Astrale schrikvormen

image_pdf

26 maart 1965

Allereerst weer de bekende waarschuwing: wij zijn niet alwetend of onfeilbaar, denk dus zelf na. Mijn onderwerp voor heden gaf ik de titel: Astrale schrikvormen.

De astrale wereld is de meesten onder u, al is het misschien alleen maar theorie, bekend. Voor hen, die dit nog niet weten, het volgende: De astrale wereld bestaat uit fijne materie – kleine deeltjes zonder onderlinge binding of gebondenheid – die o.m. door een gedachte in een bepaalde vorm tijdelijk samen kunnen worden gebracht. In de astrale wereld werken vele denkbeelden in; zowel denkbeelden, die vanuit de wereld van de mensen komen, als denkbeelden, die ontstaan zijn in werelden der geest. De geest kan, zowel vanuit de werelden van het Licht als vanuit de werelden van het duister, de astrale wereld benaderen. Het zal u wel duidelijk zijn, dat er dus vele en verschillende vormen in de astrale wereld zullen bestaan, die lang niet allen even aangenaam of mooi zijn. Vandaag wil ik de aandacht richten op de minder aangename vormen, die in deze wereld van fijnste stof voorkomen, en tevens belichten in hoeverre en hoe zij invloed kunnen uitoefenen op de materie.

Nu is, bij het door de geest vormen van een gestalte in de astrale wereld, vaak een basis noodzakelijk, die deze geest zelf niet geheel kan opbrengen. Maar wanneer een mens overgaat, blijft er vaak een astraal voertuig onbeheerd achter, dat men dan wel schil noemt. Dit voertuig heeft weinig of geen eigen leven en kan vergeleken worden met de huid, die een rups of slang na het vervellen achterlaat. In dit lege voertuig kan dus eenieder, die er in past, kruipen.

Gebeurt dit niet, dan zal het voertuig na betrekkelijk korte tijd meestal vervallen en vergaan. De gemiddelde vervaltijd voor een schil ligt ergens tussen 75 dagen en rond 15 jaren. Een dergelijk lange termijn wordt wel eens bereikt, maar is afhankelijk van de hechtheid waarmede het ik-beeld is opgebouwd. In de astrale wereld geldt namelijk: Hoe intenser en vaster van vorm het denkbeeld is, dat aan de astrale gestalte ten grondslag ligt, hoe vaster de samenhang van de vorm en hoe trager zij tot ontbinding komt.

Wanneer wij een lege hul hebben, beschikken wij dus over een verzameling van fijnste materie en een daarin bestaand krachtveld, waarin een figuur is uitgebeeld. Wanneer ik aan deze gestalte een deel van mijn eigen wezen of denken toevoeg, kan ik, gebruik makende van de bestaande energie en vorm, verdere figuren daaruit opbouwen, die ook voor de in bezitnemende kracht bevredigend kunnen zijn. Deze techniek wordt over het algemeen gebruikt door geesten, die zwakker zijn, maar ook wel door sterkeren, die in een duistere sfeer leven en er geen belang bij hebben hun eigen gedaante geheel uit te beelden. Ik meen niet, dat de schillen verder voor ons van groot belang zijn. Zij zijn alleen daarom belangwekkend: Zij geven houvast, mogelijkheid tot oriëntatie en beweging binnen deze wereld, aan duistere en zwakkere geesten, die zich daarin anders niet of niet zo snel zouden kunnen manifesteren.

Een blijvende schrikvorm kan dus zijn begin vinden in een dergelijk astraal voertuig. De schrikvorm kan echter ook spontaan tot stand komen door de grote intensiteit, waarmede een gedachte wordt uitgedrukt. Daarnaast kan zij bewust worden opgebouwd en gevormd door bewuste wezens, zowel in de wereld als in de sferen. De denkbeelden, die aan een schil gebonden zijn, behouden een meer menselijke structuur. Indien een demonische geest zich dus in de astrale wereld zou manifesteren door middel van een schil, zou het geheel mogelijk sinister aandoen, maar zal de grondvorm altijd menselijk blijven. Hoe minder vast een vorm is, die in het astraal gebied bestaat, hoe groter de invloed van andere gedachten daarop zal zijn.

Voor de geest geldt nu, dat het denken niet beperkt kan worden tot een onwaarheid. Men kan dus vanuit de geest geen totale leugen als vorm in die wereld projecteren. Je kunt slechts delen van je wezen daarin openbaar maken, dan wel het geheel. Een demon, die zich binnen deze sfeer uit, doet dit meestal in zijn eigen gestalte en wezen. Alleen wanneer hij zich, om bepaalde redenen, vermommen wil binnen een beeld, dat in de sferen reeds bestaat en door de geest beheerst kan worden, zal een weergeven van zijn werkelijke wezen achterwege kunnen blijven. De kenmerken van de gestalte, die demonen in de astrale wereld plegen aan te nemen, zijn de volgende:

  1. Zij maken, vooral op de mens, die niet geheel bewust is, de indruk, enorm groot te zijn.
  2. De grote gestalte heeft bepaalde kenmerken, die menselijk kunnen genoemd worden. Hij bezit n.l. altijd twee of meer armen en benen, een romp plus een hoofd. De romp is echter volgens menselijke maatstaven veelal wat misvormd, de benen zijn niet altijd mensenvoeten.

Combinaties zijn mogelijk, zodat wij bv. schijnbaar menselijke figuren aan kunnen treffen, die bv. kippenpoten hebben of iets dergelijks. Het gezicht zelf draagt meestal weinig menselijke kentekenen. De ogen doen menselijk aan, maar de mond zal bv. veelal de indruk geven, dat er een zeer lange tong in zit, terwijl er veelal uitstekende slagtanden zijn. Het ziet er vaak zeer vervaarlijk uit. Men moet echter niet denken, dat deze gestalten daarom ook gevaarlijk zijn: Tanden, handen, attributen en wapens, die de schrikgestalte schijnt te hanteren, kunnen alleen iemand kwetsen, die voor de figuur vreest.

De angst vormt een verbinding tussen het schrikbeeld en het astrale voertuig van een waarnemer, zodat beiden een ogenblik in gelijkheid van waarden bestaan en een wederkerige werking op kan treden. Er wordt dus nooit werkelijk geslagen, gebeten enz. Er is ten hoogste een gedachte, die zo kan worden weergegeven. Een aangetast worden hierdoor betekent slechts een ontbinding van een deel van het aangevallen voertuig in overeenstemming met de uitgezonden gedachte en in werking overeenstemmende met de kracht daarvan.

Ik kan niet duidelijk genoeg zeggen, dat alle astrale vormen slechts gedachten zijn, die worden uitgedrukt in de fijne materie van deze wereld en daarin alleen in stand zullen blijven zolang de kracht van de originerende gedachte nog daarbinnen bestaat. Zuivere demonen komen niet zo vaak voor in de astrale sfeer. Zij zijn overigens ook niet de meest verschrikkelijke gedaanten, die wij daar tegen kunnen komen. De grootste vijand, die je hebt, ben je ook hier altijd weer jezelf.

Wanneer u bang bent dat er iets gebeuren zal, wordt deze gedachte als een situatie uitgebeeld, waarin u deel hebt. Bent u bang voor slangen, dan zal die angst vorm krijgen in de gedaante van de vrees: een slang. In 9 van de 10 gevallen zal die slang enorm groot lijken. Zij is de uitbeelding van onze eigen angst en heeft daardoor voor ons grote macht. Zij schijnt ons steeds weer te willen beheersen. Indien wij in de astrale wereld zuiver dierlijke gestalten aantreffen, zo mogen wij aannemen, dat dezen uit het menselijke denken ontsproten zijn en daardoor eventueel nog gevoed worden. Door onze mogelijk angst daarvoor te bedwingen en ons te realiseren, dat het alleen om schijnvormen gaat, zullen zij al snel verdwijnen. Voorbeeld: men staat tegenover een cobra, die groter is dan een mens. Men overwint de angst daarvoor en ziet de slang geheel verdwijnen of, zo zij nog voortdurend gevoed wordt, haar inkrimpen tot zij niet grotere en gevaarlijker is, t.a.v. eigen ervaren, als een regenworm.

