Angst en hoe deze te overwinnen

image_pdf

30 juni 1967

Allereerst wijs ik u erop het feit, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na. Angst en hoe deze te overwinnen.

Bij dit onderwerp moeten wij ons allereerst maar eens af gaan vragen, wanneer iemand nu eigenlijk bang pleegt te zijn? Wij zien dan dat angst onder twee condities zeker zal ontstaan. Allereerst, wanneer het stoffelijk bestaan wordt bedreigd. De angst is dan een uiting van de drang tot zelfbehoud.

Daarbij kan de angst als een zuiver lichamelijke paniek optreden. Indien de mens bewust genoeg kan denken, zien wij dat deze vorm van angst en paniek vaak snel overwonnen wordt, zodat het lichaam weliswaar nog allerhande paniekreacties toont als versnelde pols, ademnood en dergelijke, terwijl de mens zich toch reeds weer in bedwang heeft en zich redelijk weet te gedragen.

De tweede oorzaak van angst is voor mij van veel fascinerende aard. Wij zien dat vele mensen eigenlijk bang zijn voor … niets! Zij zijn bang voor allerhande dingen, omdat zij daaraan een eigen waardering toekennen, ofschoon er, reëel gesproken, geen enkele reden bestaat tot angst.

Zuiver stoffelijk gezien is angst eenvoudig genoeg te omschrijven als een ogenblik, waarop eigen bestaan wordt aangetast, of dat men dit bestaan zelf als geheel bedreigd ziet. Om deze angst te overwinnen, dient men zich te realiseren dat het bewustzijn vele mogelijkheden en middelen ten dienste van het ‘ik’ kan stellen, waardoor men aan het gevreesde nog kan ontkomen, terwijl het onontkoombaar gewordene beter eenvoudig aanvaard kan worden, daar door de aanvaarding de werkelijke betekenis daarvan voor het ‘ik’, evenals de mogelijke pijn enzovoort in betekenis sterk af zal nemen.

De tweede vorm van angst definiëren valt mij moeilijker. U hebt het onderwerp zelf gesteld en zult mij dus willen vergeven, wanneer ik hier en daar wat meer aan de zware kant ben. Angst zonder redenen, angst voor iets dat niet in feite als gevaar of dreiging bestaat, moet een oorzaak hebben. Vaak heeft een dergelijke, feitelijk onredelijke, angst iets te maken met het ongewone en daarom niet direct te begrijpen van het verschijnsel dat men vreest. Op deze wijze kan men bijvoorbeeld verklaren dat een olifant bang kan zijn voor een muis, ofschoon dezelfde olifant misschien voor een tijger niet bang zal zijn. Ook bij mensen zien wij steeds weer een terugschrikken bij het waarnemen van op zich ongevaarlijke en onbetekenende dingen, terwijl diezelfde mensen onder andere vaak voor hen meer gewone omstandigheden een zeer grote moed demonstreren. Het is duidelijk dat hier iets van psychische aard een rol speelt.

Wanneer je dit wilt gaan ontleden, zal men zich allereerst moeten afvragen welke reden de mens kan hebben voor zijn onredelijke reactie en angst. Hierbij blijkt vaak dat iemand niet bang is voor hetgeen hij zegt te vrezen, maar angst kent omdat hij zichzelf ergens onvolledig weet of minderwaardig acht. Naarmate de mens een minder hoge dunk heeft van zichzelf en eigen vermogens, is hij geneigd grotere eisen aan dit leven buiten hem te gaan stellen.

Gelijktijdig zal hij echter meer angst koesteren voor alles wat zijn werkelijke wezen zou kunnen openbaren, zoals hijzelf dit beseft. Een typisch voorbeeld hiervan zien wij bij dictators, die over een leger beschikken om hun macht nadruk te geven en in hun land vaak door een groot deel van het volk als goden of bevrijders worden geëerd. Toch blijken juist deze mensen met een haast onvoorstelbare ferociteit te reageren, wanneer iemand het niet met hen eens durft te zijn of zelfs een grap over hen durft te vertellen. Deze mensen zijn bang voor tegenstand en spot, omdat zij innerlijk wel weten dat hetgeen zij als front aan de wereld tonen niet meer dan een reeks van illusies is. Maar ook bij minder gewichtige mensen, op veel kleinere schaal, zal iets dergelijks kunnen voorkomen.

Een mens draagt in zichzelf vele spookbeelden, vaak dromen over iets wat nooit zal gebeuren, maar waarvoor men angst koestert. Deze angsten beheersen vaak een groot deel van het leven van dergelijke mensen. Vooral blijkt steeds weer, dat deze mensen zich niet werkelijk van hun eigen mogelijkheden en het bestaan van een vrije wil bewust zijn. Een dergelijke mens zal misschien zeggen dat hij alles alleen doet zoals hij dit wil, maar innerlijk is hij er steeds weer van overtuigd dat er een noodlot is, dat hem beheerst. Een dergelijk mens heeft het gevoel, dat hij door de omstandigheden steeds gedwongen wordt. Misschien meent hij wel dat er de een of andere God ergens klaarstaat, om elk pad dat hij zou willen kiezen, maar dat niet strookt met de wens van die God, voor hem af te sluiten.

Het is dan logisch dat deze mens vele onredelijke angsten koestert. Zijn gevoel van machteloosheid zal hem er immers toe brengen elke mogelijke bedreiging van verworvenheden (zelfs indien dit slechts illusies zijn die hij zich omtrent zichzelf maakt) niet alleen te vrezen, maar te voelen als een onmiddellijke bedreiging van het bestaan zelf en zo tot een onmiddellijk en vaak krampachtig verweer over te gaan. Wanneer hij ontdekt dat een dergelijk verweer tegen de in hem gerezen vrees en denkbeelden niet meer mogelijk is, zal hij een angst beleven, die geheel buiten de werkelijkheid staat en waarin de werkelijkheid geen redelijke grond voor te vinden is. Men kan aan een dergelijke angst zelfs ten onder gaan, daar zij het geheel van eigen werkelijk kunnen dreigt te gaan beheersen.

Ik zal ook hier een voorbeeld geven, om u duidelijker te doen zien hoe ik dit bedoel. Wanneer men ’s avonds in een heidelandschap ronddoolt (vooral wanneer er weinig of geen maan is), ziet men vaak vele vreemde gestalten rond zich. Een jeneverbesstruik wordt misschien in uw ogen een demon die klaarstaat om u aan te vallen of een dreigende mansfiguur waarvan u wie weet wat voor slechts verwacht. Hoe dit komt? Wel, men neemt vage vormen waar en trekt een vergelijk, zoekt een analogie met de schrikbeelden die men in eigen wezen draagt. De demon die u ziet, is dan de duivel, waarvan u onbewust vreest dat hij u eens te pakken zal krijgen, omdat u gelooft in demonen en eigen schuld. Wanneer u vreemde en dreigende mansfiguren meent te zien, zo is dit vaak het gevolg van een verkeerde mening omtrent eigen waarde. U veronderstelt dat u veel waard bent, maar doet alsof en weet innerlijk zeer wel, dat u deze waarde niet bezit. U schept nu aan de hand van uw illusies, een dreiging voor uzelf, die een schijnbare bevestiging zou kunnen betekenen van uw illusoire eigenwaarde.

Er zijn vele verklaringen mogelijk voor dergelijke uit het ‘ik’ voortkomende dreigingen. Maar u kunt in de maatschappij rond u vaak een bevestiging zien daarvan. Zo blijken bijvoorbeeld dat juist de minst voor dergelijke aanvallen in aanmerking komende vrouwen het snelst hun kuisheid bedreigd zien. Voor hen is angst in feite een pogen eigen begeerlijkheid te bevestigen. Dergelijke tegenstellingen tussen de werkelijkheid en de angst zien wij meer optreden. Dat daarbij steeds weer schijnbaar zeer reële angstbeelden ontstaan is te wijten aan het feit, dat de mens in zich graag blijkt te spelen met mogelijke analogieën tussen in het ‘ik’ levende beelden en vage uiterlijkheden. Vereenvoudigd gesteld liggen de zaken ongeveer als volgt. In het ik heeft men, als mens of geest, zeer grote mogelijkheden en zeer grote potentiële krachten. Men kan daarmede zeer vele dingen doen. In feite is men bijna altijd in staat eigen wensen tot waarheid te maken, wanneer men deze krachten weet te gebruiken. Dit is niet een trucje van het positief denken. Dat is voor deze krachten en hun gebruik maar een begin.

