Aspecten van het zelfonderzoek

image_pdf

13 februari 1962

Ik zou op deze avond gaarne nogmaals de aandacht wijden aan bepaalde aspecten van het zelfonderzoek, aan die vreemde onderzoekingstocht, die men dient te ondernemen in de soms schrikwekkende oceanen van het onbekende “ik”.

Het is redelijk te stellen, dat een mens niet in staat is door te dringen tot in zijn eigen verborgen wezen. Want wij kunnen langs redelijke weg zeker niet komen tot een erkennen van de werkelijkheid, zoals deze in ons bestaat. De vertekening van alle waarden door eigen denken en veroordeel maakt het ons in de praktijk onmogelijk ook maar iets van het Hogere werkelijk objectief te zien. En het is juist hier, dat de grootste gevaren van het esoterisch zoeken schuilen. Want wat ik zelf ben is een vaste waarde. Maar wat ik zelf denk te zijn is een voortdurend variërende waarde, aangepast aan mijn denken omtrent de omgeving, de situatie waarin ik verkeer, of zelfs maar veronderstel te verkeren.

Zelfmisleiding komt zeer vaak voor en maakt het dus zeker binnen het redelijke moeilijk ook maar enig besef te krijgen van eigen werkelijke geestelijke status, geestelijke mogelijkheden en zielstoestand.

Er is een weg, die dit alles tracht te ontgaan. Men noemt dit de mystieke weg, omdat de mens hierin het mysterie voor zichzelf laat ontstaan en er zich in onderdompelt. Maar ook de mystiek wordt steeds weer onderworpen aan de beperking van de menselijke gedachte. Men bouwt voor zichzelf complexe overzichten van werelden, men baseert zijn ervaren op theorieën omtrent trillende vermogens, harmonische afstemmingen; kortom men vormt een waan, die het mysterie moet verklaren. Ook het mystieke draagt in zich het gevaar van de zelfmisleiding, het gevaar vooral ook van het willekeurig stellen van een waarheid, die alleen subjectief en binnen het eigen ik kan bestaan.

Een derde mogelijkheid is het zoeken van de veruiterlijking, een expressie van het “ik” in het totale leven. Maar hier moet de mens gelijktijdig a.h.w. toneelspeler en toeschouwer zijn.

Enerzijds leeft hij en tracht hij extrovert te bestaan; anderzijds tracht hij zichzelf met de kille blik van de deskundige te ontleden. Omdat de tweeledigheid van de functie nu eenmaal geen onbevooroordeeld erkennen toelaat, zal hij ook hier tot grote fouten in de zelferkenning komen.

Zo ik mij dus tot u richt in een poging de zuivere waarden van het esoterisch pad duidelijker te stellen, zal ik allereerst moeten trachten deze gevaren te definiëren en aan te geven hoe en in hoeverre zij te omgaan zijn.

Allereerst de z.g. redelijke zelfontleding. Wanneer ik uitga van het standpunt, dat het kennen van mijn relatie tot de wereld en omgekeerd de relatie van de wereld tot mij van groot belang is voor het erkennen van mijn eigen functie binnen die wereld en zelfs voor een omschrijving van mijn eigen beperkte mogelijkheden, zo is dit volkomen juist. Uitgaande van deze relatie kan ik tot een vaststelling komen van een functioneel verband, dat er bestaat tussen mij en de gemeenschap, waarin ik vertoef. Ik kan voor mijzelf begrijpen, waarom een bepaald geloof, een bepaald denken, een bepaalde handelwijze voor mij praktisch noodzakelijk is. Aan de hand hiervan kan innerlijke vrede gewonnen worden. Want op het ogenblik dat ik meen voor mijzelf verantwoord te leven en te denken, zal ik in staat zijn al hetgeen gebeurt rustig te aanvaarden.

Waar ik innerlijke vrede bezit, is het echter ook mogelijk in de gebieden, die niet redelijk omschreven worden, innerlijk veel te beseffen, dat niet direct kan worden ongezet in een verhouding “ik” tot wereld, maar dat dan aan de hand van een geloofswaarde wordt uitgedrukt als een verhouding “ik” tot kosmos. Hierin is een vergroting van zelfkennis mogelijk. Op het ogenblik echter, dat ik meen door de ontleding van mijzelf (mijn motieven, de door de mens aan mij toegeschreven inhoud a.h.w.) mijzelf in kosmische zin te kennen, verleng ik het totaal van de in mijn wereld bestaande omstandigheden, voor zover mij bekend, tot zij het geheel van de kosmos omvatten. Ik leg dus een bewuste beperking op aan al hetgeen voor mij erkenbaar wordt.

Buiten de tweestrijd, die hierdoor innerlijk kan ontstaan, ontstaat de misvatting, waarbij men bv. tracht om in de innerlijke wereld vanuit een geestelijk voertuig te werken volgens zuiver stoffelijke normen; iets wat altijd tot mislukkingen voert en daarmede vaak tot het ineenstorten van een moeizaam gewonnen inzicht, een moeizaam gewonnen vrede.

Wanneer ik de mystieke weg ga, zo zal het geheim, dat mij overspoelt en waaraan ik mij a.h.w. zonder voorbehoud overgeef, inderdaad voor mij een grote reeks van bewuste ervaringen met zich kunnen brengen. Maar ik wil verklaren en bovenal wil ik mijzelf definiëren en dit aan de hand van stoffelijk denken.

Op het ogenblik, dat ik het voor mij niet ontsluierd mysterie wil trachten te omschrijven in de termen van de rede i.p.v. die van het gevoel, ontstaat wederom een strijdigheid tussen mij en mijn mystiek ervaren in mijn wereld. Ook hieraan kan ik te gronde gaan.

Misschien is het beter, dat ik hierop niet al te veel de nadruk leg, want het zou voor velen van u ontmoedigend kunnen lijken. Toch wil ik u er – al zult u het vaak genoeg gehoord hebben – graag op wijzen, dat men altijd moet uitgaan van zijn eigen leven, van zijn direct erkende verplichtingen en toestand. Het is onmogelijk je te onttrekken aan de normale wereld, waarin je leeft. Je moet eenvoudig daar beginnen, waar het bewustzijn vaststelt: dit is mijn wereld.

Verder dan dit kunt u niet gaan. Uw basis moet in het heden liggen. Al wat in strijd is met dit heden en door u erkend wordt, veroorzaakt innerlijke strijdigheid. Die strijdigheid kan overwonnen worden en is soms zelfs aanvaardbaar; maar zij wordt nimmer een zelferkenning. Een compromis tussen mijn illusie en mijn wereld kan nooit en te nimmer de uiteindelijke vervulling van mijn wezen in zich dragen.

Want een mens is – vreemd genoeg – niet geschapen voor het innerlijk compromis. Hij sluit dit wel naar buiten toe, maar in zich kan hij slechts gelukkig zijn met een volledige rechtlijnigheid van ervaren en van streven.

Alles, wat dus in mijzelf ervaren wordt, moet gereleerd zijn met mijn eigen wereld. Wanneer ik mijn eigen wereld moet uitschakelen om het mystieke te ervaren, kan ik dit alleen doen in de ogenblikken, dat ik van mijn eigen wereld volledig vervreemd en vrij ben. Tijden, waarin geen beroep kan worden gedaan op mijn stoffelijk wezen en mijn stoffelijke verplichtingen (in het geval van een bestaan in uw wereld dus); tijden, waarin ik volledig ontspannen en van mijn eigen materieel bestaan zo weinig mogelijk bewust leef.

Zou ik echter zo’n periode te lang voortzetten, dan ontstaat een wereldvervreemding, waarbij ik mijn eigen bestaan in de wereld moet gaan rationaliseren en dit doe op basis van een mysterie, dat ik niet ken en waarvan ik de werkelijke beduiding niet weet; een occult bestaan, waarin ik in feite geen enkel houvast heb. Het is duidelijk, dat ik ook dan weer mijzelf voorlieg en ik kan dan alleen door zelfkwelling ontkomen aan de treurige verplichting mijn eigen onvolmaaktheid, te beseffen. Vandaar dat zovele anachoreten, zoveel van de heiligen van Indië en van Tibet, maar ook de kluizenaars en heiligen uit het vroegste christendom tot zelfkwelling overgingen. Het was hun enige methode om tussen hun innerlijk ervaren en de wereld, waarin zij leefden, een – zij het illusoir – verband te leggen. In de esoterie van deze dagen meen ik echter, dat ook een dergelijke uitweg onmogelijk, niet bruikbaar en voor het ”ik” vernietigend zal zijn.

