Aspecten van de innerlijke mens

image_pdf

20 december 1963

Bij het begin van deze avond wil ik u er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk zelf na.

Bij deze bijeenkomst zou ik met u graag eens een paar aspecten van de innerlijke mens bezien, die m.i. zeer belangrijk zijn en passen bij de aspecten van deze dagen.

Wanneer wij namelijk in de mens zelf zien, naar de verschillende geestelijke voertuigen, zo valt ons op dat daaronder een drietal zijn welke, met een daarbij passend bewustzijn, sympathische fasen vormen binnen de bewustwording. U zou dit misschien sferen noemen. Zeker is, dat degenen, die zich in deze fasen van bewustwording en gebruik van voertuigen bevinden, een zeer grote invloed hebben op anderen. Als mens kun je in een bewustzijn en sfeer leven en toch geheel afgesloten zijn van de verdere wereld.

Wij zien dit ook – wanneer men geestelijk streeft – soms optreden. Men beleeft dan perioden van grote geestelijke verlatenheid en isolement. In de geest zien wij precies hetzelfde. Ook hier zien wij dat de persoon, die een bepaalde sfeer bereikt, daarin een langere tijd als het ware geïsoleerd is. Dan kom je echter opeens weer in een andere sfeer: Een andere situatie, waarin het schijnt, dat geheel, de wereld, geheel het Al antwoord geeft op je wezen. Elke gedachte vindt ergens een bevestiging, een weerkaatsing. Alles, wat je wilt doen wordt a.h.w. gedragen door de wereld om je heen. Daarom lijkt het mij belangrijk aan dit bijzondere aspect van het menselijk ego deze maal enige aandacht te wijden.

De eerste fase is er een, waarin het innerlijk beleven voornamelijk gericht wordt op een begrip. Je zou kunnen zeggen, dat het een deel van de mentale werelden omvat, en als sfeer uitgedrukt, daarom ook wel geplaatst kan worden in het hogere Zomerland. Wanneer wij deze fase bereiken, is ons wezen in harmonie met alles wat beneden ons ligt. Wij hebben een soort overzicht gekregen over onszelf en onze verhouding tot lagere werelden. Wij kunnen daarin dan ook goed werkzaam zijn. Als mens bereik je dit in jezelf op een wat vreemde manier. Je begint over het algemeen te denken en te filosoferen. Er komt een ogenblik, waarop alles wat tot dan toe een probleem scheen te zijn, in belangrijkheid begint te slinken. Alles wat eens moeilijk was, wordt opeens gemakkelijker, alles wat eens onmogelijk leek, begint mogelijk te worden. In jezelf ontmoet je steeds weer krachten, die je alleen maar als mens uit kunt drukken als een ontstellende beleving van Licht, als een innerlijke vreugde.

Daarnaast is de mens in deze periode vaak vervuld van dromen en visioenen, die allen ergens reflecteren op de buitenwereld, waarin hij bestaat. Je wint in deze tijd over het algemeen aan redelijke zelfkennis. Je leert begrijpen, hoe jezelf staat tegenover de wereld en leert beseffen, hoe je zelf belangrijk kunt zijn voor deze wereld als geheel. Meer en meer zul je in deze tijd jezelf deel maken van alles rond jou. In deze tijd vindt de esotericus het eerste werkelijke geheim. Hij vindt voor zichzelf de directe relatie God – ego – kosmos. God openbaart zich in je wezen, vindt daarin een redelijke en geformuleerde gestalte. Deze gestalte kan zonder meer in de wereld gezonden worden, je bent gelukkig en hebt vaak de idee, dat je bijzonder veel bereikt hebt. Heeft men deze fase eenmaal doorgemaakt, dan treedt op een gegeven ogenblik toch weer een gevoel van isolement op. Want al kun je nog veel volbrengen, de vreugde van de bereiking wordt verzwakt door de veelvoudige herhaling van steeds dezelfde waarden. Ook wanneer je in jezelf keert, zijn de ideeën, de visioenen en dromen alleen nog maar de eindeloze herhaling van steeds dezelfde gedachten. Je hebt het gevoel, dat je niet meer kunt doen wat werkelijk belangrijk is. Er volgt dan een fase, waarin je in wezen eigenlijk negatief bent. Je zult dan kritiek hebben op jezelf en jezelf vooral onjuist, onvolledig en onecht vinden. Ook de wereld zal men, met alle goede bedoelingen, verwijten, dat zij zich ongeveer zo gedraagt als men ook zichzelf beoordeelt.

