Aspecten in de persoonlijke ontwikkeling van de mens

image_pdf

16 maart 1962

Ik vraag uw aandacht voor een beschouwing over bepaalde aspecten in de persoonlijke ontwikkeling van de mens. Het is natuurlijk altijd zeer interessant en boeiend de innerlijke mens te verkennen. Daarbij laten wij al te vaak buiten beschouwing, dat al hetgeen in de mens werkelijk bestaat, ook buiten die mens kenbaar moet zijn. Wij kunnen niet stellen, dat een mens innerlijk gelijktijdig de grootste geestelijke bereikingen bezit en toch gelijktijdig naar buiten toe – ongeacht zijn eigen willen – klein, zwak en onmachtig kan zijn. Daarom wil ik enkele woorden wijden aan het verband, dat bestaat tussen innerlijke bereikingen en het verwerven van ook naar buiten kenbare mogelijkheden en eigenschappen. Allereerst moeten wij dan opmerken, dat het menselijke lichaam zelf meerdere centra bezit, vanwaar uit de binding tussen het lichaam en eigen geest, evenals andere geestelijke krachten, tot stand wordt gebracht.

Waar deze centra gelijktijdig naar buiten toe werkzaam kunnen zijn en van buitenaf ook krachten op kunnen nemen, legt men wel vaak de nadruk op deze centra als belangrijk voor eigen wezen, maar verwaarloost men de relatie, die tussen eigen geestelijke rijping, eigen bereikingen in eigen wereld en de ontwikkeling van deze centra nu eenmaal bestaat. De bedoelde centra zijn u waarschijnlijk beter bekend onder de naam chakra’s. Wanneer de mens normaal ontwikkeld is, zal tijdens zijn leven een centrum, dat in de buurt van de zonnevlecht zetelt, open kunnen bloeien. Dit chakra is in staat bepaalde fijnere trillingen van buiten af op te vangen, terwijl het aan de andere kant in staat is bepaalde trillingen van de mens zelf, volgens diens wil en bewustzijn, uit te doen gaan. Hij is, bij een ontwikkelde zonnevlechtchakra, te beschouwen als een zeer normaal mens, ongeacht de mogelijkheden, die hij vindt in het hanteren van dit chakra. De eigenschappen, die mede via dit centrum ontwikkeld worden, zijn: Het menselijke denken en gevoeligheid voor gedachtestromen van anderen, sensitiviteit. Dit wordt door vele mensen niet bewust ervaren, maar omgezet in een gevoelsbeleving.

Indien de mens in zichzelf keert en tot een voortzetten van zijn innerlijke ontwikkeling komt, zullen achtereenvolgens nieuwe chakra’s openbloeien. Elk daarvan brengt niet alleen een intensere eenheid tussen de stof en de geest tot stand, maar breidt de mogelijkheden van de geest uit, terwijl de mogelijkheden tot waarnemen en het uitzenden van krachten eveneens in overeenstemming met de waarde van het chakra en de mate, waarin het ontwikkeld is, zullen toenemen. Zo stelt men, dat voor het gericht uitzenden van menselijke gedachten met kenbare werkingen, evenals het gericht uitstralen van menselijke fluïde, het keelkopchakra zeer voornaam is en zeer belangrijke resultaten ook in de stof mogelijk maakt. Wanneer wij verder zoeken naar een geestelijke beïnvloeding van mensen of geestelijke krachten, blijkt de grootste werkzaamheid te liggen in het voorhoofdchakra. Vandaar dat de goede en krachtigste vormen van hypnose alleen bereikbaar zijn voor mensen, bij wie dit chakra vol actief is. Dan is ook de beïnvloeding van zelfs grote menigten zonder meer mogelijk.

In het oosten weet men dit alles en heeft men getracht de trappen van innerlijke bewustwording te relateren met bepaalde geestelijke en stoffelijke eigenschappen. Het is niet aan mij kritiek op deze oude leermeesters uit te oefenen. Ofschoon ik hun lering als leidraad gebruik voor het volgende, voel ik mij verplicht bepaalde uiteenzettingen aanmerkelijk te bekorten en zelfs zo hier en daar iets te wijzigen aan de hand van ervaringen, die wij in de geest hiermee hebben opgedaan.

