Atlantische leringen

24 november 1957

Op deze bijeenkomst zou ik graag eens een ogenblik wat van de meer gebaande wegen willen afwijken. Natuurlijk kunnen wij ons steeds weer blijven beroepen op de leer van Jezus als de beste en de meest kentekenende leer, maar daar zit aan verbonden het bezwaar der eenzijdigheid. Er zijn zovele andere wegen, langs welke de mens heeft getracht om tot bewustwording te komen en daaronder ook wegen, die – ofschoon op het ogenblik – vergeten soms juist geestelijk een buitengewone vooruitgang, een scherpe bewustwording hebben kunnen betekenen.

Ik zou dan willen teruggrijpen naar: de Atlantische leringen, zoals die werden onderwezen in de tijd van de Asir of Osir de derde.

Alle leven werd in die tijd gezien als een vlam. De voorstelling van leven als geassocieerd met een vlam – op het ogenblik nog in vele oosterse landen gebruikelijk – heeft hier een oorsprong gevonden. En die oorsprong was wel in de eerste plaats te danken aan het feit, dat de geest zich in de beginperiode van de mensheid vaak openbaarde in de vorm van vurige zuilen. Ik geloof, dat ik het verstandigst doe om u een kort overzicht te geven van de stellingen, die men voor geestelijke ontwikkeling daar aanhing. Daarna kunnen wij dan altijd nog onze gevolgtrekkingen maken.

Er zijn elementen, die van elkaar afhankelijk zijn. We bedoelen daarmee, de niet chemische elementen, maar de elementen lucht, water, vuur, enz. enz. Nu werd er gesteld, dat bepaalde elementen tezamen moeten werken om de vlam mogelijk te maken. Vuur, zo zegde men, is een kracht, die ook bestaat waar geen lucht is. Maar eerst wanneer lucht en vuur samenkomen ontstaat de vlam. De vlam is de uiting van het stoffelijke bestaan en als resultaat moeten wij dus de elementen van lucht en vuur tezamen brengen binnen het element aarde, waar in wij leven.

Om dit te bewerkstelligen legde men in de eerste plaats zeer veel ten koste aan het verwerven van z.g. luchtkracht, die in vele gevallen overeenstemde met hetgeen men tegenwoordig wel od of zelfs wel mana noemt. Deze kracht werd verkregen door ademhaling, lichaamsoefeningen, maar ook door het zich richten t.o.v. het magnetisch veld der aarde. Nu betwijfel ik, of de geaardheid van het magnetisch veld in de periode, die ik bespreek, bekend was. Opvallend is echter, dat men zich voortdurend zo richtte, dat de lijnen, de krachtlijnen der aarde, van noord naar zuid door het lichaam passeerden als van hoofd tot teen. Het vergaren van deze kracht betekende: de krachten in jezelf opstapelen, die tezamen met het geestelijk element dat u misschien beter bewustzijn kunt noemen tot vlam, tot openbaring van geestelijke krachten werd. Die geestelijke krachten openbaarden zich dan als volgt:

In de eerste plaats: Is er voldoende kracht en voldoende vuur, dan wordt de vlam kenbaar. Het eerste teken is uitstraling. Over deze uitstraling, vinden wij veranderende uiteenzettingen, waarbij een uit genoemde periode, die stelt: Wanneer in mij is de kracht en het vuur – wij zouden dus zeggen “het weten” – dan zal mijn kracht en mijn weten mij tot heerser maken over al wat leeft of bestaat. Wie dit bewustzijn – de term bewustzijn is van mij – in zich draagt, zal meester zijn over alle lagere dieren. Een opvallend iets dus. Wanneer wij in de paradijsmythe horen, dat de leeuw naast het lam lag, dan klinkt dit ons – als wezens uit een latere tijd – haast onbegrijpelijk. Maar klaarblijkelijk is het dus mogelijk om door uitstraling van eigen krachten te komen tot een absolute dominantie over alle kleinere leven.

Het tweede verschijnsel wordt als volgt omschreven: Wanneer kracht (ofwel lucht) en weten (ofwel vuur) tezamen komen, ontstaat warmte. Warmte betekent gevoeligheid voor alle invloeden van buitenaf. Hierbij ontstonden helderziendheid en helderhorendheid. Men schrijft daaromtrent in deze periode niet veel, waarschijnlijk omdat deze verschijnselen zo algemeen waren, dat men ze een nadere beschouwing niet waard achtte.

Het derde verschijnsel echter wordt buitengewoon veel besproken en is de verplaatsing van het bewustzijn naar willekeurige punten. Uit de veelheid van leringen kies ik enkele punten. Wanneer het vuur in ons tot een laaiende vlam wordt, kan de vlam reiken tot daar, waar het vuur zelve niet komt. De vlam is een uitbreiding van het vuur. Zo kan het vuur in ons buiten zichzelf treden, weten en werken. Een ander voegt hier onmiddellijk aan toe: “Wanneer ik wil staan tussen de sterren, dan zal de kracht in mij voldoende moeten zijn om de uiting van kracht en weten – de vlam dus – zo te stuwen, dat zij de bewuste plaats bereikt. Zij zal altijd gebonden blijven met ons werkelijke wezen en elke waarneming in deze ruimte is niet een waarneming van de persoonlijkheid maar slechts van een deel der persoonlijkheid, dat buiten het “ik” werd geplaatst.” Het is misschien aardig hierbij op te merken, dat veel van hetgeen men thans omtrent de wereld weet en een grote wetenschap noemt, ook in die tijd bekend was. En dat dit in sommige geschriften en boeken uitvoerig werd behandeld als resultaat van een reeks waarnemingen, gedaan van buiten de wereld naar de wereld.

