Artikelen van het geloof

image_pdf

18 maart 1966

Aan het begin van de bijeenkomst wil ik u er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp van heden maakt deel uit van een reeks, die wij reeds aankondigden, welke ten doel heeft u te informeren over de achtergronden en werking van de nieuwe leer en alle daarbij voorkomende leringen en ontwikkelingen. Ik wil dit als titel meegeven: Artikelen van het geloof.

Wanneer je begint over artikelen van het geloof, schrikken vele mensen: Zij denken dat geloof iets is, dat alleen thuis hoort in de binnenkamer en de kerk. U zult echter met mij eens zijn, dat het gehele leven op aarde en alle maatschappelijk bestaan, voor een zeer groot deel bepaald wordt, door wat men gelooft.

Wanneer het geloof niet geheel zuiver en juist is, of niet strookt met de feiten van het leven – geestelijk zowel als stoffelijk – ontstaan er wanverhoudingen. Indien er een vernieuwing plaats gaat vinden, zal het daarom ook nodig zijn de artikelen van het geloof, deze grondwaarden van het bestaan, opnieuw te formuleren.

De formuleringen die ik u geef, zijn in wezen juist volgens alles, wat in de toekomst zal gelden. Ik durf echter niet voor elk woord gelijkheid in te staan, daar, zoals u weet, de mensen meestal formuleren en herformuleren, terwijl de waarden ongeveer gelijk blijven.

Het eerste geloofspunt van de nieuwe tijd is wel vanzelfsprekend: “Er is een God”.

Het tweede punt luidt: “Deze God heeft alle dingen geschapen en al wat Hij geschapen heeft, is geheel volgens zijn Wil”.

U meent misschien, dat men dit zo ook heden reeds gelooft. Maar dat is niet waar. Men meent, dat bepaalde dingen volgens de wil van God zijn, dus goed, terwijl vele andere dingen niet goed en dus ook niet volgens de wil van God zijn. Wil men dit, gezien de waarde, die men aan het begrip God toekent, verklaren, dan lijken mij maar twee wegen mogelijk (maar die zijn dus niet juist): Men stelt, dat God niet in staat is, tegen het kwaad in te gaan – of dit niet wil, maar wel voorzien heeft en desondanks niet ingrijpt – wat niet voor deze God zou pleiten, terwijl men daarnaast kan zeggen, dat deze God niet beter wist, omdat Hij zelf nog ontwikkelen moet, waarmee Hij geen werkelijke God zou zijn, daar hij iets verkeerd heeft gedaan en zo qua alwetendheid, almacht en algoedheid, zwaar in gebreke zou blijven.

De nieuwe leer stelt daarentegen: Wanneer iets geschapen is, wanneer er in de schepping een mogelijkheid bestaat, zo is dit de Wil van God en heeft het ook een duidelijk doel. Daar alles dus een reden van bestaan heeft, zin heeft, en een positieve waarde – de goddelijke – in zich draagt, is het de taak van de mens, voor zich dit te beseffen, en zal dus alle dingen moeten aanvaarden, erkennen en verwerken.

Het derde punt van de nieuwe leer stelt, iets vager misschien dan u bij geloofspunten gewend bent: “De mens is een van Gods schepselen; het totaal van zijn wezen en wereld is volgens het goddelijke plan geschapen.”

Wat lastig is volgens de huidige normen, daar vele mensen dingen doen, waarmee je het niet eens bent. Je vraagt je dan in het begin ook af, of dit alles wel kloppen kan. Er zijn er onder u ongetwijfeld, die zich zeer hebben opgewonden over het koninklijk vertoon of de republikeinse acties van sommigen op de dag van gisteren, terwijl nog anderen het niet eens konden zijn met de volksdemocratische methoden, waarmede de orde gehandhaafd werd.

Je kunt dus zeggen, dat dit goed was, maar dat fout. Maar de nieuwe leer stelt, dat alles, maar dan ook werkelijk alles, wat op de wereld mogelijk is, behoort tot de wereld en het wezen van de mensheid en als zodanig zinrijk en goed is. Daarom geldt voor hen, die deze nieuwe lering aan gaan hangen: Wij kunnen deze dingen niet veroordelen of beoordelen, wij kunnen en moeten er alleen mee leven.

Een volgend punt is nog belangrijker: “Indien de mens zijn God beseft, zal hij zijn persoonlijke waarheid als deel van het goddelijke ondergaan”.

Ook hierover zal men in deze dagen nog geneigd zijn te strijden. Toch kan iedere mens een waarheid kennen, die iets verschilt van de waarheid van anderen. Dientengevolge kunnen wij verkeerdelijk zeggen, zoals de meesten doen, dat iemand, die een andere waarheid meent te kennen dan de onze, geen waarheid bezit. Of wij kunnen stellen, dat zowel onze waarheid als de waarheid van de anderen deel zijn van een onbegrepen geheel, waarmee ook al het andere een recht van bestaan heeft. Dit laatste is de stelling van de nieuwe leer en werd reeds eerder verkondigd in ongeveer gelijke vorm, maar toch weer verkeerd begrepen, omdat men stelde: Wie niet aan wil nemen, dat alle waarheden deel zijn van een grotere, onbegrepen waarheid, kent geheel geen waarheid.

Dan volgt een gebod, waarmee men eveneens rekening zal moeten houden: “Ik ben niet slechts, wat ik wil zijn, doch tevens al, wat ik voor het geheel ben in mijn daden.”

Een belangrijk punt. Je kunt het dus goed bedoelen, bv. een mens het ziekenhuis in slaan om anderen te beschermen. Maar dan ben je voor beide gevolgen verantwoordelijk, niet alleen voor het positieve deel ervan. Je bent dus niet alleen de mens met goede bedoelingen, die al dan niet faalt – al tellen deze bedoelingen zeker evenwaardig aan de daden mee – maar ook mens, die een ander mishandelt, en degene, die een ander redt. Volgens de nieuwe leer is dus hetgeen in de buitenwereld voor en door jou bestaat, mede bepalend voor wat je zelf zult zijn.

Het volgende punt van geloof zegt dan: “Er is geen verlossing dan door ons eigen streven. De wegen tot verlossing worden ons voortdurend getoond, maar wij moeten deze zelf gaan.”

Deze stelling kent u eveneens reeds, daar wij haar reeds meermalen met u bespraken. Ik beken, dat ik voor deze stelling juist deze formulering koos, omdat zij u zo meer bekend zal zijn. U kunt wel zeggen, dat de wereld moet veranderen of zelfs, dat een verlosser is gekomen, die ons allen vrij heeft gemaakt, maar je moet dan toch ook begrijpen, dat dit alleen van kracht kan zijn, wanneer je zelf die kracht volgt, die weg gaat. Je dient dus a.h.w. één te worden met dat, wat je de Verlosser noemt; zolang dit niet het geval is en geen werkelijk pogen daartoe bestaat, is alle praat over genade en de zegen des Heren eenvoudigweg kolder.

Ik sla nu enige punten van dit geloof over, om het voor deze avond niet al te ingewikkeld te maken. Maar dit is een artikel, dat toch bij het voorgaande weer geheel past, namelijk: “De wereld is deel van de werkelijkheid, onze beschouwing van de wereld is echter de uitdrukking van een persoonlijke waan. Onze taak is, de werkelijkheid te vinden in de waan, die wij leven.”

In dit geloof wordt de mens dus een taak en functie toegemeten, die nogal verschilt met de overeenkomstige waarden in andere geloofssoorten. In de andere geloven moet de mens vooral geboden gehoorzamen, indien wij de predikers althans mogen geloven. Dergelijke eisen stelt de nieuwe leer niet.

De mens is deel van het geheel. Hij bestaat niet alleen om hem een zaligheid te laten verwerven of tot een hel te doemen. Hij heeft zelf een zeer definitieve functie in het geheel van de werkelijkheid te vervullen. Hij wordt niet “geleid” of “verlost”. Al leeft hij in een wereld van begoocheling, zo zal er niets in of met hem gebeuren, in werkelijkheid zowel als waan, waarin hijzelf niet belangrijk is. De mens is zichzelf doel en gelijktijdig een middel voor het waarmaken van het geheel. Daarom zegt men in dit nieuwe geloof dan ook ongeveer:  “De bedoeling, van de Goddelijke Schepping is voor het schepsel niet te doorgronden. Het aandeel, dat wij in de schepping hebben binnen het geheel, kan echter door elk schepsel voor zich beseft worden. Want wie zichzelf kent, kent ook zijn bestemming.”

