Aspecten van incarnatie

18 september 1972

Wij beginnen weer aan een reeks van lezingen, die alle ten doel hebben u wat verder in de esoterie, de esoterische filosofie en ook in bepaalde magische principes in te voeren. Ik meen dat het voor u aanvaardbaar zal zijn, wanneer wij deze eerste avond besteden aan aspecten van incarnatie.

Incarnatie of geboorte op aarde is altijd het resultaat van een bestaan op een ander plan van “zijn”: het bestaan in een geestelijke wereld. Deze geestelijke wereld kan vele verschillende karakteristieken hebben. De geest kan in die wereld leren, ageren, bepaalde kwaliteiten ontwikkelen. Maar zowel in uw wereld tijdens de incarnatie alsook tijdens het geestelijk bestaan is er één gelijkblijvende kern, die wij het ego plegen te noemen. Dit ego doet ervaringen op. Ervaringen worden omgezet in bepaalde inzichten, die echter niet redelijk zijn. Zuiver redelijk inzicht verkrijg je misschien als mens bij het gebruik van de menselijke rede. Er bestaat een mate van redelijkheid in geestelijke werelden, maar er is geen mogelijkheid om tot een redelijkheid te komen, die meerdere werelden gelijktijdig omvat. Dit komt, omdat de wetten waardoor het “ik” in de verschillende werelden geregeerd wordt, zowel als de wetmatigheden aan de hand waarvan de fenomenen optreden, verschillend zijn in elke sfeer van bewustzijn.

Wat in feite in het ego gebeurt, is het opdoen van kennis, die hoofdzakelijk emotioneel tot uiting komt. Zij kan niet worden uitgedrukt in woorden, zij is echter vaak aanleiding tot actie. De actie op zichzelf behoeft geen bewustwordingswaarde in zich te bevatten, maar uit vele acties ontstaat wat men noemt besef van aspect. Aspect van de persoonlijkheid wel te verstaan. Dit aspect kan worden omgezet in wat men noemt een gave. Een kwaliteit, die niet bij de gemiddelde persoon aanwezig is en ook niet bij de gemiddelde persoon beheersbaar is. Wanneer dit gebeurt, dan ontstaat tijdens de incarnatie de volgende reeks van verschijnselen.

Allereerst: tijdens de geboorte, na de geboorte en gedurende de jeugdjaren wordt er een conflict geschapen met de wereld. Dit conflict – meestal bewust gezocht vóór de incarnatie – houdt in dat je komt tot een ontwikkelen van persoonlijke begaafdheden en een persoonlijk intuïtief gedrag en dat je komt tot concentratie op bepaalde punten van leven. Conflict is voor de mens zeker nodig om hem tot concentratie te brengen. De verstilling en rust van b.v. de mediterende Bodhisattva is niet te verkrijgen, wanneer niet eerst het grote conflict tussen ik en leven is ontstaan. Het “ik” wordt dan sterker geconcentreerd op bepaalde facetten van de persoonlijkheid. Naarmate die concentratie toeneemt, ontstaat in het “ik” wat men noemt een tweede maya, een tweede waantoestand, die echter onder sommige omstandigheden ook wel aan de Heer der waan kan worden toegeschreven, dat ligt eraan of het aspect in kwestie positief of negatief is. Wanneer wij aannemen dat het positief is, dan ontstaat er een innerlijk droomleven dat wel rekening houdt met de buiten het “ik” erkende z.g. werkelijkheid, maar dat zich daar toch van losmaakt door zich geheel andere beelden van leven en mogelijkheid voor ogen te stellen.

Is het beeld, dat men zich van die mogelijkheden maakt, nu ook in overeenstemming met de aspecten van het ego, dan worden die aspecten hierdoor langzaam maar zeker tot krachten, die men misschien beter attributen zou kunnen noemen; want de mens concentreert, hetzij in bepaalde voorwerpen, krachten en methoden daarbuiten, het geheel van zijn vermogen, kunnen en ervaring. Dezen bezitten dan een kracht, die die van een normaal mens verre te boven gaat en die een ingrijpen in de normale gang van zaken tijdens de incarnatie mogelijk maken.

Nu zult u begrijpen, dat incarnaties niet losstaan. Je kunt zeggen dat in een parelsnoer elke parel een afzonderlijk iets is, maar ze zijn tezamen geregen tot een snoer. Indien de parel “leven” genoemd wordt, dan is het “ik” het snoer, waaraan de levens verbonden zijn. Hun volgorde, hun belangrijkheid, hun mate van slagen of mislukken wordt bepaald door de wijze, waarop ze aan het snoer geregen zijn. Dit betekent dat levens over het algemeen bij achtereenvolgende incarnaties een progressie vertonen. En deze progressie kan gaan in de richting van het materiële, de beheersing van de materie. Zij kan ook, wanneer zij voor de materie afnemend is, gelijktijdig geestelijk toenemend zijn. In uw leven zijn dus altijd twee aspecten actief en door dezen kunt u enigszins de geaardheid van uw eigen incarnatie mede bepalen. Indien u zeer sterk materieel gebonden bent of geweest bent en in toenemende mate de geestelijke waarden in de plaats stelt van de materiële gebondenheden, dan is het zeer waarschijnlijk, dat uw volgend leven materieel minder gunstig, maar gelijktijdig geestelijk veel sterker en positiever zal zijn.

Het omgekeerde komt eveneens voor. Wanneer u in uw jeugd sterk idealistisch hebt gereageerd en gedacht en bij het ouder worden steeds meer materialist bent, dan is de kans heel groot, dat een volgende incarnatie u in een betere materiële positie plaatst, maar dat gelijktijdig het gebruik van geestelijke mogelijkheden in die incarnatie geringer zal zijn dan in de huidige. Er is dus een samenhang te zien.

Men is gewend op aarde het beloningsstelsel in te voeren voor opeenvolgende incarnaties. Maar wat is een beloning? Wanneer u nu goed geleefd hebt – in de Hindoeleer vinden we dat zeer sterk – dan zal je een volgende maal in een hogere kaste geboren worden. U zult dus bepaalde voordelen genieten. Dit mag in een leer aanvaardbaar klinken, in de praktijk is dit niet juist. Het gaat om de expressie van het werkelijke ego en iemand, die er materieel steeds slechter voorstaat, kan gelijktijdig een enorm geestelijke ontplooiing doormaken. Wanneer echter die geestelijke ontplooiing reëel is, dan gaat ze gepaard met de ontplooiing van wat men noemt: gaven. De persoon zal in een dergelijk geval leren steeds meer dingen te doen door middel van geestelijke krachten en zal zich ook steeds beter kunnen concentreren op de achter de uiterlijke schijn liggende werkelijkheid. De wereld is maya, begoocheling. Maya wil echter niet zeggen, dat er geen werkelijkheid is. Alles in zichzelf is onbelangrijk, dat is waar, maar er is een uit de kosmos, de goddelijke kracht, voortkomend patroon in het geheel van de schepping, dat toch – vanuit ons standpunt – als werkelijkheid kan worden aangesproken. Wanneer wij geestelijk verdergaan, erkennen wij de lijnen van de goddelijke werkelijkheid en wij zullen daarop harmonischer leven. Wij zullen gelijktijdig tijdens dit leven en de daaropvolgende geestelijke fase in staat zijn ons contact, zowel met het goddelijke alsook met de wereld van het bewust zijnde uit te breiden. Het is deze uitbreiding die bepaalde magische aspecten met zich brengt.