Dan zie ik verder een citaat, dat zegt: “Ook het rijk van de zuilen – hier worden de vuurzuilen bedoeld – wordt door de eigen vlam betreden.” Je kunt het anders zeggen door te stellen: Wanneer de eigen geest zich verplaatsen kan in haar bewustzijn buiten de beperking van eigen wezen, heeft ze toegang tot alle sferen.

Het is misschien wat technisch, wat ik u allemaal voorleg, maar laten we niet vergeten, dat de eerste mensen nog niet geneigd waren om in mythen en in gelijkenissen hun werkelijk weten en bewustzijn te verhullen. Eerst veel later zal de mens in gelijkenissen gaan spreken. In deze tijd is men exact, technisch omschrijvend, voor zover dit mogelijk is t.o.v. de belevingen, die men behandelt. Daarom gaat men soms zelfs verder en komt men tot een absoluut recept. Een recept, dat overigens heden ten dage geen gelding meer heeft – de mens is een ander wezen geworden – maar dat toch interessant genoeg blijft om ook daarop onze beschouwingen te baseren.

Wie het bewustzijn in zichzelf kan bereiken en met dit bewustzijn kan doordringen tot in de oneindigheid, zal van uit de oneindigheid zichzelf ervaren. Dit ervaren van het “ik” van uit de oneindigheid betekent het erkennen van de eeuwige waarden, die in het. “ik” zijn gelegen. Is men zover gevorderd, dan zal men dit eeuwig erkende “ik” met zich nemen als een kostbare herinnering en het “ik”, waarin men terugkeert, voortdurend vereenzelvigen met dit, wat men van buiten heeft erkend. Hierdoor ontstaat een volledigheid van wezen en van uiting, die het mogelijk maakt om….. en dan volgt een reeks van opsommingen die samenhangen o.a. met het beheersen van natuurkrachten.

Volgens dit werkje zou men in dit weten in staat zijn om o.a. aardbevingen te veroorzaken, vulkanische uitbarstingen, de winden en de wolken te regeren, ja, zelfs de intensiteit van zonlicht te wijzigen. In feite komt dit neer op de beheersing van bepaalde krachten in de aarde en het werken met de mogelijkheden, die in de atmosfeer zijn gelegen.

U zult begrijpen, dat ik u al deze aardige wetenswaardigheden niet alleen vertel om nu maar wat tijd te vullen. Wij moeten van uit deze meer primitieve mensheid (en misschien betere mensheid) komen tot het huidige peil en een vergelijk maken, waardoor het gezegde ook voor ons belangrijk en reëel wordt.

De eerste mensen hielden zich niet bezig met een Godsbegrip. Zij hadden er wel een – en misschien een hoogstaander dan de meeste mensen heden ten dage bezitten – maar zij hielden zich daar niet mee bezig. Het begrip God was voor hen een vaststelling, meer niet. Daarin erkenden zij zeer vele werkzame krachten buiten het “ik”. Zij zochten niet naar een erkenning van die krachten, opdat deze voor het “ik” werkzaam zouden worden, maar naar een mogelijkheid om eigen wezen aan die krachten gelijk te maken.

Nu hoort men vandaag aan de dag heel veel spreken over paranormale verschijnselen. Men debatteert over de wonderen van Lourdes en andere plaatsen. Men houdt zich voortdurend bezig met de vraag of dit schijnbaar bovennatuurlijke een natuurlijke bron heeft. Ik geloof, dat ik daarop een antwoord kan geven, dat ook voor deze tijd past: De mens van heden gaat vaak te zeer over in het erkennen van een afzonderlijke Godheid, waarbij hij in deze Godheid wel de verwerkelijking van alle mogelijkheden ziet, de totale openbaring en uiting, maar er niet toe komt deze God te zien als iets, waartoe hij zich verheffen kan. De oude Atlantiër zag de geest de openbarende geest als iets, wat eens zijn leermeester was geweest, maar wat hij nu krachtens zijn verworven vermogens terzijde kon streven.

Natuurlijk, wij kunnen niet streven om God gelijk te zijn, dat is dwaasheid. Maar er zijn zeer vele dingen, die wij bewonderen. Men spreekt over geestelijke geleiders, over meesters. Men heeft het over de krachten, die bepaalde rassen en volkeren voeren, over de groepsgeesten van dieren, enz. En men meent daarbij te doen te hebben met wezens van een geheel andere klasse, van een geheel andere geaardheid. De Atlantiër nam dat niet aan. Hij zegde: “In de kern is dit wezen niet anders dan ik. Wanneer ik dus tracht om in mijn wezen voldoende krachten te vergaren, zal ik daaraan gelijk kunnen zijn.”

