze zon gaan, zodat zij alleen de protuberans van deze zon beroert. Dit zal in de komende dagen het geval zijn. Daarna wordt de aarde echter meer en meer in de kern van deze Lichtende materie gedreven. Zij gaat er doorheen als door een wolk en zal deze Lichtende wolk van kracht dus ook weer verlaten. Een soortgelijk proces speelt zich in de komende jaren meerdere malen af. Van een binnentreden in de Lichtende wolk zal over ongeveer een maand sprake zijn, het zal ongeveer 3 maanden duren, voor de aarde weer geheel buiten het directe bereik van deze Lichtende kracht is gekomen.
In deze tijd zal men zich dus aan deze kracht, aan dit Licht kunnen gewennen. Het is – zoals ik reeds zei – niet mogelijk deze waarden nu zo maar en zonder meer te gebruiken. Belangrijk is dus, dat men reeds bij de eerste aarzelende beroering van de aarde hieraan, tracht zich aan deze kracht te gewennen en zich daarop zoveel mogelijk harmonisch af te stemmen. Afstemming op deze hogere kracht kan alleen worden verkregen, wanneer men tracht vreugdig te leven, niet mismoedig te zijn, zelfs niet teveel aandacht geven aan de ellende van anderen, maar steeds weer voortgaan met een innerlijke vreugde, helpen waar het nodig is, doch innerlijk beseffen, dat het beter wordt. Want een mens die innerlijk blij is, wekt a.h.w. in zich alle Lichtende waarden en staat daardoor open voor alle krachten van Licht.

Wanneer men hiervan uitgaat, zal echter de innerlijke blijheid op een gegeven ogenblik een verandering ondergaan. Ik sprak reeds van de idee, de denkbeelden, die veelal het begin vormen. Maar ook de behoefte verandert: men ziet bv. een mens, die werkelijk ziek is en voelt niet meer met hem of haar mee, maar gevoelt alleen een zeer sterke behoefte om deze mens te genezen. Deze mogelijkheid heeft men inderdaad. Toch zal men weinig of niets bereiken, wanneer men zonder meer op die mens afstapt en zegt: ik zal u genezen. Grote resultaten zal men echter kunnen bereiken, wanneer men tot zichzelf zegt: “Ik put uit de Lichtende essentie, die mij beroert, die in mij leeft. Ik richt de Lichtende kracht. Deze mens zal genezen.” Reken niet op een wonder, maar zie, hoe er inderdaad een verbetering optreedt. Naarmate u meer gewend raakt aan het gebruik van deze Lichtende kracht, zult u bemerken, hoe men, alleen op deze wijze reeds, steeds meer en onmiddellijk aan anderen leven, kracht en genezing geven kan. U zult echter ook moeten vaststellen, dat er mensen zijn, die deze op hen gerichte krachten niet kunnen verdragen. Treur daarover niet maar zeg: “och arme, deze is niet harmonisch, deze is nog gesloten voor het Licht”, en ga verder. Wie zo handelt, zal echter met steeds grotere zekerheid beseffen: ik doe iets, ik bereik iets, alleen door te denken.

De essence van Licht vergroot ook bepaalde gevoeligheden. Zo zal het wel voorkomen dat u eenvoudig uw gedachten laat dwalen en opeens iets ontdekt, een denkbeeld, een voorstelling, die niet alleen uit uzelf voort komt. Het zal u soms lijken, of u telepathische gesprekken met anderen voert – bekenden van uw eigen wereld bv. – of zelfs met mensen die lang geleden reeds van uw wereld zijn heen gegaan. Schenk daaraan niet teveel aandacht. Bedenk, dat u niet gewoon bent dergelijke effecten doelmatig te hanteren, dat u niet de kennis bezit, waardoor een zuiver onderscheid tussen eigen denken en van buiten komende inwerkingen gemaakt kan worden. Realiseer u, dat deze werkingen een neveneffect zijn van de nevel van Licht, die u omringen zal.

Daarnaast is het echter goed, zichzelf voor te houden, dat men dergelijke mogelijkheden en krachten toch zal moeten leren hanteren. Nu zijn deze dingen nog niet belangrijk. Zij zijn geen hoge geestelijke waarden, maar ontwikkelingen binnen het Ik. Beschouw het geheel daarom als een spel, waarin soms reeds de waarheid doorbreekt, maar dat voor alles de bevestiging is van het feit, dat men zo dadelijk dergelijke contacten met mens en geest in werkelijkheid en geheel bewust zal kunnen leggen. Wees bereid de idee te aanvaarden, zonder te verwachten dat de eerste verschijnselen ook reeds een volledige verwerkelijking of zelfs maar werkelijkheid inhouden. Op deze manier wordt de harmonische trilling, die een van de kentekenen van het optreden van de Lichtende essence is, voor u aanvaardbaar en kan in harmonie met anderen zelfs gebruikt worden, zonder dat men het slachtoffer wordt van de waanbeelden, die vaak uit een onvolledig erkennen van deze krachten voort kunnen komen. Het is niet aan u de harmonie van deze kracht met uw wezen, hoezeer zij u ook doortrilt, zelf vast te stellen. Men dient ze te aanvaarden, zodat zij in uw wezen op haar eigen wijze kan inwerken en de werkelijk grote en belangrijke waarden, die daarin voor u gelegen zijn, zelfstandig tot uiting kunnen komen.

