Aspecten van de menselijke ontwikkeling

uit de cursus ‘Geestelijke ontwikkeling’  –  ( Inleiding en Hoofdstuk 1)      oktober 1957

Inleiding.

De geestelijke ontwikkeling van de mens brengt met zich dat hij door verschillende stadia van stoffelijk bestaan heen uiteindelijk komt tot een geestelijke bereiking. In deze geestelijke bereiking blijft de stofuiting voor hem een mogelijkheid en kan zij onder omstandigheden een noodzaak worden. Zeker is het dat, naarmate het geestelijk bewustzijn verder openbloeit, het eigen vermogen tot bewuste beheersing van en de uiting in de stof steeds groter wordt.
In onze beschouwingen is het niet mogelijk alle aspecten der geestelijke ontwikkeling zonder meer aan te stippen. Wij zullen dan ook trachten in de loop van onze betogen hoofdzakelijk uit te gaan vanuit het menselijk standpunt en in dit menselijk standpunt neer te leggen alle kennis, die wij bezitten omtrent zowel de eigen innerlijke toestand van de mens, als zijn relatie tot het Goddelijke.
Daarnaast hoop ik u in de verschillende lezingen, die mij zijn toegewezen gedurende deze cursus, ook enige richtlijnen te kunnen verstrekken, die het u misschien mogelijk maken ook zelf tot een grotere geestelijke ontwikkeling te komen.

Aspecten van de menselijke psyche

Het wezen, dat wij mens noemen, bestaat uit vele verschillende graden van voertuigen plus een kernkracht, die wij kortheidshalve ‘ziel’ noemen. De voertuigen moeten worden gezien als overblijfselen van een voorgaande ontwikkeling. Dit zal u duidelijk worden, wanneer u zich tracht in te denken hoe de psyche, die u thans bezit, oorspronkelijk tot stand kwam.
In het begin was de Alkracht. En deze Alkracht uitte Zich in wat wij kennen als ‘de schepping’. Hierbij werd een persoonlijk zijn geboren. Maar een persoonlijk zijn, dat nog geen persoonlijk bewustzijn betekende. Naarmate de persoonlijkheid meer en meer zichzelf leerde kennen en begrenzen, ontstond een afpaling binnen het gebied, waarin zij vertoefde.
Men is vaak geneigd aan te nemen dat hierbij alleen de grove materie een rol speelde. Ik zou dit willen bestrijden op grond van de volgende punten. In de eerste plaats: de mens – of beter gezegd de ziel ‑ moest zich uiten in de materie, toen deze nog in een volkomen toestand van chaos verkeerde. Chaos betekent: fijnste materiedelen, geschapen, maar nog geen vorm. Deze fijnste materiedelen vinden wij terug in voertuigen, die gaan tot ver boven de z.g. Zomerlandsfeer.
Wij vinden verder dat een vormbewustzijn moest worden verworven, voordat ook maar enigszins een eigen ervaren bin­nen die omgeving mogelijk was. Begrenzingen vinden wij zelfs nog in de sfeer van kleur en licht, waarin soms als lichtende bollen de zielen met hun voertuig een bewust bestaan voeren en de eenheid met het Goddelijke terugvinden.
Dan, om te komen tot een aanvaarding van een stoffelijk voertuig, moet een bewustzijn omtrent behoefte ‑ dus ook reeds omtrent de gevormde buitenwereld ‑ aanwezig zijn. Dit brengt weer met zich mee dat dus ook de voertuigen, zoals we die kennen in het werkelijk Zomerland, aanwezig moesten zijn en, méér dan dat, de reeds verdichte fijne materie, die wij ook kennen in de vorm van gebonden levensvitaliteit: het astraal gebied.
Over nl. deze voertuiglijke mogelijkheden moet dus reeds de ziel beschikken, voor ze kan komen tot een grofstoffelijke uiting. In deze grofstoffelijke uiting kan zij haar ervaringen: steeds verder tot een bewustzijn maken, dat tevens op haar voertuigen – de fijnere materie ‑ invloed heeft. Het voertuig vervormt dus in zijn uitdrukking, maar blijft gelijk in zijn geaardheid. De menselijke psyche bevat dus buiten de stoffelijke aspecten nl. deze geestelijke aspecten en wel in een vormuitdrukking, die voor het huidig stoffelijk uitingspeil bepalend is.