De wisselwerking tussen innerlijke kracht en uit de wereld onttrokken kracht werd op de duur sterker mogelijk door het inschakelen van het weten als richtend vermogen. De moderne mens kent alleen maar zijn weten als een richten van zijn stoffelijke daadkracht. Slechts in zeldzame gevallen komt men tot het richten van gedachtekrachten op een bewuste wijze. Dit echter is nog niets vergeleken met het actief maken van de eigen geest, wat deze oude, eerste mensen kenden.

Het actief maken van de geest moet ook vandaag aan de dag mogelijk zijn. Het kan niet meer gebaseerd worden op de onmiddellijke verschijnselen van de geest, zoals eens; maar het kan wel gebaseerd worden op de absolute aanvaarding van bepaalde geestelijke verschijnselen, die ieder voor zich toch steeds weer heeft ervaren. De Atlantiër maakte alles ondergeschikt aan dit streven. Het is wel niet uitdrukkelijk gezegd in de enkele punten, die ik u heb aangehaald uit hun leer, maar ook dit was voor hen natuurlijk: Dat je stoffelijk alles achterstelde, indien je streefde naar een geestelijk beleven. Ja meer, dat het gehele stoffelijke leven werd dienstbaar gemaakt aan de bereikingsmogelijkheden van de geest.

Dit lijkt mij ook heden ten dage nog wel mogelijk. Want het verschil van belang tussen geest en stof is niet zo groot. De stof zoekt een verwerkelijking van het “ik”. De geest evenzeer. De stof zoekt bevrediging van haar honger naar beleving, maar ook naar voedsel e.d. De geest zoekt evenzeer verzadiging; een verzadiging, die de leegte in bewustzijn langzaam maar zeker doet verdwijnen en daarvoor in de plaats stelt de mogelijkheid om zichzelf als een volledige en harmonische eenheid te ervaren. De stof heeft angsten. Om deze angsten te beheersen zal de stof overgaan tot bezitsvorming, agressie e.d.

In de geest bestaan dezelfde mogelijkheden. Ook de geest kent haar angsten. Ook de geest kent haar zoeken naar bereiking, waarbij ze agressief kan worden en soms zelfs een zodanige bezitslust openbaart, dat ze hierdoor – van uit het standpunt der bewusten – in een absoluut duister verkeert. Dat zijn dingen, die vandaag nog bestaan.

De eenheid tussen stof en geest realiseren en de stoffelijke of meest vergankelijke factor aan de geestelijke dienstbaar maken, moet dus ook in deze dagen mogelijk zijn. Dan behoort daartoe het verwerven van lichamelijke krachten. En nu mag ik toch even teruggrijpen naar het christendom. Want ik geloof, dat juist Jezus ons daar een voorbeeld geeft van de wijze, waarop in zijn tijd en onder zijn condities en mogelijkheden ook hij krachten vergaarde.

Hij had de gewoonte om zich terug te trekken van de mensen. Dit terugtrekken geschiedde in die tijd door de woestijn in te gaan, dan wel met enkelen van zijn leerlingen zich te midden van een meer op te houden. Telkenmale weer lezen wij, dat Jezus de menigte ontvlucht. Dit ontvluchten van de menigte moet niet worden gezien als een stoffelijk ontvluchten. Daarvoor had Jezus heel weinig reden. Het was een geestelijk ontvluchten aan de drang, die door het bewustzijn van deze anderen, hun zoeken en vragen voortdurend op hem werd uitgeoefend. Wanneer wij nu – al zijn wij dan ook niet zo groot als hij – zijn werkelijke praktijk hierin zouden trachten te volgen, dan zou voor een modern mens het voorschrift er als volgt komen uit te zien:

Om te komen tot een werkelijk geestelijk bewustzijn en een vergaren van geestelijke kracht is het nodig, dat men zich terugtrekt uit de veelheid van gedachten, die het “ik” omspoelen. Men moet een ogenblik alle contact verliezen met de dagelijkse werkelijkheid. Dit wordt in de praktijk gebracht. Heel vaak is het reizen met de vakantie, het zoeken van een nieuwe omgeving, niets anders dan een – meestal niet geslaagde – poging om iets dergelijks te bereiken.

Maar men kan ook bewust de geest afsluiten van elke eis, die de omgeving eraan zou kunnen stellen. Men kan in zichzelf keren. Ook dit – zo leren wij – heeft Jezus meermalen gedaan. In onszelf gekeerd moeten wij verder komen tot een ontspanning. Die ontspanning blijkt te bestaan uit dingen, die niet een ieder even prettig zal vinden. Ik grijp weer terug naar Jezus als groot voorbeeld ook voor de mogelijkheid in deze tijd.

Gedurende zijn rustperiode rustte Jezus werkelijk. Meermalen lezen wij, dat hij slaapt. Of dit een werkelijk slapen is of een in zichzelf gekeerd zijn, wordt door de evangelisten niet vastgesteld. Maar gezien de gevolgen van dergelijke sluimeringen mogen wij aannemen, dat Jezus in de eerste plaats in zichzelf verzonken was. Dat zijn houding daarbij aan slaap doet denken pleit voor een ontspannenheid van het lichaam.

