Anders kijken.

uit de cursus ‘Het vinden van innerlijke rust’ (hoofdstuk 2) – november 1980

Anders kijken

Contemplatie

Als je mediteert, dan ga je eigenlijk uit van een voortdurende kringloop waardoor al datgene wat er in je bestaat tot het punt van meditatie wordt teruggevoerd. Er is ook een andere manier van werken die men contempleren noemt.

Contempleren is niet, zoals sommigen helaas schijnen te denken, een innerlijk debat met jezelf voeren. Het is werkelijk beschouwen. Beschouwen is een kunst, want je moet waarnemen zonder op dat moment te reageren. Het is een doordringen tot in de essentie van de dingen, maar het is gelijktijdig ook het overzien van een geheel zonder het direct te interpreteren. Iemand heeft eens gezegd De ware contemplatie is de oefening van het geestelijk geheugen. Daardoor zul je het gecontempleerde kunnen herkennen waar en hoe het ook in verschijning zal treden. Het zijn zaken waarover men van mening kan verschillen.

Wij menen dat contemplatie voor veel mensen weinig zin heeft, omdat zij eenvoudig niet de oefening hebben om iets wezenlijk te beschouwen. Wij blijven dan bij voorkeur bij eenvoudige zaken zoals: Denk aan een roos en probeer die roos te zien en te voelen totdat je er één mee bent. Dat is inderdaad een vorm van contemplatie. Maar als je dat even te ver doorzet, dan wordt het eigenlijk een kwestie van mystiek.

Ik zal vandaag een paar technieken van contemplatie willen behandelen juist omdat ze zo belangrijk kunnen zijn, als je werkelijk geen raad meer weet met de dingen. Want als je moet gaan oordelen en wie doet dat niet, zal je altijd weer in strijd komen met jezelf of met de wereld of desnoods met God.

Denk niet dat dat laatste zo maar een grap is. Zelfs Swedenborg heeft eens gezegd: “Als mijn God een hel zou scheppen, zoals die door velen wordt beschreven, ik zeg u: Deze sadistische God zal ik nooit als de mijne kunnen erkennen.” Daar had hij groot gelijk in. Je moet dan ook de zaak anders zien. Je moet proberen een geheel te overzien. Ik zal zo dadelijk een voorbeeld geven. Eerst gaan we kijken hoe je moet leren contempleren.

Wij gebruiken de eenvoudig methodieken die ook voor meditatie geschikt zijn, alleen het innerlijk proces verloopt anders.

In het begin doen we dit; wij kijken. Wij nemen een voorwerp, het geeft niet wat. We kijken daarnaar. Daarna doen we de ogen dicht en wij reconstrueren het. Wij proberen het dan niet alleen als voorwerp te reconstrueren, maar in samenhang met de omgeving, met alles wat erbij schijnt te horen, wat ermee verbonden zou kunnen zijn. Als je dat een aantal keren hebt gedaan, dan blijkt dat je op den duur in staat bent om zelfs meer complexer voorwerpen niet alleen te zien, maar ook om ze in jezelf te reconstrueren. Daarmee heb je eigenlijk al aan de eer­ste vereiste voldaan voor een goede contemplatie. Want door de voor­stelling in jezelf volledig op te bouwen, maak je het tot iets dat deel is van je innerlijke wereld.

Die innerlijke wereld kent alle relaties, ook als slechts een klein deel ervan bewust is. Door nu het voorwerp in die innerlijke we­reld te plaatsen ontdek je de relaties die er voor jou bestaan ten aan­zien van het voorwerp. Dat is het eerste begin, want dit is alleen een kwestie van een beetje anders kijken dan normaal.

Dan ga je verder en je probeert een aantal voorwerpen (5 of 6) gelijktijdig te zien. Je legt ze neer in een vast patroon. Je kijkt daar­naar. Je kijkt net zo lang totdat je meent: nu ken ik het. Dan probeer je dat patroon in jezelf te reconstrueren.

Bij een dergelijke reconstructie zal blijken dat er voor je gevoel bepaalde verbindingslijnen lopen tussen bepaalde voorwerpen, maar niet tussen alle. Probeer dat niet te verklaren. Dat kun je later doen, wanneer je klaar bent met de oefening. Als je zover bent gekomen dat je een scène (dus een geheel kunt zien), in jezelf opnemen en inner­lijk reconstrueren, dan ben je eindelijk zover gekomen dat je aan de werkelijk contemplatieve activiteiten kunt gaan beginnen.

Waar gaat het eigenlijk om? Contemplatie is het innerlijk zien van alle samenhangen ten aanzien van één gekozen punt. Dat punt kan complex zijn, het kan enkelvoudig zijn. Dat geeft niet. Nu zal de doorsnee mens onmiddellijk trachten uit te leggen waarom hij probeert te interpreteren.

Interpretatie is in de contemplatie absoluut strijdig met alles wat je probeert tot stand te brengen. Ben je zover dat je gewone voorstellingen die een behoorlijk aantal factoren bevatten, in jezelf kunt opbouwen, dan blijkt dat het ook veel gemakkelijker is om een pro­bleem op te bouwen. Je gaat het dan niet alleen uitdrukken in woorden zoals veel mensen doen, maar je gaat het eigenlijk zien of beleven.

Als je denkt aan Jezus aan het kruis, dan zie je niet alleen het kruis, je ziet de hele Calvarieberg, je ziet alles wat daaromheen staat. Je ziet of de wolken wel of niet langs de hemel hebben gejaagd op dat ogenblik. Je ziet of de zon wel of niet werkelijk verduistert en al die dingen meer. Dan moet je niet zeggen Dat betekent dus dit of dat. Je zegt gewoon: Dit is de situatie. Dit is het geheel. Als ik dat geheel voldoende in mij opneem, dan kan ik later vanuit mijn eigen standpunt daaromtrent altijd conclusies trekken.

Is het een ingewikkeld probleem waarmee de wereld geen raad weet, dan is het misschien mogelijk om enkele punten daarvan tot het middel­punt te maken van een beschouwing. Je probeert gewoon te zien. En als je dan heel goed hebt gekeken en het in jezelf zo kunt opbouwen dat het voor je eigen besef volledig identiek is, dan blijkt dat de samen­hangen, die je normaal zijn ontgaan, opeens kenbaar worden.

In de meditatie ondergaan wij tot op zekere hoogte. In de contem­platie constateren wij. Dat wil zeggen dat die contemplatieve bezig­heid eigenlijk meer eigen activiteit impliceert dan de meditatie zon­der meer.