Naast deze meer persoonlijk opgebouwde schrikvormen kennen wij ook door gemeenschappen opgebouwde vormen. Wanneer 1000 mensen hetzelfde vrezen, zullen zij elk voor zich een omschrijving daarvan geven, een eigen voorstelling met de vrees verbinden. In het ontstane beeld is de totale angst als een dreiging, een soort macht, vastgelegd; de gestalte is een composiet van de verschillende realisaties in vorm van de angst. Dit hoeft niet aan de werkelijkheid van de vrees te beantwoorden, maar heeft invloed op allen, niet alleen op degenen, die het geschapen hebben. Daarbij kan zelfs een inwerking plaats vinden op mensen, die een geheel ander beeld koesteren. Bijvoorbeeld, haat of angst voor de Duitsers doet een gemeenschappelijke schrikvorm met bepaalde eigenschappen ontstaan. Dit beeld zal qua inwerking destructief zijn en veel doen vernielen. Stel daarnaast een schrik of haatbeeld, dat zich op de joden richt. Deze richt zich op een groep, die “anders is” en zal eveneens over de gehele wereld invloed kunnen uitoefenen. Deze invloed blijft echter beperkt tot degenen, die daarmede harmonisch zijn.

Ik wil nog even wijzen op schrikvormen, die door een beperkt aantal mensen worden opgebouwd, die een vrees gemeen gehad hebben of nog hebben. Hier is het aantal onvoldoende om een composiet beeld te doen ontstaan dat enige homogeniteit bezit. Er ontstaan dan hybride beelden. Als voorbeeld hiervoor kunt u denken aan Egyptische goden, sfinxen, Pegasus enz. Deze hybride beelden zijn vaak niet direct afzichtelijk, maar werken op de beschouwer toch afschuwwekkend, omdat zij voor hem zo ongewoon plegen te zijn. Het is het element van het ongewone, dat in de astrale sfeer vaak fataal blijkt te zijn voor hen, die geen voldoende zelfkennis en beheersing bezitten.

Ik recapituleer. Er zijn dus zuiver door demonen – niet menselijke geesten – gevormde schrikbeelden; er zijn schikbeelden gevormd door geesten, die wel mens zijn geweest, vaak bestaande uit een schil van een overledene plus toegevoegde waarden; er zijn schrikbeelden door een enkele persoon gevormd en daarom meestal zwak en vluchtig; er zijn door een massa gevormde schrikbeelden, die vaak een groot vermogen aan kracht blijken te bezitten; en ten laatste de z.g. hybride schrikbeelden, die wat zwakker zijn en uit een eigenaardig samenstel van persoonlijke vormen en lijnen zijn opgebouwd.

Wat is de aard van dergelijke beelden eigenlijk? In wezen zijn zij energie, kracht. Het behoud en de geleidelijke afgave van energie wordt mogelijk, doordat binnen de structuur van het energieveld fijne materie op een bepaalde wijze gerangschikt en gebonden wordt. De oorspronkelijke kracht of gedachte geeft, ook wanneer elders kracht ontleend kan worden, de samenhang, binding en structuur van de materiedeeltjes aan, en bepaald daarmede ook de wijze, waarop kracht vanuit de vorm kan worden afgegeven; het zijn de, – uit het veld met zekere snelheid en richting bevrijde – materie deeltjes, die, zover het de mens en het astrale vlak betreft, de feitelijke werking vormen.

De fijne materie kan daardoor ook elke stoffelijke vorm aanvallen of aantasten, mits de potentie van de vorm groot genoeg is. Wij weten, dat bepaalde verwachtingen van een mens, vooral wanneer zij een angst inhouden, op een gegeven ogenblik zo sterk kunnen zijn, dat alle grenzen van het redelijke worden overschreden. In een dergelijk geval zal de mens niet slechts een enkele min of meer gerichte gedachte, maar zijn gehele emotionele inhoud en de structuur van eigen innerlijk wezen aan het schrikbeeld mee kunnen geven. Dit kan hierdoor zo sterk worden, dat het in eigen vermogen de normale krachten van een mens verre overtreft en zo elke niet bewuste eenling en soms zelfs velen zal kunnen beheersen en volgens zijn aard richten. Dit kan dus ook optreden, wanneer het beeld uit de emoties van een enkele mens voortkomt.

Verder dienen wij te bedenken, dat de kracht van een vorm of beeld toe zal nemen met de tijd dat het in stand gehouden wordt en zijn vorm kan blijven behouden door voedende gedachten. Hoe langer in dit geval het bestaan, hoe groter ook het energetisch vermogen daarin aanwezig.

Wanneer een gedachte, die voor de vorm negatief is, dit beroert, zal het beeld te niet moeten gaan. Dit is echter alleen waar, wanneer de negatie even sterk is als het beeld of even lang in stand wordt gehouden als het betreffende schrikbeeld. Dit betekent wel, dat wij de schrikbeelden, die ook op een andere wijze dan de voorgaande gerubriceerd kunnen worden, vaak ontstellend sterk zullen zien worden. Het lijkt mij interessant ook een indeling van deze beelden aan de hand van de bij hen voornaamste inwerking op de mensen te geven.

Wij kennen dergelijke beelden als droombeïnvloeders. Hun belangrijkste inwerking op de mens wordt namelijk tijdens de slaap gevonden.

Daarnaast werken zij vaak in via het onderbewustzijn. Een dergelijk beeld straalt een bepaalde tendens uit die door de mens zelf in een herinnering, reactie of droombeleving wordt uitgewerkt.

De resultaten zijn vaak nogal ingewikkeld, de originerende impuls echter is steeds zeer eenvoudig. Bijvoorbeeld, de impuls is: Het gaat slechter. Het onderbewustzijn vangt deze op en past haar op alle activiteiten en toestanden zonder meer toe. Dromen met een dergelijke inhoud zijn vaak nachtmerries, waarin u steeds het ergste overkomt. Bij een wankel evenwicht, bv. van de gezondheid, kan de inwerking groot zijn en kan de zo gegeven suggestie zelfs bewerkstelligen, dat men zonder geheel aanwijsbare oorzaak dicht bij de dood komt. De omstandigheden van degenen, die de invloed ondergaan, bepalen dus het uiteindelijke resultaat.

Daarnaast kennen wij schrikbeelden, die voornamelijk erkend worden op aarde als visuele impressies. Bij waakbewuste waarneming zijn zij in wezen een hallucinatie, in dromen treden zij wel op, maar vooral wel als een vage vormwaarneming tijdens een toestand van verminderd bewustzijn, zonder dat algehele onontvankelijkheid voor de omgeving optreedt. Een bekend voorbeeld hiervan is wel een ervaring, die vele mensen kennen wanneer men tijdens de slaap ontwaakt of wakker ligt in het donker: Dan lijkt het opeens, of een van de hoeken duisterder is en daarin een vorm aanwezig is, die juist niet zichtbaar is. Men kan het gevoel het beste omschrijven als angst als gevolg van een onbestemde, maar zintuiglijk ervaren dreiging.

Een derde soort van astrale schrikgestalten manifesteert zich meer fysiek: Zij heeft een zodanige kracht en inhoud, dat de gevoeligheid van iemand die ter plaatste aanwezig is – plus misschien enige kracht van die mens – voldoende is, om voor eenieder waarneembaar verschijnselen te doen optreden. Verplaatsen van voorwerpen e.d. treedt hierbij op. Wij noemen dit vaak spookverschijnselen. Deze vorm is vaak zeer agressief. Voorbeelden, als in de spookverhalen, waarin iemand een spookhuis binnengaat en door een duistere macht geworgd wordt, dit geschiedt in de verhalen door onzichtbare handen. Er is verder alleen maar een onnatuurlijk en wat flimmerend duister waar te nemen. Dit klinkt, en is wat overdreven, maar onmogelijk is het zeker niet. Zo goed als een dergelijke kracht een meubelstuk kan verplaatsen, kan zij ook een mens, die daarvoor bang is, wurgen.

Een andere soort schrikgestalte blijkt bij manifestatie in de wereld der mensen vooral de kleurgevoeligheid van de mensen te beïnvloeden. Wanneer men bv. naar een landschap kijkt en een dergelijke schrikgestalte heeft contact met u, dan lijkt het opeens, of de kleuren scherper, meer primair worden. Zij doen daarbij veelal onaangenaam aan: Groen wordt bv. giftiger, zonlicht, dat zo-even nog aangenaam was, wordt stekend scherp enz.  Een dergelijke beïnvloeding van de kleurwaarde is kentekenend voor een schrikgestalte, die ontstaan is uit emotie en bij de mens ongevormde emoties wekt, zo zichzelf daarmede versterkende. Deze beelden zijn, wanneer zij in de stof merkbaar worden, altijd bezield door geesten uit het duister, bij de voorafgaande schrikbeelden was dit dus niet noodzakelijkerwijze het geval.

Ik kan u nog wel meer van deze vormen noemen, maar deze zijn de voor u de belangrijksten, zodat ik meen binnen deze rubricering met het genoemde te kunnen volstaan. De vraag, die ons nu bezig zal houden, is: Welke invloed kunnen deze schrikgestalten op de mensen hebben?