Wanneer een mens begrip heeft voor menselijke waarden, redelijk kan denken en zich t.o.v. zijn medemensen redelijk humaan weet te gedragen, zal hij over het algemeen binnen het menselijke leven door enige oefening de volgende eigenschappen actief kunnen maken: uitgaande van de chakra’s bij de zonnevlecht en in de hartstreek. Het geheel of ten dele opvangen van de gedachten van de medemensen. Telepathie dus. Deze begaafdheid kan reeds aanwezig zijn, wanneer alleen het zonnevlechtchakra geheel ontwikkeld is. Daarnaast kunnen bepaalde grovere uitstralingen van voorwerpen worden opgevangen. De grovere “psychometrie”.

De mens, die niet stil blijft staan bij een eenvoudig humaan zijn, maar reeds begrip krijgt voor kosmische samenhangen, komt al tot een veel hogere inwerking. Hij zal niet alleen in zich het verband tussen eigen bestaan en de werkingen in de kosmos beseffen, hij zal daarin tevens het eigen bestaan als een taak, als een nauw omschreven reeks van noodzaken, mogelijkheden en werkzaamheden beseffen. Zodra een besef van eigen levenstaak ontstaat, zullen geest, zowel als het lichaam, trachten de middelen tot verwerkelijking van die taak te scheppen, dan wel te doen ontwaken. Daardoor verkrijgt zo iemand het vermogen de werkingen in de wereld buiten zich te beïnvloeden, zodra hun werken in tegenstelling is tot de heersende wetten van de harmonie. Daar, waar een harmonie bestaat, zal het ik weinig of niets kunnen doen. Waar echter een disharmonie buiten het eigen ik dreigt, of aanwezig blijkt, zal deze vanuit het eigen ik doelmatig kunnen worden afgeweerd en zelfs bestreden. Deze werkingen wordt door magiërs wel het z.g. witte of verblindende schild genoemd, dat gehanteerd wordt door hen om alle kwade krachten af te weren.

De mens, die zich nog verder ontwikkelt, leert langzaamaan de band tussen het Goddelijke en het ego op de juiste wijze te beleven en te erkennen. Dit wordt ervaren als een onmiddellijke kracht in het ik, gepaard gaande met ogenblikken van onmetelijke vreugde, waarin men zichzelf voor een ogenblik lijkt te verliezen. Wanneer dit ogenblik in de bewustwording is aangebroken, zal de mens behoefte hebben aan mogelijkheden tot begrip, die vaak de eigen redelijke vermogens te boven gaan. Degene die dit punt bereikt heeft, ontdekt, dat hem zowel vanuit het keelkopchakra, als het voorhoofdschakra krachten toevloeien, waardoor hij in staat is kennis te ontlenen aan al, wat hem omgeeft. Hij kan – indien noodzakelijk – kennis trekken uit het gemeenschappelijk of bovenbewustzijn, dat het denken van de mensheid omvat, uit verschillende geestelijke sferen en uit harmonische persoonlijkheden in de hogere lichtende sferen. Hij is dan ook in staat zijn innerlijk bereiken en zijn wijsheid op aanvaardbare wijze aan anderen over te dragen.

Krachten tot genezing, afweer e.d., zijn in overeenstemming met het eigen peil beschikbaar en maken vaak wonderlijke belevingen mogelijk. Wordt de mens zich bewust van zijn innerlijke banden met God, daarbij eigen taak binnen de Schepping beseffende en daarnaast een innerlijke aansprakelijkheid ook voor zijn wereld en medeschepselen aanvaardende, zo is wederom een hogere trap bereikt. De mens ziet zichzelf dan niet meer als een eenling, die tussen de mensen leeft, maar beseft eigen wezen en bestaan eerder als een ego, dat tot middelpunt wordt voor vele invloeden en werkingen, die vanuit Schepping en mensheid in dit ik te samenvloeien. Voor het geheel van de in het Ik besefte en aanvaarde waarden aanvaardt men dan zelf verantwoordelijkheid. Nu staan veel grotere krachten ter beschikking. De voorhoofdchakra is geheel geopend, terwijl het kruinchakra eveneens werkzaam wordt.

Vele krachten uit het Al vloeien nu de mens toe; ofschoon hij voor zich nog steeds aan zijn taak – zijn levensweg – gebonden is, zal hij voor anderen zeer veel kunnen bereiken. Hij kent de toekomstige ontwikkelingen, heeft blijvend contact met geestelijke werelden en is in staat voor zich alle invloeden, die niet op harmonische wijze passen bij zijn taak en pad voor zich, zowel als voor allen, voor wie hij aansprakelijkheid heeft aanvaard, af te weren. Hier tonen zich verder zeer grote mogelijkheden voor het projecteren van gedachtekracht, terwijl zelfs de mogelijkheid het ik – indien noodzakelijk – op andere plaatsen te projecteren, steeds vaker zal bestaan.

