Aspecten van de kosmische godheid

uit de cursus ‘Kosmische filosofie’ mei 1959

Bij alle zoeken en denken, waarmee wij ons trachten voor te bereiden op een blik in de kosmische werkelijkheid, zullen wij ongetwijfeld ook het magisch aspect niet uit het oog kunnen verliezen. Eigenaardig genoeg is het ‑ wanneer het gaat om de kosmische Godheid en onze verhouding daaromtrent ‑ een magisch omschrijven, een uit de magie geboren denken. Allereerst wil ik dan uw aandacht vragen voor een opvatting van kosmische werkelijkheid van uit een magisch standpunt.

Het totaal van de kosmos mag niet beschouwd worden als een gescheiden, als een uiteengevallen geheel, doch moet gezien worden als een permanente en zich gelijkblijvende Kracht. De bezieldheid van deze Kracht blijkt uit vele verschijnselen die wij kunnen waarnemen. Ofschoon wij deze Kracht zelf meestal God noemen, is het van uit magisch standpunt wel zeker dat achter dit geheel zich pas de werkelijke en kosmische Godheid kan verschuilen.

De realiteit van een volkomen gelijkblijvend geheel, waarin alle verschijnselen een voortdurend spel van verschuivende evenwichten betekenen, doet voor ons als geest en mens de vraag ontstaan hoe wij binnen deze werkelijkheid een uitdrukking kunnen geven aan ons kosmisch begrip, hoe wij kunnen komen tot een erkenning van kosmische waarheid. Wij kunnen daarbij niet anders doen dan uitgaan van de kosmische Godheid. Deze wordt van uit ons eigen standpunt bezien, waarbij wij een beperking t.o.v. de werkelijke Godheid ondergaan. Een andere benaderingswijze is onmogelijk en behoeft dus niet in overweging te worden genomen.

Van uit ons standpunt is God alomvattend; almachtig, waar Hij in alle dingen leeft, Al beheersend, waar Hij niet slechts door Zijn macht maar ook door Zijn wil het totaal van de gebeurtenissen gestalte geeft. Hij is de kosmische wetgever. Hij is tevens ook de bezielende kracht van alle (en niet alleen van alle levende) dingen.

Op grond van de wet van de evenwichten constateren wij verder dat wij zelf binnen die kosmische God veel kunnen bereiken en een vrije wil hebben; maar dat deze vrije wil ten allen tijde binnen die Godheid compenserende werkingen zal doen ontstaan. Deze verstoring van evenwichten van uit onszelf en door onszelf plaatsvindend, resulteert in een verandering van onze omgeving. Kort gezegd: het totaal van onze handelingen, impulsen en gedachten zal een verandering in de omgeving tot stand brengen op zodanige wijze, dat wij voortdurend worden geconfronteerd met de nieuwe goddelijke werkelijkheid. God openbaart Zich dus niet slechts in onszelf maar juist in de verhouding die tussen ons eigen wezen en alles rond ons bestaat. Wij kunnen daaraan niet ontkomen.

Het is duidelijk dat een groot gedeelte van onze handelingen en onze gedachten onbewust, ten dele bewust, impulsief (dus zonder voldoende nadenken) kunnen geschieden. Dit betekent dat wij zolang deze factoren een rol spelen in ons leven ‑ uit de omgeving nooit de werkelijke God kunnen zien, maar alleen daar waar wij daadwerkelijk bewust optreden, in de verandering van de omgeving de kosmische eenheid weerkaatst kunnen zien. Deze weerkaatsing te vinden moet het eerste doel genoemd worden van eenieder die wil ingaan tot de kosmische God en Zijn werkelijkheid. De relatie die wij op deze wijze hebben ontdekt, is voor ons slechts een aspect van het Goddelijke. Het is het bewust en beredeneerbaar deel van de wetmatigheden die in het heelal bestaan.

Daarnaast echter toont ons de magie dat de emotie (als een direct stuwende kracht) gebruikt kan worden om vaak ontstellend grote werkingen te veroorzaken. Ook hier moet diezelfde wet van evenwicht dus een rol spelen. Ook hier is het de Goddelijke wet, waarin God ‑ in het totaal van Zijn schepping Zichzelf gelijkblijvend ‑ die bepaalde gevolgen doet ontstaan.

De magiër die zich hiermee bezighoudt, realiseert zich dit zeer goed en hij zal zijn daden dan ook niet aanpassen aan de gangbare wetten, de gangbare gedachtegangen maar aan de compensaties die door deze daden zullen ontstaan. Reeds van de vroegste oudheid af heeft de mens deze verstoringen dan ook gebruikt om de door hem gewenste gevolgen tot stand te brengen. De sjamaan, met zijn ritmisch bewegen, zijn trommel, zijn opzwepen van zijn toehoorders, zijn poging zichzelf te verliezen in een roes van geluid, doet niet veel anders dan de moderne parapsycholoog die ideale condities scheppende de werkelijkheid feitelijk verloochent en in de geschapen verwachting soms komt tot de vaststelling van aspecten die de normale wetenschap tot nog toe had verworpen. De verschillen zijn niet zeer groot. God blijkt te reageren op het onbewuste in ons wezen, op de emotie. Zo bestaat er dus een tweede goddelijk aspect nl. dat, wat direct emotioneel gebonden is aan ons wezen én de wijze waarop ons wezen binnen die emotie in de wereld zich openbaart. De conclusies hieruit zijn vooral voor degenen die de voorgaande lezingen reeds gevolgd hebben, zeker zeer eenvoudig te trekken.