Voor de esotericus kan deze periode het beste vergeleken worden met een voortdurende rusteloosheid in een woestijn, waarin de horizon altijd gelijk blijft en ondanks alle afstand die men aflegt, de ene plaats geheel gelijk schijnt te zijn aan de andere. Je zoekt God, je weet, dat God er is. Maar het Licht, dat eens a.h.w. de verheldering was van de schemering waarin je tot dan toe leefde, is nu geworden tot een erbarmingsloze zon, die brandend boven je hoofd staat. Hij drijft je steeds aan, schijnt je steeds weer te verslaan en te verblinden. Je voelt je dan ook erg ongelukkig, tot er een ogenblik komt, dat je een soort oase bereikt, je vindt opeens een bescherming tegen het voor jou nog te scherpe licht. Je ogen zijn niet meer direct op God gericht: je begrijpt eindelijk, dat Hij te groot en te sterk is om Hem zo maar te kunnen verwerken en aanvaarden.

Innerlijk wordt de aandacht minder op het Allerhoogste gericht en veel meer wordt aandacht gevonden voor alles rond het ik, voor alles wat men maar aanschouwt en beleeft. Men voelt zich veel meer deel van de wereld dan vroeger. De zelfkennis is uitgebreider dan in de eerste harmonische fase. Zij ontbeert echter de zelfverzekerdheid, die wij vooral in de eerste harmonische fase zo sterk aantreffen. Ook nu weer geeft de wereld antwoord op het ik. Het leven is goed.

Maar rond ons blijft toch de dreiging van een nieuw isolement bestaan. Wij hebben het gevoel, dat de wereld als geheel ons toch ergens vijandig is.

De harmonie die wij met deze wereld in onszelf zoeken, ontaardt al snel in het maken van onderscheid. Het lijkt ons, dat, wanneer wij ons innerlijk bezien, ons wezen bevolkt is met engelen en demonen, die weliswaar een soort gewapende vrede met ons schijnen te handhaven, maar waarvoor wij toch ergens bang zijn.

Deze tijd van betrekkelijke evenwichtigheid doet ons in het Al vooral die krachten vinden, die de mens bovennatuurlijk pleegt te noemen. Eens was het ons voldoende, te weten dat iets goed is. Nu is het ons belangrijk, het vanuit onszelf ook manifest te maken, te openbaren. Waar het ik eens tevreden was met een kennen van het goddelijke als verschijnsel, heeft men nu de behoefte dit Licht binnen zichzelf op te slaan, te bundelen en te richten met een volkomen beheersing en een algehele kennis van alle resultaten, die uit een dergelijke instelling voort kunnen komen.

Men noemt deze wereld, die in de wereld der kleuren ligt en daarbij vaak de bovenste grensgebieden hiervan beroert, dan ook wel de wereld der magische krachten, of de wereld van het spel der magische krachten. Deze sfeer laat het ik nog volledig begrensd bestaan. Je stelt je wel open voor het gehele Al – zoals je ook reeds in de eerste harmonische fase hebt gedaan – maar je blijft nog steeds een zeer scherp onderscheid maken tussen ik en niet-ik. Je eigen daden of gedachten zijn steeds weer punten van overwegingen en zelfkritiek. Er is weinig spontaniteit in deze periode te vinden, ofschoon zelfs in de mens, die dit doormaakt, het geheel der werkingen en ervaringen grotendeels boven redelijk zal zijn. Zowel de onrust als het gevoel van bereiking zijn, vanuit een menselijk standpunt bezien, hoofdzakelijk sentiment kwesties.

Ook in deze tweede fase volgt weer een periode van isolement. Deze zou ik willen vergelijken met een varen op een wat onrustige zee, terwijl geen land in zicht is. Had men eens nog de zekerheid vaste bodem onder de voeten te hebben, nu is ook dit gevoel van enige veiligheid voorbij. Je voelt, dat elk ogenblik onder je de afgrond kan gapen. Boven je ligt de hemel, die je verblindt. En het licht van de hemel wordt door de zeeën van alle kanten nogmaals weerkaatst.

Dit is de tijd, waarin voor de mens de werkelijke loutering begint. De esotericus, die deze fase bereikt, zal dan ook trachten zijn leven steeds meer te vereenvoudigen en alle overbodige fasen en waarden ervan zelfs weg willen werpen. Het is, alsof zo iemand een soort geestelijke sloop bij zichzelf uitvoert en alle overbodigheid, alle luxe, alle zelfvertroeteling langzaamaan probeert te scheiden van de werkelijke bestanddelen van zijn eigen ik.

