Balance – act

image_pdf

  9 november 1962

Aan het begin van deze avond moet ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik hoop dan ook, dat u na zult willen denken over alles, wat wij heden naar voren brengen. Mijn onderwerp voor heden noemde ik: Balance – act.

Wanneer wij, vrienden, even denken aan de voorstelling, die in een groot deel van de moslimwereld bestaat over de gang naar het paradijs, rijst voor ons het beeld van een groot zwaard, dat als een brug ligt over de afgrond van de Gehenna, de hel. Slechts de rechtvaardige kan over de snede van het zwaard balanceren en zo het paradijs binnengaan. Ongetwijfeld is dit beeld bruikbaar, wanneer ik een juiste vergelijking zoek voor de wereld, waarin u leeft. Achter de mens ligt de woestenij van menselijke begeerten, uitgedrukt in historische ontwikkelingen. Nu kan hij niet meer terug, maar moet, balancerende over de gevaarlijke snede van het lemmet van de zelfbeheersing, trachten zijn paradijs tot werkelijkheid te maken. De pogingen om,  zonder het oude prijs te geven, tot een paradijs op aarde te komen, heeft echter reeds vele vreemde en niet ongevaarlijke ontwikkelingen tot stand gebracht. Nóg heeft de mens de mogelijkheid zijn paradijs te gewinnen. Maar dan moet hij de verandering niet schuwen en zich de beheersing van het Ik als eerste doel stellen.

Wij weten allen, dat de geleerden tot voor kort gelachen hebben over de verklaringen – ook door de broeders van de Orde in het verleden meerdere malen afgelegd – waarbij werd gewezen op de invloed, die kernreacties op aarde hebben op de zonneactiviteit. Ook de gedachte, dat de explosie van een zeer zware kernbom invloed zou kunnen hebben op de baan van de maan, of zelfs de eigen baan van de aarde, werd belachelijk genoemd, een angstdroom van onwetenschappelijke dwazen. Ondanks het wetenschappelijk onaantastbare van dergelijke spottende verklaringen, liggen de werkelijke feiten op het ogenblik – en ook de wetenschap bekwaamt zich, dit te erkennen – enigszins anders.
De zon toont inderdaad op het ogenblik grotere activiteit. Het optreden van zonnevlekken buiten de gekende cycli is ondertussen wel vast komen te staan, terwijl de maan een zeer geringe, maar toch kenbare afwijking van haar normale baan vertoont. Op het ogenblik is men dan ook bezig na te gaan, of er niet een wijziging van de baan van de maan heeft plaats gevonden, waarbij de baan zelf meer ellipsvormig is geworden, terwijl de omlooptijd met enige seconden versneld zou kunnen zijn.

Ik begin mijn betoog met feiten, want de westerling bemint de feiten nu eenmaal boven alles. Wanneer wij echter stellen dat de punten, die nu worden onderzocht – en u door de Orde reeds vijf, zes jaren geleden zijn voorgehouden – enige waarheid inhouden, zal men ook verdere conclusies daaruit moeten trekken. Het is té eenvoudig nu alleen maar te stellen, dat de uitwerking van atoomexplosies op de zon een echo gewekt hebben, die de aarde weer bereikt heeft en dan aansprakelijk is voor perioden van rampen of ongevallen. Dergelijke echo’s zijn op het ogenblik trouwens te beperkt, om daaraan alle aandacht te wijden, of zich daardoor van streek te laten brengen. Het is aannemelijk te maken, dat de maan inderdaad, zij het zeer miniem, haar baan en omlooptijd gewijzigd heeft. Maar dat betekent nog niet, dat zelfs meerdere van deze baanwijzigingen zonder meer een neerstorten van de maan op aarde zouden kunnen veroorzaken, zoals sommige pessimisten op het ogenblik al beweren.

Laat ons trachten bovenal redelijk te blijven. De mens speelt met krachten, die hij niet kent. Toegegeven. Maar ernstiger is het, dat de mensheid tevens geneigd schijnt te zijn, de werkelijkheid van eigen leven en bestaan te ontkennen. Hij houdt zich bezig met een voortdurend negeren of minimaliseren van de uitwerkingen, die zijn daden hebben. Hij doet dit zelfs, wanneer hij de uitwerkingen wel beseft en daarvoor terugschrikt. Aan de andere kant probeert de mens steeds meer zijn eigen superioriteit boven alle schepping, boven het gehele Al vast te stellen. In een dergelijke toestand over het lemmer van het zwaard te moeten gaan, betekent, volgens de islamitische overleveringen, een bijna zekere val, een haast niet te voorkomen afstorten in de hel.

“Hij, die de brug van het zwaard betreedt, dient rein van geweten én zonder angsten te zijn. In hem moet de kracht van zijn God leven, rond hem moet de onschuld van zijn wezen staan als een voortdurende verdediging tegen de krachten, die uit de afgrond rijzen. Vrij moet hij zijn van de leugen. De goedheid, waarmede hij zijn medemensen heeft gediend om Allah zijn wil, dient hem vooraf te gaan en de schreden van zijn voeten over het scherp te leiden.”

Deze versie stelt wel zeer hoge eisen. Maar wanneer je voor grote beslissingen staat en eenvoudig weigert toe te geven, dat je een fout hebt gemaakt, zal deze fout als een hindernis op je wegen steeds weer voor je oprijzen en je doen struikelen. Zo zegt men:

“De zonden uit het verleden, het onrecht aan anderen begaan, zullen degenen die boven Gehenna balanceren, aanvallen in de gedaante van verschrikkelijke vogels en hen neer doen tuimelen in de droge, gloeiende woestenij waarin zonder ophouden verdorstende zielen vergeefs om genade smeken.”

Ongetwijfeld is ook dit een wat somber geschetst beeld. Maar wanneer de mensheid voortgaat, zichzelf te bedriegen, wanneer zij voortgaat met een ontkennen, dat haar proeven met radioactieve wapens reeds gevoerd hebben tot onbeheersbare storingen, die van buitenaf de aarde bereiken, en indien de mensheid voortgaat te ontkennen, dat deze werkingen invloed hebben op de stemming, het humeur en de energie van de mensen, ja, zelfs reeds – zij het gelukkig nog niet in overwegende mate – op de vorm van het nageslacht, zal er een ogenblik komen, dat men geen uitweg meer kan vinden. Men kan niet, door een eenvoudig ontkennen, de helse vogels verjagen, die de zielen op de brug van het zwaard belagen. Men kan niet altijd een wankel evenwicht op het slappe koord van de internationale politiek blijven bewaren, wanneer men de gevoerde strijd ontkent. Want op het ogenblik leeft de wereld in een toestand, die men vrede heet, doch die in feite een oorlog zonder al te veel geweld is, waarin alleen de strijdende partijen voortdurend ontkennen, dat zij elkander bestrijden.

Hierbij komt als verdere onaangenaamheid nog het feit, dat de mens in zijn pogingen, zijn eigen streven, werken en handelen te rechtvaardigen, ook de waarheid omtrent eigen wezen uit het oog pleegt te verliezen. Wij weten allen wel, in hoe grote mate men in de huidige wereld tracht via suggestie en het bewust scheppen van situaties en gebeurtenissen, tracht het denken van de doorsnee mens te kanaliseren. Zoals de mens eens wild stromende rivieren heeft gekanaliseerd – reeds in de dagen van de Farao’s gebeurde dit – om zo zijn vrachtschepen veilig naar de monding van de rivier te kunnen brengen, zo tracht men op het ogenblik de menselijke geest, het menselijke bewustzijn te kanaliseren, opdat de lading van ideeën, die men kostbaar acht, onaantastbaar zal worden en niet meer teloor zal kunnen gaan.
Hier rijst echter de vraag, of een dergelijke wijze van beïnvloeding wel gerechtvaardigd kan worden. Wanneer men de waarheid ontkent, is dit reeds op zich gevaarlijk. Maar wanneer men de ontkenning van waarheid tot een dwang maakt voor allen, wanneer de mens niet eens meer het recht wordt toegekend, voor zich de waarheid te beseffen en daarnaar te handelen, maakt men de ondergang van het menselijke ras bijna tot zekerheid. Hoe kan een mens, die als een levende dode – magisch gebannen in een rijk van waan – door het leven gaat, hoe kan hij nog werkelijk deel hebben aan alles wat er op aarde geschiedt? Het is juist het pogen van machtsgroepen een evenwicht in de wereld te handhaven door steeds meer en steeds grotere illusies te scheppen, dat mij de titel, van het onderwerp deed stellen als “balance- act”, dus als balanceer-proef.

Luister nu echter goed toe. Degenen, die zelf niet of bijna niet voor dergelijke suggesties vatbaar zijn, zullen degenen zijn, die het gemakkelijkst dergelijke suggestieve invloed op anderen uitoefenen. Dit is een bewezen feit. Iemand bv., die een goed hypnotiseur is, zal al een lange training in persoonlijkheidsbeheersing door moeten maken, om ook een goed sujet voor een andere hypnotiseur te kunnen zijn. Een mens die werkt met de genoemde suggestie, zal zeker middelen gebruiken, waardoor hij zelf weinig of niet wordt aangetast. Wanneer nu de gebruikte suggestieve middelen een beroep blijken te doen op de edelste elementen in de mens, rijst bij mij de vraag of degenen die deze suggestie geven, niet juist op dit punt zelf blind zijn.

