Aspecten van geestelijk leven

Geestelijk leven bestaat zowel op aarde als in de geest. Het geestelijk leven is opgebouwd uit bepaalde innerlijke waarden. Alle geestelijk leven gaat uit van een projectie, die door de persoonlijkheid zelf wordt gedaan. En daarmee beginnen wij dan als vanzelf aan een geestelijke ontwikkeling.

Als men op aarde gelooft, zo is dit een emotionele benadering, gebaseerd op een voorstelling van niet controleerbare maar innerlijk erkende situaties, ontwikkelingen en mogelijkheden. Een geloof zal dus resulteren in het ontstaan van een innerlijk wereldbeeld, gekoppeld aan een begrip van voortbestaan en zal als zodanig bepalend zijn voor elk aspect van een wereld, waarin men geestelijk zal kunnen leven na de overgang. Eerst wanneer het eigen bewustzijn zich boven deze geloofswaarden zal kunnen ontplooien, is het betreden van andere werelden mogelijk.

Dan kennen wij op aarde verder nog de z.g. esoterische systemen. Deze gaan uit van bepaalde theorieën welke vaak een pseudo‑wetenschappelijk karakter hebben. Daarnaast hebben zij eveneens een bepaalde geloofsaanvaarding en ook nog een systeem waardoor een mate van uitverkorenheid voor het “ik” kan worden verworven. Indien men deze volgt, krijgt men een voorstelling, die evenals bij het geloof, sterk op het “ik” is gebaseerd, maar die in tegenstelling tot het geloof niet door vage begrippen wordt begrensd maar door z.g. wetmatigheden; of deze al dan niet reëel bestaan is niet belangrijk. Men erkent deze wetmatigheden en men leeft na de dood in een wereld, die door die wetmatigheden wordt begrensd. Een wereld, waarin ook de zuiver hiërarchische begrippen, waarop men zich op aarde baseerde een rol zullen spelen. Als we deze aspecten van geestelijk leven naast elkaar zetten, dan komen we tot deze conclusie:

Elke mens heeft zijn eigen manier om zijn leven en zijn persoonlijkheid te benaderen. Hij is echter geneigd om een soort compromis met het onbekende te sluiten door daaraan eigenschappen toe te kennen; of deze al dan niet reëel bestaan, weet hij niet. Op grond hiervan wordt zowel zijn ontwikkeling in de stof als in het hiernamaals bepaald.

Dan stellen wij verder: Een godsdienst is geneigd van u te vergen: a. een aanvaarding van waarden; b. een bepaalde gedragscode.

Deze code houdt in een bepaalde moraliteit en verder over het algemeen een mate van gehoorzaamheid. Zolang u op deze wijze uw geestelijk beleven ervaart, zult u de geboden en verboden zien als bepalend voor elke relatie, waarin u in het hiernamaals leeft. Om het heel eenvoudig te stellen: Indien er een groep is, die op aarde verkondigt dat minirokken uitermate zondig zijn en strijdig met Gods geboden, zal iemand uit die groep die overgaat en misschien in een hemel van zijn eigen verbeelding vertoeft daar geen minirokken aantreffen, wel waarschijnlijk een venstertje waardoor hij zou kunnen kijken naar een hel van eigen imaginatie waarin deze minirokken dan ruimschoots vertegenwoordigd zijn.

Waarom zal de mens dan het geloof en de daarmee gepaard gaande verplichtingen aanvaarden? Over het algemeen omdat hij een zekere angst kent voor het zelfstandig denken, of ‑ wat ook voorkomt ‑ te lui is om zelfstandig te denken. In beide gevallen zal hij na de overgang een onzelfstandige persoon zijn. Hij zal dus in zeer sterke mate worden bepaald door de voorstellingen, die in hem leven en daarnaast door alle entiteiten waarmee hij in contact komt. Zijn leven, zijn ontwikkeling zijn afhankelijk van anderen. Hij heeft niet de vrijheid zijn eigen leven zonder meer te wijzigen. Dergelijke personen kunnen in een sfeer, die voor hen in feite langzamerhand een hel is geworden niet vrijkomen door het besef dat hun denkbeelden onjuist zijn. Zij kunnen alleen worden bevrijd door een ander, die a.h.w. de verantwoordelijkheid voor hun uittreden op zich neemt. Een zeer typisch denkbeeld.

In verband hiermee is het ook interessant te wijzen op de verlossingsgedachte. Bij de christenen is het heel eenvoudig: Jezus heeft voor ons ge­leden. Maar ook in andere godsdiensten bestaat de mogelijkheid om via bepaalde offers en dergelijke de gunst van God of van de goden te kopen. In alle gevallen neemt men aan, dat wat door een ander is gedaan door het “ik” niet meer behoeft te worden gedaan. Bijvoorbeeld: Jezus heeft voor onze zonden geboet. Ik kan een zondaar zijn, als ik Jezus aanvaard, heb ik daarmee niets te maken, dat gaat op zijn conto. Dit kan waar zijn in een religieuze voorstelling, maar dit kan nooit waar zijn in een persoonlijk beleven, want datgene wat wij doen, bepaalt onze bewustzijnsinhoud, en onze bewustzijnsinhoud bepaalt ons geestelijk leven zowel in de stof als in het hiernamaals.

Het is duidelijk dat in een dergelijk geval de verlossingsgedachte alleen dan van kracht is, indien wij een beroep doen op hogere krachten. Deze krachten zullen ons dan moeten bijstaan om onszelf te zijn en om beter onszelf te zijn. Zij kunnen ons echter niet veranderen. Zij kunnen ons niet van zondaar tot heilige maken. Zij kunnen ons niet van onbewuste tot hoog‑bewuste bevorderen. Zij kunnen ons slechts de kracht geven om de beelden waarmee wij worden geconfronteerd te weerstaan, om onze ervaringen te herzien, als wij de noodzaak daarvan hebben erkend. Als zodanig is dus de verlossingsmystiek in vele gevallen gevaarlijk. Zij moet volgens mij worden gezien als datgene wat zij werkelijk is: het aantonen dat men tot het uiterste dient te gaan om te bereiken wat men noodzakelijk acht.

De esoterische systemen hebben in tegenstelling tot vele godsdiensten de neiging om een vaste wereldopbouw te laten zien. Wij kennen bv. de kringloop der ziel. Daarmee wordt aangeduid hoe de ziel van de aarde afdaalt, door duistere sferen gaat, de aarde wederom benadert, vandaar weer omhoog gaat via verschillende sferen tot het Goddelijke en daaruit tenslotte weer terugkeert. Het is als een waterkringloop: eerst het neervallen op de aarde van de wateren, dan opstijgen door het boomblad, verdamping, wolkenvorming, weer neerslag.

Maar de geest beantwoordt hieraan niet. De geest kan hieraan niet beantwoorden, omdat zij niet gebonden is aan vaste stadia van verschijnen en besef. Zij is slechts gebonden aan haar eigen bereiking van besef en op grond daarvan aan de wijze waarop zij voor anderen in verschijning treedt. Het zal u duidelijk zijn dat dergelijke algemene stelregels dus niet van toepassing zijn. De mens echter, die daarin gelooft en zijn hele leven daarop heeft gebaseerd, zal zich vaak in een geestelijke toestand neerleggen bij datgene wat hij veronderstelt te zijn, denkende: ik rijs als vanzelf wel hoger. Mijn bewustzijn zal vandaag of morgen wel ophouden te bestaan en dan word ik vanzelf geïncarneerd. Wat natuurlijk niet juist is.

Ga ik kijken bij anderen die de innerlijke weg prefereren, dan ontdek ik dat zij in zichzelf verder moeten gaan en dat zij moeten worden geconfronteerd met de werkelijkheid omtrent zichzelf en omtrent God. Maar als een mens liegt tegen zichzelf, dan is dat vooral als het om zichzelf gaat en omtrent zijn God, want beiden tracht hij aan te passen aan zijn voorstelling van een ideaal; niet aan wat voor hem werkelijk noodzakelijk is of wat waar is.