Hierna volgen enkele perioden, die evenmin aangenaam zijn, tot men opeens tot de conclusie komt, dat men eigenlijk niet op de zee drijft, wandelt, maar eenvoudig deel van het water is.

Men gevoelt zich niet meer hangende tussen afgrond en God. Men gevoelt zich deel van beiden. De zon is deel van eigen wezen, de zee evenzeer. De diepste diepten zijn voor het ik niet meer vreesaanjagend en onbekend, terwijl men ook de hoogste hoogten van eigen zijn en kosmisch bestaan evenzeer begint te erkennen. De esotericus zal in deze fase – die zich op aarde niet zo vaak volledig zal voltrekken – zijn, wat men wel een ontwaken tot de werkelijke zin des levens noemt. Hij is nu voorbij het punt, waarop een visioen, een droom hem nog iets zeggen kunnen.

Eveneens is hij voorbij het punt, waarop zijn daden en handelingen hem als op zich belangrijk voorkomen. Het ik is niet zo scherp meer begrensd als voorheen, zodat men zich steeds meer ook gaat zien als een functie van iets anders. Men is dit bewust, niet alleen meer in erkenning of gedachte, maar daadwerkelijk.

Men ziet in deze fase zelfs een scheiding optreden, waardoor bewustzijn, denken en daad niet geheel meer parallel lopen. De ontwikkeling van het bewustzijn is bv. niet meer gebonden aan een daadverloop, de vorm van de gedachte is niet meer bepalend voor haar emotionele inhoud.

In de sferen ligt dit binnen de grenzen van het verblindende Licht, de sfeer, waarin wij voor het laatst worden geconfronteerd met het beperkte ik. Wij verzinken nu a.h.w. in het kleurloze, waarin alle kleuren vertegenwoordigd zijn. In deze fase ontstaan wat men wel Christusdragers noemt en dergelijke. Het is namelijk de Kracht van het direct goddelijke, welke nu geheel en bewust aanvaard, dominant is geworden over de menselijke geest en diens plaats, toestand, handelen enz. zal bepalen op elk ogenblik van het verdere bestaan, terwijl het Ik zich daarbij vreugdig aan deze beslissingen onderwerpt. Je zegt nu nog ik, maar denkt in feite reeds: God door mij. Deze laatste fase van harmonisch zijn is dan ook de fase van de uiteindelijke verlossing: Je wordt voor jezelf meer en meer daadloos.

Wat geschiedt, is niet meer je eigen doen, eigen willen. Er zijn geen oorzaken en gevolgen meer, die het ik en zijn bewustzijn onmiddellijk beroeren. Het ik drijft a.h.w. in een zee van daadloosheid, indrinkende de totaliteit van kosmische erkenning.

Deze derde fase is de laatste harmonische fase binnen het ego, die nog op aarde erkend zou kunnen worden.

Ik meende, dat rond Kerstmis het voor de mensen niet oninteressant zou zijn, zich eens met dit eigenaardige verschijnsel binnen het menselijke ego bezig te houden. Wij vinden in onszelf bepaalde krachten, bepaalde momenten en een bepaald vlak van bewustzijn, waardoor wij harmonisch kunnen zijn met de wereld. Maar elke harmonie wordt weer verlaten, om zo te kunnen komen tot een meer omvattende, een meer uitvoerige harmonie. Elke kracht verkeert binnen ons op een bepaald ogenblik in krachteloosheid, zolang zij uit onszelf voort schijnt te komen. Zij ondergaat deze vermindering echter alleen in schijn, en zal in wezen zich, dankzij dit verschijnsel, later als een hogere en sterkere Kracht weer vanuit ons kunnen openbaren. U, die op aarde leeft, zal het vaak moeilijk vallen, om een schijnbaar verlies of een verandering zoals omschreven werd, te verwerken. Want u hebt nu eenmaal uw eigen wereld, en zelfs in de eerste fase is de verandering iets, wat je dan misschien wel zult trachten te verwerken, maar niet geheel zult begrijpen en waarmee men dus ook niet blij zal zijn.