Het vervullen van eigen wensen berust op het feit, dat men de schijn in eigen wereld voor zich kan veranderen en daardoor zowel in stof als geest ook de relatie, waarin men tot de werkelijke dingen staat, kan veranderen. Een dergelijke kracht is zo groot (een zo groot deel van de schijnbaar onveranderlijke waarden in de stof) dat iemand, die deze kracht in zich geheel beheerst, eenvoudig zal door moeten kunnen gaan, wanneer hij daartoe lust gevoelt en goud zal kunnen maken uit lood, wanneer hij daartoe lust gevoelen zou. Maar daarvoor moet men dan ook in de wereld zichzelf los maken van alle dingen, die niet reëel zijn. Men moet voor alles leren uitgaan van eigen werkelijkheid en zich niet binden aan eigen illusies.

Men moet dan bovenal uit leren gaan van eigen meesterschap over het eigen ‘ik’. Men moet ervan overtuigd zijn, zichzelf te kunnen beheersen. Indien men niet het gevoel heeft zichzelf geheel meester te zijn, zal men moeilijk naar waarheid kunnen gevoelen, dat men meester is over alle andere dingen in het leven. Een dierentemmer zal rustig in een leeuwenkooi binnen kunnen gaan, zelfs als de daarin aanwezige dieren nog niet aan zijn persoon gewend zijn. Hij zal zich tegenover deze dieren kunnen handhaven, omdat hij niet bang is. Iemand echter, die onder bescherming van een temmer bij een reeds goed geschoold dressuurnummer binnenkomt en veel angst koestert, verkeert ogenblikkelijk in levensgevaar. Zozeer zelfs, dat de temmer niet altijd in staat zal blijken de ander te beschermen. Zo nu is het in het leven ook. Je kunt die dingen volbrengen, wanneer je maar niet bang bent en je je geen illusies maakt over uitkomsten. Je moet rekening houden met de feiten en de werkelijkheid, daarnaast moet men zonder angst zijn. Dan is de eigen kracht, noem het een stralingsveld, of een vorm van persoonlijk magnetisme, zo groot, zo sterk, dat al het andere daardoor beheerst kan worden.

De mens die dit alles bereikt heeft, zal geen angsten meer kennen. Aan de andere kant zal hij ook zeer weinig meer begeren, daar alles binnen zijn bereik schijnt te liggen. Voor zo iemand wordt leven en streven eerder een kwestie van: wat ben ik en wat wil ik van dit erkende ‘ik’ ook uiterlijk nu waarmaken. Degene die deze waarde niet beseft, zal echter vaak angst kennen. Hij beseft wel alle mogelijkheden, maar kan deze mogelijkheden niet meer herleiden tot een erkenning van hetgeen ten aanzien van het gestelde niet juist is en zo een tot stand brengen van een juiste relatie tussen ik en wereld. Lijden en angst zijn in feite lering. Door deze leringen zou men zich eigenlijk bewust moeten worden van alles wat voor het ‘ik’ werkelijk goed en aanvaardbaar is, van alles wat voor het ik mogelijk en belangrijk is. Dat de meeste mensen deze les daaruit niet trekken, is uiteindelijk niet de schuld van het lijden en de angst, maar van hun eigen reageren, waarbij zij voor zich lijden en angst vrezen, ontkennen willen of de ware betekenis daarvan niet durven nagaan, zodat zij daaraan andere, fictieve en maar al te vaak geheel aan de werkelijkheid vreemde duiding van geven. Psychische angst is dan ook veelal een gevolg van een gebrek aan innerlijk vermogen, aan erkenning. De angst blijft juist in deze vorm natuurlijk niet alleen tot de materiële wereld beperkt. Zij komen uit het ‘ik’ voort en kunnen dus overal en in elke sfeer optreden. Een stoffelijk voorbeeld hiervan is de pleinvrees of agorafobie. De mensen die aan deze kwaal lijden, weten zeer wel dat er geen reden is om voor dit plein bevreesd te zijn. Zij kunnen zich innerlijk echter niet losmaken van het denkbeeld, dat zij beschutting en bescherming van node hebben. Wanneer dergelijke mensen toch midden in een open ruimte komen te staan, is hun gevoel van veiligheid, dat door de nabijheid van muren wordt gegeven, weg. Zij worden dan vaak lichamelijk ziek en reageren niet meer volgens de feiten, maar volgens de beelden van hun eigen onvermogen.

Andere voorbeelden van hetzelfde zien wij bij mensen, die bijvoorbeeld treinziek zijn of moeilijk binnen een afgesloten ruimte kunnen vertoeven. Zover het de angst betreft kan men zeggen dat deze mensen in zich een voorstelling dragen die onjuist is. Hun angst zou voor hen de aanleiding moeten zijn om na te gaan, waarom hun eigen wezen niet volgens de erkenbare werkelijkheid reageert. De man met de angst voor open ruimten zal zich niet af moeten vragen waarom hij daarin niet durft te vertoeven, maar dient zich af te vragen in welk aspect van het leven hij zozeer van zichzelf onzeker is, dat hij meent een voortdurende mogelijkheid tot bescherming van node te hebben. Erkent men deze innerlijke reden, dan kan men verder komen en vaak de kwaal overwinnen. Wie bij psychische kwesties de oorzaak erkent, weet waar hij aan toe is en kan de oorzaak bestrijden. Voor men het beseft, is dan de kwaal eenvoudig voorbij. Indien men als mens of geest met de angst wordt geconfronteerd, is het dus allereerst van belang zich af te vragen, waardoor zij in feite ontstaat. Het overwinnen van een angst is in de eerste plaats een erkenning, dat de uiting en actie in de angst, die een psychische oorzaak heeft, strijdig pleegt te zijn met haar werkelijke oorzaak.

Bij dromen en uittredingen zal de mens eveneens met de angst geconfronteerd worden. Een uitbeelding van deze angsten, die de waarheid dicht benadert, gaf een bekend schrijver. Hij noemde deze angsten: de wachter op de drempel. De schrijver had veel ervaring met magie en had zelf met de dingen die hij beschreef, proeven genomen en gewerkt. Hij geeft het volgende beeld: De mens die uit de stof wil treden en de geestelijke vrijheid tegemoet wil gaan, ziet als het ware op de drempel van het Lichtende Rijk dat hij wil betreden, een gesluierde gestalte opdoemen. Deze gestalte die het hart angstiger en sneller doet kloppen, dreigt zich te ontsluieren en treedt u in de weg. Dan moet men verder gaan en aan de gestalte voorbijgaan zonder te blikken of te blozen. Trekt men zich van deze wachter niets aan, dan is men geheel vrij de werelden van de Lichtende geesten te betreden en ook weer terug te keren naar eigen believen. Maar, zo zegt de schrijver, een mens die eenmaal terug is gedeinsd voor deze gestalte, zal haar volledig moeten aanschouwen en zal nooit meer zich van haar kunnen ontdoen. Het komt erop neer, dat de mens dan de ongesluierde gestalte heeft gezien en voortaan in leven en werken geheel wordt beheerst door eigen angsten. Wanneer hij tracht te handelen alsof de angsten niet aanwezig zouden zijn, zal hij daarmede opnieuw worden geconfronteerd en opnieuw vluchten, zodat hij geheel zijn verdere bestaan daardoor vervolgd wordt, tot hij uiteindelijk de moed op kan brengen de gestalte opnieuw te overwinnen, ook al kent hij haar nu in haar ware gedaante.

Dit beeld nam ik uit het boek Zanoni van de schrijver Lytton-Bulwer. Niet dat dit er iets mee te maken heeft, maar ik noem dit even, omdat iemand zich zit af te vragen welk boek het ook weer was, daar hij er kennelijk reeds van gelezen had. Alleen maar service dus. Ik geef u dit beeld omdat een mens op aarde, die een grote literaire begaafdheid had (in mijn ogen althans) met menselijke termen op deze wijze iets duidelijk trachtte te maken over de alles beheersende angst. Ik kan, zonder het beeld als geheel juist te betitelen, daarvan toch wel uitgaan en kan dan stellen: Zolang een mens zich niet naar buiten toe laat beheersen of beroeren door de onzekerheden, die in hem bestaan, zal hij de angst wel kunnen beheersen en overwinnen. Op het ogenblik dat men ook maar één enkele associatie als deel van de werkelijkheid aanvaardt die uit deze angsten voortkomt, zal het ‘ik’ alle associatiemogelijkheden die in de innerlijke angsten gelegen zijn, mede moeten aanvaarden en ondergaan, zodat de angsten dan het ‘ik’ jagen en drijven. Dergelijke angsten zullen, eenmaal aanvaard, voor het ‘ik’ zelfs een rol blijven spelen en het ‘ik’ blijven domineren, zelfs wanneer men rationeel kan bewijzen dat die angst geen enkele reden van bestaan heeft en het gedrag dat door de angst wordt gedicteerd, niet op de werkelijkheid stoelt. Maar dit blijft niet beperkt tot de alledaagse werkelijkheid. Want ook in dromen en tijdens uittredingen zal men vaak geconfronteerd worden met dergelijke schrikbeelden. Zij komen veelal tot uiting in schriksituaties, waarbij men de omstandigheden dan niet de baas kan worden. Wie van u kent niet de angstdromen waarin men voortdurend op de vlucht is voor iets wat men nooit ziet. Je weet dat er iets achter je aan komt. Wanneer je een deur open wilt doen, houd je de knop in de handen en de deur blijft toe. Wanneer je een trap op vlucht, is er opeens geen mogelijkheid meer om verder te gaan en valt men in een eindeloze afgrond.