Volgens de oosterse meesters ontstaat de hoogste ontwikkeling voor de mens op het ogenblik, dat hij leert zijn innerlijke werelden geheel met eigen stoffelijke wereld te associëren, zonder tussen deze werelden een onderscheid te maken, of zich in een van deze werelden te verliezen. De mens, die dit peil bereikt, zal zelfs de hoogste werelden kunnen beleven, zonder ook maar een enkel ogenblik de waarden, noodzaken en mogelijkheden, of verplichtingen van zijn eigen laagste wereld – voor u de stofwereld – terzijde te stellen. Op het ogenblik, dat dit bereikt wordt, zal de kruinchakra zich ten volle ontplooien. Hierdoor wordt de mens bewuster en volgens eigen keuze een werkzame drager van alle krachten, die schuilen in de door hem bewust beleefde sferen, terwijl hij verder zal kunnen beschikken over de volle ontwikkeling van alle gaven, mogelijkheden en krachten, die in zijn eigen – laagste – wereld bestaan.

Dan is de mens in staat om zelfs voor niet met het ik verbonden wezens, alle niet harmonische krachten af te weren, zover dit noodzakelijk blijkt, kan wijsheid, lering en zelfs de hoogste inwijdingen voor anderen toegankelijk maken, terwijl hij beschikt over alle bronnen van levenskracht. Dan zal hij niet alleen anderen kunnen genezen, maar hen desnoods uit de dood op kunnen wekken. Verder bezit degene, die dit alles verwerkelijkt, een zeer grote invloed op alle z.g. natuurlijke krachten en de natuurwetten van zijn aarde, zoverre deze niet direct deel zijn van een kosmische wet en binnen deze wet niet in werking en vorm gewijzigd kunnen worden. Door zijn innerlijke kracht kan deze mens zelfs het verloop van de natuurlijke ontwikkelingen op aarde tijdelijk ophouden of veranderen. In deze toestand zal men alles, wat door de mensen als wonder wordt beschouwd, zonder moeite en geheel natuurlijk kunnen verrichten. “Hij spreekt tot de elementen en zij horen op zijn woorden”.

Het ego van een mens, die dit alles op aarde bereikt, zal in feite in een veel hogere wereld leven dan de wereld, waarin het laagste voertuig tot uiting komt. Deze zeer oppervlakkige reeks van gegevens zou ik, mijn vrienden, willen zien als een inleiding tot de werkelijke leer van de innerlijke ontwikkeling. Daarbij hebben wij niet alleen te maken met de esoterische weg van de innerlijke bewustwording – hoe belangrijk deze op zich ook moge zijn – maar tevens en vooral zelfs met de uiting van alle binnen het ik aanwezige en ontwikkelde krachten.

De grondstelling van deze weg van de algehele ontwikkeling van eigen wezen mag als volgt worden omschreven: Naarmate ik meer deel ben van het Al, zal een groter deel van het Al bewust in mij en door mij uitbaar zijn. Naarmate ik bewuster wordt, zal een groter deel van de kosmische harmonie uit mij en door mij voor anderen kenbaar worden.

Dit betekent, dat ik binnen de beperkingen van mijn eigen wereld reeds de invloed van deze in mij levende krachten op anderen merkbaar waar zal kunnen nemen. Rond zich ziet men gevolgen ontstaan, die, gebonden aan eigen wezen en handelen, niet meer verklaard kunnen worden door eigen werken en eigen krachten alleen, noch zelfs uit het totaal van eigen persoonlijke krachten. Deze stelling is m.i. buitengewoon belangrijk. Wanneer ik in mij een bepaald bewustzijn bereik, is dit op zich fraai en begerenswaardig. Op het ogenblik, dat het innerlijk bereikte niet meer is om te zetten in werkelijkheid – dus een in eigen wereld merkbaar tot uiting komende kracht – zal men aan de waarde van het bereikte nog altijd kunnen twijfelen. Zolang een innerlijke ontwikkeling niet gepaard gaat met uiterlijke verschijnselen en bereikingen, zullen wij ons af mogen vragen, of de innerlijke bereiking wel een werkelijke bereiking is, zodat een oorspronkelijk juist erkennen van eigen innerlijke werkelijkheid is tot een fantastisch spel met abstracte waarden en begrippen, die voor het menselijk denken eigenlijk niet eens meer hanteerbaar zijn en geen enkele uitwerking of uitingsmogelijkheid in de werkelijkheid laten. De hanteerbaarheid van de innerlijk bereikte waarden en de daaruit voortvloeiende beheersbare ontwikkeling van eigen gaven en vermogens, plus de mogelijkheid al, wat in het ik ligt, ook werkelijk door dit ik tot uiting te brengen, is wel een allereerste vereiste voor alle werkelijke innerlijke bewustwording.