Wij zullen te allen tijde onze emotie en impuls moeten richten op datgene wat wij wensen te verkrijgen; en wel zodanig dat de oorspronkelijke emotie of impuls tegengericht is aan hetgeen wij wensen tot stand te brengen. Dat is logisch. Er is een verstoring van evenwichten. Wij weten dat God in alle dingen werkt. Wij weten dat God dus elke impuls die gericht is op het juiste, zal kunnen aanvaarden. Dat er nooit een halt ons wordt toegeroepen wanneer wij buiten de platgetreden paden gaan. God mint ‑ ook magisch‑ de mens met de pioniersgeest, die uitgrijpt buiten zijn eigen sfeer en juist zoekt door het experiment de werkelijkheid van zijn wereld of sfeer te vergroten en meer in overeenstemming te brengen met zijn bewust en redelijk beeld van het Goddelijke. (Het eerste aspect dus, door ons besproken.)

De magie geeft u hier een zeer speciale zienswijze op. Zij zegt nl. dit: Indien wij ons richten tot enigerlei kracht binnen de voor ons gekende wereld, richten wij ons tot een aspect van een onbekende Godheid die in alle dingen regeert. Er kan niets buiten die God geschieden. En wij zullen onze daden zo stellen dat zij in overeenstemming zijn met ons beeld van die God en de wetmatigheden die wij uit die God hebben erkend, maar tevens met het effect dat bereikt zal worden op een zodanige wijze dat God nimmer Zichzelf zal behoeven te veranderen, omdat wij onszelf veranderen, Hem de mogelijkheid laten te compenseren voor ons.

Een typisch aspect waarbij God dus een compenserende factor wordt in ons eigen leven. De kosmische God compenseert voortdurend. Hij doet dit zowel voor onze fouten als voor onze deugden. Hij doet dit voor ons bewustzijn en voor onze dwaasheid. Want God in Zichzelf is onwrikbaar en onwankelbaar gelijk.

Verdergaande ontdekken wij een volgend aspect. Er zijn wetten die buiten ons omgaand en toestanden die buiten onze wil of weten voortdurend zich wijzigend, een vast stempel drukken op een bepaalde tijd, een bepaalde samenleving, een bepaalde groep van mensen. Er kan worden gesteld dat God voor elk volk en voor elke volksgroep een apart uiterlijk heeft, een apart gelaat. Dit aspect dat gebonden is aan persoonlijkheidsprojectie nu, is tevens een aspect van de kosmische Godheid, maar onvolledig erkend. De eenzijdige verering van het ene aspect brengt de compenserende werking, waar God Zijn totale werkelijkheid voortdurend moet handhaven.

Het is ons onmogelijk hieraan te ontkomen. En zo zullen wij door de menigte, waarvan wij deel uitmaken, waarmee wij emotioneel of meer stoffelijk gebonden zijn, een voortdurende op ons zich uitdrukkende goddelijke werking moeten ondergaan. Wij zijn geen meesters van het noodlot, wij zijn de dienaren van een lot dat bepaald wordt door een gemeenschappelijk bewustzijn, door zijn gemeenschappelijk God erkennen.

God is ‑ in het volgende aspect althans ‑ geen persoonlijkheid.

God te zien als een persoonlijkheid betekent God beperken. God is onbeperkt. De magiër stelt dat God vele aangezichten heeft en toch geen enkel kenbaar. Dat God vele krachten heeft en toch geen enkele kenbare kracht. Wanneer wij trachten het kosmisch aspect voor onszelf dieper te verwerkelijken, zullen wij tot dezelfde ontstellende ontdekking komen. God is als een kameleon, voortdurend veranderend.

God openbaart Zich aan allen die leven (dus in de beweging bestaan) als een beweging, niet als een gefixeerd punt. Het begrip hiervoor, dat ongetwijfeld voor velen moeilijk zal zijn, kan het best worden verkregen door juist het voortdurend variabele in de goddelijke openbaring ‑ binnen dit aspect althans‑ te accepteren als normaal. Niet te verwachten dat God een continue en eeuwigdurende werkelijkheid is in deze zin, maar wel dat God ‑ Zich voortdurend wijzigend‑ voortdurend ons een nieuw moment van bewustzijn geeft. Esoterisch gesproken: Het proces van de bewustwording spruit voort uit de voortdurend veranderende relatie tussen wezen en Godheid, waarbij beiden hun rollen op de duur verwisselen.

Dit laatste vraagt voor u misschien enige verdere toelichting.

Gesteld dat een mens komt tot het bewustzijn van het totaal Goddelijke, dan zal de Godheid ter compensatie het totaal niet‑weten moeten vormen, dat de mens eens was. De eenwording van de mens, betekent dus zijn Godwording in de feitelijke zin. Terugverwijzend naar hetgeen wij in vorige lessen hebben besproken: hij wordt Brahma, de scheppende Kracht, maar hij leeft uit een ander Goddelijk aspect, nl. de goddelijke Kracht Zelf. Brahman.