Het erkennen van de waarheid omtrent zichzelf is voor de mens een van de moeilijkste zaken, zeker, als men het innerlijke pad gaat en men de uiterlijke ervaring probeert uit te schakelen. Het resul­taat voor deze mensen zal zijn dat zij lange tijd verzonken blijven in iets dat heel veel lijkt op een opiumdroom. Hierin ontmoeten zij schoon­heid maar ook verschrikking; hierin worden zij enerzijds gelukkig en anderzijds zal het geluk nooit de voltooiing benaderen. Vaak doen zij mij denken aan een dorstende, die een fata morgana van water ziet; als hij erheen gaat, trekt die zich terug of verdwijnt. Deze mensen moe­ten wel beseffen dat je moet leven op grond van wat je bent, wat je werkelijk doet en dat een geestelijk bestaan zowel als een geestelijke ontwikkeling op aarde op daden gefundeerd dienen te zijn.

Misschien vindt u dat deze aspecten op zichzelf niet voldoende zijn. U dacht aan aspecten van geestelijk leven zoals de beschrijving van alles wat er in de sferen bestaat. Maar hoe kan er in de sferen voor u iets bestaan, indien het niet eerst op aarde voor u bestaat? U kunt alleen waarmaken wat u bent. In de sferen kunt u alleen uzelf zijn en naar waarheid; wat voor velen een zeer droevig besef is. Wij moeten ons realiseren dat elke beschrijving van sferen en werelden, elke beschrijving van de grote landschappen van Zomerland en van de vreemde, van kleuren flitsende sferen, waarin het vormloze bestaan zich ontplooit, nimmer zinrijk kunnen zijn voor een mens. Ze kunnen zijn nieuwsgierigheid bevredigen, ongetwijfeld. Maar kan hij deze dingen waarmaken en beleven? Hij kan alleen waarmaken en beleven wat hij zelf is. Daarom moeten wij aspecten van het geestelijk leven altijd weer zoeken in de materie, want daar ligt het zaad dat in de sferen tot ontkieming komt. Dáár ligt de ervaring, die zo dadelijk, als je in de geest leeft, grenzen trekt of verbreekt.

Wereldgodsdiensten

Islam

“Wij zijn beter dan ieder ander, want Mohammed is de enige profeet van Allah. Zijn wet is de enig juiste. Ons geloof is de enig juiste, alle andere gelovigen zijn heidenen. Zij zijn van geen betekenis, met hen behoeven wij geen rekening te houden, zij zijn a.h.w. dieren. Maar wij, uitverkorenen, wij zijn mensen.” Een mooie stelling! Ik heb haar wat aangedikt, maar het is een stelling die op het ogenblik nog bij zeer vele islamieten bestaat.

Kun je méér zijn dan een ander? Kun je uitverkoren zijn boven anderen? Je kunt alleen leven met anderen. Op het ogenblik dat je je eigen uitverkiezing postuleert (voor waar aanneemt), postuleer je gelijktijdig je isolement. God heeft het totaal van het zijnde geschapen. Als je in een God gelooft, moet je ook dit aanvaarden en dan moet je ook het geheel van Gods werk aanvaarden, dus mag je niet een deel daarvan verwerpen en jezelf boven het geheel stellen. Een dergelijke godsdienst heeft het nadeel dat de mens droomwerelden verwacht en in die droomwerelden dan voor lange tijd verzandt. De hoeri’s en de beekjes van melk en wijn zijn misschien interessant, maar ze vervelen. Als u in onze werelden komt, ben ik gaarne bereid u een van deze sferen te tonen om u duidelijk te maken hoe sterk dat isolement kan zijn en hoe vervelend die zaligheid voor een menselijke voorstelling is, omdat ze immers geen leven inhoudt, alleen een voortdurende herhaling van beperkte elementen, die men eens op aarde als genot heeft bestempeld,

Hindoeleer

In het hindoeïsme is de mens voortdurend gewikkeld in een strijd met de goden. Hij wordt omringd door bovennatuurlijke machten, zijn lot is voorbestemd, hij zit in een eeuwige kringloop vast. Als je dat gelooft, kun je je niet vrijmaken. Eerst degene, die zich vrijmaakt van alle invloeden en zichzelf durft zijn, bereikt iets wat waarlijk zijn is n.l. een contact met alle werelden. Dan worden de goden alleen maar entiteiten, verwanten. Je treedt dan binnen in werelden, waarin de goden hun gelaat hebben verloren, maar waarin het mens‑zijn zich in alle facetten opnieuw uitdrukt, totdat de beperking ook daarvan teloor is gegaan en je het Goddelijke binnengaat. Mensen, die zo eenvoudig zijn, denken maar al te vaak; ach, het is niet belangrijk wat ik nu doe, ik kom toch wel terug. Het is natuurlijk prettig om een tijger, een koe of iemand anders aan te spreken als oma, opa of lieveling, maar ik geloof niet dat deze neiging om altijd weer het beminde terug te zoeken op aarde bevorderlijk is voor het verkrijgen van contact met het werkelijke ego van dergelijke persoonlijkheden. De ervaring heeft ons geleerd dat de meeste mensen, die werkelijk en volledig hierin geloven, na hun confrontatie met goden al snel vervallen tot een verstarring, waarin zij nog enige tijd voor zichzelf wijsheden blijven herhalen om dan te incarneren.

Boeddhisme

Een filosofie, gebaseerd op onthechting; het verwerpen van de illusies waarin de mens leeft. Indien de mens dit werkelijk doet en geen illusies koestert omtrent zichzelf en zijn eigen belangrijkheid, dan is dit een van de beste wegen die te bereiken is. Want hierdoor is een volledige aanvaarding van een kosmische waarheid mogelijk, wanneer je in de geest komt. Maar zolang je probeert de godsdienst (dus de filosofie) te stellen als een methode waardoor je jezelf a.h.w. heiligt, zonder dat de eigen persoonlijkheid die theorieën waarmaakt, bereik je niets. Vele boeddhisten blijken na de dood in een ongeveer gelijke situatie te verkeren als bepaalde Hindoe’s. Anderen verkeren in een situatie als die van de islamieten; zij leven in een bepaalde hemel‑ of hellewereld, evenals de christenen die ook hun visie omtrent hemel en hel hebben, waarbij hemel veelal is: het zitten aan de voeten van de Schepper of van een grote Meester.

Zen en soortgelijke systemen

De ware volgeling tracht te beseffen dat er meer is dan zijn begrip kan bevatten. Hij tracht te komen tot een uitdrukking van mogelijkheden, die in wezen voor hem nog niet bestaan. Gebruikt hij het systeem goed, dan zal hij openstaan voor het totaal van de mogelijkheden die de geest omvatten; en dat is heel wat. Maar gaat hij uit van de spitsvondigheden, die helaas bij velen de plaats hebben ingenomen van een werkelijk beoefenen en beleven van dit systeem, dan zal ook hij heel snel verzanden in een voortdurende herhaling en uit verveling moeten vluchten naar hetzij uw wereld, hetzij naar een verwerping van al wat hij voor zichzelf eens belangrijk heeft geacht.

Het zal u duidelijk zijn dat mijn oordeel over de systemen niet onverdeeld gunstig is. Toch moet ik onmiddellijk eraan toevoegen dat de systemen op zich daaraan geen schuld hebben.

Als iemand als een werkelijk christen leeft, leert hij zozeer in harmonie met alle dingen te leven en beseft hij zozeer zijn verbondenheid met geheel de wereld, dat hij ‑ eenmaal in de sferen gekomen – niet de behoefte heeft zichzelf eerst als een begrensd geheel te beschouwen. Hij aanvaardt de totaliteit en zal meestal zeer snel de vormkennende sferen ontvluchten om op te gaan in grotere en verdergaande harmonieën.

De islamiet, die volgens de wetten van zijn geloof leeft, gelooft in een direct contact met God. Indien hij zich nu niet verheft op zijn getrouwheid en de voor hem alleen geldende ware leer, zo zal hij door de rechtvaardigheid, die de basis is van een groot gedeelte van de islam, ongetwijfeld de erkenning van de ander in diens eigenwaarde hebben bevorderd. Hierdoor zal hij zeer snel in een wereld komen, waarin hij dit besef kan delen met vele anderen. Het eindresultaat is ook hier: snelle bewustwording. Maar dat geldt alleen voor degene die de intentie waarmaakt, niet voor degene die alleen de uiterlijkheden naloopt en op grond daarvan zichzelf voor beter verklaart dan zijn naaste.

In de Hindoewereld zal de mens, die begrijpt hoe alles door bepaalde wetten wordt gereguleerd, zich niet verzetten tegen de verschijnselen. Hij zal daarentegen de essentie van zijn wezen, de essentie van goed waarmaken. Wie zich richt op de essentie van het goede, kan niet worden beroerd door negatieve invloeden. Integendeel, hij zal harmonisch zijn met alle krachten, die een positief bewustzijn ten aanzien van het totaal mogelijk maken. Ook hier bewustwordingsmogelijkheid, uitwisseling van karma en al wat u maar wilt.