Dus niet de bestemming van het geheel, maar alleen eigen functie, eigen taak, zo u dit laatste woord prefereert. Misschien lijkt u dit een wat vreemde formulering van reeds nu erkende waarheden. Maar probeer het u eens in te denken. Men pleegt onder mensen vaak argumenten te horen als: God heeft wereld en het Al geschapen, omdat hij dit wilde. Vraag je, waarom hij dit wilde, dan weet men het niet precies en komt met uitvluchten of met verklaringen, zoals omdat hij zich wilde spiegelen in zijn schepping. Wat aardig mag klinken, maar niet logischer is dan het eerste antwoord. Indien God een schepping opbouwt, volgens zijn wil en alle dingen daarin kennende om zich te spiegelen, zo is dit een nutteloze daad of een daad van ijdelheid. Daar hij de schepping – en volgens sommigen de mens – schiep naar beeld en gelijkenis, kende hij zich reeds voordien en zonder de schepping. Anderen stellen, dat God de schepping nodig heeft, opdat hij zich zo kan ontwikkelen. Maar een evoluerende Godheid is geen werkelijke God volgens de geloofsdefinitie, die God volmaakt noemt. Dus is een dergelijke God geen ware God.

Zo kunnen wij voortgaan. Het is daarom verstandiger toe te geven, dat wij de werkelijkheid van God, zijn wil en de zin van het geheel eenvoudig niet kennen. Door dit in het geloof als geloofspunt te stipuleren, voorkomt men in ieder geval veel krachtverspilling en vele dwaze speculaties over het doel, dat God heeft met de schepping en de zin van het bestaan van het Al.

Met dergelijke theorieën hebben wij volgens de nieuwe leer voorlopig niets te maken. Wij hebben te maken met ons eigen bestaan.

Dit persoonlijke leven, dit persoonlijk bestaan kan echter nimmer afhankelijk worden gesteld van algemeen geldende normen of waarden. Dit moet u goed begrijpen. Het leven gaat je aan, zover het jezelf betreft en je kunt daarmee alleen iets doen, zover je zelf er bij betrokken bent en bewust bent. Anders zou u niet begrijpen, wat er bedoeld wordt, wanneer wordt gesteld: “Elke mens heeft het recht zijn eigen weg te kiezen.” Want een werkelijk maken van deze stelling is, zelfs in een democratie, niet meer denkbaar. En toch wordt dit uitdrukkelijk en als punt van geloof, dus basis van alle leven, gesteld. Elke mens heeft het recht zijn eigen weg te kiezen. En onmiddellijk volgt hierop: “Een ieder heeft als mens de plicht de ander bij te staan, wanneer deze dit vraagt of wenst.”

Ook al een geloofspunt, dat echter duidelijker wordt, wanneer ik nog een laatste artikel van dit geloof citeer: “Wij allen zijn één. Waar wij verdeeldheid bevorderen, ontkennen wij de werkelijkheid van ons bestaan en de werkelijke waarden van ons leven. Slechts in de erkenning van het geheel vinden wij onze bestemming in het goddelijke weer.”

U ziet dus, dat het hier niet alleen maar gaat om de artikelen van een nieuw geloof, zelfs al wordt hierbij veel over God gesproken. Het houdt gelijktijdig een geloofsbelijdenis en een sociaal programma in, en is in zekere zin ook een aanklacht tegen de wereld van heden. Zelfs kan men daarin een ontkenning lezen van de mogelijkheid, dat de hedendaagse wereld met haar voorliefde voor bindende regelingen en reglementen gelijk heeft. Velen zullen op dit punt de neiging tonen om uit te roepen: Wij moeten dus wel anarchistisch gaan denken; de provo’s hebben dus gelijk. Maar dat heb ik natuurlijk niet gezegd en zelfs niet bedoeld. Wij moeten niet anarchistisch denken, maar het anarchistische karakter van de voor de mens kenbare schepping is bepalend voor de menselijke mogelijkheden. Het is niet mogelijk een geheel gereguleerde vorm van bestaan te ontwerpen, waarin het natuurlijke proces van de bewustwording voor de mens nog voortgang kan vinden. Slechts daar, waar geen vaste regelmaat bestaat en grotere vrijheid mogelijk blijft, is bewustwording en ontwikkeling naar hoger bewustzijn mogelijk. Iets wat men met vele voorbeelden over bv. de wereld van de dieren en hun gewoonten kan bestrijden, maar bij nader inzien toch niet zal kunnen ontkennen.

Als je iemand eenzijdig voorlicht, krijgt hij een eenzijdig en daardoor verwrongen beeld van de werkelijkheid. En als je iemand maar één taal laat leren en de kennis van alle andere talen verbiedt, zal hij maar een betrekkelijk klein deel van de wereld kunnen verstaan en begrijpen.

Er moet dus een zekere vrijheid bestaan. Deze vrijheid echter berust in deze leer op het erkennen van de anderen. Een punt, waar menigeen wel weer overheen zal willen zien met de opmerking: “Wanneer ik die anderen in de door hen gestelde waarden wil aanvaarden en hun bestaan erkennen, ben ik niet vrij meer.”

Over dit punt is debat mogelijk. Maar wanneer ik de anderen erken, zal ik nimmer handelen, zonder ook met die anderen rekening te houden, ofschoon ik mij nimmer door anderen zal laten belemmeren in het volvoeren van wat volgens mij juist is. Ik zal er alleen zorg voor dragen, dat mijn wijze van verwezenlijking van het volgens mij noodzakelijke zoveel mogelijk in het karakter van het geheel zal passen. Men verzet zich dus in feite nimmer enkel tegen het geheel wat het karakter van de anarchistische strijd en een groot deel van het provodom omschrijft, maar leeft zelf met een minachting voor alle regels van het geheel onder een gelijktijdige erkenning van de – van de mijne verschillende – behoeften, die in het geheel bestaan. Van een zuivere anarchie, waarbij alle gezag à priori wordt verworpen, is dus geen sprake. Misschien meent u, dat de geschetste houding toch door zeer veel provo’s wordt ingenomen. Misschien wel. Ik meen echter, dat zowel hun praktijken als hun theorieën toch vele dingen geheel anders bevatten dan de punten, die wij in deze geloofsbelijdenis aantreffen, aanvaardbaar maken. Deze mensen willen de maatschappij provoceren, vandaar hun naam. Ik kan mij dit wel voorstellen.

Zij willen hun eigen inzichten daarbij aan een ieder duidelijk maken. Dat is hun volste recht.

Eigenlijk is die zelfs een plicht. Zij wensen de algemeen geldende, de publieke, moraal niet te aanvaarden. Ook dit is volgens de gestelde punten aanvaardbaar en begrijpelijk.

Maar nu het volgende: Deze jonge mensen zullen dit recht, zich van het geheel niets aan te trekken, alleen werkelijk bezitten, wanneer zij zich voor het geheel ook nuttig weten te maken.

Wanneer zij dus parasiteren, zullen zij alles, wat in hun denken leefwijze waardevol zou kunnen zijn, voor zich daarmee teniet doen. Wij moeten rekening houden met het geheel en dit wil zeggen, dat wij het recht niet hebben om het geheel in een door ons gewenste richting te forceren of zelfs te terroriseren. Wanneer deze jonge mensen in hun optreden dus niet alleen de als al bepalend geziene waarden van publieke opinie en openbaar gezag ontkennen, maar daarnaast ook de rechten tot een leven en handelen op eigen wijze ontkennen, zijn zij zeker fout en kan de waarde van hun leven en denken volgens de gegeven artikelen van het geloof geen werkelijke betekenis meer hebben voor henzelf.