Vanuit de geest gezien, zijn de meeste wezens en structuren in de stof te vergelijken met een kegel of piramide: er is altijd een top, er is altijd een veel breder grondvlak en bij alle structuren en de meeste wezens is er altijd een vaste verhouding tussen grondvlak en top. De basis is het wezen zonder meer, zoals dit in de stof bestaat, de top is het hoogste bewustzijn, dat door of in de stof bereikbaar is voor de soort. Kleine verschillen binnen de soort zijn, t.a.v. het geheel, onbelangrijk.

Voor de mensen heeft de Lichtende essence, die de aarde gaat beroeren, soortgelijke eigen- schappen: er is een grondvlak van beroering, dat voor geheel de mensheid geldt, terwijl de top wordt gevormd door de hoogste vorm en intensiteit, die voor de mens nog aanvaardbaar is en verwerkt kan worden. Er is dus een punt, waarboven de mens in de stof geen gebruik kan maken van deze essence, terwijl de basis de extra energie is, waardoor de mensen worden beroerd, zonder dat zij dit beseffen of gebruiken.

Tussen het onbewust ondergaan en het hoogste bewust gebruik en aanvaarden, dat voor de mensheid mogelijk is, liggen vele trappen. U kunt nooit beginnen aan de top, wanneer u niet alle treden eerst afzonderlijk beklimt. Dit blijft gelden, ook wanneer u misschien reeds veel geestelijk hebt bereikt. Ook dan zal men allereerst de grondkracht moeten aanvaarden, er voor  moeten open staan, om pas wanneer zij eenmaal aanvaard is, eigen bewustzijn daarvan trap na trap te verhogen.

Zeg dus niet: de Lichtende essentie is in mij, nu ga ik mijn taak vervullen, maar stel: ik erken de Lichtende essentie in mijn wezen, deze zal mij tot levenskracht worden, zodat ik meer kan volbrengen. Daardoor kan ik, uitgaande van mijzelf, ook meer betekenen en volbrengen voor anderen. Besef, dat alleen wanneer u geestelijk enigszins bewust bent, dit zal inhouden, dat u ook méér voor anderen kunt doen en zijn in geestelijke zin, méér zult kunnen begrijpen. Laat u voor al deze fasen de tijd. Alleen dan zal het u mogelijk zijn, de top te bereiken. Aanvaard verder, dat u de allerhoogste top, de grootste mogelijkheden niet zult kunnen bereiken. Alleen een mens, die zich geheel van zichzelf bewust is en zo zich geheel met de optredende kracht harmonisch kan maken, zal dit kunnen volbrengen en het hoogste contact verwerkelijken dat in deze passage van Lichtende werkingen mogelijk is. Troost u met de gedachte, dat u ook wanneer u maar halverwege komt, reeds veel bereikt zult hebben.

Ik spreek niet van essentie en essence, omdat deze kracht ongewoon sterk is, of een eigen wezen heeft. Ik noem haar ook zo, omdat zij een eigen karakter bezit en, ofschoon veel intenser dan normaal, alle werkingsmogelijkheden en bestanddelen van normale levenskracht bevat, zodat een betrekkelijk geringe ‘hoeveelheid’ van deze essence een haast onvoorstelbaar grote hoeveelheid levensenergie, als de mens verwerkt en behoeft, kan bevatten. Door haar bijzonder karakter kan men deze essence in zich opnemen zonder haar onmiddellijk om te zetten, wat bij de gewone kracht van Licht het geval is. Men kan er dus veel van ‘bewaren’.

Wanneer u goed reageert in deze dagen, zult u weigeren u bezig te houden met allerhande mooie dromen, die de kracht misschien merkbaar maken, maar geen directe mogelijkheid tot opname of verwerking in zich houden. Ik zal u zo dadelijk een voorbeeld geven van de wijze, waarop een dergelijke droom kan ontstaan, zonder dat hierbij van de werkelijkheid wordt afgeweken.
De doorsnee mens wijkt echter wel af. Ik wijs u er echter op, dat het voor de doorsnee mens niet goed, ja, zelfs schadelijk kan zijn, dergelijke dromen zonder meer op te bouwen. Slechts degene, die weet, wat er in wezen is, kan zich een droom bouwen die tot een sfeer wordt, een soort beker waarin de werkelijke kracht ontvangen wordt. Wie niet weet, veroorzaakt zich echter grote moeilijkheden. Wanneer ik u, zoals beloofd, nu een klein droom beeld opbouw, moet u eens trachten, niet kritisch te zijn. Dit heeft weinig zin, omdat ik niet stel dat, wat ik zeg, geheel werkelijkheid is, dat u dit zult moeten ondergaan, zien of voelen. Aanvaard nu, kritiseer later. Besef verder, dat alles, wat ik nu opbouw, een droom is. Maar een droom, waarin de werkelijkheid past. Ondergaat u dit, dan zult u – mits u aan voorgaande waarschuwing denkt – daaruit voor uzelf misschien toch een innerlijke beleving kunnen puren.