Wanneer ik uitga van mijn eigen en dagelijks bestaan, dan kan ik mij natuurlijk wel realiseren, dat de inhoud daarvan verdergaat dan het oog onmiddellijk beseft. Ik kan mij laten leiden door de mystieke gedachtegang en de mystieke ervaring, mits ik in staat ben terug te keren tot mijn normaal en materieel peil.

Ik zeg dit met zo’n nadruk, omdat menigeen, die zich ondergedompeld heeft in de wonderlijke ervaringen van innerlijk licht, van erkenning van hogere kracht, terugkeert met een woordenschat, die voor een ieder onduidelijk en onbegrijpelijk is. Het is wel zeer moeilijk hieraan te ontkomen. Wanneer wij dan gaan spreken in de meest zonderlinge termen over de ons bewegende Christusgedachte, de zoveelste straal van licht enz., maken wij in feite het onze wereld onmogelijk om werkelijk te begrijpen en een contact met ons op te nemen. Wij zouden onszelf isoleren.

Daarom stel ik als eerste voorwaarde voor elke esoterische ervaring en scholing: Men moet voortdurend in staat zijn om terug te keren tot de materie en zelfs datgene, wat men innerlijk ontdekt en ervaart, zover nodig in de normale en gangbare termen daarvan kunnen uitdrukken.

Ten tweede moeten wij voor de esoterische bewustwording stellen, dat waar de beperktheid van het menselijk denken niet een volledig erkennen van hogere of geestelijke toestanden toelaat, wij in vele gevallen zullen moeten volstaan met een gevoelservaring. Deze gevoelservaring – hoe belangrijk zij ook moge zijn – kan echter nooit volledig worden omgezet in redelijke beschouwingen en argumenten. Zij mag daarom nimmer worden gebruikt als hoofdtoon van ons eigen bestaan in eigen wereld. Het is de achtergrond (de klankbodem), waartegen wij op de voor onze wereld aanvaardbare mogelijkheden de melodie van ons eigen beperkt stoffelijk of geestelijk leven doen voort zingen. De klankbodem kan het timbre van het instrument aanmerkelijk veranderen, dat is waar. Maar het neemt niet de melodische mogelijkheid van het instrument weg. Het neemt verder niet de normale hantering van het instrument weg. Wanneer u een doodgewone studieviool hebt of u hebt de meest kostbare oude cremona, dan blijft de hantering gelijk. Wanneer wij een mens hebben met een innerlijke mystiek, groots en verrijkend ervaren, dat als een gevoel tot uitdrukking komt, dan moet toch nog zijn gedrag, zijn hantering van zijn wereld, gelijk blijven aan die van een mens, die niet meer kent dan zijn eigen materieel bestaan.

Ten derde moeten wij gaan stellen: Elke beleving, die wij innerlijk doormaken, is niet slechts uit onszelf gegroeid, maar zij vormt in feite onze reactie op datgene, wat rond ons aanwezig is. Zelfs in de hoogste en meest kosmisch mystieke ervaring zal nog steeds het “ik” reageren op de Oerkracht (goddelijke Kracht of welke term u daarvoor zoudt willen gebruiken), die ge ontmoet hebt. Het interpretatie-element blijft – zelfs in de gevoelswereld – bestaan. Daarom zal ik mij nimmer vereenzelvigen met mijn innerlijke beleving, maar zal slechts die innerlijke beleving beschouwen als een maatstaf voor mijn eigen contact met andere – eventueel hogere – waarden.

Misschien is dit alles voor u wat droog, wat somber en misschien zelfs in sommige ogen weinig positief. Maar … elke waarde die wij kosmisch ervaren, elke kracht dus die niet beperkt wordt door het zintuiglijke, maar door het gehele wezen wordt waargenomen, zal in ons een volledige uiting tot stand brengen. En dit wil zeggen, dat elke mens – ook in deze dagen – direct onderhevig is aan de invloeden van deze tijd, de daarin optredende krachten, vermogens en hogere entiteiten. Dan kan mijn erkennen in het heden nimmer zijn een persoonlijk erkennen. Het is een erkennen van de vloed van gebeurtenissen, van krachten en zelfs daaruit voortvloeiende problemen, waarmee de wereld met al zijn persoonlijkheden en zijn invloeden mij voortdurend confronteert. Zelfkennis is dus maar beperkt mogelijk.

Wanneer wij in de esoterie de zelfkennis als hoofddoel stellen, zo blijkt zij te falen. Stellen wij echter in de esoterie het vinden van een zo juist mogelijke harmonie met al wat ons omringt en het zo juist mogelijk erkennen van onze eigen mogelijkheden in en verhoudingen tot die omgeving, dan volgt hieruit een juiste aanpassing van het “ik” aan het geheel.

Deze aanpassing kan ik helaas alleen als uitermate belangrijk verklaren door te spreken over punten, die misschien voor de rede niet geheel aanvaardbaar zijn. M.a.w. ik moet hier een stelling opbouwen, die “geloof” is; niet meer en niet minder.

Ik ben deel van het totaal van het Zijnde. Of ik eeuwig ben of niet maakt daarbij weinig uit.

Zolang ik besta heb ik een zeer eigen functie. Vervul ik deze functie goed en volledig, dan zal er tussen mij en mijn wereld, mij en al hetgeen mij omringt, geen enkel conflict ontstaan. Er ontstaat een zo groot mogelijke vrede, een vervulling van eigen leven en levensdoel.

Stel dat ik hier spreek van God of goddelijke krachten of goddelijke waarden, dan mag ik dus stellen: Ongeacht het al of niet duurzaam zijn van mijn leven is het en voor mij en voor al, wat met mij in contact is, uitermate belangrijk, dat ik een zo juist mogelijke aanpassing vind. De esoterie zou ten doel moeten hebben allereerst deze aanpassing tot stand te brengen.

Het is goed te spreken over inwijding in hogere geheimen. Maar is het redelijk te verwachten, dat een mens of een geest zal kunnen doordringen in een hoger geheim, in een hogere wereld, wanneer hij niet eens in staat is zichzelf in zijn eigen beperkte wereld te handhaven? Is het redelijk om aan te nemen, dat men kan doordringen tot hoge krachten en daarover kan bevelen, terwijl men niet eens meester is van zijn beperkte omgeving en wereld?

Een waar meesterschap kan niet gebaseerd zijn op overheersing. Het moet gebaseerd zijn op een relatie, waarbij men op sommige punten dominerend, in andere echter dienend is. De relatie “ik” en wereld, zal niet alleen bepalend zijn voor eigen toestand, eigen bewustzijn en eigen bewustwordingsmogelijkheid, maar zal tevens bepalen in hoeverre men ook buiten die eigen wereld tot een bewustwording kan komen.

U ziet, ik probeer dit alles uit te drukken in een zo redelijk mogelijke opzet van termen. Maar … en daar komt dat ellendige “maar” weer, dat steeds blijft klinken, wanneer wij eerlijk en oprecht trachten ons bezig te houden met de esoterie. Wij kunnen dit slechts doen, wanneer wij uitgaan van een zeer bepaald standpunt en daarbij onbewezen waarden voor waar aannemen. Het is dan ook voor deze reeks van onbewezen en onbewijsbare punten, dat ik nu verder een ogenblik uw aandacht wil vragen.

Wanneer ik u zeg, dat de maan van groene kaas gemaakt is, dan blijft u rustig naar uw melkboer gaan voor uw half pondje kaas en u grijpt niet naar de maan. Wanneer ik u zeg, dat God de bron van alle kracht is, zult u logischerwijze uw kracht eerst daar zoeken, waar u ze werkelijk gemakkelijk bereiken of verwerven kunt.

Het heeft geen zin om uit te grijpen buiten onze onmiddellijke mogelijkheid. Onze mogelijkheid, wanneer wij in de stof leven, is esoterisch bezien beperkt. Enerzijds kunnen wij door het gebruikmaken van de in ons levende voertuigen (geestelijke voertuigen dus) komen tot een activeren van krachten, die in onze eigen wereld niet geheel erkend zijn. Maar die krachten maken desondanks een normaal deel uit van die wereld, zelfs wanneer de mensheid hun bestaan niet erkent of niet als bestaand wil erkennen. Want zij treden op. Zij zijn verschijnselen, die steeds in eigen wereld voorkomen. Dus ook hier blijft de relatie met de eigen wereld.