In een meer persoonlijk vlak heb ik de werkingen reeds aangeduid. Stel u echter eens voor, dat bv. 300 verschillende schrikgestalten – desnoods door menselijk denken gevormd – boven deze stad aanwezig zijn – of in het gebied van deze stad, wat een juistere weergave van de feitelijke toestand is. Hun eigen eigenschappen vallen grotendeels weg, maar de factoren, die zij gemeenschappelijk bezitten, zullen zo sterk worden, dat op alle mensen binnen het bereik van de kracht zich de gehele energie van alle schrikbeelden gezamenlijk zal ontladen als één enkele impressie of invloed. Het gevolg kan een hallucinatie zijn, maar evengoed voor allen een beïnvloeding in een bepaalde richting betekenen. Er zijn zeer veel van dergelijke schrikbeelden te vinden in de astrale wereld. Er zijn bv. vele haat- en angstbeelden, die in of kort na de Tweede Wereldoorlog ontstonden en tot op heden nog regelmatig door menselijk denken gevoed worden. Gestalten, die schijnbaar na korte tijd zouden moeten vergaan, hebben door de angst of haat van betrekkelijk kleine groepen een zeer vaste vorm gekregen en alle energie uit de tijd van hun ontstaan kunnen behouden.

Voorbeeld: Ik trek een parallel tussen de nu actuele kleurlingenvraagstukken en rassenproblemen als bv. het Jodenvraagstuk tijdens de laatste wereldoorlog. Het is echter niet zo vreemd als het lijkt. Door wat er in de oorlog gebeurd is, zijn er vele mensen die iedereen haten, van wie zij onderdrukking vrezen of een aantasten van hun waardigheden. Deze mensen scheppen een beeld, dat in zich afwijzing, haat en vernietiging tot een impuls verenigt. Hierbij zijn de emoties betrokken en zullen kleine groepen van rond honderd personen zelfs aan vormen een kracht kunnen geven, die hun invloed ver buiten de eigen omgeving van de scheppers uitstrekken.

Overal waar een soortgelijke emotie kan ontstaan, zal een dergelijk schrikbeeld ingrijpen en de neiging tot wreken, geweld, verzet tot uiting brengen. Nemen wij als voorbeeld van dergelijke groepen de joden die uit Duitsland terug keerden. Daarnaast zijn de gevoelens van hun beulen, die de oorlog verloren hebben en allen, die achter hen hebben gestaan – bewust of onbewust – eveneens een sterke emotie: Zij voelen zich in het ongelijk en hebben daardoor een sterke neiging om alle gezag te verwerpen en aan te tasten. Al doen zij dit misschien niet werkelijk, in hen leeft de neiging, alle met hun overtuiging en zelfrechtvaardiging niet strokende vormen van leven en gezag radicaal te vernietigen. Ook hieruit zijn sterke schrikgestalten in de astrale wereld gevormd.

Nu zijn ook andere mensen in de wereld door deze gevoelens enigszins besmet. Hun reactie tegenover de wereld houdt dan ook hetzelfde in. Zij hebben dan deel aan de reeds bestaande schrikgestalten en alle neigingen, die daarin werden vastgelegd. Laat ons als voorbeeld van de inwerking een situatie nemen zoals die bv. te Selma bestaat. Er zijn kleurlingen, die de behoefte kennen hun menselijke waardigheid tot uitdrukking te brengen. Zij zouden hun onderdrukkers schaakmat willen zetten en kunnen dit alleen doen door hun tamelijk vredelievende demonstraties. Deze verbetenheid en haat vindt echter een harmonie met een schrikgestalte als bv. die, welke uit het denken van de joden is ontstaan. Dan is het zeer wel mogelijk, dat meerdere negers juist hiervoor worden verleid tot een houding en het stellen van eisen, die het geheel van hun mogelijkheden en bereikingen sterk benadeelt. Ook geweldpleging kan hierdoor worden bevorderd – geweldplegingen van negers tegen blanken en negers onderling komen in de USA méér voor dan men denkt. De overdrijving van waarden, die aan de andere kant ontstaat, zal bv. een harmonie tot stand brengen met de fascistische schrikbeelden, die, zoals in een vorig beeld werd gesteld, opgebouwd kunnen zijn uit haat en ressentimenten plus zelfrechtvaardiging.

Zoals aan de ene kant het beheerste optreden van de negers – zonder dat zij dit wensen, – soms overgaat in een hysterisch en overdreven uitschreeuwen van hun rechten, evenals hun vervolging, en hen zelfs tot daden voert, die zij later zelf niet goed kunnen begrijpen, zo zal dit aan de andere kant ook het geval zijn. Wanneer men eenmaal door de schrikvoorstelling sterk beïnvloed wordt, ontstaat er een mechanisme, dat de eigen wil grotendeels uitschakelt, zodra een actie begonnen is. Voorbeeld hiervan: Iemand slaat een ander om zo de orde te handhaven. Hij wordt door de invloed bevangen en slaat nu onbarmhartig met een knuppel op de anderen in, terwijl ergens in zichzelf deze mens gelijktijdig met enige ontsteltenis zijn eigen handelingen waarneemt en meent, dat het genoeg is – maar niet op kan houden. Ik stel niet, dat dit beeld geheel zuiver en duidelijk is, maar wil daarmede begrijpelijk maken, dat de mensen op de wereld soms beheerst kunnen worden door inwerkingen en emoties, die in wezen in het verleden of ergens aan de andere kant van de wereld zijn ontstaan en via astrale gestalten hun werking uitstrekken over alle mogelijke harmonieën, en dit vaak zeer lange tijd.

De schrikbeelden kunnen dan ook onder zekere omstandigheden invloed hebben op de menselijke mentaliteit en bovendien de mens zuiver lichamelijk domineren, wanneer hij door eigen handelingen of stemming daarmede voldoende ‘en rapport’ is gekomen. Een ziekelijk schijnende onbeheerstheid kan hiervan het gevolg zijn, zowel bij enkelingen als bij een massa.

De schrikbeelden zijn dan ook vaak werkelijk gevaarlijk voor de mens. Het gevaar ligt niet alleen in een mogelijke ontmoeting en vrees voor de gestalte in de astrale sfeer, maar zij hebben ook invloed op de wereld en de mensen, waarbij een oppervlakkige harmonie vaak wordt uitgediept tot een verbondenheid, waarbij de menselijke wil en het menselijk verstand tijdelijk aan de schrikgestalte en de daarin levende impulsen onderdanig kan worden.

Nu zijn in de laatste jaren vele van de schrikvormen, die door demonen en duistere geesten waren opgebouwd, door acties uit andere sferen uit de weg geruimd. Vooral de schillen, die door duistere geesten in bezit genomen waren en vaak vervormd tot schrikbeelden, zijn voor het grootste deel vernietigd. Tegen de schrikbeelden, die hun oorsprong vinden in het menselijke denken, is een dergelijk optreden praktisch niet goed mogelijk. Het aantasten van een dergelijk beeld houdt namelijk ook een aantasten van de mens aan, die deel heeft aan de opbouw van de gestalte. Een aantasten van die mens betekent weer een belemmering van zijn vrije wil – een risico, dat men vanuit de sferen alleen onder zeer bijzondere omstandigheden zal willen nemen.

Wanneer wij verder eens zien, wat uit de invloed van de schrikbeelden – vooral in grotere aantallen – voort kan komen, zo wil ik wijzen op het voorkomen van eigenaardige vormen van massahysterie. Voorbeeld: 1000 mensen zijn bij elkaar. Een van hen ziet iets, dat echter niet fotografisch vastlegbaar is of normaal waarneembaar. Toch kan de invloed, uitgaande van de eerste “ziener”, zo sterk toenemen, dat 980 van de 1000 mensen hetzelfde gaan zien. Hierbij blijkt dan de mogelijkheid te ontstaan, dat deze mensen, onbeïnvloed door elkanders beschrijvingen – die zij vaak niet eens kennen – het zelfde waarnemen, het beeld ongeveer gelijk beschrijven. Er zijn veel van dergelijke vormen van massahysterie en suggestie bekend, waarbij vooral in Z-Amerika en Afrika bij dergelijke inwerkingen vreemde reacties van de massa zijn opgetreden. De bindende invloed, de bepaling van de vorm en het karakter van de waarneming, worden in dit geval vaak bepaald door een astrale schrikgestalte. Deze gestalte kan dus mensen er toe brengen niet rationeel waar te nemen en onbeheerste handelingen te plegen.

Stel, dat een dergelijke schrikgestalte door omstandigheden de macht verwerft over bv. een bommencommando. Het is dan mogelijk, dat de leden daarvan onder de invloed, groen licht voor rood aanzien, hun opdrachten geheel verkeerd begrijpen, woorden misverstaan en zelfs onder deze invloed verkeerde doelen, bv. in eigen land, bombarderen, onder de waan, dat zij de vijand hiermee aanvallen. Dergelijke misvattingen door dergelijke oorzaken zijn in het verleden voor gekomen en ook nu bestaat de mogelijkheid, dat dergelijke gebeurtenissen voor zullen komen. Daarom wil ik allen, ook degenen, die mijn betoog zeer onwaarschijnlijk vinden, toch de raad willen geven op te passen voor inwerkingen, die sterk afwijken van het voor hen normale en daarmede ook hen tot abnormale of irrationele handelingen zouden kunnen verleiden.