Op deze wijze kan elke plaats in de schepping door ons naar believen worden ingenomen, indien wij slechts in staat zijn tot een volledigheid te komen. Indien meer personen gelijktijdig eenzelfde punt zullen bereiken, dan zal de erkenning, die men t.o.v. elkaar heeft, bepalend zijn voor de totale functie van de ene persoonlijkheid die de Godheid uitdrukt binnen de schepping.

Dit laatste maakt natuurlijk een verdere uitleg noodzakelijk, al is het alleen maar om het feit, dat wij hier komen te staan tegenover een aspect van een kosmische God dat niet alleen voortdurend variabel is, maar klaarblijkelijk ook geen vaste persoonlijkheid kent. Ik wil trachten u dit principe, dat overigens behoort tot de zeer oude Indische magische stellingen en tevens deel uitmaakt van de esoterie van de vergevorderde Boeddhisten en Brahmanen, nog even te belichten.

Op het ogenblik dat men zich bewust wordt van het totaal van de schepping, is men zich ook van alle werkingen daarin bewust en wenst voor zichzelf niets anders dan deze te handhaven. Men wordt a.h.w. de stabilisator, de kracht die bewust overal het evenwicht in stand houdt. Men behoeft daarvoor klaarblijkelijk niet totaal God te zijn, maar wordt vanuit een stoffelijk of geestelijk standpunt de God van dat ogenblik. Degene die voor u deze functie heeft bekleed, is zich ervan bewust dat het evenwicht niet bewust, maar eenvoudig door aanvaarding gehandhaafd, want hij kent reeds de grotere Persoonlijkheid, de werkelijke en altijd zich gelijkblijvende Kracht, die ook buiten het kosmisch verband bestaat. (Althans dit verklaart men.) Het gevolg is dat de volledige bewustwording van een persoon diens functie als tijdelijke schepper en instandhouder a.h.w. garandeert, terwijl zijn voorganger automatisch zich in het negatieve van een fase werpt, zo de perfecte balans scheppend.

Hieruit vloeit een typisch iets voort, dat helaas vooral in het christelijk en mohammedaans geloof (de Islam dus) is teloorgegaan. God en duivel zijn de uiterste einden van een balans. Zij staan altijd t.o.v. elkaar in een volkomen gelijkheid van kracht. Voor elke positieve uiting is er een gelijke negatieve uiting. Deze persoonlijkheden kunnen onderling plaats verwisselen zonder dat er in het heelal of de kosmos iets verandert. Hieruit vloeit voort dat er een voortdurende strijd bestaat vanuit ons eigen standpunt tussen de positieve en de negatieve bewuste uiting Gods. Het in deze strijd, die zoals reeds vernoemd, voor ons een werken met evenwichten mogelijk maakt. Het is tevens de kracht of de wet (hoe u dat zeggen wilt), die ons volledig onafhankelijk maakt van de Godheid, waar het de bepaling van onze eigen daden, onze eigen ervaringen en bewustwordingen betreft. Een volgend aspect echter waar zeer zeker op gewezen moet worden, toont ons hoe wij ondanks deze grote vrijheid toch voortdurend gebonden zijn aan God. Want tot nog toe hebben wij gesproken over bewustzijnsvormen, aspecten die een bewustzijn bezitten, zoals we dit stoffelijk kennen; die in zekere zin nog persoonlijk zouden kunnen worden gezien. De Godheid zelf is een Kracht. Deze Kracht heeft geen enkele eigenschap die wij stoffelijk kunnen omschrijven. Ze bezit geen enkele beperking buiten haar eigen bereik; en dat is ons onbekend.

Het is deze vreemde Kracht Die uit Zich de schepping voortbrengt en Die in Zich bepaalt hoe de verhouding van evenwichten zal zijn. Dit is de ware kosmische god, de enige Kracht Die wij als zodanig zouden kunnen erkennen in Haar abstractie echter ontwijkt Zij te zéér ons voorstellingsvermogen om een praktisch gebruik daarvan mogelijk te maken. Wij zullen ons dan ook een aantal stellingen moeten bouwen, gebaseerd op de beperkte aspecten van de kosmische God. De aspecten die voor ons ‑ zij het ternauwernood ‑ nog bevatbaar zijn.

Ofschoon deze cursus niet in de eerste plaats op de praktijk is ingesteld, zou ik toch graag hier enkele meer praktische aspecten willen belichten. Wanneer ik dit doe vanuit een meer magisch standpunt, zo houde u mij dit ten goede, waar dit mijn eigen, meer persoonlijke ervaringen betreft.

In de eerste plaats: Op het ogenblik dat wij kwaad vinden, kunnen wij kwaad niet met goed bestrijden, waar goed wel kan neutraliseren voor de buitenwereld, maar voor ons nooit kan opheffen. Kwaad kunnen wij wel met kwaad bestrijden. Dat betekent een verdubbeling van kwaad voor de buitenwereld maar gelijktijdig voor onszelf een opheffing van verschillen en door gelijkheid een wegvallen van elke tegenstand. Hier zal de magiër voortdurend zijn keuze moeten doen en ook de esotericus zal tot een besluit moeten komen. Want wij moeten onze eigen stelling bepalen. Waar het kwaad ons te zeer deert, zullen wij in eenheid met dit kwaad de tegenstel­ling kunnen vernietigen, mits wij ons bewust blijven van het feit dat ook dit voor‑ons‑kwaad‑zijnde een direct goddelijke uiting is. Wij komen hiertoe liever niet, omdat bij ons dan meestal het kwaad in de plaats treedt van de Godheid. Het is dus niet het gevaar van de daadstelling op zichzelf, het is het gevaar van het verliezen van het juiste inzicht, de zelfverhoging zonder reden, de zelfvergoddelijking die een begrip voor de goddelijke evenwichtigheid en de wet van de gelijkblijvende velden gaat uitsluiten. Vandaar dat zwarte en witte magie niet van elkaar verschillen in wezen, maar slechts in intentie en daardoor in praktijk.