Het heeft geen zin ons los te maken van de werkelijkheid, alleen met het doel de hoge kracht te vinden, wanneer wij ons daardoor in het hopeloos avontuur van een tocht zonder oriëntatiemiddelen in een voor ons onoverzienbare golvende zee van mogelijkheden moeten begeven. Het moet logisch zijn. Maar even logisch is de aanvaarding van een hoger principe.

Even logisch is in de mens de gedachte van eigen voortbestaan. Want ook al zijn deze dingen niet bewijsbaar in menselijke zin, zij vormen een deel van het menselijk leven en hebben te allen tijde – zij het soms alleen voor de groteren, soms ook voor allen – deel uitgemaakt van menselijk geloof en menselijk denken.

Geloof in uw eigen voortbestaan impliceert, dat het niet noodzakelijk is een bepaalde taak nu en in dit wereldbestaan af te maken. Er is dus geen reden om haastig te zijn.

Dit is belangrijker dan u denkt, want haastigheid wordt – vooral op een terrein, waarbij zo weinig directe controle mogelijk is als het esoterische en het geestelijke – zeer snel tot een oppervlakkigheid, die voorbijgaat aan de meest belangrijke punten. Dus, vrienden, geloof in de eerste plaats dat gij u niet behoeft te haasten. Dat het beter is één gedachte, één enkel onderwerp volledig te overzien, uit te werken en voor uzelf te erkennen, dan om het gehele leven te zien en te erkennen en de geaardheid daarvan niet te beseffen.

Ga in de tweede plaats uit van God; natuurlijk. Maar stel die God nimmer als een bepaalde waarde. Gij gelooft in God op een bepaalde wijze, dat is mogelijk. Maar het betekent niet, dat die God al hetgeen is, wat gij gelooft. Leef rustig in de veronderstelling, dat zo uw God anders is dan gij Hem denkt, Hij anders zal reageren op uw smeekbeden, op uw geloof en uw streven, dan gij zoudt vermoeden. En beschouw het Goddelijke niet alleen als een verre observerende Kracht, maar als een direct in uw leven werkzame en te allen tijde met uw wezen verbonden Kracht. Het beeld van uw God, dat voor u waar en mogelijk is, wordt mede bepaald door de wijze, waarop die God kenbaar wordt in uw eigen bestaan. Laat u ook niet meeslepen door ideale toestanden en gedachten, die al te gemakkelijk verweven worden met eigen denken omtrent God en bewustwording. Het kan zeer goed zijn om vegetariër te zijn; maar het is volkomen verkeerd om daarom het vegetarisme te zien als een al-bepalende factor voor innerlijke bewustwording en juiste zelferkenning. Het kan goed zijn u bepaalde dingen in de wereld te ontzeggen en daarvoor in de plaats een contact met uw God te krijgen; mits daardoor uw dienstbaarheid voor uw directe omgeving groter wordt en dus de innerlijke harmonie a.h.w. hersteld wordt. Maar het is onredelijk aan te nemen, dat slechts deze wijze van leven resultaten oplevert.

Dus realiseer u wel, dat uw beeld van God nimmer bepaald kan worden door de bevestigingen van Zijn wezen, die gij meent te vinden. Maart dit is uw interpretatie. Maar dat datgene, wat Hij zeker niet is in overeenstemming met uw visie, bewezen kan worden door de feiten, door de wijze, waarop Hij zich manifesteert.

Die God is ongetwijfeld vreemder, harder, rechtvaardiger en misschien ook veel lichtender dan u aangenaam is. Maar een zelfkennis kan alleen verworven worden in het licht der waarheid.

En zo ge gelooft aan een God, moogt ge niet geloven aan de God, die gij begeert, maar dient ge te geloven aan een God, Die zich manifesteert. Alleen wat ook in de innerlijke wereld en de innerlijke bewustwording voortdurend manifest is en als objectief manifest kan worden beschouwd door zijn kenbaarheid ook buiten het “ik”, mag als vaststaande waarde worden aangenomen.

Ons kompas moet zijn een kompas waarop eliminatie een belangrijke rol speelt. Wij kunnen niet een koers uitzetten, omdat wij het einddoel te vaag beseffen. Maar wij kunnen wel degelijk alle richtingen elimineren, die zeker niet tot het doel voeren. Wanneer wij dit doen – zowel in ons besef van God als in ons innerlijk beleven en zelfs door het in de praktijk beproeven van de stellingen, die wij zelf als juist beschouwen – zo zullen alle voor ons nu niet passende en daardoor voor ons bewustzijn niet aanvaardbare en bruikbare richtingen van leven en handelen vanzelf worden uitgesloten. Wat overblijft zal vanuit ons standpunt positief blijven.

De keuze, die wij maken in het onbekende, is nimmer een doelbewuste. Al stelt de esotericus zich een nauw omschreven doel (het erkennen van zijn eigen wezen en de waarheid daaromtrent) zo moet hij wel beseffen dat het stellen van een doel, nog niet wil zeggen: weten waar dit doel ligt. Wij kiezen – uit de volgens ons huidig weten gebleven positieve mogelijkheden – willekeurig. En dit willekeurige wordt bepaald door onze eigen gevoelswereld, maar zeker ook door ons denken, door ons verlangen. Wij bouwen uit onszelf dus steeds een bevestiging op van datgene, wat ons het meest passend lijkt. Stellen wij dit niet op de proef, dan is de mogelijkheid zeer groot, dat wij toch een valse koers sturen. Alleen wanneer wij bereid zijn datgene wrat wij aanvoelen, denken en beleven, datgene wat wij zien als deel van het ware ik, waar de mogelijkheid ook maar rijst, op de proef te stellen, slechts daar waar wij bereid zijn zelfs de grootste desillusie te riskeren ommentwille van de waarheid, zullen wij steeds verder punten kunnen elimineren en steeds zuiverder bepalen, hoe ons streven moet zijn om het “ik” in juistheid te realiseren.

Geloof speelt hierbij dus een grote rol, mits dit geloof voortdurend beproefd wordt. Het klinkt erg vriendelijk wanneer wij zeggen, dat God Zijne kinderen kastijdt. En het is ongetwijfeld troostrijk, wanneer wij zeggen dat “God geeft en God neemt”. Maar deze dingen zijn alleen maar aanvaardbaar, wanneer wij elk redelijk streven en elke positieve zelferkenning terzijde stellen. Willen we echter positief onszelf leren kennen, dan zullen wij moeten nagaan of dit wel juist is.

Ik hoop niet dat het u stoutmoedig lijkt, maar ik geloof dat elke mens recht heeft niet slechts zichzelf maar ook zijn God, waarin hij gelooft, op de proef te stellen. Hij zal dit steeds weer moeten doen, waar het uitermate belangrijk voor hem/haar is, om te weten hoe men verder moet gaan. Alleen door het geloof zo steeds weer in contact te brengen met de werkelijkheid, heeft het waarde. Alleen door steeds meer werkelijkheid en ervaring van die werkelijkheid in onszelf te vergaren, zullen wij onze persoonlijke waarden kunnen beseffen.

Er is geen haast, er is geen noodzaak tot opschieten. Er is niet één leven, waarin wij de totale eeuwigheid moeten omvamen om bij in gebreke blijven te worden gedoemd tot een vreemde, vurige duisternis. Er is slechts een verdergaan, altijd weer. Indien ge esoterisch streeft, beperk u dus tot een kleine taak, maar volbreng deze volledig en met inzet van geheel uw wezen.

In het verband van het besprokene blijft een zeer voorname factor uit deze dagen als geloofswaarde nog ongenoemd. Ik doel hierbij op het optreden van een nieuwe wereldleraar, het werkzaam zijn van bepaalde groot-kosmische krachten, het actief zijn van geestelijke invloeden zowel als stoffelijke veranderingen van stromen. Ook dit is geloof. Want niemand van u heeft de wereldleraar gesproken. En zelfs zo ge hem zoudt spreken, zou niemand uwer in staat zijn met zekerheid, vast te stellen, dat hij datgene is, wat wij zeggen of datgene, wat hijzelf zegt te zijn. Daarom stel ik: dit is geloof.