U kent de soort droom die ik hier bedoel wel, daar haast elke mens in zijn leven meerdere malen een dergelijke droom heeft. En (tekenend) voor deze dromen is de weigering om naar hetgeen het ‘ik’ schijnt te bedreigen, te zien. Wat betekent dat men weigert te erkennen of zelfs maar aan te voelen wat het ‘ik’ drijft.

Daarmede zegt men reeds veel over eigen innerlijke toestand: een gevoel van machteloosheid tegenover de wereld blijkt hierbij vaak de alles beheersende oorzaak te zijn. Het beeld van de droom leert ons echter meer: Alle mogelijkheden tot normaal contact met anderen, met de wereld, het beheersen van de normale werkelijkheid en haar mogelijkheden blijkt immers in de droom teloor te zijn gegaan. Wanneer men in de droom wanhopig tracht een deur open te maken en daarin niet kan slagen, zo geeft dit weer dat men innerlijk aanvoelt dat er voor het ik veel betere mogelijkheden bestaan dan tot werkelijkheid werden gemaakt, maar deze (door innerlijke psychische) oorzaken niet kan bereiken en waarmaken. Wanneer men een trap beklimt die opeens eindigt en het ik in de diepte doet vallen, zo geeft dit weer dat men gevoelt in zijn streven te hoog gegrepen te hebben. Men vreest nu geheel te mislukken, omdat men voelt niet hoger te kunnen stijgen. Men zegt dan in wezen tegen zichzelf dat een bepaald iets niet verder kan gaan.

Bij belevingen in de astrale werelden zien wij soortgelijke ontwikkelingen. Het ik ontmoet op zijn weg vele spook- en schrikgestalten. Dergelijke gestalten kunnen een zekere realiteit hebben, maar zullen toch op u eerst invloed kunnen uitoefenen, wanneer u de mogelijkheid daartoe hebt erkend. Alleen wanneer de gestalte iets is, of een analogie vormt met iets wat in u bestaat, maar door u niet aanvaard wordt, zult u angst koesteren daarvoor. Dan zijn dergelijke schrikgestalten vaak levensgevaarlijk. Maar indien er geen erkenning (en hierdoor zekere aanvaarding) van de daarin schuilende machten en mogelijkheden door het ‘ik’ plaats vindt, zijn zij machteloos en ongevaarlijk. Daarom mag ik wel stellen dat eenieder, die de angst wil overwinnen, allereerst de psychische angsten zal moeten overwinnen. En dit kan men alleen bereiken door het gevreesde onder ogen te zien. Men mag voor dergelijke dingen niet opzij gaan. Men mag de werkelijkheid daarvan niet erkennen. En dit kan men alleen tot stand brengen, wanneer men beseft, waarom men deze vormen en begrippen eigenlijk wel zou vrezen.

Aan het begin staat een zekere zelfkennis. Zelfontleding is hier niet noodzakelijk. Je hoeft jezelf niet te verklaren waarom je iets nu eigenlijk vreest, waarom je bepaalde associaties maakt. Het is voldoende te beseffen welke waarde van de angst in jezelf bestaat, zoals het vaak reeds voldoende is te beseffen, dat men op een verkeerde wijze associeert met uiterlijk waarden. Hierdoor wordt reeds duidelijk wat men in eigen wezen en denken zou kunnen veranderen. Er bestaan vele processen, waarbij men dit bereiken kan en er zijn vele soorten van scholen, waarin men de mens tracht te leren, hoe hij zijn angsten moet overwinnen en op positievere wijze het leven moet benaderen. Vele van die scholen vindt men nog heden in India, maar ook in Tibet vonden tot voor kort scholingen van deze aard plaats. Ook elders geeft men de mens onderrichtingen, waarvan het gestelde het uiteindelijke en werkelijke doel is. Wat men daar doet is: De mens langzaam maar zeker van de wereld vervreemden. Men leert hem alle praktische en logische contacten met die wereld terzijde te stellen. De wereld is er nog wel, maar heeft geen werkelijke zin en geen werkelijk bestaan meer voor de leerling. In deze algehele afzondering krijgen de dingen een andere en veel meer persoonlijke betekenis. Het voordeel is hierbij, dat associaties geen vrees meer kunnen betekenen, omdat de wereld waaruit zij stammen, door het ‘ik’ niet meer als geheel werkelijk wordt ervaren. Zo vindt men een innerlijke rust, een evenwichtigheid, waarin men kan leren met voorstellingen en gedachten te spelen.

Eén van de bekende proeven voor gevorderde leerlingen is bijvoorbeeld het opbouwen van een figuur (god of demon), die het ‘ik’ dient en de wensen en behoeften van het ‘ik’ vervullen zal.

Heeft men die gestalte eenmaal zover opgebouwd dat zij geheel reëel is voor het ‘ik’ en zelfs door anderen kan worden waargenomen, wanneer men zover is gekomen, dat deze gestalte voor het ‘ik’ werk doet (op een wijze, die ook anderen kunnen vaststellen), wordt de opdracht gegeven, de gestalte weer af te breken en teniet te doen. Waarom? Wel, omdat men de afhankelijkheden, die in het ‘ik’ bestonden, zo heeft kunnen afreageren door iets te stellen, waarvan men wel afhankelijk was, maar dat gelijktijdig het ‘ik’ van de afhankelijkheid, van de wereld bevrijdde. Door het te breken en teniet te doen, beseft men eerst dat men dit alles zelf tot stand heeft gebracht. Wanneer ik een wezen kan scheppen, dat mij onafhankelijk maakt van de wereld en dit daarna teniet kan doen, zo beseft het ‘ik’ dat het niet in werkelijkheid van leven en wereld afhankelijk is. Door de gestalte teniet te doen, leert men voorgoed, dat alles wat het ‘ik’ niet meende te kunnen doen, maar door de opgebouwde gestalte wel kon worden volbracht, in feite behoort tot eigen vermogens en mogelijkheden. Zo wordt men zich bewust van de kracht, die in het ‘ik’ schuilt. Daarna echter moet men leren de macht te hanteren, die het bewust hanteren van de kracht doet ontstaan, men moet leren de besefte mogelijkheden en kracht nu voor anderen te gebruiken. Wij zien dat dergelijke ingewijden van lager niveau (yogi’s bijvoorbeeld) hun eenzaamheid verlaten en vaak vooral de steden opzoeken. Hier laten zij bijvoorbeeld mensen in een kommetje water de toekomst zien, genezen zieken, doen wonderen en bewijzen de mensen dat men voor zogenaamde gevaarlijke dieren niet werkelijk bang hoeft te zijn wanneer men maar geen angst kent en toch hun wezen beseft. In de ogen van westerlingen zullen dergelijke mensen vaak kermisklanten en komedianten zijn. Maar zij weten de mensen duidelijk te maken, dat er geen angst hoeft te bestaan. Zij oefenen gelijktijdig hun kracht en maken hun macht duidelijk door met anderen harmonie tot stand te brengen. Daarbij zijn zij echter aan bepaalde regels gebonden. Eén van de regels van de school, waaraan ik dit voorbeeld ontleen, wil ik u hier wel noemen. Je moogt nooit ingrijpen om iets of iemand anders te beletten volgens eigen wezen en wil te handelen.

Wel mag je ingrijpen om een ander te helpen, wanneer deze tenminste om hulp vraagt.

Indien wij het geval Israël-Arabië als voorbeeld nemen, zo komt het dus hierop neer. Nasser wil alle Israëli’s uitroeien. De ingewijde zal niet mogen handelen. Dit is immers het volste recht van Nasser, daar het eigen wil en wezen betreft en de eigen gerichtheid in de kosmos bepaalt. Israël heeft alle recht zich met alle middelen, goed of slecht, daartegen te verzetten. Ook hier zal de ingewijde niet in mogen grijpen, daar dit deel is van het recht tot leven van Israël. Stel nu, dat één van de twee partijen werkelijk in nood komt en aan de ingewijde (of bijvoorbeeld zijn God) om hulp vraagt. De wijze zal dan zijn kracht en macht mogen gebruiken om de partij die om hulp vraagt, in staat te stellen elke aanval af te weren. Hij mag dus niet ingrijpen om de vrager aan de overwinning te helpen maar slechts, om alle aanvallen, die op hem worden gedaan, terug te slaan. Wanneer de tegenpartij nu, ondanks dit alles, blijft aanvallen, kan deze zichzelf misschien vernietigen door te ver te gaan met zijn aanvallen. Dit is echter niet de verantwoordelijkheid van de wijze daar hij de aanvaller niet vernietigt, maar deze alleen de mogelijkheid geeft zichzelf te vernietigen.