De boeddhist, die waarlijk onthecht is, is niet gebonden aan vormen. Hij erkent harmonieën, niet de noodzaak zelf te handelen of zelf op te treden om daardoor zich van het geheel te onderscheiden. Deze zal zeer snel kunnen opgaan in het groter geheel.

De beoefenaren van Zen kunnen juist door hun begrip, dat het onge­rijmde mogelijk is, alles wat zij ontmoeten in de geest, kunnen accepteren. Zij zullen daardoor verder komen, bewuster kunnen worden. Maar zullen zij ‑ en dat is een grote vraag ‑ in staat zijn hun spitsvondigheid achter­wege te laten en te ondergaan zonder voortdurende repliek, alleen in een voortdurend zoeken hun aanvaarding voor zichzelf duidelijk te maken?

Datzelfde geldt voor de Rozenkruisers, het geldt voor allerlei geheimscholen, voor de maconnerie. De systemen op zichzelf zijn goed. Maar wat maak je ervan? De Rozenkruiser, de theosoof, de maçon, die uitgaat van het standpunt dat hij als een ingewijde beter en gelukkiger is dan een ander, heeft in feite zichzelf weer geïsoleerd van de rest. Hij zal de nadelen daarvan ondergaan.

Degene, die uitgaat van het standpunt dat zijn leer de enig juiste is, zal worden geconfronteerd met vele zaken die hij niet kan aanvaarden. Hij zal een groot gedeelte van de kosmische werkelijkheid voorlopig moeten afwijzen. Maar wie uitgaat van het standpunt: de harmonie, die ik via het systeem voor mijzelf mogelijk vind, is het enige waar het om gaat, het enig werkelijk belangrijke, hij zal in alle sferen een steeds groter contact met de oneindigheid verwerven.

Misschien is het goed hier te wijzen op een ander facet.

Geestelijk leven, geestelijke ontwikkeling, geestelijk bestaan, ze zijn een uiting van de kern van ons wezen. De kern van ons wezen is verbonden met de totaliteit. Alle krachten en mogelijkheden van de totaliteit zijn daardoor mede voor ons toegankelijk. Maar zij zijn alleen dan toegankelijk, indien wij onszelf voldoende kunnen verliezen om de inhoud van het totaal te kunnen betreden en daaruit voor onszelf te kunnen putten. Als wij dat niet kunnen, heeft alles weinig zin. Maar degenen die ‑ of het in een mystieke beleving, een esoterische bestreving, een magische handeling of wat anders is ‑ voor zich het gevoel van verbondenheid met de totaliteit heeft, zal daaruit de kennis en de kracht kunnen putten, die hij van node heeft. Hij heeft daarvoor zelfs geen systeem nodig. Hij ondergaat, hij beleeft, hij uit. De verklaringen, die men zichzelf geeft voor deze verschijnselen, zijn over het algemeen van minder belang. Zij zijn drogredenen en worden eigenlijk als zodanig ervaren; alleen naar buiten toe onderstrepen ze de gewichtigheid van hetgeen men kan of bezit.

Als je al deze dingen tezamen beschouwt, is er geen twijfel meer mogelijk: voor de mens worden alle aspecten van geestelijk leven na de dood bepaald door zijn geestelijk leven in het stoffelijk bestaan dat de mens “leven” noemt, ofschoon het bij velen ‑ althans vanuit de geest gezien ‑ vaak een vorm van verstarring is die dood nabij komt.

Hier is het wellicht ook tijd om te wijzen op de sferen zelf.

Vormkennende sferen.

Alle vormen, waardoor je wordt omringd, zijn geput uit je eigen besef en het besef dat je met anderen kunt delen. Er is geen uitweg. Er is geen hemel die zich openbaart. Er is alleen een wereld, die wij zelf opbouwen, die wij door ons contact met anderen verrijken, perfectioneren en detailleren tot het ogenblik dat wij de belangrijkheid van ons deelhebben aan die wereld gaan stellen boven de uitdrukking in vorm, die ons “ik” in die wereld vindt. Vanaf dat ogenblik verliest het geheel zijn belangrijkheid en wordt de beleving van het contact steeds sterker de enige waarheid die telt.

In sferen, die men hemel of hel noemt, licht of duister, blijkt steeds weer dat de wijze waarop je ontkent of aanvaardt beslissend is. Iemand, die als een regenworm onder een steen ligt weggekropen in het diepst van de hel, zich beklagend over zijn machteloosheid, stelt zich dit voor! Hij voelt zich zo en daarom beeldt hij zichzelf zo uit, maar hij is niet zo. Want indien zijn denken verandert, kan de regenworm onder de steen in één slag een stralende engel zijn. De hemel, waarin wij zitten omringd door koren van zingende engelen, opziend naar de troon van hun God, die meestal wat vaag blijft, kan op slag worden vervangen door de actualiteit van een zelf deelhebben aan de scheppende Kracht in de kosmos. Zelfs de werelden, waarin wij nog voortdurend werken met nuances van besef, flitsende uitwisselingen van vormen, van harmonieën en deel‑harmonieën, zullen langzaam maar zeker moeten plaatsmaken voor een totale harmonie. Want wij kunnen ‑ indien wij reëel willen zijn – niet kiezen tussen datgene wat is. Je kunt God niet door de gehaktmolen draaien om dan die leuke stukjes eruit te halen die je kunt gebruiken. Je moet Hem, Zijn schepping en het totaal van zijn Wezen gelijktijdig en volledig aanvaarden of geheel laten rusten; en dat besef zullen de mensen langzamerhand moeten krijgen.

Als ik zie hoe de mensen op aarde elkaar bestrijden in betweterij, hoe er ruzie kan zijn over het leven in het hiernamaals tussen een spiritist, die denkt dat hij er wat van afweet en een christen, die denkt dat hij er iets van afweet ‑ de een op grond van boeken, van geleerde en gedane experimenten, de ander op grond misschien van theologische stellingen en de angst voor de duivel die vele vormen kan aannemen ‑ dan kan ik alleen maar lachen. Ik vind niets zo ridicuul als de poppenkast van mensen, die proberen hun mening te verkondigen als de enige waarheid. Is dit niet de grootste, de meest schromelijke zelfoverschatting, die er bij een mens of bij een geest kan bestaan? Te denken dat jij in staat bent de waarheid te kennen! De waarheid is iets, waarvan wij een klein en misschien onbetekenend deel zijn. De waarheid omvat alles wat er bestaat: elke gedachte die mogelijk is, elke seconde van tijd, elk kleinste deeltje in de kosmos en elke ster die een baan trekt. Er is niets wat niet deel uitmaakt van die waarheid. En een mens, die niet eens zichzelf begrijpt, meent dat hij de waarheid kan kennen!

Indien wij in een geestelijk leven tot ware ontwikkeling willen komen, dan zullen wij voor alles moeten stellen: ik ken de waarheid niet; ik benader slechts iets wat voor mij op dit moment waar schijnt. Ik wil aanvaarden wat ik werkelijk ben, ook als mijn denkbeelden daarover misschien niet het geheel omvamen, maar ik zal beseffen: mijn denkbeelden zijn niet bepalend, de feiten zijn bepalend. Alleen met de feiten en in de krachten die uit de feiten voortkomen kan ik leven. Alleen dat is waarlijk geestelijk bestaan, geestelijk je ontwikkelen. Als je dat aanvaardt, is het niet belangrijk welk systeem je volgt, is het niet belangrijk op welke manier je tot bewustzijn komt.

De mens begint meestal met een beperkt iets als waar aan te nemen. Dan komen de twijfels. Als hij dan die twijfels niet probeert weg te praten, maar tracht in plaats daarvan een beter beeld te krijgen waarbij de onzekerheden a.h.w. ingecalculeerd zijn, dan wordt hij ineens bewuster, dan komt hij steeds dichter bij een werkelijkheid die hij leven kan. Als een mens in zich een beeld heeft en zegt: Dit moet waar zijn, dan moet hij ook bewust trachten die waarheid op de proef te stellen.