Verder leren wij steeds weer, wanneer Jezus de woestijn intrekt, wanneer hij op het meer is, dat hij schijnbaar geen voedsel meeneemt. Voeding betekent krachten onttrekken aan het lichaam. Krachten vergaren, terwijl gelijktijdig stoffelijke krachten worden verbruikt is natuurlijk dwaasheid. Zo zit een onthouding een onthouding van voedsel daar wel degelijk mee verweven. De moderne mens zou dus ter vergaring van krachten ook tijdelijk zijn lichaam zelfs van de voedingsplichten moeten ontslaan. Men behoeft geen honger te lijden, maar men moet zorgen, dat zijn voedsel verteerd is op het ogenblik, dat men begint met een dergelijke meditatie.

Wat wij leren van de ouden is langzaam maar zeker ook al enigszins veranderd, voor zover het het aardveld aangaat. Was vroeger de richting noord-zuid aanvaardbaar, tegenwoordig zal men het veld der aarde in het lichaam beter beleven van oost op west. En daarbij wel gerekend; het hoofd gericht t.o.v. de kompasstreken noord-noordoost ten noorden en de voeten dan in de tegenovergestelde richting. Dus zuidzuidwest ten zuiden. Hierdoor heeft men nu geschapen de perfecte mogelijkheid tot ontspanning. Maar ook dit is niet voldoende. De ademhaling komt er ook bij te pas.

De langzame en diepe ademhaling is een bevordering van lichamelijke krachten. Zij hebben echter geen enkel lichamelijk doel op het ogenblik, dat wij in ontspannen toestand verkeren. Het resultaat zou zijn, dat je gebruikmakende van deze dingen, van deze krachten vooral, je geest kunt laten stuwen door deze krachten. Dus de ontspannen mens vergaart krachten met het bewuste doel deze te gebruiken als voertuig, als middel voor de geest. En dan kan misschien ook voor een modern mens waar worden, wat de Atlantische dichter Soster eens neerschreef. Ik vertaal het in niet-dichterlijke termen; omzetting van de ritmen zou te ingewikkeld worden.

“Mijn ziel rust tussen de sterren. Mijn oog dringt door in de kern van de zon en in de kern van mijn wezen. En hierin vind ik een kracht, die te alle tijde gelijk is. Van deze kracht neem ik mij. Want er is meer, dan ik ooit zal kunnen dragen, Wat ik genomen heb van deze kracht, gebruik ik in mijzelf en keer terug tot de stof. Maar ziet, er zijn mij vleugelen gewassen. Mijn handen volbrengen mijn wil volledig, mijn voeten snellen over de weg en worden niet beteugeld door de trage vermoeidheid, die mij anders ter aarde drukt.”

Hij gaat zelfs nog verder, want in zijn laatste couplet – een zeer lang dichtwerk – zegt hij: “Nu ben ik een met u, o lucht, en een met u, o vuur. En uit U beiden schep ik u de oceaan. Want al is in mij. Zoals de ether het Al doordringt, zo doordring ik alle dingen. En in dit weten zie ik: Boven lichtende zuil, boven openbarende stem ligt een Kracht. En deze Kracht is mijn wezen.”

De volledige Godserkenning wordt zo lang, lang voor de jaartellingen, die de mensheid op het ogenblik nog kent, geboren, uitgedrukt, neergeschreven als een denkteken, dat tegen alle geslachten, die later komen, zou moeten zeggen; “Ziet, hier hebben wij bereikt; hier kunt ook gij bereiken.”

Het zijn de Atlanten geweest, die het eerst de piramidebouw hebben gebruikt en wier vorst, Erastenes dat is de vergriekste naam werd tot – zoals hij het noemde – schrijver in steen. “Want,” zo zegde hij, “wanneer ik de gedachte vastleg in de materie, zal de materie de gedachte dragen tot het einde der tijden. En waar de gedachte niet kan sterven, zal het weten steeds gewekt worden. En zo zal het weten leven in hen, die na ons komen, opdat zij ons gedenken en één worden met ons. Opdat zij zichzelf verheffen en de vleugelen uitslaan naar een lichtende wereld, waarin het vuur zich openbaart.”

God en vuur was in die oude tijd identiek. Op het ogenblik is men geneigd het vuur te zien als een meer demonische kracht. Vergeet echter niet, dat in de oude tijden de warmte van het vuur aan de mensen in de kou de mogelijkheid tot overleven bood. Dat het vuur, dat ook in de zon was en dat leven gaf aan de aarde, het belangrijkste kenteken was van de scheppende God.

Ik geloof, dat het tijd wordt, dit onderwerp te besluiten. Maar ik kan toch niet anders doen, dan nog even mijn conclusies trekken. De piramiden, moeizaam misverstaan door een moderne wereld, dragen nog steeds in zich de gedachten van hen, die deze piramiden niet eens bouwden, maar slechts ontworpen. De gedachte in steen is blijven voortbestaan. Ofschoon heel vaak acht-negenduizend jaar geleden al de vulkanen hun as, hun lava spoelden over de stenen gedachten der oude vorsten, ofschoon een groot gedeelte daarvan is ten onder gegaan en rust ver onder de oceaan, toch blijven deze krachten bestaan en komen er mensen mee in beroering. Zoals Jezus maanwoord ook deze dagen nog klinkt over de aarde, zo klinkt geestelijk de kracht van de zeer ouden evenzeer. De krachten der bewustwording zijn voortdurend werkzaam op deze wereld. En als Jezus ons al leert de weg, die wij moeten gaan om te komen tot onthechting, tot geestelijke bewustwording, zo zeggen de ouden in hun gedachten ons: “Dit is de weg tot inwijding, Kracht in jezelf, weten in jezelf samensmeden tot een bewustzijn, dat zich verplaatst ver buiten het “ik”, erkent de oneindige grenzen van het Al en voortdurend zich realiseert “dit ben ik,” opdat uit dit weten geboren wordt het bewustzijn van de Alkracht Die alle dingen voortbrengt.