Via deze en andere wetten leert de ingewijde dan, wat hij wel en niet mag doen. Degenen onder u, die al eerder hebben horen spreken over de beperkingen die de geest en vooral ook de Witte Broederschap zijn opgelegd bij hun ingrijpen op aarde, zullen hierin bekende waarden aantreffen. Dit was voor mij de reden dit voorbeeld te geven. Want ook voor ons geldt, dat wij eenieder mogen helpen die om hulp vraagt, maar dat wij zelfs bij het verlenen van deze hulp niemand mogen beletten zichzelf te zijn en te doen wat hij wil. Je moogt alleen iemand helpen zichzelf te zijn, ook wanneer hij door de wil van een ander wordt aangetast en zo van de hulp van deze ander schade zou ondervinden. Maar dit behoort niet tot het eigenlijke onderwerp.

De ingewijden hebben zich dus, door hun wijze van leven en hun terugkeer in de maatschappij van de mensen, een zekere macht verworven. Het belangrijkste daarbij is wel dat zij geheel meester zijn van eigen leven en door hun eigen wil beslissen wat zij zullen zijn. Als dergelijke mensen tot zich zeggen dat zij rijk willen zijn, dan zijn zij ook snel rijk. Willen zij langer leven, dan zal ook dit bereikt worden. Zij hebben geleerd, hoe zij de kracht die in hen is, om kunnen zetten. Toch aanvaarden ook zij vaak ontwikkelingen in het leven, die allesbehalve aangenaam zijn. Zij kunnen dit doen, omdat zij geen angst meer kennen. Met het bereiken van zeggingsschap over eigen wezen en kennis van eigen wezen, is alle angst overwonnen.

Dit is voor de doorsnee mens haast onbereikbaar. Maar je zou misschien toch kunnen beginnen, een klein beetje in die richting te werken. Daarbij moet u dan twee dingen onthouden:

  1. Waar de geest (de psyche) niet vreest, kan elke materiële paniek beheerst en ten goede gericht worden. Elke materiële reactie op een bedreiging van uw bestaan kan door uw geestelijke vermogens worden omgevormd tot iets wat uw vermogen vergroot, dus voor u in wezen gunstig is. De materiële angsten en paniek kunnen wij terzijde stellen, zolang ons denken niet daardoor beheerst wordt. Daar echter het denken vaak mede wordt betrokken in de panische reacties, dient men zich ten tweede te realiseren:
  2. Mijn angst geldt niet alleen voor datgene wat ik buiten mij vrees, maar bovenal de waarden in mij die ik weiger te erkennen. Zodra ik erken wat in mij de oorzaak is van angsten en vrezen, houden dezen op te bestaan.

Om angsten te overwinnen is het dus wel zeer belangrijk te erkennen waarom die angst bestaat, wat men in feite vooral vreest. Dit betekent niet, dat hiermede alles is afgedaan. Want zelfs wanneer je weet waarom je bang bent, zal het nog niet eenvoudig zijn de angst en de onaangenaamheden, die daaruit voortkomen, uit je leven te keren. Alleen zal je door je angsten nu niet meer in je reacties beheerst worden. Daarom geldt verder: Ik kan alles wat ik vrees, voor mijzelf in betekenis en waarde doen veranderen, door mijzelf te veranderen. Iets wat vreemd lijkt. Maar misschien hebt u wel eens gehoord van mensen, die in lijden en pijn een vreugde, een bevrediging vinden. Wanneer wij horen van martelaren die jubelend hun kwellingen ondergaan, zo lijkt ons dit onmogelijk, tot wij ons de reactie van de masochist herinneren. Toch waren niet alle martelaren ook devianten. Maar indien u pijn lijdt, kunt u trachten haar een inhoud te geven, waardoor de vreugde belangrijker wordt dan de pijn zelf. Heeft men geleerd zich op deze wijze onafhankelijk te maken van de pijngevoelens, zodat deze u niet meer beheersen, dan kunt u ook wel zeker zijn dat u voortaan niet meer bang zult zijn voor pijn. U kunt deze immers tot een kracht maken, een beleving, die waardevol en zelfs begeerlijk kan zijn.

Vele mensen zijn bang ziek te zijn omdat de ziekte voor hen afhankelijkheid en onvrijheid inhoudt, afgezien van mogelijke pijn en overlast. Indien men zich echter realiseert, dat juist in ziekte en pijn de mens vaak de beschikking krijgt over geestelijke mogelijkheden, zo zal men de ziekte niet meer vrezen, vooral wanneer men begint te beseffen dat het geestelijk bereikte kan bijdragen tot het opheffen of deels ongedaan maken van vele lichamelijke noden en onaangenaamheden. Indien men de zwakte die de ziekte met zich brengt, gebruikt om daarin een geestelijke kracht te zoeken, zo zal men daardoor bereiken, dat men geen angst meer kent voor ziekte en afhankelijkheid van anderen. Wat meer is, men zal juist door dit gebrek aan angst sneller genezen en minder snel ziek worden.

Misschien klinkt u dit wel heel vreemd in de oren. Medisch gezien benadert deze uitspraak de kolder, zonder het geheel te zijn. Maar het gestelde is in wezen geheel waar. Voorbeeld: Soms zijn mensen werkelijk erg ziek, hebben hoge koorts enzovoort, maar moeten over zeg 2 of 3 dagen met vakantie. Wanneer deze mensen nu veel belang hechten aan het met vakantie gaan en daarover meer denken dan over de kwaal zelf, dan zien wij dat zij onder deze omstandigheden sneller genezen dan normaal. Kinderen blijken eveneens vaak veel sneller te genezen, wanneer binnenkort een schoolreisje op het programma staat of iets dergelijks. De reden van dit alles is, dat men zich niet met de ziekte bezighoudt. Mentaal is de genezing van groot belang. Het gevolg is dat het lichaam beter ontspannen wordt en minder onder mentale suggesties van onbehagen heeft te lijden, terwijl de psyche door haar wil tot snel genezen bijdraagt tot een versneld genezingsproces. Zeker, er blijft vaak nog iets van de ziekte over, maar dit geneest in de meeste gevallen eveneens snel. Want mensen die zo geboeid zijn door een begeerte, die afwijkt van de omstandigheden waarin zij verkeren, schakelen (juist omdat zij zich een resultaat voor kunnen stellen) vaak een deel van de kracht in, die in elke mens als potentie verborgen is. Dit zal natuurlijk niet opgaan in gevallen waar bijvoorbeeld van een infectieziekte sprake is. Deze vergt nu eenmaal meer tijd en zal, mede door de geldende medische opvattingen, niet binnen enkele uren of zelfs enkele dagen ongedaan gemaakt kunnen worden. Maar in alle andere gevallen kan men zeggen dat de genezing aanmerkelijk sneller zal geschieden, wanneer de patiënt zijn gevoel van gebondenheid aan de kwaal weet te verbreken.

Draag dergelijke beelden nu over op de angst: Zodra de mens in staat is de mentale gebondenheid aan het gevreesde te verbreken en zo mogelijk een mentale gebondenheid tot stand te brengen met een ander, voor het ‘ik’ harmonisch beeld, zal men beschikken over voldoende krachten om harmonie te vinden, waarbij de angst verdwijnt. Wat meer is, wanneer men een bepaalde angst zo, onder drang van andere waarden als het ware heeft overwonnen, zal zij niet zo snel meer terugkeren.