Stel, incarnatie materieel onder bepaalde omstandigheden of dankzij bepaalde condities niet bevredigend.

Stel, ondanks aanvaarding van de materie, projectie van het “ik” naar andere meer ideële of geestelijke waarden. Indien dit het geval is, dan is het belangrijk dat de mens over zichzelf nadenkt. Denkt hij of zij over zichzelf na, dan komt men tot de ontdekking dat in het “ik” bepaalde gaven, bepaalde mogelijkheden, buiten het normale berusten. Is men in staat voor zichzelf die mogelijkheden te visualiseren, ze a.h.w. vast te leggen in een gebaar, een kernwoord, een gedachte-opslag, dan is het mogelijk de energie, waarvan de gave over het algemeen een zeer gedempte weergave is, middels dit concentratiepunt volledig tot ontlading te brengen. Maar bedenk wel, dat ofschoon de bereikingsmogelijkheid groot is, de ontlading alleen plaats zal kunnen vinden volgens het vermogen van de persoonlijkheid en wel het werkelijke ik, zoals dit binnen de persoonlijkheid bestaat.

In de magie betekent dit, dat de mens die geleerd heeft zich te concentreren op bepaalde in hemzelf feitelijk emotioneel aanwezige drijfveren en deze voor zich heeft weten vast te leggen onverschillig op welke wijze, zodanig dat zij naar buiten toe geprojecteerd kunnen worden op elk gewenst ogenblik voor zover zijn kracht reikt, het geheel van zijn gave werkzaam kan doen zijn.

Stel, dat de persoon in kwestie b.v. van vuur houdt. Men zou kunnen zeggen: een volgeling van Agni, de god van het vuur. Dan zullen wij ontdekken dat de persoon in kwestie, het vermogen bezit om vuur te ontsteken alleen door zijn concentratie.

Stel, dat iemand eerder een volgeling is van b.v. de dood. Dan is hij in staat de dood, het verval van stoffelijk bestaan, alleen door concentratie van gedachten, de blik van zijn ogen misschien, tot stand te brengen.

Stel, dat een persoon sterk verwant is met de levenskracht. Dan is hij of zij in staat door concentratie die levenskracht in en rond eenieder te wekken op het ogenblik dat hier een stelling plaatsvindt, dat een sleutel wordt gebruikt.

Hieruit volgt, dat het “ik” van de mens, zeker wanneer dit “ik” in een conflictsituatie leeft met de eigen wereld, vaak in staat is tot enorme prestaties, waarbij geestelijke waarden, krachten en tot werkelijkheid gemaakte gaven, een grote rol spelen. In het geheel van de incarnatie echter speelt ook een mate van filosofie een rol.

Alle verschijnselen zijn niets. Ze zijn op zichzelf betekenisloos, ze hebben geen vaste vorm, ze hebben geen vaste waarde. Elke waarde en vorm, die wij in het leven ervaren, is er één die mede krachtens ons wezen, onze ervaring, ontstaat. Daarom kunnen wij nimmer een werkelijk geluk bereiken zolang wij incarneren in werelden, waarin vorm bepalend is en waarin ons eigen wereldconcept voor ons mede het aanzijn van die wereld vaststelt.

Het feit, dat wij daarbij scheppend optreden en het geraamte van de werkelijkheid bekleden met het vlees van onze fantasie, betekent niet dat we daardoor meer zijn of bewuster worden. Nu zijn er in het leven krachten, die bitter zijn. Krachten, die wij als mens en vaak ook als geest niet zo gemakkelijk kunnen aanvaarden in de gestalte, waarin ze verschijnen. Eén daarvan zou je de dood kunnen noemen, maar dan niet alleen de dood in de zin van “het sterven”, maar in de zin van verval, uitblussing. Wel, deze dood bestaat niet reëel. Voor ons wordt ze werkelijkheid, omdat wij het “zijn”, zoals het tot nu toe voor ons bestaat, niet meer kunnen aanvaarden. Er is dus geen werkelijke dood. De dood, die wij ondergaan, is datgene, wat uit ons eigen voorstellingsvermogen tot stand komt.

In theorie betekent dit dat een mens, die in een incarnatie voldoende bewust is geworden, in die incarnatie eeuwig zou kunnen voortleven. Alleen wanneer hij zover komt, geloof ik niet dat deze begeerte in hem zeer sterk zal zijn, want op dat moment ziet hij de lijnen van de werkelijkheid en de werkelijkheid is ook onsterfelijkheid. Hij ziet de lijnen van de werkelijkheid niet meer als paden die hij moet gaan, maar eerder als een blauwdruk van zijn eigen wezen, waardoor hij zich kan identificeren met die werkelijkheid en a.h.w. het geheel van haar inhoud in zichzelf terugvindt. Dan heb je geen behoefte meer aan incarneren in een stoffelijk voertuig.

Toch zal ook deze werkelijkheid lange tijd het “ik” blijven belagen, omdat zij in haar geheel vaak niet aanvaardbaar is. Het “ik”, dat in die werkelijkheid opgaat, moet zichzelf en eigen daadkracht terzijde stellen. Dan is er alleen het Zijnde; niet meer de gedrevenheid, niet meer een noodlot, waaraan je kunt ontkomen. Wanneer je probeert om terug te keren uit die werkelijkheid – en dat hebben velen gedaan – dan moet je in de eerste plaats begrijpen, dat een eenmaal bereikte werkelijkheid niet terzijde kan worden gesteld. Maar je kunt de illusiewereld van anderen erkennen en beleven voor wat ze is en je kunt hen daarin steeds sterker wijzen op de werkelijkheid, die daarachter schuilt. Men noemt dit vaak de incarnaties der genade of van het mededogen. In dergelijke incarnaties keer je niet terug omdat het voor jezelf noodzakelijk of goed is, maar omdat de werkelijkheid die je leeft, alleen maar een werkelijkheid in kosmische zin is wanneer je die delen kunt. En je wilt niet delen met hen die haar bezitten, je wilt delen met hen die haar nog niet bezitten. Zo stelt men dat in de incarnatie van mededogen de volmaakte zichzelf deelt, opdat de delen der volmaaktheid het begin van groei tot volmaaktheid zullen vormen in de levens die hij zo beroert.

U zult beseffen, dat dit in de eerste plaats altijd een filosofisch concept is. De werkelijkheid komt er soms dichtbij, maar wanneer je als mens en met menselijke rede en met menselijke gevoelens wilt doordringen in die vreemde gang van het rad, het rad des levens, waarin je steeds weer terugkeert in de werelden die je reeds kent, dan moet je een dergelijke filosofie aan de basis stellen.