Daarom ook lijkt het mij van belang, dat u iets weet van alles wat met de bewustwording samenhangt en beseft, dat het isolement, dat met sommige fasen nu eenmaal gepaard gaat, niet noodzakelijkerwijze negatief moet zijn. Isolement is dus niet alleen maar een product van de duisternis en de duistere krachten. Het gevoel van absolute steriliteit in eigen wezen en denken komt niet alleen maar voort uit een werkelijke en absolute stilstand of zelfs een ondergang. Het zijn fasen, die noodzakelijk zijn om het ik voor te bereiden op het grotere, het nieuwere beleven.

Zoals dit geldt voor de mens, zal dit ongetwijfeld ook gelden voor de mensheid als geheel. Elk wortelras, dat optreedt, zal eveneens fasen doormaken van isolement, absolute zelfzuchtigheid, visioenen zien, zich uitleven in de wereld en dan weer een terugkeren tot zichzelf, waarbij zelfs de verwisseling van waarderingen tussen stoffelijke en geestelijke elementen van het bestaan eveneens plaats zal vinden.

Hetgeen wij hier gezamenlijk bespraken is dus niet iets, wat alleen de mens eigen is, maar treedt ook kosmisch op. Ik vind het juist daarom belangrijk ons deze dingen nu eens te realiseren. Wat er allemaal gebeurt in de wereld en plaats vindt in uzelf is altijd – wanneer u maar geloven blijft in het positieve, in de zin van het streven a.h.w. en de noodzaak steeds verder te zoeken, gewin.

Er is hierin nimmer een werkelijk verlies te vinden.

Wanneer u in uzelf grote fouten ontdekt, heeft u reeds heel wat goede eigenschappen. Want hoe goed moet men niet zijn, om zich van eigen fouten waarlijk bewust te kunnen worden?

Een zekere nederigheid zal ons tijdens onze bewustwording wel altijd passen. Maar een gevoel van stilstand, mismoedigheid past ons nooit. Wij moeten beseffen, dat alleen het doorzetten ons ergens weer het contact zal geven, en de positieve waarde die wij verlangen, tot werkelijkheid zal maken.

Zoals wij moeten beseffen, dat een harmonische fase, zo zij eenmaal bereikt werd, nimmer het werkelijke einddoel van ons leven en streven is, terwijl de daaropvolgende fasen van afzondering voor ons en het Al vaak van veel groter belang zijn dan alles, wat wij eens deden.

Want het is niet onze taak om stil te blijven staan. Kracht na kracht in de kosmos beroert ons wezen. Hoe gericht onze weg ook moge zijn, steeds weer zullen wij nieuwe hoofdelementen, nieuwe facetten van het Goddelijke ontmoeten.

Het ene facet is voor ons een openbaring, die ons in harmonie brengt met de wereld en blij maakt, de volgende confronteert ons met de leegte, waarin wij zelf moeten leren te bestaan, voor wij het scheppende deel van ons wezen kunnen leren uiten.

Altijd weer, ook in uw dagelijks leven, zult u dergelijke periodiciteiten kunnen ontdekken. Een paar maanden van vreugde, een paar maanden, dat alles gaat, zoals je wilt. Dan opeens, alsof er een valbijl is neergevallen: Isolement, verlatenheid, de vraag, wat het leven nog voor nut heeft.

Dan is het wel belangrijk, te weten dat ook dit alleen maar een verdergaan in de goede richting betekent, dat het geen verlies is van al het positieve, dat men meende te bezitten of te zijn, maar juist een herboren worden daarvan. Dit besef kan de mens in moeilijke ogenblikken een grote steun zijn, vooral wanneer men niet precies meer weet, waar men aan toe is, niet meer weet of men nu groot of klein, machteloos of machtig is.

U weet allen, hoe het er op het ogenblik in de wereld voorstaat. Zelfs wanneer u de innerlijke weg volgt, bent u geneigd om vooral te zien naar alles, wat er lelijk is in de wereld. U hoeft dit lelijke niet te ontkennen. Maar wanneer u leert zoeken naar de grote dingen en mogelijkheden, die er zijn, wanneer u vertrouwen hebt in uw streven zelf, dat vindt u de volgende fase van harmonie ook reeds weer aangekondigd in de verschijnselen op de wereld.