Dit vastgesteld hebbende, beschouw ik nu het punt: kosmische eenheid. Elk streven, waarin ik mijzelf tracht te erkennen naar waarheid – zonder mijzelf daarbij van het Al en het voor mij werkelijk zijnde geheel af te zonderen – houdt een juister en beter erkennen van mijn eigen wereld, mijn eigen wezen en alle werkelijke waarden in. Naarmate ik mij meer bewust word, zal ik de uiterlijkheden van mijn eigen wereld meer doorzien en op hun werkelijke waarde schatten. Ik zal achter de waan, die mijn wereld beheerst, de werkelijkheid daarvan steeds sterker erkennen. Dit laatste houdt ook in, dat men de mogelijkheden en waarden van bv. medemensen beter beseft.

De bewuste weet wel degelijk, dat het door hem verworven innerlijk besef niet zonder meer voor of door anderen gehanteerd kan worden. Want de innerlijke waarden zijn voor de doorsneemens – met een wat lager bewustzijn – immers nog niet aanvaardbaar geworden. Wij krijgen dan ook veel te maken met een bewuste of ingewijde, die, vanuit zich de waarheid erkennende, reageert op de waarheid aan de hand van de uiterlijke schijn, zo slechts de mogelijkheden verwerkelijkende, die de uiterlijke schijn toelaat. Hierdoor zal hij anderen kunnen breken en langzaam aan kunnen brengen tot een aanvaarding van de werkelijkheid, die achter alle wereldwaan verborgen ligt. Denk niet, dat dit laatste punt van weinig belang is.

Zelfs voor u geldt reeds, dat u, wanneer u vanuit eigen denken en bewustzijn op uw wereld invloed uit wilt oefenen, dit alleen kunt doen aan de hand van de waarden en waarderingen, die reeds in die wereld bestaan. Uw eigen wezen is inderdaad een uitzondering, waar dit gehanteerd kan worden volgens eigen innerlijk besef en aanvoelen, zoverre dit niet voert tot een disharmonie met uw wereld.

De regel, die de meer bewuste over het algemeen voor zich aanvaardt, luidt dan ook: Boven alle dingen geldt mij de harmonie met alle dingen als belangrijk. Slechts daar, waar ik werkelijk harmonisch ben met al het door mij als bestaand erkende, zal ik een innerlijke harmonie met mijn God en de grote krachten, die deze God voor mij tot uiting brengen, kunnen bereiken. Dit werken met en zoeken naar harmonie houdt in, dat je zo bewust mogelijk streeft, maar daarbij steeds door een samenwerken met en gezamenlijk zo bewust mogelijk leven in de beperkte mogelijkheden van het menselijke bestaan, om zo een steeds intenser band met het Goddelijke te kunnen bereiken.

De kosmische wetten zijn eveneens voor ieder, die esoterisch streeft, van het allerhoogste belang. Een van de meest geciteerde wetten, die van oorzaak en gevolg, wordt al te vaak misbruikt. Men wil vanuit het gevolg de oorzaak afleiden. Dit is slechts zelden in waarheid mogelijk. De bewuste zal daarom stellen: Voor mij is, zowel innerlijk als naar buiten toe, het enig belangrijke – volgens eigen beste weten – de juiste oorzaken te scheppen. De gevolgen daarvan zullen mij alleen dan kunnen interesseren, wanneer ik deze als uitgangspunt voor het scheppen van nieuwe juiste oorzaken zal kunnen gebruiken. Denk niet,  dat ik tracht u te overbluffen met mijn betoog. Ik tracht alleen u in het kort enkele van de meest belangrijke punten, die optreden bij een bewust worden op de juiste wijze, uiteen te zetten.