Er zijn concepten, die je menselijk niet kunt uitdrukken. Er zijn bepaalde toestanden, die zelfs emotioneel voor de mens niet voorstelbaar zijn. De mens ziet zichzelf vaak als dominerende factor in een noodlot, waarin hij voor zichzelf of voor de medemens iets waarmaakt. Zolang je daaraan bezig bent, heb je de werkelijkheid nog niet gevonden, want je kunt niet waarmaken. Je kunt alleen waar zijn. Je persoonlijkheid is in het geheel geen beslissende factor. De vorm, waarin je leeft is onbelangrijk. Alleen datgene wat je wezenlijk bent en altijd zult zijn, zal zichzelf herhalen en tot uitdrukking brengen in alle sferen, werelden en bewustzijnstoestanden. Daarom is dat wat nu gebeurt, niet belangrijk. Dat, wat nu door u volbracht wordt, kan door een ander volbracht worden. Dat wat u niet volbracht hebt, wordt toch volbracht zo het behoort tot de werkelijke noodzaken van de achterliggende, goddelijke werkelijkheid. Er is dus een noodlot. Het noodlot, dat de incarnatie regeert, is voor ons, die onszelf nog niet kennen, voor ons, wanneer wij de werkelijkheid achter de sluiers van de waan nog niet onder de ogen durven zien, eenvoudig een gedreven zijn. Een ondanks onszelf leven en beleven. Ook hier treden bepaalde verschijnselen op. Sommige mensen proberen de werkelijkheid aan te passen aan hun denkbeeld van werkelijkheid. Zij willen mogelijkheid omzetten in zekerheid. Dit kan echter alleen wanneer mogelijkheid en zekerheid tezamen passen en bij de persoon, diens besef en de kosmische lijn passen, waartoe die mens behoort op dit ogenblik. Dat deel van de kosmische werkelijkheid, waarin hij in feite iets manifest maakt van die werkelijkheid. Kun je nu met alle wil de dingen niet tot stand brengen, dan betekent het niet, dat het niet gebeurd is. Voor een mens een onvatbaar concept neem ik aan, maar wanneer ik bereid ben geweest om dingen te doen, dan zijn deze dingen, voor zover zij harmonisch zijn met de Goddelijke werkelijkheid achter de waan, inderdaad deel van mij geworden. Ik heb alleen door die bereidheid een deel van de Goddelijke werkelijkheid geabsorbeerd en deze zal in verdere incarnaties en elke wereld, waarin ik kom te bestaan, een deel vormen van wat mij drijft. Een deel van die vage emotie, die niet geheel redelijk kan worden uitgedrukt en die zich toch voortdurend omzet in bereiking, in gaven en vermogens.

Er zijn ook mensen, die zeggen: ach, het lot zorgt wel. Zij laten zich leiden door het gebeuren rond hen. Dit betekent echter, dat zij aan de bewustzijnsfactor, die toch ook in de waanwereld een rol speelt, mede t.a.v. de werkelijkheid, voorbijgaan. Zij die drijven met de stroom, kennen de stroom niet. Zij, die zich laten drijven door het gebeuren, kennen het gebeuren niet en kunnen niet doordringen tot de achterliggende werkelijkheid, die daarin toch mede voortdurend tot uiting komt. Hun “ik” zal daaruit dus geen waarde ontvangen. Het ego zal, tenzij geestelijk het geheel nogmaals beleefd wordt en op andere wijze bewust wordt geabsorbeerd – geen verdere kwaliteiten hebben bij volgende incarnaties.

Nu weet ik, dat veel mensen niet houden van de reïncarnatieleer. De reïncarnatieleer is de leer van de zich herhalende verschijnselen. Een leven bestaat slechts éénmaal. Deze ene keer kan niet in tijd gemeten worden. Alle verschijnselen, die zich rond dit leven afspelen, zijn geen werkelijk leven en ze hebben ook geen blijvende betekenis voor de levenden. Slechts de erkenning van werkelijkheid, die daardoor bereikt wordt, is van belang. U bent nu misschien in een leven, waarin de incarnatie u toch wel met bepaalde problemen heeft geconfronteerd. Uw volgende leven zal u de mogelijkheid geven deze op de lossen. Uw geestelijke bestaan zal u reeds de mogelijkheid geven om bepaalde problemen voor een volgende incarnatie eenvoudig te elimineren.

Ik weet niet of u beseft wat dit betekent. Het betekent dat hij die gebukt gaat onder zijn lelijkheid in deze dagen, in een volgend leven schoonheid kan bezitten. Maar daarmee ook de problemen en conflicten van de schoonheid moet aanvaarden. Eerst wanneer lelijkheid of schoonheid voor het “ik” geen factor van betekenis zijn, omdat de uiterlijkheid in een ogenblik van verschijning niet bepalend is voor de essentie van het ego, dan kan gericht worden op werkelijke bereiking. Hij, die nu rijk is zal, wanneer de problemen van die rijkdom hem kwellen in een volgend leven arm zijn. En de armen die zo hartstochtelijk naar bezit hunkeren, zullen inderdaad de rijkdommen erkennen, vergaren of bezitten in een volgend bestaan, maar zij brengen hun eigen problemen mee. Wie nu vrouw is en man wil zijn, kan in een volgend leven man zijn. De man, die vrouw wil zijn, kan in een volgend leven vrouw zijn. Maar de problemen daarvan zijn nieuwe en andere en ze moeten evenzeer worden opgelost.

Wie het pad naar de werkelijkheid wil gaan, zal door alle incarnaties heen trachten te beseffen: mijn verschijningsvorm is niet belangrijk. Datgene wat ik volbreng, is niet belangrijk. Belangrijk is, dat ik in mijzelf beantwoord aan datgene, wat ik voel als werkelijkheid en bereid ben die werkelijkheid te vervullen met alle middelen, die mij ten dienste staan. Dan is het niet belangrijk of ik bereik, verwezenlijk of niet. Belangrijk is, dat het “ik” aanvaardt, dat de emotionele, innerlijk ervaren werkelijkheid voortdurend in de eigen wereld voor het “ik” tot uitdrukking komt en dat wij bereid zijn de loop der gebeurtenissen te aanvaarden, zeggende: het niet bereiken van mijn denkbeeld betekent dat het waan bevat.

Mensen ontmoeten elkaar, vaak incarnatie na incarnatie. Vandaag gaan ze langs de grote weg van India, arm, zoekend naar wijsheid. Morgen zitten ze misschien op de overdrukke beurzen in een ander leven. Ze zullen elkaar ontmoeten of tegenkomen, zoals toen. Want de werkelijkheidslijnen, het werkelijk concept van de onveranderlijke werkelijkheid verbindt bepaalde personen, verbindt bepaalde besefswaarden en personen en daaraan kan men zich niet onttrekken. Incarnatie na incarnatie kun je elkaar ontmoeten. De verhoudingen zullen steeds anders liggen. De relaties zullen vanuit menselijk standpunt geheel verschillend zijn, maar het contact en de inhoud, die daarin belangrijk zijn, blijven gelijk. Laat ik u een voorbeeld geven.

Stel, (voor u in een ver verleden, dat is het gemakkelijkst) twee mensen, waarvan de één als leraar, de ander als leerling optreedt. In een volgende incarnatie kunnen zij man en vrouw zijn. De leraar zal dan nog steeds de lering geven. Je zult dus de ervaring mogelijk maken voor de ander. In een daaropvolgend bestaan zijn ze misschien vrienden met geheel gescheiden belangen. Toch zullen zij elkaar op enigerlei wijze aansporen tot denken en ook hier zal de leraar weer de instigerende factor blijven. Het blijkt dus dat voor deze twee persoonlijkheden, ongeacht de incarnaties, de verhouding leermeester-leerling ongeschokt aanwezig blijft. Dat betekent niet dat de leerling niet méér kan zijn dan zijn meester. Het betekent wel dat in een kosmisch patroon de één in een bepaald opzicht gevend zal zijn en de ander ontvangend. Misschien dat een rijke geeft aan een bedelaar. In een volgende incarnatie is de bedelaar de rijke en hij geeft aan de ander. Maar het vreemde is dat de gevoelens die door de eerste daad werden opgewekt, zich gelijksoortig weerspiegelen. Stel dat de bedelaar blij was te ontvangen in de eerste incarnatie, dan zal in een volgende incarnatie de gever blij zijn te kunnen geven. Zo blijft er een gelijkwaardigheid.