o-o-o-o-o

Er was eens een dorp, dat hoog boven op een helling gelegen was. En beneden, ver onder het dorp, waren de “bronnen, waaruit de vrouwen plachten water te putten. Nu gebeurde het op een dag, dat twee vrouwen tegelijk naar beneden gingen en tegelijk bij de put kwamen. Zij zagen elkaar aan, want ze waren jaloers op elkaars aanzien, op elkaars gezag, op de rang van de echtgenoot, En zo sprak de een tot de anders “Mijn man is de dorpsoudste. Het komt mij toe om hier het eerst water te putten,” De ander echter zei, “Gij zijt wel dwaas. Mijn man is van de politie. Die heeft wel degelijk de eerste rechten hier. Hij is het openbaar gezag.

De vrouwen begonnen met elkaar te strijden, De aarden kruik van de één viel door een onbeheerst gebaar van de ander in scherven. Dit bracht haar tot zo grote woede, dat zij de ander de kruik ontnam en deze op haar hoofd neersloeg. Ook hier waren alleen nog scherven de treurige resten van vrat eens een fraaie houder voor water was geweest.

De beide vrouwen keken elkaar wat onthutst aan en snel gingen zij terug naar het dorp. Hijgend stormden zij hun woning binnen en haalden daar de grote bamboekoker, waarin ook water gedragen kan worden. Ja, twee kokers namen zij, als waren zij mannen; en zij droegen ze met een draagstok naar beneden. Daar kwamen zij wederom gelijktijdig aan. De een had de hand al geslagen aan de putemmer, toen de ander zegde: “En mijn man is van de politie en ik heb de voorrechten. Jij onbeschaamde vrouw, ga heen.” De ander zei minder vriendelijke woorden, en beweerde dat een doerak als haar buurvrouw geen rechten had om zelfs maar een hand aan het putkoord te slaan. Zo werd hun woede zeer groot en zij sloegen elkaar tot zij bloedden. Toen kwam er een dief en die nam de bamboekokers mee. Daar stonden zij nu bij een put zonder de middelen om het water te brengen.

Zij gingen weer naar boven. Maar het middaguur was gekomen. Hun echtgenoten hadden zich uitgestrekt om een ogenblik te rusten en zeiden: “Waar is het water? Ik wil verkoelende drank.” De vrouwen zeiden: “Ja, de vrouw van de dorpsoudste heeft mij eerst mijn kruik kapot geslagen en toen heb ik bamboekokers genomen en toen heeft zij mij weer geslagen en toen zijn de bamboekokers verdwenen. En jij moet er naar toe gaan en je moet zeggen, dat de dorpsoudste moet betalen.” En bij de dorpsoudste werd precies hetzelfde gezegd, nu over de vrouw van het hoofd van de politie.

Toen werden de mannen boos. Zij namen de vrouwen en sloegen hen, tot zij om genade smeekten Zij zeiden tot hen: “Wees toch niet dwaas. Wanneer er een put is gegeven door de goden, zo strijd er niet om wie het eerst mag putten, maar deel wat zij opbrengt,” opdat wij allen verzadigd zullen zijn, nu echter zijn wij beiden arm geworden.” En de vrouwen? Zij hebben het misschien onthouden, maar wanneer ze ook niet meer door strijd hun kruiken verliezen, hun tijd verliezen ze nog vaak door wat ze thans met woorden doen i.p.v met daden.

Zoals nu deze vrouwen eens waren, zijn de mensen van deze wereld. Voor hen ligt een put van diepe wijsheid, een rijkdom aan geestelijk weten, ja, een kracht zonder gelijke. En wanneer de mensen komen om te putten, om de noodzakelijke levensbehoefte aan geestelijke kracht voor zich te gewinnen, dan strijden ze er over wie het recht heeft om de hand aan het putkoord te slaan. Dan vechten ze erover, wie het recht heeft de eerst gevulde kruik naar boven te dragen naar het dorp. En zo komt het, dat de mensen nog steeds arm zijn aan geestelijk inzicht en wijsheid. Want zij strijden eerder om hun recht wijsheid te putten dan om de wijsheid zelve.

Maar wie de wijsheid zou kunnen aanvaarden, die zou het ongetwijfeld beter gaan. Die gaat het als een bekende fakir. Deze was doorgedrongen tot een klooster, ver in de achterlanden van Birma. Een lange tocht had hij gemaakt. Maar toen hij eenmaal in het klooster kwam, vond hij een grote en diepe put. Die put was zo diep, dat men met ladders neer moest dalen en wel duizend treden gaan, voor men zelfs het putkoord kon bereiken. En dan was dat koord zo lang, dat men twee dagen lang steeds moest blijven trekken, voordat de emmer boven kwam. Want die put reikte tot het middelpunt der aarde en in het middelpunt der aarde ligt de bron der grote wijsheid.