Wanneer u in uzelf een contact gevoelt met uw God, zo zal dit contact zich ook moeten kunnen uiten. Het contact met God is immers gelijk aan het ervaren met een innerlijke harmonie met geheel de kosmos door haar bron. Dientengevolge zal het mogelijk moeten zijn deze harmonie met de kosmos ook buiten het ik te projecteren en in eigen wereld kenbaar te maken. Voor een mens blijft dit alles ten dele theorie. Want een mens, die een blijvende harmonie met zijn God kan bereiken, komt op uw wereld slechts zelden voor. Mensen, die een dergelijke harmonie slechts zo nu en dan kunnen bereiken, vinden wij reeds eerder in de mensheid. Deze mensen zijn, wanneer een innerlijke harmonie weer teloor is gegaan, ook wederom geheel overgelaten aan eigen weten en middelen. Wel kan zo iemand de in het contact met het Goddelijke verkregen krachten gebruiken om zijn eigen instelling t.o.v. het totaal zijnde te verbeteren en eigen inzichten – zover zij niet strijdig zijn met het Goddelijke – duidelijker en zuiverder ook in zijn eigen wereld kenbaar te maken. Wanneer u leeft, zult u t.o.v. uzelf en uw wereld, nooit een volledige harmonie kunnen bereiken. U kunt slechts streven naar een zo groot mogelijke harmonie. Dit streven naar een zo groot mogelijke harmonie zal reeds zonder meer binnen het ik bepaalde belevingen mogelijk maken, waardoor men het eigen ik beter leert kennen en de krachten van dit ik juister en vollediger in de eigen wereld leert gebruiken.

Wanneer u, als mens, staat voor de noodzaak, een oordeel uit te spreken, plegen er verwarrende invloeden op te treden. Daarom raad ik u met het volgende rekening te houden: Slechts hij, die de Schepper, de wil van de Schepper en het totaal van de volmaakte Schepping in zichzelf bewust kent, kan rechtvaardig oordelen. In het bijzonder dient men te beseffen, dat geen enkel oordeel werkelijk rechtvaardig kan zijn, indien het in het algemeen wordt uitgesproken. Daarom mogen en kunnen wij in feite slechts oordelen over onszelf en onze persoonlijke verhouding tot de wereld.

Blijkt een oordelen over anderen niet te vermijden, dan zal een oordeel steeds met voorbehoud moeten worden gesteld, terwijl het gebaseerd dient te zijn op het totaal van eigen innerlijk erkennen, plus een zo juist mogelijke taakvervulling van het ik in de wereld, plus een zo weinig mogelijk aantasten van degene, over wie men het oordeel spreekt. Wie van hieruit verder gaat, komt tot de conclusie, dat de doorsnee mens bij tijd en wijle – maar nimmer bij voortduring – zal kunnen beschikken over gaven, die ver eigen vermogens te boven gaan. Elke mens zal dergelijke gaven in de wereld tot uiting kunnen brengen, zolang hij de noodzakelijke innerlijke toestand zal kunnen handhaven. Het uiten van grotere gaven dan normaal is dan ook afhankelijk van eigen innerlijke gesteldheid.

Elke terugkeer tot een innerlijk lager peil zal gepaard gaan met een verlies van een deel, of zelfs alle gaven en mogelijkheden. Zolang een zelfs maar gedeeltelijk verlies van gaven op kan treden, als gevolg van innerlijke instelling, is verder de conclusie gewettigd, dat aan die mens geen eisen gesteld kunnen worden. Deze zouden immers zijn eigen mogelijkheden te buiten gaan en daardoor misvattingen en vergissingen kunnen veroorzaken. Ook kan men uit een wisselvallig zijn van gaven de conclusie trekken, dat de persoon in kwestie nog niet beschikt over een geheel open gebloeid chakra en wel het chakra, dat het sterkste verbonden is met het uiten van de betrokken mogelijkheden en gaven. Ongeacht de eigen verklaringen van een dergelijk persoon mogen wij verder wel stellen, dat deze zeker nog niet een voortdurend contact bezit met die sferen en werkingen, vanwaar uit deze gaven gebruikelijker wijze gemanifesteerd worden.