En dat voert mij tot het einde van dit betoog. De daden kunnen verschillend zijn, de verhoudingen eveneens, maar de essentie blijft gelijk. Er is een goddelijke waarheid, een werkelijkheid die onaantastbaar en blijvend is, waarin ook onze contacten met anderen verankerd zijn. En niet alleen als contact, maar ook in een bepaalde verhouding. Er is a.h.w. een goddelijke vloed van werkelijkheid, die van het ene punt naar het andere stroomt. En deze stroming eeuwig zijnde, kan nimmer onderbroken worden. Wel echter kunnen de uiterlijke verschijnselen zich voortdurend wijzigen. Wanneer wij spreken over maya, dan hebben wij het over de uiterlijke verschijnselen. Maar deze verschijnselen zijn – en dat moeten wij heel goed beseffen – toch de uitdrukking van diezelfde werkelijkheid.

Incarnaties zijn voor mensen vaak moeilijk te verwerken en te aanvaarden. Maar wanneer u eenmaal begrijpt op welke wijze uw relatie in het leven, uw beleving, uw contact met anderen stamt uit een eeuwige werkelijkheid, zult u misschien ook die vreemde emotie in u, datgene wat u onredelijk en bovenredelijk aanspoort, gaan bezien voor wat het werkelijk is. Niet een binding met de wereld buiten u in de eerste plaats, maar een herinnering aan de gaven en de krachten in u.  Een duidelijk maken met welk beeld, met welke sleutel u de ontplooiing van de in u liggende mogelijkheden tot stand kunt brengen en zo deze kunt maken tot geopenbaarde aspecten van uw wezen. Ja zelfs kunt omzetten in attributen, waardoor uw macht vrij en beheersbaar zal worden. U zult het in dit leven waarschijnlijk niet bereiken, maar dat is niet belangrijk, want alle levens zijn ergens hetzelfde.

U zult misschien in dit leven vele dingen niet bereiken, die u wenst. Vraag u af, of u ze werkelijk bent. Of u niet eerder jaagt naar een droom dan naar een werkelijkheid. U zult in vele gevallen een geestelijke bereiking zoeken en ontdekken dat u ergens niet meer verder komt. Uw geestelijke stijging in u, eens zo waardig ervaren, wordt langzaam maar zeker een matte schemering op de achtergrond, die je niet interesseert. Ook dit is deel van de ontwikkeling. Het is een waarmaken van wat er in je leeft. Zoek in jezelf het beeld en de sleutel, die daarbij behoort en wek zo in jezelf de eeuwige krachten, die het je steeds meer mogelijk zullen maken het gordijn der begoocheling te verscheuren en het feit van eigen onbeperkt bestaan daarachter steeds beter te erkennen.

Tweede gedeelte

U hebt eerst een spreker gehad, die het zwaarste gedeelte van de avond voor zijn rekening heeft genomen. Wanneer wij proberen u inzicht te geven in verschillende dingen, dan moeten we geloof ik, juist in deze dagen, nu het wat spannende en moeilijke tijden zijn voor de meeste mensen, proberen om de praktijk te pakken te krijgen. En wij moeten uitgaan van standpunten, die tot praktische resultaten kunnen leiden. Ik dacht, dat de eerste spreker u daarvan voldoende voorbeelden heeft gegeven. Want met de verklarende theorie, die nu eenmaal onvermijdelijk is, heeft hij u aan de andere kant een zeker inzicht gegeven in uw eigen persoonlijkheid, in uw mogelijkheden en wanneer u het naleest, zult u het misschien gemakkelijker merken, óók een paar richtlijnen gegeven voor de manier, waarop je je eigen kwaliteiten en capaciteiten kunt ontdekken en een beetje beter kunt gebruiken.

In ons tweede gedeelte wil ik niet doorgaan op die incarnatiegeschiedenis. Daar is het meeste over gezegd en waarom zou je daarop verder doorgaan? Maar wij hebben aan de andere kant te maken met de mens zelf en in die mens zelf zijn ook nogal wat aspecten, die erg verwonderlijk zijn. Een mens begrijpt zichzelf zelden. De fout van de mens is, dat hij voortdurend denkt anderen te begrijpen en daardoor in analogieën zichzelf aan zichzelf verklaart, zonder iets te verklaren. De werkelijkheid ligt ongeveer als volgt. Het volgende betoog is dus benaderend bedoeld. Het is voor u niet precies letterlijk en in alle omstandigheden en ogenblikken zo, maar het is een leidraad om door te dringen in de mogelijkheden, die wij zelf hebben.

Een mens kent een aantal voorgevoelens, innerlijke gevoelens, die hij niet verklaren kan en die niet gelieerd zijn aan de werkelijkheid, waarin hij meent te leven. Deze gevoelens, voorgevoelens enz. komen echter wel degelijk uit zijn eigen wezen voort. Om te weten welke betekenis ze hebben, zou je moeten opletten wat er gebeurt. Er zijn mensen, die op een gegeven moment doodsbenauwd zijn. Ze denken: het loopt vast mis. Of: ik heb het verkeerd afgesproken. Of: je zult zien dat het verkeerd gaat en als ze die gevoelens hebben, dan gaat het juist buitengewoon goed. Dat klinkt gek, maar als je die gevoelens hebt, dan betekent dat dus eigenlijk, dat je wel wat meer risico kunt nemen. Dat je een kortere weg kunt gebruiken, ook wanneer die wat minder zekerheden geeft. Maar diezelfde mensen hebben ook de verwachting, dat het vandaag een goede dag zal zijn. En dan zijn er van die koppige mensen, die volhouden dat het zo is, maar meestal begint het al bij het opstaan; je stapt verkeerd uit het bed. Je stoot je tenen. Je breekt het één of ander. Je zegt precies het verkeerde woord op het verkeerde ogenblik. Je vertelt aan een zeer sympathieke man een schuine mop en het blijkt een kardinaal te zijn. Dat soort dingen. En nu kun je wel volhouden, dat het een goede dag is, maar wanneer je nu een paar maal gemerkt hebt dat je met dat gevoel de plank misslaat, is er reden wat beter uit te kijken.

In dergelijke gevallen blijkt dat de z.g. voorgevoelens in feite een omkering vormen of als u wilt een compensatie van een werkelijkheid, die u voorvoelt. En u voelt veel meer van de ontwikkeling en van de werkelijkheid, dan u denkt. Ik wil helemaal niet zeggen, dat u allemaal profeten bent, maar u hebt allemaal een gevoel, waardoor u vooruitkijkt. En nu denk ik helemaal niet aan de spectaculaire effecten als een soort déjà vu. Je zit met mensen te praten en ineens denk je: dat heb ik gedroomd en je weet ineens wat er verder gaat komen, alsof je de film al gezien zou hebben. Maar ik denk aan die vage gevoelens, die benadering van iets waarvan je zegt: “Ach, als het nu maar niet…” of: “Als het nu eens zo…” en wat er dan komt. Daar is een relatie tussen. Stel die relatie vast en dan weet u wat u bent.