Er is voor het geheel van de mensheid een dergelijke, voor allen ongeveer gelijke periode aan de gang. U hebt misschien wel gemerkt, dat het Bijbelse Babel maar een klein dorpje lijkt bij de verwarring van woorden en betekenissen – zelfs binnen dezelfde taal – in deze dagen. Iedereen geeft aan woorden een andere, eigen inhoud. Maar weinigen verstaan elkaar. Je zou haast moedeloos onder dit alles worden, wanneer men niet zou weten, dat ook dit een overgaan is naar een nieuwe fase, een fase van harmonie. De woestijnen van menselijk materialisme en egoïsme, waardoor zo velen van u in deze dagen menen te gaan, is in wezen ook een woestijn, die door het verblindende Licht van een hogere kracht beschenen wordt. Een Licht, dat u nu nog moeilijk te dragen schijnt misschien, en u blind maakt voor de vele goede zijden van het heden. Maar een Licht, dat u toch ook verder zal voeren naar de volgende bereiking.

Met Kerstmis denkt de mens altijd aan Jezus, aan de geboorte van het Licht op aarde. Wij leven op het ogenblik, wat de aarde betreft, in ongeveer dezelfde tijd. Ofschoon elke bereiking van een nieuwe harmonische fase ons confronteert met het bereiken van een nieuwe, een anders lijkende wereld – dus ook met andere voorstellingen, belangen, figuren en namen – zo is in feite elke nieuwe bereiking toch maar alleen een uitbreiding van het vorige.

Door uit te gaan van dit positieve denken en leven, meen ik dat u de moeilijkheden van deze tijd gemakkelijk zult kunnen overmeesteren. Ook voor uw gevoelens van verlatenheid, het niet erkend of gewaardeerd worden, willoosheid misschien, geldt hetzelfde. U zult ook de problemen van eigen leven beter kunnen verwerken. Het belangrijkste is volgens mijns inziens echter, dat u vooral innerlijk zoekt raar de werkelijkheid en niet meer zoekt naar de uiterlijke bewustwording, dat tot frase pleegt te worden.

Het is immers zo gemakkelijk, alle delen van onze bewustwording te omschrijven en er van alles van te zeggen. Maar het wordt velen te moeilijk, wanneer de omschrijfbaarheid, de kenbaarheid zelfs, wegvalt. Het valt velen dan moeilijk, niet over te gaan tot een komedie spelen, waarbij men dan maar doet, of de oude toestanden en mogelijkheden nog voortbestaan. Toch dient men dan de leegte te aanvaarden en alle ontwijken daarvan zoveel mogelijk te vermijden, opdat men volledig bereid is om gebruik te maken van alle voorkomende mogelijkheden en gebruik zal weten te maken voor alle dingen van de nieuwe verschijnselen van innerlijke Kracht, die men zo snel verwaarloost of zelfs als nadelig zal beschouwen, wanneer men nog steeds tracht terug te keren naar dat, wat eens was.

U, en alle mensen met jullie, leert de drie fasen van harmonisch zijn aan den lijve kennen. In vele levens hebt u ze rond u zien ontstaan en zien tenietgegaan, u hebt in het klein dezelfde periodiciteiten in de materie ervaren, die in de geest uw bewustwording bepaalden. Nu staat u voor een leven en een wereld, waarin de ritmen van de tijd, de ritmen van eigen leven en de fasen van geestelijke bewustwording soms zelfs een verbluffende gelijkheid vertonen. Laat u zich hierdoor overrompelen, dan gaat u daaraan misschien ten onder. In de oude inwijdingen werd reeds gesteld: Om tot een werkelijk ‘ingewijd zijn’ te komen, moet men gaan door elk der elementen. Slechts hij die aarde, water, vuur en lucht heeft overwonnen, zal in kunnen gaan tot het werkelijke geheim.

Wij gaan niet door de elementen heen. Wij gaan door de verlatenheid van ons eigen wezen, door de angsten en vrezen van eigen bestaan. Wij strijden met demonen en eenzaamheid. Wij strijden met de onzekerheid en met het gevoel op onze schreden terug te moeten keren. Indien wij echter beseffen, dat dit a.h.w. de louteringen zijn, de vuurproeven, die wij nu eenmaal moeten ondergaan, zodat het geen zin heeft daarover neerslachtig te zijn, of ons daarom te vervreemden van onze bewustwordingen, zo zullen wij beseffen eenvoudig te moeten zoeken naar een nieuw element in eigen bestaan. Het gaat er niet om, het oude terug te vinden. Wij zullen het nieuwe moeten ervaren. Indien wij dit beseffen, kunnen wij zoveel sneller en zo onmetelijk veel meer bereiken.

Er zijn voor elke mens wel 1000 methoden om bewust te worden. U hebt zelf daaruit gekozen, zelf een denkwijze geschapen, vanwaar u ook nu uit zult moeten gaan.