Dit wil niet zeggen dat zij deze dingen theoretisch niet kennen, maar het betekent mijn inzien dat zij emotioneel en praktisch voor deze invloeden ontoegankelijk zijn.

Waarschijnlijk is dit zo. Nu mag niet worden gesteld, dat degenen, die deze suggestie geven, dit zullen doen om de mensheid te schaden of ten onder te brengen, het tegendeel is waarschijnlijker. Ook de ‘suggestors’ streven op hun eigen wijze naar het paradijs. Maar zij vergeten, dat het paradijs van de mensen gebouwd moet zijn op het bewustzijn van de menselijke geest, het bewustzijn van een persoonlijk bestaan, op een bewust en zelfstandig binnen de wereld bestaan van een ieder, en een binnen het eigen Ik ontmoeten van de Goddelijke Kracht. Er is geen waar leven mogelijk, wanneer uw behoefte om goed te doen en het goede te erkennen, wordt gekanaliseerd. Want goed doen is een uit de volheid van eigen wezen anderen iets geven, een iets van jezelf opofferen.
Het goede is de inspiratieve inwerking op het Ik, waarbij de behoefte aan het goede, aan harmonie en vrede, wordt uitgedrukt in het stellen van een daad, het geven van een gift. Wanneer men dit inspiratieve, dit persoonlijke wegneemt, sterft in de mens de emotie, vooral de hogere menselijke emotie.

Ik vrees, dat in menig opzicht de illusie, de uitwerking van de suggestie, de massa reeds beheerst. Feiten zien is voor haar al zeer moeilijk. Zij kan natuurlijk in opstand komen. Ik denk hier bv. aan reacties bij de massa, als door vruchten (? Red.) van mij werden waargenomen o.a. bij het softenonproces, de procedure tegen “der Spiegel” en de wat bruut optredende voorstanders van rassenseparatisme in de U.S.A. Zeker. De massa schrikt dan nog even wakker uit haar waan. Maar dit wakkerschrikken wordt al heel snel opgevangen. De schok wordt onmiddellijk goed gemaakt door een openbare benadering, die de massa haar zin schijnt te geven, maar gelijktijdig de werkelijke betekenis van het conflict versluiert.
Bij de softenon procedure ligt de verantwoordelijkheid voor de daad (abortus en eventueel euthanasie) bij de ouders. Maar de werkelijke oorzaak van alles zijn degenen, die het bewuste middel niet snel genoeg hebben teruggetrokken. In dit proces had in feite niemand anders recht van spreken dan de ouders. Zij kozen m.i. niet de meest juiste oplossing, maar zij zijn slachtoffers, niet misdadigers.

Dit nu beseft de menigte wel. Zou men dit echter toegeven zonder meer, dan komen er andere waarden in het geding. “Het is hier een kwestie van de wet”, zo roept men uit. Er is hier geen sprake van de mensheid, die ten onder wordt gebracht door onverantwoorde productiemethoden, door experimenten, door de behoefte, de resultaten van wetenschappelijk onderzoek zo snel mogelijk en winstgevend mogelijk te exploiteren. Dit is alleen een kwestie van de wet. De ouders hadden geen recht om het kind te doden enz. Indien het mogelijk was, zou men zelfs het feit, dat vooral de ouders het slachtoffer werden, meer dan het gestorven kind, ontkennen. Door de wijze, waarop de aanklacht werd gesteld, ja, zelfs door de wijze, waarop de verdediging werd gevoerd, heeft men de werkelijke achtergronden verdoezeld. Want degene, die terecht moet staan, is niet de groep van ouders en een arts. Het is zelfs niet de staat met haar wetten, maar de voortdurende neiging van verantwoordelijke personen, om elke ontdekking van de wetenschap, elke uitvinding, zo snel mogelijk te exploiteren en zo rendabel mogelijk te maken.

Wanneer wij naar het proces tegen “der Spiegel” zien, horen wij steeds weer spreken over veiligheid, landverraad, over de verkeerde dingen, die de redactie van dit blad gedaan zou hebben. Maar men tracht daarmede anderen vooral te doen vergeten, dat zelfs in een feitelijk geval van landverraad enz. de staat niet met twee maten mag meten en zich dient te gedragen volgens de regels door haar gesteld, zich dient te houden aan de wetten, die zij voor anderen toepasselijk acht, erkent en aanvaardt.
Zeker zal men trachten te verdoezelen, dat de doorsnee staat zich boven de wet pleegt te stellen en de wetten alleen voor anderen, maar niet voor zich toepasselijk acht – dit ongeacht de werkingen en invloeden die bij haar optreden verder een rol spelen. Het is bijna zeker, dat men binnen enkele maanden zal trachten een geheel andere voorstelling van zaken ingang te doen vinden, daarbij wijzende op het feit, dat uiteindelijk hier toch een snel en kordaat ingrijpen voor alles noodzakelijk was. Over de schending van wetten en rechten zal men dan niet meer spreken, of, zo dit niet te vermijden is, wijzen op de zondebokken, die de woestijn in werden gestuurd. Over het blijken van een geheel verkeerde mentaliteit zal men heus dan niet meer spreken.

Bij de laatste studentenconflicten – bij toelating van een kleurling op een tot dan toe alleen voor blanken bestemde universiteit – heeft men de schuldigen uitgewezen, van de universiteit verwijderd, en had hen ongetwijfeld gaarne veroordeeld, maar kon geen jury vinden, die bereid was deze veroordeling toe te laten. Gaat het hier werkelijk alleen om te toelating van een kleurling op deze universiteit? U meent misschien van wel. Maar gaat het hier niet eerder om de vraag, of men – ongeacht alle legale maatregelen – wel het recht had en in staat was, om bestaande gebruiken, opvattingen en vooroordelen eenvoudig af te schaffen?

Ik ben vroeger op aarde een kleurling geweest. Ik vind alle pogingen om de rassen op voet van gelijkheid en in vrede op aarde samen te doen leven dan ook mooi. Maar de wijze waarop, lijkt mij toch wel verkeerd. Men kan toch geen mensen brengen tot een aanvaarden van en vreedzaam samenleven met anderen door middelen van bajonetten, geweren en geweld? Over het feit, dat het hier eerder ging om een doorzetten van een genomen besluit, om het handhaven van een – hier m.i. niet juist gehanteerd – regeringsgezag, wordt liever niet te veel gesproken. Toch is de achtergrond van het ingrijpen zeker grotendeels van politiek belang en wordt hier een politieke strijd uitgevochten ten koste van blanken en kleurlingen beiden.

Ik zou kunnen doorgaan met voorbeelden van op suggestieve wijze verkeerd gelegde nadruk, vrienden, maar meen hiermede reeds voldoende duidelijk gemaakt te hebben, wat ik met suggestie enz. bedoelde en de vervalsing van waarheid en werkelijke waarden en ermee gepaard gaande problemen te hebben aangetoond. Men schept op de wereld de illusies van recht. Men suggereert – vaak tegen alle feiten in – dat alles goed gaat en dat de methode, die men gebruikt de enig mogelijke is, dat de weg die men gaat, de enig bestaande is. Men tracht steeds meer andere mensen het onmogelijk te maken, voor zich te denken, hun eigen opvattingen tot uitdrukking te brengen, in het leven hun eigen weg te volgen. Juist hierdoor wordt de werkelijke balans op deze wereld vaak gevaarlijk verstoord. Wanneer deze wereld ten ondergaat – wat, naar ik aanneem, de eerste 10.000.00 jaren niet zal geschieden –  zal dit m.i. niet gebeuren door atoombommen, of door natuurrampen die de mens zelf direct of indirect heeft veroorzaakt.

Wanneer de mensheid op deze wereld echter ten ondergaat zal dit geschieden, omdat deze mensheid het zichzelf onmogelijk heeft gemaakt om zich nog langer als mens te gedragen, omdat de mens niet meer in staat zal zijn, een onderscheid te maken tussen een werkelijk paradijs op aarde, dat bereikt kan en moet worden, en de illusie van een paradijs, dat dan alleen door geweld, onmenselijkheid en onderdrukking tot werkelijkheid zou kunnen worden gemaakt.

Dit alles lijkt u misschien, vooral wanneer het van een Oosterling komt, iets te direct en te praktisch gesteld. Maar, vrienden, het oosten mag dan meer introspectief zijn dan het westen, maar is daarom nog niet dwaas of onpraktisch. De nadruk ligt in het oosten, zelfs wanneer het gaat om macht, anders dan in het westen. Wij kenden het buskruit lang voor het westen en verlustigden ons in het spel van raketten tegen de avondhemel. Maar ook wanneer het westen in die dagen reeds het buskruit gekend zou hebben zou het onmiddellijk gewelddadig gebruikt zijn. Wij zoeken in alle dingen steeds op de eerste plaats naar vreugde, jullie in de eerste plaats naar een wapen. Zelfs wanneer wij de mogelijkheid van het wapen beseffen, zoeken wij nog naar andere mogelijkheden en oplossingen. Ook het oosten zal vaak falen. Maar het zoekt te minste.

Laat u zich echter niet steeds weer suggereren, dat er maar één enkele mogelijkheid, één enkele weg, één juiste oplossing is? Moet echter niet elke mens steeds weer voor zich en in zichzelf de vraag beantwoorden, wat goed, wat rechtvaardig en juist is? Indien u dit met mij eens kunt zijn, ondanks alle verschillen tussen oosters en westers denken, kunnen wij nu ook enkele andere invloeden en stemmen aan het woord laten. Ook deze werpen hun eigen licht op de balance-act van de mensheid.