Wie in een grote innerlijke onrust zit, dat gebeurt nogal eens, zal op een gegeven ogenblik zeggen: Ik zit hiermee en ik zit daarmee. Probeer die nu je stuk voor stuk voor ogen te stellen. Als je eenmaal hebt geleerd om dingen van buiten naar binnen te halen, dan valt het ook gemakkelijker om zo’n probleem beeldend te construeren. Dat doe je dan niet met één factor maar met alle factoren die samen in dat pro­bleem een rol spelen. En dan zien we weer hetzelfde wonderlijke ver­schijnselen; in ons innerlijk blijken er banden te lopen tussen bepaalde punten in die gehele problematiek. Als we weten welke punten op el­kaar reageren, dan weten we waarschijnlijk ook hoe we door aan één punt iets te doen het andere kunnen veranderen.

Ik wil trachten een schets te geven van een contemplatieve be­leving zoals die bij een bepaalde mens zou kunnen plaatsvinden. Laten we zeggen dat die mens moeilijkheden heeft omdat hij in de wereld het ene moet doen en innerlijk het andere als juist ervaart. Dat komt voor.

Nu begin je gewoon de beelden op te stellen. Geen oordeel. Geen klacht. Constateer. Laat het diep in je tot leven komen. Die zie je op een gegeven ogenblik: moraal komt eigenlijk voort uit geloof. Als mijn geloof niet identiek is met het werkelijke geloof, dan is mijn moraal voor mij dus ook geen probleem meer. Dan moet ik gewoon zien in hoeverre ik zelf moreel verantwoordelijk ben, als ik zeg: ik ben bang. Hoeveel mensen zijn niet bang voor de duivel en de hel? Er zijn heel wat mensen die in de laatste ogenblikken van hun leven nog proberen allerlei magische trucs uit te halen tot de biecht toe, al dan niet met gewijde olie, om alsjeblieft maar aan de mogelijkheid van hel of duivel te ontkomen.

Als je kijkt naar de opstelling van de hel of de beelden van de hel, dan blijkt dat dat allemaal a.h.w. vervormingen zijn van het men­selijke. De wreedheid van de duivel is in wezen een beeld van de bar­baarsheid van de mens. Als je dit gaat begrijpen, dan zie je dat je beeld dus samenhangt met de mentaliteit van de mensen, met de ontwik­keling van de wereld, met de gehele innerlijke toestand van de bescha­ving waartoe je behoort. En dan zeg je Hé, die duivel leeft dus voor­namelijk in mij. Het is het complex van vrezen dat ik zelf heb opgebouwd. Dan vraag je je af: Wat kan ik doen om die vrees minder te maken?

Dat is dan je probleem En dan zie je hoe er een relatie ontstaat tussen verschillende punten van je denken en je geloof en dit schuld­besef. Je krijgt dan een aanwijzing door de lijnen die tussen de punten lopen.

Het wonderlijke is daarbij dat in de innerlijke beschouwing die lij­nen vaak sterk gekleurd worden gezien. Het lijkt wel of het neonbuizen zijn. Als je ongeveer weet, wat die kleuren betekenen, dan kun je daar­uit voor jezelf een heel aardig antwoord distilleren en ook een prak­tische mogelijkheid. 0m een voorbeeld te geven

Als ik denk aan de hel, dan staat daar tegenover de hemel en de prediking, het geloof waaraan ik onderworpen ben. Die twee zullen dan voor mijn besef door vuurrode lijnen verbonden zijn. Kijk ik daarentegen naar mijn leven en mijn behoeften, dan blijkt dat de hel daar eigenlijk niet direct mee verbonden is, maar dat mijn leven weer wel verbonden is met datgene waaruit ik mijn conclusie (ik ben verdoemenswaard of iets dergelijks) heb getrokken, namelijk mijn rede plus mijn onderbewust­zijn. Dan zie ik daar blauwe lijnen heen lopen. Ik weet nu dus waar ik aan toe ben.

Iemand die dit allemaal beseft, kan het niet begrijpen. Dat moet u wel begrijpen. De contemplatie maakt het je mogelijk je probleem te analyseren; je beleving in een juist verband ten aanzien van de om­geving of van het geheel te plaatsen, niet om het op te lossen. Maar als je weet dat je angst een onredelijke is, in feite vaak een maatschappelijk opgelegde fobie eerder dan een werkelijk gevaar, dan zou je misschien pogingen kunnen doen om juist die factoren in je leven minder sterk te maken. Je gaat meer de nadruk leggen op de relatie met bewustzijn-onderbewustzijn, waar blauw aangeeft dat daar wijsheid of redelijkheid zit. Misschien zul je ook nog grijpen naar een paar violette stralen die wijzen op een mystiek, die dan weer verbonden is met bv. de messiaanse gedachte, eeuwig leven of iets dergelijks.

Als ik dit beeld schets, dan doe ik dat opzettelijk. Ik weet dat er heel veel mensen zijn die contemplatie op een andere manier benaderen. Maar wat heb ik aan een contemplatie waarmee ik opga in de een of andere droomvoorstelling, die ik niet durf verbinden met mijzelf? Alleen als er een wisselwerking is tussen het beleven in de contemplatie en de mogelijkheden die ik daaruit put, heeft het zin. Ik kan nooit een wezen zijn die door onbekende krachten wordt geleid. Ik moet altijd een wezen zijn dat zelf een verantwoordelijkheid kan aanvaarden voor hetgeen het zelf is en hetgeen het zelf doet.

Zo’n probleem is dan benaderbaar geworden. Zoals eens is gezegd door een huwelijksconsulent: Als het werkelijke probleem bespreekbaar wordt, is het vaak oplosbaar. Nu ben ik geen huwelijksconsulent en ik wil ook zeker de contemplatie niet met een bureau voor huwelijksmoeilijkheden vergelijken. Maar iets van de parallel zit er wel in. Door het beschouwen, het afstand nemen wat je in wezen doet, kun je de zaak zien op een manier waar je anders nooit toe zou komen.

Als je een straat ziet, dan kun je misschien weten dat je links of rechts moet afslaan om een bepaald doel te bereiken. Maar als je op een heel hoge toren gaat staan (de Eifeltoren bv. of de een of andere zendmast) en je kijkt naar beneden, dan zie je niet alleen de straten, maar je ziet ook hun samenhang. Dan zie je niet alleen de weg die je zou kunnen nemen en normaal genomen zou hebben, maar alle andere uitwijkmogelijkheden die er zijn, waaronder mogelijk verschillende waar je nog nooit aan gedacht hebt.