Wie enigszins bespiegelend van aard is, heeft daarnaast ook een beeld van zichzelf opgebouwd. Ook dit is een punt van uitgang. Besef echter, dat daarin al het geschetste gelegen is voor u. Elke weg kent elementen die ons nu onaanvaardbaar schijnen, naast de vele mooie en reeds nu voor ons aanvaardbare. Wanneer wij beseffen, dat vaak het onaanvaardbare tot het aanvaardbare voert – mits op de juiste wijze beleefd – zullen wij sterk zijn.

U bent niet zo ver van de waarheid af, als u wel denkt, u bent niet zo dom, u wordt niet zo slecht behandeld, als u wel denkt. Dit alles ligt in uzelf. U zelf hebt dit alles geschapen, dit was u alleen mogelijk, omdat zij voor u noodzakelijk waren. Uw innerlijk moet een nieuwe begripsinhoud verkrijgen, een nieuw besef van leven vinden.

De wereld buiten u is ook niet zo onverschillig of vijandig, als u misschien denkt. Zij wacht echter op uw nieuwe fase van zijn. Van dag tot dag kunt gij meer levend, machtiger, meer wetend worden, wanneer u maar door weet te zetten.

Deze boodschap wil ik een blijde boodschap noemen: Zij maakt u duidelijk, hoeveel voor u allen nog mogelijk is, hoeveel nut uw leven en ervaren tot nu toe hadden. Wees dus blijmoedig, vertrouw op de Kracht, die u geschapen heeft.

Esoterie

Wanneer ik leef en mens ben, beschouw ik ook mij zelf.

Ik zie niet alleen de relatie vanuit mijzelf met de wereld, maar besef ook de relatie, die vanuit de wereld met mijn ik bestaat.

Voor mijn besef van verhoudingen moet ik wel komen tot een omschrijving, een definitie van het ik. Elke definitie van het ik, zelfs indien het een verkeerde is (zoals veel voorkomt) is het begin van een esoterische bewustwording. Naarmate ik mijzelf beter leer kennen en beter besef wat ik beteken in de wereld, zal ik ook meer inzicht verwerven in datgene, wat mijzelf beweegt. Mijn motieven zijn vooral voor mijzelf belangrijk. Terwijl alle resultaten van mijn leven zich als het ware buiten mij afspelen en ook buiten mijn controle kunnen geraken, zal de intentie, de bedoeling in mijzelf, altijd voor mij mijn verhouding tot de wereld blijven bepalen.

Innerlijk is dus niet zozeer wat men doet belangrijk, dan wel de reden waarom men het doet.

Al snel ontdekken wij dat het bestaan zich voor ons splitst in twee verschillende delen.

Enerzijds is er de buitenwereld, waarin het ik aan oorzaak en gevolg is gebonden, zonder dat eigen intentie daarbij een rol zal spelen, terwijl aan de andere zijde een innerlijke wereld bestaat, waarin de gevolgen van eigen daden in feite minder betekenen, maar juist de intentie, die men daarmede had voor de vrede, die men in het ik kan scheppen en beleven, van het hoogste belang is.

De neiging die bestaat om beide werelden als geheel van elkander gescheiden te beschouwen, voert echter vaak tot zelfmisleiding, daar men dan de motieven geheel los gaat maken van de gevolgen. Dit is immers niet waarlijk mogelijk: het motief bepaalt de innerlijke verhouding tot de wereld, niet het resultaat in de betekenis van het ik voor de wereld.

Het besef van eigen motieven, mits dit eerlijk is, maakt verder duidelijk wat men eigenlijk wenst te bereiken. Je doet in de wereld vaak dingen, die je eigenlijk niet wilt doen en laat ook vele dingen na, die je feitelijk graag gedaan zou hebben. Je geeft jezelf wel vele redenen daarvoor op, maar is daarmede slechte zelden waarlijk tevreden.

Indien je je innerlijke motieven kent, ga je beseffen dat eigen handelingen maar al te vaak niet waarlijk bepaald worden door eigen inzichten of behoeften, maar eenvoudig door het volgen van de weg van de minste weerstand. Je doet niet wat je waarlijk wilt en laat niet waarlijk na wat men in zich onaanvaardbaar acht, maar volbrengt voortdurend datgene, waardoor men meent de minste weerstanden op te roepen en de minste moeilijkheden te krijgen.