Bedenkt bij het volgende, dat ik tracht u stemmen en invloeden weer te geven, omdat zij een zeer bijzonder licht werpen op het op het ogenblik op aarde zo belangrijke spel van evenwicht en aantonen, dat niet alleen de onbewuste mens zich met dit spel bezig houdt. Om een verkeerde interpretatie te voorkomen, geef ik zoveel mogelijk verduidelijkende commentaren. Vestig daarop uw aandacht, vóór u de uitspraken op uw eigen wijze poogt uit te leggen.

Kort geleden werd in Hongkong weerom een boodschap weergegeven van de “Heer der Wereld”. Overgebracht door een gevluchte monnik was de inhoud daarvan ongeveer als volgt:

“De onvrede van de mensheid, het zoeken naar zelfrechtvaardiging en macht, heeft de evenwichten in deze wereld zover verstoord, dat krachten van buitenaf in zullen moeten grijpen. Het was mij, Heer der Wereld, niet langer onbeperkt mogelijk, de mensheid te beschermen tegen de gevolgen van haar ingrijpen tegen de wetten van de natuur. Ik zal hen waarschuwen met tekenen. Weerom zal de aarde beven. Weerom zullen de stromen buiten hun oevers treden en zal de wind vernietigend over de landen trekken, zo een teken gevend aan de mensheid, opdat zij weten mag dat er geen tijd meer is voor verder geweld.”

Van het voorgaande kunnen wij allen het onze denken. Maar wij mogen niet vergeten dat het slechts de interpretatie is van een boodschap en wel door iemand, die met deze boodschap toch ook belangrijkheid voor zichzelf zocht, zekerheid wilde kopen. De werkelijke boodschap was zeker nooit in dergelijke termen vervat. Het profetische element erin is verklaarbaar uit de gebruiken van de Tibetaanse monniken en werd haast zeker met nadruk vermeld om de invloed, die dit op de mensen daar pleegt te hebben. De boodschap zelf is echter werkelijk gegeven.

Overigens is het zeker denkbaar, dat bezielende krachten in de natuur zeggen, dat het onzinnig is spanningen steeds weer op te laten lopen en uitingen steeds weer uit te stellen tot zij ondragelijk worden en niet meer beheerst kunnen worden. Begrijpelijk is, dat zij stellen: laat de mensheid haar waarschuwing krijgen. Maar dan zullen de gevolgen van dergelijke rampen zeker niet zo groot en omvattend zijn, als men geneigd is te geloven. Een andere stem is die van onze meester en leraar, die op het ogenblik op aarde vertoeft. Hij sprak als volgt:

“Gij kent de waarheid en erkent haar niet. Daarom zeg ik u, het zwaard zal tot de wereld gezonden worden.” – Het zwaard wordt ook wel vertaald als Michael – “Het zwaard zal deze wereld louteren, opdat zij het zwaard zou vergeten. Want gij, die strijdt om het kleine, vergeet het grote: de broederschap van de mensen. Gij, in uw dorst, vergeet het Ene Ware: De Goddelijke Kracht, waaruit alles leeft”.

Ook dit is een boodschap, die te denken geeft. Ik wil nog opmerken, dat met ‘het zwaard’ een geestelijke kracht wordt bedoeld, niet stoffelijk geweld.

Er zijn nog vele andere bronnen te noemen, ofschoon het vaak moeilijk is, de juiste betekenis en inhoud te beseffen, omdat hierbij volksgeloof, overleveringen enz. een zeer grote rol spelen. Zonder kennis van deze achtergronden is echter een redelijke juiste interpretatie haast onmogelijk. Wat bijvoorbeeld te denken van een stem uit Mexico, die voornamelijk de aandacht heeft getrokken in Californië. Hier wordt gezegd:

“De aarde heeft de wetten overtreden. Ik heb u reeds mijn komeet aan de hemel gesteld – vermoedelijk wordt hiermee de komeet 61 A1 bedoeld – en u daarmede een teken gegeven.”

Het volgende deel vraagt een nauwkeuriger uitleg dan het voorgaande. Zou ik deze niet geven, dan zouden velen van u tot onredelijke angstdromen komen.

“De zuster van Luna, Lilith, zal als een rode gloed aan de hemel staan. Drie dagen zal de duisternis heersen, zo de mensheid zich niet hoedt, zal de ramp van Atlantis herhaald worden, want het geweld van de mensen tart de krachten Gods.”

Om deze raadseltaal te verstaan, dient men te weten, dat er mensen zijn, die geloven dat de eerste maan van de aarde, hier Lilith genoemd, in een grote parabolische of nauw elliptische baan uit het zonnestelsel werd weggeslingerd, toen Luna door de aarde als maan werd ingevangen. De poging de oude overleveringen wetenschappelijk te interpreteren brengt degenen, die dit geloven er  toe te stellen, dat deze eerste maan weg zou zijn geslingerd tot achter Arcturus. Het oude geloof stelt deze maan voor als een kracht, die betrokken is bij de belangrijke wisselingen van levensvormen en beschaving op aarde. Volgens de voorspelling zou dus deze maan terugkeren en daarbij waarschijnlijk de aarde benaderen, misschien zelfs de aardatmosfeer beroeren. Want een rode gloed betekent warmte. Weerkaatsing alleen zou deze niet brengen, dus zou deze maan ofwel de zon zeer nabij moeten passeren, dan wel de aardatmosfeer zelf voor een ogenblik beroeren, beide mogelijkheden met alle gevolgen van dien. Waarschijnlijk is dit zeker niet.

Bij nadere beschouwing van de bron blijkt, dat hier geen sprake is van een werkelijk kennen van deze mogelijkheid, doch slechts van een teruggrijpen op oude overleveringen. De schijn van wetenschap in de profetie zal voor menigeen misleidend zijn. Doch indien wij beseffen, dat hier christelijke en kabbalistische termen worden gebruikt in een beeld, dat direct ontleend is aan de Azteekse overleveringen van de vuurregen, die eens de goden zouden hebben gezonden om de grote beschavingen te beproeven, verliest de voorspelling zelf veel van zijn belangrijkheid. De gedachte echter, dat er iets in de hemelen is – stoffelijk of anderszins – dat in deze dagen kan ingrijpen op aarde, vinden wij in alle gegeven uitspraken – en vele anderen – terug.
Ook hier de gedachte, dat de mens balanceert op de rand van de ondergang, gecombineerd met het geloof of de voorspelling, dat een invloed van buitenaf zal komen, om een beslissing te brengen. Echter slechts de Meester op aarde, stelt daarbij ook de vraag: zal de mens dit wel kunnen en willen aanvaarden? Want, zo stelt hij, slechts de mens, die het heden kan aanvaarden, zonder het verleden daarom te verloochenen, of de toekomst reeds nu te willen bepalen, zal deze invloed als vreugde, Licht en kracht ondergaan.

Een oud verhaal vertelt ons, hoe eens een heilige derwisj de brug van het zwaard wilde over- schrijden, om in het paradijs van zijn welverdiende rust te gaan genieten. Nu had deze derwisj in zijn jeugd veel gespeeld en gelachen. Hij was gehuwd geweest. Kortom, de vreugden van de wereld waren hem eerst in latere levensjaren vreemd geworden. Nu, schrijdende over het zwaard, dacht hij echter niet meer aan de vreugden, die hij vroeger gegeven had, aan de vrienden, die hij toen gekend had. Toen dan ook zijn vroegere vrienden en de kracht van vergeten goede daden uit het paradijs op hem afzweefden, om hem bij het overschrijden van de gevaarlijke en smalle brug te helpen, meende hij, dat zij demonen, drogbeelden uit de afgrond waren. Strijdende tegen hen, struikelde hij en viel, voor zij in staat waren, hem het evenwicht te hergeven. Zo stortte hij, die allen heilig hadden genoemd, reeds tijdens zijn leven, in de hellekloof, omdat hij het verleden weigerde te erkennen. Ik meen, dat wij als gelijkenis ook deze legende – ongeacht dus de verdere inhoud van de verschillende stemmen – op de aarde van toepassing mogen verklaren.

Zeer zeker zal er op aarde binnenkort het een en ander veranderen. Ik geloof niet, dat dit in de vorm van grote rampen zal geschieden, of zelfs maar een niet te vermijden krijg betekent, waarin geheel de wereld betrokken zal worden. Wel geloof ik echter, dat de mensheid, juist omdat zij in zo grote mate onder suggestie leeft en werkt, juist omdat zij tot een té eenzijdig leven en denken wordt geschoold, binnenkort het goede uit het verleden, net zomin als de eigen fouten uit het verleden nog zal willen erkennen. Ik vrees daarom, dat de mensheid – of een deel daarvan – de hulp, die geboden wordt om terug te keren tot een waarlijk menselijk en menswaardig leven, namelijk een bewust, persoonlijk verantwoordelijk leven en streven, zal zien als een demonische aanval op haar rechten. Daarmede zou de mens inderdaad zichzelf tot ondergang kunnen doemen. Dit zou dan gelden voor allen, die persoonlijk de vernieuwing afwijzen.