Voor mij is het contemplatief werken vooral belangrijk omdat je er afstand mee kunt nemen. Ook de meditatie is voor mij in zoverre belangrijk dat je daardoor evenwicht kunt gewinnen; dat je zelfs een soort huwelijk van rede en gevoel tot stand kunt brengen. Op deze manier kun je dus jezelf losser maken van de wereld en van de moeilijkheden waarin je verkeert.

Je kunt echter ook nog iets anders doen. Dat andere heeft alleen indirect te maken met contemplatie en meditatie.

U heeft moeilijkheden. U heeft kwalen. Deze kunnen nooit alleen maar in uzelf bestaan. Ze moeten altijd bestaan in een wisselwerking; iets anders moet erbij betrokken zijn. Als wij ons realiseren dat geen enkele ervaring of beleving mogelijk is in de volledige eenzijdigheid van de zelfbeschouwing, dan gaan we relaties erkennen. Maar als ik een relatie ken, dan weet ik ook waar een onevenwichtigheid vandaan komt.

Er zijn mogelijkheden te over voor een mens om zijn evenwicht te herstellen. Vaak kun je dat niet doen door één van de factoren te veranderen, dat wordt te moeilijk. Maar je kunt er een nieuwe factor bijvoegen. Als je dat doet, dan blijken de twee externe waarden elkaar zodanig in evenwicht te houden dat je zelf weer vrij wordt van een te sterke beïnvloeding.

Evenwicht is o.m. het grote geheim van de gezondheid. Het is het geheim van manas magische kracht of levenskracht. Dus als wij die evenwichtigheid eenmaal hebben bereikt, dan zal het veel eenvoudiger zijn om iets te doen aan onze kwalen, maar ook om onze psychische problemen gemakkelijker op te lossen.

Er was eens iemand die ontzettend bang was voor hoogten. Toen hij om een bepaalde demonstratie bij te wonen vijf treden moest opgaan, durfde hij niet. Hij zei: Neen. Het hoeft voor mij niet. Maar er was toevallig een sterke man bij die hem vastgreep en naar boven droeg. Op het ogenblik dat de man niet meer keek naar de verwijdering tussen de grond en zich­zelf, die hij zelf tot stand had moeten brengen maar het aan een ander overgaf, was het probleem verdwenen. Ik wil niet zeggen dat hij toen vrolijk naar beneden kwam dartelen. Integendeel, hij moest er weer uit­getild worden. U wilde weten wat dat voor een demonstratie was? Het was een vlieg­tuig dat in Engeland werd gedemonstreerd. Het was in die tijd een heel luxueus vliegtuig. Het bezat namelijk 12 rieten fauteuilles. Maar het gaat er niet om wat het was. Het gaat erom dat het mogelijk is. Lichamelijke problemen en kwalen zijn vaak ook een kwestie van een verkeerde benadering. Als ik die benadering niet kan veranderen, kan ik misschien iets vinden waardoor die benaderingsremmingen ongedaan worden gemaakt. Als ik ergens teveel gedreven word in een bepaalde richting, kan ik misschien een factor inschakelen die de zaak wat af­remt, wat tegenhoudt.

Ik meen, dat het voor de meeste mensen erg belangrijk zou zijn dat ze die vrijheid terug zouden krijgen die de mens toch eigen is. De mens is geen slaaf van zijn omstandigheden. Dat denkt hij alleen maar. De mens is maar in beperkte mate slaaf van zijn lichaam. Er bestaat een mogelijkheid om dat te beheersen. De moeilijkheid is dat de mens altijd weer de zaak probeert te zien als eenzijdig, als één geheel. Bijvoorbeeld;

God is de Schepper. Daartegenover staat de vijand, de duivel of de dood. Maar als je nu kijkt naar bepaalde tekeningen of zelfs af­beeldingen die de brahmanen hebben gemaakt, dan zie je dat er één beeld wordt gemaakt waarvan de ene kant lichter is (de god des levens en aan de andere kant zien we de god des doods). Het is alsof men Shiva en Brahma tot een eenheid maakt en hun onderscheid in kwaliteit duide­lijk maakt door er een lijn middendoor te trekken. Dat is zeer eigen­aardig en ik denk voor menig westerse mens niet helemaal begrijpelijk. Wij moeten leren de tegenstellingen tot een geheel te maken. Wij moeten begrijpen dat alles twee kanten heeft. Juist die tweezijdigheid (de dub­bele betekenis) maakt ons gelijk.

Wij zullen in de toekomst zeker nog spreken over o.a. de mogelijk­heid ons je vrij te maken in de tijd. Dus geestelijk je te onttrekken aan de tijdsdwang, de sequentiedrang die wij dan leven en ervaring noemen. Wij gaan dan punten in de tijd constateren die niet samenhangen met het normale ritme waarin we leven. Dit is een vrijheid die alleen bereikt kan worden, indien wij begrijpen dat de tijd enerzijds vast is en ander­zijds een voortdurende variabele. Een voortdurende verandering, die in een deel van zichzelf tevens een volledige vastheid bezit. Zonder dat kom je er niet, althans niet als je probeert dat redelijk na te gaan.

Zoals u weet, zijn de instrumenten die ons ter beschikking staan zodanig dat we op deze avonden voornamelijk redelijk moeten proberen te spreken, voor zover dat voor een onderwerp als dit mogelijk is.

Vrij zijn kan pas, als we de relaties gaan beseffen. De relaties namelijk betekenen dat we vele wegen kunnen vinden die alle voor ons mogelijk zijn. Maar als er vele wegen mogelijk zijn, dan hebben wij een vrije keuze. Het feit alleen dat we vrij zijn, geeft ons ook een soort zelfverzekerdheid. Hoe meer je je gebonden voelt door je lot, je positie, je toestand hoe benepener, hoe angstiger en ook hoe slaaf­ser je leeft. Ga je begrijpen, dat de weg die je volgt wel degelijk je eigen keuze is, maar dat je elk ogenblik een andere weg kunt inslaan zonder daarom van doel te veranderen, dan voel je zelfverzekerder, je bent veel vrijer geworden.

Vrijheid is het vermogen om te bepalen welke wegen je gaat zonder dat het daarbij de mogelijkheid inhoudt wegen te ontwerpen naar eigen goedvinden alleen. Dan zie je heel veel zaken waar je op aarde raar tegenaan zit te kijken, als je dat voor het eerst ontdekt.