Er is een ridicuul beeld ‑ dat helaas vaak voorkomt ‑ van iemand die zich leraar noemt en tegen de mensen zegt: God kan wonderen doen, maar Hij doet die niet om ons de mogelijkheid te geven zonder bewijs te geloven. En daar is ook de leuze van de wonderdokter die zegt; Deze drank zal u van alle kwalen genezen, maar pas 14 dagen nadat ik uw stad heb verlaten.

U zult begrijpen dat dat kolder is. Indien er een kracht is, dan mogen wij een beroep daarop doen, dan mogen wij zoeken naar een bewijs. Maar als wij slechts een schijntje van bewijs krijgen en dat is niet voldoende, dan hebben wij misschien op een verkeerde manier de zaak aangepakt, maar wij hebben recht op het bewijs. Wij hebben recht op de beleving, die voor ons de waarheid kenbaar maakt. Wij hebben recht op die kracht waarvan men ons heeft gezegd dat wij haar zullen verkrijgen. Als wij die kracht niet krijgen, dan is dat niet alleen onze schuld, dan moet er iets zijn dat ons duidelijk maakt waarom niet, of die kracht moet daar zijn. En als wij dat aanvaarden, als wij aanvaarden wat wij zelf zijn, dan zullen wij ook de kracht bezitten. De kracht ligt niet in een systeem; zij ligt in onze verwantschap met de totaliteit.

Misschien vindt u dat ik te ver ben afgeweken van het eigenlijke onderwerp. Ik zou meer hebben moeten zeggen over alle verschillende vormen van geestelijk leven die er zijn, vanaf de Jezus‑mensen tot de zeer orthodoxe zwarte‑kousen‑dragers toe, vanaf de meest vrijzinnig atheïstisch denkende mensen en humanisten tot de meest orthodoxe filosofen. Maar wat brengt u dat verder? Of misschien vindt u dat ik u veel had moeten zeggen over de sferen en hoe het daar allemaal is. Wat komt u daar verder mee? U bouwt uw eigen sfeer aan de hand van wat u bent. U maakt waar wat u leeft, ook in de krachten die u nu erkent en nu manifesteert. Maar wellicht mag ik ‑ al past dat volgens u niet in het onderwerp ‑ toch wel op enkele aspecten van uw eigen geestelijk leven wijzen, die voor u nuttig kunnen zijn.

Ik kan geen verantwoordelijkheid dragen voor de kosmos. Verantwoordelijk kan ik niet zijn voor mijn ouders of mijn kinderen, mijn broeders en zusters. Verantwoordelijk kan ik alleen zijn voor mijzelf en mijn gedragingen. Dit houdt niet in dat ik daarom mij niet zal bemoeien met die anderen. Het betekent alleen dat ik mij niet als hun hoeder zal beschouwen.

Voor christenen waarschijnlijk een moeilijk punt. Zij zeggen dan: God vroeg toch aan Kain: “Kain, waar is uw broeder,” Waarop Kain zou hebben geantwoord: “Ben ik dan mijns broeders hoeder!” En daaruit hebben zij geconcludeerd dat het inderdaad zo was.

Precies hetzelfde is het volgende: Huisvrouw roept tot echtgenoot: Jan, waar is het wasgoed! Jan roept terug: Wat heb ik met het wasgoed te maken! Daaruit blijkt dus dat Jan verplicht is op het wasgoed te passen. Is dat logica? Maar het is iets anders.

Ik heb een verhouding, een relatie met de mens. Hoe deze wordt uitgedrukt is minder belangrijk. (Verhouding is voor u in vertaling meestal tamelijk stoffelijk. Relatie is meer zakelijk, maar het omvat de gehele scala van zijn.)

  1. Als ik een medemens help, dan doe ik dit, omdat ik erken dat dit voor mij goed is. Het willen helpen is een uitdrukking van wat ik ben, niet van een verantwoordelijkheid die ik draag. Besef dit! Indien u behoefte gevoelt om te helpen, dan komt dit uit u voort. Doe dat dan omdat u het wilt, niet omdat het de een of andere vreemde plicht is, die u is opgelegd. U zult ontdekken dat u dan beter helpt en vooral dat u minder eisen gaat stellen aan hen, die u mogelijk kunt helpen.
  2. Als u nadenkt over het leven en het leven na de dood, dan heeft u uw eigen voorstellingen daarvan. Realiseer u dat u ook eigen voorstellingen heeft over bv. Bali, China, Amerika en andere landen waar u nooit bent geweest. Die voorstelling is voor u het symbool van iets dat bestaat. Datzelfde geldt ook voor u. De voorstelling van het hiernamaals is het symbool van iets dat is, niet de aardbepaling ervan. Uw relatie ermee wordt van u uit bepaald door uw voorstelling, dat is waar, maar de wer­kelijkheid kan door uw voorstelling nooit worden gelimiteerd. U zult zowel in uw benadering van esoterische, religieuze als an­dere waarheden op aarde meer open zijn en ook meer open staan voor contacten, wanneer u eenmaal bent overgegaan.
  3. Realiseer u dat een groot gedeelte van uw kunnen en niet‑kunnen altijd ook mede door uzelf wordt bepaald. Ik kan dat niet! roept de mens uit, maar als er een noodsituatie komt, dan kan hij zeer veel. Een man zei: “Ik kan niet lopen, zeker niet snel.” Iemand riep toen: “Achter ons ligt een mijn die zo dadelijk zal exploderen! De man leverde toen een prestatie een Olympiade waardig. Wij zijn precies zo. Wij kunnen veel meer, indien het noodzakelijk is. Wij moeten ons realiseren dat wij die topprestatie slechts een enkele keer kunnen leveren, maar wij kunnen haar leveren. Indien wij de noodzaak erkennen voor een werkelijk belangrijke prestatie, dan hebben wij de kracht, omdat wij ons dan niet afvragen waar onze grenzen liggen, maar een beroep doen op de totaliteit waartoe wij behoren en daaruit de krachten verkrijgen die wij van node hebben. Door deze prestaties kunnen wij onszelf bewijzen dat er in ons meer schuilt dan wij eigenlijk zouden durven aanvaarden. Besef, dat u meer bent, dan zult u niet zo snel geneigd zijn om vooral ook de meer kosmische contacten af te wijzen, die u zowel in het leven als na de dood zult ontmoeten. U zult dan het onbegrepene niet meer afwijzen omdat u het niet begrijpt, maar u zult het aanvaarden voor wat het is en daardoor tot begrip kunnen groeien.
  4. Als u een waarheid hoort, dan is zij voor u nog niet waar. Indien u iets als waar beoordeelt en aanvaardt, is het daarmee niet noodzakelijkerwijze waar. Alleen datgene wat u met het den­ken en het gevoel als waar aanvaard heeft, is voor u voorlopig waar. Dit betekent, dat u zich in uw leven daarop kunt baseren, dat u daaruit krachten kunt putten, dat u daarin een eigen weg kunt vinden om God te beleven zo goed als om de sferen te er­kennen. Wees niet bang om wat eenvoudig te lijken in de ogen van anderen, als u leeft volgens de door u erkende waarheid. Als u gelooft in een geest die u kan helpen, zou het dwaas zijn om hem niet te roepen, indien u hulp nodig heeft. Als u een kleine geest roept voor kleine dingen en een grote geest voor grote dingen, dan heeft u nog veel kans op resultaat ook.

Als u gelooft dat u de kracht zal worden gegeven om desnoods over de wateren te wandelen, indien dat noodzakelijk is, dan raad ik u aan dit te doen zodra u de noodzaak ervan erkent. Natuurlijk moet u niet proberen pootje te baden met droge voeten. Dat is speels; daar gelooft u zelf niet in. Maar als in u de noodzaak bestaat: geloof hoe simpel en onmogelijk het ook lijkt en probeer het. U zult zien dat uw mogelijkheden verre overtreffen datgene wat u van uzelf en zelfs van God heeft durven verwachten.

Dit is uit de aard der zaak een wat allegaartje voor u. Het zijn echter wel degelijk aspecten van geestelijk leven, die ik met u heb be­sproken. Het zijn aspecten, die voor u een praktisch nut kunnen hebben. Het is een praktische oriëntatie ten aanzien van vele systemen en gods­diensten zoals die rond u bestaan. Het is een praktische aanduiding van de betekenis, die iets dergelijks voor u of voor anderen in het hierna­maals kan hebben. Ik heb u zelfs een raad gegeven voor uw persoonlijke ontwikkelingen bewustwording. Ik heb u aangetoond hoe u uw geestelijke ontwikkeling, uw geestelijk leven en bestaan kunt verbeteren. Ik meen, dat ik niet be­ter heb kunnen doen dan dit in de inleiding tot dit onderwerp te ver­werken.