De realisatie dat goed en kwaad voor ons waarden zijn waarmee wij mogen schuiven en spelen, mits wij het voor ons goede daarmee bereiken brengt nog andere consequenties met zich. Op het ogenblik dat wij god vereenzelvigen met ons eigen wezen, komen wij tot een zo scherpe begrenzing van onze kosmos, dat wij een onevenwich­tig scheppingsbeeld krijgen dat geen enkele compensatie verdraagt.

Wij worden dan de speelbal van buiten ons liggend geweld. De ouden drukten dit o.m. uit door te spreken over de Nornen, de noodlotsgodinnen.

Realisatie hiervan zal ons belemmeren ‑ zo niet beletten ‑ een even­wichtverschuiving voor onze eigen doeleinden te doen plaatshebben.

Wij weten dat dit voor de bewustwording te schadelijk is. Daarentegen stellen wij wel direct dat wij voor anderen elke verschuiving van fei­ten en waarden mogen doen plaatsvinden, die het gewenste effect kan hebben. Gezien het feit dat de magische wet constateert dat elke verschuiving van waarden in haar onmiddellijke nabijheid wordt gecompenseerd om zo een volledig gelijkblijvend geheel (vanuit goddelijk standpunt) te garanderen, brengt dit met zich dat wij ten allen tijde tenminste een pool van onze handeling, daad of intentie zullen moeten projecteren in de nabijheid of de omgeving van het doel van ons magisch streven. Dat hierbij gedachte aan astrale wereld soms wordt gebruikt, is een bijkomstig­heid die eerder op het terrein van de zuivere magie thuishoort. Het feit dat wij die kosmische God zo kunnen erkennen en gelijktij­dig a.h.w. kunnen spelen met de gaven die Hij ‑ juist door Zijn evenwichtigheid en Zijn gelijkblijvende velden ‑ ons heeft gegeven, maakt ons in zekere zin tot kleine goden. Wij zijn niet alleen de kinderen Gods in die zin dat wij uit God zijn voortgekomen. Wij zijn de kinderen Gods in die zin dat wij het totaal van Zijn scheppende vermogens en capaciteiten voor onszelf hebben beërfd. Een gebruik daarvan is een bevestiging van ons eigen wezen. Zolang wij weigeren creatief werk te doen, zullen wij ook weigeren ons bewust te worden van de goddelijke Kracht, zoals Zij voor ons bestaat. Dit betekent niet een bewustzijnsvermindering maar wel een levenswaardevermindering. Reeksen van langere incarnaties komen uit dergelijke misverstanden voort.

Een ander praktisch aspect is dit: Wanneer deze wisselende krachten beïnvloedend zijn voor onze bewustwording mogen en kunnen wij geen enkel vast standpunt innemen. Ons standpunt moet volledig afhankelijk zijn van onze eigen realisatie op dit ogenblik van de wereld …en niet van God.

De magiër doet dit door te allen tijde een aanpassing te creëren (zelfs van het magisch ritueel) aan zijn eigen ogenblikkelijke instelling, zijn eigen ogenblikkelijke visie op het Al. De normale mens zal er ongetwijfeld goed aan doen niet zijn stemming van het ogenblik bepalend te doen worden voor een grote reeks van ogenblikken, maar wel zijn beslissingen van elk ogenblik ‑ indien noodzakelijk ‑ te baseren op de feiten die op dat ogenblik bestaan, met uitsluiting van toekomstige ontwikkelingen, met uitsluiting van invloeden uit het verleden.

Ik weet dat het gevoelselement voor de mens een zeer grote rol kan spelen. Ik heb u reeds duidelijk gemaakt, hoe ook deze gevoelswereld ons in contact brengt met een apart aspect van de kosmische Godheid. Ik mag dus aannemen dat u zich ook zult realiseren dat onze gevoelswereld een direct middel is, niet slechts om deze verandering van evenwicht in onze omgeving te bewerkstelligen, maar ook om ons eigen lot, ons eigen denken en onze eigen realisatie aanmerkelijk te wijzigen. Het is dwaas de gevoelswereld de totale overhand te geven. Zij is te eenzijdig. Aan de andere kant zijn wij genoopt aan de gevoelswereld een zeer omvangrijk deel in ons leven in te ruimen.