Wanneer wij vanuit een menselijk standpunt echter het psychisch zijn en ook welzijn nagaan, dan blijkt ons dat het menselijk bewustzijn in zijn stoffelijke vorm reeds splitsbaar is in verschillende gebieden. Hierover is in vorige lezingen reeds zoveel gezegd, dat het mij niet noodzakelijk lijkt hierop veel verder in te gaan. Kortheidshalve som Ik ze dus op. Verklaringen kunnen dan zo nodig later worden gegeven.

  1. Bewustzijn, waakbewustzijn, omvattende het direct weten en kennen.
  2. Onderbewustzijn, omvattende volgens menselijke voorstelling het totaal der niet‑bewuste acties en reacties, schuilend in het lichaam, plus alle ervaringsbeelden, die voor het bewustzijn niet realiseerbaar zijn.

Daarnaast zien wij ziele‑bewustzijn, een kernbewustzijn van het eigen geestelijk wezen, waarbij de ziel dus de vorige levensvormen en ervaringen gedeeltelijk weerspiegelt binnen de huidige menselijke uiting.
Bovendien bestaan dan nog bovenbewustzijn, gebaseerd op een eenheid met gedachten van anderen. Deze eenheid kan o.a. gevonden worden, indien men de telepathie nader beschouwt.
Naast bet bovenbewustzijn vinden wij het groepsbewustzijn, waarin reeksen van eigenschappen worden uitgedrukt, die elk voor zich een volledig beeld geven van de stoffelijke grondvorm en als zodanig van deze vorm ‑ en niet direct geestelijk ‑ inwerken op je geest zelf.
Blijft ons nog te herinneren aan de kosmische kracht, die onder omstandigheden ‑ maar lang niet te allen tijde ‑ deel kan uitmaken van bet bewustzijn. Deze zal ik kort nader omschrijven.
Volgens de scheppingstheorie, die wij kennen, d.w.z. én vanuit het Goddelijke plotseling én éénmalig ontstaan, dat in zichzelf geen evolutie of involutie meer kennende, zichzelf gelijk blijft vanuit goddelijk standpunt, kunnen we zeggen dat het totaal van het gebeuren, dus van al wat in het verleden ligt of in de toekomst zal zijn vanuit ons standpunt, hierin volledig is vastgelegd en uitgedrukt. Daar deze kosmische kracht in zichzelf één is met de fijnst voertuiglijke kracht, die wij kennen, nl. het onmiddellijk voertuig van de ziel, dat we geest noemen, zijnde loutere kracht zonder directe stoffelijke beperkingen of eigenschappen, mogen wij aannemen dat het menselijk bewustzijn door deze verwantschap soms bewust, soms onbewust, zal kunnen putten uit het totaal der wetenschap, vastgelegd in de kosmos. Dit houdt in dat het verleden niet teloor kan gaan en dat je toekomst geen geheim is voor de ware ingewijde.
En na deze opsomming van de componenten; waaruit ook u, mijn vrienden, bestaat, moet u mij toestaan enkele aspecten te belichten, die in het zuiver menselijk leven zo sterk naar voor komen.
Het menselijk zijn wordt geregeerd door twee factoren: angst en begeren. Wij kunnen trachten door ons eigen voorstellingsvermogen, onze innerlijke waardering hiervan te veranderen. Aan de feitelijke invloed is geen verandering aan te brengen. Dit houdt in dat het totaal van uw bestaan dus een voortdurende reeks van schakeringen betekent waarbij angst en begeren t.o.v. elkaar voortdurend worden afgewogen.
In het aspect angst kennen wij onmiddellijk het aspect zelfbehoud. Wanneer een angst optreedt, onverschillig op stoffelijk of geestelijk terrein, zal de persoon trachten zich aan de oorzaak van die angst te onttrekken. Hij gebruikt hiervoor twee methoden, al naar gelang van zijn eigen instelling en waardering van eigen persoonlijkheid. Namelijk agressie, waarbij dus aanvallenderwijze men tracht de ontstane weerstand, die angst veroorzaakte, te overwinnen; en daarnaast, minstens zo vaak voorkomend, het vlucht‑ symptoom waarbij men tracht òfwel geheel aan het gevreesde te ontkomen, dan wel althans het bewustzijn te sluiten voor de gevreesde factoren.