Na de pauze is het aan u om vragen en problemen voor te leggen. Schaam u ook dan niet iets te vragen wat eenvoudig lijkt. De meeste mensen, die ingewikkelde vragen stellen, denken dat zij het antwoord al heb­ben en daarom luisteren zij niet naar het antwoord. Iemand, die een een­voudige vraag stelt, wil werkelijk iets weten en wordt soms beter van hetgeen hij te weten komt.

************************************

*  Er zijn twee opvattingen: de mens en God buiten hem, en de mens ook goddelijk in zichzelf. Aanschouwt het Goddelijke door onze ogen weer zijn schepping?

Dat zijn menselijke theorieën. U zult mij willen vergeven dat ik hieraan een kleine beschouwing wijd.

Indien wij geschapen zijn, zijn wij deel van de Schepper. De Schepper brengt voort uit Zichzelf. Wij kunnen in ons niet het totaal van de Schepper bevatten, alleen dat gedeelte van zijn Wezen dat in ons is geopenbaard. Als zodanig zou men kunnen stellen, dat God Zich spiegelt in de schepping. Maar het is zeer vermetel te zeggen dat God Zich spiegelt om de schepping te zien door onze ogen. Ik geloof, dat wij dan bij de Schepper teveel menselijke eigenschappen veronderstellen. De neiging om God te vermenselijken lijkt mij persoonlijk, gezien de enormiteiten van de schepping, de overstelpende hoeveelheid van vormen van leven, van details, van ruimtelijke mogelijkheden van dimensionale verhoudingen, op zijn minst genomen zeer verwaand. Ik zou willen zeggen: de mens kan innerlijk een contact met God bereiken. Ik geloof niet dat men kan zeggen: de mens is goddelijk zonder meer. Men kan zeggen: de origine van de mens is goddelijk, de kracht waaruit hij bestaat is goddelijk. En daar ben ik het mee eens. Op het ogenblik echter dat men zegt: de mens is goddelijk, neemt men aan dat het geheel van zijn wezen, inclusief zijn denkvermogen, zijn voertuigen, zijn wereldconcepten en al dat andere mede goddelijk is. En dat laatste vooral komt sterk naar voren, als men zegt dat God Zijn schepping ziet door onze ogen. Ik ben daarom geneigd dit af te wijzen en te stellen:

God is het totaal waarvan wij deel zijn. Door ons deel‑zijn kunnen wij een persoonlijk contact met de totaliteit beseffen en bereiken maar gelijktijdig is buiten ons evenzeer God. Dat wat buiten ons is, onttrekt zich vaak aan ons kenvermogen. Eerst wanneer wij geen “ik” meer zijn en dus ophouden te bestaan in de huidige vorm, is er mis­schien een mogelijkheid dat wij versmelten met de totaliteit. Voor die tijd echter zullen wij nooit het geheel kunnen beseffen maar alleen het kleine deel van dat geheel dat wij zijn.

*  Bent u van mening dat er eens een tijd komt dat wij a.h.w. oplossen?

Als u dat zo zegt, maakt u van de mens een soort oploskoffie. Ik geloof dat “oplossen” niet de juiste term is, maar dat wij moeten zeggen dat er een ogenblik komt waarop ook de begrenzingen, die ons op dit moment als ik-heid onderscheiden van het andere” weer zullen wegvallen. Wij zullen dan wel blijven wat wij zijn, maar niet meer begrensd door eigenschappen waardoor wij ons afzetten (verzetten) tegen het ver­dere bestaande. Deze formulering is meen ik wél juist. Maar ik stel uit­drukkelijk erbij: daar ik dit niet zelf heb kunnen constateren of ook maar ten dele persoonlijk heb kunnen ervaren ‑ uitgezonderd harmonische contacten met andere entiteiten ‑ is dit een stelling gebaseerd op mijn ervaringen, maar ze is niet bewezen of bewijsbaar in de totaliteit.

*  Als u zegt “afzetten tegen anderen”, als dat wegvalt is er dan nog een ego, een persoonlijkheid over? Is er iets over waarmee we dit kunnen vergelijken met iets anders?

Een moeilijke vraag. Ik meen dat leven ook kan bestaan, als elke mogelijkheid tot vergelijking wegvalt. Leven op zichzelf is iets wat niet gebaseerd is op vergelijking, slechts op de erkenning en waardering van dat leven, zelfs niet op het bewustzijn. Bewustzijn kan bestaan zonder vergelijking. Wij kunnen dat in eenvoudige levensvormen constateren. Ik geloof dat wij kunnen aannemen dat dit dus ook met een hoger bewustzijn mogelijk is. Maar wij kunnen wel zeggen: wereldbelevingen en voorstellingen, zoals die voor de mens en voor het merendeel van de geest bestaan, zullen dan niet mogelijk zijn. Een “ik”‑besef, zoals die thans voor u op aarde bestaat en ook voor het merendeel van de geest, zal eveneens niet meer mogelijk zijn. Maar het centrum, waarin wordt beseft, zal aanwezig blijven zoals het thans aanwezig is. En ofschoon ik niet weet, of je dat ego mag noemen, zo meen ik toch wel dat kan worden gesproken van een continuering van bestaan in de zin van datgene wat nu in het ego de kern vormt.

*  Dus individueel ‑ in laatste instantie ‑ blijf je afzonderlijk?

Als u een schilderij maakt met de techniek van het pointillisme, dan zet u vele stipjes naast elkaar. Elk stipje, ongeacht zijn kleur en wezen blijft zichzelf. maar zijn betekenis ontleent het aan de voorstel­ling, die door het geheel van al die stipjes wordt gemaakt Kunnen wij zeggen dat het “ik” dan van betekenis is? Ik meen van wel. En als wij nu van het pointillisme overgaan tot een onbegrensde weergave waarbij de kleurvlakken in elkaar overgaan, dan zal de betekenis van elke kleur toch precies dezelfde blijven in de voorstelling. In deze zin meen ik uw vraag te mogen beantwoorden.

v  Ik heb uit uw betoog begrepen, dat het harmonie‑zoeken in het leven en het harmonisch‑zijn met alles in het leven het belangrijkste is om geestelijk verder te komen. Elimineer je, als je het goed doet, datgene wat je tegenstaat in zaken of mensen. Kijk je erover heen en benadruk je het goede dat je kunt erkennen?

Er bestaat een oude gelijkenis: een goede boer zaait zijn koren vroeg, zodat het snel kan opschieten, indien de omstandigheden gunstig zijn. Er zal wel onkruid zijn, maar dat wordt dan door het koren overwoekerd. Zaait hij echter laat, dan zal het onkruid het koren overwoekeren. Indien wij de nadruk leggen op de goede punten in het leven, op de harmonieën die voor ons mogelijk zijn, dan zullen wij mijns inziens daardoor krachten gewinnen, mogelijkheden tot contact en tot begrip verkrijgen, die alle kwade aspecten welke in het leven ongetwijfeld aanwezig zijn minder belangrijk maken en a.h.w. terugbrengen tot de ware verhoudingen. Verhoudingen, waarin zij voor ons niet bepalend zijn voor onze mogelijkheid tot groei en bestaan. Op het ogenblik echter, dat wij al datgene wat ons onaangenaam is op de voorgrond gaan schuiven, daar eisen tegen­ over gaan stellen en gelijktijdig daar waar harmonie mogelijk is dit eigen­lijk verwaarlozen, dan zal de problematiek van al het slechte ons zodanig gaan beheersen, dat wij aan het beleven van harmonie en het goede niet toe komen. Ik meen dus dat je inderdaad niet over die dingen behoeft heen te kijken, maar dat je ze als onbelangrijk dient te classificeren waar dit mogelijk is om daarentegen alles waarin harmonie tot uitdruk­king komt, als zeer belangrijk en van overwegend belang voor het “ik” te classificeren.

Is men in staat dit ook emotioneel voortdurend te doen, dan zal de bewustwording met snelle schreden voorwaarts gaan; dan zal het geestelijk bestaan zich ontplooien ‑ zelfs in het menselijk “ik” ‑ tot contacten, die veel verder reiken dan de menselijke wereld, terwijl gelijktijdig het kwaad binnen de perken blijft, daar het voor ons beheersbaar blijft. Wij kunnen onze houding daar tegenover gemakkelijk bepalen. Het kwaad zal niet in staat zijn ons te dwingen een houding te bepalen aan de hand van het verkeerde.