Ik wil ook nog even terug komen op astrale invloeden, die vooral de menselijke droomwereld beïnvloeden. Wanneer u een kwade droom hebt gehad, kan deze uw stemming vaak voor een gehele dag beïnvloeden. Wanneer de droom dan nog gelijkenis vertoont met bestaande toestanden of feiten, zal men geneigd zijn die droom als een waarschuwing of voorspelling aan te nemen. Dit zal geschieden onafhankelijk van de vraag, of men waarlijk bijgelovig is of niet, of men de mogelijkheid van waarschuwende dromen toegeeft of niet. Indien nu door bv. een aantal astrale gestalten een algemene droombeïnvloeding wordt gewekt en zo alle mensen zich door een vijand bedreigd zien of hun huizen in de droom tot ruïnen zien worden, ontstaat er een feedback: Onder invloed van de droom zullen de mensen denkbeelden koesteren, die hen normalerwijze vreemd zij, maar gelijktijdig harmonisch zijn met een of meer van de schrikgestalten, die hierdoor worden gevoed en dus sterker worden – wat hun invloed op de mens weer kan vergroten. Het gedrag van de mensen zal daardoor beïnvloed worden, terwijl een elders optreden van omstandigheden, die enigermate harmonisch zijn met de in droom en gemoed beleefde stemmingen en beelden, de reactie die men hier alleen in de droom kende, zal kunnen worden omgezet in een – voor vele mensen minder aangename – werkelijkheid.

Het astrale kan hierdoor voor de mensen een afwijking van de werkelijkheid veroorzaken, waaraan vele gevolgen verbonden kunnen zijn. Dit is werkelijkheid. Men kan nu wel zeggen, dat dit alles kolder is of stellen, dat in beschaafde landen de invloed van dergelijke krachten niet zo groot zal zijn. De praktijk wijst anders uit. Ik wil een beperkt zijn van de invloed graag aannemen. In Nederland zal bv. een gemeenschappelijk waarnemen van niet bestaande dingen minder snel voorkomen dan bij eenvoudige mensen, met een minder redelijke opvoeding en denkwijze, maar het aantal mensen, dat onredelijk reageert en zo als slachtoffer van dergelijke invloeden kan vallen, is groot. Wanneer in een negerstaat een dergelijke waangestalte zichtbaar wordt, zou de onlogische maar begrijpelijke reactie van de gehele bevolking wel eens een orgie van gewelddadigheden kunnen worden. Ook kan in een beschaafde staat het daar toch altijd aanwezige aantal minder beschaafden de invloed ondergaan en zo komen tot een onbeheerst optreden, dat vele minder aanvaardbare gevolgen zal hebben. Vandaar mijn stelling: De astrale schrikgestalte is ook voor de stoffelijke wereld vaak gevaarlijk door de invloed, die zij kan hebben op het menselijk denken, zo ook op het menselijke gedrag.

Er is echter meer. U heeft kunnen horen, hoe men vroeger spookgestalten met plaatsen en voorwerpen verbonden achtte; men kan dit rationaliseren, wegverklaren, stellen dat dit bijgeloof en niets méér dan dit was. Er is echter ook een andere verklaring mogelijk – en volgens mij is dit in vele gevallen de juiste. Wanneer er tussen voorwerpen en schrikgestalten een overeenkomst van vormen of structuur bestaat, zal deze laatste daarop invloed hebben en kan zelfs een binding ontstaan, waardoor de schrikgestalte van een deel van haar bewegingsvrijheid beroofd wordt. Dit kan zich als een spook manifesteren, waarbij het spook vaak geschapen is door de mensen en het gedrag van dit spook wordt beïnvloed door het geloof van de mensen, door hun denken. Je zou in dergelijke gevallen kunnen stellen, dat de “spoken” weliswaar voortkomen uit de astrale werelden, maar in wezen worden gevormd en in hun optreden bepaald door de angsten en irrationaliteit van de mensen. De plaatsen en voorwerpen, waarbij dit voorkomt, hebben echter op hun gehele omgeving – en niet alleen op de gelovigen dus – een directe inwerking. Zij brengen daarbij verschijnselen tot stand, die tot het occulte gerekend worden, doch deze hebben als bron geen werk van geesten, doch slechts een spel van krachten; dit spel kan echter zo levensgevaarlijk zijn, dat hierdoor bv. auto ongelukken kunnen gebeuren.

In Engeland was een moderne weg, die door een druïden bos voerde. Dit bos bevatte dus in het verleden heilige bomen, offerplaatsen e.d. De bevolking heeft vele jaren gedacht aan, en is bevreesd geweest voor, de sterke goden en duivels, die in dit bos nog zouden leven. Toen de snelweg werd aangelegd, hield men met deze onzin geen rekening. Juist op dit deel van de weg vond echter een zeer groot aantal ongelukken met ernstige afloop plaats. De wegaanleg zelf kon hiervoor geen oorzaak zijn; bij herhaalde onderzoekingen bevond men de weg geheel safe, zowel bij dag als bij nacht. Uiteindelijk kwam men er achter, dat de ongelukken veroorzaakt werden door het feit dat, wanneer de mensen – vooral bij nacht- met hoge snelheid over die weg reden, zij opeens iets of iemand vlak voor zich zagen oversteken. Zij remden dan en kwamen daardoor terecht tegen de bomen in de berm, of botsten tegen tegenliggers. Er was geen enkele reden om aan te nemen, dat hier spoken aan de gang waren.

Toch was het opvallend, dat de verschijningen steeds weer dan overstaken, wanneer het gevolg van fel remmen fataal moest zijn. Men heeft gelachen over de “domme eenvoud” van de plaatselijke bevolking, die dit alles aan duivels toeschreef. Men heeft, na vele proeven, toch maar besloten de weg af te sluiten en heeft een nieuw tracé ontworpen, dat buiten het druïden bos om ging – zogenaamd, omdat het deel van het tracé door het bos niet goed was aangelegd. Met deze laatste verklaring ging men in tegen vroegere verklaringen van deskundigen, renners als bv. Stirling Moss en vakmensen, die zich over de weg, haar ligging en de beschikbare ruimte allen enthousiast hadden getoond.

Wat hier gebeurde? Het menselijk denken vormde astrale vormen, die gebonden waren aan de plaats. Snelheid is beweging, energie. Zij kan reacties wekken – de ongelukken vonden plaats bij snelheden tussen 70 en 100 km. per uur. Zij kwamen op de avonden meer voor: Licht en vooral een zich verplaatsend licht van behoorlijke kracht, heeft op fijnste materie eveneens een eigen inwerking. De gedaante, die werd gevormd, was het resultaat van de angsten, die onbewust in de automobilisten leefden en het geloof in krachten van het volk in de omgeving. Je mag natuurlijk niet zeggen, dat hier spoken aan het werk waren. De moderne wereld verwerpt deze dingen immers. Toch durf ik te stellen, dat hier inderdaad sprake was van spookverschijnselen, die dit deel van een grote weg zozeer beïnvloedden, dat men uiteindelijk de weg maar verlegd heeft en het betreffende stuk weg op het ogenblik praktisch geheel ongebruikt nog door het bos ligt. Dit alles maakt u wel duidelijk dat, zelfs wanneer geen onmiddellijk ingrijpen in de stof optreedt, astrale vormen gevaarlijk kunnen zijn.

Na al deze omschrijvingen wordt het echter tijd, dat wij ons met mogelijke remedies tegen dergelijke inwerkingen gaan bezighouden. Juist de invloeden, die vanuit het menselijke denken zijn ontstaan, kunnen ook door het menselijke denken te niet worden gedaan of tenminste bestreden worden. Een bestrijden van een denkbeeld is veelal mogelijk via een ander denkbeeld. Maar indien er sprake is van een strijden tussen denkbeelden, die geen verdere uiting op ander vlak vinden, zult u ontdekken, dat de uitslag altijd weer remise dreigt te worden.

Ernstige argumenten zullen daarbij de uitslag slechts zelden kunnen wijzigen. Indien iemand echter aan het betogen is en een toehoorder schiet in een onbedaarlijke lach – dus het belachelijke aspect van het gestelde ook werkelijk inziet – zal de betogende zijn argumenten en samenhang niet meer kunnen vinden en wordt hij, juist door de lach, verslagen. Dit moeten wij onthouden.