U ziet, dat hier, zoals op vele punten, de verhoudingen anders komen te liggen, dan nu in de maatschappij aanvaardbaar is, maar wel degelijk sprake is van een moraal. Onder de vragen, die een nieuwe oplossing zullen vinden, zijn er vele, waarbij een toepassen van de nieuwe geloofswaarden strijd zal betekenen. Dat bv. geboortebeperking noodzakelijk is, begint men in de maatschappij langzaamaan wel te beseffen. M.a.w.: dat de heiligheid van de mogelijkheid tot ontstaan van nieuw leven wel kan bestaan, maar alleen, indien deze berust op een bewuste aanvaarding van de verantwoordelijkheid voor dit nieuwe leven. Wanneer dit laatste ontbreekt, heeft het in het persoonlijke leven weinig waarde of betekenis, wanneer een nieuw leven wordt voortgebracht en zullen vele van de daarin liggende mogelijkheden tot bewustwording eerder negatief dan positief resultaat voortbrengen. Wanneer dit maatschappelijk nu nog wenselijk zou zijn, zou men de stellingen omtrent huwelijksmoraal e.d. nog goed kunnen keuren. Maar indien deze “moraal” in feite een belasting blijkt van de maatschappij en indirect bijdraagt tot de ellende van zowel de voortbrengers als anderen, zal men toch wel heel goed moeten overwegen, of men de nu geldende regels nog wel kan en wil aanvaarden.

Eerst wanneer dit laatste het geval is – en eerder niet – zal men verantwoord nieuw leven voort kunnen brengen. Dit houdt dus een algemene aanvaarding van de geboortebeperking in. Maar er is meer aan verbonden. Een groot deel van het verzet tegen bv. de geboortebeperking vindt niet alleen zijn basis in de behoefte van maatschappij en kerken om zieltjes te winnen, maar vloeit voort uit het denkbeeld, dat alle seksualiteit op zich verwerpelijk is en dat daarom een doel aan de onvermijdelijke seksuele drang moet worden gegeven, waardoor de mens zich van het dier kan onderscheiden.

De moderne psychologie en ook de praktijk van het moderne leven slaan natuurlijk reeds een ander pad in. Men is echter nog niet zover, dat men erkennen wil, dat de seksualiteit gelijktijdig middel en doel kan zijn en niet alleen voortplantings- of bevredigingsfuncties omvat, maar wel degelijk ook een sociale waarde bezit buiten alle “gewettigde” verhoudingen om. Het is een middel tot erkenning en contact, dat verder gaat dan persoonlijke erkenning en bevrediging.

Zover wil men nog niet gaan, maar het is wel zeker, dat men in komende tijden zover zal moeten gaan en de geldende taboes op dit terrein zal moeten afschaffen. Eerst wanneer dergelijke taboes geen rol meer spelen, is een reeks van belevingen mogelijk, waarin alleen eigen inzicht en eigen behoeften een rol spelen. Degene, die dit niet kan verwerken, begrijpen en – zij het niet noodzakelijk voor zich, maar zeker voor anderen – kan aanvaarden, zal in de nieuwe tijd niet passen.

Er zijn andere problemen. Wanneer je bv. stelt, dat er door zorg van de gemeenschap altijd een volledige werkgelegenheid moet zijn voor alle leden van de maatschappij, zo zal men zeggen, dat dit een gewone daad van naastenliefde is, daar men er toch voor moet zorgen, dat een ieder in staat zal zijn in zijn onderhoud te voorzien. Maar de nieuwe leer zegt: Dit is niet goed. Iedere mens moet zelf leven. De mens leeft eerst werkelijk en komt eerst tot waarlijk grote bereikingen, wanneer hij, zonder zekerheden in zijn maatschappij in te bouwen die hem beheersen, leert zijn eigen weg te gaan. Wanneer een ander een beroep op je doet, zul je die ander mogen en moeten helpen, dit is volgens het nieuwe geloof je menselijke plicht. Wanneer er in een mens of in het geheel van de mensen rond je een behoefte bestaat, zul je, zover je dit maar mogelijk is, aan die behoeften tegemoet dienen te komen. Maar je bent dus niet verplicht anderen de noodzaak tot strijden, streven en zelfs de mogelijkheid tot lijden te ontnemen.

Als wij de aspecten van deze dagen nu eens bezien, wordt dit misschien wat begrijpelijker. Wij spraken zo net over provo’s, nietwaar? Voor de meeste jongelui wordt in deze dagen werk alleen een onaangenaam, maar noodzakelijk middel tot het verdienen van geld. Werkelijke vreugde in de arbeid zien wij dan ook steeds minder voorkomen. Zij menen verder, dat men zoveel mogelijk vrije tijd zal moeten hebben, die men dan op de een of andere wijze plezierig zal moeten doorbrengen. Zij weten echter niet werkelijk, wat zij met hun vrije tijd moeten doen.

Vandaar de vele relletjes en dwaasheden, waarvan anderen zo vaak het slachtoffer worden. Nu kan men over dit alles wel klagen en beweren, dat wij de jongeren dan beter op moeten voeden, maar dit gaat eenvoudigweg niet, zolang de jongeren leven in een maatschappij, die hun zienswijze bevordert. Wanneer zij al weigeren, goed en geheel volgens de regels van een aangegane verplichting te werken, zo zullen zij hun werkgelegenheid misschien verliezen. Maar zij vinden onmiddellijk elders een baantje, dat even goed of beter betaalt. Zeker zullen deze jongeren vaak ook met de rechter in aanraking kunnen komen maar dat betekent niet, dat zij zich nu verplicht voelen voortaan hun best te doen om maatschappelijk weer aanvaard te worden. In tegendeel, zij zullen meer hulp en voorrechten kunnen verwachten, naarmate zij “moeilijker” zijn en minder rekening houden met de maatschappij. Een wereld met deze instelling kweekt eenvoudig provo’s e.d.. Wat begrijpelijk is, wanneer men inziet, dat een groot deel van de nu sociaal genoemde maatregelen en wetten in feite gebouwd zijn op een bevorderen van zelfzucht.

Er is sprake van een toenemende blindheid voor werkelijke waarden van het leven. Het kan dus nooit een zaak van naastenliefde zijn – of ten hoogste van een misverstaan van alles, wat dit woord inhoudt – wanneer men streeft naar algehele werkgelegenheid, algehele maatschappelijke zekerheid enz.  Men begeert dan in feite, dat het leven van een ieder even geestdodend en waardeloos zal zijn. Wij moeten ook hier weer terug naar het persoonlijke leven en de persoonlijke prestatie. Voor het ego zullen de persoonlijke prestaties echter eerst werkelijke waarde verkrijgen, wanneer men deze in de eerste plaats niet meer ziet als een bezit, of een middel tot het vermeerderen van het bezit, maar beleeft als een beantwoorden aan de beste waarden in het eigen ik en gelijktijdig een beantwoorden aan de gemeenschap met anderen.

U kunt zeggen, dat dit een ideologie is, die niet doorvoerbaar zal blijken te zijn. Op het ogenblik heeft men daarin nog wel gelijk, maar toch zal deze wijze van denken de wereld veroveren. Er zijn trouwens meer heilige huisjes, die beschadigd worden, wanneer men de juistheid van de geciteerde artikelen van het geloof aanvaardt. Waarom zou men in een kerk niet altijd binnen kunnen gaan en aan alle plechtigheden, riten enz. deel kunnen hebben, zonder geweigerd te worden? Waarom een goedkeuring vergen, voordat men in een kerkelijke gemeenschap alle rechten voor zich kan opeisen en aan alle riten deel kan hebben? Zeker niet, omdat je, wanneer je naar de kerk gaat, een braaf mens bent en dus alle contact met de schooiers zonder geloof of de dwazen met een ander geloof dient te vermijden. De praktijk wijst uit, dat de grootste schooiers het meest in de kerk zitten en uiterlijk vaak de grootste vroomheid tonen. Begrijpelijk overigens, want zij hebben een roep van vroomheid meer nodig dan de eerlijke mens, om een voor anderen indrukwekkend imago te bouwen. Een oplichter is meestal vromer dan een eerlijk mens: Hij voelt zich meer schuldig en zal dus geneigd zijn, meer voorzorgen te treffen in verband met het hiernamaals, terwijl hij bovendien nog naar buiten toe een roep van vroomheid en goedheid van node heeft, om zijn misdaden voort te kunnen zetten.

