Begeerte, wil en genezing

image_pdf

17 juni 1963

Ons onderwerp brengt ons vandaag in contact met de begrippen: wil, begeerte en genezing. Nu denkt u misschien dat ik een inleiding ga houden over geestelijke genezing. Neemt u me niet kwalijk, dat staat niet in het onderwerp.
We zullen het hebben over de samenhangen tussen deze drie begrippen.
Dan wil ik allereerst stellen, dat de wil in feite een uiting is van begeerte. Wij willen iets omdat het voor ons belangrijk is, en naarmate wij in staat zijn ons meer te concentreren op datgene wat wij belangrijk achten, wat wij zouden willen bezitten – dus wat we begeren – zullen wij ook meer aandacht eraan besteden en is onze wilskracht groter.

De mens, die zich tot gewoonte maakt datgene wat hij het wensen waard acht na te streven met volledige concentratie, heet een wilskrachtig mens.
Die wilskracht is echter niet alleen afhankelijk, zoals u misschien denkt, van wat men geesteskracht zou kunnen noemen.
Wilskracht wordt voor een groot gedeelte ook bepaald door interne secreties.
De mens heeft in zijn lichaam allerhande afscheidingen, en die bepalen niet alleen of hij wat lui, wat laconiek of wat stormachtig is – daaraan kan een mens vaak niets doen, aan de karaktereigenschappen wel te verstaan.

Zo zal het ook wel voorkomen dat een mens wilsslap is, niet omdat hij niet wil, maar om de doodeenvoudige reden dat zijn lichamelijke gesteldheid het hem haast onmogelijk maakt die wil voor hemzelf door te zetten.
Hier bega ik natuurlijk een grote zonde, want wilskrachtige mensen worden altijd vereerd. Maar een werkelijk wilskrachtig mens – dat moet u me niet kwalijk nemen – is heel vaak enigszins monomaan, d.w.z. hij ziet alleen zijn ene doel, offert daaraan zonder na te denken alles op en probeert datgene wat hij belangrijk acht door te zetten, zelfs ten koste van zichzelf.  De minder wilskrachtige mens doet dit dus niet. Kort gezegd, wil is een samenspel van lichaamskrachten en lichaamssappen, plus inzicht van begeerlijkheid, plus de mogelijkheid zich op het begeerde geheel te concentreren.

Dan hebben we het begrip: begeerte. Begeerte kan men uiteen laten vallen in twee delen.
Er zijn bepaalde begeerten die zuiver lichamelijk zijn. Zij komen dus niet voort uit een denkbeeld, zelfs als je er niets van af zou weten zou de begeerte nog bestaan, want zij is een lichamelijke noodzaak. Wij vinden dit aspect terug bij voeding, bij rust, bij het z.g. moedercomplex, waarbij men dus de geborgenheid zoekt terug te vinden, een mogelijkheid om zich volledig en vol vertrouwen te ontspannen. We vinden dat terug in bepaalde aspecten van seksualiteit. Al deze aspecten van begeren, uit het lichaam voortkomend, kunnen we niet beheersen.
Begeren kan niet werkelijk worden beheerst zodra het uit een lichamelijke bron voortkomt.
Het kan onder omstandigheden worden gesublimeerd, d.w.z. dat men dank zij zijn voorstellingsvermogen de oorspronkelijke lichamelijke drang ten dele – maar nooit volledig – vervangt door een denkbeeld waaraan men wel kan beantwoorden.