Met dit alles heb ik de essentie van mijn boodschap voor heden tot uitdrukking gebracht. Er is een samenhang tussen al, wat u op het ogenblik in uw eigen wereld bent en alles, wat u innerlijk bereikt hebt. Er is een voortdurende relatie tussen al, wat voor u goed en juist is en uw innerlijk bereiken. Uw onberoerdheid zal t.o.v. de wereld – zover het de onbelangrijke verschijnselen daarvan betreft – toenemen, naarmate u een grotere harmonie met boven die wereld liggende krachten en sferen blijvend bezit. Het vinden van een dergelijke ongevoeligheid mag nog niet betekenen, dat men daarom nu de rest van de wereldse verschijnselen maar zonder meer terzijde stelt. Het betekent alleen, dat u meer objectief kunt zijn t.a.v. de verschijnselen in uw wereld en – zonder u daarvan te verwijderen, of u daaraan te onttrekken – uw taak in die wereld ook objectief juister zult kunnen vervullen. Naar ik meen, zal niemand van u bestrijden, dat men als mens eerst waarlijk leert leven, wanneer men een vaste richting, een vaste taak voor zich in het leven heeft gevonden; een taak, die tot uiting kan worden gebracht binnen de mogelijkheden van eigen ogenblikkelijk bestaan in stof en geest.

Hieruit volgt voor u, dat het totaal van uw leven zal behoren tot uw kosmische taak, zodat u – naarmate u juister leeft – objectiever t.o.v. de wereld en anderen bestaande en voortgaande, ook vollediger in harmonie zult zijn met de kosmische krachten, zoverre deze u – krachtens het door u bereikte bewustzijn – kunnen bereiken. Wanneer u in een tijd leeft, waarin disharmonieën steeds weer optreden, terwijl onrust en spanningen u voortdurend bedreigen, zal het voor u logisch zijn te zeggen, dat de mens alleen aan de hand van zijn innerlijke kracht, zijn persoonlijk bewustzijn en besefte taak, in staat zal zijn aan deze onrust en alle beïnvloedingen van buiten af, het hoofd te bieden. Ongeacht de werkingen in de wereld zal men dan een innerlijke rust vinden. Heeft men deze innerlijke rust eenmaal bereikt, dan zal inderdaad – en sterker naarmate men innerlijk een grotere bereiking heeft – het geestelijke schild in werking treden. Hierdoor zal het voor het ik niet aanvaardbare of demonische – al, wat niet past bij wezen en taak – geëlimineerd of teruggewezen worden.

In deze mogen wij zelf geen keuze uitoefenen vanuit menselijk standpunt. Want wij zullen soms geneigd zijn vanuit eigen besef en verlangen werkingen terug te wijzen, die toch wel degelijk binnen ons eigen wezen – gezien taak en bewustwording – zeer belangrijk zijn. Het gebruik maken van de juiste kracht betekent verder, dat je voor alles een zuiver en goed beeld dient te hebben in jezelf van de kosmos, waarin je gelooft en meent te leven. Ook dient men in zich een duidelijk begrip te hebben van de God, waarin men gelooft. Nu is het vanuit menselijk, of zelfs geestelijk standpunt zeer moeilijk het totaal van de kosmos – of het totaal van Gods wezen – te beseffen, zoal onmogelijk. Wij kunnen wel krachtens de in ons wezen levende harmonieën, onze mogelijkheden en ons beleven, bepaalde waarden van God en de kosmos als waar en voor ons belangrijk erkennen.

Nu ook dit u duidelijk is, stel ik: alle krachten, die in mij zijn, zijn juist voldoende om alle voor mij noodzakelijke belevingen te ondergaan, te verwerken en tot goed te maken, zonder mijzelf daardoor ooit te vernietigen, of zelfs maar anderen daardoor werkelijk te schaden. Mijn God kan ik mij niet voorstellen, als een God, Die niet rechtvaardig is. Ook kan ik mij geen Schepper voorstellen, die Zijn Schepping niet liefheeft. Om te komen tot een goede innerlijke bewustwording moeten wij dan ook in staat zijn op de juiste wijze alles te aanvaarden, wat de wereld, waarin wij leven, ons te dragen geeft. Wij kunnen en mogen ons daaraan niet onttrekken. Datgene, wat wij tijdelijk aan zorgen of problemen terzijde zouden kunnen stellen, zal toch in ieder geval als doel van ons wezen en onze taak te enigerlei tijd door ons opgelost moeten worden.