In de vernieuwing zal er dus geen sprake meer kunnen zijn van de zelfrechtvaardiging en zelfverheffing, die vaak gelegen is in het trots vermelden: “Ik ben hervormd, hij is maar katholiek” of een: “ik ben islamiet en hij is maar een boeddhist” enz.. De enige vraag, die nog zal gelden, wanneer er sprake is van een godsdienstige gemeenschap of een godsdienstoefening is: Kan ik daarin leven? Waar of niet waar speelt geen rol. Meer belangrijk is alleen het persoonlijk deelgenootschap in de stellingen en plechtigheden. Dit alleen bepaalt, en dan alleen voor eigen ik, de waarde hiervan. De waarde van een godsdienst kan dan ook niet meer gezien worden als belangrijk, omdat het het oordeel van de gemeenschap over het ik helpt fixeren, maar alleen eigen beleven heeft hierin nog iets te zeggen. Aangezien de gemeenschap zich niet als rechter kan en mag stellen, daar zij niet in staat is de innerlijke waarden van een medemens geheel juist te beoordelen, zou het mogelijk moeten zijn, dat bv. katholieken met de protestanten aan de avondmaalstafel aanzitten, terwijl protestanten en andersgelovigen de communie kunnen ontvangen, wanneer zij daartoe behoefte voelen. Van enige uitsluiting, om welke redenen dan ook, van de godsdienstige riten zal geen sprake meer mogen zijn. Men zal geen toegang tot een plaats van devotie, geen deelname aan welke plechtigheid dan ook nog mogen verbieden. U beseft, naar ik aanneem, wel, dat dit alles dus berust op, en voortkomt uit de artikelen van het nieuwe geloof, waarvan ik er enkelen heb opgesomd.

Deze artikelen van het geloof zullen echter veel meer dienen te bepalen, dan maatschappelijke waarden. Want het geheel van de tot nu toe gegeven voorbeelden berust in wezen op het gangbare menselijke bestel, dus op de maatschappij. Wij zullen die nieuwe leer in de eerste plaats als bepalend voor innerlijk leven en innerlijke werkelijkheid moeten zien. Wanneer ik geloof, dat God alle dingen nuttig heeft gemaakt, zodat er niets zinloos of slecht kan zijn, zal ik volgens mijn innerlijk besef uit alle dingen en mogelijkheden voortdurend kunnen kiezen. Ik ben geheel vrij in mijn keuze. Er is niets of niemand, die nog tegen mij kan zeggen: “Denk er om, dat is een verboden vrucht.” Dit houdt in, dat, ook wat u misdaden pleegt te noemen, op zich niet als slecht of verboden kan worden beschouwd. Zij worden eerst werkelijk verboden, wanneer daardoor een ander schade zou lijden, zodat men geen verband en binding meer met anderen voelen kan, maar een grens tussen zich en anderen stelt. Dan pas kan men van een misdaad spreken in de zin van de nieuwe leer. Al het andere is en blijft aanvaardbaar. Maar om zo te kunnen leven en denken, heeft de mens een houvast nodig. In de wereld is deze niet meer te vinden. Daarom zal men dit alles eerst waar kunnen maken, wanneer de erkenning van God in het eigen wezen een veel grotere rol speelt dan tot op heden algemeen het geval is.

Je kunt wel gaan zeggen: Wij beleven God – wat men in deze dagen toch wel hoort. Maar het blijkt, dat de meeste mensen dit niet of enkel op zeer bepaalde momenten willen doen, misschien wel uit angst, dat die God, wanneer hij innerlijk erkend is, wel eens lastig zou kunnen zijn voor het handhaven van geliefde illusies en gewoonten. De mens, die eerlijk zichzelf is, zal ook eigen wezen eerlijker erkennen, dan op het ogenblik mogelijk is. Het beeld van het ik wordt immers niet meer via het bias van de gemeenschap gevormd, maar is een persoonlijke waarde.

Dit betekent, dat er veel meer gevoel zal zijn voor het werkelijke wezen en zijn ware mogelijkheden. Daar, waar het ware ik met zijn mogelijkheden beseft wordt, komt de goddelijke kracht ook in het geding, daar de mens een deel van het goddelijke is. Hij zal dus in zichzelf de wet zien ontstaan: Een wet, die zeker niet beantwoordt aan zijn begeerten en verlangens alleen. Er zullen heus wel dingen zijn, waarvan men beseft, dat zij niet geoorloofd zijn, al zou men deze toch graag doen.

Wat dit betreft doet de mens, zelfs de bewuste, wel denken aan een te zware dame, die een streng dieet heeft gekregen en weet dat haar bezwaren voortkomen uit een overmatig gebruik van vette spijzen, slagroom e.d.. Zij zegt dan ook steeds weer: Dit alles is slecht voor je. Maar zij kan het toch niet nalaten, om steeds weer een lekker soesje te eten. Zo zijn immers de meeste mensen. Wanneer ik echter weet: Dit past voor mij niet, dan mag ik niet zeggen; nou ja… het zal wel niet zo erg zijn. Wij moeten dan meteen van zondig gaan spreken. Zelfs het begrip zondig krijgt dus een geheel ander karakter, daar hetgeen voor de een toelaatbaar is, voor de ander nu slecht en onaanvaardbaar kan zijn.

Wanneer ik mij vrij waan van hetgeen voor mij schadelijk is, zal de ervaring mij leren, dat er nog steeds voor mij schadelijke waarden in het leven schuilen en ik zal, mits ik bewust streef, ook steeds meer leren mijzelf te vrijwaren voor het voor mij niet aanvaardbare. Ik zal dus een persoonlijk – innerlijke wet kennen. Deze is niet geheel onveranderlijk, zodat er vlagen in kunnen ontstaan, die voor een ander irreëel zijn. Men gaat meer leven volgens opdracht. Zo zal het dan voorkomen, dat iemand opeens zegt: “Ik moet vandaag hier weg.” Men laat dan alles, al zijn bezit ook, achter en gaat naar een ander land, een ander volk, een andere taak. Men weet misschien niet eens, wat men daar wel zal moeten doen, maar men gaat – niet omdat men moet, maar omdat men erkent, dat dit het meest juiste is voor eigen ik. Misschien meent u, dat een dergelijke wijze van leven dwaasheid is. Neen. Op deze wijze wordt de mens functioneel deel van zijn eigen innerlijke waarden en vermijdt de tegenstelling tussen innerlijke en uiterlijke wereld.

Wij hebben al veel gezegd over de innerlijke waarden, die ontstaan, wanneer het ego geheel in harmonie is. Wij noemden u daarbij bv. het ontstaan van bepaalde paranormale vermogens en gaven. U zult toch begrijpen dat, wanneer ik beantwoord aan het werkelijke in mijn wezen, ook alle krachten, die in mij bestaan, tot uiting zullen komen. Zij zullen voor het Ik een normaal deel van eigen leven gaan vormen. De mens van de toekomst zal dus waarschijnlijk een telepaat zijn. De meeste mensen zijn tegenwoordig ook enigszins begaafd op dit terrein, maar weten eenvoudig niet, hoe zij de in hen schuilende mogelijkheden gebruiken moeten, dus waarom niet? De mens van de toekomst zal misschien een expert worden in teleportatie. Waarom ook niet, er zijn immers reeds nu mensen, die dit kunnen. Maar men beheerst het eigen ik in deze tijd eenvoudig nog niet, kan het niet aanvaarden en beleven voor wat het is. Vele mensen zullen waarschijnlijk ook “helderziend” zijn. Waarom niet? Er zijn reeds nu mensen, die, – vooral wanneer zij lichamelijk of geestelijk losgeslagen zijn – blijk geven van helderziendheid in vele vormen. Er is pas weer zo iemand in de publiciteit gekomen, een zekere Croiset, aan wie men zelfs een geheel boek heeft gewijd. Deze man kan doen, wat hij doet, niet omdat hij onder controle staat, maar eenvoudigweg, omdat hij zichzelf is: Hij is losgeslagen van de wereld door zijn belevingen. In de tweede plaats bereikt hij meer dan anderen, omdat hij in de gemeenschap op zijn eigen wijze reageert, terwijl hij ten laatste niet uitgaat van een eigen onfeilbaarheid, maar eenvoudig durft te stellen: dit zijn mijn waarnemingen. Indien de doorsnee mens zo zou reageren, zou deze ook veel dichter bij de waarheid komen. Zodat je wel kunt zeggen, dat deze artikelen van het geloof niet alleen een verandering van leefwijze met zich brengen, maar ook een verandering in het bestaan van de mens zelf betekenen.