Het tweede deel van de begeerte is gebaseerd op het voorstellingsvermogen.
Wanneer een mens zich dingen voorstelt, dan gaat hij niet uit van de werkelijkheid. Hij gaat uit van datgene wat hem persoonlijk aanvaardbaar lijkt, en die aanvaardbaarheid betekent heel vaak, dat hij zijn eigen mogelijkheden verkeerd inschat, zijn eigen capaciteiten en persoonlijkheid volkomen verkeerd beziet. Hij bouwt een droombeeld op. Dit droombeeld begeert hij.
Iemand die op zo’n manier begeert zal heel vaak de verwerkelijking van zijn begeerte zien als iets ontnuchterends, een teleurstelling. Deze vorm van begeren heeft vaak ook hogere elementen in zich, zodat bepaalde vormen van idealisme bv. onder deze vorm van begeerte kunnen worden gerangschikt. De grote drijfveren hierbij zijn, eigen verhouding tot de maatschappij, erkenning van het maatschappelijk geheel, plus waardigheidsbegrip in de maatschappij. Hier is dus de omgeving al bepalend.

Nu we deze twee punten althans enigszins hebben geformuleerde, komen we tot de ziekte. Als er genezing is moet er ziekte zijn, hetzij van de geest, hetzij van de stof.
We weten dat de ziekte van de geest over het algemeen niet wordt erkend, die van de stof eerder. Maar in beide gevallen – geestesziekte en stoffelijke ziekte – moeten we er rekening mee houden, dat zij een oorzaak moeten hebben. Die oorzaak kunnen we soms uiterlijk vinden. In dat geval zal de binnendringende wereld – in de vorm van microben of virussen – ongetwijfeld ziekte veroorzaken. Maar zelfs dan blijft de vraag bestaan, of de mens zich niet beter daartegen zou kunnen verzetten. In heel veel gevallen neemt de vatbaarheid nl. toe naarmate de onbevredigdheid in de persoon toeneemt.

Wat is dan verder kentekenend? Wanneer ik niet tevreden ben met mijzelf of met de wereld, moet ik daarvoor een verklaring zoeken. Deze verklaring moet mij gelijktijdig ontslaan van de verplichting om te streven. Ik wil iets en ik voel dat ik het niet kan, of ik meen dat ik het niet kan bereiken. Dientengevolge leg ik mijzelf beperkingen op, ik word lichamelijk ziek.  Kentekenende ziekten hiervoor zijn bepaalde verschijnselen van reumatiek, vele zenuwontstekingen, verder vaatontstekingen en ook kleine zweren aan de spijsverteringskanalen (de maag), die in heel veel gevallen kunnen worden teruggevoerd tot dit onbevredigd bestaan.  We kunnen zelfs zover gaan dat we zeggen dat de zenuwontsteking en de reumatische verschijnselen over het algemeen voortkomen uit een behoefte aan, of een angst voor lichamelijke activiteiten, terwijl de ontstekingen die voortkomen uit de idealen die men niet kan verwerkelijken, of die men vreest te verliezen, meestal voorkomen bij aandoeningen van het hart, de maag, het darmstelsel.

Hier hebben we algemeen gesteld, dat de ziekten kunnen ontstaan door middel van een toestand van onbevredigd zijn. Let wel, dit is niet een woord dat u nu alleen maar moet zien in de meest bekende associaties van, maatschappelijk een verschoppelingetje zijn, of oude vrijster/oude vrijer worden.  Dat doen de mensen vaak. Ze kennen nl. maar twee dingen, de maatschappelijke mislukking of – laat ons zeggen – de lichamelijke mislukking. Er zijn heel veel tussentrappen te vinden.