Mogelijk zal de hierop volgende conclusie u meer aanvaardbaar in de oren gaan klinken: Het is mijn taak in het leven al, wat mij zuiver persoonlijk als innerlijke waarde, of uiterlijke verantwoordelijkheid betreft, altijd weer – zover mijn mogelijkheden en middelen reiken – moeten verwerken, tot het vanuit en in mij goed wordt, volgens mijn beste besef en hoogste weten. Het is nimmer mijn taak, hetgeen geweest is, te betreuren. Ook behoort het niet tot de taak van mens of geest bepaalde waarden van eigen wereld en leven te ontkennen, terzijde te stellen, nutteloos te noemen, of te bemantelen. Al, wat in mij leeft en bestaat, heeft zin. Alles, wat voor mij bestaat aan problemen en mogelijkheden, is een intensifiëring van mijn leven, omdat door deze uitdaging van het leven, mijn innerlijk weten en mijn innerlijke kracht, volledig tot uiting zal komen. Als gevolg hiervan zal mijn bewustzijn zozeer groeien, dat de oorzaken, die mij nu nog benauwen, voor mij een andere betekenis verkrijgen. Dan zal al, wat nu nog moeilijk te dragen lijkt, niet alleen aanvaardbaar en verwerkelijkbaar zijn, maar bovendien door mij – krachtens de in mij gelegde mogelijkheden – gaven en krachten tot een bewustwording voor mijzelf en een zegen voor anderen worden.

Ware esoterie is het erkennen van het innerlijk wezen, maar de erkenning van het innerlijk wezen kan in waarheid alleen voortkomen uit een zo bewust mogelijke taakaanvaarding in het leven, in een zo volledig en juist mogelijk aanvaarden ook van de werelden, waarin men zal vertoeven. De werkelijke bewustwording zal alleen bevorderd kunnen worden door het tot uiting brengen van alle innerlijke waarden en krachten, die men bezit. Het is niet mogelijk aan de hand van enkele abstracties alleen wijzer te worden. Slechts uit leven en beleven – geestelijk zowel als stoffelijk – slechts door steeds te streven en steeds weer het beste te willen verwerkelijken in alle werelden, die wij erkennen, zullen wij de werkelijke wijsheid verwerven, zullen wij een werkelijke verhoging van bewustzijn en krachten blijvend kunnen bereiken. Wanneer wij eerlijk streven, worden wij bij onze innerlijke strijd en uiterlijke weg altijd weer gesteund door de grote krachten in de kosmos en het leven, die wij de Meester, de Goddelijke krachten, of de ingewijden, plegen te noemen. Het is niet belangrijk, of een dergelijke kracht iemand als de nieuwe wereldleraar is, iemand als Jezus, Die de aarde de Christusgeest en Christuskracht op aarde openbaarde, dan wel iemand anders. Steeds weer worden wij geconfronteerd met het hogere, dat ons in het leven bijstaat en ons leiding geeft. Kunnen wij dit alles zien als voor ons bestemde gaven zonder meer? M.i. is dit niet mogelijk. Elke grote kracht, die zich binnen u zal openbaren, elke lering, die u ontvangt, elke mogelijkheid tot bewustwording, die u door anderen geboden wordt, betekent een wijziging van uw eigen bestaan en leven.

Een verkrijgen van deze hulp en leiding is afhankelijk van de juistheid van eigen streven. Het betekent dus ook, dat u allereerst tot een zo juist mogelijke omschrijving en definitie van uw eigen taak en mogelijkheden zult moeten komen, indien u een dergelijke steun hoopt te verwerven. Indien u geestelijke leiding en hulp wilt ontvangen op een wijze, die werkelijk voor u waardevol is, zult u allereerst moeten komen tot een juistere definitie van eigen plaats te midden van de volmaakte Schepping Gods. Wanneer een mens op aarde leeft, groeit hij naar de hogere werelden van bewustzijn toe en draagt in zich de mogelijkheid en de kracht om al, waartoe hij op aarde bestemd is, te vervullen. Aan deze taak zal hij zich niet kunnen onttrekken, omdat – zij het door eigen streven en begeren, hetzij door het ingrijpen van machten buiten hem – steeds omstandigheden, personen en problemen op zijn weg zullen worden gebracht, die werkelijk tot deze taak behoren.