Nu vraagt u zich waarschijnlijk af: “Wanneer komt dat alles dan?” En ik moet natuurlijk weer antwoorden: Over zoveel honderden of zelfs duizend jaren. Waarop u de schouders op zou halen onder de uitroep: “Wat hebben wij daar dan aan?”

Gelijk heeft u, vanuit uw standpunt. Maar aan de andere kant bent u betrokken bij deze ontwikkeling. Hieraan kunt u niet ontkomen. Zeker, de nieuwe leer bestaat op het ogenblik onder de mensen nog niet in een algemeen geformuleerde vorm. De wijsheden, die geopenbaard zijn en de krachten, die op aarde werkzaam zijn, zijn in de ogen van de meeste mensen nog een sprookje. Maar zij zijn daarom niet minder werkzaam. Indien u nu reeds weet, wat de achtergronden en de geloofswaarden zijn, waarop de toekomst gebouwd wordt, kunt u mee komen met uw tijd. Iemand, die nu zou denken als bv. Colijn voor de 2de wereldoorlog deed, over de verhoudingen tussen kapitaal en niet-bezitter, over de relatie tussen werkgever en werknemer, zou in uw huidige maatschappij niet meer passen, uitgerangeerd worden. Dit vindt u heel normaal. Welaan dan, u leeft op het ogenblik in een wereld van jonge mensen. Niet meer een werkelijke regering door de ouderen dus, ook al doen uiterlijk de oudjes het nog best en lijkt menige conferentie van staatslieden op een gezellige middag in het oudemannenhuis.

Zelfs de conversatie lijkt vaak iets van het querulant te hebben, dat bij ouden van dagen zo vaak voorkomt. Deze mensen bepalen echter op het ogenblik alleen de uiterlijkheden. Zij formuleren slechts, wat door de jeugd wordt bepaald. Zij vormen alleen de verpakking voor de krachten van deze tijd en, of men het nu aangenaam vindt of niet, deze tijd is de opstandigheid, het elan, de volgens ouderen zo lichtzinnige wijze van denken en handelen van de jeugd.

Wat wij onder jeugd verstaan, brengt op steeds latere leeftijd zijn invloed reeds tot gelding.

Steeds jonger zijn de mensen, die actief aan de maatschappij deel willen hebben en daarin iets gaan zoeken. Deze jonge mensen gehoorzamen de ouderen niet, maar staan zelf vijandig tegenover alles, wat de ouderen hen als vaste waarden, omstandigheden en noodzakelijkheden voorhouden of geven; zij willen zelf leven, zelf doen, zelf bereiken. In steeds toenemende mate worden deze jongeren nu beïnvloed door de krachten, waaruit deze artikelen van het geloof spruiten. Indien u dus weet, wat de waarden zijn, die nu regeren en beseft wat eigenlijk uw geloof en houding zouden moeten zijn, – niet is, maar zou moeten zijn – kunt u de jongeren begrijpen.

Dan kunt u ook het steeds snellere ritme, waarin de wereld aan grote veranderingen onderhevig is, volgen en begrijpen. Dan kan men zich aanpassen. Of, om het kort te zeggen: Dan kunt u uw geestelijke verworvenheden belangrijk maken voor degenen, die nog niet voldoende levenservaring hebben zoals u, zonder hen gelijktijdig van hun eigen pad, de baan, die voor hen onvermijdelijk is, af te willen dwingen.

Het geloof is een innerlijke zekerheid. Wanneer ik er zeker van ben, dat iets wat bestaat of mogelijk is, op zich kwaad zal zijn, kan ik gemakkelijker elke verandering aanvaarden en zal ik gemakkelijker kunnen werken in het kader van veranderingen, die voor de wereld op het ogenblik grote problemen vormen. Denk hier bv. eens aan het vraagstuk van de homofilie. Is deze à priori kwaad? Neen. Zij wordt wel maatschappelijk als een kwaad beschreven, men vindt het vaak walgelijk en weerzinwekkend – wat men voor zich wel degelijk mag voelen en denken – maar waarbij men steeds weer vergeet, dat dit alleen een persoonlijke mening is. Pas wanneer je gaat begrijpen, dat in de homofilie niet de wijze van relatie een rol speelt, maar dat alleen de vraag een rol speelt: “Maak ik iemand ongelukkig wanneer ik hier tegen inga of niet?”, kan men iemand helpen zich aan te passen. Wanneer zo iemand je om hulp zou vragen, kun je die hulp alleen geven, wanneer je op het probleem kunt reageren zonder gelijktijdig te fulmineren tegen de neiging en te stellen dat deze zus en zo is. De gehele situatie, wordt dan anders.

En er zijn meer problemen in deze dagen, die al even moeilijk liggen. Wat bv. te denken over het moderne fascisme? U dacht misschien, dat dit niet meer bestond? Het bestaat in vele landen tegenwoordig niet meer officieel. Maar wij weten allen, dat de neiging tot het uitoefenen van een dictatuur en het handhaven van een gezag door middel van terreur over de gehele wereld toeneemt. Wanneer wij begrijpen, waaruit dit voortkomt en het goede, dat deel kan zijn van deze houding eveneens beseffen – iets wat het nieuwe geloof mogelijk maakt – kan men er ook iets tegen doen. Wanneer men beseft, dat al deze pogingen om door geweld en met terreur macht te handhaven, te verkrijgen, om het voor het zeggen te hebben, een uitdrukking van angst en zwakte zijn en niet van kracht, dan kunnen wij – voor wij nog banger worden dan die anderen en daardoor aan hen onderdanig – er op de juiste wijze iets aan doen, namelijk het opheffen van de onzekerheden en het gevoel van onbelangrijkheid, dat de meeste mensen tot een dergelijke wijze van leven en streven voert.

Het is alles verbonden met het vermogen tot te groeien in, begrip te vinden voor, de uitingen en problemen van deze tijd. Juist in de komende jaren – het is uiteindelijk een proces, dat zich reeds nu afspeelt – zal men in toenemende mate geconfronteerd worden met problemen, waarvoor men aan de hand van de algemeen geldende normen, regels en religieuze opvattingen geen weg zal weten. Er ontstaan in toenemende mate toestanden, waarmee de maatschappij van heden met haar vaste opvattingen, zelfs over dingen als sociale verplichting en naastenliefde, geen raad weet. Maar wanneer je dit moderne geloof hebt, kun je wel raad vinden, je kunt je dan bewust worden van de eigen waarde van alles wat zich voordoet en bovendien zich bewust worden van iets, wat de mensen steeds weer vergeten: Dat het leven, ook het leven van de mensheid als geheel, een voortdurende verandering is. Het is niet noodzakelijk een evolutie in overeenstemming met de gangbare begrippen, aan dit woord verbonden, maar er is sprake van een voortdurende verandering, een proces, waarbij steeds weer nieuwe vormen ontstaan als in een caleidoscoop. Niemand op aarde is in staat de caleidoscoop van de tijdsontwikkeling stil te doen staan. Niemand heeft het vermogen gedurende langere tijd er voor te zorgen, dat het patroon in de caleidoscoop het zelfde blijft. Degene, die tracht dit te doen, gaat daaraan uiteindelijk geestelijk en waarschijnlijk zelfs stoffelijk ten onder. Wie een bepaalde tendens, omdat zij nu toevallig bestaat, wenst voort te zetten tot in het oneindige, wie bang is om te breken met iets, wat hij opgebouwd heeft, en niet kan zeggen: Dit voldoet niet meer, nu is het tijd voor iets nieuws, veroorzaakt daarmee zijn eigen ondergang, geestelijk en misschien ook lichamelijk.

Wanneer u echter begrijpt, dat er geen verplichtingen aan het verleden kunnen bestaan, dat je steeds weer vrij bent, vrij in de goede zin van het woord, dat je een contact kunt hebben met het hogere, waarin alles steeds weer duidelijk wordt en je in het leven steeds weer komt tot het volbrengen van dingen, die je misschien niet leuk vindt en die misschien tegen je werken van gisteren ingaan, maar waarvan je innerlijk weet, dat zij goed zijn, dan ben je opgewassen tegen alle problemen die deze tijd en zelfs de toekomst brengen kan.

Dat betekent, dat er een achtergrond is aan deze artikelen van het geloof. Ik hoop, u dit ten minste duidelijk gemaakt te hebben. Ik heb natuurlijk maar enkele van deze artikelen geciteerd.