Nu ik dit zo aansnijd, moet ik natuurlijk ook beginnen te praten over de genezing. Genezing is het tot stand brengen van een zodanige harmonie, dat alle organen in het lichaam op een juiste wijze met elkaar samenwerken, daarbij zo weinig mogelijk giftige stoffen en afvalproducten onnodig veroorzakend.
Harmonie dus, maar kun je harmonisch zijn wanneer je in strijd bent met jezelf?
Wanneer het een kwestie is van een lichamelijke begeerte, dan is de oplossing soms betrekkelijk eenvoudig te vinden. Wanneer er bv. honger bestaat, en we geven aan die honger zoveel toe dat er een stilling, maar geen verzadiging, ontstaat dan kunnen we er zeker van zijn dat het lichaam daarop gunstig reageert.
Er zijn gevallen te over bekend dat – jonge meisjes bv. hebben daarvan nog wel eens last, maar ook de heren der schepping kunnen daarvan klaarblijkelijk niet helemaal vrij blijven – in de puberteitsjaren – en kort daarna – een aantal kwalen en kwaaltjes zich gaan vertonen. Daaronder vinden we bepaalde migraines: de hoofdpijn, waardoor je je kunt afzonderen van de wereld, waarin je vreest te falen. We vinden daaronder verder ook weer de reumatische verschijnselen.
Die jongelui zijn verder heel vaak wereldvreemd, hebben geheugenmoeilijkheden en wat erbij behoort. Dan komt het huwelijk en binnen enkele weken blijken al die kwalen niet meer te bestaan.  Dan is hier dus klaarblijkelijk een zuiver lichamelijke kwestie opgeheven door een zuiver lichamelijke bevrediging. Een bevrediging die ook psychisch bepaalde achtergronden heeft, maar waarbij we toch wel de nadruk kunnen leggen op het zuiver stoffelijk aspect. Het is hier een kwestie waarbij enzymen en hormonen een grote rol spelen.

Maar hoe het ook zij, wij kunnen dus heel vaak een ziekte genezen door tegemoet te komen aan een al dan niet bewust erkend begeerte element. Nu blijkt echter ook, dat er in sommige gevallen een soort oververzadiging ontstaat, en dat daarna diezelfde kwalen weer optreden. Wat blijkt dus ook? Een al te volledig tegemoetkomen aan het begeerte element in het leven betekent verzadiging. Verzadiging betekent weer dezelfde spanning en weer dezelfde ziekte.

Conclusie: voor zover het het lichamelijke betreft, zal de mens moeten uitgaan van een gulden middelmaat, waarbij hij aan al zijn behoeften tegemoet komt, maar nimmer zo ver dat hij volledig verzadigd, volledig en blijvend tevreden is. Dit punt betreft dus het zuiver lichamelijke.
Wanneer we denken aan de geestelijke achtergronden – die dus ook de begeerte elementen in zich dragen – dan komen we al heel snel tot een ver uiteenlopend aantal verschijnselen. Er zijn bv. mensen, die in zich een beeld dragen van hun mogelijkheden.
Ik wil u weer een voorbeeld geven, neemt u me niet kwalijk dat ik het uit het huwelijksleven trek. Het is natuurlijk niet denkbaar dat iemand van die soort hier aanwezig is.
Er is een vrouwtje. Zij is uit liefde gehuwd. Ze had een aanbidder die naar haar idee op dat ogenblik niet bevredigend was, maar die nu president-directeur van een groot concern is, en haar eigen man heeft het niet verder gebracht dan boekhoudertje. Nu gaat zij op een gegeven ogenblik denken aan al wat zij zou kunnen hebben, indien ze een andere keus had gedaan. Dat is op zichzelf normaal, een droomleven. Maar zij gaat nu die begeerten – de omschrijving dus – zien in vergelijking met haar eigen leven, en al wat zij daarin ontbeert. Hetgeen zij volgens haar idee in het andere geval zou hebben verworven, beschouwt zij als een offer dat zij moeizaam en pijnlijk heeft gebracht ten koste van haar eigen verdienste.