Bij een verder schrijdende esoterische bewustwording zal men zich van deze wijze van leven los gaan maken. De zin van het leven kan nooit gelegen zijn in het eenvoudig en zonder meer volgen van anderen. Het zal alleen waarde hebben, wanneer het altijd weer een poging is om het ik, het zelf, uit te drukken. Meer en meer zal men hetgeen voor het ik belangrijk is, volbrengen, terwijl men dingen, die voor anderen misschien belangrijker zijn en u voor hen meer aanvaardbaar zouden kunnen maken, na gaat laten. Men zal zich met de wensen en opvattingen van anderen alleen nog dan bezighouden, wanneer een actie of houding niet vermeden kan worden, terwijl de wijze waarop dit geschiedt, voor het eigen ego niet van belang is.

De distantiëring, die zo in het leven ontstaat, allereerst wel van alle drang van buitenaf, houdt in, dat eigen ego meer concreet in de wereld zal worden gesteld. De ervaringen die men opdoet, hebben dan ook waarlijk op eigen wezen betrekking. Gaat men echter van valse premissen uit, laat men zich leiden en leven door anderen, dan ondergaat men wel gevolgen, maar zal daarmede geen raad weten.

De ervaringen brengen de mens dan tot een valse interpretatie van eigen leven, mogelijkheden en rechten, zodat de gevolgen van eigen daden maar al te vaak worden ondergaan als een soort kosmisch onrecht, het ego aangedaan door vreemde machten of als een beloning die men ontvangt, zonder eigenlijk te weten waarom. Zodra men echter van zichzelf bewust is gaan leven, zullen eventuele gevolgen geen straf of loon meer zijn, maar eenvoudig correcties, waardoor juister eigen innerlijke houding kan worden bepaald en eigen fouten en goede mogelijkheden juister worden beseft. De gevolgen zijn nu voor het ik eenvoudigweg het resultaat van eigen streven. Het is niet meer noodzakelijk allerhande vreemde machten of een noodlot te veronderstellen, om de eigenaardigheden van het leven te verklaren.

De relatie, die het ik met de wereld heeft, zal door dit alles gelijktijdig reëler en intenser worden. Nu weet ik wel dat men in de esoterie het bereiken van God als voornaamste doel pleegt te stellen. Maar God bereik je door zijn schepping. Wanneer je de schepping en alle wetten en regels, die in die schepping regeren, leert kennen, zal je ook beter in staat zijn iets te beseffen omtrent de Kracht, waaruit die wetten en regels voortkomen. God groeit in ons als een besef. Ik vrees dat menigeen die zich het bereiken voorstelt als een steile tocht naar een soort door goden bewoonde Mount Everest, teleurgesteld wordt in zijn verwachtingen en vele van zijn moeten zonder nut zal zien. God is voor ons een besef, dat in onszelf groeit. Het is niet omschrijfbaar en definieerbaar en toch kun je zeggen: God is voor ons een soort wetenschap, waarvoor echter geen woorden bestaan.

Naarmate ik mijn relaties met de wereld reëler en concreter besef en tot uitdrukking breng, naarmate ik ook trouw ben aan al wat ik in mijzelf als juist en goed heb erkend, zal ik ook meer van de wereld begrijpen. Het denkbeeld, dat de beschouwing van het ik zonder meer bepalend zou kunnen zijn voor de mate van innerlijke bewustwording, onderschrijf ik zeer zeker niet. Ik meen juist dat je door wat je bent in de wereld en vooral ook wat je begrijpt van de wereld, je in jezelf een bewustzijn verkrijgt omtrent de Kracht, die deze wereld regeert en ook omtrent je eigen plaats in die wereld.

Gaat men, esoterisch gezien, verder, dan komt er een punt, waarop het ego wordt geconfronteerd met machten, die de normale wereld misschien wel kent, maar toch niet bewust erkent. Men treedt binnen in de wereld van het occulte, het magische, waarin je ontdekt dat je veel meer kunt zijn en veel meer kunt doen, dan door mensen algemeen wordt aangenomen. Je ziet niet alleen je eigen krachtreserves, maar beseft ook, hoe oorzaak en gevolg gebruikt kunnen worden om iets wat in het eigen ik reeds leeft, sterker in de wereld buiten het ik te doen gelden of zelfs daarin tot aanzijn te brengen.