U meent nu misschien, vrienden, dat ik somber spreek. Maar waarom zou u mijn woorden als somber beschouwen? Zijn mijn woorden niet tevens vol van beloften? De mens staat vlak bij het paradijs. Wat hem van dit paradijs scheidt, is de snede van het zwaard, de brug van de gerechtigheid. Indien de mens rechtvaardigheid weet te vinden in zichzelf, indien de mens eerlijk en oprecht durft te leven, voor zowel (….? Red.) als vanuit zichzelf, zal hij deze brug zelfs gemakkelijk kunnen overschrijden. De komst van het paradijs, het duizendjarig rijk op aarde, is bijna zeker. De profetieën zeggen ons, dat de mens niet te veel tijd meer heeft. Wanneer men weinig tijd heeft, zo leerde mij mijn leraar vroeger, dient men rustiger en zorgvuldiger dan vroeger te werken. Want wie weinig tijd heeft, heeft bovenal geen tijd voor vergissingen.

Misschien hebben de mensen inderdaad nog maar weinig tijd om de juiste houding te vinden, om de harmonie met de krachten van de vernieuwing in zich tot stand te brengen. Maar dan is het wel bovenal belangrijk, dat de mensheid leert in zich rustig te zijn, dat zij leert om, bewust strevende met de grootste eenvoud, de weg naar de vrede te vinden. Dan dient men als mens, desnoods langzaam en voorzichtig, maar voortdurend, te streven naar een waar menselijk bestaan.

De gedachte aan een ondergang wordt helaas ook vaak zeer suggestief gebruikt. De illusie bijvoorbeeld dat de wereld zal ondergaan wanneer er een oorlog komt, dat de menselijkheid teloor zal gaan, wanneer Rusland grotere macht zou krijgen, dat Amerika onder zou gaan, wanneer er raketbases gevestigd blijven op Cuba, dat de wereld zou ondergaan, wanneer het evenwicht tussen de grote atoommachten van heden verbroken zou worden e.d., wordt sterk beklemtoond. Maar dit is niet waar.
Deze stellingen zijn dwaasheid. Want zó liggen de feiten niet. Wanneer Rusland overwint, geheel de wereld beheersende, heeft Rusland een overwinning behaald. Maar wil, of kan Rusland nu ook alle mensen doden, die niet denken zoals de Russische leiders dit wensen? Geloof mij, ook de grootste sadist, de sterkste atheïst, de grootste fanaticus kan maar tot een bepaalde grens gaan met zijn moorden. Dan staat hij stil, of gaat zelf ten gronde. Zelfs de grootste voorstander van sociale regeling en maatschappelijke beheersing kan maar tot een bepaalde hoogte gaan met zijn deportaties. Er komt een ogenblik, dat men niet verder kan, dat men moet stoppen. Zelfs op het ogenblik, dat de uitputting optreedt, dat men niet verder meer kan gaan met zijn geweld, zal men in de minderheid zijn.
Wanneer de communisten vanuit Rusland de wereld willen regeren, zullen er zovele andersdenkenden zijn, dat zij tot een kleine minderheid worden, en dus met de meerderheid rekening moeten gaan houden. Een dergelijke minderheid zal zich, meestal ongemerkt en langzaam, bij het denken en de leefwijze van de meerderheid aan gaan passen, dat is onder meer in China genoegzaam bewezen.

Natuurlijk zou dit voor velen minder aangenaam zijn. Zoals een nieuw kleed vaak de leden schuurt en de drager onaangenaam is, maar door het dragen een soepelheid verkrijgt, waarbij zelfs het grove linnen zo zacht en strelend kan worden als zuivere zijde. Zo ging het in het verleden telkenmale weer. Veroveraars met barbaarse inzichten en ideeën vielen wereldrijken binnen en vestigden zich daar. Maar voor er enkele eeuwen verlopen waren, handhaafden de indringers nog strikter dan de oorspronkelijke bewoners de oude gebruiken en streden zij harder dan iemand anders voor het behoud van de waarden die zij zelf eens aangevallen hadden.
Men zal u steeds weer vertellen, dat het verlies van de vrijheid het grootste euvel is, dat de wereld kan bedreigen. Zolang u de vrijheid ziet als een reeks van rechten die buiten u bestaan, is dit waar. Maar is de ware vrijheid niet iets, wat leeft ín de mens zelf? Is de ware vrijheid niet het gevolg van de moed die de mens heeft, om het goede te doen, om juist te handelen en te leven, ongeacht de consequenties, die daaraan verbonden zijn? Is vrijheid niet eerder een begrip van de mens voor de trilling, die hem beheerst, de harmonie, die in hem bestaat met het hogere, dan iets anders? Deze dingen kan elke mens voor zich altijd behouden, of er nu uiterlijke vrijheid is of niet. Wie de vrijheid verliest door het geweld van anderen, heeft haar nooit werkelijk bezeten.

Men zal u voorhouden, dat de democratie misschien teloor zal gaan. Maar wat is dan die democratie? Het is de naam voor een vorm van leven die alleen tot werkelijkheid kan worden, wanneer alle mensen leren niet alleen aan zichzelf te denken, maar ook aan anderen denken. Of, dit is ook mogelijk, wanneer er maar zo weinig mensen zijn, dat de belangen van allen door eigen inwerking en besluit tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Geen van beide situaties treft op het ogenblik nog toe. Wanneer u goed nadenkt, wat kunt u dan eigenlijk verliezen, buiten uw illusies, uw gebondenheid aan onbelangrijke dingen en uw waan, dat u meer zijt dan een ander? Of, misschien het ergste wat een onbewuste mens kan overkomen, men verliest misschien de waan, dat het eigen denken, eigen denkbeelden de enig juiste zijn. Misschien vreest u ook de suggestieve invloeden te verliezen, die u het gevoel van zekerheid verschaften, dat u in uzelf niet wilde vinden. Maar andere dingen dan deze kan men niet waarlijk verliezen.

Er is geen reden tot angst, er zal geen wereldondergang zijn. Wanneer er een vlammend zwaard komt en dit zwaard is het vlammende zwaard van God, zal het dan hen, die waarlijk streven, niet verdedigen? Een zwaard van God kan ten hoogste een zwaard zijn, dat de zwaarden van de mensen – ook tegen hun wensen in – omsmeedt tot ploegen, atoombommen omvormt tot de krachtcentrales, waardoor alle mensen kunnen beschikken over de energie, die zij voor een menswaardig bestaan nodig zouden kunnen hebben. Indien wij werkelijk geloven aan een kracht van Licht en Liefde, zal dan zelfs niet het beven van de aarde, de toorn van de zon, het wankelen van de maan in haar baan, worden tot een bron van nieuwe zegeningen en nieuwe zekerheid? Waarlijk, er is niets te verliezen, wanneer dergelijke krachten ingrijpen, er is slechts te gewinnen.

Wanneer de mensheid echter werkelijk wil gewinnen, dan zal zij zonder aarzelen verder moeten schrijden op de snede van het zwaard, niet vragende wat ligt er beneden mij, wat laat ik achter mij, maar slechts zeggende: “ik vraag niet naar de waarden van gisteren, ik vraag zelfs niet naar het paradijs dat komen moet, maar slechts naar Gods vrede, die ik vind in mijzelf”. Hoe gelukzalig zou de mensheid zijn, wanneer zij op deze wijze in zich het goede leerde kennen. Dit alleen is de juiste denkwijze, alleen zo komt men tot de juiste wijze van leven, alleen zo blijft men bevrijdt van de misleidende suggestie en de waan, die angst en lijden betekent.

Bij de balance-act van de mensheid spelen andere dan zuiver menselijke invloeden mede een rol: zoals enerzijds een poging wordt gedaan om van de mens steeds meer een automaat te maken, zal anderzijds de geest samen met vele mensen strijden om de mens steeds meer bewust te maken van zichzelf, van zijn God. Waar enerzijds door mensen wordt getracht een vast cultuurpatroon te scheppen, waarbinnen de mens gebonden zal zijn, wordt anderzijds getracht de mens een inwijding te geven, waardoor hij niet meer gebonden zal zijn aan een patroon van handelen en denken, zoals dit bij mensen pleegt te bestaan, maar de goddelijke wetten en werkelijkheid binnen zichzelf geopenbaard zal zien. Laat mij weer de woorden die enkele stemmen daarover spraken, aanhalen:

“Het getal van gezonden leerlingen is nu 1880. Daarnaast heb ik mijn ingewijden uitgezonden. Over de gehele wereld is thans een net van Licht gebouwd. De gevoeligen, die de rechte weg kunnen gaan, zijn reeds gevonden en grotendeels opgenomen in het net – al weten zij dit soms zelf nog niet. Waarlijk, als een waas van Licht heb ik reeds nu mijn net gespannen rond de wereld. Gij, mijn broeders, hebt mij daarbij gesteund. Laat ons nu vragen om de steun van de Lichtende Krachten.”

Dit is een vrije vertaling van een deel van beraad binnen de raad van de Witte Broederschap. Deze stem geeft weer, hoe er wel degelijk op aarde uit alle krachten wordt gewerkt, om het innerlijk evenwicht binnen de mensen te doen ontstaan. Want al zouden duizenden krachten van buitenaf de mensen helpen, wanneer men geen innerlijk evenwicht bezit, zal het niet mogelijk zijn op de juiste wijze over de smalle snede van het zwaard te schrijden, zoals nu voor de mensheid noodzakelijk is. Wie echter een innerlijk evenwicht wint, wie de innerlijke zekerheid bezit, zal de smalste en gevaarlijkste weg zonder aarzelingen kunnen gaan. Want de mens, die in zich evenwicht en vrede weet te gewinnen, zal ook de kracht en de stem Gods in zich horen en daardoor zeker zijn waar anderen niet weten te besluiten, of aarzelen verder te gaan.