Angstdromen kunnen hier een zekere lering betekenen. Het is mogelijk dat men te maken heeft met een droom, waarin bepaalde beelden uit de toekomst een rol spelen, het is mogelijk dat men zonder meer te doen heeft met een nachtmerrie. Vraag u eens af, na een dergelijke droom, hoe u ertoe kwam u juist in deze situatie te plaatsen, wat de aanleiding was. Indien u de bron in een boek meent te vinden, vraag u dan af wat u ertoe bracht uzelf te associëren met het lijdende voorwerp van uw boek. Op deze wijze zal men zelfkennis kunnen verwerven en zich ten aanzien van de werkelijke waardering die men voor zichzelf heeft, meer kunnen realiseren. Ik wil niet te ver hierop ingaan, maar wil opmerken dat in de meeste gevallen blijkt, dat de mens een ideaalbeeld van zichzelf maakt, dat niet met de werkelijkheid strookt. Zodra men zichzelf niet meer idealiseert en ook niet meer van de wereld verlangt, dat zij het ‘ik’ als een ideaal aan zal nemen, verdwijnen de angstdromen onmiddellijk in de meeste gevallen. Zelfs indien men droomt van de toekomst en daarin vele onaangename ontwikkelingen vooruitziet, demonische krachten zich ziet ontplooien, zal men daardoor geen werkelijke angsten meer kennen. Indien men zichzelf heeft aanvaard zoals men is, zal men ook de wereld eenvoudiger kunnen aanvaarden zoals zij is. Dan erkent men toekomstige gevaren wel, maar ondergaat ze niet meer als een dreiging, omdat zij ten hoogste werkelijkheid kunnen worden.

Men heeft dan het gevoel dat men zelf het stuur in handen heeft en eigen leven zelf mede zal kunnen bepalen. Men staat buiten het noodlotsgebeuren. Zelfs indien men bijvoorbeeld van een grote ramp droomt, zal men hierdoor niet meer worden gegrepen. Het is als het ware of men in een auto zit en de mensen daarbuiten opeens in een slagregen ziet staan. Het is vervelend voor ze, je kunt hen misschien helpen, maar de regen heeft voor jou persoonlijk minder betekenis, want je zit in de auto en kunt daarin zo nodig blijven zitten. Dus jij zit wel droog. Men zal ontdekken dat er geen reden meer is om bang te zijn, zodra men geen illusies meer heeft die men ten koste van alles in stand wil houden. Al is het maar, dat je in het leven voor iets of iemand werkelijk onmisbaar bent. Om angsten te overwinnen is het dus belangrijk in eigen denken de werkelijkheid zoals je die ziet, allereerst te aanvaarden. Daarnaast moet je alle dingen die je zou kunnen vrezen, voor jezelf nog een tweede, een andere, voor het ‘ik’ aanvaardbare betekenis trachten te geven. Deze betekenis moet natuurlijk wel iets zijn, wat je waar kunt maken of waarin je werkelijk kunt geloven. Ten derde moet men beseffen dat niets werkelijk teniet kan gaan. U hebt hier reeds eerder gehoord dat elk moment eigenlijk onvergankelijk is, altijd zal blijven bestaan. U kunt niet tenietgaan. Alles wat u ooit geweest bent en ook uw bewustzijn daarvan, zal altijd blijven bestaan. Een einde aan uw leven is alleen maar een overgaan tot een andere vorm van leven.

De dood is daarom alleen maar één van de verschijnselen van leven, meer niet. Er is dus geen reden het einde van het leven als een einde van alle dingen te vrezen. Je kunt nooit iets werkelijk verliezen, wanneer je het eenmaal werkelijk bezeten hebt.

Er kan natuurlijk wel een tijd komen, waarin hetgeen ik bezat voor mij geen bezit meer vormt. Maar het bezit dat was, blijft in het ‘ik’ een vaste waarde. Wat daarvan in eigen wezen en bewustzijn bestaat, is een waarde die altijd bruikbaar is, die altijd weer kan worden geprojecteerd in eigen denken als een realisatie, lering en mogelijkheid. Men kan dus nimmer iets feitelijk en werkelijk verliezen. Je kunt zelfs nog verder gaan en zeggen: Wanneer ik eenmaal in mij zelve een beeld van iets draag en daarbij niet gekweld wordt door begeren of angst, zal ik in staat zijn de essentie daarvan voor het ik tot een voortdurende waarheid te maken. Ook wanneer het gaat om verlies, zelfs om sterven, hoeft de mens geen angst te kennen zodra hij beseft wat hij werkelijk is. Wil men nu angst nogmaals omschrijven, dan kan men zeggen: angst is voor 9/10 zelfbedrog.

Dit zelfbedrog krijgt eerst werkelijkheidswaarde, doordat de mens zich aan de illusies bindt. Ingewijden, mensen die een geestelijke scholing doormaken leren allereerst, dat zij de angst moeten overwinnen. Zij leren dat men eerst ook de slechtste en meest demonische aspecten van eigen wezen moeten kunnen aanvaarden en verdragen, voor zij de meer Lichtende en kracht dragende aspecten van eigen wezen kunnen aanvaarden. Dat is niet alleen maar esoterie of humbug, maar een feit van het werkelijke leven. Om dat te zijn, wat je werkelijk kunt zijn, moet je allereerst jezelf aanvaarden zoals je bent, in elk aspect. Wie leert zichzelf te aanvaarden zoals hij werkelijk is, zal in zich een zodanige harmonie en eenheid bereiken, dat alles wat hem van buitenaf zou kunnen beroeren, door hem steeds weer in positieve zin kan worden geduid en verwerkt. Dan bestaat er geen vrees meer.

Hoe meer de mens zichzelf (en de wereld) tracht te bedreigen, hoe meer angsten hij zal kennen. Zij die op aarde de grootste angsten en het diepste lijden kennen, zijn degenen die zichzelf en anderen voortdurend bedriegen omtrent hetgeen zij werkelijk zijn.

Vragen

  • Paulus spreekt van vlees en bloed, die worden gevreesd en vele boze krachten in de lucht. Jezus zegt waarschijnlijk in verband met de zwarte magie: “hebt geen bemoeienis met de machten der duisternis”. Hoe verklaart u dit?

Ik zal trachten een verklaring te geven, ofschoon de samenhang met het onderwerp uit de aard der zaak slechts een zijdelingse is. De uitspraak van Paulus wordt duidelijk wanneer wij deze man kunnen zien zoals hij is: iemand die zijn grote geloofsijver en verkondigingdrang vooral put uit zijn verwerpen van hetgeen hij, vóór zijn confrontatie met de waarheid, in wezen was. Met andere woorden: Paulus is iemand die voortdurend bezig is in zichzelf het kwade (het verleden) uit te wissen. Hij kan en wil niet meer voor zich erkennen wat hij vroeger geweest is. Dit houdt in dat Paulus innerlijk voortdurend onzeker is. Deze onzekerheid kan hij in zijn verkondiging van de leer niet uiten. Het gevolg is dat hij tot vele in wezen te extreme uitspraken komt en voelt hij zich bedreigd, zowel door eigen wezen en lichaam als door boze krachten rond hem. De uitdrukking die hij geeft aan zijn gevoel van  innerlijk onbehagen, blijkt al te vaak in wezen een teruggrijpen te zijn naar het bijgeloof van de volkeren waarbij hij vertoeft. In Antiochië bestond zelfs een cultus, die ten doel had de boze demonen in de lucht tevreden te stellen. Paulus vertoefde enige tijd in deze stad.

De spreuk van Jezus interpreteert u als gericht tegen de zwarte magie. Maar de dingen waarin u gelooft, leven in u en niet alleen buiten u. Wanneer u in God gelooft en deze God ook in uzelf erkent, is er in u geen ruimte meer voor iets anders. Maar vele mensen geloven sterker in het kwade dan in het goede, meer in de duivel dan in God. Ik noem u een eigenaardig voorbeeld.

Wanneer je de mensen vraagt wat van het werk van Dante op hen de meeste indruk heeft gemaakt (wat zij het mooiste vonden ook) dan blijkt dit vooral het eerste deel, de hel, geweest te zijn. Daaruit kunnen zij veel citeren, zelfs de angst die Dante beschrijft wanneer hij in de diepste hel gekomen, langs de demon door de ijsgrotten moet, om zo via een achterdeurtje weer naar buiten te komen. Spreek je dan over de Louteringsberg, dan weet men misschien nog dat aan het eind daarvan Beatrice de dichter tegemoet treedt. Van de zangen van de hemelse velden blijken zij zich echter weinig of niets te herinneren. Zo wel, zo vinden zij dit veel minder treffend dan de andere delen. Wanneer je de mensen spreekt over de wereld en hen vraagt hoeveel ondeugden hun buren hebben, kun je rustig de eerste uren gaan zitten luisteren. Vraag je naar de deugden van de buren, dan kun je beter blijven staan, daar deze opsomming zo kort wordt, dat het niet de moeite waard is erbij te gaan zitten. De belangstelling van de mens gaat kennelijk vooral naar het kwade uit. Wanneer Jezus de mens dus waarschuwt tegen het duistere, dan waarschuwt Hij hen mijns inziens vooral tegen dat deel van hun wezen en denken, dat hen ertoe brengt zich voortdurend weer te richten op het duistere en demonische in de wereld en niet op het rijk Gods.

  • Hoe dan met de mensen, die in concentratiekampen zaten. U hebt het maar over de dingen in mij, maar volgens mij gaat het toch vooral om de dingen buiten mij.