*  Heeft de soefibeweging veel toekomst op aarde?

Welk geloof heeft op aarde veel toekomst? Volgens mij geen een. Een geloof heeft geen toekomst, omdat het uitgaat van systeem‑denken en het systeem belangrijker acht dan de beleving in de eenling. Ik geef toe, dat in de soefibeweging op die persoonlijke ontwikkeling de nodige nadruk wordt gelegd, meer dan bij andere religieuze bewe­gingen. Toch meen ik niet dat ook deze beweging onbeperkt zal blij­ven voortbestaan, omdat als zij de innerlijke doelstellingen die zij nastreeft verwezenlijkt, zij voor degenen die haar verwezenlijken ge­lijktijdig haar betekenis zal verliezen. De groep kan dus evolueren boven haar beperkingen als religieuze groep uit of zij kan zich als religie blijven ontwikkelen, maar daarmee gelijktijdig haar zinrijkheid verliezen voor degenen die er deel aan hebben.

*  Ik meen, dat deze beweging tenminste de broederschap van alle mensen, de overeenkomsten in alle geloven sterk aankweekt en dat dat dus wel sterk helpt de mensen vooruit te brengen in broederschap.

Inderdaad. Maar het nadeel is dat iemand, die tot de soefi­beweging behoort, vaak het gevoel heeft dat hij meer broeder is dan een ander. Met andere woorden: ofwel het wordt een zelfverheffing, dan wel het wordt een versmelting met anderen waarbij dan echter de soefi-leer als zodanig op de achtergrond komt.

*  Maar zij verheffen zich niet zoals degenen die deelnemen aan de rituelen en zwarte gewaden dragen waarmee zij willen uitdrukken, dat zij uit het niets zijn……

Staat u mij toe een opmerking te maken. Ik zet hier uitdrukke­lijk voorop: ik heb niets tegen bepaalde vormen van christendom. Er waren mensen, die ter verkondiging van het ware geloof en de broederschap met de mensen zich in zwarte gewaden hulden met kap­pen over het hoofd, zodat zij niet herkend konden worden. Zij noemden zich verenigingen van boetelingen en zondaren (er zijn nu nog enkele van die groepen meer folkloristisch overgebleven), terwijl zij gelijktijdig op grond van die broederschapsgevoelens anderen domineerden en trachten te beïnvloeden in hun zin en richting zonder daarbij eerst in te gaan op het wezen van die anderen. Dat bewijst wel, dat je door een zwart gewaad aan te trekken en bepaalde rituelen te volgen jezelf niet verandert. Ik denk daarom dat het door u aangevoerde bewijs ten hoogste als bewijs ad absurdum zou kunnen worden geaccepteerd. U kunt zeggen: er zijn goede soefi’s. U kunt zeggen: in de soefi‑leer worden broederschap en begrip voor allen voorop gesteld. En dan zeg ik: u heeft gelijk. Maar ik zeg gelijktijdig ‑ en dan heeft u mijn ant­woord en dat moet u nog eens nagaan ‑ dat men zich hier gelijktijdig of­ wel beroept op de soefi‑leer als zodanig en niet verder komt, dan wel deze verwantschap zo sterk ervaart dat men a.h.w. uit het soefi‑sys­teem evolueert tot een hoger besef, waarbij het soefi‑systeem als zo­danig dus zijn betekenis verliest. Omdat het ritueel dan niet meer noodzakelijk is om daardoor de erkenning van de werkelijkheid in anderen en in relatie tot anderen te ervaren.

Ik hoop, dat u mijn uitleg begrijpt en daardoor een beter begrip voor harmonie zult krijgen. Want hoe belangrijk het is dat je begrip voor harmonie krijgt, heb ik geprobeerd u te zeggen. De manier waarop je daartoe komt is van minder belang, mits de harmonie maar niet be­perkt wordt tot een bepaalde groep of misschien zelfs wat laatdunkend ergens in alle schijnbare nederigheid vanuit een bepaalde groep als een verheven positie ten aanzien van anderen wordt geciteerd.

*  Is men vrij in zijn geestelijke ontwikkeling? Is men niet door vori­ge ervaringen voorbestemd tot een bepaalde religie enz.? Waarom spreekt de O.D.V. de een aan en de ander niet, vooropge­steld dat beide personen in religieus opzicht zich vrij voelen?

De laatste vraag is een truc‑vraag, neemt u het mij niet kwalijk. Ik zal proberen duidelijk te maken waarom. In de eerste plaats: wij zijn natuurlijk geestelijk vrij. Maar onze vrijheid wordt bepaald door datgene wat wij aan bekwaamheid, aan harmo­nie, aan begrip verkregen hebben. Het staat u vrij om een ingewikkeld recept van de Franse keuken te bereiden. Wat ervan terechtkomt is afhankelijk van uw vaardigheid en in hoeverre u die bezit. Zo kan men dat ook hier zeggen. Maar word je daardoor dan ook bedreven in de richting van een bepaalde geloofssoort? Ik denk het niet. Door de incarnatie kun je worden opgevoed in een bepaalde geloofssoort; dat is bijna onvermijdelijk in deze tijd. Dat betekent dus dat je primair kennis maakt met een bepaald systeem van religieus denken. Maar het blijkt ook dat veel mensen, als de jeugd voorbij is, daaruit evolueren en dat ze ofwel binnen hun religie tot een ander denken trachten te komen, dan wel een geheel andere denkwijze gaan aanhangen. Ik geloof, dat dit duidelijk maakt dat er een geestelijke vrijheid bestaat.

Maar nu vervolgt u: hoe komt het dan dat beide mensen, vrij in religieuze opvatting, de een de O.D.V. aanvaardt en de ander zegt: neen, dat is niets voor mij. Kunnen wij dan niet zeggen dat dit juist het bewijs van die vrijheid is, omdat ieder op grond van zijn innerlijke waarden en mogelijkheden kiest voor datgene wat op dit ogenblik voor die persoonlijkheid het meest juiste is? Daaruit volgt dan ook weer dat de O.D.V. nimmer algemeen kan zijn. Zij brengt een algemene harmonie. Zij kan echter een algemene harmonie eerst dan nastreven, indien zij toegeeft zelf maar een klein deel te kunnen geven van datgene wat voor allen goed en noodzakelijk zou zijn. Daarbij stelt zij ook nadrukkelijk, dat zij niet zonder fouten is, dat zij geen absolute waarheid brengt, maar slechts een deel van de waarheid. Hierdoor is het voor de O.D.V. ook niet van belang, of men haar aanvaardt of niet.

Belangrijk is voor de Orde ‑ althans voor zover ik haar heb leren kennen ‑ dat zij datgene wat in haar aan hoogste harmonische waarheden bestaat zo goed mogelijk uitdraagt en passend voor degenen tot wie zij spreekt. Door het wekken van een harmonie met de toehoorders boekt zij een maximum aan resultaten: een zo groot mogelijk begrip.

Dit betekent, dat zij haar boodschap ook nog zal afstemmen op de aanwezigen en dat vaak de inhoud mede zal worden bepaald door de aanwezigen. Dat daarbij vaak wordt getracht op meer dan een niveau tegelijk te spreken, zodat bepaalde grote wijsheden zodanig in het geheel worden ingevoegd dat de oppervlakkige toehoorder deze als een deel van een zin beschouwt, terwijl een ander begrijpt dat hier een diepe inhoud in zit, een nieuwe sleutel a.h.w. is gegeven voor een geestelijke ontwikkeling. Dan heeft de O.D.V. gedaan wat zij moet doen. Maar als iemand die sleutels niet kan begrijpen en niet harmonisch kan zijn met het merendeel van de aanwezigen, dan is het toch logisch dat de Orde in een poging om allen die er zijn zo goed mogelijk te bereiken zich niet alleen op die ene persoon kan en mag richten, want het gaat om maximale harmonie. En dan is het resultaat vaak dat iemand zegt: dat bevalt mij niet. Dan zeggen wij niet: u bent daardoor slechter of minder bewust. Wij zeggen alleen: het spijt ons dat wij de harmonie met u niet kunnen bereiken. Onder andere omstandigheden zou het misschien mogelijk zijn, maar moge het u gegeven zijn uw persoonlijke harmonieën te vinden waardoor u bewuster wordt.