In uw stoffelijk leven zullen deze beide factoren voortdurend hun invloed doen gelden. Angsten, die voor u te zwaar waren, brengen bij u een automatische afweer teweeg tegen elke gelijksoortige invloed. U ontkent dan dus krachtens een éénmalige ervaring een geheel deel der ervaringsmogelijkheden. En dit gedurende het gehele leven. Verder zult u juist in uw angst voor het leven vaak daar aanvallend optreden, waar in feite geen aanval noodzakelijk is, om de doodeenvoudige reden dat lange tijd geleden een dergelijke aanval u succes of schijnbaar succes bezorgd heeft.
Het is goed deze beide punten voor uzelf nader te overwegen. Wij kunnen moeilijk gaan analyseren en u gaan zeggen: Dáár liggen de oorzaken van uw eigen handelingen. Maar u zult uzelf ongetwijfeld bewust worden bij nadere overweging, dat ook bij u angst én voor agressie en voor ontwijking voortdurend aansprakelijk is.
Het tweede aspect van het stoffeIijk bestaan, het begeren, loont ons zo mogelijk nog grotere conflictwaarden. Want door het bewustzijn, dat de mens zich heeft verworven, begrijpt hij in vele gevallen het, vanuit geestelijk standpunt, niet‑aanvaardbaar zijn van de stoffelijk begeerde punten, objecten, en belevingen. Als resultaat zal in de doorsnee‑mens zelfs een zekere angst tegenover het begeren schuilen. Dit brengt weer met zich mee, dat hij dus ‑ in zijn begeren geketend ‑ komt tot een voor hem niet meer natuurlijke leefwijze, met alle gevolgen van dien. Dit laatste aspect zullen wij in het verder verloop der cursus nogmaals uitvoeriger belichten.
Wanneer wij nu deze drijfveren vanuit het stoffelijke hebben vastgesteld, wordt het noodzakelijk als volgende aspect van het psychisch bestaan te zien: onze stoffelijke mogelijkheid. Want is deze niet mede bepalend voor de wijze, waarop wij geestelijk ‑ dus tot in de ziel toe zelfs – beleven? De stoffelijke mogelijkheden voortdurend te zijn aangepast aan eigen behoeften, terwijl eigen begeren moet worden aangepast aan het bewustzijn omtrent werkelijke noodzaak.
Een wijze geleerde in de tijd van Hammoerabi heeft eens, nu bijna 4000 jaar geleden alweer, gezegd: “Wee hen, die begeren omwille van het begeren. Want waar zij hun krachten geven aan het begeerde, gaan zijzelf onder. Maar gelukkig zij, die weten, wat hun noodzaak is. Want, in het vervullen der noodzaak, vinden zij de kracht verder begeren te verwerpen.”
Hierin is kort het gehele stoffelijke leven van de mens ge­schetst. Stoffelijk bestaan betekent, vanuit psychisch standpunt, een voortdurend jezelf beperken; en gelijktijdig een zoeken naar de mogelijkheid om jezelf niet te zeer te binden, zodat je door lichamelijke tekorten geen verdere bewuste ervaring kunt opdoen.
Hierna wil ik het stoffelijke een ogenblik wat laten rusten. Ik wil, het onderbewustzijn overslaande, onmiddellijk gaan spreken over het zielebewustzijn van de mens. Juist waar deze factor in het menselijk bestaan meestal niet zo goed begrepen wordt, ja, veelal geheel verwaarloosd, is het noodzakelijk dat wij aan het begin van deze cursus ook dit aspect leren begrijpen en voor onszelf leren dit te hanteren.
Een zielebewustzijn kan worden uitgedrukt als het totaal van eigen ervaringen plus het bewustzijn van eenheid met het God­delijke. Het zielebewustzijn is de kracht, die binnen mens en geest drijft tot een voortdurend zoeken van eenheid. Een eenheid, die vaak op vreemde en gedwongen wijze wordt gerealiseerd (dit is afhankelijk van de sfeer of wereld, waarin men vertoeft), maar die te allen tijde een behoefte blijft.