Als u het gevoel van opgewektheid inderdaad omgezet ziet in een reëel slagen, dan bent u z.g. gelijkrichtig. D.w.z. dat de voorgevoelens niet compenserend optreden, maar alleen aankondigend. In een dergelijk geval houd je met voorgevoelens rekening onder alle omstandigheden. Blijkt echter, dat we ze omdraaien, dat we z.g. compenserend zijn, dan kunnen wij daar nog iets anders uit leren. Wij zijn geneigd om een bepaald gemiddelde van beleving aan te houden, dat is voor ons ideaal. Elke afwijking ten goede in de praktijk betekent voor ons innerlijke onrust, als b.v. angstgevoelens. Elke ommekeer ten kwade wordt door ons gevoeld als een compensatie – nu komt het goede zeker – en wij zijn opgewekt. Het betekent niet alleen dat wij die toekomst kunnen begrijpen, maar ook dat wij ons eigen karakter beter kunnen begrijpen. Wanneer wij compenserend zijn in onze voorgevoelens, betekent dit dat wij ergens onevenwichtigheid bezitten. Die onevenwichtigheid zal tot uiting komen in het geheel van ons denken. Wanneer ik denk, dan moet ik dat denken toetsen aan logica en aan emotie. En ik moet dat niet doen met het idee: maar ik denk het, dus het zal wel goed zijn. U moet zeggen: is dit logisch waar? Is dit emotioneel waar? Blijkt dat de waarheid emotioneel bestaat en niet logisch, dan weet ik weer iets omtrent mijzelf. Ik heb een zeer sterk ontwikkeld geestelijk geheel, dat zich middels het onderbewustzijn over het algemeen zeer sterk uitdrukt in de materie. Ik kan dan niet afgaan op mijn menselijke beredenering zonder meer. Dan loop ik altijd fout. Het kan zijn dat logica en emotie parallel lopen. Dan weet ik omtrent mijzelf dat ik precies pas in deze wereld. Maar ik weet ook, dat ik daardoor in mijn geestelijk leven ergens tekortschiet. Ik zal dan wel degelijk moeten proberen – en meditatie en contemplatie zijn daar verschillende middelen voor – om wat dichter bij mijzelf te komen; om een klein beetje meer gevoel te krijgen voor wat ik ben.

Dan zijn er nog meer punten. Ik weet niet of u weleens van die fasen hebt; dat u overal net naast grijpt. En nu bedoel ik niet datgene, wat u pakken wilt, maar b.v. als je naar de trein gaat, ben je of een kwartier te vroeg of een minuut te laat. Als je de tram wilt nemen kun je hem net gedag wuiven. Zoek je een taxi, dan rijdt net de laatste met een ander weg. Hebt u een dergelijke periode, dan bent u uit fase met de stoffelijke werkelijkheid. Mijn innerlijk “ik” is niet in fase met de stoffelijke werkelijkheid, waarin ik leef. Dan moet ik mij toch wel even afvragen waaraan het ligt en dat doe ik het beste door mij in te stellen op één punt. En daarmee kun je een soort gok met jezelf maken. Als u b.v. aan een autostraat zit, dan doet u uw ogen dicht en dan zegt u tegen uzelf: de zevende wagen van nu af is een Volkswagen. Dat probeer je een paar keer. Wanneer het blijkt, dat het steeds de zesde of de achtste is, dan zeg je: hé, ik heb dus verkeerd gedacht. Ik doe het nog eens over. Door die dingen te doen ga je jezelf wennen aan constatering. Anders gezegd: het uit fase zijn wordt geconstateerd en daardoor gecompenseerd:

Wanneer je een fout maakt en je weet het niet, dan blijf je de fout maken. Wanneer je een fout maakt en je hebt geconstateerd welke fout het is, dan ga je automatisch daarvoor compenseren. En dan treedt de fout niet meer op. Dat gebeurt in het dagelijkse leven toch ook? Maar waarom zou het dan met de eigen persoonlijkheid niet zo zijn? Dan weten we nog wel niet veel over wat we zijn en hoe we zijn, maar wij hebben iets geconstateerd. Wij hebben de relatie tussen onszelf en de wereld in ieder geval recht kunnen trekken.

En je hebt ook van die dagen dat je het allemaal wel weet. Wanneer je loopt naar de trein b.v. dan gaat alles zo goed, dat je een trein vroeger haalt of dat je precies op het ogenblik komt dat je trein weggaat; wanneer je in je auto zit er net een parkeerruimte vrijkomt wanneer jij aankomt. Op dat ogenblik ben je in fase. Nu zou u denken: daaraan behoeven we niets te doen. Het gaat lekker. Maar dat is niet waar. Het gaat nu wel lekker, naar waar komt dat vandaan? En dan gaan we recapituleren.

We vragen ons dan af: wat was er vandaag anders dan anders? Hoe voelde ik mij? Heb ik de nacht daarvoor iets gedroomd? Heb ik die dag daarvoor iets gedaan? Heb ik een bepaalde houding tegenover mijn medemensen aangenomen? Je gaat constateren hoe je eigen reactie is aan de hand van een aantal gegevens. Dat heb je de eerste keer niet te pakken, maar na een keer of vijf weet je, waar je aan toe bent. En dat is het belangrijke punt. Dan weet je eigenlijk niet te omschrijven: zo ben ik, maar je weet wel dat wanneer mijn toestand zó is, mijn wereld zus is.

En nu geldt voor een mens het volgende: Op het ogenblik dat hij in harmonie is t.a.v. zijn eigen werkelijkheid en de werkelijkheid van de wereld waarin hij leeft, ontstaat er een harmonie, waarin zich het totaal der verschijnselen met een minimum aan wrijving afspeelt voor het “ik” en tegenover het “ik”. Dit is een eenvoudige regel, waarmee u kunt zeggen: dus daarom gaat het mij zo. Er zijn ook dingen bij, waarover je wat dieper moet nadenken. Want soms doe je een paar dingen met de beste bedoelingen en de consequenties gaan jarenlang verder. Je dacht iets te bereiken en het ging precies naar het tegendeel toe. Waarom? Dan moet je toch niet juist gereageerd hebben.

  1. Waarom heb ik zo gereageerd?
  2. Wat was de fout, die ik maakte?

Probeer dat zo goed mogelijk te benaderen. En dan weet je weer iets over jezelf. Onder die omstandigheden ben ik geneigd zo te reageren. Dat is verkeerd. De meeste mensen zeggen: jezelf kennen is een opsomming. We gaan geestelijk voor de spiegel staan en we zeggen: ik ben zus en zo. Nu is zonde belijden, natuurlijk altijd goed voor de mensen. Het schept een uitlaat. De meeste mensen die zondigen, hebben daar een onplezierig gevoel bij totdat ze gezegd hebben dat ze zondaars zijn en dan voelen ze zich op grond van hun zonde en hun bekentenis zeer verdienstelijk. Dus wij moeten wel even nadenken: Wanneer ik mijn gevoelens leer kennen, dan leer ik iets heel belangrijks omtrent mijzelf kennen.

Er zijn bepaalde delen, die je b.v. psychologisch ontleden kunt, maar je komt altijd aan een onbekend terrein te staan. Er is altijd iets, waarmee je niet verder kunt en daarin zit juist kennelijk de bron van al die onredelijkheden. Wanneer ik omschrijf welke onredelijkheden er optreden, dan omschrijf ik de kern van mijn wezen. Dan omschrijf ik weliswaar niet precies het mechanisme, maar wel de werking van het mechanisme dat die kern van het ego uitmaakt.