Laat ons nu aandacht besteden aan een andere stem:

“Alle krachten, die mij gehoorzamen, heb ik teruggeroepen. Tot hen heb ik gezegd: “dat het thans stil zij, want het is thans niet de tijd om het zoeken naar wijsheid vóór te doen gaan, zonder eerst aan de mensheid te denken”. Zo heb ik al de mijnen gezegd: “richt u op hen, die Licht brengen aan de mensen, wees hen tot steun en kracht, toon hen de wonderen, die gij eens alleen hebt getoond aan hen, die wijsheid zochten”.

Hier citeerde ik een deel van een bespreking in de groep van gezondenen, die niet meer stof gebonden zijn, maar zich op aarde nog plegen te manifesteren. De krachten, waarover hier gesproken wordt, bestaan ten dele uit elementalen, ten dele ook uit krachten van Lichtsferen, die astrale voertuigen bezielen.

Misschien kan ik het beste eindigen, door u iets te zeggen over de Stem van Licht zelf. Want de Lichtende Kracht, waarin wij bewust trachten te leven, krijgt soms een stem voor ons. Soms, niet altijd. Wie zal deze grote stem weergeven in woorden? Doch meen ik, dat dit voor mij ongeveer klinkt als het volgende:

“Omdat gij, ten koste van uw wezen en met al uw krachten de wereld met Licht hebt overgoten en de mensheid wilt beschermen, geef ik u Mijn Kracht. Ik schenk u Mijn Licht, opdat gij, binnen de wetten, die ik u gesteld heb, voltooien zult, wat gij aangevangen hebt.”

Wij allen ervaren dit ongeveer gelijk. Het is voor ons een wondergrote belofte, die vol vreugde is. Wanneer wij voortgaan en zelfs ons eigen wezen offeren willen, opdat uw wereld haar evenwicht zal kunnen behouden en de smalle brug tussen de tijdperken zal kunnen gaan, nu het noodzakelijk is, dat zij deze gang niet meer kan vermijden, zal het Licht zelf ons tot bron zijn van krachten, waaruit wij zonder einde zullen kunnen putten. Maar ook allen, die met ons verbonden zijn, allen, die binnen de Witte Broederschap werkzaam zijn, zullen deel hebben hieraan. Hoe groot is deze belofte! Daarom, vrienden, is de gang over het zwaard, de “proeve van balance”, die uw wereld af moet leggen, niet slechts het treurige beeld van een wereld die haar ondergang tegemoet gaat, maar eerder het beeld van een mensheid, die angstig en aarzelend de scherpe snede van het zwaard van de rechtvaardigheid betreedt om plotseling in zichzelf een weten en een kracht te vinden, waardoor zij in staat zal worden gesteld het paradijs, waarnaar zij hunkert, ook werkelijk te bereiken.

Mijn methode van betogen is voor u misschien verwarrend. Maar jullie, vrienden, moet goed beseffen, dat er in deze dagen alleen maar ménsen zijn. Er zijn zelfs geen nationaliteiten of huidskleuren meer. Alleen maar ménsen zijn er in deze dagen. Deze mensen als eenheid moeten de oplossing vinden. Alle pogingen om u iets anders wijs te maken, alle suggesties in andere richting zijn deel van de waan. Alle scheidingen en grenzen tussen mensen en volkeren zijn voor negen op tiende waan; waan, die men terzijde kan stellen, wanneer men de werkelijkheid van eigen wezen beseft en de waarheid van het leven wil aanvaarden.
Alle grote gevaren van atoombommen, van natuur die verstoord is, van reacties zelfs van natuurelementen op de haat die tussen de mensen bestaat, zijn eigenlijk een voorbijgaande flits, een bliksemschicht aan de horizon, een donderslag, die geen schade doet. Wanneer de mens niet schrikt daarvan, maar rustig er naar streeft om meer en eerlijker mens te zijn, terwijl de bui voorbijtrekt aan de horizon, zal hij beseffen, dat dit geen oordeel is, maar eerder een waarschuwing en een groet tegelijk, gegeven door Hogere Krachten. Meer niet.

Spreek, vrienden, niet te veel over het lijden van de mensheid; spreek alleen over het lijden van mensen dat u kunt delgen, persoonlijk. Spreek niet over de rechten die u hebt en over de fouten van anderen. Vraag u slechts af: waar kan ik, verantwoord en volgens mijn innerlijk weten, juist helpen. Vraag u af: wat is de kracht, die in mij leeft en beantwoordt de kracht, die in u bestaat. Zodra u ontdekt, dat deze kracht goddelijk is, is alles voor u goed. Wereldondergang, wereldvernieuwing, de komst van een nieuwe maan, de komst van een nieuwe meester, de wederkomst, en alle verhalen, die daaraan verbonden worden, zijn alleen maar een verschijnsel. Zij zijn niet de ál te stoffelijke werkelijkheid, die profeten en volgelingen er in willen zien. Maar als verschijnsel op zich zijn deze dingen toch belangrijk. Duidelijk zeggen zij: de mens voelt het aan, hij weet het innerlijk reeds: de mensheid staat aan het begin van de brug, die twee era’s met elkaar verbindt. Zij zeggen: voor de mens van heden is het moeilijk in deze dagen al het oude te doen komen. Daarom is hij bang. Maar toch voelt hij aan, dat de komende tijd de tijd van vrede, van het paradijs op aarde zal zijn, wanneer hij maar niet faalt.

Zo kondigt zich een waarlijk nieuwe tijd aan. Een tijd met nieuwe normen, met een nieuwe leer, met een nieuw begrip onder de mensen omtrent eeuwige krachten en waarheden zowel als zaken van meer stoffelijk belang. Een tijd, die goed, groots, heerlijk en Lichtend is. En wij weten in onze werelden, dat deze tijd in feite een bewustzijnstoestand is die veroverd wordt door de eenlingen in deze dagen, die zoeken naar het Licht en reeds nu geschapen en gevormd worden door de bewustere krachten. Deze tijd zal vooral veroverd worden door de mensen die, soms zich daarvan nog niet eens geheel bewust, deel uitmaken van het Lichtende net, dat de Witte Broederschap heeft gelegd om deze wereld.

Daarom, vrienden, vraagt deze tijd geen pessimisme, ja, is een dergelijke angstige neerslachtigheid strijdig met alle waarden van deze dagen, die reeds het teken dragen van een komende glorierijke vernieuwing. Vreugdige verwachting, eerder dan angst, is de juiste houding.

Dit sluit niet uit, dat de mens de feiten zelf onder ogen mag zien. Zeker, de aarde zal in de komende dagen wel eens ernstiger dan gebruikelijk beven. Het water zal nog in vele streken overlast bezorgen en ernstige stormen zullen wegtrekken over zeeën en continenten. Maar de offers aan mensenlevens hoeven niet groot te zijn, zij kunnen binnen redelijke perken worden gehouden door hen, die leren hun medemensen lief te hebben. Belangrijk zal daarbij wel zijn, dat men leert de medemens niet vooral te helpen, omdat hij deel uitmaakt van een bepaalde groep of zich bekent tot een bepaald beginsel, maar omdat hij mens is en zij die helpen mensen zijn.

In feite zijn deze dingen niet zo belangrijk, al zal men, wanneer zij eigen kring treffen, al te vaak menen, dat de wereld in gevaar is. Geloof mij, de wereld draait verder en zelfs het lijden op de wereld blijft beperkt tot het uiterst noodzakelijke. Wij geven, vanuit onze wereld, naar beste mogelijkheid en kracht alle steun en hulp, die wij maar geven kunnen. En dat is zeer veel. De wereld doet een balance-act tussen het waarlijk mens zijn en het verwerpen van ware menselijkheid, tussen de waarheid van leven en streven enerzijds en de bewuste onwaarheid, waarmede men eigen illusie wil behouden anderzijds.

Wie ook bij deze evenwichtsproef struikelen en vallen zullen, zeker is, dat zij die oprecht werken, leven en streven, behouden zullen blijven en dat de mensheid zal blijven voortbestaan. Zelfs de aarde zal aarzelen om enig levend wezen te verslinden, dat in deze dagen nog enig geestelijk Licht aan anderen kan brengen. De dood zelf zal lang aarzelen alvorens toe te slaan, wanneer het gaat om een mens, die een bron van Licht is in deze dagen.

Geloof mij, wanneer u uzelf belangrijk acht, is dit een spannende en droevige tijd. Maar wanneer men beseft slechts deel te zijn van een Lichtend geheel, dat dit leven slechts het vervullen is van een taak, zo zal men beseffen, dat dit een vreugdige tijd is. Dan zal men niet meer nadenken over rampen, die mogelijkerwijze komen, over oorlogen die dreigen, maar tijd en energie gebruiken om na te gaan, hoe men meer en beter mens met de mensen kan zijn, hoe men God meer in eigen hart kan laten spreken. Dan zal men de suggesties van gevaar en noodlot verwerpen, waarmee men u wil overspoelen om u tot een eenzijdig wezen te maken. Dan zal men vanuit zichzelf denken en spreken, zeggende:

“Hier, Mijn God, ben ik, staande tegenover U, deel zijnde van Uw Licht, kracht van Uw kracht.

Bewijs Uzelf door mij, zo dit Uw Wil is.”