Een verstandige opmerking, die echter tevens blijk geeft van onbegrip voor de innerlijke waarden en hun betekenis. Degenen die de concentratiekampen hebben doorleefd en dus uit eigen ervaring kennen, zullen weten dat er ook daar altijd weer vreemde figuren waren, die eigenlijk vanaf het begin geen angst kenden voor lijden en dood. Deze mensen namen vaak grote risico’s, zowel voor zich als voor anderen, maar haast spelenderwijze. De kwellingen schenen voor hen, als persoonlijke ervaring, eigenlijk maar weinig te betekenen. Men ziet dergelijke mensen vaak als ‘kampzieken’ of als ‘heiligen’. In wezen zijn zij geen van beiden, maar blijken zij in staat vanaf het eerste moment het kamp te aanvaarden. De grootste kwellingen van deze kampen, waren namelijk niet gelegen in de stoffelijke kwellingen (ik spreek nu niet van vernietigingskampen, waarin de doodsangst natuurlijk veel sneller tot ontwikkeling komt en daardoor vaak een andere rol speelt) maar vooral in de vernedering. De werkelijk grootste kwelling is niet zozeer gelegen in de onmenselijke behandeling, dan wel in het ontdaan worden van alle menselijke waarde en waardigheid. Juist dit element maakt de behandeling ondragelijk en het beantwoorden aan de hoge eisen, die men stelt qua arbeid enzovoort, onmogelijk. Degenen die het kamp konden aanvaarden zonder daarbij apathisch te worden, zijn uit de zogenaamde werkkampen meestal nog wel levend tevoorschijn gekomen.

Een goede illustratie is gelegen in het feit dat vele mensen bang waren voor een pak rammel, maar sommigen minder dan de anderen. Dit waren vooral de mensen, die door een idee werden gedreven. Nu konden de meeste mensen in de kampen hun God niet meer als een werkelijkheid beleven en vinden. Hij was te ver van dit alles en speelde geen werkelijke rol meer, zelfs al diende men hem met vroomheid en gezang. Het blijken vooral de politiek actieven geweest te zijn, die de omstandigheden in de kampen overwonnen. Het is typerend dat gedetineerden die bij kampleiding betrokken werden, vooral mensen waren die een groot politiek engagement kenden, terwijl daarnaast deze mensen meestal wel een groot ideaal, maar slechts een betrekkelijk beperkt gevoel van eigenwaarde bleken te bezitten.

Onder deze groep komen extremen voor: Aan de ene kant de kapo’s, de gedetineerde kampbeulen, aan de andere kant bv. gedetineerde kampartsen en administratief personeel, dat voor velen goeds tot stand wist te brengen. Vreemd is ook dat wij onder de overlevenden en de helden van de kampen vele priesters en dominees aantreffen, die eveneens door een vreemd soort onverschilligheid ten aanzien van de kampomstandigheden, zover deze henzelf betreffen, voorrechten verkrijgen. Zo bezien, blijkt zelfs hier het niet in de eerste plaats de buitenwereld te zijn, waarvoor men angst hoeft te hebben. Het blijkt belangrijker, dat de mens zichzelf nog deel van een geheel voelt, dat het gevoel blijft bestaan, dat men betekenis kan hebben en kan functioneren. Zelfs in de kampen blijkt men dan de ellende nog wel aan te kunnen. Maar zodra de mens een gevoel van algehele ontwaarding en nutteloosheid krijgt, blijkt hij zelfs onder een veel minder wreed regime dan in de concentratiekampen heerst, ten gronde te gaan.

  • En in de vernietigingskampen dan?

Hier ligt de zaak in zoverre anders, dat de mensen hier zich, vaak op een zeer korte termijn, moeten terecht vinden met het denkbeeld van ondergang en dood. Hier zijn vaak de gezinsbindingen van veel groter belang dan in de kampen, waar men werkt en lijdt. Het gevolg is, dat de angst zich allereerst concentreert op kinderen en partners. Enerzijds voert dit tot daden van grote zelfverloochening, maar anderzijds ontstaat hierdoor vaak een wanhopig verzet tegen het onvermijdelijke. Aan onze kant weten wij (en u zou daarvan misschien het een en ander kunnen horen via de kampherinneringen van degenen, die in deze kampen werkzaam waren) dat er mensen waren die, juist terwijl zij naakt in de rij stonden en wisten dat de dood nabij was, rustig bleven en anderen zelfs kracht en waardigheid bijbrachten.

Dergelijke mensen wisten zelfs troost en kracht te brengen te midden van de verstikking in de zogenaamde douchekamers. Er waren gehele groepen, die er vreemd vredig uitzagen toen men hen naar de verbrandingsovens bracht. Dergelijke figuren blijken in vele gevallen tijdens het sterven zelf nog rond zich een kleine kring van mensen verzameld te hebben, die door hun moed en aanvaarding tot een rustig ontslapen kwamen.

Ook dit pleit voor een verwerpen van de bedreiging van de buitenwereld als voornaamste bron van onrust en lijden. De buitenwereld kan u wel bedreigen, maar zij kan u niet werkelijk vernietigen. Zij kan u het stoffelijk leven ontnemen, maar kan uw werkelijke leven niet tenietdoen. De wereld buiten u kan u kwellen, doden, beroven. Maar zij kan u niet beroven van alles wat u werkelijk (en daardoor blijvend) zelf bent. Valt men op het besefte ik terug dan blijkt er geen angst te zijn, zelfs niet in de vernietigingskampen. Wel kunnen wij stellen dat in de vernietigingskampen degenen die onmiddellijk voor een ‘douche’ moesten aantreden of voor een dodelijk ‘autotransport’, niet zo snel in staat waren zich te realiseren wat er gebeurde. Voor hen kwam daardoor de doodsangst vaak panisch. De lichamelijke paniek bracht dan vaak ook een innerlijke paniek met zich. Maar degene die zichzelf en de feiten konden aanvaarden, stierven vreemd genoeg zelfs onder deze omstandigheden, zonder angst en onbelast door het gebeuren.

Opvallend is het verder dat er mensen zijn geweest, werkzaam in en rond deze vernietigingskampen, die geen angst voor de dood kenden. Zij weigerden vaak bepaalde taken te volvoeren, zelfs wanneer zij daaraan ten gronde gingen. Hun dood was steeds weer een vredige dood, ondanks alle ‘straf’, die aan hun dood voorafging. Daarentegen zien wij mensen die alles doen om in leven te blijven en zich daartoe zelf lenen voor de sadistische praktijken van sommige kampbewakers. Sommigen van hen overleven inderdaad de kampen, maar gaan kort daarop ten gronde. Ik meen dat wij ook hier mogen stellen dat de buitenwereld in wezen weinig vermag tegenover een mens, die zijn innerlijke werkelijkheid en waardigheid beseft.

Ten laatste geef ik u een eigenaardig voorval, dat plaats vond in Sobibor. Hier werd een jood binnengebracht, die geen vrees scheen te kennen. Hij verzette zich niet. Slechts toen degene die ‘selecteerde’ hem met een zweepslag naar rechts wilde verwijzen, reageerde hij met de opmerking: U kunt mij doden, maar u kunt mij niet van mijn menszijn beroven. Het gevolg was natuurlijk dat deze man in leven moest blijven, want men wilde hem allereerst breken. Hij heeft dan ook een zeer slechte tijd doorgemaakt. Deze man is nu bij ons. Hij werd in het kamp ingeleverd, naar ik meen, in maart 1941. In september werd deze man, die steeds zijn menselijke waardigheid boven alles bleef stellen, dankzij de bemoeiingen van de kampleiding uitgewisseld naar Zwitserland. Zijn houding had twee resultaten. Allereerst dat zijn vasthouden aan eigen menselijke waardigheid, ondanks alles, hem een zeker respect bezorgde zelfs bij de meest doorgewinterde beulen. Ten tweede, dat vele van de bewakers, geconfronteerd met een dergelijk gedrag, braken, en hun taak niet meer konden of wilden vervullen. Deze bewakers werden dan naar het front overgeplaatst, waar zij na korte tijd plachten te sterven. Men kan zeggen dat deze man, die overleed in 1958, als eenling een overwinning behaalde op een systeem van verschrikkingen.