Wanneer wij de astrale waarden te zeer au sėrieux nemen en met alle macht trachten de schrikvormen en invloeden te verdrijven, bereiken wij vaak weinig of niets, zelfs indien wij door de intensiteit van ons streven astrale vormen kunnen scheppen, die met het gewraakte beeld strijdig zijn. Daarmede bereikt men immers ten hoogste een neutralisatie van de niet gewenste invloed, maar zal men er zorg voor moeten dragen, dat de uit het Ik ontstane neutraliserende vorm of kracht altijd even sterk blijft of sterker wordt dan de schrikvorm. Wij kunnen echter van de schrikvorm voor onszelf iets maken, dat niet meer geheel echt is, iets dat irreëel is, iets waarom je lacht. In dit geval is je denken de sterkste bestrijding, die u zich maar indenken kunt.

U ontleent namelijk blijmoedigheid aan iets, dat angstwekkend wil zijn. D.w.z. dat u niet alleen de zaak bestrijdt, maar de levenskracht daaruit wegzuigt. Begin dus in de eerste plaats elke schrikgestalte, die u ooit ontmoet, zonder angst en met een zekere vrolijkheid te bezien. Zie het onwerkelijke in, dat een astraal schrikbeeld aankleeft, en het verliest zijn macht over u, het verliest zijn kracht en vitaliteit, zijn mogelijkheden tot uiting.

Bijvoorbeeld: U bent onder de invloed van aan astrale vorm tot verschrikkelijke dromen gekomen. Zeg, dat u desondanks blijmoedig wilt zijn en het zal u veel moeite kosten, de droom zal u lang bijblijven. Vraag u af, hoe u zo bespottelijk kunt dromen en ga alle aspecten na tot u er over kunt lachten, en de droom heeft zijn belang voor u verloren; je hebt dan de inwerking op je wezen, die door de droom veroorzaakt kon worden, eenvoudig weggejaagd en, meer nog, je hebt de belachelijkheid in het schrikbeeld geprojecteerd, waardoor het deze steeds meer zal mede uiten, wanneer het werkelijk invloed op anderen wil gaan uitoefenen. Voorbeeld: Een slang kan angst wekken, maar als je een slang met een kunstgebit op je af ziet komen, lach je er om. Kunt u dit schrikbeeld niet vernietigen, te niet doen, geef het dan dat belachelijke beetje extra. Geef de slang een kunstgebit. Daar red je misschien vele anderen mee.

Wat wij dus kunnen doen?

  1. Elk astraal beeld dankt zijn vorm aan een gedachte.
  2. Elke gedachte, die voldoende geamendeerd wordt, verandert van aard.
  3. De kracht van een gedachte kan slechts zolang bestaan, als men er in gelooft.

Wanneer een schijn- of schrikgestalte bestaat, die in de loop van duizenden jaren gevormd is, zo heeft deze een groot vermogen aan kracht. Op het ogenblik, dat u deze kracht echter voor uzelf – met al haar werkingen en mogelijkheden – ontkent, verliest de vorm iets van haar mogelijkheden en bent u daarvoor haast onaantastbaar geworden. Ontken zoveel mogelijk alle astrale dreigingen. Heeft u duistere dromen, ontken de waarde daarvan en laat u daardoor niet beïnvloeden. Lach er om.

Zelf bent u geestelijk vrij. Velen van u maken, al weten zij dit misschien zelf niet bewust , zo nu en dan een astraal slippertje tijdens de slaap. Houdt daarom uzelf steeds voor, dat er altijd een vreugdigheid in het leven bestaat. Baseer uw bestaan erop, dat overal het Goddelijke Licht aanwezig is. Houdt u zelf voor, dat er een energie bestaat, die in al het zijnde aanwezig is en besef, dat de aard van deze kracht vreugde is, niet mistroostigheid of angst. Besef dat deze kracht altijd opbouwend is en nimmer vernietigend. Wanneer u dan een dergelijke schrikgestalte tegen zou komen, zal de bron ook van dit bestaan – want ook de energie in een schrikbeeld is uiteindelijk goddelijke kracht in een bepaalde vorm – voor u zozeer zijn vreugdig goddelijke waarden uiten, dat u hierdoor de valsheid van de vorm onthuld wordt en aan uw begrip voor de werkelijke waarde van de gestalte de vormmogelijkheid en negatieve kracht daarvan eenvoudig breekt.

Wanneer u zich achtervolgd meent door ongeluk, zult u in alles steeds onzekerder worden, met als gevolg steeds meer ongeluk. Dit is een bekend verschijnsel. Dit ongeluk kan gewoon uit uzelf voortkomen, maar zal onder omstandigheden ook aan de invloed van een astrale vorm te wijten kunnen zijn. Ongeacht de bron ervan, is de bestrijding van zoiets steeds het voor jezelf scheppen van een grotere zekerheid. Op het ogenblik, dat u ontdekt, dat u, hetzij astraal in beelden, of op andere wijze en uit andere bronnen, het duister op u meent af te zien komen, raad ik u daarom: Richt u op iets anders, dat meer positief is voor u. Kies hiervoor gewone stoffelijke dingen of richt u op positieve geestelijke waarden, die u kent. Door het ontkennen van het bestaan van een mogelijke duistere invloed op uw leven en beleven wordt u:

  1. Daarvoor minder aantastbaar.
  2. U vermindert de energie van het beeld of de kracht, die zich aan u kenbaar schijnt te willen  maken.

Er is altijd weer een mogelijkheid tot bestrijding, die ik het Goddelijke Licht zou willen noemen.

In u, in uw eigen wezen, bestaan ziel en geest, die in wezen alleen bestaan door de in hen vastgelegde Goddelijke Kracht. Erken dit, zie uw wezen als een directe uiting van het Goddelijke. Voor de astrale sfeer zult u dan voor alle vormen ook onmiddellijk als zodanig kenbaar zijn.

In uw lichaam bevindt zich levenskracht en energie. Zolang u deze ziet als beperkt en bekrompen, kunt u er betrekkelijk weinig mee doen en zult u in de uiting van uw krachten steeds beperkt worden. Erkent u echter ook deze kracht als een uiting van het goddelijke, zoals al het andere eveneens uit het goddelijke voortkomt, dan wordt zelfs de levenskracht van het lichaam voor u tot een Goddelijke Energie, een deel van het Goddelijk Licht.

Het Goddelijk Licht betekent een ontbinding van alle vormen, die in zich niet waar zijn. God vormt de wereld. Maar Zijn beelden zijn zuiver, helder, scherp en rein. Wanneer ik het Goddelijk Licht activeer voor mij, dwing ik hierdoor elk wezen buiten de materie, zich aan mij in zijn werkelijke gedaante en met een werkelijke uiting van zijn macht of kracht te tonen. Alleen in deze ware vorm kan een wezen binnen het Goddelijke Licht op voor anderen kenbare wijze bestaan, alleen in deze uiting kan een wezen eventueel het Goddelijke Licht ook weerstaan.

Door gebruik te maken van uw erkenning van het Goddelijke Licht zult u dus alle onware elementen, alle leugen, weg doen vallen.

In de astrale sfeer betekent dit o.m. dat de schijnbare grootheid van vele schrikvormen en uitingen van demonen teruggebracht zal worden tot een weergave van werkelijke verhoudingen. Het betekent verder dat de vele schijnbaar gevaarlijke attributen, die vooral dienen om angst in de boezemen of uit angst van anderen ontstaan zijn, weg zullen vallen om plaats te maken voor de werkelijkheid. Een werkelijk beeld van het lagere kun je altijd zonder meer verdragen en verwerken. Hierdoor wordt het Goddelijke Licht wel een van de beste middelen, om het Ik in de astrale sfeer van aanvallers te bevrijden, om voor het Ik rust en harmonie te vinden, wanneer men in denken of gebeuren steeds weer gekweld meent te worden. Grijp terug op dit Licht en men bevrijdt zichzelf. Door alles in de wereld vanuit dit standpunt te zien – dus: Er is een Goddelijk Licht en een vreugdige werkelijkheid, zelfs in de voor mij afzichtelijke of onbegrijpelijke uitingen – zal men de werkelijkheid van alle dingen leren zien. De werkelijkheid is, ontdaan van alle waan en schijn, steeds te verdragen, ook al zal zij niet altijd een voor ons geheel prettige waarheid zijn.