Dan zal door de Goddelijke Krachten de aarde herschapen worden, dan zal het wankele evenwicht hersteld worden en zal de mensheid binnen kunnen treden in een paradijs, waarin de stroom van het leven vloeit als een parelende wijn, eeuwig geschonken voor hen, die het recht hebben vanuit werken en streven binnen te treden in de Lichtende Tuinen der Tijd.

Meer heb ik u niet te zeggen, vrienden. Ik dank u voor uw aandacht en hoop dat ik u iets van het Licht heb kunnen laten voelen, dat wacht voor iedere mens, die – ook al weet hij nog niet wat zijn werkelijke taak is – met ware aanvaarding en vreugde als mens onder mensen de Krachten des Lichts een woning wil verschaffen in sferen én wereld.

Moge de zegening van de Lichtende Kracht met u zijn.

Harmonie

Het eerste deel heeft u enig inzicht kunnen geven in alles, wat er aan de gang is op het ogenblik. Daarbij wil ook ik inhaken.

Allereerst wil ik daarbij het begrip harmonie nog eens onder de loupe nemen.

Harmonie is namelijk een zuiver persoonlijke kwestie. Wij kunnen wel zeggen, dat wij met de wereld in harmonie zijn – en dit kan voor ons geheel waar zijn – maar de vraag zal altijd blijven bestaan, of de wereld nu ook geheel met óns in harmonie is, of dat de disharmonische aspecten, die door de wereld in ons erkend worden, soms door ons zelf eenvoudig niet worden gezien en ervaren.

Daarom moeten wij uitgaan van het standpunt, dat voor de mens alle harmonie vanuit het eigen Ik gevonden moet worden. Je kunt nooit harmonie vanuit een ander verwachten of eisen. Doe je dit toch, dan zal je vastlopen en niets werkelijks kunnen bereiken.

Verder zult u al snel ontdekken, dat ware harmonie voor de mens niet in álle opzichten mogelijk is. Schijnbare kleinigheden zijn daarbij vaak bepalend. Ik denk aan een kunstenaar, die voor een stinkend, met kroes begroeid, slootje staat. Hij wordt misschien getroffen door de fantastische schoonheid van kleurschakeringen, lijnen en vormen. Dat komt, omdat voor de kunstenaar de ogen belangrijker zijn dan de andere zintuigen.
Iemand echter, die hoofdzakelijk met zijn neus de wereld beoordeelt, zal met dat slootje geen harmonie kunnen ervaren en zelfs met de kunstenaar tot disharmonie komen wanneer deze eist, dat de ander zijn schoonheidsbeleving hier deelt. Daarom meen ik te mogen stellen, dat de mogelijkheid tot het verwerven van harmonie ook nog voor een groot gedeelte bepaald – en beperkt – zal worden, door de harmonische waarden die je in anderen, in de dingen buiten je, erkennen kunt. Daarom is het betrekkelijk dwaas om te stellen, dat een mens met iedereen en met alles harmonisch zal moeten zijn.

Harmonie is een beperkte waarde, die alleen op een beperkte wijze voor de mens bereikbaar is. Wanneer de mens harmonisch wil zijn met de Geest, lijkt hem dit vaak buitengewoon gemakkelijk. Vooral wanneer je in de stof bent, lijkt het een koud kunstje. Want die geest is, althans voor de mens, een abstract iets. Men heeft er geen vaste voorstelling van. Men denkt bijvoorbeeld aan Gods Lichtende Kracht en stelt zonder meer: maar daarmee kan ik geheel harmonisch zijn. Men vergeet eenvoudigweg alle aspecten van dit Licht, die voor het Ik minder aangenaam zouden zijn.

Wanneer u met de geest – of Hogere Machten – harmonisch wilt zijn, is voor het werkelijk bereiken van harmonie niet alleen uw aanvaarding belangrijk, maar ook wel degelijk de inwerking, die vanuit het hogere op u plaats vindt. Dat maakt de zaak heel wat lastiger. Men kan nu immers menen, dat men, volgens God en de geest, volledig juist handelt, alles geheel goed doet. Maar dat is niet helemaal waar. Men heeft zich niet gebaseerd op een werkelijk bestaande harmonie, maar alleen op een theoretisch beeld, waarin men zelf de bevestiging van de hoogste waarden meent te onderkennen. De hoogste waarden zullen echter van deze voorstelling aanmerkelijk kunnen verschillen en in de mens bepaalde delen vertonen, waarmede zij niet harmonisch kunnen zijn. Dan zal juist de poging tot harmonie met het hogere in de mens als gevolg hebben, dat het hogere alles doet om de waarden, waarmede dit hogere binnen een mens niet werkelijk harmonisch kan zijn, te veranderen of uit te roeien. Gelukt dit niet, dan kan het een pijnlijk proces worden. Wij mogen dus hieraan toevoegen: harmonie met de geest kan wel algemeen als mogelijk worden gezien, maar aan de hand van de gevolgen hiervan zal toch iedere mens voor zichzelf moeten uitmaken, met welke krachten en werkingen in de geest hij of zij reeds nu en in feite harmonisch is. Hier tellen de feiten meer, dan de algemene stellingen van de mens.

Dit voert ons tot een vierde punt. In vele gevallen wordt harmonie gezien als iets, wat op een bepaald terrein bestaat. Zo kunnen bv. twee mensen geheel met elkaar harmonisch zijn op literair terrein, terwijl zij toch op ander gebied met elkaar voortdurend in strijd zijn en in wezen elkanders antithesen vormen.
Nu stelt in een dergelijk geval de mens: maar ik ben toch harmonisch op een bepaald punt? Dit is niet waar, niet juist. Het feit, dat u met een ander een bepaald punt van aanraking hebt, hoeft nog niet te betekenen, dat u werkelijk nu hierin ook met de ander harmonisch bent. In vele gevallen betekent het alleen, dat men in de ander zichzelf bevestigd ziet. En dat is heel iets anders. Wij mogen dus ook stellen, dat een eenzijdige harmonie, gebaseerd op één enkel punt van leven of beleven, niet bestaanbaar is. Elk stellen, dat deze harmonie voor het Ik het meest belangrijke is, houdt een overdrijving in van de belangrijkheid van de bevestiging van het Ik, die men in de ander meent te vinden.

Met deze punten heb ik getracht enkele aspecten van het begrip harmonie wat duidelijker en begrijpelijker te omschrijven. Het lijkt mij namelijk onaangenaam, wanneer men met zijn streven naar harmonie met het leven, met God, telkenmale weer vastloopt op minder aanvaardbare belevenissen, onverklaarbare gebeurtenissen en toestanden. Dit veroorzaakt immers innerlijk oproer, geestelijke opstandigheid enz. Daarom lijkt het mij goed, het begrip harmonie niet alleen vanuit de praktische werkingen en mogelijkheden te bezien, maar ook vanuit het innerlijk van de mens. Daarin komen namelijk ook bepaalde verschijnselen voor, die moeilijk verklaarbaar zijn.

Natuurlijk, wij zijn ergens met God in harmonie. Anders zouden wij niet leven. Maar het punt, waarop deze harmonie optreedt, is toch wel heel moeilijk te bepalen. Wat wij wel kunnen doen, is voor ons zelf vaststellen, met welke waarden binnen het geheel van de schepping wij bewust harmonisch zijn. Zodra wij dit doen, gebeurt er iets belangrijks. Op het ogenblik, dat men voor zich beseft harmonisch te zijn met bepaalde klanken, bepaalde kleuren, planten, dieren of mensen, heeft men voor zich eigenlijk de gemeenschap tussen het ik en de wereld, en daarmede ook met het hogere, waaruit die wereld voortkomt, gedefinieerd. Het gebied waarop men nu harmonisch kan zijn met God en alle waarden, is daarmee eigenlijk omschreven. De waarden, die men haat, verafschuwt, behoren tot dat deel van het al, waarmede men op dit ogenblik geen harmonie kan kennen. Dit geldt ook voor de kracht, waaruit die waarden zijn voortgekomen.

Onderzoekt men eigen wezen nu nader, dan blijkt, dat er bepaalde waarden in het leven bestaan, corresponderende met een deel van het Ik, waarbinnen men rust vindt. Daarin ligt iets, wat de mens innerlijk vrede geeft. De vaststelling hiervan zal, met de vele gebeurtenissen van het leven, soms moeilijk onmiddellijk te vinden zijn. Maar na enig onderzoek kan men toch wel zeggen: dit is een gedachte, een toestand, waarin ik rust vindt. De rust, die men innerlijk vindt bij het beleven van sommige dingen, of het mediteren daarover, is een bewijs dat men op dit punt contact heeft, niet slechts met de wereld, maar ook met de Lichtende Kracht, die binnen het eigen Ik geuit is.