In het geheel van de voorgaande beschouwingen heb ik getracht u aan te tonen dat de kosmische Godheid een directe en actieve factor is in ons eigen leven. Wij zijn over het algemeen als mens en geest niet geneigd dit te erkennen. Wij menen dat God een buiten‑ons‑staande werking is. Wij realiseren ons niet dat elke handeling en elke daad die wij stellen ‑ zelf stellen ‑ in feite goddelijk is. Dat wil zeggen, een directe goddelijke actie uitlokt en een directe goddelijke compensatie veroorzaakt. Het feit dat wij ons hiervan niet bewust zijn, doet ons veronderstellen dat de kosmische God ver van ons afligt en brengt ons zelfs tot het stellen van een praktisch oneindig grote kosmos. Wij realiseren ons niet dat wij zelf die kosmos evenzeer besturen als alle anderen die rond ons zijn. Het uit het oog verliezen van juist dit aspect maakt de mens aan één kant kleinmoedig, kleinzielig en twijfelachtig; aan de andere kant maakt het hem hoogmoedig, veeleisend en in sommige gevallen absoluut irreëel, onwerkelijk. Want, mijne vrienden onze beschouwing van God en van de kosmos heeft voor ons geen enkele zin wanneer wij die God naast ons willen zien als een medestrijder; wanneer wij die God boven ons willen stellen als een almachtig regeerder; wanneer wij proberen die beelden van God samen te voegen tot een abstracte filosofie. Juist de kosmische God moet beleefd worden. En die beleving kunnen wij baseren op de punten die ik u dus tevoren omschreven heb.

Het is zeker niet mijn bedoeling u hier een te zware taak op te leggen; doch ik ben mij ervan bewust dat velen van u enige tijd van denken nodig zullen hebben, voordat zij bepaalde zinsneden geheel hebben verwerkt. Laat u dit echter niet ontmoedigen. Wanneer wij beseffen dat wij niets anders doen met elke handeling en daad dan ons bewegen op een soort van eeuwige wip waarbij alle anderen onmiddellijk moeten compenseren, wil de wip niet zwaar overslaan naar links of rechts, dan begrijpen wij ook, hoe het totaal van de schepping ‑ voor ons althans ‑ een voortdurende aanvulling van ons eigen wezen is. Dat daarachter de kosmische Godheid ligt als de Kracht waarin dit Al gebeurt, moge voor ons een vaststelbaar, of overweegbaar feit vormen, het is voor ons geen deel van onze eigen werkelijkheid. Zomin als wij ons bewust zijn van de lucht die wij inademen, zijn wij ons bewust van het werkelijk Goddelijk Vermogen dat het totaal der verschijnselen voedt.

Wij weten nu allen dat onze eigen bewustwording een belangrijk proces is. Wij zullen ons niet realiseren dat naarmate wij bewuster worden, een tegengesteld bewustzijn moet ontstaan van gelijke waarde. Onze bewustwording heeft dan ook niet de zin ons te verheffen tot God; het heeft slechts de zin ons te maken tot bewuste god, opdat wij uit een bewust scheppen tot een bewuste ontkenning van de zelfwerkzaamheid kunnen overgaan.

De consequenties van dit alles ‑ vooral tegen het einde van deze cursus ‑ zijn betrekkelijk groot. Wij zullen ons steeds meer moeten wijden aan een praktisch inzicht van juist deze kosmische wetten om te komen tot een beheersing van onze eigen omgeving. Een beheersing die niet slechts vanuit onszelf gaat, maar die het totaal van het zijnde omvat. Dat wij met een kleine afwijking van de gestelde onderwerpen op deze avond juist hiertoe zijn overgegaan, vindt mede zijn oorzaak in hetgeen wij zullen trachten verder te bespreken. Dat ik hier ongetwijfeld u wat zwaardere materie heb voorgezet dan u verwachtte, zul u mij vergeven, wanneer u weet dat andere sprekers, die over een reeks van eenvoudige voorbeelden beschikken, in een komend jaar u al deze problemen en aspecten nog verder zullen toelichten. Belangrijk echter – of u verdergaat of niet ‑ is op dit ogenblik voor ons vooral: kunt u zich realiseren wat het betekent?

De wereld is een spel van evenwichten. God is geen vaste waarde.

God wisselt voortdurend Zijn gestalte. Alleen het Bewustzijn dat de scheppende krachten dirigeert, blijft gelijk. Indien u zich dit realiseert dan hebt u daarmee een van de grote geheimen van de schepping doorgrond en een waar meesterschap over uzelf mogelijk gemaakt. Dat u daarnaast blijft geloven in en vertrouwen op de Kracht, Die het totaal van kosmische werkingen en wetten uiteindelijk in stand houdt, is logisch. Maar u zult zich daarop niet meer gaan beroepen. U zult trachten God, zoals Hij in u leeft, te verwerkelijken en niet om God ertoe te brengen Zijn wezen voor u tot werkelijkheid te maken. Het verschil betekent het scheppen van een evenwicht, waarbij licht en duister elkaar ontmoeten, waarbij de totale werking van de kosmos ophoudt. En daarvoor in de plaats treedt het volledig kennen van de Kracht Zelf. En dit is het einddoel, niet slechts van onze cursus, maar van alle leven.