Door nu te begrijpen dat de eenheid, die wij zoeken, van het Goddelijke bestaat, zullen wij leren de drang om b.v. iets voor anderen te doen, om met anderen gezamenlijk iets te volbrengen enz. te herleiden tot een deel van de goddelijke kracht, door ons geuit. Dit brengt met zich mee het grote voordeel, dat men niet meer als eenling (en dus met bewustzijn van eigen onvermogen) zijn pogingen zal volbrengen. Dat men verder eigen succes of slagen niet meer zal trachten af te meten aan voor het stoffelijk bewustzijn bevatbare waarden.
Het is zeer belangrijk dat u juist dit begrijpt. Want, mijn vrienden, de kern van alle kracht, die wij in de psyche kunnen putten, die ons in staat stelt om zelfs de stoffelijke problemen te overwinnen, is de zielekracht. En deze zielekracht kunnen wij slechts in onszelf wekken door een ontkennen van het eenling zijn, van het alleen zijn.
De ziel staat dicht bij God. Zij is tijdloos. Het is begrijpelijk dat de kracht der ziel evenzeer tijdloos is. En dat de werkingen, die van haar uitgaan, niet kunnen worden gemeten met menselijke tijd of geestelijke ervaringsrijkdom. Deze kracht is en werkt in ons. Indien ons zielebewustzijn in staat is het zijn van deze kracht in ons leven te realiseren en af te drukken in het stoffelijk wezen en bestaan, zullen wij met een bewustzijn, ook stoffelijk, ofschoon niet redelijk verklaarbaar of aanvaardbaar omtrent algemene eenheid en in ons levende grote kracht, aan onze werkelijke bestemming sneller kunnen beantwoorden.
Dan zijn er punten, die ofschoon niet zo belangrijk als het voorgaande, toch kort dienen aangestipt te worden.
De menselijke geest, bestaande uit vele verschillende voertui­gen, is niet geheel gebonden aan het menselijk lichaam, noch bestaat er tussen deze voertuigen zelf een volledige en hechte binding. Er is een contact, een beroeringspunt, zeer zeker waar. Maar dit contact en beroeringspunt houdt niet in (uit­drukkelijk niet in) dat de voertuigen gebonden zijn.
In de praktijk zal men hiervan niet zoveel bemerken zij het dan misschien, dat in een toestand van uittreding of van droom men een ogenblik vertoeft op astraal gebied met zijn bewustzijn. In feite leeft echter elke mens voortdurend en te allen tijde op elk gebied, waarvan hij het voertuig binnen zich draagt. En dit betekent voor ons allen dus een voortdurende uiting, op alle gebieden, die binnen de menselijke bewustzijnsvorm tot uiting kwamen en die mede aan de vormgeving ook van het menselijk bewustzijn hebben gewerkt.

  • Het is me nog niet helemaal duidelijk, wat u bedoelt met menselijke geest in vele voertuigen. Kunt u dat nog een klein beetje nader uitleggen?

Onder menselijke geest verstaan wij de krachtkern, die zich groeperende om de ziel en mede als deze bestaan­de uit goddelijke kracht, het totaal der bewustzijns­impressies der verschillende sferen opvangt. Dat wil dus zeggen dat hij op zichzelf b.v. niet één is met het astraal lichaam en de verschillende andere levens­lichamen, die er bestaan. Elk van deze lichamen, be­voertuigingen, is dus niets anders dan een middel, waarmee de geest zich beweegt, waarneemt en leeft in een bepaalde sfeer. Waar het bewustzijn van de geest niet vereenzelvigd kan worden met het stoffelijk be­wustzijn, kan, ofschoon dat voor een mens moeilijk voor­stelbaar is, voor de geest een gelijktijdig leven zich op verschillende vlakken afspelen. Dit is niet noodza­kelijkerwijze zo, maar het is een mogelijkheid, die zeker niet geheel misacht mag worden. Is het hiermee duidelijker?

  • Ja, maar het gevolg is dan dat dit zal voortgaan als we als mens zijn overgegaan en leven in de geestelijke sfeer.