Soms zal die kracht en dat punt van contact dus wel heel beperkt zijn. In andere gevallen zal het misschien een veelomvattend en groot gebied zijn.
In tegenstelling met de gangbare opvattingen is dit eigenlijk niet belangrijk. Men zal geneigd zijn – vooral wanneer het punt van aanraking met de hogere krachten klein lijkt – te stellen, dat men zichzelf zal moeten gaan veranderen, dat men een groter terrein van harmonie zal moeten vinden. Deze fout wordt door zeer vele, overigens ernstig strevende mensen, gemaakt. Zij beschouwen dan zichzelf als iemand, die, gezien de naar eigen en beperkt inzicht onvoldoende waarden – mislukt dus – voor onmiddellijke en zo volledig mogelijke vernieuwing in aanmerking komt. Vaak bestaat dan de neiging alles nu maar overboord te zetten, alle waarden van denken en leven, die tot op heden bestonden, eenvoudig weg te doen en opnieuw te beginnen. Dit echter zal in de meeste gevallen niet lukken.
Dan zegt mens: ” Waarvoor leef ik eigenlijk? Zal ik ooit nog verder komen?” Dit is echter onjuist. Want wanneer wij ergens in het Ik maar één klein punt vinden, waarmede wij rust kunnen hebben, waarmede wij gelukkig kunnen zijn, dienen wij te stellen: “Zie, hierin ligt nu voor ons het hogere, God”. Dan kan men van daaruit alle oneffenheden in het Ik, alle disharmoniën, die er bestaan, zover overwinnen, dat men tenminste de disharmonische verhoudingen in eigen leven niet meer groter maakt. Wanneer men in zichzelf deze rust maar kan vinden, is het goed. Men hoeft dus niet zichzelf helemaal te gaan veranderen. Door het aanvaarden van het innerlijk rustpunt, door vooral steeds weer van dit punt uit te gaan, zal de mens langzaamaan zijn gehele levenshouding veranderen.

Een opvallend, maar belangrijk verschijnsel hierbij is dat de mens niet meer vergt, dat anderen hem de vrede zullen schenken, maar eerder voelt, dat hij, dankzij de rust die in hem bestaat, ook anderen rust en vrede kan gaan geven. Natuurlijk geldt dit niet onbeperkt. Men kan niet zichzelf geheel weg gaan schenken aan de wereld. Want wanneer men zichzelf zóver weg gaat cijferen, dat er geen plaats meer voor het Ik over blijft, verliest men al snel ook het contact met de God in het Ik. En dan heeft men helemaal niets meer, ook geen binding met de oneindigheid, zodat men niet meer verder komt.
Beter is het het innerlijke contact boven alles te handhaven. Daarbij zal men uitgaan van het standpunt, dat men de misschien niet geheel te vermijden disharmoniën voor zichzelf en anderen zoveel mogelijk zal gaan beperken. Daardoor wordt het element van verschil en onbegrip, dat de mensen in de wereld voornamelijk bedoelen, wanneer zij over disharmonie spreken, minder. De mens vindt in de wereld minder tegenstand, tussen hem en het leven is er minder wrijving. Soms zal men geneigd zijn eigen grootheid en waardigheid wel wat al te fel te verdedigen, anderen daardoor aanvallen. Maar zelfs dit is niet over belangrijk, zolang men daardoor niet wordt verhinderd, de krachten, die in het Ik wonen, ook verder te ondergaan en uit de rust, die nu de kern van eigen wezen uitmaakt, te putten.

Daarmede heb ik, naar ik hoop, duidelijk gemaakt, hoe men ook vanuit zich het begrip harmonie moet hanteren, hoe men dit in verhouding tot eigen leven en wezen moet zien. De rust in jezelf, waardoor je voor een ogenblik één kunt zijn met God en de schepping, waardoor je kunt zeggen: “nu ben ik, al is het maar voor één enkel ogenblik, gelukkig”. Waar dit punt van rust dan precies is gelegen, is van minder belang. Wel dient het in verband te staan met hogere waarden, zodat het niet zuiver materieel mag zijn.

Heeft men dit alles voor zich gevonden, dan zal een volgende conclusie daaruit onvermijdelijk volgen, namelijk, dat elke harmonie, hoe beperkt ook, tussen de mens en het hogere bestaande, gelijktijdig ook een bron is van kracht. Natuurlijk kan men niet zeggen: “Ik heb nu harmonie, ik vind daarin kracht, dus zal ik de wereld gaan veroveren, of mijzelf een inwijding scheppen, die mij voert tot de hoogste werelden.” Dit is niet mogelijk.
Wel kan men stellen: de kracht, die ik in mijzelf vind binnen dit punt van rust, geeft mij de mogelijkheid, rijker en daadrijker dan voorheen te leven. Het punt van rust is een heiligdom, waarin ik mij terug kan trekken, waarin ik mij kan herstellen van alle schokken, die mij van buitenaf beroerden. Hier kan ik zelfs de nieuwe wijsheid en het nieuwe geluk vinden, dat voor mijn ontwikkeling noodzakelijk is. Met de zo gewonnen kracht en objectiviteit kan ik voorkomen, dat rond mij nieuwe disharmoniën ontstaan en kan ik de betekenis van bestaande disharmoniën steeds verder verminderen.

Heeft men dit alles eenmaal in de praktijk leren kennen, dan zegt de theorie verder: Naarmate in het eigen wezen het punt van beroering met het Hogere groter is, zal de kracht die aan het Hogere ontleend kan worden door bewust streven, intenser van werking worden. “Groter” wordt hier niet gebruikt in de zin van omvang, maar in de zin van sterker, intenser. Wanneer een mens uit een enkel beperkt punt, al is het alleen maar een zuiver geloof, zonder verder iets daarbij, God in zich kan beleven, zal hij daaruit krachten weten te putten, waarmee hij in de wereld praktisch kan werken.

Nu zien wij hierbij een zeer eigenaardig verschijnsel optreden. Wanneer een mens deze kracht eenmaal in zich heeft, weet hij vaak niet goed, wat hij er mede moet doen. Toch voelt men zich gedrongen het contact met het Hogere steeds intenser te beleven. De krachten, zo in het Ik verzameld, kunnen dan zelfs tot het tegendeel worden van vrede, zij worden in de mens tot een bron van voortdurend stijgende onrust. Het is begrijpelijk: dergelijke mensen voelen in zich een kracht, of erkennen in zichzelf een nieuwe gave, maar weten er geen weg mee. Zij wensen dan de kracht of de gave op hun eigen wijze tot uiting te brengen, waarbij niet de werkelijke geaardheid van de kracht of de ware inhoud van de gave telt, maar men zich steeds weer baseert op eigen denkbeelden en wensen.

Om een vergelijking te gebruiken, iemand die over alle middelen beschikt om apen te voederen, wil daarmede met alle geweld honden gaan dresseren. En zal waarschijnlijk voor zijn moeiten nog gebeten worden bovendien. Een mens die uitermate geschikt is om vreugde te brengen, door de ernst van anderen een ogenblik te breken, wil bv. dramatische rollen spelen of filosoof worden en in deze waardigheid door anderen geëerd worden. Dit nu is onmogelijk. Men dient allereerst te begrijpen, dat enkel de harmonische krachten, die in het Ik ontstaan, buiten het ik tot uiting kunnen komen. Wanneer men tenminste de beperkingen van eigen bestaan en de beperkingen van de wereld buiten het Ik wil aanvaarden.
Anders zal ook de uiting buiten het Ik moeilijk worden, of zelfs onmogelijk blijken te zijn. Het is dus niet eigen wezen, eigen denken en eigen verlangen, dat beslissen kan, wat er gaat gebeuren en hoe de harmonische krachten zich buiten het Ik manifesteren, of de gaven tot uiting komen. De vraag is eerder of men bereid is deze kracht of gave, zo zij in het Ik werkt of ontstaat, in het Ik door te laten werken en zo nodig bepaalde beperkingen of bepalingen te laten stellen in eigen bestaan – zelfs wanneer deze minder aangenaam zijn. Dit geldt voor de geest, zowel als voor in de stof. Aanvaarden wij kracht, gave en beperkingen of regels, zodat de uiting van hetgeen in ons leeft in overeenstemming kan zijn met de door ons innerlijk bereikte punten van rust en harmonie, dan zal door het Ik de Goddelijke werkelijkheid onmiddellijk in de wereld buiten dit Ik gemanifesteerd zijn, niet volgens eigen verlangen misschien, maar juist, scherp en krachtig gedefinieerd.

Men meent misschien, dat men alleen maar vaag met anderen mee ‘goed’ moet doen, om aan alle eisen te beantwoorden. Maar ook dit is niet juist. In het leven heeft iedere mens a.h.w. een solopartij. Dat al die solopartijen gezamenlijk tot één geheel samenvloeien en de orkestratie van de goddelijke harmonie binnen de schepping vormen, is voorlopig voor ons niet van belang. Menigeen meent, dat hij of zij nu gelijk ook alles moet doen en kunnen. Dat doet mij denken aan een paukenist die stelt: de Léonore ouverture leeft in mij, om daarna te zeggen: laat dus de rest van het orkest zich nu maar stilhouden. Wanneer hij dan begint er alleen op los te roffelen, blijft er van de ouverture weinig of niets over. Anderen, die hem horen, worden eerder aan een negerdorp in de rouw herinnerd, dan aan de compositie die hij meent te vertolken.

Hoe vreemd eigenlijk, dat zovele mensen er niet tevreden mee zijn hun eigen partij te spelen, alsof het de enige belangrijke solo was in het geheel, maar steeds weer het gehele orkest in één willen zijn. Begrijpen zij dan niet, dat geen enkele mens daarvoor de nodige middelen, de daarvoor noodzakelijke instrumenten bezit en, zelfs indien hij er over kon beschikken, deze niet gelijktijdig alle zou kunnen bespelen? God is de dirigent en ieder van ons dient onder zijn leiding de eigen partij te spelen, op eigen instrument en volgens eigen mogelijkheden. De één is misschien een eerste of tweede viool, een ander speelt waldhoorn, klarinet, fluit of fagot enz. Wat het instrument ook is, dat je gegeven is, het is het instrument, dat voor jou het juiste is. Daarop dien je je eigen partij te spelen, meer niet. Je hebt er ook niets mee te maken, dat een ander vals speelt, of niet voldoende krachtig meespeelt. Jouw taak is het, je eigen partij zo goed mogelijk uit te voeren. Meer niet. Elke musicus, die met een orkest speelt, weet, dat dit zo is. Natuurlijk kan men soms trachten de fouten van een ander te herstellen, of zelfs tijdelijk een deel van de partij van een ander over te nemen. Maar tenzij de dirigent anders beslist, is het de eerste taak eigen aandeel goed te volbrengen.