 Er zijn mensen, die bezig zijn met bv. zeer bepaalde opvattingen van seksualiteit. Denk maar aan hetgeen de Paus en consorten weer de wereld hebben laten weten. Maar dan ga je ontdekken: seksualiteit is een functie van het mens zijn. Een functie die o.a. voortplanting be­tekent, maar die daarnaast zoveel verschillende nevenmogelijkheden heeft waarvan verschillende zelfs liggen op het gebied van levens­kracht, van astrale kracht etc. Dus zit je niet met een vast feit, maar met een variabele. En in die variabele kun je dus kiezen op welke wijze je ermee werkt. Dan valt een hele hoop van de problematiek die daaromheen is geweven weg.

Of je kijkt naar het leven. Als ik naar het leven kijk, dan zeg ik. Leven is in feite niets anders dan een gaan door de tijd naar het moment dat dood heet. Dat wil zeggen dat ik leven nooit kan beschou­wen zonder de dood te beseffen. Maar het betekent ook dat ik nooit het begrip dood kan beseffen zonder gelijktijdig met het leven te wor­den geconfronteerd.

De mensen begrijpen dat niet. Zij begrijpen niet waarom ze altijd bezig zijn geweest over het eeuwige leven en het leven van de goden. Zo min als ze ooit hebben begrepen waarom ze hun hemelwereld precies zo hebben geschapen als ze die zelf willen hebben.

Ging je naar het Walhalla, dan kon je bier drinken en knokken. Ging je naar de hemel van de Egyptenaren, dan was dat Egypte, alleen met een heel rijke oogst en de kans om het nog een beetje rustiger aan te doen. Ging je kijken in de hemel van de Arabieren, dan kwam je terecht in een op zichzelf eigenlijk wat schamele hemel, maar er was eten en drin­ken zoveel je wilde en je kon er luieren, je kon rusten. Er was niets dat je opjaagde. Iedereen maakt zijn hemel naar zijn eigen beeld.

Zijn voortleven is een wensprojectie die met het begrip dood wordt verbonden omdat dood als uitblussing op zichzelf geen voorstelbaar iets is. Je kunt het redelijk accepteren maar nooit emotioneel. Daarom dwingt de emotie om iets daaraan te verbinden.

Dan zijn er ook mensen die zeggen: Wij zijn dood en dan is het af­gelopen, maar wij leven voort in onze kinderen. En dan ben je toch weer bezig met het leven.

Kijk, als je daarmee bezig bent, dan is het goed om ook die din­gen eens te beschouwen, er wat contemplatie aan te wijden. Dan ga je beseffen dat we eigenlijk bezig zijn een continuïteit in stukjes te hakken. Dat wij het begrip dood niet kunnen hanteren omdat wij het be­grip leven niet kennen. En als wij het leven kennen, dan verdwijnt het begrip dood. Eigenaardig. Zoals we zien dat werkelijkheid eigenlijk be­staat uit een aantal lagen over elkaar. Net zoiets als vroeger de frontjes die van papier waren gemaakt. Op de achterkant van het front­je stond dan nog een verhaal of een anekdote. Die kon je dan twaalf keer afscheuren en dan was je weer schoon.

Dat is leven voor de mensen. Dat is hun werkelijkheid van leven. Zij denken; 0, dat is gebeurd, wij halen er een stukje van af. De een doet dat door naar de biecht te gaan, de ander door naar een psychia­ter te gaan en de derde gewoon door weg te lopen en opnieuw te begin­nen. Ze halen het frontje eraf, ze lezen de anekdote en ze gaan ver­der. Dat is toch de werkelijkheid!

Leven is een toestand. Pas als je dit gaat begrijpen dat leven een toestand is die inhaerent is aan hetgeen wij zijn, kom je verder. Zonder leven bestaan we immers niet. Maar dan is leven iets dat zozeer eigen is aan hetgeen wij zijn, dat dood voor ons geen voorstelbare waarde is. Dan kunnen wij dus alleen spreken in de termen van leven, en wel in de verschillende mogelijkheden van leven. Nemen we afstand, dan ontdek­ken we opeens weer precies hetzelfde; het is net een doolhof. Wij vin­den overal de verschillende wegen, de verschillende mogelijkheden, maar er is één doel en dat is door de voortdurende beleving te leven.

U vindt een onderwerp als dit misschien een beetje te diepzinnig. Maar u moet er maar eens over nadenken. Het zijn dergelijke problemen en niet alleen maar je dagelijkse problemen die je moet leren beschouwen, die je voor jezelf moet visualiseren in al hun betekenissen. Dat wil zeggen, dat alles wat gereleerd is met bv. het begrip leven of hemel of wat dan ook je je moet kunnen voorstellen. Pas als die voorstelbaar­heid in je bestaat, ontstaat het begrip voor de samenhangen. Dan teke­nen zich een soort lichtende lijnen af, ontstaan er allerlei uitstra­lingen, waardoor de betekenis duidelijk wordt.

Dat wil niet zeggen, dat als u nu weet wat leven is, u dan niet doodgaat. Het enige verschil is dat u voor uzelf niet doodgaat maar alleen de toestand van leven ziet veranderen. U bent voor anderen daarom niet meer of minder dood. Het gaat dus om uzelf, om uw in­nerlijk. Alleen al het feit dat u weet dat u niet werkelijk sterft, is een enorm voordeel. Want u heeft niet de grote behoefte opnieuw te be­ginnen en daarmee weer alle moeilijkheden om uw persoonlijkheid terug te vinden; de noodzaak om a.h.w. uw hele leven en alles wat u van uzelf weet te repeteren. U bent er eenvoudig.

Leer de zaken beschouwen. Als u wilt weten hoe alles op u inwerkt, mediteer. Probeer evenwicht te krijgen. Op het ogenblik dat u zelf geestelijk evenwichtig bent zijn uw bereikingsmogelijkheden groter. Op het ogenblik dat u innerlijke rust heeft gevonden, ontstaat de eer­ste mogelijkheid om alles wat u bereikt te aanvaarden zoals het is. Als u dan nog in staat bent waar te nemen, te beschouwen en zo de kos­mische samenhangen, die voor u een rol spelen in uzelf in lichtende lijnen getekend te zien, dan kent u het diagram van het bestaan. Als u het diagram kent, dan bent u toch niet ongerust meer.

Weet u, het is zo. Als u nooit op reis gaat en u heeft nooit een spoorboekje geraadpleegd, dan beweegt u zich in een wereld van raadse­len. U zult op het perron van de een naar de ander hollen om te vragen, of die trein nu werkelijk hier komt en van hier vertrekt. En als u in de trein zit, dan vraagt u zich steeds weer af, of u niet de verkeer­de kant uitgaat.