Inderdaad. Dit gaat zelfs zover voort dat, ofschoon u geen bevoertuiging meer heeft in de stof, u toch op zekere wijze met de stof gebonden blijft. Er bestaat een voortdurende wisselwerking tussen wat in de materie gebeurt en de geest tot in de hoogste sferen. En deze wisselwerking betekent dus ‑ ook in andere sferen ‑ een bepaalde ervaringsmogelijkheid. Ik zou zeggen: ook weer een aspect van de psyche daar, zij het dan dat die evenmin volledig wordt uitgedrukt als bij u b.v. het onder­bewustzijn. Is het duidelijk geworden?

In het geestelijk aspect met zijn meervoudige belevingsmogelijkheid kan ‑ ook wanneer de mens in stoffelijke vorm bewust is ‑ zich dus een gelijktijdig beleven op andere vlakken afspelen. Dit beleven zal ongetwijfeld op de geest, de kern dus van alle bewustzijn, zijn eigen afdruk geven. En deze wordt weerkaatst naar de materie. Zo kan een beleven op één geestelijk niveau een totale omslag van eigen bewustzijn en bewustzijnswaarden in de stof betekenen.
Deze veranderingen kunnen echter bij strijdigheid in de persoon leiden tot wat men hier noemt ‘een aberratie der geestelijke vermogens’. Er blijft dan naast het nieuwe bewustzijn een gewijzigd stofbewustzijn bestaan. En de strijdigheid tussen deze beide brengt een gedrag tot stand, dat volgens menselijke normen niet redelijk genoemd mag worden.
Verder is het ongetwijfeld belangrijk vast te stellen dat slechts dan de geest kwetsbaar is in een der sferen, wanneer het totaal van haar lichamen binnen die sfeer ook inderdaad aanwezig is. Buiten deze eenheid kan één voertuig worden getroffen, maar dit wordt niet bewust verwerkt. Er is dus dan geen beleving van de vernietiging, slechts een vaststelling.
Op elk terrein is men aantastbaar in het voertuig van dat gebied. Een mens, die zich dus op astraal gebied beweegt met zijn astrale lichaam, zal op dit gebied evenzeer gewond kunnen worden, gedood kunnen worden, enz. als in het zuiver stoffelijke lichaam. In dergelijke gevallen zullen tekenen daarvan door de beïndrukking van zenuwkanalen ook in het stoflichaam kunnen worden gespiegeld.
Het is dus zaak voor ons dat wij te allen tijde leren, wanneer wij al geestelijk gaan werken, aan de gevaarlijke gebieden te ontsnappen. En dit houdt in dat, zo het enigszins mogelijk is, geen enkele mens, die streeft naar het licht, zich buiten het lichaam met zijn bewustzijn mag bewegen in een astraal voertuig. Dit is te sterk aantastbaar. En nu enkele punten, die weer meer het stoffelijke beroeren.
Psychologisch gezien is het totaal van het menselijk bewustzijn een opeenhoping van indrukken en associaties die een uiteindelijk wereldbeeld vormen en een waarneming binnen de stoffelijke wereld ook met het verstand mogelijk maakt. Waar deze indrukken in vele gevallen verdrongen worden door latere, ofwel verdrongen worden doordat men ze vreest, is het belangrijk op te merken dat de invloed op het stoffelijk bestaan niet kan worden uitgeschakeld. Dit houdt dus in dat een misdaad b.v. stoffelijk geheel ongewroken en verborgen kan blijven, door de persoon in kwestie vergeten kon worden (verdringingsverschijn­sel dus) en toch zijn volledige invloed kan blijven uitoefenen binnen het menselijk leven.
Een verstandelijk leven alleen is dus niet voldoende. Er moet ook een evenwichtig leven zijn. En dit kunnen wij het best bereiken door tegenover elk punt, dat wijzelf als kwaad ervaren, een andere beleving te stellen, een andere daad of handeling, die voor ons uitdrukkelijk goed is geheten. Het evenwicht, dat wij zo binnen het menselijk deel der psyche scheppen, zal voorkomen dat wij te sterk door onbewuste waarden worden beïnvloed.
Stelregel: Hoe evenwichtiger men leeft zonder buitengewoon goed of buitengewoon slecht te zijn, maar voortdurend strevende naar een opheffing van alle kwade aspecten door goede, dan zal men in staat zijn verstandelijk en redelijk die beslissingen te treffen, die werkelijk passen binnen de belevingsmogelijkheid, die de wereld biedt.