Elk mens kent plannen, kent dromen. Elke droom, elk plan is in feite een correctie, die het “ik” vanuit zich aanbrengt t.a.v. de werkelijkheid. Dat wil niet zeggen dat het waar wordt, maar die correctie heb je voor jezelf aangebracht. Zo hoort het te zijn. Waarom? Elke keer dat je in een dagdroom een bepaald beeld opbouwt, waarom? Sommige mensen denken: wanneer ik nu eens onzichtbaar kon zijn en al die heren nu eens een tikje op de neus kon geven, die ons staan te beduvelen, dan zou dat leuk zijn. Waarom? Waar komt dit uit voort? Wat is de oorzaak van uw ressentiment? Waarom? Waarom wilt u onzichtbaar zijn? Dat is heel logisch. Uw ressentiment komt voort uit een gevoel van onvermogen. Uw onzichtbaar zijn betekent dat u niet bewust wilt deelnemen aan een dergelijke strijd, maar dat u het alleen achter de schermen wilt doen. En waarom wilt u ze een tik op de neus geven? Heel waarschijnlijk omdat dat voor u een uitdrukking van minachting is. U wilt uzelf tot meerdere van hen maken. Deze uitleg is zelfs psychologisch aanvaardbaar. Niet helemaal, maar het zou aanvaardbaar kunnen zijn.

Wanneer je op die manier over jezelf nadenkt, dan ga je ook begrijpen: hoe je tegenover het leven staat. Alweer, het is niet een omschrijving van al het mechanisme, maar het is wel het geheel. De werking die je hebt. Een mens kan zichzelf, zeker zoals hij in de eeuwigheid bestaat, niet helemaal kennen. Daarvoor ben je nog niet ver genoeg. Maar op een gegeven moment maak je bepaalde inwijdingen door, of liever: kleine innerlijke realisaties, kleine innerlijke veranderingen. U merkt het misschien niet eens. Maar al merkt u het niet, je bent anders geworden. Je wereld is anders geworden. Je ziet anders, je leeft anders. Je mogelijkheden worden anders. En dat weerspiegelt zich over het algemeen ook in je actie in de materie. Nu is zo’n inwijding dus niet de verruiming van “het weten”. Je kunt een grote stommeling zijn, ingewijd worden en net zo stom blijven en toch geestelijk hoger zijn en andere mogelijkheden hebben. Dus je stommiteiten worden van een andere kwaliteit. En daarmee voor jezelf en anderen van een andere betekenis en dat is heel belangrijk.

Zelfkennis vergaren en leren met jezelf te werken is helemaal niet een jezelf verklaren, jezelf ontleden. Het is weten hoe je functioneert. Welke impulsen, welke denkwijzen, welke manier van concentratie, welke beïnvloedingen van buitenaf bij jezelf een relatie scheppen tussen de wereld van een bepaald karakter. En als wij dat weten, dan kunnen wij die relatie zelf ook gaan scheppen als we dat willen. Dan zijn wij in staat om harmonieën en disharmonieën zelf beter te bepalen. Dan lijd je niet beleefd onder iemand, die je antipathiek is, omdat je beleefd wilt blijven. Dan stel je gewoon je uitstraling om en dan vindt die ander jou zo antipathiek, dat hij niet meer blijft praten. Als je tegen iemand zegt: wees kort, dan wil hij verklaren waarom hij er zo lang over doet en dan wordt het betoog nog veel langer. Dat zult u ook weleens hebben meegemaakt. Dus zeg niet: wees kort, maar tracht in jezelf alles a.h.w. tot essentie te comprimeren. Ga niet meer naar het hele betoog luisteren, maar probeer de brokstukken daarvan aan elkaar te leggen als bij een legpuzzel. Daardoor straal je naar die ander de feitenbehoefte uit. En niet de combinatiebehoefte. Dus zal de ander de feiten duidelijker gaan noemen en de combinaties wat meer laten vervagen. Hij legt niet meer de nadruk op zijn visie, de samenhangen zoals hij die ziet, maar op de feiten, zoals ze zijn. Dan is hij inderdaad korter. Een trucje, voor degenen die te maken hebben met mensen die erg breedsprakig zijn, kan helpen. Verder is er nog iets.

Elke mens kent een bepaalde vluchtprocedure. Er zijn mensen, die wegvluchten in vage esoterische en ethische beschouwingen, wanneer ze het met de werkelijkheid niet kunnen redden, anderen zoeken het bij Sam en Moos of op het hellende vlak van de humor, (ik ken van elk van de soort hier enkele typen). Dat is op zichzelf niet belangrijk. Maar wat wel belangrijk is, is waarom je die weg kiest. De wijze, waarop je probeert aan de werkelijkheid te ontgaan, wijst n.l. in welke richting je je geborgen voelt. Wie zich geborgen voelt in vaagheid, kan voor zichzelf zeggen: ik ben niet in staat op dit ogenblik mijzelf en mijn eigen beweegredenen scherp te definiëren. Bemerk je dit, dan moet je niet zeggen: het is in de esoterie zo mooi. Neen. Dan moet je zeggen: feiten. En dan ga je je ertoe brengen om elke keer, dat je vaag bent geweest, de feiten te recapituleren. Niet: hoe was die ander? Maar wie was die ander? Niet: hoe vond ik wat er gebeurde, maar: wat is er gebeurd? Op deze manier krijg je ook weer kennis van datgene wat je ontvlucht, waarvoor je bang bent. En het gekke is dat wanneer je weet waarvoor je bang bent, je het meestal wel aankunt. Dan behoef je niet meer weg te vluchten.

Iemand, die het bij Sam en Moos zoekt, zoekt ongetwijfeld naar het type van de slemiel. Dus het type mens, met wie je medelijden kunt hebben. Wie in een dergelijke soort humor vlucht, doet dat over het algemeen om zichzelf een zekere meerwaardigheid te geven. Anders gezegd: als je aan moeilijkheden ontvluchtend juist tot dit type van ontwijking komt, heb je een innerlijke onzekerheid. Waarom? Welke is die? Is ze erkend, dan kan ze gecompenseerd worden. Dan kun je beter verder leven en ook bewuster. Want je weet beter waarom en hoe je de dingen doet. En kom je op het hellend vlak – de tweepersoons bedhumor – dan kom je als vanzelf naar het materiële toe. Dat zijn de z.g. concrete dingen, die vaak heel erg vluchtig blijken te zijn. Het zijn alleen de geestelijke aspecten die van blijvende waarde zijn. Maar door de aandacht daarop te vestigen zeg je: ik ben bang voor een geestelijk probleem. Er zijn geestelijke problemen die je niet aankunt. Er zijn geestelijke onzekerheden. Welke zijn die? Als je het jezelf vraagt, krijg je niet onmiddellijk een antwoord. De meeste mensen liegen tegen zichzelf nog harder dan tegenover anderen. Maar wanneer je die vraag steeds stelt, dan ga je toch begrijpen waar de schoen ongeveer wringt. En dat geeft je dan de mogelijkheid je eigen gedrag te compenseren. Maar het betekent ook dat je in de wereld reëler gaat denken. Dat je t.a.v. geestelijke gaven en krachten reëler gaat beleven en denken. Het wil zeggen dat je meer meester wordt – niet alleen van jezelf, maar van dat wat je bent in de wereld – en daardoor je eigen effect in de wereld en geestelijk beter kunt bepalen.