Maar als u het eenmaal weet, dan maakt u zich geen zorgen meer. Ik geloof, dat dat voor het bereiken van innerlijke rust erg belangrijk is. U zult zich over het leven en over wat u geweest bent en over wat u gedaan heeft niet zoveel zorgen meer maken, omdat u begrijpt wat de betekenis ervan is. Kunt u die betekenis aanvaarden, dan is er verder niets aan de hand. Dan bent u gerust en kunt u dus zuiver reageren. Dan kunt u zuiver beseffen. Dan kunt u veel meer leren dan zonder dat voorstelbaar is.

Het is mede hierom dat we nu twee lessen hebben besteed aan het begrip meditatie en de daaruit voortkomende contemplatie. We moeten natuurlijk verder.

Er zal een ogenblik komen waarop u zich moet kunnen losmaken van het tijdsmoment waarin u zich lichamelijk bevindt. Dat u flarden en flit­sen van de werkelijkheid om u heen in andere tijdsmomenten moet kunnen absorberen. Want dan wordt u ook weer vrijer van het heden. Rust bestaat pas daar waar u vrij bent, waar u niets te vrezen heeft omdat alles toch weer met uzelf verbonden is, maar dat u de wijze waarop die verbindingen optreden voor een groot gedeelte zelf kunt beïnvloeden.

Zo zal het nodig zijn om nog een stap verder te gaan en door te dringen in de sferen en werelden die er om ons heen bestaan, ook al kunnen wij die niet lichamelijk constateren. Die werelden op zichzelf kunnen niet compenseren. De geest kan niets goed maken wat in u on­evenwichtig is. Zij kan u alleen helpen uw eigen evenwicht te hervin­den. Pas wanneer dat evenwicht bestaat, kan zij u meer kracht geven en niet voordien. Ook dat zijn punten die u zult moeten leren beschou­wen. Een mens, die op weg is naar de innerlijke rust, moet volgens mij reeds nu in het begin van deze cursus de volgende punten heel goed overwegen

Schuld kan alleen bestaan vanuit mijn eigen geest, nooit uit de verklaring van anderen.

Al wat ik ben is deel van mijn leven. De wijze waarop ik mijn leven wil gebruiken is mijn beslissing. Maar die beslissing kan ik alleen helemaal juist nemen, indien ik de relaties erken die er tussen mijn werkelijk “ik” en mijn werkelijke omgeving bestaan. Ik ben een tijdloos wezen. Het is juist daardoor dat ik de tijd kan beleven. Op het ogenblik dat ik de tijd ben, sterf ik per moment.

Een mens omvat grote perioden van de tijd in zijn besef Dit maakt reeds duidelijk dat hij tijdloos is in zijn besef. Gebruik die tijdloosheid, dan zult u zich niet gejaagd voelen. Wat in dit leven niet gebeurt, dat gebeurt in een volgend leven of in een andere wereld. Niet is urgent. Het enige dat u moet zijn is harmonisch zo goed als u kunt, zonder daarbij de erkende relatie tussen uzelf en de wereld te verstoren.

Indien u met deze punten rekening houdt, dan bent u een aardig eind op weg naar de innerlijke rust. Wat meer is, u bent op weg naar een toestand waarin u uw innerlijke rust aan anderen kunt geven. Dan komt er misschien het moment dat u waarlijk tegen een vermoeide kunt zeggen Mijn vrede geef ik u, mijn vrede laat ik u. Dat zou een bereiking zijn die veel groter is dan men zich kan voor­stellen.

Profeten

Profeten zijn mensen die op de een of andere manier door God of door een god worden bewogen. Dat wil zeggen dat ze dingen zeggen waar­van ze zelf niet weten dat zij ze zeggen of dat zij zelf niet kunnen be­heersen wat er wordt gezegd. Dergelijke mensen komen we overal tegen. Als we kijken in het Oude Testament, dan zien we heel veel mensen die daarin als profeten fungeren. Van sommigen kunnen we aannemen dat het echte profeten zijn geweest. Van anderen eerder dat zij zich als zo­danig hebben aangesteld. Er zijn er bij die in wezen duidelijk politici zijn. Zij kunnen het allemaal wel heel mooi zeggen, maar je gelooft toch niet dat de Heer zich bezighoudt met de aardse politiek. Aan de andere kant worden we ook geconfronteerd met een eigenaar­dige relatie tussen de wereld van de mensen en een andere wereld.

Dat kun je zo aardig zien bij de heks van Endor. Wanneer Saul daar op­geroepen wordt, is hij verstoord. Hij is boos, want zij hebben hem uit zijn rust gehaald. Dat kun je je echt voorstellen: de geestelijke Saul zit in een schommelstoel heerlijk te dutten en ineens komt er zo’n heks die zegt: Kom, er is een vorst die naar je gevraagd heeft.

Hier komt duidelijk tot uiting dat de toestand van die geest iets heel anders is dan men zich op aarde kennelijk voorstelt. En als we rekening houden met de god die doorkomt, dan staan we ook heel gek te kijken, want wat is die god? Soms is het de enige God, inderdaad. Maar soms zijn het ook vele goden die door de mens heen spreken. Wat is het nu precies? Dat weet niemand. Want als we kijken naar de verschillende profeten, dan worden we geconfronteerd met allerlei eigenaardige visioenen.

Anos heeft er een gehad. Ezechiël beschrijft er een; die is schit­terend. Ze zien de Heer. En dan beginnen ze ineens te profeteren. Is dat God? Dat lijkt mij een grote vraag of dat nu de God, de enige God of dat het een stamgod is, een bepaalde entiteit, een bepaalde geest. Eigenlijk zijn het mediums. Dat is helemaal niet nieuw, want de eerste priesters die we hebben gekend op aarde waren een soort sja­manen. Wat deden die mensen? Nou, net zoals de toverdokters nu nog hier en daar doen, ze maakten muziek. Ze hadden een soort trom waar­op ze  sloegen of een ratel waarmee ze ratelden. In enkele gevallen zelfs een soort fluithoutje, een loeihoutje, waarmee ze liepen te slingeren. Dan maakten ze de gekste passen. Ineens waren ze in een toestand van uitputting en begonnen dan gekke dingen te zeggen. Soms kon je het verstaan, soms niet. Maar er was altijd wel iemand die wist te vertellen wat het dan wel betekende.

Zo spraken toen volgens dat geloof de geesten van de voorvaderen. Bij bijeenkomsten van een bepaald gedeelte van de Soefi (u beter bekend als de dansende derwisjen) is het wel voorgekomen dat een van die men­sen, terwijl hij uitgeput neerviel, meestal aan het eind als hij die toe­stand van verrukking gaat proeven een van de andere mensen opsprong en begon te vertellen dat hij de profeet was en dat hij dit en dat alle­maal aan de mensen voorhield. De man had echter pech, want dat was niet in overeenstemming met de wensen van het gezag. Dientengevolge heeft hij de orde moeten verlaten en is een hele tijd een soort wande­lende derwisj geworden.