Ik hoop u met dit alles duidelijk te hebben gemaakt, dat wij in ons iets hebben, dat sterkerkan zijn dan elke bedreiging van de buitenwereld. In ons dragen wij een oneindigheid, terwijl de buitenwereld slechts eindige waarden tegenover deze innerlijke waarde en kracht kan stellen. Wanneer wij ons deze innerlijke waarde en kracht bewust zijn, kan de wereld van buiten ons desnoods tijdelijk vernietigen, maar zij zal ons niet waarlijk kunnen uitblussen of veranderen. Dat wat zij ons dan aandoet, zal op haar zelf terugslaan. Een slaaf doden die weerloos is, maakt weinig uit. Maar iemand doden die vrij blijft, hoe weerloos hij ook is, brengt vele consequenties, in het morele vlak zowel als meer materiaal, met zich. Ik hoop dat u dit zult onthouden. Want dit is de werkelijke onaantastbaarheid van het ik.

  • Hoe staat het met die gesluierde figuur, waarvan u sprak. Deze moet men voorbijgaan, maar elders zegt u: wij moeten het gevreesde onder ogen zien.

Deze figuur was een citaat uit Zanoni van Lytton Bulwer. Ik hernam dit beeld, onder vermelding dat het niet geheel juist was als punt van uitgang. Wij moeten onze angsten onder ogen durven zien. Wij kunnen ons niet verweren tegen iets, wat wij niet onder ogen durven zien. In Zanoni gaat het om het betreden van een geestenwereld. Wanneer je je van je doel af laat brengen door je angsten te beschouwen, zo zul je je deze angsten niet realiseren en kunnen bestrijden, maar onderwerp je je daaraan. Je laat immers je doel door de angst veranderen. Hierdoor wordt de angst blijvend je meester, tot je haar onder ogen hebt gezien en desondanks hebt overwonnen. Dat stelt het boek dus. Aansluitend daarop trachtte ik duidelijk te maken dat de angst voor ons veelal gesluierd is en haar ware wezen dus niet openbaart voor wij haar tegemoet treden. Zij zal haar eigen macht niet op ons kunnen uitoefenen, zolang wij haar aanwezigheid beseffen en in staat zijn daaraan voorbij te gaan. Zodra de angst echter een ongeziene kracht wordt die ons voortjaagt, het voorbeeld van de droom waarin men achtervolgd wordt door een vijand die men nooit ziet, liggen de zaken anders. Er is nu geen doel van mijzelf, waarbij de angst mij van dit doel zou kunnen afleiden.

Er is sprake van een beheerst worden door de angst. Men zal zich dan dus de angst eerst moeten realiseren in haar ware gedaante en haar overwinnen, voor men vrij is. Door stil te blijven staan en de verschrikking onder ogen te zien, waarvan ik droom dat zij mij achtervolgt, bereik ik immers dat ik nu bepaal wat er verder gaat gebeuren, terwijl bij een vluchten mijn gedrag door de angst wordt bepaald.

  • Zijn de duistere machten, waarvan zoëven werd gesproken, objectieve waarden of fantasieproducten?

Duistere machten bestaan en zijn dus objectieve waarden. Zij bestaan echter in een wereld, die niet gelijk is aan onze wereld. Op het ogenblik dat wij onszelf door ons innerlijk in harmonie te brengen met deze duistere machten, kunnen zij, daar zij meestal sterker zijn dan wij in dit geval, macht en gezag over ons verkrijgen. Dat zal ook gelden in onze eigen wereld, wanneer eenmaal de relatie is geschapen. Wij vormen dan zelf de brug, langs welke deze duistere machten hun gezag naar onze ‘werkelijke’ wereld kunnen uitbreiden. Op het ogenblik dat de kwade macht door mij wordt afgeweerd, zodat ik geen hulp of gaven daarvan aanvaard en weiger erop te reageren, kan deze ‘boze macht’ mij niet bereiken. Ik dwing haar daarmee ofwel terug te treden in haar eigen wereld, dan wel, onder bepaalde omstandigheden, terug te vallen in een ondergeschikte rol binnen het kader van mijn gedragspatroon.

In dit verband is het misschien aardig te herinneren aan de bekoring van Jezus in de woestijn.

Volgens de Latijnse vertaling zou Jezus hier zeggen: “Retrovade, Satannas”, wat betekent “ga heen van mij, satan”. In de Griekse vertaling echter (die vroeger is) luidt de zin echter: “Ga achter mij, satan”. Ik meen dat deze vertaling de meest juiste is. Het “ga achter mij” kan namelijk worden uitgelegd op de volgende wijze: Het kwade is eerst werkelijk kwaad, het duistere eerst werkelijk duister, wanneer het zijn macht op mij kan uitoefenen. In zijn wezen is het echter een macht, die een andere bestreving of waardering aanvaardende, tot Licht wordt.

Niet voor niets stelt men dat de duivels gevallen engelen zijn. Wat in dit verband wel veelzeggend is. Er is geen verschil tussen engel en duivel dan door de instelling.

Er bestaan in wezen twee richtingen van ons belangrijk schijnende ontwikkelingen en bestrevingen in het Al. De eerste, of volgens ons negatieve, streeft terug te vallen tot een algehele beleving van het eigen ik met een uitsluiting van de wereld, om zo, door het absoluut beheersen van de dan nog resterende delen van de werkelijkheid, tot een Godserkenning te komen. De tweede, volgens ons positieve richting, streeft er juist naar, eigen begrenzingen te verliezen en op te gaan in het Grote, waardoor het bewustzijn van de godheid en omtrent de godheid in het ik en het geheel van alles wat rond dit ik erkend wordt, steeds groter zal zijn.

Is er sprake van een bewustzijn vernauwende gang, dan spreken wij dus van duistere machten, terwijl wij van Lichtende machten zullen spreken, wanneer er sprake is van een bewustzijnsverruimende werking. In feite is het echter niet het wezen van deze machten, doch onze eigen houding tegenover die machten, die zal bepalen wat zij voor ons betekenen.

  • Duistere machten hoeven dus niet onaangenaam tegen elkaar te zijn?

Neen. Duistere machten gaan waarschijnlijk net zo prettig of onprettig met elkander om als de mensen, zolang zij elkaar nog erkennen.

  • Denkt u nu wel logisch. Uit dit antwoord zou blijken, dat Paulus toch gelijk had….

Paulus had geen gelijk, want wanneer Paulus in zich de angst voor het kwaad niet had gekend, had het kwaad niet zo dreigend en beheersend voor hem kunnen bestaan. Sommige mensen maken deze angst voor het andere, het duister, tot een deel van hun godsdienst, terwijl andere mensen juist trachten de angst te overwinnen. Dit is volgens mij het verschil tussen Paulus en vele anderen. Dit is ook de voornaamste reden voor ons verzet tegen het paulinisme in het christendom. Paulus verkondiging komt voort uit een schuldbewustzijn en versterkt dus dit schuldbewustzijn, predikt in wezen angst. Wij menen echter dat juist de aanvaarding van Jezus en de Christus voort dient te komen uit de vreugdige erkenning van de Vader, niet uit het schuldbewustzijn en de angst voor het duister. Wij menen dan ook dat de interpretatie van het christendom vaak verkeerd en onjuist is, juist door de nadruk op de zonde en eventueel dan op de verlossing en de vergeving van de zonden. U vraagt zich af wie van ons beiden het meest logisch denkt? Ik meen dat de logica aan mijn kant blijft, daar ik bereid ben bij de erkenning van een wet, die in alle door mij besproken gevallen dezelfde is, toegeef, dat de erkenning en beleving van die wet in verschillende gevallen ook verschillende resultaten met zich kan brengen. U wilt dit kennelijk niet doen.

Daarnaast wil ik opmerken, dat de term logica bij het bespreken van dergelijke dingen maar een zeer beperkte betekenis kan hebben. De logica is immers een opbouw van menselijk aanvaardbare en kenbare samenhangen, waarbij alle bovennatuurlijke en niet kenbare natuurlijke feiten reeds onlogisch zijn. Spreken over het kwade is in feite, zodra wij het als een macht buiten de mensheid projecteren, menselijk gezien reeds onlogisch.

  • Is angst noodzakelijk voor de bewustwording?

Is een richtingwijzer er om u naar een bepaalde plaats te brengen, ofwel om u in staat te stellen uw ogenblikkelijke placering ten aanzien van andere plaatsen vast te stellen? De angst is een wegwijzer, die in zich geen doel heeft. Erkend voor wat zij is, zal zij ons echter in staat stellen onze verhouding, gerichtheid en weg in het leven juister te bepalen. Als zodanig speelt zij, mits deze waarde wordt erkend, een zeer belangrijke rol in het bewustwordingsproces. Erkent men deze waarde van de angst niet, dan is zij eenvoudig een afschrikkend middel in de wereld van illusies waarin wij leven en zo de geneigdheid doet ontstaan zich minder illusies te maken, om zo ook wat minder angst te kennen.

  • Ik concludeer uit uw woorden dat, zo niemand op aarde meer aan demonische invloeden zou geloven, zij ook geen macht meer zouden hebben.