Is men op deze wijze niet evenwichtig, dan komt er een beïnvloeding bij, die verstandelijk noch begrepen noch mede verwerkt kan worden en als resultaat krijgen we een afwijking bij elke handeling van het direct redelijk pad, waardoor een vergroting van ongemak maar ook van schuldbewustzijn vaak ontstaat. Wij dienen dit ten koste van alles te voorkomen zodat voor ons wel degelijk de spreuk van Rabbi Ben Jockaï mag gelden: “In mij ken ik de volledige waarde. Maar waar mijn denken weigert deze te aanvaarden, moet ik zoeken naar de rust, waarin mij de beleving geestelijk mogelijk wordt, terwijl mijn lichaam voortgaat zonder vrezen of begeren.” Evenwichtstoestand is noodzakelijk. Deze is de basis van alle werkelijke bewustwording, gaande over het weten en dus ook het verstand in menselijke vorm.
Naast dat onderbewustzijn kennen wij verder een gedeelte der psyche, ook stoffelijk, dat instinctief of automatisch een groot gedeelte van de handelingen regelt. Praktisch 9/10 van uw gebaren, van uw reacties elke dag weer, bestaat uit automatismen of instinctieve handelingen. Dit betekent dat de doorsnee‑mens dus slechts voor 1/10 invloed heeft op zijn eigen lichaam. Toch is de beheersing van het lichaam noodzakelijk, indien men een geestelijk bewustzijn stoffelijk volmaakt wil uitdrukken. Degene, die zoekt naar een geestelijke bewustwording, zal dus uiteraard ook tevens trachten te komen tot een redelijke lichamelijke beheersing.
Men verwerft deze door acties, die normalerwijze instinctief of onbewust worden verricht, ná te denken. Dat wil zeg­gen, nadat de handeling is verricht, realiseert men zich, wat hiervoor nodig is. Men tracht zich zo goed mogelijk zenuw‑ of spierwerkingen voor te stellen. Men beoordeelt het resultaat van de instinctieve handeling. Heeft men dit enige tijd gedaan, dan blijkt, dat over het algemeen nog rationeler en meer naar de gewilde indruk, gebaar of handeling kan worden herhaald op bewuste wijze.
Gelijktijdig dienen wij er aandacht aan te schenken dat onze levensritmes zijn aangepast niet slechts aan de uiterlijke omstandigheden, maar ook aan onze innerlijke behoeften. Daarvoor is het noodzakelijk dat we de volgende punten weten, die niet bij het onderwerp zelf behoren:
Een mens neemt een groot gedeelte van zijn vitaliteit en energie op uit de omringende atmosfeer. Hij vergroot dus eigen prana als od‑kracht door de inademing plus de wijze, waarop dus zijn lichaam én omgeving in wisselwerking bestaan. Waar de uiterlijke omstandigheden niet volledig gelijk blijven, zal men moeten trachten de ademhaling zowel als het ritme zelfs van de hartenklop aan te passen aan de behoeften, die geestelijk op een bepaald ogenblik ontstaan.
Hiertoe is het raadzaam eenvoudige ademhalingsoefeningen te verrichten, mits men deze niet overdrijft ‑ waarbij ze gevaarlijk kunnen worden ‑ terwijl men zich verder door een voortdurend voorstellen van de wenselijke toestand steeds meer gewent deze ook van de weg der concentratie bij zichzelf tot stand te brengen. Hierdoor kan men optimale condities verwerven voor een geestelijk beleven.
De psyche, die zich uit binnen een dergelijk beheerst lichaam, heeft de mogelijkheid veel bewuster te werken op elk terrein dan zonder dit mogelijk zou kunnen worden. Dit houdt dus ook in dat u alleen door een regelmatig ademhalen, door een bedwingen van uw lichaam, kunt komen tot een scherper opnemen van hetgeen men u b.v. zegt. U kunt mnemotechniek, dus geheugenkunde of ‑kunst, gaan beoefenen alleen door de juiste instelling tijdens het luisteren.
Daarbij komt nog een eigenaardigheid van het stoffelijk denken, vooral van het geheugen, naar voren. Het geheugen is in staat waarden te reproduceren, die niet bewust werden gerealiseerd. Men kan, door zich te wennen een totaal beeld in zich op te nemen, dit later in zich realiseren en daarbij op de duur alle details erkennen. Ik geloof, dat ook dit op de duur voor de meeste mensen, bereikbaar en bruikbaar is.