Er komen er zelfs meer dan twaalf. Zo staat er bv. in, dat wij geloven aan de harmonie van de zielen, die ook zonder een stoffelijk contact een uitdrukking kan geven van ons werkelijk bestaan in wereld en sferen, indien wij zelf maar in waarheid leven. Zo kan een ander deel van dit geloof geformuleerd worden als volgt: Wij geloven, dat de Almachtige zijn Wezen en Kracht voor ons voortdurend kenbaar maakt, niet slechts in onszelf, maar ook in anderen en zo ons voortdurend de weg toont, die voor ons de meest juiste is. Dat is ook maar een enkel punt. Je kunt die artikelen wel anders formuleren, maar dat maakt zoveel verschil niet. Wanneer wij maar doordrongen raken van het feit, dat wij anders moeten leren denken en geloven. Wij hoeven niet ons eigen wezen en leven geheel te veranderen; wij moeten ons wezen en leven alleen steeds doen beantwoorden aan wat voor ons waar is. Maar daarnaast moeten wij onze relatie met het geheel alleen baseren op de vraag: Heeft men mijn hulp nodig en vraagt men erom – ongevraagd mag je dus geen hulp geven, tenzij natuurlijk het vragen onmogelijk is voor degene, die geholpen moet worden, – dan zal ik helpen zo goed en zoveel ik kan. Vraagt men niet om hulp, dan heeft men niet het recht anderen toch hulp op te dringen. Men heeft geen recht anderen op wettelijke, morele of op andere gronden te veroordelen. Evenmin heeft men recht zich te onderwerpen aan dingen, die, ofschoon zij wet of geldende moraal zijn, niet stroken met wat ik innerlijk en waarlijk als juist voel.

Wanneer u daarvan uitgaat, zult u langzaamaan een beeld krijgen van alles, wat er werkelijk in de wereld gebeurt. Dan zult u beseffen, dat deze vernieuwing en deze nieuwe leer niet alleen maar een kwestie zijn van enkele oude waarheden in een nieuw kleed – al lijkt het er misschien veel op. Het is een zaak van terugkeren als mens tot een waar leven.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • Je mag anderen niet dwingen. Je mag dus ook niet gaan spreken over iets?

Dat kan ik u duidelijk maken. Het staat je volkomen vrij om over iets te spreken, om uw eigen mening zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen. Dit is toegestaan en zelfs goed, zolang u anderen niet, zij het door een dwang van “beleefdheid” of andere meer gewelddadige middelen dwingt u aan te horen. U hebt dus niet het recht te zeggen tegen anderen: Ik weet dat dit goed is, dus moet je het doen. Dit heeft zijn redenen. Wanneer ik tegen een kind zeg: Die kachel is warm, je zult je er aan branden en het kind wil niet luisteren, dan is het beter het zich te laten branden, zodat het dit feit voortaan vanuit zichzelf weet. Dit is beter dan dat men 100 maal verbiedt, het kind ergert zich eraan en u kunt zo uiteindelijk toch niet voorkomen, dat het zich een keer brandt. Misschien vindt men deze opvatting verkeerd en zegt men: Wij hebben als plicht de kinderen voor het onaangename van het leven te beschermen.

Beschermen? Goed, maar dan niet door het hen onmogelijk te maken, de werkelijke feiten van het leven te ervaren. Want men belet anders, dat kinderen in het klein de pijnlijke ervaringen van het leven opdoen, terwijl zij die nog kunnen verwerken en zo volwassen kunnen worden.

Lichamelijke volwassenheid gaat steeds minder gepaard met geestelijke volwassenheid, juist door de wijze, waarop men het kind – met de beste bedoelingen overigens – steeds meer voor de onaangenaamheden van het leven tracht te behoeden, en het kind, als een soort recht, zo maar geeft, wat het zich later alleen door eigen arbeid en vele offers zal kunnen behouden. Het gevolg van deze verkeerde ziens – en handelwijze is, dat er in de wereld steeds meer mensen komen, die een gevoel van onaantastbaarheid bezitten tegenover dingen, die nog veel gevaarlijker zijn dan een brandende kachel en zo menen hun voorzichtigheid en voorzorgsmaatregelen te kunnen beperken tot het uiterste. Dat dit niet juist was, zullen zij eerst weten, wanneer het onherstelbare is geschied. Juist daarom moogt u een ander niet uw mening opdringen of uw wil bindend opleggen. U mag kenbaar maken, wat u juist acht. U mag wijzen op mogelijke gevolgen. Maar u mag niet dwingen.

  • En u dan, hier?

Wij dwingen niemand om te komen. Dat blijkt trouwens wel uit de aantallen. Ook is er niemand, die, met geestelijke argumenten of andere, u dwingt, wanneer u hier bent, alles zonder protest voor zoete koek aan te nemen. Ook waar wij zeker zijn van onze zaak, zal nooit worden gesteld, dat dit nu een evangelische waarheid is. Er zal altijd weer worden gezegd: Luister, denk, vorm u een eigen mening. Ten laatste en zeker niet ten leste: Wat wij weten en als waarheid kennen, leggen wij u altijd weer voor als een waarschijnlijkheid, nooit als een onomstotelijke zekerheid. U moet uw eigen weg gaan. Op het ogenblik, dat ik weet, dat ik als geest een wereldoorlog kan voorkomen – als geest dus – wanneer ik u allen dwing bv. 3 maal daags te exerceren – wat een raar voorbeeld is, maar sommige militairen schijnen er zo over te denken, dus waarom zou ik dit niet als voorbeeld nemen – dan mag ik dit niet doen, wanneer u dit niet wenst. Wanneer u het op een wereldoorlog aan wilt laten komen, mag ik u waarschuwen, helpen, waar u dit wenst, maar voor de rest is het uw zaak. Ik mag u zelfs niet dwingen naar mij te luisteren. Dit is het gehele probleem. Je mag bv. als vakbond zeggen: “Dat is een door ons niet gewenste ontwikkeling”, en daarom een ieder, die het met dit standpunt eens is, verzoeken het werk te staken. Maar men heeft dus niet het recht te zeggen: “Nu staakt een ieder, want anders …..” Ook dit anderen niet mogen dwingen is dus een nuancering, die veel verder in het menselijke leven in kan grijpen, dan u misschien denkt.

  • U heeft gezegd, dat een mens als doel tot een middel wordt?

Dat heb ik niet gezegd. Ik heb dergelijke woorden wel gebruikt t.a.v. seksualiteit.

Ook zou men kunnen zeggen, dat de mens een middel is, maar leven het doel. Maar dit is toch iets geheel anders. Ik wilde hiermee tot uitdrukking doen komen, dat de menselijke vorm en gebruiken op zich onbelangrijk zijn, zoals ook alle formaliteiten en menselijke regels eigenlijk in het Goddelijke onbelangrijk zijn, maar dat het beleven van het geschapene, het proces van leven dus, het enig belangrijke is.

  •  Heeft u dan ook niet gezegd, dat God niet alle dingen heeft gemaakt?

Ik heb juist gezegd, dat God alle dingen heeft gemaakt, zodat degenen, die aannemen, dat er kwaad – iets tegen de goddelijke wil dus ook – in de wereld kan bestaan, ook aannemen, dat God niet capabel is om het goede voort te brengen, om zijn schepping te beheersen, of aannemen dat God het kwade wil. Daarop kwam mijn betoog in wezen neer. God maakt alle dingen mogelijk. Zelfs de dwaasheden, die de mensen doen, heeft God eerst mogelijk gemaakt. En aangezien God het in zijn wijsheid mogelijk maakt, hebben wij als mens of geest niet het recht de waarde ervan voor het geheel op grond van onze beperkte verstandelijke vermogens of onbegrepen gevoelens te verwerpen. Wij hebben alleen het recht zelf te leven, zoals wij innerlijk weten of menen te weten, dat het goed en juist is. Daarom ging het dus.

  • Wie poneert eigenlijk deze artikelen van het geloof?

Geloofsartikelen worden niet direct geponeerd, maar wel aanvaard als gevolg van een erkenning en wel door een gemeenschap, die dit doet als gevolg van leringen, die zij ontvangen heeft. De bron van deze artikelen van het geloof vinden wij dan ook in de leringen van de laatste wereldleraar en de wereldmeester. Hun lessen zijn de bron van alles, wat ik u als toekomstige geloofsartikelen heb voorgelegd.