Toen nu deze fakir na lang werken eindelijk de emmer boven had gekregen en wederom de rand van de put had bereikt, stonden er vele monniken, die tot hem zeiden: “Heer, geef ons wat te drinken.” Toen dacht de fakir na en hij zegde tegen zichzelf: “Wanneer ik dit water der wijsheid drink, zo zullen deze monniken mij doden. Zij doden met mij de wijsheid, die in mij leeft. Zou het niet beter zijn om hun wijsheid te geven? Misschien worden ze zo wijs, dat ze het onrecht mij aangedaan beseffen en terugkeren in de put om zo ook mij een dronk van dit bronwater te geven. Zo gaf hij in volle vrijgevigheid aan een ieder, die vroeg en er bleef hem slechts een enkele dronk over.

Juist wilde hij voor zichzelf ook wijsheid inslurpen, toen een zeer oude man naar hem toekwam en zegde: “Geef ook mij een dronk,” Toen dacht de fakir na en zegde bij zichzelf: “Deze kan ik overmeesteren. Zou ik hem dit laatste van mijn lange werk en mijn lange zwerftocht geven?” Toen dacht hij wederom na en dacht: Alle anderen heb ik vrijelijk gegeven ommentwille van hun kracht. Zou ik onrechtvaardig zijn en deze, die niet krachtig is, wijsheid onthouden? Hij is al zo oud. Wanneer hij nog behoefte heeft aan deze dronk, laat ik die aan hem geven. Want hij heeft niet veel tijd meer om op andere wijze wijsheid te vergaren. Ik echter ben jong en sterk.” En hij gaf die laatste dronk.

Toen richtte de oude wijze, die hem deze laatste dronk had gevraagd, zich op en zegde tot de fakir: “Ziet, hier geef ik u een edelsteen. Wie hierin schouwt, kent de wijsheid van alle werelden. Want het offer, dat gij hebt gebracht, is veel waard.”

De fakir ging gelukkig heen. Maar vele hoven moest hij passeren en overal begeerde men zijn sieraad. Vluchten moest hij vaak voor soldaten en krijgers, hem achterna gezonden om hem deze schat te ontnemen. Ja, soms zelfs waren er roversbenden op zijn pad en het leek of een ieder samenspande om hem tegen te houden. Zo ging het tot hij kwam bij de kraten van Solo. Daar nu werd hij onthaald met vele danseressen en grootse gastvrijheid. Doch toen de heer dezer woning hem vroeg: “Laat mij het edelgesteente zien, het sieraad, waardoor gij zo beroemd zijt,” aarzelde de fakir. Eindelijk besloot hij om uit zijn lompen deze steen te voorschijn te halen en hem zijn vorst aan te bieden.

Deze schouwde erin en werd bevangen door zijn flonkering. “Alles,” zo zegde hij tot de fakir, “wil ik U geven voor deze steen.” De fakir dacht na en zegde: “Heer, al wat ik begeer is het mijne. Al wat gij bezit, ligt buiten mijn begeren. Maar deze steen heeft mij reeds veel moeite gekost en veel kracht. Neem gij de steen. In uw macht zal ze misschien goed bewaard zijn.” En eerbiedig groetend trok hij zich terug, ging de poort uit en schreed verder naar zijn woonplaats.

Eindelijk, na tien lange jaren,kwam hij in de kleine dessa, waar hij thuishoorde. Daar wendde hij zich tot het volk en zegde: “Lang heb ik gereisd om wijsheid te verwerven en niets heb ik meegebracht. Want al wat ik verworven heb, heb ik verloren,” Toen kwam er een doekoen en deze wilde hem aanzien om hem te zegenen. Maar hij schrok terug, Hij boog eerbiedig en maakte een volledige sembah: “Heer,” zo zegde hij, “Uw kracht is als die der goden.” Maar de fakir begreep het niet en ging verder.

Toen hij eindelijk bij zijn eigen woning was aangekomen en zich moede en misschien wat lusteloos wilde neervleien, stond daar de oude bedelaar voor hem, die hem eens het sieraad had gegeven. Hij zegde tot hem; “Zoeker, hebt gij de steen nog?” “Ach neen, heer,” zei de fakir wat lusteloos. “Ik heb hem gegeven aan de vorst van Solo. Zovelen hebben hem begeerd, dat dit begeren mij tot een grote last werd.” Toen glimlachte de oude en zegde; “Ziet, wijsheid hebt ge u verworven. Gij hebt niet gedronken aan de bron der wijsheid, maar ge hebt wijsheid gegeven. En al, wat ge anderen gegeven hebt, is uw eigendom geworden. Een klooster vol wijzen denkt voor u, bidt voor u, werkt voor u. De steen, die ik u gaf, bevatte kostbaarheid maar ook wijsheid. Een vorst regeert hierdoor zijn volk met recht en rechtvaardigheid. Zijn praal is groter dan ooit te voren. Door wat gij gegeven hebt is hem dit geworden. Zo is het al het uwe.” Toen lachte de fakir en zegde: “Wat heb ik aan dit bezit, dat niet het mijne is?”