Wanneer ik echter als mens besef, dat in deze dagen de innerlijke bewustwording niet plaats kan vinden volgens de oude geheiligde methoden, wanneer ik besef dat mijn eigen aanpassing aan de wereld op een andere wijze zal moeten plaatsvinden, omdat ik eenvoudig de rust niet kan vinden om langs oudere en meer geheiligde wijzen het “ik” enigszins te omschrijven, zo moet ik wel een beroep doen op dit nieuwe geloof. Het is noodzakelijk volgens mij voor een ieder, die oprecht streeft naar het bereiken van esoterisch inzicht in zichzelf, het vinden van een juiste relatie tot zijn wereld en de hogere krachten – voor zover die kenbaar zijn – om uit te gaan van de vernieuwing. De noodzaak tot deze vernieuwing leeft in u allen. Soms als een angst, soms als een begeerte, soms alleen als een gevoel van niet kunnen bereiken, van onmacht en prikkelbaarheid. Maar het is aanwezig. Wanneer dit in ons bestaat, zal het niet slechts uit onszelf voortkomen, maar moet het worden gezien als iets, wat uit de wereld – stoffelijk zowel als geestelijk – tot ons komt.

Het geloof aan de wereldleraar en de door hem gebrachte stellingen is zeker niet noodzakelijk, maar het kan zeer nuttig zijn. Want indien wij ons opnieuw oriënteren en komen tot een nieuw gebruik van de in de mens bestaande mogelijkheden, zo zullen wij (ongeacht de storingen van de moderne leefwijze in dit opzicht) voort kunnen gaan met waar te leven, waarlijk onszelf te beseffen en – zonder een ons vastleggen op bepaalde punten als enig juist of als onbewezen en toch waar – kunnen elimineren wat in ons leven niet past en zo steeds meer ons doel beperken.

Over deze stellingen zal zo dadelijk een tweede spreker u na de pauze inlichtingen geven. Het is niet mijn doel daaraan reeds nu uitleg en bespreking te verbinden. Maar ik moet u wel op iets wijzen.

Wanneer ge werkelijk esoterisch wilt leven en streven, onverschillig of ge daarbij een magisch element begeert of niet, zo zult ge deze dingen niet moeten zien als een waarheid. Ge zult ze moeten zien als een mogelijkheid om uw eigen houding t.o.v. de wereld hernieuwd te definiëren.

Wanneer die leerstellingen tot u klinken, zo moogt ge ze niet zien als de sleutel tot een hiernamaals vol glorie, maar zult ge ze moeten beschouwen als een mogelijkheid om de weg in uw eigen wezen, in de complexe reeksen van redenen en reacties die uw denken uitmaken, te vinden. Het is geen sleutel, die poorten opent. Het is eerder een wegwijzer, waarmee men – zij het met enige moeite – in de doolhof van ontstane verwarringen en spanningen zijn weg vindt.

Wat wij innerlijk bereiken zal ook in dit opzicht afhankelijk zijn van al hetgeen we in onze eigen wereld tot werkelijkheid maken. Het succes, dat wij kunnen hebben met deze nieuwe stellingen, is afhankelijk van de wijze, waarop we de moed hebben ze voor onszelf op de proef te stellen.

Elke mens – en zeker de esoterisch denkende mens – is vóór alles een wezen, dat verantwoordelijk is voor zijn relatie met de wereld; een wezen, dat vóór alles deze relatie juist moet beseffen. Want de mens is een wezen, waarin mogelijk de oneindigheid besloten ligt (ik voor mij stel dit als zekerheid); maar het is zeker niet een wezen, dat de oneindigheid verwerkelijken kan, wanneer het niet in staat is zijn eigen beperking en beperktheid te zien in de juiste verhouding en te hanteren volgens de waarheid, die deze mens innerlijk erkent, ook al is deze niet bewijsbaar.

0-0-0-0-0-0-0

De wereldleraar

Wanneer ik deze avond met u wil spreken over de wereldleraar en over een deel van zijn leer, zo hoop ik dat u mij zult willen vergeven, wanneer ik het één en ander hoofdzakelijk ga formuleren door direct gebruik van het medium en de daarin gelegen kwaliteiten. Het is voor mij veel eenvoudiger om op deze wijze te werken.

De grote kracht, die alle dingen doordringt (het leven zelf a.h.w.), is voor ons de bron, waaruit wij wijsheid putten, waaruit wij begrip verwerven. Alleen wanneer wij deze bron erkennen in onszelf en al wat rond ons is, zullen wij iets van de waarheid kunnen beseffen.

Dat is een heel eenvoudige en misschien al te vaak herhaalde stelling. Toch gaat onze Meester daar steeds weer van uit, omdat hij meent – of weet misschien wel – dat er nu eenmaal geen andere weg voor ons bestaat.

De band, die wij vinden met het Goddelijk, met het werkelijke leven rond ons, kan nooit bestaan in ons uiterlijk gedrag, of zelfs in ons uiterlijk denken. Er is slechts een innerlijke verbondenheid mogelijk tussen ons en alle mensen, tussen ons en alle kracht en alle leven.

Wanneer wij zoeken naar waarheid, dan moeten wij in de eerste plaats zoeken naar de waarheid in ons eigen leven. Want hoe kan iemand gelijktijdig zeggen de waarheid te zoeken en woorden spreken, die niet waar zijn?

Het is een beetje moeilijk voor een mens om dit in de praktijk te brengen. Precies de waarheid te zeggen is eigenlijk niet eens denkbaar. Aan de andere kant is het duidelijk, dat wanneer een mens niet eerlijk kan zijn tegenover zichzelf, hij ook nooit iets kan zien wat werkelijk bestaat, wat werkelijk waar is. Integendeel, hij zal steeds uitgaan van zijn eigen denken.

Wanneer wij de moderne tijd bezien met al zijn mogelijkheden en al zijn fouten, dan komt er voor de wereldleraar dus de grote moeilijkheid om een zekere harmonie uit te drukken tussen de mens en de wereld, waarin hij leeft. Je kunt dat doen op de basis van tevredenheid. Maar wanneer ik tevreden ben met alles zonder meer, dan zal ik ook elke vooruitgang – en daarom ook elke bewustwording – onmogelijk gaan maken. Werkelijke tevredenheid is gelijk aan passiviteit. En passief mogen wij zeker niet zijn. Integendeel, wij moeten actief leven. Daarom stelt hij dan ook voor ons steeds weer:

“Bedenk wel, dat wij tevreden moeten zijn met datgene, wat onvermijdelijk is. En dat wij voortdurend moeten vermijden, wat niet juist is, voor zover het in ons vermogen ligt. Dat wij steeds moeten scheppen wat goed is, voor zover wij hiertoe een mogelijkheid kunnen vinden.”

Dat is wel heel erg eenvoudig gezegd. Maar het is weer een basispunt van de algehele ontwikkeling, die hij zich denkt. De innerlijke mens moet streven. Streven kun je niet, wanneer je je voortdurend tegen het buiten-je-macht-liggende moet blijven verzetten. Je moet uitgaan van een aanvaarding, maar alleen van die punten, waarvan je zeker weet, dat je ze niet kunt beïnvloeden. Je moet gelijktijdig ook uitgaan van het standpunt, dat waar je de mogelijkheid hebt, je het goede moet doen en het kwade a.h.w. moet laten.

Nu moet u niet denken dat goed en kwaad in de taal van onze Meester absoluut zijn. Hij zegt:

“Wanneer een mens het licht neemt en het niet begrijpt, schept hij duisternis.”

En dat geldt in onszelf geloof ik nog intenser, dan wij het ooit in een ander zouden kunnen zien. Wanneer wij de redenen van de dingen zouden begrijpen, dan zouden we ze kunnen verwerken, dan zouden wij ermee kunnen leven, dan zouden wij er iets goeds in kunnen zien. Maar op het ogenblik dat juist dat niet mogelijk is, lopen wij vast. Dan zien wij niet “waarom” en dan gaan wij onze eigen denkbeelden maken.

Onze Meester ziet deze dingen dus allemaal erg reëel. Zo zegt hij bv. dat de grootste ongelukken, de grootste wreedheden en de grootste geestelijke mislukkingen niet voortkomen uit de werkelijkheid, maar uit datgene, waarvan de mens vreest dat het werkelijk zal worden.