In een tijd, waarin een nieuwe geestelijke kracht deze wereld begint te overheersen, mogen wij dan ook stellen, dat, wie nu op aarde leeft, ook binnen deze nieuwe kracht en invloed, een zekere taak en zekere mogelijkheden zal bezitten. Verder zullen deze taak en deze mogelijkheden mede afhankelijk zijn van het bereikte peil van innerlijk bewustzijn. Voor elke mens zal de eigen verwerkelijking van de Goddelijke krachten binnen het ik bepalend zijn voor de gaven en mogelijkheden, waarover hij beschikken zal, om zijn taak op aarde juist en zo snel mogelijk te vervullen. In een tijd als de uwe kan de wereld niet bestaan, zonder dat velen werkelijk worden gebracht naar, of opgetrokken tot een hoger innerlijk weten en erkennen. Dit zal voor hen niet altijd even aangenaam zijn. Maar uit de verwarringen van uiterlijke omstandigheden en condities groeit reeds nu voor menigeen een – soms pijnlijk en langzaam, maar toch reeds geheel het wezen betreffende – erkennen van hogere waarden en juistere wegen van leven.

Velen, die nu nog klagen over de moeilijkheden en spanningen, waarmee zij geconfronteerd worden, zullen juist hieraan een beleven van hogere krachten binnen eigen wezen kunnen danken. Wat uw tijd betreft, kan nog worden opgemerkt, dat de huidige spanningen en verwarringen onvermijdelijk zullen voeren tot een groeiend aantal van mensen, die bewust hun taak op aarde leren vervullen, daarbij beschikkende over grotere geestelijke krachten en gaven. Vanuit een beperkt standpunt zou men kunnen beweren, dat juist deze voor het ontstaan van een juiste harmonie op aarde van een alles overweldigend belang zullen blijken te zijn. Uiterlijke verwerkelijking van de innerlijke toestand is vooral belangrijk in de tijden, dat verwarringen en overgang het beeld van de wereld beheersen.

Soms kan men volstaan met het in zich aanvaarden van bepaalde dingen, of zelfs met het zonder werkelijke aanvaarding volbrengen van het noodzakelijke. In deze dagen zijn de waarden en mogelijkheden anders. Nogmaals: In deze dagen heeft elke mens, die op aarde leeft, elke geest, die nog in de vorm-kennende sferen leeft, binnen het kader van de nu heersende omstandigheden, een eigen weg te gaan. Deze weg impliceert tevens het bewust aanvaarden van en dragen van verantwoordelijkheid voor anderen, het geven van eigen krachten, wijsheid en diensten aan anderen. De samenhang van het ik met het geheel, is belangrijker geworden in deze dagen, dan iets anders op aarde en in vele sferen. De mens, die denkt, dat hij aan zijn verplichtingen t.o.v. zichzelf en anderen, of God, kan voldoen door een dwang op anderen uit te oefenen, terwijl hij deze drang niet compenseert door eigen dienstvaardigheid, het voortdurend zelf werkzaam zijn, zal uit de werkingen van oorzaak en gevolg ervaren, dat dit niet waar is, dat hij zo niet zal bereiken. De mensen, die in deze dagen elke binding en dwang weten te vermijden – zover dit mogelijk is, vooral wanneer men deze aan anderen zou willen opleggen – zullen in hun bewust dienen, streven naar harmonie, begrip en geweldloosheid, verder komen. Deze wereld zal – door de wet van oorzaak en gevolg – in vele tekenen en gebeurtenissen bevestigd zien, dat de weg van hen, die dienen zonder te binden, geven zonder te eisen en harmonie en vrede stellen boven alles, de enige juiste weg kiezen. Wie de juiste weg gaat, zal ontdekken, dat een innerlijk bereiken, de wereld tot werkelijkheid maken en het innerlijk in de wereld bewust uiten, de mogelijkheid schept innerlijk meer te bereiken, tot grotere waarheden door te dringen en in een grotere bewustwording de krachten van deze tijd, evenals de scheppende krachten van de onveranderlijke en eeuwige God hem direct tot hulp en steun zijn, zo nodig zich direct voor, of door hem manifesterende.

De les, die in al deze dingen ligt, zal u duidelijk zijn: Niet slechts aan de hand van de leringen van de oudheid, of het associëren van innerlijke bereikingen met uitbare gaven of vermogens, maar vooral door het besef van harmonische eenheid met het Al, ontgroeit de mens zichzelf en wordt herboren, niet meer in een beperkt menselijk bestaan zonder begrip, maar in een wereld, die zijn einddoel en bestemming is. Dan is hij gevorderd tot een wezen, dat bewust in zich de erkenning draagt van de rechtvaardigheid, de schoonheid en de liefde Gods, deze in zich samenvoegende tot een voor zijn wezen perfecte uiting en erkenning van de Schepper en een bewuste beleving en erkenning van alle dingen.

image_pdf