*  Zou dat in verscheidene systemen niet zo zijn dat er altijd een zekere waarheid is, maar dat de fout pas gaat komen, als men zegt dat het de gehele waarheid is?

Dit onderschrijf ik ten volle. Indien wij aannemen, dat er een waarheid is die al het zijnde en alle raadsels van het zijnde bevat, dan moeten wij toch wel allereerst beseffen dat wij niet in staat zijn om die totale waarheid te bevatten. Elke waarheid die er is, is dus slechts een breukdeel van de totale waarheid. Aangezien die waarheid zo groot is, kunnen zeer vele fragmenten daarvan ‑ die op zichzelf waar zijn ‑ in omloop zijn zonder en algehele waarheid te worden. Als wij beseffen hoeveel verschillende waarheden er op deze wereld geopenbaard zijn en we deze samenvoegen, dan krijgen wij misschien een iets groter fragment van de werkelijke waarheid. De mens echter die zegt: mijn deeltje is de enige waarheid, ontneemt zich daarmede de mogelijkheid te groeien naar de werkelijkheid; naar de waarheid die alle dingen omvat. Dat is althans mijn visie.

*  Als u zegt dat God de schepping in zichzelf heeft gemaakt en wij er delen van zijn, dan moet het toch ergens mogelijk zijn dat wij alle mogelijkheden, die daarin aanwezig zijn eventueel kunnen verkrij­gen door die God?

Dit is niet helemaal juist, meen ik. Wij hebben een ecologisch geheel. Het ecologisch geheel loopt van de parasiet op de vlieg tot de olifant. Nu zegt u: de olifant kan ook de parasiet representeren en de parasiet op de vlieg kan de olifant representeren. Ik meen, dat dat ergens verkeerd is. Er is een samenhang, een harmonie, waar­in wij allen aanwezig zijn. Ieder van ons kan een deel van de totali­teit representeren en hij is in dat geheel nuttig, noodzakelijk en be­langrijk. Zijn functie zal verder worden bepaald door datgene wat hij voor de rest betekent. Maar ik geloof niet, dat hij in de plaats van die rest kan treden en dat zijn bekwaamheden beperkt zullen blijven tot die welke hem eigen zijn.

*  Als wij dan zover zouden zijn dat wij a.h.w. als kanalen kunnen dienen voor de krachten die in dit geheel aanwezig zijn, kunnen wij dan niet de mogelijkheid hebben om elk facet van die kracht te kun­nen vertegenwoordigen?

Sta mij toe wederom met een parabel te mogen antwoorden. Er is een radioapparaat. Dat radioapparaat wordt vervolmaakt; er komen nieuwe versterkers in, het krijgt de mogelijkheid tot een juistere geluidsweergave. Dan kan het apparaat alle stations die uitzenden weergeven, mits ze vallen binnen haar bereik. Misschien is het wat vreemd een mens in zeker opzicht te vergelijken met een radioapparaat. Aan de andere kant: is het niet zo dat de mens door zijn besef zich kan afstemmen op bepaalde delen van de kos­mische harmonie en dus de krachten van die kosmische harmonie, waarop hij is afgestemd, kan weergeven? Maar hij kan niet onbeperkt weergeven en ook niet alles weergeven. Hij kan per geval datgene weerge­ven waarop hij is afgestemd. Ik denk, dat deze parabel tevens het ant­woord op uw vraag inhoudt.

*  Als wij iets kunnen zien, iets kunnen horen, is het dan niet zo dat dit door het goddelijk licht mogelijk is, want als dat er niet was, dan was er helemaal geen bewustzijn.

Het is een wat vreemde vraag die u stelt. Indien wij niet gescha­pen zouden zijn, zouden wij niet bestaan. Dus indien de schepping niet zou hebben plaatsgehad, zouden wij hier niet zijn en alle ervaringen, die wij zouden opdoen, zouden niet bestaan. Dat is wat u zegt. En dat is volledig waar. Maar op het ogenblik dat wij gaan spreken over godde­lijk licht, gaan wij dat stellen tegenover een duister. Welk duister? Goddelijk duister? Ga ik echter zeggen dat onze besefsmogelijkheden wor­den bepaald door de tegenstellingen, die wij in het geopenbaarde Godde­lijke ervaren, dan heeft u gelijk. Dat betekent voor ons een mogelijkheid om onszelf temidden van het Goddelijke te definiëren. Maar het betekent voor ons niet de mogelijkheid om vanuit het Goddelijke de betekenis van datgene wat wij zien of horen te definiëren. De fout die men vaak maakt is: het goddelijk licht laat ons zien wat het is. Dus weten wij wat het is en wat het betekent. Neen wij weten niet wat het betekent. Wij weten alleen dat het is voor zover wij het waarnemen. Wij weten wat het voor ons betekent én eventueel door ons, maar verder weten wij niet wat het in het geheel betekent; of het licht is of duister. Misschien mag ik het zo zeggen: God is gelijktijdig de Alvoortbrengende en de Alvernietigende, want niet slechts het leven heeft Hij geschapen maar ook de dood. Vanuit het menselijk standpunt is dat volledig juist. God is Degene die alles uit Zichzelf voort­brengt en in stand houdt. ook de duivel. Dus God is ook de duivel. Begrijpt u wat ik bedoel?

Ik kan vanuit een menselijk standpunt of vanuit een bepaald geloof zeggen: de duivel is het kwade, maar ik kan niet zeggen dat het van­ uit God gezien het kwade is. Vanuit God is het een noodzaak, anders zou het in God niet bestaan. En daarin moeten wij, geloof ik, heel erg voorzichtig zijn. Wij kunnen zeggen: al datgene wat wij horen, ervaren en erkennen is de manifestatie van de goddelijke wil of het goddelijk licht (u kunt het noemen zoals u wilt) in ons en door ons, zodat het geheel van onze mogelijkheden direct uit het Goddelijk voortkomt en daardoor ook even­tueel gelimiteerd zou kunnen zijn. Het betekent echter niet, dat datge­ne wat voor ons bestaat een objectieve waarde bezit gelijk aan de waar­dering die wij daarvoor bezitten.

*  Als wij iets zien, dan wordt dat op lichtstralen naar de hersens overgebracht. De hersens bestaan weer uit moleculen, atomen enz.. Zij brengen dat weer over in het bewustzijn. Maar er is geen geleerde, die daarop antwoord kan geven.

Op de vraag wat bewustzijn is? Om van zien tot bewustzijn eenvoudig te omschrijven zouden wij het als volgt kunnen zeggen: Wat wij waarnemen is de reflectie van datgene wat er bestaat, zo­dat wij niet dat wat bestaat zelf aanschouwen, maar slechts dat wat het van zich afstoot. Wij zien dus:

punt 1: de aanvulling van het bestaande, niet het bestaande zelf;

punt 2: wij hebben ervaringen opgedaan. Aan de hand van die ervaringen vertalen wij de ontvangen impulsen en wel in overeenstemming met die ervaringen, zodat ons zien niet een kwestie is van objectief zien maar van subjectief zien; namelijk een vergelijken met datgene wat aanwezig is en een zo dicht mogelijke benaderingstellend tot de aanwezige erva­ringen. Zelfs in de jeugdjaren komt dit voor. Vanaf het ogenblik dat deze functie zich in de hersenen afspeelt, ontstaat er wat men noemt realisatie. Realisatie in stoffelijke zin is het vastleggen in de grote eiwitcellen (hoofdzakelijk in de hersenschors) van een signaal, waar­ door de ervaring later kan worden teruggevonden. De combinatie van deze ervaringen constitueert het hersendenken. Nu kom ik tot iets wat misschien voor de wetenschap helemaal on­aanvaardbaar is. De functie van een hersencel en van een denkproces, waarbij we vele hersencellen met elkaar vergelijken is a.h.w. een uit­ wisseling van elektrische stromen, waardoor inductieverschijnselen ont­staan. Deze inductieverschijnselen liggen op de golflengte van althans één geestelijk voertuig van de mens. In dit geestelijk voertuig wordt dus een vergelijkbare werking tot stand gebracht, waardoor een verge­lijking met de daarin aanwezige ervaringen wederom mogelijk is. Zo ont­staat er een wereldbeeld dat in wezen niets anders is dan het toetsen van bestaande ervaringen aan de inkomende impulsen. Wij noemen dit: zien van waarneming tot bewustzijn.