De dingen, die je veronderstelt en waarvan je dus geen zekerheid hebt, vooral wanneer ze in de toekomst liggen, beïnvloeden je handelen, je daden en denken zodanig, dat je daardoor eigenlijk jezelf het leven ondragelijk maakt.

Je zou dus kunnen zeggen, dat je bij de dag moet leven. En toch ziet onze Meester ook de dag eigenlijk weer niet als een bepalend iets. Want hij zegt tegen ons:

“Weet, dat de tijd niet is. Wij zijn het, die de tijd denken; niet is het de tijd, die ons denkt.

Indien wij zeggen, dat de tijd niet is, zo is hij niet …voor ons.”

Daartegen zoudt u waarschijnlijk gaan protesteren, wanneer u nadenkt over de feitelijke verhoudingen. Maar het is toch wel zeker, dat op het ogenblik, dat de tijd voor ons geen rol speelt, wij innerlijk veel natuurlijker, veel meer ontspannen en veel beter kunnen werken. Dat wij sneller kunnen nadenken. En dat – zodra die klok maar even stilstaat – dingen kunnen worden beseft met een diepte, die anders buiten uw bereik ligt.

Wij moeten daarbij natuurlijk niet zover gaan, dat wij gaan spreken over het eeuwigdurend Nu en alles, wat daarmee samenhangt. Want dan vertekenen wij de zaak weer. Wij moeten alleen beseffen: de tijd is, wat wij ervan maken.

Willen wij komen tot een contact met God, dan is die tijd wel één van de eerste belemmeringen. Maar er zijn ook nog andere punten, die een grote hinderpaal voor ons zijn:

“Wie in zich God erkent en niet vraagt, beleeft God. Wie echter in zich meent te erkennen en vraagt: wat heb ik erkend?, verliest God.”

Het is misschien erg vreemd om het zo te zeggen. Maar wanneer wij de dingen, die wij toch eigenlijk niet kunnen begrijpen, willen gaan bekritiseren of willen gaan ontleden, dan gaan ze dood. Het is net als met een kind, dat een dier krijgt (bv. een kuikentje) om mee te spelen. Nu wil hij weten hoe het in elkaar zit. Hij trekt het uit elkaar en het leven is weg.

Zo is het met ons innerlijk beleven van God. Op het ogenblik dat wij proberen het te ontleden, dat wij het uit elkaar gaan halen, leeft het niet meer. Dan zijn al de delen er nog wel, maar het ene, dat ons met die God verbindt, ontbreekt. Het resultaat is dus, dat je ook hier wel degelijk eens even moet nagaan, wat je wel en wat je niet wilt doen.

Leefregels worden er altijd te over gegeven. En ofschoon onze Meester zich daaraan niet in grote mate bezondigt, stelt hij toch ook wel enkele punten, die noodzakelijk zijn voor een goed innerlijk leven. In de eerste plaats:

“Beleef je God en vraag die God al wat je wilt; maar stel die God geen voorwaarden en zeg Hem niet wie Hij is.” (De vertaling is misschien een beetje vrij)

Wanneer wij werkelijk proberen met God in contact te komen, kunnen wij alles vragen. Want er zijn zoveel bronnen in onszelf en rond ons, waaruit ons het juiste antwoord gegeven kan worden, waaruit wij het juiste begrip kunnen putten, waaruit we de mogelijkheid kunnen vinden om voort te gaan, dat het niet nodig is eerst tegen God te zeggen: Wie ben Je? Want als wij God zeggen wie Hij is, dan onderwerpen we Hem aan ons bewustzijn. En doordat wij dat doen, begrenzen wij dus eigenlijk elke mogelijkheid, die wij hebben, om God werkelijk te beleven.

“Leef nimmer naar datgene, wat men zegt dat goed is, maar leef steeds naar datgene, wat ge innerlijk en zonder voorbehoud als goed kunt ervaren.”

Dus m.a.w.: Je bent eigenlijk je eigen rechter, je bent je eigen maatstaf. Maar je hebt in jezelf iets, wat belangrijker is om het leven op de juiste manier te zien, dan enige mens ooit kan beredeneren of vastleggen. Vraag daarom nooit aan anderen: wat is goed? Maar vraag het eerlijk aan jezelf.

Zeg nooit (zo stelt onze Meester): “Dit is van mij en dat behoort u.” Doch zeg alleen: “Al wat noodzakelijk is om te leven is mij gegeven en behoort mij toe. Doch datgene, wat mij geen noodzaak is, is niet deel van mij, behoort mij niet toe en daarop kan ik geen rechten doen gelden.”

Het is dus een poging de mensen te brengen tot het aanvaarden van een minimum. Maar hij begrijpt heel goed, dat dit minimum voor elke mens anders zal liggen. Wat aanvaardbaar is als een levensminimum voor een arme mens in Indië, voor een Arabier of een arme Indo hier of daar in de wildernis, is voor u niet aanvaardbaar. Maar wanneer u meer van het leven gaat eisen als uw eigendom, als uw bezit, als uw recht, dan zult u daarmede datgene, wat gij zijt, teloor zien gaan en daardoor het niet kunnen ontwikkelen op een natuurlijke manier.

Omgekeerd, wanneer u het voor u werkelijk noodzakelijke onthouden wordt, zult u daaraan ten onder gaan en u zult ook niet meer uzelf kunnen zijn. Wat is voor je eigen ik noodzakelijk? Onze Meester zegt het zo:

“Het voedsel, dat mij niet hongerig doet zijn. (Hij zegt niet “verzadigd” zijn. Nee, wat mij “niet hongerig” doet zijn.) De kleding, die mij beschermt, zodat ik leven kan en niet meer dan dat. Het onderdak, dat voor mij noodzakelijk is als veiligheid; naar meer niet.”

Hij stelt het dus heel precies. Het gaat niet om het bezit van dingen; het gaat alleen om dat, wat je nodig hebt om te functioneren en te leven als mens. Dat mag je zien als deel van jezelf.

Al het andere behoort je niet toe. Hij stelt ook:

“Gij zult nimmer eisen. Want datgene, wat u behoort, zal u gegeven worden of zult ge kunnen nemen. Wie echter van anderen eist, neemt of meer dan hem toekent, ofwel hij heeft de moed niet datgene te nemen, wat voor hem noodzakelijk is.” (Dat klinkt ook weer wat cryptisch, maar daaraan is helaas niets te doen. Dat is nu eenmaal die spreektrant.)

‘Wanneer ge gelukkig wilt zijn”, zo zegt onze Meester, “dan moet ge niet beginnen te zeggen: “Dit is het geluk.” Geluk is niet datgene, wat ik verwerf, wat ik bezit, maar het is slechts datgene, wat in mij bestaat. Wie het geluk zoekt uit het verleden, wordt ongelukkig. Wie het geluk zoekt in de toekomst, is ongelukkig. Doch wie noch het verleden noch de toekomst zoekt, maar in het heden vrede heeft en de vreugde van alle dingen erkent, is gelukkig.”

Het is weer heel eenvoudig. Het is eigenlijk een leefregel, die probeert je terug te brengen tot een bestaan alleen in het Nu en zonder enige voorwaarde te stellen. Het zijn de voorwaarden, waaraan wij ten onder gaan.

“Wanneer je de waarheid omtrent jezelf wilt kennen”, zo stelt hij, “zo dien je niet te zeggen: “Dit ben ik.” Stel: “Ik ben” en onderga uzelf. Want wie zichzelf ondergaat en in zichzelf het Hogere erkent, zal zichzelf leren kennen. Wie echter streeft om zichzelf te leren kennen, maar weigert zijn innerlijk wezen te ondergaan, hij vervreemdt zich van zichzelf en van zijn Schepper.”

“Wie lacht om de oude wijsheid is een dwaas. Wie de oude wijsheid verheft tot de enige wijsheid is nog dwazer. Wijs is hij, die beseft, dat alle wijsheid in alle tijden leeft, maar dat ze verstaan moet worden en gelezen met de ogen van deze tijd.”

Je kunt geen beroep doen op allerhande oude geschriften. Of je nu van de Vedanta uitgaat, of wilt uitgaan van andere magische en esoterische bronnen van het verleden; je kunt eigenlijk niets vinden, wanneer je ze niet beziet met de ogen van vandaag. En dan is het die oude wijsheid niet meer. Maar het kan voor jou een nieuwe wijsheid betekenen.