Andere vormen van profetie vinden we bij de Pitia. Wat was de Pitia? Ze was een priesteres die profeteerde. Wat voor geest zat daarachter? In de eerste plaats was het de geest van de nacht of van het duister die ze vertegenwoordigde. Dus geen lichtende godheid. In de tweede plaats; ze sprak niet in verstaanbare termen. Ze bracht geluiden voort die door de aanwezige priesters werden geïnterpreteerd. Dus als je zo kijkt, dan zeg je; Profeten zijn er genoeg, maar wat moet je daarin godsnaam mee aan?

Nu wil ik een poging doen om u iets duidelijk te maken van de pro­cedure. Wij proberen altijd in het tweede gedeelte iets over procedures te vertellen.

Een profeet is iemand die in een toestand komt waarbij zijn eigen “ik” tijdelijk wordt onderdrukt, althans zijn uiterlijk “ik”. Wat spreekt, kan dus zijn onderbewustzijn zijn. Maar het is ook mogelijk dat hij contact heeft met andere persoonlijkheden die niet stoffelijk bestaan of met an­dere werelden die stoffelijk niet kenbaar zijn. Dan zal hij daardoor tot uitingen komen die niet meer in overeenstemming zijn met rede of rede­lijkheid en die hij zelf misschien niet eens helemaal kan volgen of begrijpen. Hierdoor blijkt dat het karakter van de profeet niet bepalend is voor de uiting die hij doet.

Dan zitten we hier eigenlijk met een soort mediumschap. Nu weten wij dat bij een gewoon medium wordt aangenomen dat er verschillende geesten doorkomen. Dit is een medium, dus ben ik een geest, want ik spreek door het medium. Een heel geestelijke conclusie. Maar waarom is het dan altijd een god die spreekt door een profeet? Dat gaat doodge­woon om het gezag.

Kijk, als er hier een geest komt, geven wij geen namen. Die geest zegt bv. Ik ben… Theophrastus Bombastisch vond Hohenheim. Dan zeg­gen de mensen: Interessant! Maar ja, die man is al zolang dood. Hij kan zich vergissen. Maar als ik precies hetzelfde zeg en ik zeg dat ik de H. Geest ben, dan is het dogma.

De macht van de profeet ligt in wezen in de goddelijke origine die wordt aangenomen ten aanzien van datgene wat hij doorgeeft. En aangezien heel wat profeten ook van hun profetieën wilden profite­ren, zijn er waarschijnlijk heel wat mediums geweest, zelfs in de moder­ne tijd, die geen genoegen namen met eenvoudige entiteiten die door­kwamen. Zij kwamen dan met Socrates of Plato. Napoleon is ook nog eens doorgekomen. Hij zal wel gek gekeken hebben. Het was een uitgeteerd Engels medium waar hij doorkwam. Toen voelde hij zich pas echt een boon apart.

Maar waren het wel die entiteiten? Het antwoord is; Zeer waar­schijnlijk niet. Het ging hier bij de benoeming van de bron om de macht. Er is altijd in de geschiedenis van de mensheid een ontwikkeling aan te tonen geweest.

In het begin geloofde men in de voorouders. De voorouders werden al snel vorsten. De vorsten werden al heel snel goden. De goden wer­den toen aangevuld met de helden. De helden werden dan in de goden­wereld opgenomen en daarmee was er een relatie geschapen tussen de mensenwereld en de godenwereld. Van daaruit is het geen grote stap om te komen tot de profeet die opgaat naar God en met een boodschap te­rugkomt. Dat vinden we bv. bij Mozes.

Mozes die eigenlijk een vuurgod, een vulkaangod aanbidt. Dat blijkt ook uit alles wat er beschreven wordt. Als Mozes een tijdje naar boven gaat en de god kondigt zich aan, dan is er een uitbarsting, dan is er de suizende stilte. Mozes ontdekt iets, hij voelt iets, hij weet iets en daarmee gaat hij weer naar beneden.

Een ander voorbeeld is ook Jezus. Wat Jezus precies is geweest, weet niemand. Ik mag u er wel op wijzen dat het historisch bestaan van Jezus nog lang niet bewezen is. Er zijn een paar benoemingen. Flavius Josephus, Tacitus zeggen er iets over. Maar het gaat eigenlijk nog meer over de cultus, over de volgelingen dan over de profeet zelf.

Wat brengt Jezus? Ja, de Vader spreekt door hem. In werkelijkheid vertegenwoordigt hij een sfeer. Een bepaalde onstoffelijke wereld die door zijn wezen mede tot uiting wordt gebracht.

Als ik dan verder ga kijken in deze dagen, dan vind ik ook overal profeten. 0 zeker, het zijn misschien niet allemaal dezelfde profeten. Er is ergens een Lacumba-bijeenkomst. Er is een vrouw die ineens in trance valt en Azazuli komt door, een natuurgodin. Ergens anders valt een Zen monnik in trance en een hoge Meester spreekt door hem. Het kan waar zijn, het kan niet waar zijn. Eén ding is zeker;

Het mechanisme van de profetie is het volgende. Een persoon komt tot een innerlijke beleving waardoor hij tijdelijk van zijn persoonlijk be­staan vervreemd wordt. Als gevolg daarvan verkrijgt hij een contact met een andere wereld waaruit hij kennis en eventueel argumenten put. Wanneer hij in de normale toestand terugkeert, is hij zich zelden volledig bewust van hetgeen hij gezegd of gedaan heeft. Hoe beter de god wordt aangeduid en benoemd die door hem zou spreken, des te hoger de waardering voor zijn boodschap. Dat is gewoon het mechanisme.

Zullen we nu even omschakelen naar de moderne tijd? God weet het, misschien zitten er ook een paar profeten of profetessen hiertussen. Je kunt het nooit weten.

Als u tot een beleving komt waardoor u even vervreemd bent van hetgeen u zelf bent, dan zegt u dingen zonder te weten waarom u ze zegt. Heel vaak blijken juist die dingen van groot belang te zijn voor de verdere ontwikkeling. Later zegt u; Hoe kwam ik ertoe om toen dat te zeggen, want nu zie ik dat het zo en zo gaat. Is u dat nooit overkomen? Als dat gebeurt, dan bent u ook een profeet of profetes. Dan doet u in wezen precies hetzelfde.