Verder nog het volgende. Al datgene, wat niet in aard gelijk is aan de kracht, die een astraal beeld in stand houdt, tast dit beeld aan. Op grond van deze regel stelt men wel, dat bv. knoflook een weerwolf op een afstand houdt en krachteloos zal maken. Nu is dit bijgeloof, maar het heeft een kern van waarheid. Trouwens, ik ben geen weerwolf, maar ik kan mij voorstellen, dat je ergens waar veel knoflook gebruikt wordt, besluit maar liever buiten te blijven. Wanneer in mijn omgeving waarden aanwezig zijn, die niet harmonisch zijn met een astrale schrikgestalte, maar wel voor mij aanvaardbaar zijn, zal de astrale invloed eerst dit andere moeten overwinnen, voor het volledig op mij in kan werken. En het overwinnen van bv. voorwerpen is niet zo gemakkelijk als het beïnvloeden en overwinnen van mensen, die voor gedachten zonder meer vatbaar plegen te zijn.

Voorbeeld: Een demon heeft macht over de mensen. Degene, die zich binnen het bereik van deze kracht waagt, draagt nu voor zich uit een kruisbeeld en doet hiermede deze kracht terug deinzen. Dit is niet zo dwaas en bijgelovig als het wel lijkt. Wanneer het alleen om het kruisbeeld zou gaan wel. Maar het gaat om een vorm plus een begrip – vaak van kosmische aard – welke geheel in de naderende mens vastgelegd zijn en geheel strijdig zijn met alle behoeften tot uiting van de demon of duistere geest. Daardoor zal zij terugwijken in het besef, dat zij aan deze geestelijke krachten ten onder kan gaan. Wij kunnen echter wel degelijk ook een beroep doen op andere dingen.

Het is bv. bekend, dat in een kamer, waar levende planten staan, minder demonen en spookgestalten op zullen treden, dan zonder dit het geval zou zijn. Daar, waar zon en licht tot ruimten voortdurend toegang hebben, is de uitwerking en mogelijkheid van duistere krachten veel minder sterk. Dezen uiten zich dan niet, terwijl Lichtende Krachten zich onder deze omstandigheden even krachtig en soms zelfs met groter gemak dan anders kunnen openbaren. Waaruit volgt, dat de omgeving, waarin men leeft en de afstemming van die omgeving van groot belang kan zijn bij het zoeken naar zekerheid en overwicht t.a.v. astrale schrikvormen en duistere krachten Laat ons daarom zoeken naar een omgeving – althans voorwerpen in eigen omgeving, – die voor het ik een symbool kan zijn van het Lichtende, het goede. Dit geeft bescherming en zekerheid.

Indien men krachten en gedachten wil uitzenden, om bepaalde demonische krachten aan te vallen, zo blijkt verder, dat het niet erg verstandig is, dit direct te doen. Uitlachen, ontkennen is wel het verstandigste en meest werkzame middel. Is dit niet mogelijk, bestrijd dan de schrikvorm of demon niet zelf “en direct”, maar stel hier tegenover een symbool van Licht – een kruis, halve maan, driehoek of iets anders – dat voor het ik een teken is van Goddelijke Krachten, Licht en zekerheid. Via dit symbool is bestrijding gemakkelijker en veel minder gevaarlijk, omdat men hierdoor uitgaat van iets, wat voor de vorm of demon niet aanvaardbaar is.

Ten laatste bestaan er natuurgeesten en krachten, die, krachtens hun geaardheid grotendeels in de astrale wereld leven, maar aan stoffelijke elementen gebonden zijn en daaruit voortdurend werkelijke krachten en mogelijkheden kunnen putten. Ik denk hierbij bv. aan luchtgeesten. Een luchtgeest kan alleen daar bewust en werkelijk actief zijn, waar de wetten van zijn element heersen, dan wel alle omstandigheden voor hem aanvaardbaar blijken. Waar geen harmonie met deze krachten bestaat, zijn zij ook geen zichzelf beheersende, beheersbare en bewuste kracht, een berekenbare factor dus. Wanneer wij ons van onze verwantschap met de natuur bewust zijn, zullen natuurgeesten, die onaantastbaar zijn voor elk niet bezield beeld en elk niet uit zich in de astrale wereld bestaand beeld, maken wij dat dergelijke geesten de menselijke of stoffelijke wereld reinigend beïnvloeden.

Voorbeeld? In een aquarium zetten zich algen af op het glas. Men zet slakken in het bekken, die zich met deze algen voeden en zo gelijktijdig de ruit schoon houden. Wij kunnen op soortgelijke wijze natuurgeesten aantrekken, die dan vanzelf onze omgeving reinigen van niet gewenste elementen, die zij in zich op kunnen nemen. Zij voeden zich dus daarmede en zullen zo sterker worden naarmate zij meer kwaad bestrijden en dit door het menselijke geloof en harmonie met de natuur kunnen doen op een bepaalde plaats. Zelf onaantastbaar voor de niet met stof gebonden waarden in het astrale, voeden zij zich met de astrale materie en kunnen door deze voeding dus steeds meer schrikvormen verslaan.

  • Zijn demonen wezens van de astrale sfeer? Wat zijn zij?

Demonen zijn over het algemeen geesten uit een der meer duistere sferen. Bedenk, dat, zoals men vele Lichtende sferen kent, er in de richting van het duister eveneens evenveel sferen zullen zijn. Rekent men met 7 sferen en zou een geest uit de 7de sfeer van het duister actief worden, dan is deze voor de mensen een grote, machtige en zeer gevaarlijke demon. Om zich kenbaar te maken zal een dergelijk wezen zich echter tot dicht bij de stof moeten begeven en daartoe gebruik maken van de astrale wereld. De astrale sfeer kan niet gelokaliseerd worden, omdat de fijne materie, die de kern daarvan uitmaakt, overal aanwezig is. Een vorming van deze materie zal echter het eenvoudigst ontstaan waar de sterkste gedachtekracht werkzaam is. Deze vormen zijn dan verwant met de wereld, die hen voortbrengt. Vandaar dat wij, maar alleen in deze zin, kunnen zeggen, dat zich op en rond de aarde een astrale sfeer bevindt, waarin juist de voor de mens afschrikwekkende vormen overheersen kunnen, en alle goede krachten in menselijke gestalte worden uitgebeeld. Dit betekent niet, dat dit dus de algehele astrale sfeer is, maar houdt alleen in, dat dit een gebied is, waarin de voor de mens kenbare of belangrijke astrale vormen op kunnen en zullen treden.

  • Zijn de astrale vormen willekeurig of stammen zij van de mensen?

De vormen die nu in de astrale wereld rond uw aarde bestaan, stammen allen uit de menselijke denkwereld en vormwereld of, in één enkel geval, uit het bewustzijn van de voor menselijke, – maar zich van zich en eigen relatie met de wereld bewuste – rassen binnen het zonnestelsel.

Ik zal nu mijn onderwerp maar af gaan sluiten. Ik wil dan in de eerste plaats opmerken, dat het weergeven van astrale waarden en toestanden de mens steeds moeilijk gevallen is, zodat hij voor een weergeven daarvan naar verhalen en gelijkenissen heeft gegrepen. In sprookjes en dergelijke treffen wij dan ook veel meer astrale schrikvormen en details daarvan aan, dan men wel zou vermoeden. Voorbeelden: Het hutje van Baba Yaga, dat op kippenpoten staat. De reuzen in de sprookjes, die veelal menseneters zijn. De Djinni, die vaak als maar ten dele gevormd worden voorgesteld, alsof hun tors uitloopt in een wervelwindje. Daarbij komt verder steeds weer het element van de mens zonder vrees naar voren. Voor hem worden de verschrikkelijke figuren opeens dienaren, terwijl zij alle anderen beheersen als verschrikkelijke meesters.

De mens die niet bang is, verslaat steeds weer het boze enz. Kinderlijke eenvoud, eerlijkheid tegenover het ik, niet te zeer met het eigen ik en zelfrechtvaardiging bezig zijn, kan een hulpmiddel zijn. Positieve benadering van de ervaringen is van belang. Dit treffen wij zelfs aan in het evangelie: “Indien gij niet zijt, zoals dezen – de kinderen -, voorwaar ik zeg u, gij zult niet ingaan tot het koninkrijk der hemelen.”

Het komt er op neer, dat zowel in het sprookje als in geschriften van wijzen en zelfs zogenaamde openbaringen, het kind, de onschuldige, ja, zelfs de domme, meer mogelijkheden heeft dan anderen. Dit is te verklaren, wanneer wij ons realiseren, dat juist dezen alles reëel zien. Wanneer zij geloven in het Goddelijke Licht, is dit voor hen zo werkelijk, dat zij zonder meer ten strijde kunnen trekken zonder angst, waar een volwassene, die verstandelijker en naar hij meent wijzer reageert, zich slechts aarzelend kan bedwingen. Bovendien valt steeds de nadruk weer op het feit, dat het kind voor zich meer logisch en ook meer waar is, dan de volwassenen. Het houdt zich pas met consequenties bezig, wanneer dezen zich tonen, eerder niet. Juist hierdoor zal het rechtlijniger reageren en vaak minder te verliezen hebben. Wij, die ons wijzer en groter achten, omgeven onszelf vaak met een waan, die wij niet meer kunnen ontberen, zodat voor ons een ontmoeting van het Ik met het goddelijke Licht vaak een gekwetst zijn betekent. Degene, die echter zonder voorbehoud aanvaarden kan en zich geheel kan geven in het ogenblik, zonder zich bezig te houden met gevolgen of teleurstelling in eigen denkbeelden, is sterk. Deze en andere dingen leren wij in sprookjes, zowel als wijsheden en openbaringen. Zeker is wel, dat degenen, die eenvoudig van geest en rein van harte zijn, het machtigste wapen bezitten, dat maar te denken is tegenover alle demonen en schrikgestalten.