Dit is juist. Het is de angst en het wantrouwen in de mens, die hem ertoe brengen juist het gevreesde demonische tot zich te trekken. Kunt u aannemen dat een wereldoorlog uit kan breken wanneer geen mens op aarde aan de mogelijkheid daarvan gelooft? Zelfs indien iemand per ongeluk op een knopje drukt, zal men dan eerder een ongeluk dan kwade wil vooropstellen, overwegen, en zo het ergste niet doen gebeuren.

Esoterie:  Eigen illusies en de waarheid

De mens, die in zichzelf zoekt naar de waarheid, vindt over het algemeen zijn eigen illusies.

Wie echter zijn eigen illusies vindt en ze beschouwt, vindt over het algemeen daarachter iets van de waarheid weer.

De mens, die in zijn daden voortdurend tracht zijn idealen waar te maken, zal over het algemeen teleurgesteld worden door het resultaat van zijn daden. Indien hij daaruit kan begrijpen, dat zijn idealen niet zuiver zijn, zal hij zo naar de waarheid kunnen komen.

Wie echter slechts in de daad zoekt naar de bevestiging van zijn eigen stellingen, gaat ten gronde aan zijn eigen illusies.

Dit zijn slechts enkele van de vele gezegden, die doelen op de innerlijke bewustwording.

Wanneer je als mens tracht door te dringen tot je innerlijke werkelijkheid, zo zul je toe moeten geven dat van het gestelde veel waar is. Want de mens, die alleen maar waar tracht te maken wat hij zelf denkt, wil het geheel van het Al met al zijn wetten en mogelijkheden binnen de beperkingen van zijn eigen denken dwingen.

Aangezien de mens niet in staat is het Al te doen beantwoorden aan zijn eigen beperkte voorstelling daarvan, zal hij proberen, het Al steeds voor zich kleiner te maken en zich zo van de werkelijkheid in het Al steeds sterker isoleren. De mens die zich geheel van de werkelijkheid heeft afgescheiden, wordt alleen nog met eigen illusies geconfronteerd en deze vernieuwen zich niet. Zij openbaren hem geen oneindigheid. Op de duur sterft men dan ook van innerlijke verveling en na deze geestelijke dood herrijst het ik, om opnieuw het proces van bewustwording te beginnen.

Uit dergelijke gedachten kan men praktische conclusies trekken, die misschien niet belangrijk lijken vanuit esoterisch standpunt, maar van het hoogste belang kunnen zijn voor uw eigen bewustwording en uw innerlijke bereikingen. Ik vat enkele van deze meer praktische regels hier samen.

Maak je zo weinig mogelijk illusies. Leef met de feiten en leef in het heden. Daarnaast, beschouw je idealen slechts als een richtlijn op de weg naar de waarheid, die je begeert te vinden. Beschouw hen nimmer als op zich bestaande waarden.

Besef dat de mens die geheel tevreden is, ophoudt werkelijk te leven. Zijn bereiking blijft steken op het punt, waarop de tevredenheid bereikt werd. Ontevredenheid op zich is dan ook noodzakelijk voor alle vooruitgang. Zoek dan ook ontevredenheid met uzelf, opdat gij in u zelf vooruitgang kunt boeken.

Wanneer wij trachten al hetgeen ons geschiedt te wijten aan de dingen buiten ons, zullen wij niet alleen het contact met de wereld buiten ons meer en meer verliezen, maar wij zullen ook de waarheid omtrent eigen ik niet meer beseffen. Al wat ik ben, al wat er met mij geschiedt, al wat in uit en door mij ontstaat of mijn bewustzijn benadert, is deel van mijn wezen en kan niet buiten direct verband met het ik worden beschouwd. Ik kan slechts datgene voor mijzelf verwezenlijken en beleven, wat reeds in mij leeft.

Met deze enkele regels kunt u in ieder geval beginnen, enigszins schoon schip te maken. Want er zijn vele mensen die, juist omdat zij het zo goed bedoelen en zo hoog willen stijgen, voortdurend het zichzelf onmogelijk maken de feiten te zien. In een kortgeleden gehouden studentendebat stelde iemand: Wie tracht de feiten te beschouwen uit een ander dan mijn standpunt, keert zich tegen mij. Vele mensen reageren ook zo, wanneer het niet gaat om politiek of levensbeschouwelijke waarden, maar om innerlijke waarden. Zij stellen eenvoudigweg: Mijn godsdienst, leer, school moet waar zijn. Daarom zal alles en ieder, die deze dingen op een andere wijze interpreteert, beschouwt of beleeft dan ik, a priori reeds duivels en verwerpelijk zijn.

Velen noemen voor anderen en zichzelf datgene kwaad, wat goed zou zijn voor hun bewustwording, hun leren inleven, hun ervaren, indien zij er maar toe zouden komen hun stellingen aan een meer kritische beschouwing te onderwerpen. Ik citeer nog enkele spreuken.

Er bestaat op aarde geen absolute waarheid, daar geen aards bestaan of denken in staat is een absolute waarheid te omarmen of uit te drukken. Daarom is eenieder, die u zegt dat hij een absolute waarheid bezit, een dwaas of een leugenaar. Maak u zelf niet tot dwaas.

Velen veroordelen in het leven van anderen dingen, juist omdat zij weigeren in te zien waar de onvolmaaktheden in eigen leven schuilen.

De mens is geneigd vele dingen bij anderen zonder meer als kwaad te beschouwen, zonder daarbij te beseffen, dat juist dit oordeel voor de ander de verklaring vormt van de onevenwichtigheden, die hij de beoordelaar zelf toeschrijft. Wie naar waarheid moet zoeken, zal beseffen dat het beoordelen van een ander als zondig of als zondaar geen rechtvaardiging van eigen ik in kan houden, maar integendeel inhoudt, dat er in de beoordeler onvolmaaktheden bestaan, die het hem onmogelijk maken de ander te begrijpen.

Niemand is waarlijk en volledig zondig in het oog van Hem, die alle dingen begrijpt. Voor God bestaan er geen absoluut kwade geesten of mensen. Hij ziet het leven. Wie tot God door wil dringen, moet dan ook niet proberen uit te maken, wie nu wel en wie niet zondig is, maar dient te trachten in eigen leven de God die hij erkent, waardig te zijn.

Velen die filosoferen, bouwen luchtkastelen op de basis van een enkel slecht begrepen feit, terwijl zij de werkelijke betekenis van dit feit in verband met andere waarden en feiten weigeren te beseffen. Wanneer men met een leer of filosofie te maken heeft, zo dient deze gebaseerd te zijn op de feiten van het leven. Er moet een achtergrond zijn. Zie dus eerst naar de samenhangen, die op de achtergronden van een filosofie kenbaar worden. Dan eerst zal het ons mogelijk zijn uit de filosofie voor onszelf meer concrete waarden te putten.

Men kan alle dingen leren begrijpen, zodra men beseft waaruit zij voortkomen. Wie niet begrijpen wil, waaruit de verschijnselen voortkomen, zal echter door alles, zelfs door de waarheid zelf, misleid worden.

Zoeken naar God betekent zoeken naar waarheid. Zoeken naar waarheid betekent eerst: waar zijn. Een van de belangrijkste slagzinnen in alle esoterie is wel: mens wees waarlijk jezelf. Maar hoe kun je dit bereiken wanneer je jezelf niet kent? Hoe kun je begrijpen wat je bent, wanneer je de wereld rond je met haar mogelijkheden en wetten weigert te beseffen? Als je God gaat zoeken, moet je bereid zijn toe te geven dat de mogelijkheid bestaat, dat er geen God is. Dan eerst zal men erkennen dat men naar bovenzinnelijke waarden grijpt, waarvoor geen redelijke grondslag bestaat.

Dankzij dit besef zal men zijn God kunnen ervaren, los van alle menselijke beperkingen en begrippen. Men zal dan zijn relatie tot die God eveneens niet meer op menselijke waarden en waarderingen baseren, maar op de innerlijke ervaring van deze God.

Nog een laatste raad. Je kunt de cirkelgang van het bewust zijn alleen doorbreken door niet te zien naar het gebeuren zelf, maar uit de kracht, waaruit het gebeuren voortkomt. Dan kun je de kracht, waaruit alles voortkomt, maken tot de basis van alle gebeuren en dit hiermede verheffen tot een deel van de oneindigheid, waarin een wederkeren van hetzelfde feit onmogelijk wordt. Voor u houdt dit in: Pluk de dag, maar slechts in naam van God. Werk vandaag voor God en niet voor morgen. Dan bouwt gij eeuwigheid in plaats van een cirkelgang van feiten, waarin oude zorgen steeds weer terugkeren en zichzelf herhalen tot in het oneindige toe.

image_pdf