De mystiek ervan, ach, die wordt op tienduizend verschillende manieren verklaard op aarde. Soms wandelen de mensen met God of met de goden. Arjuna o.a. wandelde met God. Er zijn in de Upanishaden nog wel meer van die helden die het hier en daar doen. Anderen krijgen contact met God of Jehova. Weer anderen krijgen alleen maar een geest door.

Er is een bepaalde gemeente waar het de gewoonte is dat er stilte is totdat iemand zonder zelf te weten wat hij precies zegt ineens een preek gaat houden, een zegening; uitspreken of een boodschap over brengen. Wij behoeven ons met het mechanisme niet zozeer bezig te houden. Het blijkt echter wel, dat alle mensen die profeet worden toch iets gemeen hebben.

Als we kijken naar de profeten van Israël, dat is het gemakkelijkst. U heeft waarschijnlijk een bijbel in huis, dan kunt u het naslaan. Die profeten worden geroepen meestal in eenzaamheid. De een is bezig op zijn graanakker, de ander is geiten aan het hoeden (dat was een zeer doorluchtige profeet later, weer een ander wordt plotseling door een vreemdeling gezegend, hij krijgt een mantel omgehangen en hem wordt gezegd; Jij bent een profeet. Allemaal zijn het mensen die eigenlijk op dat ogenblik buiten de werkelijkheid staan, de werkelijkheid die de ander interesseert. Een goede profeet is kennelijk niet iemand die in de problemen zit waarover hij spreekt.

Dan blijkt verder dat de profeet over het algemeen een beetje onwennig en zelfs wat ongelovig staat ten aanzien van zijn gaven. Zelfs van een medium kun je zeggen Een medium dat zo nu en dan twijfelt aan hetgeen hij zelf presteert, is een beter medium dan iemand die denkt dat hij alles precies weet en alles goed doet. Die onzekerheidsfactor is belangrijk. Waarom? Als we zekerheden hebben, dan zullen wij elk signaal toetsen aan onze zekerheid. Maar signalen die je van buitenaf krijgt, zijn niet gebaseerd op menselijke zekerheden. Ze zijn gebaseerd op harmonieën van krachten die bestaan.

Wat hebben we dan nog verder bij de profeten? Profeten treden meestal op in tijden van spanning. Dat is ook heel vreemd. Als er behoefte is aan een profeet, dan is er een profeet. Hoe komt dat? Ik meen, dat je hier zou kunnen spreken van het bovenbewustzijn van de mensen.

Wanneer in de omgeving een grote onzekerheid, een grote spanning, een grote onevenwichtigheid ontstaat, dan wordt daardoor a.h.w. een kanaal gevormd dat zoekt naar zekerheid. Een soort communicerende vaten-wet. Als de spanning te groot wordt, dan wordt tijdelijk de prop die de grens vormt gewoon doorbroken, maar de ontlading kan alleen plaatsvinden in iemand die niet volledig daarbij betrokken is die op die stroom spontaan reageert en niet probeert daar tegenin te gaan. De buitenstaander is dus de beste profeet.

Dan moeten wij ons ook afvragen. Zijn die mensen vroom? Dat zou ik niet willen beweren. Nu moet u even de bijbel terzijde zetten en kijken naar andere soorten profeten.

De meeste van die profeten, waren nogal eigenzinnige mensen. Vaak snel geraakt, snel gekwetst, in hun gedragingen kennelijk onevenwichtig. Neem iemand als Johannes de Doper. Hij was een reuze goede man, dat neem ik direct aan. Maar hij hij at alleen sprinkhanen en honing. Honing met noten smaakt goed en ook met sprinkhanen. Hij was erg ruw in de mond. Dat zien we bij de meeste profeten. Dat zien we zelfs bij Jonas, de eerste onderzeevaarder volgens de legende. Hij had de eerste potvis te pakken. Voordat hij ging potverteren zat hij te kijken naar Ninive. Hij had geprofeteerd dat, indien ze niet terugkeerden van een zondig pad, de stad zou vergaan. Toen hij hoorde wat hij had gezegd, dacht hij dat wil ik zien. Hij ging onder een boom zitten en wachtte tot het ge­beurde. Er gebeurde echter niets. Toen heeft hij wel een paar lelijke dingen gezegd tegen de stad en tegen God.

Profeten zijn geen gewone mensen. Ze zijn altijd een beetje oneven­wichtig. Hoe komt dat? Een zeer evenwichtig persoon kun je niet zo gemakkelijk uit zijn eigen wereld losweken. Maar een wat onevenwichtig iemand is gemakkelijker te beïnvloeden. Als echter het evenwicht, dat die hoge kracht tot stand brengt, wegvalt, dan blijft er een stukje onevenwichtigheid over. Misschien dat ze op den duur leren hun eigen evenwicht te handhaven. Dat gebeurt weleens. Er zijn profeten geweest die dat inderdaad hebben bereikt. Maar de meesten blijven toch wel een beetje buitenbeentjes.

Wat zien we meer? Wanneer die mensen eenmaal beginnen, is er al­tijd een persoonlijke beleving bij. Of die nu hysterisch wordt genoemd of visionair of wat anders doet niet ter zake. Het is een beleving die hen sterk aangrijpt. Hierdoor vertrouwen ze op hetgeen ze doen. Zonder vertrouwen geen profeten. Dus op het ogenblik dat je denkt zou het wel zo zijn, is het al niet meer zo.

Ik meen, dat ik daarmee al een schets heb gegeven. U kunt nu het mechanisme begrijpen.

Er zijn hoge krachten. Die hoge krachten behoren soms tot een andere wereld, maar ze kunnen ook behoren tot uw eigen wereld. Het kan bv. een entiteit zijn die tijdelijk als, groeps- of rassengeest optreedt. Dergelijke entiteiten hebben een heel ander besef van de werkelijkheid dan de mens. Het betekent dat ze ook een heel ander inzicht hebben in de mogelijkheden die er bestaan en vaak ook betere ideeën hebben ten aanzien van de oplossing van problemen. De pro­feet die met zo’n entiteit in contact staat, zal niet in staat zijn uit te maken waar dit contact zit, maar hij is wel in staat om de boodschap over te brengen.

De namen van goden die wij steeds weer genoemd zien en de wetten die eraan verbonden zijn, hebben zelden veel te maken met de uitspra­ken van de profeet. Maar de profeet heeft wel de neiging om dat ge­loof waaruit hij zijn zekerheid put ten koste van alles te verdedigen. Dat betekent dat de profeet vaak naast zijn werkelijke gave ook op­treedt als zedenpreker. Ook weer een heel typerend iets dat je bij practisch alle volkeren kunt vinden.