De vorige spreker had het over een parelsnoer. Nu wil ik niet zeggen dat deze dingen in de mens allemaal parelen zijn, maar het zijn afzonderlijke eenheden. Onze zwakke punten, onze sterke punten, vormen afzonderlijke eenheden. Ze zijn in ons besef en in ons gevoelsleven over het algemeen geïsoleerd. We zien onszelf niet als één geheel. We zien onszelf niet als een massa glas, naar als een pot met stuiters, elk met zijn eigen figuurtjes. En wij draaien ermee totdat naar buiten komt wat wij het meest voordelig vinden. We begrijpen niet dat we eerst een eenheid moeten zijn. Nu is het zo dat een eenheid minder ruimte inneemt, vaak grotere weerstand heeft, dan al die afzonderlijke dingen. Want daar is de relatie steeds verbroken en die moet dan telkens teruggevonden worden. Door te begrijpen, dat mijn angsten en begeerten, mijn ontwijkingen van de werkelijkheid en mijn mogelijkheid tot harmonie niet de werkelijkheid met elkaar stroken, dat ze elkaar niet tegenspreken, niet afzonderlijk staan, maar dat ze een samenhang hebben, kom ik over het algemeen tot een bijzondere waarde of naam voor mijzelf. En dat is een belangrijk punt.

Woorden zijn absoluut leeg. Ik weet wel, dat mensen denken dat als ze het woord noemen dat ze het ding zeggen. Maar dat is niet waar. Het ding kan alleen duidelijk zijn in zichzelf. Het woord kan slechts een aanduiding zijn, een vermoeden t.a.v. een werkelijkheid, die vermoedelijk bestaat. Wanneer ik nu aan mijzelf een naam geef, dan betekent dat dus dat ik mijn eigen harmonie heb veranderd. Dat ik mijn eigen waarde heb veranderd. En dat betekent dat ik mijn relatie met de wereld anders beleef en zie. Misschien hebt u zelf weleens meegemaakt dat u voortdurend zocht naar een andere naam. Naar een naam, die bij je paste. Je dacht misschien dat je het deed om in de mode te zijn, maar eigenlijk zocht je naar iets, wat uitdrukking gaf aan iets wat je voelde te zijn. Je wilde je pretentie van “zijn” een naam geven, die deze pretentie weerspiegelt. Maar als je jong bent, zijn er nog vaak pretenties. Als je ouder wordt, heb je ook vaak het gevoel: mijn naam past niet helemaal meer. Ik zou een andere naam moeten hebben. Er zijn mensen, die dan een naam vinden en zeggen: dat ben ik. Soms nemen ze die naam op grond van vermoedens, veronderstellingen, die helemaal niet uitkomen, maar die naam is een omvatten van hun wezen.

Dus vraag u eens af, hoe u zichzelf noemt en hoe u uzelf genoemd hebt. Dan weet u of er iets veranderd is. Vraag u af of de naam waarmee u uzelf noemt, nu werkelijk weergeeft wat u bent. Of u die naam nu overal zou willen gebruiken of dat het je eigen geheime naam is. U kent het gebruik van een geheime naam niet zo zeer, maar bij bepaalde minder ontwikkelde volkeren hebben de mensen meerdere namen. Men heeft een geheime naam, een naam die ze voor zichzelf hebben, een z.g. familienaam, die alleen onder de vrienden en bekenden wordt gebruikt en een stamnaam, die alleen binnen de gemeenschap geldt en vaak nog een andere naam, die ze gebruiken tegenover mensen, die buiten de gemeenschap staan. Ze drukken hiermee de relatie tussen zichzelf en de wereld uit. Dat wat ze zijn volgens hun eigen ervaren t.a.v. anderen. Dat doet u toch ook?

Probeer eens voor uzelf welke naam bij u zou passen. Een naam, die je jezelf met vreugde geeft en waarvan je het gevoel hebt: dit drukt iets uit wat ik ben. Een mens die zichzelf een andere naam geeft, schuift daarmee – of hij het beseft of niet – andere verhoudingen tussen zich en de wereld naar voren. Hij verandert zijn contact met de wereld en daarmee – en dat merk je meestal pas later – zijn relatie met die wereld. Het wordt een heel andere. Hij gaat een andere betekenis krijgen voor anderen zowel als voor zichzelf. Een naamsverandering, die op deze wijze tot stand komt, is altijd de uitdrukking van een nieuwe fase in het eigen wezen. Je zou misschien kunnen zeggen – met enig voorbehoud – dat het de uitdrukking is van een ontvangen inwijding. De grondslag van dergelijke veranderingen is over het algemeen een geestelijk beleven, al dan niet reëel ervaren in het dagbewustzijn van de mens.

Nu heb ik een belangrijk punt behandeld, want de naam is het symbool voor de werkelijkheid. Wij weten wat wij zijn. Op het ogenblik dat onze naam weergeeft wat wij zijn, is het woord voor ons de magische uitdrukking geworden, niet slechts van ons wezen, maar van alle capaciteiten die wij bezitten.

U kent misschien het grapje dat men in magische en esoterische groepen gebruikt, waar men b.v. spreekt tot God en tot engelen en hen eerst vaag aanduidt – dus omschrijft – en dan hun geheime naam noemt of zich beroept op het kennen van hun geheime naam. De mens denkt dat hij daarmede een dominantie, een heerschappij kan uitdrukken. Dat is niet waar. Maar wanneer ik de naam ken van de ander, dan heb ik daarmede een sympathische relatie gesteld tussen mijzelf en de ander en al wat in mij bestaat wordt in de ander weerkaatst en omgekeerd. Dat is de achtergrond van dit magische werken. Leer dan ook de namen van uw medemensen te begrijpen en zoek naar een naam voor hen, die de relatie tussen u en de ander uitdrukt. Gebruik deze naam desnoods voorlopig alleen in uw denken over de ander. Hierdoor is het u mogelijk om de innerlijke contacten met de ander uit te breiden en zo dus ook de normale verhouding in uw wereld niet alleen beter te begrijpen, maar ook gemakkelijker te richten. Te weten wat wel en niet kan.

Het zijn practische recepten, want een mens kent zichzelf niet of hij wil zichzelf niet kennen. Maar hij kan zichzelf leren omschrijven. En dat, wat je van jezelf kunt omschrijven, bepaalt datgene wat je bewust kunt zijn in de geest, in de wereld, kortom in elke sfeer of wereld, waarmee je maar contact hebt. Het zou goed zijn als elke mens, die tot bewustwording wil komen, zo nu en dan eens over zichzelf zou mediteren. Zich zou afvragen: wie ben ik? Wat ben ik? Hoe ben ik? Wat wil ik? Waarom wil ik? En al die dingen bij elkaar voegend zou zeggen: Ja, daaruit komt dit beeld naar voren, die klank, deze naam. Wie zó zichzelf leert zien en noemen, leert ook zijn eigen relatie met de kosmos en de wereld bewust beleven en daarmee, in grote mate althans, volgens eigen besef ook reguleren.

Verder wil men weleens in zichzelf opstijgen en weten wat er innerlijk en hoger aan de hand is. U kent de mens wel. Wat dat betreft doet hij denken aan een gekooide vogel. Zo zit hij op de bodem van de kooi en zo probeert hij boven tegen de tralies aan te vliegen. Die tralies zijn er alleen omdat wij ze stellen, zo ook wat betreft de bodem. De kooi waarin wij zitten, is de kooi van onze waarde, onze gedachte, onze maatstaven.