De oude wijze, die de steen had gegeven, wierp zijn gewaden van zich en stond voor hem in een lichtende gestalte. “Ziet,” zegde hij, “gij aanschouwt mij en sluit niet uw ogen. Gij verwondert u, maar buigt niet het hoofd. Zo groot is uw wijsheid, dat gij het Goddelijke, het Verhevene kunt aanschouwen zonder vrezen. Zo zijt gij gewend aan praal, dat het licht der goden u niet meer verblindt. Door uw geven hebt ge meer bereikt, dan ge door het bezitten ooit zoudt kunnen bereiken. Ge wilt wijsheid. Ik zal u de wijsheid der wereld geven. Ze ligt in deze spreuk: “Gij zijt Al. Al is uw wezen. Verheug u in al en lijd met al, dan kent gij de wijsheid, die in al geborgen is.” De lichtende gedaante verbleekte.

De fakir werd tot een eenvoudige landbouwer. Maar het was, of een zegen lag op elke akker en op zijn huis. Want vruchtbaar waren alle dingen. En wanneer iemand in nood was, kon hij tot hem gaan, want hij zag achter het uiterlijk der dingen de ware kern.

Zoals wij zoeken naar wijsheid, vrienden, en deze vaak niet vinden daar, waar wij menen haar te moeten zoeken, wijsheid en kracht vinden wij in het geven van wijsheid en kracht, niet in het verwerpen ervan, Licht, glorie, inzicht en bereiking, ze zijn niet de onze, zolang we ze meedragen als een flonkerend juweel, een sieraad van ons geestelijk bestaan. Ze zijn pas de onze, onze werkelijkheid, wanneer we ze aan anderen hebben gegeven en denken ze verloren te hebben. Want eerst wie denkt de wijsheid verloren te hebben, heeft de eerste wijsheid verkregen. Wie alle verblinding achter zich laat, verwerft voor het eerst de mogelijkheid de waarheid, die er achter verborgen ligt, te zien.

Misschien is mijn commentaar op het voorgaande u niet geheel duidelijk geworden. Maar bedenk dan dit ene: Er waren twee vrienden. De een noemde men de zwijgzame, de andere de spreker. Wanneer zij beiden samen waren, zo kon men hen niet verstaan. Want de zwijgzame zweeg en de spreker, om verstaan te worden, sprak steeds luider. Zo luid, dat ieder in het dorp zijn stem hoorde, maar niemand meer zijn woorden kon verstaan. Tot op een dag de zwijgzame sprak. En hij zegde tot de spreker: In de veelheid van uw woorden heb ik gedurende jaren gezocht naar de inhoud. Ik geloof, dat gij bedoeld hebt te zeggen; “Vriend, wees uzelf. Wees gelukkig, dat gij uzelf kunt zijn. Want de goden behoeden eenieder, die zichzelf trouw is.”

Zo gaat het hier ook. Wij moeten veel spreken, Gij moet zwijgen. Maar de kern van al deze dingen, van alle bereikingen is: Wees uzelf, maar werkelijk uzelf. En wees uzelf trouw, Daarin kunt ge vinden, wat ge zoekt.

o-o-o-o-o

Misschien  vindt u, dat het erg interessant was, wat er hier gezegd werd. Elk heeft zijn eigen denken, zijn eigen mening, zijn eigen methode van overwegen, begrijpen en verwerken. Nu zou ik het zo willen stellen:

Wat u ook begrepen hebt, voor ieder van u heeft het zijn eigen waarde. Die eigen waarde moet je activeren. Laten we het nu voor onszelf dan niet moeilijker maken door te gaan zeggen; “O, wat heb ik een hoop geestelijk inzicht gekregen.” Laten wij het eenvoudiger maken en zeggen; “We hebben vanmorgen de impuls ontvangen voor één daad.” Want ik heb nog nooit iemand meegemaakt, die verzadigd werd door het lezen van een kookboek. En ik het ook nog nooit iemand meegemaakt, die wijs werd door het lezen van filosofische betogen en verhandelingen. Maar wie een kookboek heeft, kan – wanneer hij een beetje handig is – goed koken en van hetgeen hij zo kookt kan hij verzadigd worden. Iemand, die zich veel bezig houdt met wijsgerigheden en wijsheden, kan ongetwijfeld wanneer hij leert ze toe te passen daaruit een verzadiging voor zijn honger naar bereiken verkrijgen. Dus het komt wel degelijk op de daad en niet alleen maar op de theorie aan.

Nu is onze theorie natuurlijk een heel erg mooie. Ze houdt eigenlijk in; Mens, zorg toch steeds, dat je voldoende krachten in jezelf vergaart en zet die krachten om in geestelijke kracht en probeer tot een geestelijke bereiking te komen. Herinner je, wat je geestelijk bereikt hebt en openbaar dit op aarde. De theorie is steeds weer: Mens, begrijp dat je deel bent van een groot geheel in God en dat je daarin een taak hebt, n.l. om een bewust deel te zijn en dit deelgenootschap in. jezelf te ervaren. Dat is de bekende stelling: Heb uw naaste lief gelijk Uzelf.