Blijft nog over de vraag, of het profeteren dan alles is? Wij vin­den het antwoord ook weer in de bijbel. Een profeet wordt beledigd door een jongeling die hem “kaalkop” noemt. Die man vond dat helemaal niet leuk en sprak een vervloeking uit. De jongeling werd toen door een beer aangevallen. In een ander geval geeft een weduwe een profeet eigenlijk meer dan ze kan missen. Hij zegent haar en ziet, de volgende dag begint voor haar de welvaart. Er is dus kennelijk meer.

Profetie is een aspect van een geheel. De procedure waar het om gaat is eigenlijk het in contact komen met een hoger vermogen. Door het feit dat men dit vermogen accepteert, daarin opgaat, beschikt men niet alleen over de verbale uitdrukkingsmogelijkheden maar wel de­gelijk ook over een groot gedeelte van de bijkomende krachten, die even­eens uit diezelfde bron voortkomen.

Mijn slotconclusie; Ook u bent een knooppunt, maar niet altijd. Alleen in sommige omstandigheden waaruit krachten kunnen voortkomen die behoren tot een hogere wereld. Indien u volledig in uzelf ver­trouwt en zonder aarzeling met die kracht werkt, bereikt u resultaten.

Als u zonder enige aarzeling datgene wat in u opwelt weergeeft en het ziet als een manifestatie van het hogere of hoe u dat ook noe­men wilt, dan is de kans dat u gelijk heeft misschien 80 tot 90 %. Als u aarzelt, gaat u corrigeren. Als u corrigeert, is de waarschijn­lijkheid ineens gedaald tot 10 à 15%. U bent dus zo goed als elke mens een beetje profeet. Maar u komt er niet toe dit te ontwikkelen, omdat u hetzij te evenwichtig bent, hetzij te weinig vertrouwen koestert, hetzij misschien ook voor uzelf teveel een beroep doet op anderen, om een beroep te doen op de krachten die in u wonen. Dan is daardoor de ontwikkeling voor u betrekkelijk gering.

Maar wanneer u in een situatie komt waaruit u werkelijk geen uit­weg meer ziet of waardoor niets u werkelijk meer kan schelen, dan kan op dat ogenblik die gave zich in u in een innerlijke beleving mani­festeren en ontwikkelen. Aanvaardt u haar dan zonder dat u probeert er direct zelf iets mee te doen, dan zal blijken dat u steeds meer profetische gaven vertoont.

Als u daarop vertrouwt en zo de zekerheid heeft gekregen van een verbinding met het hogere, dan bent u ook in staat de krachten van het hogere uit te dragen. Want profeten zijn mensen, geen uitver­korenen, maar gewone mensen.

Ik hoop, als ik de kans krijg, een volgende keer iets verder in te gaan op allerlei facetten die hiermee verband houden. Wij hebben ook nog de groene magie, die we niet mogen vergeten, waarin eveneens bepaalde procedures bestaan waardoor mensen tot tovenaars of profeten worden gemaakt.

Wij kennen in India bepaalde praktijken die misschien pseudoreligieus zijn, maar die eigenlijk alleen maar voeren tot het vergaren van een enorme kracht of een enorm inzicht.

Als u toch bezig bent met rust in uzelf, dan moet u zich wel rea­liseren dat u die rust vaak kunt vinden door de zekerheid dat u meer bent dan u schijnt te zijn. Ik hoop u daarover de volgende keer verder voor te lichten.

Fluisteren

Wanneer fluister je? Als je bang bent dat een ander luistert of als je zo onder de indruk bent dat je bang bent om je stem te verheffen.

Mensen fluisteren in de kerk. Toch zou het misschien beter zijn, als ze hardop zouden spreken. Wie hardop spreekt, richt zich mede tot God. Wie fluistert in de kerk, probeert zich in wezen te onttrekken aan de werkelijkheid.

Fluisteren doe je, als je een ander je mening wilt laten horen zonder gelijktijdig de gemeenschap ermee te confronteren.

Fluisteren doe je, als je de omstandigheden niet aan kunt, als je probeert te ontkomen aan een werkelijkheid door in een gefluisterd commentaar naar buiten toe toch te doen alsof het anders is.

Fluisteren. Het is begrijpelijk. Soms fluistert er iets in je. En als je luistert, dan verwazen nog steeds de woorden. Maar als datgene wat in je spreekt niet luid en duidelijk kan spreken, dan heeft het geen zin om te luisteren.

Wie fluistert tot God, wordt misschien gehoord, maar hij behoeft geen antwoord te verwachten. Wie spreekt tot God, kan een gesproken antwoord, een duidelijk antwoord verwachten.

Dat geldt voor alle dingen. Dat wat je bent, moet je duidelijk durven zijn. Als je het onduidelijk en verborgen bent, is daarmee alleen reeds gezegd dat je het niet werkelijk en niet volledig bent; dat je in strijd bent tussen wat je schijnt en wat je bent. En dat is geestelijke gezien niet altijd een goede zaak.

Afwachten

Is iets wat we allemaal doen, of we het weten of niet. Wij wachten altijd maar weer. Je wacht op het leven, je wacht op de dood. Altijd moet je maar afwachten wanneer er iets gebeurt en hoe het gebeurt. De grote kunst is dan ook niet om zo actief te worden dat je niet behoeft af te wachten, maar vooral om zo af te wachten wat er gaat gebeuren dat je in staat bent te reageren op het moment dat het gebeurt.

Als wij afwachten wat God over ons zal oordelen, dan is dat het enige dat we kunnen doen. Wij kunnen Hem niet omkopen of op een andere manier beïnvloeden. Maar we kunnen er natuurlijk wel voor zorgen dat we beseffen welk oordeel er mogelijk over ons gesproken zal worden. Dat impliceert dat we voorbereid zijn op ontwikkelingen die voor ons persoonlijk zullen plaatsvinden. Ik zeg dit in een zeer algemene term, omdat u door het bevorderen van zelfkennis zult begrijpen op welke ogenblikken u kunt ageren en wanneer u moet afwachten. Afwachten komt meer voor dan u wenselijk acht. Heel vaak laat u een goede gelegenheid voorbijgaan door niet zelf te ageren, maar af te wachten wat een ander doet.

U leeft uw eigen leven. Dit betekent dat u, waar u de mogelijkheden bewust erkent, zelf handelend moet optreden. Daar waar u die mogelijkheden niet ziet, moet u rustig afwachten zonder u door die stilstand te laten verbijsteren of te laten ontmoedigen.