Ik meen, dat voor iets wat de wetenschap nog niet schijnt te kunnen formuleren dit toch een redelijke, niet‑wetenschappelijke maar toch wetenschappelijk lijkende verklaring is. Zij bevat namelijk alle fasen behal­ve één punt; dat punt is in menselijke termen niet uit te drukken. wat is de kern van dit bewustzijn? Wij kunnen hoogstens zeggen: de kern van dit bewustzijn is een levenskracht, die door haar relatie met de omge­ving een vormgeving ondergaat waardoor zij een uitingsmogelijkheid vindt temidden van haar ervaringen en op gelijk vlak waarop zij ervaart.

*  Dat laatste punt is juist waar ik over gedacht heb en er niet uitkwam.

Ik heb een tijdlang geprobeerd te begrijpen wat God was. Toen kwam ik tot de conclusie dat ik niet wist wat ik was. Nu ben ik bezig om er achter te komen wat ik ben. En als ik weet wat ik ben, zal ik misschien kunnen begrijpen wat God voor mij betekent. En van­ daaruit zullen wij dan nog wel verder kunnen gaan.

*  Wie is dan de ziener?

Dit is een filosofisch probleem. Misschien dat de ziener God is, die door ons ziet wat een deel van Zijn wezen t.a.v. het andere deel zou kunnen betekenen. Aangezien wij dit echter niet met zeker­heid kunnen zeggen, maar voor ons het zien een realiteit is, zeggen wij: Wij zijn de ziener, omdat wij degenen zijn die waarnemen. Als een ander ziet en het ons mededeelt, dan zijn wij misschien de toehoorder, maar niet de ziener. Met andere woorden: op het ogenblik dat een vraag niet reëel te beantwoorden is en slechts met filosofische ver­gelijkingen, doen wij er goed aan ‑ voor zover dit mogelijk is ‑ terug te keren tot onze persoonlijke werkelijkheid. Indien die werkelijkheid niet zou bestaan,is zij voor ons werkelijk en als zodanig mag zij door ons als werkelijkheid worden aangesproken, betreden en gehanteerd. De vraag, of zij dan mogelijk voor anderen niet bestaat, is niet ter zake doende, tenzij wij met anderen in contact komen voor wie kennelijk onze werkelijkheid niet bestaat. In dat geval zullen wij moeten uitma­ken wat het verschil is tussen onze werkelijkheid en die van de anderen.

SLOTWOORD

Wij hebben het gehad over verschillende aspecten van geestelijk leven en geestelijke ontwikkeling. Wij hebben daarbij gesproken over de grote godsdiensten. Wij hebben ons zelfs in de laatste vragen be­ziggehouden met filosofie, maar ik geloof dat de kern van het gehele betoog aldoor toch is geweest uzelf. Wat u bent, wat u doet, wat u denkt.

Het is eigenlijk doodeenvoudig: als u van oesters houdt en de hele wereld roept dat ze walgelijk zijn, dan is dat voor u nog steeds waar. U heeft een persoonlijke werkelijkheid. Als de hele wereld zegt, dat Jezus de Verlosser is, dat Boeddha de grote Meester, de grote Gezondene is, dan kan dit voor die wereld waar zijn, maar als het voor u niet waar is, is het een sprookje. Iedereen kan u zeggen dat God bestaat, maar als u dat niet kunt aanvaarden en beleven in uzelf, blijft het een sprookje. Iedereen zegt dat er een leven na de dood is. Eens zult u ongetwijfeld daarvan over­tuigd worden, maar tot dat ogenblik zult u voor uzelf moeten uitmaken, of dat voor u waar is of waar zou kunnen zijn.

Een mens leeft zichzelf. Alle aspecten van geestelijk leven, van geestelijke bewustwording, van geestelijke ontwikkeling zijn terug te brengen tot de mens zelf. Daarop heb ik de nadruk gelegd. Wat u zelf bent, wat u kunt doen, wat u ervaart, wat u beleeft, wat u zelf waar­ maakt, dat is belangrijk. En dan is het ook zeer belangrijk, dat u ‑ waar dit mogelijk is ‑ harmonie erkent met anderen. Die harmonie is er niet, omdat u daardoor beter wordt maar omdat de wereld groter wordt. Indien u beseft dat uw waarheid niet altijd de waarheid van een ander behoeft te zijn, begrijpt u dat er verschillende vormen van waar­heid schijnen te bestaan en zult u misschien komen tot een besef dat ‑ minder nauwkeurig omschreven maar daardoor ook veel gemakkelijker hanteerbaar ‑ de harmonie ligt in uw contact met anderen. U zult meer begrijpen. U zult intenser leven. U zult, kortom, groeien. Groeien is een term, die wij gebruiken voor een ander, die in staat is meer te begrijpen. Voor onszelf is groeien nooit te definiëren. Als wij zeggen dat wij groeien is het zeer waarschijnlijk dat wij stilstaan. Als wij zeggen te groeien, beschouwen wij onszelf. Maar onze groei komt voort uit ons contact met het zijn; datgene wat voor ons leven is, zoals het zich manifesteert buiten ons.

Ik meen in mijn gehele betoog voldoende duidelijk te hebben gemaakt waar uw persoonlijke mogelijkheden liggen. U kunt meer dan u denkt, heb ik gezegd. U bent meer dan u denkt. Maar u beperkt uw kunnen en uw mogelijkheid tot zijn vaak door het ontkennen van delen, die toch werkelijk behoren tot uw wezen en uw besef; het wegvagen van dingen uit uw leven en uw bewustzijn, die waarlijk belangrijk zijn. Ervaringen, die toch werkelijk medebepalend zijn voor uw gedrag, uw waardering en uw harmonische mogelijkheden.

Aanvaard uzelf a.u.b. zoals u bent. Probeer niet te zeggen wat u niet kunt; probeer liever na te gaan wat u wel kunt. Probeer niet te zeggen wat niet waar is; probeer te erkennen wat waarheid is. Probeer niet af te breken wat verkeerd zou zijn, maar probeer op te bouwen wat goed is, dan komt het slechte vanzelf wel in het gedrang.

Alle facetten van geestelijk leven, van religie, van esoterisch systeem, van inwijding, van magische groepering en wat u nog meer wilt noemen, zijn deel van één geheel. De basis van alles is een‑en‑dezelfde kracht. De kern van alles is een en hetzelfde vermogen. Laat ons dan uitgaan van datgene wat bindt, niet van datgene wat schijnt. Laat ons aan niet uitgaan van de juistheid van een woord of van een vorm of van een openbaring of van de juistheid van onze beleving waarin mogelijk die openbaring een rol speelt, maar waarin zij ‑ tot deel van onszelf geworden ‑ slechts de sleutel is tot een verdergaan in andere werelden in nieuwe mogelijkheden en openbaringen.

Laat ons beseffen, dat er maar één ding is dat voor ons mens en geest schadelijk en verwerpelijk is, dat is stilstaan en wachten. Als wij stilstaan en wachten, worden wij geleefd en geregeerd. Dan zullen wij geen waarheid meer erkennen, omdat wij ons onderwerpen aan datgene wat anderen ons als zodanig opleggen. Laat ons daarom voortdurend streven, actief zijn, uiting geven aan de kracht in ons, aan het besef in ons. Laat ons het leven waarmaken, opdat alle aspecten van geestelijk leven, die voor ons maar denkbaar en mogelijk zijn vervuld zullen worden in ons bestaan voor zover dit mogelijk is. Opdat al datgene wat buiten ons aan aspecten van geestelijk leven en geestelijke ontwikkeling bestaat, voor ons een aanvaardbare waarde wordt; iets waarmee wij dan toch – althans beperkt ‑ harmonisch kunnen zijn om zo te groeien naar een totale waarheid, die verdergaat dan het menselijk denken toelaat te beseffen.

Alles brengt ons terug tot één punt. Dat ene punt is theorie. Er is geen nut in filosofie, in theologie, waarmee wij niets kunnen doen, indien wij niet eerst daadwerkelijk werken met de mogelijkheden die wij bezitten, met het besef, met de harmonie die nu ons wezen uitmaken. En als wij daarmee werken, laten wij dan niet zeggen: verder dan dit kan ik niet. Laten wij ons afvragen: hoever kan ik gaan? Want daarmede en alleen daarmede maken wij de ontwikkeling ­van de geest mogelijk, verkrijgen wij een beter besef van eigen wezen en eigen kunnen en een juistere voltooiing van de bewustwordingsgang die ook in het menselijk leven is gelegen.