De wet van evenwicht in de magie

Wanneer wij in de magie werken met zekere krachten, dan kunnen wij dat nooit helemaal direct doen. Om een voorbeeld te geven: Wanneer een neger‑magiër een ander aan het doodspreken is (aan het doodbidden zouden wij waarschijnlijk zeggen), dan doet hij dit door eerst een andere kracht in het leven te roepen. Dat is dus heel typisch: hij schept een geest of een demon, hij geeft levenskracht aan een bestaande demon, opdat deze dood zal brengen; terwijl wanneer hij geneest, dus een ander het leven geeft, daarvoor weer demonen vernietigt. En de hele primitieve magie is op datzelfde principe eigenlijk gericht. Wanneer ik: bv. vandaag een rijke oogst wil hebben, dan vernietig ik een stukje van een vroegere oogst. Men bracht graanoffers om vruchtbaarheid af te bidden. Om een onthulling te krijgen van de feiten van de kosmos (toekomstige ontwikkeling), las men in de ingewanden van dieren. Om zekerheid te vinden omtrent gebeurtenissen en wat je moest doen, maakte men gebruik van toeval. Denk maar aan de heilige vogels die graantjes moesten pikken (in Babylon bv). Daar zien wij dus allerhande soorten magische handelingen die eigenlijk beginnen met het tegendeel van wat ze beogen. Dat gaat zelfs zo ver dat bv. de vruchtbaarheid soms bevorderd werd door onthouding; dat men door water te verspillen water opriep; dat men de symbolische beweging vaak als een strijd voorstelt, wanneer men in feite een gunst wil verkrijgen.

Die principes doen de gewone mens een beetje vreemd aan. Een gewoon mens denkt: Als ik een pond grutten wil hebben, dan moet ik naar de kruidenier gaan en daarvoor betalen. Hij vergeet dat hij dan ook iets doet, want hij gééft eerst voordat hij iets verkrijgt. Maar de magiër doet dat primitiever. Die zegt: Ik wil een pond bonen hebben, dus offer ik een aantal bonen op. En de essentie van die bonen die ik vernietigd heb, zal dan (als weerkaatsing van de magische handeling die ik erbij heb verricht) de krachten van de geest (of de demonen of hoe je dat noemt) nopen om een aantal bonen te scheppen en zo van me af te komen. Dus de zaak effen te maken.

Er is altijd een noodzaak in de magie, n.l. om de zaak af te werken. U hebt misschien weleens gehoord van de magiërs die de zgn. pijl schieten. Het is eigenlijk een Tibetaans gebruik, maar het komt ook in India voor en het werd in het verleden ook nog wel gebruikt door bepaalde priestergroepen, o.a. bij de Kelten en de Kimbren. De magiër schiet een pijl af, zo maar willekeurig in de lucht. Hij laadt deze met gedachten aan dood. Om deze dood te verkrijgen, heeft hij (zoals ik u dat vertelde over de magiërs van Afrika) eerst allerhande torentjes gebouwd. Het is typisch dat de Kelten en de Kimbren daarvoor een koepelvormpje gebruikten; de Tibetanen gebruiken daarvoor een piramidevormpje en de Indiërs gebruiken daarvoor een soort stupavorm. Dat is dus ook eigenlijk een beetje koepelachtig. Dat wordt dan gemaakt van voedende bestanddelen. Dat is een offer. Men probeert met de essence die daaruit voortkomt, a.h.w. een kracht te scheppen, die dadelijk a.h.w. de dodende pijl moet bezielen.

Nu zit er eén ding aan vast. Wanneer die pijl wordt afgeschoten, is het natuurlijk mogelijk, dat degene op wie je schiet, een schild heeft. Dat is dan een geestelijk schild. Het kan magisch zijn; en het kan ook voortkomen uit de natuurlijke gesteldheid van die mens. Wanneer die pijl geen doel treft, zal hij terugkeren tot de magiër en die doden. Dat kan niet anders. Want er is aan de essence van bestaande voedingsmiddelen plus aan de magiër een hoeveelheid kracht onttrokken. Die kracht is geprojecteerd in een veld, waar zij niet hoort. Zij is nl. gebracht op wat wij noemen het astrale terrein. Op dat astrale terrein kan die kracht zich uitwoeden, maar zij moet zich weer ontladen in het stoffelijke. Zij moet een gevolg in de stoffelijke wereld hebben; zij kan niet zomaar heen en weer blijven zweven. Zij heeft een band met de magiër, die gericht heeft, plus het doel, waarvoor zij bestemd is. Voor de rest is zij in die wereld niet‑kennend, niet‑wetend; dus keert zij automatisch tot de magiër terug, als zij het doel niet kan treffen. En de magiër, die heel bekwaam is en die daarop rekent, kan dan ook nooit een schild tegen deze kracht gebruiken. Want dan blijft die kracht heen en weer gaan en blijft hijzelf aan die magische handeling voortdurend gebonden. Dan zal hij daarvoor bv. een dier nemen en geeft dat dier als offer aan die kracht. En de dood van dat dier geeft dan het evenwicht terug.

Zo zijn er natuurlijk heel veel magische praktijken, waar wij in het begin vreemd van opzien. Wat zou u er bv. van denken als u ziet dat een magiër een reeks van figuren op de grond trekt, daarin allerhande geheimzinnige namen kriebelt en dan op bepaalde punten lampen gaat zetten met licht. Het een moet zuiver bijenwas zijn, het ander talk, of wanneer hij zwart‑magiër is, gebruikt hij ook wel zwavelkaarsen (dat is was met een zwarte kleurstof plus fosfor en zwavel; eenieder heeft er zo zijn eigen recepten voor); en dan allerhande reukwerken. Dan zou je zeggen: Wat kun je nu geestelijk bereiken, wanneer je brandnetels gaat verbranden. Ja, als je dat ziet als een brandnetel, dan heeft het weinig zin. Maar die brandnetel bevat bepaalde essences. Die essences komen bij de verbranding vrij. En die essences behoren tot de groepsgeest die de brandnetels regeert en misschien de bijbehorende families. Het resultaat is, dat ik ‑ door die krachten te laten opgaan ‑ een werking tot stand breng bij die groepsgeest. Die groepsgeest heeft zijn invloed natuurlijk niet alleen maar in de plant, maar ook op de geestelijke terreinen die ermee verbonden zijn. Zo heb ik een hele geestelijke wereld geactiveerd.