Het gebruik maken van alle lichamelijke en psychische capaciteiten, is noodzakelijk voor onverschillig welke berei­king. Stoffelijke bereiking, zonder gebruikmaking van de geestelijke kracht en vermogens, is niet aanvaardbaar. Evenmin kan een geestelijke bereiking worden gebaseerd op een negeren van de stoffelijke waarden en mogelijkheden. Slechts uit de eenheid van beide kan het juiste bewustzijn worden geboren.
Voor ik besluit wil ik daarom nog één punt toelichten, dat wel degelijk met de psyche samenhangt. In tegenstelling met wat men zich vaak voorstelt, zetelt het geestelijk bewustzijn niet in de hersenen. Weliswaar is het menselijk bewustzijn met zijn vele factoren daar ondergebracht en is het direct stoffelijk kenvermogen daar te vinden. Doch de geest zelf heeft via zijn verschillende voertuigen over het algemeen meerdere aanrakingspunten met elk lichaam, waarin hij zich openbaart. Voor de mens zijn dit de z.g. chakra’s, die samen­vallen met zenuwknooppunten. En hierbij kunnen we dan opmer­ken dat dus de geest op de onbewuste actie en reactie van de mens wel degelijk invloed kan hebben. M.a.w. de invloeden van de geest door de mens vanuit zijn stoffelijk bewustzijn is echter slechts mogelijk via de hersenen, via het voorstellings­vermogen.
Door de voortdurende wisselwerking, niet onderhevig aan realisaties op een bepaald vlak, kan de geest in zich alle feiten en toestanden realiseren, ook de punten, die stoffe­lijk niet waarneembaar zijn of stoffelijk opzettelijk worden genegeerd. De geest is dus een compendium van al hetgeen tot in het laatste detail, dat werd beleefd, waargenomen, enz.
Bij een verdere ontwikkeling van onze stellingen zullen wij ook nog trachten er op te wijzen hoe men, door zich in te stellen op deze geestelijke waarden, voor zichzelf een volkomen en in alle details juist beeld kan terugwinnen van alle handelingen en gebeurtenissen van het eigen leven, plus van alle waarden, die in de stof zijn behouden. Dit laatste sluit dus erfelijke waarden in, in zoverre met het lichaam onmiddellijk verknoopt, die teruggrijpen over de geboorte‑periode naar de ouders en bij sterke indrukken soms nog geslachten verder.
Uit het ontworpen beeld zult u ongetwijfeld de veelzijdigheid der menselijke psyche hebben leren kennen en ik druk de hoop uit dat met de nadere belichtingen, die wij in de volgende lessen zullen geven, voor u hieruit een persoonlijke, door uzelf geleide geestelijke bewustwording kan voortvloeien.

Vrijmoedigheid en schroom

Vrijmoedig ben ik, wanneer ik mijzelf ken en durf te aanvaarden, voor wat ik ben. Indien ik weet klein en nietig te zijn, maar ook weet deel van God te zijn, dan zal ik zeker niet schromen in Gods lichtende kracht te treden, ja, mij in haar schromen voor Gods licht te baden en te zuiveren. Maar indien ik geen begrip heb van mijn eigen wezen, indien ik niet begrijp, hoe ikzelf sta in de wereld, dan zal een schroom mij terughouden van de vele dingen, die ik in mijn wezen verlang en begeer, die rechtmatig behoren tot datgene, wat ook in mijn leven belangrijk is.
Schroom betekent niet slechts één overdenken, een zekere terughoudendheid. Schroom betekent een angst om te handelen. Het is een ontkenning van jezelf en de mogelijkheden, die in jezelf en in het leven schuilen. Schroom te overwinnen kost moeite. En toch is juist deze schroom, waarmee wij de dingen benaderen, voor ons zo vaak nadelig.
Wanneer wij vol schroom tot God gaan, durven wij de blik niet tot Hem op te richten. Wanneer wij vol schroom naar het goede proberen te streven, dan zal onze eigen weifelmoedigheid ons terughouden van een werkelijk bereiken. Beschroomd zijn is geen goede eigenschap. Vrijmoedigheid daarentegen wel.