Laat ons daarom aan het einde van dit betoog vaststellen, dat zij die eerlijk en waar zijn, altijd de sterkeren zullen zijn, ook al lijkt dit in de mensenwereld niet altijd op te gaan. Indien de mensheid leert terug te keren tot eenvoud en eerlijkheid, zal zij gediend worden door de krachten, die nu haar ondergang dreigen te worden. Deze krachten zullen de mens dan dienen, tot zij zich in zijn dienst zelf verteerd hebben. In deze tijd zijn astrale vormen van velerlei aard nogal actief geweest. Bij alle manipulaties vanuit de geestelijke werelden heeft men daarmede rekening moeten houden. Wij weten dan ook zeer goed, dat deze dingen bestaan en machtig kunnen zijn.

De mensen zijn geneigd om te zeggen, dat dit alles een sprookje is, want men bemerkt zo weinig daarvan, men kan alles ook op een andere manier verklaren en wegpraten. Je ziet de astrale wereld immers niet?

Vergeet dan niet het gezegde, dat juist zij, die blind geweest zijn, het beste zien. Zij geven aan alles aandacht, terwijl iemand, die voortdurend redelijk bezig is, steeds gewend is te zien, vele redelijke argumenten, moeilijkheden en feiten over het hoofd ziet en zelfs bij het beschouwen van de wereld vele details en samenhangen over het hoofd ziet, die de zo juist nog blinde in alle duidelijkheid waarneemt, zelfs indien hij qua gezichtsvermogen de mindere is van de anderen.

Volgens mij zou de wereld verstandig doen door te beseffen, dat zij zichzelf ziende blind heeft gemaakt door alleen rekening te houden met alles wat zij kan begrijpen en verwerken. Men zou weer moeten komen tot het als dagelijkse werkelijkheid aanvaarden van andere werelden, van astrale invloeden en beseffen, dat deze dingen er kunnen zijn, dan leert men vanzelf, dat zij bestaan.

Leer niet alleen astrale werelden en werelden van de geest, maar alle niet gekende of besefte dingen als mogelijke wereld te zien. Dan vindt men de bewijzen en de kennis, die men nu ontberen moet en het besef van een werkelijk bestaan bv. van een leven na de dood, waarnaar zovelen op het ogenblik hartstochtelijk verlangen, zonder het te kunnen aanvaarden. Dergelijke dingen kan men niet afdoen met een redelijk verwerpen, omdat zij nu eenmaal ook binnen het ik bestaan en zich van redelijkheid in menselijke zin niets aantrekken. Zo min men alleen met een redelijk betoog werkelijk een psychisch trauma weg kan nemen, zo kan men de werkelijkheid van sferen en niet-menselijke invloeden en krachten wegredeneren door hun bestaan te ontkennen. Zelfs de stoffelijke bewijzen, waarmede men aan komt dragen, blijken bij nader onderzoek niet volledig genoeg. Ook zij laten hiaten open, waardoor in wezen hetzelfde bewijs ook als argument voor het bestaan van de ontkende waarden zou kunnen worden gebruikt. Bedenk daarom: Ontkennen zonder meer baat niet. Daarvoor liggen al deze dingen te zeer in u verankerd, zijn zij te zeer met de werkelijke structuur van uw wezen verwant.

Neem al hetgeen ik besproken heb au sėrieux. Besef dat, juist door het bestaan van deze te vaak ontkende dingen, de mens machtiger en bewuster kan leven dan zonder dit. Want door het Goddelijke Licht kunnen wij, ook via astrale werelden en vormen, onze wensen op de juiste wijze leren vervullen en beheersing leren.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie.

Ik zou graag kort een stukje esoterie met u bespreken. Er zijn in het heelal een groot aantal geheimen. Deze geheimen, die vaak ook “arcana” worden genoemd, vallen allen samen in het grote geheim van de schepping en haar natuur. Nu mogen wij zeggen, dat de mens, de microkosmos is. Dit wil zeggen, dat de in hem bestaande structuur praktisch identiek is aan de structuur van het Al zelf. Ik wil trachten de stelling voor u iets verder te ontwikkelen.

De kern van het Al is het onbekende, waaruit het eeuwig pulserende Licht voort komt. De kern van ons wezen is de – ons onbekende – bron, waaruit ons leven en de voortdurende vibratie, die wij bewustwording en bewustzijn plegen te noemen, voortkomen.

De werkelijke werking van het directe Licht wordt begrensd door een z.g. spiegelsfeer, waarin, zichzelf herkennende, het Licht terugkeert tot zichzelf.

Leven en bewustzijn zijn krachten in ons, die slechts tot een bepaalde grens buiten ons eigen wezen zich kunnen uitbreiden: Zij keren tot ons terug op het ogenblik, dat tussen ons en het bestaande geen voor ons kenbare relatie aanwezig is.

Er zijn een aantal poorten in de spiegelsfeer, waardoor een inwerking plaatsvindt op de ruimtelijke mogelijkheden, die buiten het ik bestaan zouden.

Wij hebben als mens en geest een aantal uitingsmogelijkheden, waarbij wij onze persoonlijkheid kunnen uiten en invloeden van buitenaf in ons op kunnen nemen, ook wanneer zij niet in een directe relatie met onze eigen persoonlijkheid staan.

De kracht, die het Licht doet ontstaan, projecteert vanuit zichzelf de potentiële beelden, die via de spiegelsfeer worden omgezet in de werkelijkheid der z.g. idieële gestalten of oervormen.

Ons bewustzijn komt, via de begrenzing, die door de relatie met het ik wordt gesteld, tot het projecteren van de perfecte vormen, voorstellingen enz., die binnen het ik bestaan, als deel van de buiten dit ik liggende wereld.

De perfect gevormde gestalten, beheerst door krachten die wij kunnen zien als “en direct”, maar gepersonifieerd deel van het pulserende Licht, werken als verzamelbegrippen: Er is bv. een ideële mensenfiguur, die alle mensen en alle mensheid gelijktijdig omvat, voortbrengt en vertegenwoordigt.

In onze concepten van leven en wereld bestaan eveneens beelden, die idieëel genoemd kunnen worden, omdat zij een algemene norm stellen.

Wij zien niet de individualiteit van datgene, wat buiten ons bestaat, doch ervaren de begrippen in ons zelf als het feitelijke geheel, waaraan vele delen van hetgeen buiten ons bestaat, zullen beantwoorden. Deze laatsten worden door ons dan, ongeacht de werkelijke verhoudingen of eigen waarden van het andere, als deel van ons idieëel beeld beschouwd. Dit is natuurlijk ergens een waan en zal niet geheel en werkelijk waar zijn.

Verder zien wij, dat de denkbeelden, die in ons bestaan – en dus onze oervormen kunnen noemen, welke door ons op de wereld worden geprojecteerd – beheerst worden door bepaalde delen van onze persoonlijkheid. Wij zouden dezen dan ook wel de namen kunnen geven van de grote klassen van geestelijke wezens als tronen, heerschappijen, ArchAngeloi, Angeloi enz. Wij zien, dat uit de idieële wereld de z.g. verstarde of materiële wereld via verschillende tussenfasen ontstaat. Wij zien, dat in ons eigen wezen, via vele fasen van voorstelling en bewustzijn, de uiteindelijke daad voor ons de fixatie van het zijn betekende, tot stand komt.

Wij zijn werkelijk deel van het grote Al. Wanneer wij willen spreken over het grote arcanum, het grote geheim, de grote macht ook, die besloten ligt in de kennis van het Goddelijke Zijn, zo moeten wij concluderen, dat zelfs dit op onszelf van toepassing is.

Wij kunnen vele stellingen van oudheid en moderne tijden daarbij terzijde stellen, wanneer wij maar beseffen: Ik kan nimmer de Goddelijke Wereld buiten mij werkelijk kennen, maar ik kan wel aan de hand van de ware erkenning van mij zelf in mijzelf een analogie tot die werkelijkheid leren kennen.