Er ontstaat dan een beheersing, die in het begin vooral op delen van de wereld buiten het ik gericht zal zijn. Degene, die eenmaal in zich krachten en machten ontmoet, wordt hierdoor (al is dit vaak gelukkigerwijze maar voor korte tijd) als het ware bezeten. Er volgt een tijd van wilde experimenten, incantaties en gevechten met demonen misschien. Een wereld, waarin droombeelden en werkelijkheid dooreen dreigen te lopen. Al snel begrijpt men echter dat de krachten, die men in zich erkent en die nieuwe, vreemde wetmatigheden, die in het ik, maar ook in de natuur en de wereld schijnen te bestaan, de uiting moeten zijn van een groter leven.

Het levensconcept wordt daarbij minder omlijnd, is vager. Gelijktijdig is men echter gevoeliger voor alle krachten en verschijnselen, die op eigen leven inwerken, zodat deze sneller en juister erkend kunnen worden. Juist hierdoor ontstaat de mogelijkheid zowel tot leren als tot aanvaarden op de juiste manier. In de oude filosofie van de kabbala treffen wij de levensboom aan, waarin elke tak, elk punt in zich, een weg is en ook elk benoemd punt in zich een gehele leerschool omvat.

Wij ontmoeten de kosmos, wij staan open voor de kosmos en zo leren wij de kosmos ook begrijpen en aanvaarden. Het beeld van het Ik wijzigt zich voortdurend, maar de uiting, die aan het ik wordt gegeven, blijft oprecht. Dan pas kun je, volgens mij, verder gaan. Dan pas kun je, volgens mij, een kosmos gaan omvatten, die niet meer gebonden is aan de beperkingen van ruimte, tijd, plaats, die aan gestalte of aan gedefinieerde ik-voorstelling verbonden kan zijn, maar waarlijk een bewustzijn is, dat zonder meer bestaat. Waar ik mij bewust ben, ook al ken ik de grenzen van mijn ik niet meer, daar ken ik de wereld rond mij werkelijk. Naarmate de grenzen vervagen, wordt mij niet alleen God duidelijker, wordt Hij voor mij een meer intens beleven, maar het ego raakt ook meer verbonden, geketend zelfs, aan al, wat er buiten het ik bestaat. Dat, wat eerst alleen een contrast was, wordt tot een deelgenootschap en het deelgenootschap groeit langzaam maar zeker tot een besef van gezamenlijkheid, waarin geen geldende definitie van Ik en niet-ik meer te geven is.

Waarin actie bestaat, die door het ik beseft wordt, zonder dat nog kan worden nagegaan, vanwaar die actie is gekomen.

Ik voor mij zie langzaam maar zeker zo de weg der bewustwording uitlopen in een herhalen (of misschien uitdrukken, een keuze tussen deze woorden is mij moeilijk) van de goddelijke scheppingskracht. Je beleeft alles van het zijnde mee. De daad van het ego is niet meer belangrijk, heeft geen grenzen. Het ik weet niet meer waar het handelt, waar het slechts beseft en waar het weergeeft. Maar het leeft, leeft met volle intensiteit. Dan zou zelfs het ik in menselijke vorm dit bestaan kunnen uitdrukken in een vorm, die voor de mens gelijktijdig menselijk is en die toch aan alle menselijkheid te boven gaat. Ik kan mij voorstellen, dat op deze wijze een wezen als het ware God kan zijn en toch mens. Niet omdat de mens de scheppende God zelf is, maar omdat dit ik één is met, verbonden is met de kracht en de wil van de scheppende god en geen onderscheid meer kan maken tussen zichzelf en deze Grote Kracht.

Indien men over Jezus spreekt als Godmens, zo kan ik de menselijke beschouwingen daarover niet zonder meer aanvaarden, zoals ‘de enig geboren zoon van God’. Dit lijkt mij niet te stroken met de feiten die ik ken. Maar in de zin van het voorgaande kan ik het geheel ontwikkelde ego zich zien uiten, en dan is, bij manifestatie op aarde, voor mij de Godmens een realiteit. Een werkelijkheid, die waarlijk voor ons allen bereikbaar zal zijn, ook al schieten wij nu nog tekort. De offeraar, de wegbereider, de verkonder, de wereldleraar of profeet, de kosmische kracht die ingrijpt, is voor mij dan niet méér dan een besef der totaliteit van de schepping en de wil van de Schepper, waarbij het handelende deel in wezen geen werkelijk ik meer is, maar in feite een in God berustend besef.

Streef niet voor uzelf. Streef voor anderen en besef voor uzelf. Strijd niet tegen anderen, doch werk met anderen. Dan zal deze tijd u zeker resultaten brengen.

 

image_pdf