“Wie in zich bewust is en bewust tracht te leven, ziet hoe hij zichzelf vernieuwt, zoals alle dingen zich vernieuwen van ogenblik tot ogenblik.”

Als ik dit dus probeer om te zetten in menselijke termen, dan moet ik eigenlijk hier de verklaring geven, dat de mens, die probeert een vast beeld van zichzelf te hanteren, eigenlijk al verkeerd is. Want hij verandert steeds door. Leven is groeien. En wie niet groeit, leeft niet. En omdat wij moeten groeien, moeten wij deze groei ook beseffen als werkelijke waarheid. Niet wat ik ben en niet wat ik worden zal maar dat, wat in mij verandert, is het belangrijkste. En in deze zin moet u dan begrijpen, wat ik nu ga citeren:

“De inhoud van het eigen wezen is de rijkdom, waarvan wij de rente kunnen meten, maar nimmer zullen wij het kapitaal zelf beseffen. De waarde, die in ons leeft, is de kracht, die wij kunnen openbaren. Nimmer zal onze waarde groter kunnen zijn dan dat, wat wij kunnen uiten. Nimmer zal zij geringer zijn dan dat, wat door ons geuit wordt. De waarheid, die wij beseffen, is gelijk aan de waarheid, die wij verwerkelijken. Nimmer kunnen wij iets verwerkelijken, dat niet waar is. Zo dienen wij steeds wat wij zijn en wat wij doen te erkennen als waarheid, waarbij niet de eigen gedachten maar alleen de feiten gelden.”

“Bedenk, dat alle kracht in God is en dat alle kracht liefde is. Want liefde is de band die alle dingen samenhoudt. Liefde is de kracht, die het leven in stand, houdt en zo is liefde ook het enige, wat ons werkelijk doet bestaan en ons verbindt met al het zijnde.”

Het is een poging om een wereld te tekenen; een wereld, die ge misschien niet helemaal kunt begrijpen. Ik zal zo dadelijk proberen de beheersing toch iets te veranderen en dus ook een beetje buiten het medium zelf om a.h.w. mijn persoonlijke uitdrukking wat sterker naar voren te brengen, in de hoop dat ik zo u sommige dingen wat waardiger kan zeggen. In de eerste plaats is dit natuurlijk voor mij heel erg moeilijk, omdat ik uw eigen taal normaal niet beheers. In de tweede plaats zullen de gebaren, die ik eens maakte, ongetwijfeld niet de gebaren zijn, die thans tellen.

De gedachten, die ik eens gedacht heb, zijn dingen, die tegenwoordig vaag en onbegrepen zijn. Maar wanneer ik moet spreken van de levende kracht en van de openbaring daarvan door de huidige Meester, dan kan ik dat alleen doen door tot uiting te brengen wat ik zie als deel van deze werkelijkheid, en dus zoveel mogelijk gebonden aan het realiteitsbesef en zelfs aan het persoonlijk zijn van een mens, die nu op aarde leeft.

Er komt een ogenblik dat je daar natuurlijk toch even bovenuit moet gaan. Zoals u ongetwijfeld voldoende werk zult hebben met alleen maar het beleven van de zuiver christelijke gedachte in uzelf, het zuiver uiten van alles, wat in uzelf leeft, maar soms toch behoefte hebt aan iets, wat er net iets bovenuit gaat.

Wij leren slechts door te zien naar datgene, wat nu boven ons is, en te zien dat het morgen aan ons gelijk is, indien wij goed gestreefd hebben. Hierin ligt de sleutel van alle dingen opgesloten, omdat lering in feite niets anders is,  – werkelijk niets anders – dan het zien van dingen.

Je kunt niet met woorden alleen een beeld tekenen. Wanneer ik zeg “Wereldleraar”, dan maakt u zich er een voorstelling van. Die voorstelling kan geheel verkeerd zijn. Maar wanneer ik u a.h.w. iets kan laten zien, laten ervaren van zijn wezen en zijn werkelijkheid, dan spreekt hij tot u. En dan alleen kunt u van hem leren. Anders blijft het alles toch een beetje leeg, blijft het ijl. Ik zal de poging dus wagen om mij enigszins te onttrekken aan de te grote beperking van een persoonlijkheid.

Wie leeft in het eeuwige en de kracht kent van de oneindigheid, weet dat er geen raadselen en geen geheimen zijn. Wie echter leeft in de beperking van zichzelf, niet beseffende hoe oneindig de dingen zijn, hij leeft omringd door raadselen.

Wie zich verheft boven zichzelf en de waarheid aanschouwt, heeft een grote gave ontvangen. Maar waardig is hij deze gave eerst, wanneer hij met zich brengt iets van het licht en iets van de kracht en dit – in zichzelf uitdrukkende – tot waarheid maakt voor zichzelf en anderen.

Woorden spreken kan goed zijn; maar een woord vervliedt en vergaat als stof in de wind. Maar de daad zet zich voort. Zij is onveranderlijk. Eens gesteld, kan zij niet teruggenomen worden en dwingt zij ons, geconfronteerd met de daad, onszelf te beseffen. In de daad kennen wij onszelf. In de woorden maskeren wij onszelf en de wereld.

Wanneer wij leven uit kracht, zo moeten wij weten omtrent kracht. Weten omtrent kracht kan ik slechts door haar te beproeven. Wie zijn krachten weigert te beproeven, zal ze niet bezitten.

En wie zijn kracht beproeft en faalt, heeft het voor zich mogelijk gemaakt toch iets van deze kracht in zich te dragen.

Er bestaat een kleine overweging, die past in het kader van de innerlijke mens, die ik u zo goed als ik kan en zo getrouw mogelijk wil weergeven, in de hoop dat u ook hierin iets zult kunnen ontdekken, dat voor u onze wereldleraar aanvaardbaar maakt en u doet begrijpen, wat in hem leeft.

“Wanneer ik een vrucht neem, zo is er een bast en deze beschermt de vrucht. En verwijder ik de bast, zo vind ik het vlees van de vrucht en dit is het voedsel, de verlokking. Maar binnen deze dingen is het zaad bevat. En ziet, het is het zaad, waaruit de nieuwe vrucht kan voortkomen. Al het andere is onwaar en onwaardig, slechts een middel tot een doel. Zo leeft een mens in zijn wereld en hij zegt: “Ik ben.” Maar hij ziet zijn uiterlijk, zijn lichaam. En dit is de bast, bestemd om wat in hem leeft te beschermen. En hij zal voortgaan en zich bewust worden van het vele, dat in hem bestaat. En hij zal zeggen: ‘Ziet, in mij zijn vele geesten.” Of: “In mij zijn vele voertuigen of vele krachten.” Toch is dit slechts het middel der verlokking en het voedsel, maar niet datgene wat waarheid voortbrengt. Want in de mens is de kern van het wezen en deze alleen kan de vrucht voortbrengen, kan herscheppen de waarheid van de mens, volledig en vanuit zichzelf. Wie daarom zegt: “Mijn uiterlijk is belangrijk”, zegt: “De bast is belangrijk.” En wie uitroept: “Mijn geest is belangrijk”, hij zegt: “Het vruchtvlees is belangrijk,” Doch hij die zegt: “De kracht in mij, die werkelijk leeft, is belangrijk”, hij erkent het enige, wat uit hem schept.

Te weten wat je doel is, is het belangrijkste dat kan bestaan. Indien ge streeft naar inzicht in het Hoogste, wanneer ge wilt opstijgen tot de hoogste bergen van bewustzijn, zo zult ge moeten zeggen: “Mijn doel is het herscheppen van mijzelf, volmaakt, volledig gekend en voortgebracht uit de Oerkracht.” Indien gij echter zegt: “De weg, die ik hiertoe afleg is belangrijk”, zo zult ge uzelf steeds vergissen. Ge zult in de doolhof van het onbegrepene steeds het waardeloze behouden. En ge zult de feitelijke kern, het waardevolle, wegwerpen, omdat het doel daarvan u niet bekend is.

In uw leven is het niet belangrijk hoe ge stoffelijk zijt of hoe ge geestelijk zijt. Belangrijk is dat de kracht, die in u leeft, tot uiting komt en bewust herscheppen kan dat, wat ge zijt, wat ge geweest zijt en wat ge zult zijn.