Op deze wijze alleen kan het melodisch harmonisch werken van het orkest ontstaan, alleen door deze wijze van werken is het mogelijk, dat een partituur op de juiste wijze wordt verklankt. Bedenkt nu, dat elke mens, die eenmaal dit punt van innerlijke rust heeft gevonden, daarmede tevens het instrument heeft leren kennen, waarmede hij of zij in het lied van het leven mee moet spelen. Probeer vooral niet toch een ander instrument te nemen. Stel u eens voor, dat een mens, die alleen een opleiding als violist heeft gehad, opeens een belangrijke partij sousafoon wil gaan blazen. Ieder begrijpt, dat zo iemand uit de sousafoon geheel geen geluid krijgt? Of ten hoogste een onzindelijk geproest, dat de anderen slechts stoort. Dezelfde resultaten kunt u verwachten, wanneer u in het leven anders tracht te zijn en te handelen, dan u werkelijk bent en kunt zijn. Want alle Goddelijke kracht, die door uw wezen over de wereld kan uitstromen, is deel van uw eigen persoonlijkheid geworden en kan alleen vanuit de werkelijke persoonlijkheid van de mens tot uiting worden gebracht. Ga dus steeds uit van het feit, dat u uw eigen partij in het leven moet spelen, ook al zeggen duizenden anderen, dat u beter geschikt zou zijn voor iets anders. Met anderen hebt u niets te maken. Uw wezen is uw instrument, de Goddelijke kracht uw taak. Daarmede zult u in het leven Gods wil moeten volvoeren.

Wanneer je de huidige toestand echter bekijkt, ontdek je al snel, dat de meeste mensen elke partij in het leven willen spelen buiten de ene partij, die voor hen is geschreven. Wij willen bv. graag goed zijn. Dan gaan wij niet uit van alles, wat voor ons goed is, maar gaan uit van het goede, zoals anderen dit kennen – en dan liefst nog in de meest algemene zin. Deze fout heeft tot vele onevenwichtigheden geleid. Wanneer men de wereld van heden beziet, schrikt men van de vele disharmonische aspecten, die zich vertonen. Gaat men na, hoe deze ontstaan, dan blijkt, dat deze disharmoniën steeds weer daar ontstaan, waar de mens wil beantwoorden aan de eisen en verwachtingen van anderen en daarom anders handelt en leeft, dan hij werkelijk is.
Wanneer bv. een geboren revolutionair na het volbrengen van zijn taak meent regeerder te kunnen of te moeten worden, blijkt hij als wetgever niet te deugen en loopt alles mis. Ik zou meerdere dergelijke voorbeelden kunnen geven. Deze mensen zijn niet met zichzelf tevreden. En voor alles moet een mens tevreden kunnen zijn, met wat hij is, zich competent voelen voor alles, wat híj moet doen. Daarom is het belangrijk, dat men zich steeds weer afvraagt, of men werkelijk zijn eigen innerlijk tot uiting brengt in de wereld.

Tracht ook niet vrienden, dit eigen ik te uiten, maar daarnaast nog 4 of 5 andere dingen te zijn. Wees datgene, wat je in jezelf erkent. Zet alle andere gedachten opzij. Maak je niet druk, vorm je geen illusies. Laat je niet beheersen door allerhande voorstellingen en herinneringen, die uiteindelijk alleen maar schakels zijn in de werkelijkheid. Stel steeds weer: ik moet nu leven, zoals ik nu ben, daarbij steeds weer de rust in mijzelf voor alles als punt van uitgang beschouwende.

De grote moeilijkheid hierbij is, dat men niet altijd gevormde ideeën kan blijven handhaven, ofschoon men eigenlijk zijn standpunt niet goed meer durft te wijzigen. Iemand, die altijd heeft beweerd dat de atoombom noodzakelijk en niet gevaarlijk is, behalve voor de vijand, zal het als een haast onmogelijke taak beschouwen om een nieuwe overtuiging tot uiting te brengen en bv. te stellen: Ik ben er nu van overtuigd, dat zelfs alle proeven met atoombommen gevaarlijk zijn. Men is geneigd de oude ideeën te blijven verdedigen, zelfs indien men eigenlijk allang beter weet, ja, door het handhaven van de oude stelling innerlijk ongelukkig en zonder enige innerlijke harmonie voort moet leven. Het lijkt te moeilijk. Toch is het noodzakelijk. Want de mens moet altijd weer terug weten te keren tot zijn innerlijke weten, zijn eigen wezen, naar de band, die hij met zijn God heeft. Op het ogenblik, dat deze niet meer bestaat en men desondanks de oude weg verder gaat, heeft men zijn God en zichzelf verloochend. Ook anderen kunnen daarvan het slachtoffer worden. Wanneer een instrument ergens in het concert een aangehouden toon in c- bes heeft te geven, dan is dit goed. Maar zij mag niet langer worden aangehouden dan noodzakelijk. Want anders zou het geheel daardoor verstoord worden. Slechts door zich voortdurend aan te passen aan de eisen van het heden, zal de mens waarlijk innerlijke rust en kracht, waarlijk harmonie met wereld en hogere waarden kunnen verkrijgen.

Ten laatste wijs ik erop, dat de doorsnee mens altijd behoefte heeft om te doen, om te scheppen. Hij meent, dat men als mens nu eenmaal niet leeft om met de handen in de schoot te zitten en niets te doen. Menigeen beseft niet, dat het bestaan alleen al belangrijk kan zijn. Er is een bepaald muziekstuk, waarin op een bepaald ogenblik twee bekkenslagen voorkomen. De duur van het stuk is 35 minuten. De man die de bekkens bedient, zit dus de gehele tijd eigenlijk alleen maar te wachten en doet schijnbaar niets. Maar als in de derde beweging het effect van die twee bekkenslagen weg zou vallen, zou er iets mankeren.

De mensen dienen te beseffen dat het bereiken van innerlijke harmonie en de daarmede verbonden krachten, niet altijd zal betekenen, dat men daarmede nu ook metéén dient te gaan werken. Het betekent al te vaak een lange tijd van wachten. Wachten in schijnbare daadloosheid, tot dat ene ogenblik is gekomen om de kracht te uiten. Dan is het doel van het leven, het werkelijke bereiken dus eigenlijk een voortdurend wachten tot het ene ogenblik komt, waarop men kan uiten, wat in het Ik leeft. Indien ook u soms vele malen rust, schijnbare onbelangrijkheid enz. in het leven aantreft, moet u niet zeggen dat u geen nut hebt. Wacht rustig op dat ene ogenblik, waarop uw wezen en krachten tot inzet moeten komen daarmede is dan uw werkelijke taak, de zin van geheel uw leven reeds vervuld.

U, mijn vrienden, bent nu eenmaal niet geboren om voortdurend de wereld te hervormen en beter te maken, om er steeds weer op uit te trekken zonder te weten waarheen, als kruisridders, die uittrekken om een nieuw Jeruzalem te gaan bevrijden, zonder zelfs maar te weten, of het werkelijk bestaat en zo ja, waar het dan wel te vinden is. Hogere krachten kunnen dit wel, u echter nog niet, want u leeft nog als mens op de wereld. Bedenk, dat u, wanneer u, zoals zovelen, geen geduld hebt, niet wilt wachten, meent misschien, dat hetgeen nut heeft wanneer u zo maar meedraait, dat het geen nut heeft alleen maar te blijven wachten, wordt uw ijver voor uzelf en anderen gevaarlijk. Dan grijpt u misschien in, wanneer het niet past, verstoort u voor anderen de mogelijkheden, die zij hebben, of breekt u het ritme, de melodie van de bewustwording.

Geroepen zijn betekent voor heel veel mensen onmiddellijk beginnen anderen van dit geroepen zijn te overtuigen. Daardoor falen zij dan in hun eigenlijke taak en zullen zij nooit tot de waarlijk uitverkorenen behoren. Want de uitverkorene volgt de Meester op diens roep en gehoorzaamt aan zijn stem.

M.a.w. vrienden, de waarlijk uitverkorene zal alleen handelen vanuit de Meester, alleen vanuit de kracht, die hem leidt, maar hij rust vredig, wanneer die stem hem geen taak geeft. Wanneer u zich bewust wordt van de ware inhoud van het menselijke leven, zult u gaan beseffen dat een groot deel van het menselijke leven eigenlijk zonder belang is, een wachten op iets, wat misschien wel nooit zal komen, een wachten op Godot. Op God. Maar God komt altijd. Alleen niet, zoals wij hem plegen te verwachten en niet op de tijd, dat Hij volgens ons zou moeten komen.

Voorbereid te zijn op zijn komst, is de zin van het leven, het wachten, is de taak.  Vandaaruit volgt al het andere als vanzelf.

image_pdf