  • Hoe worden deze verbreid? U brengt ze nu bij ons, maar hoe komen zij bij de rest van de mensheid terecht?

Dat is doodeenvoudig. Het verbaast mij, dat u dit niet ziet. Deze dingen zijn de weergave van een Kracht. Deze Kracht maakt zichzelf op aarde voelbaar. Een geloof, dat aan de feitelijke veranderingen een inhoud geeft, is onvermijdelijk. Een filosofie, die bij deze nieuwe geloofswaarden past, eveneens. Beiden ontstaan dus in wezen uit een werking van oorzaak en gevolg. Aangezien de leringen van de laatste wereldleraar – iemand die zich zelfs, voor deze tijd zeer passend in technische termen wist uit te drukken, waar dit te pas kwam -, en de nieuwe wereldmeester in hun uitspraken de kern van deze geloofspunten geven en zo op aarde een bewustere formulering mogelijk maken van de processen, die de gehele wereld ondergaat, is het niet te vermijden dat deze stellingen geformuleerd worden en als artikelen van het geloof door een waarschijnlijk nog niet zo grote groep, binnen 15 tot 25 jaren geformuleerd worden.

Wanneer een gemeenschap eenmaal tot een formuleren van haar geloofspunten is gekomen, is het zeker, dat zij dezen ook zal verkondigen. Dit komt overigens veel voor. Maar een dergelijke verkondiging kan alleen succes hebben, wanneer zij past bij een bestaande behoefte en een bestaande innerlijke waarde van de mens aanspreekt. Zonder dit heeft het geen zin een geloof te prediken.

Mozes bv. heeft misschien de 10 geboden gegeven, maar het bestaande verzet en de behoeften van de joodse natie hebben de interpretatie en de aanvaarding ervan afgedwongen. Het is in deze dagen nog steeds de joodse interpretatie en daarmee het beeld van de toen in de joden bestaande behoeften, die op het ogenblik de waarde en betekenis van deze geboden bepalen, zelfs in het christendom. Zoals ook kerkelijke geloofspunten en gebodsbepalingen niet zo geformuleerd zijn of gegeven zijn door Jezus. Het grootste deel komt zelfs niet van de apostelen. Alleen Paulus – die geen persoonlijk discipel van Jezus was – had er een handje van weg. De kerkelijke regels en wetten zijn echter door de patriarchen – de “oudsten van christelijke groepen” – geformuleerd en zelfs tot stand gebracht in de periode van 200 tot 300 jaren na de dood van Jezus.

Het proces van formulering van de artikelen moet u zich op een soortgelijke wijze voorstellen, ook al zal de daarbij nodige tijd waarschijnlijk veel korter zijn dan 200 tot 300 jaren. Belangrijk is dat hetgeen, wat in de nieuwe leer dus nog komen moet als formule en geloofspunt, in feite reeds de situatie en verhoudingen bepaalt in het heden.

  • Komt de formulering tot ons uit de geestenwereld, of ontstaat zij automatisch?

Het komt niet tot u uit de geestenwereld. De wereld van de geest zal dit alles vroeger beleven en beseffen dan u, zal ook uiting geven aan deze waarden, terwijl deze op aarde nog niet of nauwelijks beseft worden, maar het geheel is toch iets, wat uit het Goddelijke stamt en deel is van de schepping. Daar het een deel vormt van deze tijd, kan men dus wel zeggen dat het zich automatisch schijnt te ontwikkelen.

Daar het geheel van de goddelijke waarden echter ook weer ergens voor de mens een verpersoonlijking vergt, krijgen wij te maken met de “wereldmeester”. Deze geeft de geest en werkingen van deze periode zozeer weer dat hij de aanleiding wordt tot een scherpere formulering van vage en nog niet besefte waarheden, waarmee de mensheid op het ogenblik eigenlijk nog geen raad weet.

Ik zal mijn onderwerp nu besluiten. Wat ik u heb voorgelegd is iets, om eens over te denken, het is iets, wat je eens in jezelf moet nagaan. U zult ontdekken, dat u innerlijk waarschijnlijk reeds meer van dit geloof en deze openbaring bezit, dan u ooit besefte of formuleerde. Daarnaast zult u beseffen, dat u vele bestaande geloofsformules reeds voor uzelf – en meestal tegen de uitspraken van de “deskundigen” in – zo hebt begrepen, dat zij enige gelijkenis met het gestelde in mijn onderwerp vertonen. Daarnaast zult u constateren, dat uw opvattingen voor een groot deel bepaald worden door uw vorming en het stelsel, waarin u leeft.

U hangt dus een bepaald stelsel aan en dit zal ook de wijze, waarop u het erkende formuleert bepalen. U zult ontdekken, dat u vooral bang bent om anderen hun vrijheid te geven. Maar bij alle argumenten voor een beheersen van anderen moogt u dan niet vergeten, dat het de steeds sterker wordende binding is, de steeds geringere eigen geestelijke en zelfs stoffelijk scheppende zelfwerkzaamheid van een groot deel van de mensheid, waaruit de vele toch rampzalig schijnende gevolgen van deze tijd stammen. Wij kunnen de kosmische invloeden misschien noemen als hiervoor oorzakelijk. T.a.v. de tijd, waarop de dingen in verschijning treden, is dit ook wel juist, maar de krachten, die zich als gevolg hiervan ontwikkelen en de toestanden, die daardoor ontstaan zullen toch voor het grootste deel in de mensen zelf liggen. De waarde van alles, wat tot uiting komt binnen de mensheid, zij het positief of negatief vanuit ons standpunt, is in de mens zelf aanwezig. Daar de meesten van jullie wel beseffen, dat het op aarde niet lang meer verder kan gaan als het nu gaat, zou ik u de raad willen geven u eens af te vragen, in hoeverre u het gestelde voor uzelf als juist kunt erkennen.

Indien u werkelijk gelooft in de door mij geciteerde artikelen als aanvaardbaar en juist, zou u zich dan misschien meteen eens af kunnen vragen, in hoeverre u nu reeds kunt beginnen met alleen maar uzelf eens vrij te maken van alle vastgeroeste vooroordelen, gemeenplaatsen, sociale gebruiken, die in feite niet meer passen in deze dagen. Dan moogt u nog altijd leven, zoals u wilt en weet, dat het voor u goed is, maar u zult in ieder geval anderen meer de mogelijkheid geven op hun eigen wijze iets te zijn, iets te presteren en iets te bereiken. Juist daaraan mankeert het – ook onder u – nogal eens aan.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Mystiek en esoterie

Ik zou dit deze maal eens willen proberen iets te zeggen omtrent mystiek en esoterie.

Wanneer je met esoterie en mystiek geconfronteerd wordt, ontmoet je een grote hoeveelheid vaagheden. Het schijnt, dat er geen enkele mogelijkheid is om in exacte regels en bepalingen vast te leggen, wat er eigenlijk te zeggen valt omtrent de innerlijke processen van de mens, en wat te zeggen zou moeten zijn. Velen zullen dit moeilijk vinden en zeggen: Wij willen wel aan mystiek en esoterie doen, maar dan willen wij toch ook wel graag weten, waar wij aan toe zijn.

Ik wil trachten u duidelijk te maken, waarom een grote waarheid niet te vangen is in de eenvoudige en z.g. concrete formuleringen van de menselijke rede.

Wanneer wij iets willen zeggen, dat alleen de menselijke wereld aangaat, komen wij tot omschrijvingen en bepalingen, die binnen ons vermogen tot begrijpen en uitdrukken vallen. Op het moment echter, dat wij ons bezig houden met mystiek, is er in ons een waarde, die ver boven de menselijke logica en mogelijkheid tot omschrijving uitgaat.