Onthoudt dit:

  1. Wanneer ik in mijzelf tot bewustwording en zelferkenning wil komen langs de esoterische weg – dus die van de innerlijke beleving – mag ik geen maatstaven en richtlijnen stellen. Dan eerst kan ik mij waarlijk bewust worden van de hogere krachten in mezelf.
  2. Ik heb de neiging alle dingen te benoemen. Wij benoemen ook in onszelf de dingen. Laten wij aan onze innerlijke toestanden echter alleen dan een naam geven, wanneer deze spontaan in ons ontstaat. In dat geval is het de sleutel, waardoor wij tot deze innerlijke staat kunnen terugkeren. Op het ogenblik, dat wij ons innerlijk proces proberen te ontleden en te benoemen, vernietigen wij heel vaak de mogelijkheid om diezelfde staat op eenvoudige wijze weer te bereiken.
  3. Wanneer je dat wat je bent, zou willen uitdrukken in een mathematische figuur, welke zou je tekenen? Vraag u eens af welke figuur: een cirkel, een ovaal, een rechthoek, enz., zodat je niet een voorstelling behoeft te tekenen, maar gewoon een aantal lijnen. Probeer dat eens een paar keer en zeg dan tegen jezelf: Welk deel uit dit geheel kies ik om God uit te drukken?

Eerst jezelf tekenen en dan God. Dan zult u tot de verrassende ontdekking komen, dat je in het begin geneigd bent om de gehele tekening maar ineens voor God te nemen en dat je daarna geneigd bent om een bepaalde lijn in een richting te nemen en dat je pas daarna tot de conclusie komt dat je dezelfde lijnen ook anders kan groeperen. Het kan je heel erg helpen, want de figuur die je kiest voor jezelf, duidt je eigen gerichtheid aan. Iemand die een vierkant heeft, is iemand die alle kanten tegelijk uit wil en meestal nergens komt. Iemand die een cirkel heeft, zal met die cirkel over het algemeen aanduiden: ik zoek een wereld die vast begrensd is en waarbinnen ik kan leven. Geestelijk, zowel als stoffelijk. Maar iemand, die een driehoek heeft, moet zich afvragen: hoe richt ik die driehoek? Hoe staat die driehoek? Want dat geeft ook verschillen naar boven en beneden, links of rechts. Hoe voel ik dit? Wat is dicht bij God? Soms kom je tot de conclusie, dat wanneer je jezelf ziet als een driehoek, dat je de hoek waaronder de twee lijnen elkaar aan de top treffen, voor jou de uitdrukking is van God. En dan kun je tegen jezelf zeggen: kijk, wanneer ik dat deel van mijn wezen overdenk, zal ik iets bereiken.  Dat laatste zult u niet vaak hebben – want iemand die dit symbool gebruikt plus dat concentratiepunt om God innerlijk te bereiken, is meestal iemand, die een redelijk ontwikkeld kruinchakrum heeft en dan ben je al tamelijk hoog meestal.

Het is alleen maar een reeks van trucjes, meer niet. U moet het niet als leefregel nemen. Het zijn gewoon dingen die je doet; handigheidjes om dichter te komen bij je innerlijke werkelijkheid. En als je dat allemaal hebt gedaan, dan kom je waarschijnlijk ook aan het punt, waarop je je afvraagt: hoe moet ik mediteren? Of: wat moet ik doen? Want nu weet ik wel vaag een beetje wat ik ben, maar hoe kan ik dat uitdrukken? En dan kan ik u alleen maar weer een tip geven. Ik zal u nog een voorbeeld geven.

Probeer eens een ritme in jezelf te vinden. Omschrijf jezelf niet in concrete woorden en zakelijke termen. Probeer een ritme te vinden en maak er een soort gedicht van. Het moet een ritme hebben. Het moet weergeven wat je bent en de slingering van je wezen uitdrukken in de werkelijkheid … U weet nu wat ik bedoel?

Wanneer ik voor mijzelf zou moeten spreken en ik zou mijn innerlijk willen weergeven, dan wordt dat moeilijk. Ik kan niet zeggen: zo ben ik. Maar ik kan wel zeggen: deze beelden bestaan in mij. Ik zal het voor de aardigheid doen.

Een wolk van licht, drijvend boven een drukke wereld. Een bliksemschicht, die al vertrokken is wanneer ze is neergekomen, voor ze is erkend en toch zoveel bereikt. Een meer dat spiegelt wat er aan de wolken bovendrijft. Een hand die in de lucht een letter schrijft die niemand leest. Een leegte, die onbevreesd zich vult met het bestaan. Een volte, die zichzelf ontkent en zo zichzelf erkennend wordt. Een licht dat spreekt, dat leeft, dat werkt. Actie van oneindigheid, die in de tijd bevroren, het standbeeld is geworden van onmogelijkheden. Betreden van een gouden trap, die tot de hemel reikt en toch niet verder komen dan in je dromen, totdat je trap bent en niet door hemelpoorten gaat, maar van de aarde tot de hemel reikt. Zo leven en zo spreken, zo denken en zo oneindigheden samenvoegen, is wat ik voel te zijn. Droom, emotie, maar de sleutel tot de kracht, die in mij schuilt.

Dit is een weergave van wat ik ben. Wat ik voel te zijn. Ik ben niet in de eeuwigheid binnengetreden, maar ik roer aan de eeuwigheid en aan de andere kant sta ik nog op aarde. Ik lig tussen die twee in. Een lichte wolk, die boven de wereld drijft. Natuurlijk. Hoe kan ik anders zeggen dat ik de zaak van boven zie en dat ik a.h.w. alles reliëf en licht geef?  Dat ik toch eigenlijk naar beneden kijk. Dat ik niet naar mijzelf kijk, maar naar het andere. Je moet er een symboliek voor vinden.

En misschien kan ik dan als laatste zeggen: Ik ben een traag geluk dat wacht op een versnelling van de tijd. Een roes van eeuwigheid, waarin het geluk zichzelf vergeet, omdat het slechts geluk en niet zichzelve weet.

Verwachting en hoop. Hoe kun je het anders uitdrukken? Ik doe het op mijn manier, u doet het op uw manier. Misschien zegt u wel: ik voel mij als een snijboon in de snijbonenmolen. Dat heeft ook zin en betekenis. Hoe voel ik mij? Wat is mijn wezen? Als je zo zou willen zijn – probeer het eens te omschrijven. Dan zult u met verbazing ontdekken, dat u zich vaak bij dagbewustzijn bedriegt over wat u zou willen zijn. En dat is belangrijk. Als je weet wat je vanbinnen bent, dan heb je niet alleen iets teruggevonden van die innerlijke, esoterische werkelijkheid, dan heb je ook een mogelijkheid gevonden om die innerlijke werkelijkheid reëel tot uitdrukking te brengen; een harmonie te krijgen met je omgeving.

Ik heb getracht iets uit te drukken wat moeilijk weer te geven is. Niet alleen de handigheidjes die u gebruiken kunt, maar ook iets van wat je bent. Iets van de vreemde vaagheid die je eigenlijk altijd voor jezelf bent. Ik heb ook getracht duidelijk te maken, dat je er toch steeds meer van kunt herkennen, dat je meer tot jezelf kunt komen. Het is maar een eerste les. Denkt u er eens over na, vooral over de vraag of wat ik u gezegd heb bruikbaar is. We zouden dan de volgende keer misschien tot de ontdekking kunnen komen, dat we die innerlijke esoterische werkelijkheid en God wel degelijk buiten ons waar kunnen maken. En dan zou u misschien ook weten hoe. Maar dat hangt voor een deel van u af, want de avonden zullen voor een groot gedeelte mede bepaald worden door uw eigen inhoud en reactie.