Het is eigenlijk heel eenvoudig. Rond ons is levende kracht, levende en Lichtende kracht, die steeds sterker en dichter wordt. Wij maken van deze kracht, nu wij ons er van bewust zijn, een werveling, het is een zonnige nevel, die rond ons speelt, een lichtende wolk vol beweging, waarin de kracht steeds meer kenbaar wordt. Als een prikkeling ondergaan wij de fonkeling van het licht.

Ik weet dat de nevel zich tot een soort bol verdicht, die nu reeds wordt tot een soort lichtende zuil, die tussen ons staat. Daar leeft nu de grote kracht. Dit is voor mij niet God, maar een directe openbaring van de goddelijke kracht. Misschien meent u, dat deze zuil er nog niet is.

Maar zij is er. Uit de kracht, die in mij leeft, uit de werking, die de stuwing van mijn wezen is, uit de Lichtende krachten Gods, die de mijne zijn, omdat Hij ze mij geschonken heeft, stel ik het beeld van de lichtende zuil, het teken van de God van liefde en kracht hier voor mij. Ik zeg tot het licht: wervel, wervel en draai, spoel en kolk. Maak ons een boom van Lichtende kracht, die wortelt in de aarde, waarop wij staan, maar zich uitspreidt tot in de wolken van Lichtende krachten, die gaan komen.

Droom is dit en toch waar. Want in mij is Licht. En het Licht, dat ik in mij ken, beveelt alle Licht, omdat het Licht in mij harmonisch is met de Lichtende krachten en zo de werkelijkheid baart, die door mijn wil geschapen wordt, al is het maar voor een kort ogenblik.

Dit is een droom. Maar wat u gevoelt, is niet alleen maar suggestie. Nu kan ik natuurlijk ook nog – zoals u reeds vaker hebt gezien – met gebaren gaan werken. Maar als het Licht er is, wat moet ik nog meer zeggen of doen dan dit:

“In de Naam van de Scheppende Kracht, in de Naam van het Scheppende leven en het Levende Licht dat werkelijkheid is, moge de kracht van dit Licht geopenbaard zijn aan allen, die het in zich op deze wijze bevatten kunnen, opdat zij verzadigd mogen zijn in deze aanblik, erkennende het Licht, dat in latere tijd tot hen zal komen, wetende wat hun bestemming en doel is.”

Maar dit moet een einde hebben, zoals alle dromen. Vrij zij het Licht, vrij zij de Kracht, bevrijd uit de droom zij de werkelijkheid in de Naam van de Schepper, die alle krachten voortbrengt.

Dit alles was, zoals reeds gezegd, een droom, al is het een beeld, dat een deel van de werkelijkheid kan bevatten. Maar degenen onder u, die gevoelig zijn, hebben bemerkt, dat er iets buiten de norm bestaat. Of het nu werkelijkheid is of illusie, suggestie of iets anders, de meesten onder u voelen aan, dat er iets is. Iets dat het geluid anders deed klinken, dat u zelf ook enigszins anders maakt. Meer wilde ik niet bereiken.

Ik wilde aantonen, dat er reeds nu Licht is, zo dadelijk zelfs een essence van Licht, dat, door degenen die zich er van bewust zijn, binnen een droombeeld gevangen kan worden. Daarmede maakt men slechts voor zich en anderen voelbaar of zichtbaar, wat overal bestaat. Maar het is niet goed van een droom, zelfs indien deze iets van de werkelijkheid voor ons kenbaar maakt, een sacrament of zelfs een soort God te maken. Erken de enige zin hiervan, namelijk het scheppen van de zekerheid, dat er een kracht is, een kracht, die goed, warm, zonnig en levend is, zodat je hierdoor meer jezelf kunt zijn, meer de waarden kunt beseffen, die nog in je wezen verborgen liggen.

U heeft een kort ogenblik dit als in een ban gevolgd. Besef, dat wat ik deed, herhaald kan worden met één enkel woord, omdat het gaat om de waarde, die werkelijk is, niet om de droom.

Wanneer ik zeg: de zuil zij!!! is zij er weer. Doordat ik weet, doordat ik geloof, maak ik de kracht  opnieuw voelbaar. Wie in zich iets weet van Licht en Kracht, wie een geloof in zich draagt aan een Lichtende Kracht, aan een God, die Licht geeft, kan soortgelijke spanningen realiseren, zonder daarom een droom op te bouwen. Want wat ik deed, kunt u ook.

Wérk met de kracht, die in u is. Aanvaard de kracht, die tot u komt. Want het Licht is met ons.

image_pdf