Wanneer ik een mystiek verhaal wil vertellen, zo kan ik een sfeer oproepen. Degene, die de sfeer aanvoelt, zal met mij een reeks gedachten delen, die veel verder gaan, dan woorden ooit kunnen gaan. Wanneer ik esoterische bereikingen in mijzelf wil uitdrukken en anderen duidelijk maken, zal ik in mijn formuleringen terug moeten grijpen op zuiver menselijke beelden, waarbij een groot deel van de innerlijke waarheid teloor zal gaan, of mij moeten kunnen afstellen op de innerlijke wereld van een ander en in deze mijn gedachten projecteren. Op het ogenblik, dat ik in staat ben mijn innerlijk beleven en mijn zelferkenning in een ander te projecteren, zal deze niet alleen beseffen, wat voor mij de erkenning is, maar hij zal ook kunnen aanvoelen, wat deze erkenningen voor mij betekenen en zo hun werkelijke en persoonlijke waarde dus erkennen.

Maar deze wijze van projecteren is moeilijk, velen kennen haar niet, of zijn voor een dergelijke projectie niet vatbaar, zodat deze methode vanuit een menselijk standpunt niet erg praktisch is.

Daarom moet je proberen, de werkelijkheid terug te brengen tot zeer eenvoudige formules, die een ander aanspreken, zelfs indien zij niet de werkelijkheid geheel weergeven. Ik herinner mij, dat ik lang geleden in een groep van deze vereniging de vraag moest beantwoorden: “Hoe ben je overgegaan?” Ik deed dit op een zeer eenvoudige wijze, al was de overgang op zich een eigenaardige beleving. Ik zei: “Ik zat in een vliegmachine en gooide bommen uit. De bommen zeiden plof. Er kwam afweergeschut, dat ook plof zei, waarop het vliegtuig plof zei, ik plof zei, and well, there I was…” Dit is een simplificatie. Maar hoe kan ik u beschrijven, wat het is om neer te zien op een stad vol zoeklichten, terwijl de lichtende sporen van de munitie en explosiewolken een net maken, waar je doorheen moet duiken. Wat kan ik u duidelijk maken over de angst, die je dan voelt, over de pogingen, die je juist dan doet, om flink te lijken? Wat moet ik vertellen over dat fatale ogenblik dat je voelt: Daar gaan wij? Je kunt dat ogenblik niet beschrijven, dat kun je alleen beleven. Het is onzegbaar. Dan zeg je maar: “and poef, there I was….” Alsof het alles zo maar in een keer ging. Natuurlijk, menselijk gezien was het plotseling.

Maar de verandering, die ik heb ondergaan, heeft voor mij een grote reeks van afzonderlijke belevingen en erkenningen omvat. Alleen, dat kun je niet vertellen op een manier, dat de toehoorder begrijpt, wat er werkelijk aan de hand was.

Juist omdat ik dit alles niet vertellen kan volsta ik dan maar met die korte en voor u ongetwijfeld wat komische formulering. Wanneer men spreekt over mystiek, wanneer men zich bezig houdt met esoterie, dan denkt men altijd: Meer kan ik er niet van zeggen. Wanneer je het aan anderen zegt, denken deze: Dat is dus het gehele verhaal, dat is alles. Maar het is niet alles. Want in wezen gebruik je dezelfde manier van formuleren, die ik in mijn verhaal over mijn overgang gebruikte. Je geeft een paar punten weer, in de volgorde, waarin zij voor jou optraden. Maar je kunt niet vertellen, wat daarachter lag. Wanneer ik een mystieke unie ken met een hogere kracht, dan kan ik zeggen: “Het was of mijn ledematen tintelden, of mijn geest opeens een lichtende vlam was, die reikte tot aan de hemel.” Maar dat is ook maar een sprookje, een verhaaltje, als Jack the Giantkiller – zeg maar liever Roodkapje, dat kent u beter.

Het is een verhaal, maar je kunt niet de werkelijkheid weergeven of omschrijven. Wanneer ik in mijzelf keer en in mijzelf uit de veelheid van emoties en denkwijzen, kennis en alles, wat ik nog niet ken, een beeld zie ontstaan, dan kan ik beseffen, dat ikzelf dit ben, maar ik kan geen juiste beschrijving van dit alles geven. Ik kan om de waarheid alleen maar om heen draaien als een kat om de hete brei. U moet dan ook beseffen, dat alle omschrijvingen in de esoterie, alle pogingen om u een mystiek denken duidelijk te maken, alleen maar een verhaaltje is, waarachter een werkelijkheid is gelegen, maar je moet die werkelijkheid persoonlijk ondergaan, anders heeft alle lering op dit terrein geheel geen betekenis.

Met alle beschrijvingen en theorieën alleen bereik je niets. Misschien kun je het het beste zo zeggen: Elke poging tot omschrijving van innerlijke processen, of dit nu gaat in termen van de alchemie, of in een filosofische opbouw van gedachten, dan wel in de eenvoudigste termen, is alleen voor het ik bruikbaar om te omschrijven, wat men heeft meegemaakt; voor het ik is het een juiste en vaak zelfs alomvattende beschrijving, voor alle anderen blijft het echter een gelijkenis.

Nu zoekt u de waarheid, maar wat is die waarheid? Dit is een heel oude vraag: Wat is de waarheid? Wat is de werkelijkheid? Je weet het niet. Misschien denk je, dat de wereld reëel is.

Voor u geldt dit op het ogenblik. Maar zo dadelijk gaat u dood en de gehele wereld die u kende, valt weg. Toch besta je zelf voort en ziet een andere wereld rond jou. Wat is nu werkelijkheid? Is een wereld, die voor jou met een slag kan verdwijnen, nu een voor jou geldende werkelijkheid of niet? Ik geloof, dat veel van die wereld inderdaad onwerkelijk is. Maar je voelt het als een werkelijkheid….

Zo is het nu ook met je innerlijke wereld: Je hebt denkbeelden, die samenvallen met gevoelens.

Gezamenlijk vormen zij de omschrijving van een wereld, een beleving, die wel steeds weer kan veranderen en als met een slag weg kan vallen om opnieuw te ontstaan als een geheel andere wereld. Voor u is de waarheid, dat, wat u erkent en beleeft tezamen. De beleving is echter niet voor anderen kenbaar weer te geven. Daarom zal elke poging om een innerlijke wereld of werkelijkheid weer te geven ofwel onjuist, dan wel vaag zijn. Indien ik al zou trachten u iets van mijn innerlijke wereld, van de voor mij bestaande mystieke belevingen en mijn zelferkenning te spreken, zou het toch maar een vaagheid, een te fragmentarische en daardoor onjuiste beschrijving blijven.

Onthoudt u daarom maar: Alle esoterische theorie, alle beschrijving van mystieke waarden is niets meer dan een verhaaltje, dat je wordt voorgelegd in de hoop, dat je in jezelf iets van de werkelijkheid zult leren begrijpen. Daarnaast, het is niet, wat ik in mijn leven doe, maar de wijze, waarop ik mijn bestaan beleef, wat voor mij belangrijk is. Wat ik beleef, is voor mij een – zij het tijdelijke – werkelijkheid. Wat ik doe, is voor mij vaak onbetekenend, of een verkeerde uitdrukking voor hetgeen ik in mijzelf als werkelijkheid ken.

De wereld van het gevoel, de wereld, waarop je leven en wereld benadert, is voor het ik dan ook belangrijker, dan de daden die men stelt – objectief bezien dan. De innerlijke waarde ligt in de wereld dan wel in de wijze van ervaren, niet in de resultaten, die men in de wereld behaalt.

Wanneer u iets in uzelf beleeft, kunt u stellen, dat het voor het ik waar is. Maar hoe kunnen anderen dit ooit als waarheid ervaren? Het is eenvoudig onmogelijk, om uit te drukken, wat je werkelijkheid is, zoals je als mens niet eens alles, wat je droomt en beleeft voor een ander duidelijk weer kunt geven.

Een ander kan nimmer beseffen, wat voor u van waarde is en wat niet. Onthoud daarom, dat alle persoonlijke belevingen geen werkelijkheid hoeven te zijn vanuit een objectief standpunt, maar dat alles, wat je daarin beleeft, voor jou een blijvend deel van je eigen werkelijkheid is.

Ten laatste: Wanneer je spreekt over je innerlijk leven, zul je de details daarvan weg moeten laten, indien je wilt trachten aan het onbeschrijfelijke toch nog een beschrijfbare vorm te geven.

Het levende element van de innerlijke beleving is niet weer te geven, beperk daarom zoveel mogelijk een mededelen van de innerlijke belevingen aan anderen. Dit zal het onderling begrip en de juiste erkenning van de: Innerlijke waarden ten goede komen.

image_pdf