Hierdoor vinden wij de oplossing van een van de problemen, die ons in de esoterie steeds weer beëngen en ons het streven moeilijk plegen te maken. Onze zelferkenning is immers nimmer een volledige. Wij trachten voortdurend het beeld, dat wij binnen het ik beseffen, aan te passen aan onze voorstelling van de wereld.

Wanneer wij nu gaan begrijpen, dat wij het beeld van de wereld en zelfs onze opvattingen omtrent de daarin heersende regels, normen en noodzaken zelf genereren, wordt het al veel gemakkelijker. Zoals God in zich zijn Eigen wet is, zo zijn wij dit in ons zelf.

Eerst waar wij komen tot een fixatie van de innerlijke waarde door de daad, zullen wij, evenals de goddelijke uiting, die komt tot de vaste materie, geconfronteerd worden met een concreet en niet meer ogenblikkelijk veranderbaar beeld.

Theoretisch is voor ons elke benadering mogelijk, die voor onszelf volledig aanvaardbaar is.

Zelfkennis is niet afhankelijk van de gehanteerde normen, maar van de in het ik erkende samenhangen. Is de samenhang binnen het eigen wezen eenmaal beseft, zo blijkt ons, dat wij daarin te maken hebben met directe of gevormde denkbeelden en niet iets, dat wij het beste kunnen aanduiden als vage, ongevormde denkbeelden.

Wanneer wij geconfronteerd worden met het kosmisch geheim, zo treffen wij in de vele heerschappijen, die boven de grens van de vormen liggen, gestalten aan, die wij niet omschrijven kunnen. Dit zijn wezens, waarvan wij wel enkele eigenschappen weer kunnen geven, maar die alleen voor ons benaderbaar worden, wanneer wij – en dan nog vaak via gelijkenissen – trachten hun inwerking op ons wezen of de wereld te omschrijven.

Er zijn in ons eigen wezen eveneens dergelijke factoren aanwezig. Op het ogenblik, dat wij trachten deze onkenbare waarden in het ik te fixeren volgens de normen van eigen besef, trachten wij een van de Hoogste Tronen terug te brengen tot een wezen met menselijke gestalte, wezen en beperkingen. Zo goed als ons dit in de praktijk onmogelijk blijkt, zal het onmogelijk zijn, om het geheel van ons eigen wezen redelijk te beseffen. De erkenning van het raadsel der Goddelijke Schepping wordt daarom over het algemeen weer onderverdeeld in de z.g. kleine arcana of geheimen.

Wij moeten dit ook t.o.v. onszelf durven doen. Er zijn in ons wezen hoofdwerkingen, die in steeds wisselende samenhangen ons zijn beïnvloeden. Wij mogen dezen vergelijken met de zon, de maan en de planeten, die – ook zonder onmiddellijk astrologisch te denken, – toch beschouwd kunnen worden als waarden, die ons onmiddellijk milieu voortdurend beïnvloeden.

Zo kunnen wij bv. de inwerking van onze chakra op eigen bewustzijn als ongeveer gelijksoortig definiëren; zo zij al niet van plaats veranderen, zoals de planeten dit plegen te doen, zo kunnen wij toch wel zeggen, dat zij voortdurend hun eigen werking, straling en activiteit wijzigen. Wat in de praktijk op hetzelfde neerkomt. Er zijn dus een aantal geestelijke organen, die hun parallel vinden in het zenuwstelsel van de mens en in de organen, die zijn interne afscheidingen verzorgen. Deze, met hun onderlinge samenhangen, bepalen alles, wat in ons bestaan groeien kan.

Zon en maan tezamen zijn machtige invloeden in de natuurlijke ontwikkelingen van het leven op aarde. Maar ook de afbuigingen van stralingen en velden, door andere planeten tot stand gebracht, spelen bij de vorming van dit leven – vooral in zijn meer primitieve vormen – een grote rol.

Laat ons beseffen, dat ook in ons iets dergelijk het geval is. Onze geestelijke organen, of zij nu geopend of gesloten zijn, zullen onze lichamelijke relatie mede helpen bepalen. De stemming, die wij in onszelf kennen, is een levensuiting. Wij zouden kunnen zeggen: Onze stemmingen en karakteruitingen, die door het stoffelijke worden bepaald, zijn deel van een inwerking, waarbij de chakra een grote rol spelen.

Er is niet slechts het chakra, dat vanuit het lichaam zichzelf openbaart. Er is wel degelijk ook een werking, die via deze geestelijke noden terug wordt gevoerd in het lichaam en daar activiteiten stimuleert of afremt. Dit impliceert weer dat wij, wanneer wij, wanneer wij onszelf willen zien als een soort aarde, ook een zon van node hebben. Nu is het moeilijk een zon te denken, die alleen geestelijk is; de zon is voor ons een goddelijke openbaring. Voor ons is het in de zelferkenning dan ook belangrijk dat wij voor God een stoffelijk denkbaar beeld vinden. Een beeld, dat niet noodzakelijkerwijze dat van een mens behoeft te zijn, evenmin als men, zoals de ouden, de zon of de maan hoeft te aanbidden. Maar wanneer men in het geheel van eigen zijn, sterrenwereld en kosmos iets van God wil vermoeden en erkennen, heeft men een voor het ik omschrijfbaar beeld nodig van God.

Daarnaast heeft men een tweede waarde nodig; een soort maan, iets dat onze getijden bepaalt, iets, wat daardoor wisselende stromingen en werkingen in ons verklaart, die anders onbegrepen raadsels moeten zijn. Deze waarden vinden wij in onszelf, wanneer wij beseffen, dat onze emotionele inhoud en emotioneel ondergane invloeden niet alleen beperkt en bepaald worden door uiterlijke omstandigheden, maar dat wij in onszelf een ritme kennen, dat onze emotionele status en tot op zekere hoogte ook de in ons aanwezige energie regeert. Deze dingen erkennende komen wij tot een meer concreet beeld van eigen mogelijkheden en bestaan in bv. de materie. Later kunnen wij dan verder gaan en beseffen, dat naast deze voor ons concrete God er een meer omvattend beeld bestaat, dat voor ons echter vager is.

Wij beantwoorden redelijk aan de God, die wij ons voor kunnen stellen. Emotioneel trachten wij aan die vagere voorstelling van God te beantwoorden, die wij wel beseffen, maar niet begrenzen kunnen. Achter deze vage Godheid ligt dan altijd weer het werkelijk ongevormde, het voor ons niet als werkelijk te definiëren Niet, waaruit ons krachten en impulsen bereiken. Dit beseffen betekent de Kracht ervaren, zonder ooit te trachten de bron daarvan ook redelijk te definiëren.

Door de innerlijke bewustwording in verschillende fasen in te delen en daarbij een onderscheid te maken tussen wat verstandelijk en wat emotioneel of mystiek mogelijk is met daarnaast datgene, wat voor ons alleen mogelijk kan bestaan door een open zijn, een ontvankelijk zijn zonder definitie, hebben wij reeds zeer veel bereikt. Wij hebben n.l. een beeld van ons zelf verkregen. Daarin vinden wij het oerbeeld van de mens terug, zoals deze volgens het groot arcanum in spiegelsfeer is geprojecteerd. Wij kunnen nu voor onszelf niet slechts via zelfkennis tot een ware ik-beleving komen maar hebben gelijktijdig een doel, dat men onze aard strookt.

Wij hebben te maken met het beeld van een waarlijk perfecte mens, die voor ons benaderbaar is geworden. Wij kunnen onszelf voortdurend meten aan de zo in onszelf ontstane maatstaf, die echter stamt vanuit het Goddelijke.

Daarmede is het grote werk van de zelfconfrontatie grotendeels ook voltooid. Want in ons streven is nu sprake van gerichtheid en erkenning. Daaruit vloeit voort, dat niet slechts verstand, voorstellingsvermogen en menselijke wijsheid binnen ons ik actief zijn; wij zijn op elk van deze gebieden afzonderlijk bovendien nog ontvankelijk voor invloeden, die buiten het normaal menselijk bestel zich aan en in ons openbaren.

Wij zullen in overeenstemming met de zo ontvangen openbaring in onszelf capaciteiten ontplooien, waardoor wij meer kunnen zijn dan een alleen uiterlijk beeld van volmaaktheid; wij verwerven een innerlijke structuur, waarin het totaal van de goddelijke wereld inderdaad- zij het niet redelijk – gekend en beleefd wordt.

Met deze beleving kunnen wij zeggen, dat wij de belangrijkste paden hebben afgelegd en zijn gekomen tot een eenheid van alle invloeden in onszelf. Dit is het hoogste, wat in de esoterie bereikbaar is: Tot een algehele eenheid in en met jezelf komen, jezelf maken tot een levend en actief amalgaam, waarin alle krachten van de grofste materiële tot de hoogste geestelijke waarden gezamenlijk en in juiste verhouding aanwezig zijn.

image_pdf