Ik zeg u dit, opdat ge niet dolend gaat in uw web van meditaties, in uw zoeken naar beheersing van het lichaam, in uw verwerpen van de wereld. Want waarlijk, al wat u gegeven is, al wat deel is van uw leven, het heeft één zin; bescherming voor wat in u leeft. Al wat uw geest is en de vele heilige werelden, die ge meent te erkennen, wanneer ge aan de stof ontrukt ronddool, zij zijn niets anders dan de voeding, waaruit gij eens herscheppen moet.

Besef uw doel en stel niet uw doel te laag. Maar besef ook, dat de vrucht eerst dan werkelijk tot rijping komt, wanneer de bast is gebroken en het vruchtvlees – zich ontbindend of verteerd – aan het zaad de vrijheid laat. Zo leef uw leven; niet met het doel dit leven te leven, maar te vervullen de zin der dingen. Opdat – vervallend de uiterlijke waarde en zich ontbindend de samenhang der geestelijke werelden – de enige ware kracht geopenbaard worde. Ik heb mijn best gedaan om dit zo juist mogelijk weer te geven. Waar het op neer komt, hebt u waarschijnlijk zelf begrepen: Niets is werkelijk belangrijk buiten de kracht, die in ons leeft.

Indien wij daarvan kunnen uitgaan, zullen wij sneller ons doel bereiken. Bewustzijn en bewustwording zijn de hulpmiddelen, waaruit de zuivere ontplooiing van het “ik” en de waarheid van het “ik” geboren moeten worden. Maar zij zijn nimmer belangrijk op zichzelf.

Een verstandig mens moet de dingen beschouwen als middelen, als werktuigen en niet meer. En het gebruik van een werktuig op zichzelf is niet belangrijk, mits het doel ermee bereikt wordt. Maar wie het werktuig spaart en daardoor de arbeid niet verricht, maakt zich dubbel schuldig: ten eerste aan het werktuig, dat nutteloos en zonder zijn taak te vervullen moet verkommeren en ten tweede aan zichzelf, omdat hij – zijn taak niet volbrengende – geen recht heeft voort te gaan naar een volgende taak.

De hele innerlijke bewustwording, de hele esoterische weg, waarmee u zich voortdurend bezighoudt, moet steeds weer worden beschouwd als een middel tot een doel, maar niet als een doel in zichzelf. En omdat deze dingen alleen een middel zijn tot het doel, is het duidelijk – en onze Meester zegt dat telkenmale weer en hij herhaalt het in duizend toonaarde – dat wij niet moeten zoeken naar datgene, wat het meest glorieuze is of naar datgene, wat voor ons het grootste is op dit ogenblik. Maar dat wij moeten zoeken naar het kleine en dat wij in de kleine dingen de perfectie moeten zoeken.

Hij zegt dan ook tegen ons elke keer weer en hij heeft dit op aarde 1000 maal verteld in economische, in technische, in politieke termen: “Mens, weet dat het niet aankomt op het grote, dat ge morgen zult gaan doen, maar op het kleine, dat gij heden volbrengt.”

Bedenk wel, dat het niet belangrijk is wat je doet voor het nageslacht over 100 jaar, maar de vervulling van je plicht op dit ogenblik. Het is niet belangrijk dat je de waarheid schept, die over 10 eeuwen zal ontstaan. Maar het is belangrijk dat je nu waar bent, en dat herhaalt hij in 1000 verschillende vormen.

Het is een deel van de kern van zijn leer, van zijn wezen en het is zeker ook de meest esoterische gedachte, die ik me denken kan. Wees waar. Nu, niet morgen. Bereid je er niet langzaam op voor morgen misschien eens eerlijk te zijn. Wees het vandaag. Zeg niet dat je morgen een groots werk zult verrichten en dat je vandaag moet rusten, als je vandaag nog iets te doen hebt. Doe eerst wat je vandaag te doen hebt. Zorg dat dat af is. En zie dan wat morgen brengt.

Ik geloof dat de grote fout, die wij geestelijk en materieel steeds weer zien maken, (en die ik ook zelf maak en gemaakt heb) is, dat wij altijd zo ver willen grijpen. We zitten in een dorp en wij dromen van de stad. En dan willen we in ons dorp doen, alsof wij al in de stad zijn. En dat gaat niet. We leven in een beperkte wereld en wij willen doen, alsof we al oneindige geest zijn.

En dat gaat niet. We moeten leven met dat, wat wij nu zijn en wat wij nu hebben en daarmee moeten wij arbeiden. En wanneer ik zeg ”arbeiden”, dan bedoel ik ook werkelijk werk verzetten.

Onze Meester predikt steeds ook weer tegen daadloosheid. Zelfs tegen neutralisme. En bovenal predikt hij tegen alles, wat geweld inhoudt. Hij probeert de mensen duidelijk te maken dat de enige strijd, die je werkelijk strijden kunt, de strijd is waarin jezelf goed bent, waarin jezelf volledig oprecht bent, waarin je zelf weigert om je ook maar één stap te verwijderen van datgene, wat je in jezelf erkent als het juiste.

Maar hij zegt er meteen bij, dat wij naar buiten toe niet moeten verwachten een ander tot het goede te kunnen brengen. We kunnen slechts goed zijn. We kunnen niet neutraal zijn, want we hebben in feite een oordeel over alle dingen. Wanneer we dat oordeel goed overdenken, wanneer we weten dat het juist is, dan moeten we daarnaar handelen. Niet door een ander dwang op te leggen, maar eenvoudig door zelf te zijn, zoals we menen dat het goed is.

Het is misschien erg moeilijk. Maar de kern van alle bewustwording is toch weer gelegen in datgene, wat we beleven. Onze Meester zegt ook al:

“Niet wat je droomt, maar wat je bent, bepaalt wat je leert uit het leven. Dat echter, wat geleerd wordt in het leven, bepaalt hoe dicht je kunt komen tot een begrip van de Schepper, Die je voortbrengt.”

Hij zegt dat allemaal misschien erg ingewikkeld naar uw westerse maatstaven. Misschien zegt hij het ook wel heel erg eenvoudig, ik weet het niet. Maar dat hetgeen hij zegt waar is en dat het uitermate belangrijk is voor iedereen, is wel zeker.

Wij moeten – en dat kan niet anders – steeds weer zeggen: “Wat we zijn en wat we doen is het enige, waaruit wij kunnen leren.” Leren is – zover ik kan nagaan – ons doel in het leven.

Tenminste dat is het enige, waarvoor het leven ons steeds weer de gelegenheid biedt, in de geest zowel als in de stof. Het is duidelijk, dat wij het leren dan maar moeten zien als de hoofdzaak en al het andere als een bijzaak.

Nu wil ik mijn betoog gaan besluiten en ik hoop, dat ik ondanks het gebrekkig gebruik, dat ik eigenlijk van het medium maak, iets heb kunnen laten doorklinken van de wereldleer zelf. En nu mag ik misschien als laatste punt nog even voor u iets aanhalen, wat ik zie als een deel van de kern van de leer van onze Meester, een deel van zijn belangrijkste leer. U zult er zelf eens over moeten nadenken. Hij heeft ons eens geleerd:

“Zoals er sterren aan de hemel zijn, zo zijn er lichten in je hart. Zoals de zon rijst en daalt, zo stijgt en daalt het licht in je hart. Want slechts de voortdurende wisseling der dingen, die buiten je is en die in je wordt herhaald, is het teken van je leven. Zoals je kunt doordringen in de ruimte, zo kun je doordringen in de waarden van je hart. Zoals je kunt gaan onder de sterren en denken door deze lichten, dat je gedachten aan de wereld ontrukt zijn, zo zijn er tijden in je wezen, dat de sterren die innerlijk schijnen, de kleine lichten, een begrip scheppen voor de oneindigheid van het leven zelf. Maar wanneer de zon er is en tot arbeid roept, dan is het tijd om te werken op aarde. En wie luiert, verdoet zijn tijd. Wanneer in je het licht is, dat wordt een drang tot daden, dan is de tijd van bezinning voorbij. In u is het ritme van de klok der oneindigheid. Laat dit ritme steeds uw wezen beheersen.  Besef dit ritme en gebruik het. Want zoals er op aarde een dag en een nacht zijn en het leven van de mens daaraan is gebonden, zo zijn in u dag en nacht eveneens geschapen, opdat ge uit de wisseling van krachten de waarheid zoudt kunnen beseffen en de tweeledigheid van uw wezen zoudt kunnen omzetten in de eenheid: het “ik”, dat in zich zijn God beseft.”