Nu heb ik die kracht, nu moet ik haar ook ontladen. Die ontlading kan ik natuurlijk richten op de kosmos zelf bijvoorbeeld. En dan krijg ik de bekende formule die men gebruikt wanneer er een demon is opgeroepen en die men wil verdrijven, ook al bij magische bezweringen: Zo zeg ik u in de naam van de Allerhoogste: ga! Dan ontlaad ik op de Allerhoogste, dus ik laat het oplossen in het totaal. De uitwerking is dan schijnbaar nul. Maar alle kracht die zo’n demon of geest heeft nodig gehad om te verschijnen, wordt dan opgelost in de omgeving, in het totaal. Geen kenbare uitwerking maar voor het totaal van de wereld een kleine vergroting van energie.

Maar ik kan het natuurlijk ook doen op één bepaald doel. Dan kan ik zeggen tegen zo’n demon: Je gaat hier of daar naartoe, je gaat naar dit of dat kijken en als je het gezien hebt, kom je het mij vertellen.

Dus de demon dwingt tot waarneming. Dan zal die demon voor die waarneming, kracht gebruiken en door het uit te spreken wederom kracht; en die krachten tezamen zullen altijd evenredig moeten zijn aan de kracht die noodzakelijk is geweest voor de verschijning. Wat hij van mij verder aan levenskracht heeft gekregen daarvoor, of wat hem aangenaam is geweest (als je met demonen hebt te doen, zie je heel vaak vers bloed, geitenbloed of mensenbloed, daar zijn die heren schijnbaar nogal dol op, zij zijn dus geen vegetariërs), dus voor de krachten die je zelf gebruikte, heb je een evenwicht gekregen. De krachten die je uit jezelf geeft, kom je tekort, maar die openbaart zich weer in de noodzaak meer energie te winnen en die wordt weer gecompenseerd door handelingen van jou uit. Op deze manier heeft dus zelfs zo’n rituele bezwering met lampjes en kaarsjes en schoteltjes toch wel degelijk zin. Zo zijn er honderden gebruiken aan te halen, die werkelijk allemaal berusten op die evenwichtsverhouding. Het dodenoffer bv. dat vinden wij in Europa weinig of niet. Onbewust doet men dat nog door een lampje te branden op een bepaalde dag op een graf en er een bloemetje neer te leggen. Dan bedoel je dus ook eigenlijk dat je de essence van het licht en van de vreugde die de bloem met zich brengt, aan de geest wilt schenken. Je geeft hem dus in werkelijkheid je gedachten en misschien ook een zekere essence, als die geest in staat is die aan te nemen.

Maar de voorouder‑offers die wij in andere landen soms zien, zijn voor ons begrip heel eigenaardig. Want men gaat naar zo’n graf toe en zet daar bv. een kom met rijst neer (mooie witte rijst met verschillende gerechten erbij) en er wordt een bloempje bij gelegd. En dan zeg je: “Dat is een heel diner. Moet die geest daar komen dineren?” Dat is de bedoeling niet. Maar de bedoeling is dat de geest de essence daarvan zal nemen. Wanneer die geest dat doet, kan hij nooit kwaad tegen jou gestemd zijn, want hij heeft iets van jou aanvaard en nu moet hij iets teruggeven.

Op dezelfde manier kennen bv. de Chinezen het verbranden van zgn. schijnwaarden; dus het imitatiegeld, de imitatie-meubeltjes en huizen, allemaal van papier. Het gaat er niet om dat ze daar een huis nodig hebben. Ja, het volk gelooft dat misschien. Maar in feite gaat het hierom, dat je een idee geeft en dat de geest teruggeeft. Want ze kan niet alles behouden wat haar is gegeven, maar moet een groot gedeelte ervan steeds weer ter compensatie aan de stoffelijke wereld teruggeven.

Indirect kom je zo ‑ we zijn nu toch met China bezig‑ terecht bij de wet van Tao. Dat is de wet van de absolute gerechtigheid, van de absolute evenwichtigheid, van alles op zijn plaats. Dat “alles op zijn plaats” is eigenlijk precies hetzelfde, wat de magiër bedoelt. Alleen zegt hij niet: “Alles is door God op zijn plaats gesteld of door een kosmische wet of alles” hééft zijn plaats.” Maar hij zegt: “Het hele leven is net een schaakbord. Wanneer ik één stuk verzet, verander ik verhoudingen en die zullen door mijn tegenpartij (de kosmos) moeten worden gecompenseerd.” Een magiër brengt dan ook heel vaak een offer, zoals de schaker een offer van een pion aanbiedt in de hoop, dat hij voor een paard een raadsheer kan krijgen.

Op deze manier dus probeert de magiër eigenlijk voortdurend door iets te geven een handeling van de andere kant af te dwingen. En als je nu maar weet, hoe die wetten functioneren dus wat je naar een andere sfeer kunt toesturen en hoe, dan kun je er ook verzekerd van zijn dat de andere sfeer iets terugdoet.