Vrijmoedig zijn wil zeggen: je realiseren, wat jezelf bent. Ook jezelf realiseren, wat je voor de wereld bent. Maar deze twee dingen slechts dan achten, wanneer je je doel eerst hebt nagestreefd.
Het is zo makkelijk om te zeggen: “Met enige schroom tracht ik tot een geestelijk bereiken te komen.” In werkelijkheid zegt u dan: “Ik zou wel willen streven hiernaar, maar ik durf niet.” Iemand, die vrijmoedig is, denkt er niet over na, of hier nu wel of niet sprake zou zijn van slagen. “Dit is in mijn wezen,” zegt hij, “en daarom uit ik het. En wanneer die wereld daarop reageert op een onaangename manier, nou ja, dan moet ik dat dragen; maar ik moet toch mijzelf zijn.”
Vrijmoedigheid is geen brutaliteit, geen misachting van hetgeen anderen zijn of betekenen. Vrijmoedig zijn betekent jezelf durven zijn en de consequenties van wat in jezelf leeft, te durven dragen. Is er iets meer noodzakelijk voor ons dan een vrijmoedigheid bij het benaderen van onze levensproblemen?
Vrijmoedigheid in ons streven ook naar geestelijke waarheid. Hoe velen onder u luisteren niet met enige schroom naar hetgeen een spreker naar voor brengt. En die schroom belet hen vragen te stellen, die noodzakelijk zijn. Hoe velen onder u hebben niet in zich een zekere terughoudendheid, waardoor zij niet zichzelf met de gehele persoonlijkheid op een geestelijke bereiking durven te werpen.
Neen. Wanneer wij moeten mediteren over schroom, dan kun­nen wij zeggen: “Schroom is de rem die, in het ik bevat, je terughoudt van geestelijk bereiken.” Schroom is de kracht, die in je leeft en je belet op te zien tot het goddelijk licht.
Schroom is de kracht, die je in het leven terughoudt van sla­gen, die je belet te zijn, wat je behoort te zijn. Maar vrijmoedigheid daarentegen is de durf om jezelf te zijn. Om te zeg­ gen wat je meent. Om te streven naar wat je verlangt. Vooral ook om de ogen op te slaan, ook al schijnt het doel nog zo groot, nog zo hoog. Om de ogen niet neer te slaan, ook al lijkt het toch soms te gaan door duistere krachten. Jezelf te zijn is de grootste gave, die er bestaat.
Het woord ‘Ken Uzelf’ staat op zovele gebouwen, zovele wanden gegrift, in zo menig boek geschreven, het wordt door zovele leraren verkondigd. O, hoe kunt u uzelf kennen, wanneer u beschroomd nadert? Schroom kan ons niet helpen. Dit is iets, wat wij moeten overwinnen, desnoods tegen onze eigen gedachten ingaande een ogenblik.
Ik weet het, het zal vaak een wagen worden om vrijmoedig te zijn, een waagstuk, een avontuur. Maar heel ons leven is avontuur en heel ons leven is in de hand Gods. Wij zoeken, wij streven, wij menen onder te gaan of op te staan in nieuw leven, in nieuwe sfeer. Uiteindelijk zijn wij niet anders dan wat God ons heeft gemaakt. En dat te durven erkennen en dan te durven zoeken naar de waarheid, die God in ons heeft gelegd, met open oog voor alle dingen, met een eerlijk en oprecht woord voor alle gedachten, dat is de zegen der vrijmoedigheid. Laten wij dan voor onszelf, voor wij gaan het voornemen maken de schroom te overwinnen, ons niet te laten overbluffen door schijnbare hoogheid of grootheid, door schijnbare laagheid. Laten wij trachten onszelf te zijn zo goed als wij kunnen en dit in de wereld te uiten. Dan zullen wij ongetwijfeld ‑ in welke sfeer wij ook leven, waar wij ook zijn of hoe wij ook zijn ‑ de kracht vinden om verder te gaan, maar vooral het bewustzijn, dat vreugde geeft, de vrede, die het resultaat is van een eerlijk streven en pogen. Een leven zonder zelfbedrog en een vrijmoedige uiting is de weg, die God ons allen toont, ons voerende tot Hem in Zijn rijk des lichts.