Denk er eens over na en neem mij niet kwalijk dat ik afscheid neem, want het contact is voor mij werkelijk hier en daar iets moeilijk geweest. Maar ik ben er zeker van, dat alles wat gezegd moest worden, zuiver is gezegd en uitgedrukt en dat is de hoofdzaak.

We zullen u van verschillende zijden waarschijnlijk nog vaak voorlichten over alles, wat er in de nieuwe leer is gelegen. Maar dit mag alleen maar een aanwijzing zijn voor u om uw eigen denken en uw eigen innerlijk na te gaan. Want wie een leer volgt en haar niet innerlijk beleeft, is een dwaas. Maar wie in zich een waarheid kent en haar volgt, is wijs.

0-0-0-0-0-0-0

Meditatie

De vlam

 De vlam is een verschijnsel. Wanneer zo ons bekoort met Maar dansende vertekening, met haar licht, haar vreemde kleurengloed, zo mogen wij niet vergeten: zij is slechts de verbinding van zuurstof met een ander element.

Wanneer wij denken aan de innerlijke vlam, aan het heilige licht, dat wij in ons dragen, zo moeten wij ook beseffen: het is slechts de verbinding van ons eigen wezen met de zuurstof der waarheid. Want zo belangrijk als oxygeen is voor het leven, is de kracht der waarheid voor het innerlijk leven en het bestaan van de geest.

Ge kunt niet ontkomen aan deze waarheid, aan deze kracht. Ge kunt de Oerkracht niet uitbannen en ge kunt haar niet vergeten of verwerpen. Zoals een mens voortdurend zijn zuurstof tot zich neemt, onbewust waarschijnlijk daarvan, ademhalend omdat het nu eenmaal zo is, omdat hij leven moet, zo neemt een ieder de levende kracht en de Oerkracht tot zich. En wanneer deze dan zich in zijn wezen vermengt met zijn eigen denken, met zijn realisatie en zijn bewustwording, dan ontstaat daar iets als een vlam.

Een geliefd beeld van vele sprekers is altijd weer die geheimzinnige witte tempel, die in ons hart ligt, achter de dooltuinen van het bewustzijn en waarin één kleine klare vlam brandt. Ze zeggen: “Dit is de ziel.” Maar het is slechts het verschijnsel van wat men ziel heet. Het is de verbinding van het vreemde, dat wijzelf zijn en de Oerkracht, waaruit het leven geboren wordt.

Zoals de vlam verschijnsel is, zijn wij verschijnselen. Zoals de vlam troebel kan zijn en somber, zo kunnen wij troebel en somber zijn. Zoals de vlam helder en stralend kan zijn, een levend juweel van fonkelende krachten, zo kunnen wij lichtend en stralend zijn.

De Oerkracht in ons is er altijd. En hoe wij ook leven en hoe wij ook zijn, die Oerkracht zal met ons zijn. Dit licht, deze werkelijkheid bestaat in ons. Het oxygeen van ons leven verlaat ons nooit. Wat wij eraan toevoegen echter vormt de vlam.

Wanneer ge dus een vlam ziet ergens in uw verborgen innerlijk, een vlam misschien die rood is van hartstocht, of die in het stralende, smetteloze wit van onschuld een ogenblik u de wereld doet vergeten, weet dan wel: Gij zijt het zelf, die deze vlam tot stand hebt gebracht.

Gij zijt het, die uzelf hebt toegevoegd aan dat, wat in u leeft. Is het in u somber, is het licht haast demonisch, geladen met vreemde geuren en dansende schaduwen, het is uw eigen wezen, dat deze vlam heeft voortgebracht.

Wie zichzelf in reinheid beziet, reinheid van denken, reinheid door het vergeten van het onbelangrijke en het zien van het essentiële van eigen bestaan, die zal in zich de witte vlam doen branden, die ons alles kenbaar maakt. Want de vlam, die wij zijn, dragen wij door alle werelden. Wij dragen deze vlam door de somberheid van de duistere wereld, door de gebondenheid van stoffelijke werelden en door de lichtende tuinen van de hemel. En steeds bezien, wij alle dingen alleen bij het licht van deze vlam; zoals één, die ingaat in een bergtempel met een flambouw, door het licht van die flambouw onthuld ziet, wat er is gehouwen in de muren, de beelden die zijn opgesteld, ja misschien ook de gevaren, die liggen op zijn pad.

De vlam is onze verbinding met God, met de levende kracht. Wat ons onthuld wordt is het resultaat van deze verbinding. Indien wij dit weten en zo de vlam, die in ons leeft, de zuiverheid toevoeren, die vrij is van te groot egoïsme en te grote gebondenheid, dan zal ons licht zijn als een weerkaatsing van het eeuwige licht zelf. Dan zal ons de suizende roes van de kracht bevangen, die ons verheft boven alle werkelijkheid uit van mens en geest. De roes van de levende kracht, die ons zozeer doortrekt, dat wij – onszelf verterend en reinigend – slechts nog de weerkaatsing kunnen zijn van het licht op de eerste dag der schepping.

Laat ons beseffen: God is niet de vlam, die neerdaalt. Het is ons wezen, dat God omvaamt; en zo daalt in ons de vlam neer van het bewustzijn. Het is niet God, die ons de dingen toont. God is de kracht, die – in verbinding met ons wezen – het ons mogelijk maakt vanuit onszelf de wereld te zien en te beschouwen. Slechts wanneer het “ik”-bewustzijn gelouterd is van alle persoonlijke waan en waarde, wanneer alleen nog overblijft de oerstof der schepping gebonden met de Oerkracht van het scheppend vermogen, is alles het heldere licht, dat waarheid heet.

Wanneer gij mij vraagt te mediteren over een vlam, zo denk ik aan mijzelf. Want ik tracht een zuivere vlam te zijn. Maar ik weet hoe de schaduwen van mijn denken, van mijn streven, nog al te vaag zich aftekenen als lijnen, die het zuivere spel der vlam vertroebelen en haar kleuren als een veelkleurig wezen.

Wanneer ge mij zegt te mediteren over een vlam, dan denk ik aan de tekortkoning van het “ik”-denken; het ontbrekende, dat zo noodzakelijk is voor ons. Want zonder dit kunnen wij niet leren rein te zijn in de ware zin des woords. Niet het licht, dat ons zuivert, maar de kracht, die zich met ons verbindt en het ons mogelijk maakt zuiver te worden. Niet de openbaring door een goddelijke vlam van alle dingen, maar de verbinding van het Goddelijke, de tweeledigheid van Zijn uiting (bezielende kracht en bewustzijn), vormt ons, doet ons de wereld erkennen en uit die wereld God en de waarheid kennen.

Wees als een vlam, verterend in uzelf datgene, wat onrein is.

Wees als een licht, maar zie gelijktijdig uw wereld bij dit licht; en laat uw richting van licht steeds zuiverder en scherper zijn, tot het u onthult de gebundelde kracht van uw wezen en de band met het Goddelijke, die gij bezit, wat noodzakelijk is te weten. Alles ligt voor u open in de kosmische waarheid, zo gij zuiver zit, zo uw band met God er een is, die geen voorwaarden stelt en het ”ik” durft vergeten.

Laat de vlam van het zijn ons verteren, opdat het zuivere blijve, dat nimmer teloorgaat; het enige, dat werkelijk eeuwig is, de waarheid die in ons leeft.

Laat de vlam in ons hart branden, niet als een offerande aan God alleen, maar ook als een voortdurende erkenning van ons streven, als een voortdurend besef van de onzuiverheid, die een ware zelferkenning belemmert.

Zo zie ik een vlam. En ik weet dat de wereld vol vlammen is. En vele vlammen – zichzelf niet kennend en beroerd door onzuiverheid en onbegrip voor eigen wezen – zijn als een stinkende walm. Maar ik weet dat één vlam, die zuiver is, de walm van 1000 onzuivere verdrijft. Dat één ware band met het Eeuwige machtiger is dan alle duister tezamen. En daarom durf ik te zeggen:

Laat ons branden, opdat wij gelouterd mogen zijn.

Laat ons de vlam van ons wezen bezien, niet slechts als een gave, maar als een middel om te leven en te erkennen.

Laat ons herboren worden, in verbinding met de Oerkracht,  opdat uit de vlam het licht voortkomt, dat onvergankelijk is en terug kan keren tot zijn bron.

image_pdf