Nu gebeurt het natuurlijk weleens dat je je vergist; dat je dus een ander een klap op zijn tenen wilt geven en dat je misslaat en jezelf raakt. Dat komt ook in het gewone leven voor, nietwaar? Heel veel vaders hangen geen schilderijen meer op vanwege hun duim, die heeft al te veel geleden. En heel veel magiërs trekken zich uit de magische bezweringspraktijken op de duur terug, omdat te veel van wat ze hebben gedaan op henzelf terugsloeg. Maar dat ligt aan een onhandigheid, aan een kleinigheid.

Dan kun je zeggen: Die kleinigheid kun je overwinnen. Maar ook dat is niet meer waar, want de mens die zichzelf vormt, schept ook een vaste relatie tussen zichzelf en de wereld die hij niet zonder meer kan loslaten. Je bent wat je van jezelf maakt. En de meeste mensen (als u het mij vraagt) maken, en van uit het standpunt van evenwicht en van uit het standpunt van magie, van zichzelf iets verkeerds. Ze maken van zichzelf nl. iets, wat geen perfect evenwicht heeft. Ze vermijden a.h.w. de veelzijdig­heid. Ze proberen erg eenzijdig te zijn in hun denken en beleven. Ze komen zo tot een leven wat goed is en met daarachter een leventje wat kwaad is. U weet het wel: Pa is buiten vriendelijk en een reuze joviale vent, maar als hij thuis is, heeft hij voortdurend ruzie met ma.

Dat zijn van die dingen die regelmatig voorkomen. Maar uit magisch standpunt gezien, is dat volkomen fout. Want als nu die onvriendelijkheid vermengd werd met de vriendelijkheid, zou men een evenwichtig geheel krijgen, een gelijkblijvend geheel. Dat heeft een vaste relatie met het heelal. Dus zou die mens uit het heelal ook een vast antwoord krijgen. Maar omdat hij die evenwichtigheid voor zichzelf niet tot stand weet te brengen, krijgt hij antwoorden a.h.w. op twee plaatsen tegelijk. En nu weet u, wanneer u een duwtje krijgt in de goede richting (bv. als u moet starten bij een wielerwedstrijd), dan scheelt dat een heleboel kracht; u bent op gang gekomen. Maar als u gelijktijdig ook een helper aan de andere kant neerzet, die u terugduwt, dan krijgt u misschien pijn in de maag van de twee stevige duwen die u hebt gekregen, maar u komt geen cent vooruit.

De doorsnee mens doet van uit magisch standpunt juist dit. Hij stelt zich aan de ene kant met een leven van gedachten, van begeerten, van werken, waarvan hij zegt: “O, dat is niet goed” maar hij wil het toch eigenlijk wel. Aan de andere kant is er iets, wat hij eigenlijk niet wil, maar waarvan hij zegt: “Dat is goed” en dat doet hij. Dan heeft hij twee krachten die tegen elkaar in werken. Daardoor krijgt hij voortdurend klappen daar waar hij ze niet verwacht; tegenslagen, waarmee hij niet gerekend heeft; staat hij voor problemen die hij niet kan oplossen. Dat ligt dus in feite aan die mens zelf. Het is maar goed dat hij dit niet begrijpt, anders zou hij misschien zich daarover ook maar weer zorgen maken.

In de magie is het dus zo: ’t is een vaste balans. De dingen hebben hun vaste plaats. Wanneer ik één ding verplaats, al is het nog zo klein, zal ik ergens anders ook iets verplaatsen. Zelfs de sympathische magie berust daarop. Dus bv. het prikken in een beeldje om een prik te laten voelen aan iemand anders, berust er ook op dat ik hier een handeling verricht, die ‑ door de impulsen die ze met zich meebrengt – elders een soortgelijke uitwerking moet hebben. En als je het nu van uit dit standpunt bekijkt, is het voor de magiër eigenlijk heel gemakkelijk, als hij maar precies weet wat hij doen kan en wat hij doen moet. Hij kan dan nl. door willekeurig in zijn eigen naaste omgeving dingen te veranderen, te verschuiven, te gebruiken, overal op de wereld dergelijke veranderingen veroorzaken. En de enige voor hem misschien onplezierige consequentie is, dat wanneer dat andere punt, dat hij wil verschuiven, te vast staat omdat daar veel relaties mee verbonden zijn (dus het is een hechter blok dan hij dacht), dan krijgt hij zelf die schok en moet hij dus zelf a.h.w. van plaats veranderen om te zorgen dat de kosmos doordraait.

Een werkelijke paradox bestaat er kosmisch niet. Een paradox zou gelijk staan met de uitblussing van het zijn. Want dan vallen de tegenstellingen weg omdat het onmogelijke gebeurt en daarmee de wetmatigheid vervalt. Die wetmatigheid is de noodzaak voor de magiër. En daarom zegt hij dan: Evenwicht is voor mij de zekerheid, waarmee ik mijn werken kan bepalen. Want zolang ik bewust mijzelf verplaats binnen het kosmisch geheel, zal er elders een verplaatsing moeten geschieden, die mijn eigen bewegen a.h.w. voor de kosmos opheft. Weet ik dat ‑ als ik mij zo beweeg ‑ daar die beweging gebeurt, dan heb ik een magische handeling. Want doe ik A. dan zal B. het tegenovergestelde ervaren. En dat is nu het hele principe waar het hier om gaat.