Maar wat heb je aan al die theorie? Per slot van rekening, al had Jezus ook duizend jaar gepredikt en hij was niet zover gegaan, dat hij zelf er een kruisdood voor had willen sterven, dan had men nu hoogstens over een kleine sekte van christenen gesproken. Door in de praktijk te brengen, wat hij leerde, tot de uiterste consequentie toe, heeft hij het christendom gemaakt tot wat het is. Voor uzelf is het precies zo. u kunt leraren wat u wilt, u kunt aan gedachten in u dragen zoveel u wilt, maar wanneer u niet in staat bent ze om te zetten in de praktijk, blijft het bij een lege galm, blijft het bij een weten, dat misschien eens ergens toch metterdaad kan worden uitgedrukt.

Nu kun je natuurlijk wachten, tot die wijsheid oudbakken is. Maar mag oudbakken brood misschien soms gezonder zijn en gemakkelijker te verteren, het is heel wat moeilijker te kauwen. Zo is het met daden ook. Wanneer je tot een bewustzijn komt, dat je iets bepaalds zou moeten doen of zou moeten laten, dan moet je dat meteen doen. Dan heb je er de kracht en het vuur voor. Dan zal het misschien iets langer duren, voordat je dat helemaal verwerkt hebt, maar doordat je die daad meteen hebt gesteld, heb je kracht in jezelf gekregen. Je hebt een reden om door te zetten. Wanneer je eenmaal gezegd hebt: “Ik zal het later wel eens een keer doen,” dan ben je zo in de sleur van de oude gewoonten voortgegaan, dat je zegt: “Ik weet wel, dat het niet goed is, wat ik doe, maar per slot van rekening, ik heb het nu al zolang gedaan; en ik zal natuurlijk nog wel eens een keer iets goeds doen… .vandaag echter zal ik mij maar aan de oude, volgorde houden.”

Dwaasheid. Daar hebben wij absoluut niets aan. Je moet zoveel mogelijk, al wat je geestelijk leert, al wat je ontdekt, elke bewustwording, elke realisatie, die je doormaakt, proberen in de daad om te zetten. De daad heeft betekenis. Dromen en gedachten zijn lasten, die je jezelf oplegt. Wanneer je ze omzet in een werkelijkheid, dan mag het zijn, dat de daad zwaarder weegt dan de gedachte voor u in uw huidig bestaan. Maar het betekent gelijktijdig een bevrijding en de mogelijkheid om dus met nieuwe daden aan andere en misschien betere bewustwordingen uitdrukking te geven. Wie in de droom en de gedachten gevangen blijft is iemand, die zichzelf opsluit in een kerker van filosofieën zonder ooit te komen tot een werkelijke beleving van hetgeen hij wil volbrengen. Praktijk is noodzakelijk.

Zo wil ik dan aan de hele reeks van betogen mijn woord nog even toevoegen, voor ik voor u ga sluiten: Mens, leer wat je kunt, maar leer nooit iets, wanneer je niet bereid bent het in de praktijk om te zetten. Zet wat je geleerd hebt in de praktijk om, zo snel, zo goed, zo zuiver als je kunt. Indien je dat doet, kun je tot een werkelijk goed en gelukkig leven komen, dat in zich grote mogelijkheden tot bewustwording draagt. Dan zul je juist door deze daadkrachtige verwerkelijking van al hetgeen je geleerd hebt komen tot een veel groter geestelijk bereiken en waarschijnlijk ook tot een ontwikkeling van veel meer geestelijke eigenschappen, die ook binnen de stof bruikbaar blijken.

KEN UZELF

“Ken uzelf,” zei de wijze en hij toonde de wereld aan, dat je slechts door zelfkennis waar en waardig kunt bestaan.

“’k Ken mezelf,” zei de dwaze en hij meende, dat hij zag in zichzelf de uiting van al wat mens en menselijk zijn vermag.

“’k Ken mijzelf,” zei de denker en ontleedde zich geheel. Maar vergat nu saam te voegen deel na deel van eigen zijn en zo te maken tot een werkelijkheid, tot levensvreugde en levenspijn, wat hij had ontdekt in lange tijd.

“Ken uzelf,” sprak de dichter en hij vlocht het woord aaneen tot het werd een klank om “kennen” en hetzelve slechts alleen. Maar de waarheid van dit alles ligt “besloten in de tijd. “Ken uzelf” is een spreuk, die voortjaagt naar een werkelijkheid.

Wees jezelf in alle dingen. Leer zo wat je zelve bent. Want in je daden is ‘t vooral toch, dat je het “ik” zo goed herkent. Ken jezelf door je leven, door je werken, door je strijd. Dan vind je in jezelf verborgen de lichte glans van eeuwigheid.

Ken uzelf, ken de grenzen, ook gesteld aan uw bestaan. Dan breekt misschien het licht van ‘t leven U naar ruimer wereld baan.

Ken uzelf, wees uzelf, ga dus voort in ‘s levens strijd steeds uzelf weer te wezen, voor uzelf zonder vrezen te uiten, hoe en wat ge zijt.

Dan ligt voor u eindelijk open ‘t wezen dat ge “zelf” noemt, dat gij als deel van eigen streven en persoonlijkheid geroemd, ja misschien geprezen hebt.

Dan beseft ge: Heel dit “zelf” is slechts deel der grootste Kracht. Is slechts daaruit, dat ge leefde, daarin, dat al werd volbracht.

Hebt ge zo het “ik” gevonden, dat is Uw waar en goed bestaan, dan kunt ge – kennende uzelf – tot groter Ikheid binnengaan,