Dan hebben wij hier een ziektegeval, dat in de eerste plaats het huwelijksleven erg moeilijk zal maken – er zijn hieruit heel wat scheidingen voortgekomen – en in de tweede plaats de vrouw steeds ziekelijker maakt. Want zij denkt dat zij recht zou hebben op personeel. En wanneer zij zelf iets moet doen, dan staat haar dat geestelijk tegen. Zij zegt: “Ik kan dat eigenlijk niet. Dat had ik toch eigenlijk niet behoeven te doen.” En wat zegt ze dan? “Ik voel mij niet goed. Ik heb zo’n pijn in m’n lenden. Ik heb zo’n hoofdpijn.” En dan probeert zij onze boekhouder de afwas te laten doen, de luiers te laten spoelen en wat erbij hoort. Zij doet dat niet om die man te vernederen of uit te buiten, maar zij doet dat om tegemoet te komen aan haar idee van een grotere waardigheid, van een grotere luxe dan ze in feite bezit. Natuurlijk kan de wereld op den duur haar geen handhaving van die illusie toestaan, ze is en blijft mevrouw de boekhoudster. Het resultaat is dat deze vrouw verbittert, dat haar hele lichamelijke bestel in de war komt door deze voortdurende ontevredenheid, en dat haar wil om, althans uiterlijk, zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de eisen, op zichzelf weer nieuwe spanningen wekt.

Wanneer wij dus moeten uitgaan van die geestelijke kwesties, dan moeten we in de eerste plaats wel stellen:
Een ieder die droomt van idealen, welke niet met zijn eigen middelen en in zijn eigen werkelijkheid te verwezenlijken zijn – die dus vertegenwoordigd zijn in zijn eigen mogelijkheden – maakt voor zichzelf een optreden van ziekte waarschijnlijk.
Wanneer deze ziekte geestelijk is dan vinden we afwijkingen, zoals bv. mensen die kleptomaan worden, die ruimtevrees krijgen, of omgekeerd, die bang zijn voor gesloten ruimten. Hoogtevrees e.d. zijn heel vaak de verschijnselen van een dergelijke innerlijke onvrede. Niet altijd natuurlijk. Hoogtevrees en ruimtevrees kunnen voortkomen uit een aandoening van de evenwichtsorganen, die door geweld van buiten kan zijn ontstaan. Maar dat is in verhouding zeldzaam. In negen van de tien gevallen zijn deze manische verschijnselen en ook de manisch depressieve verschijnselen, die wij steeds meer bij de mens zien, dus het resultaat van een droom die niet in de werkelijkheid past.

U zou zeggen, dan is er maar één oplossing. Je hebt je wil, je vermogen, je eigen middelen, doe er zelf wat aan. U zou tegen het huisvrouwtje in mijn vergelijking kunnen zeggen: “Goed, ga zelf werken. Je bent eens secretaresse geweest, word weer secretaresse, dan verdien je meer, dan kun je tegen de buren op. Doordat je over meer middelen beschikt kom je in andere kringen, en misschien maakt je man ook promotie.” Ja, maar dan zou ze moeten werken. En theoretisch zou ze dat ook wel graag doen – officieel doet ze het alleen niet, omdat haar man het niet wil – maar in de praktijk is ze er bang voor. Ze wil eenvoudig de consequenties van haar wensen, van haar wensdroom, van haar begeerte niet aanvaarden. Ze weigert eenvoudig dit te accepteren. Zij zegt tegen zichzelf en tegen de wereld: “Ja, maar ik, arm ziek wezen, ik heb er recht op dit voor niets te krijgen.”  En dat is natuurlijk volkomen onwaar.

Laat ons maar weer een voorbeeld nemen om duidelijk te maken wat ik bedoel.

Er is een dame of een heer – u mag zelf kiezen – in een stad, die grote behoefte heeft aan bloemen in huis. Hij of zij woont in een grote wereldstad, het is dus niet zo gemakkelijk ze goedkoop te krijgen. Er komt een goedkope bloemenman langs en hij roept misschien met een bel zijn waarschuwing uit, dat hij mooie rozen heeft. Nu staat de persoon in kwestie zich net – als het een dame is – op te maken – als het een heer is – te scheren. Hij of zij ziet die mogelijkheid en zegt later: “Nu, dat is toch jammer. Ik kon die rozen niet kopen, want ik stond mij te scheren”, of “Ik stond mij nog op te maken.”  Is dat juist? Neen.
Wanneer die meneer de moeite ervoor over had gehad om desnoods met de scheerzeep op zijn gezicht naar de voordeur te lopen en de man te wenken, dan had hij ze kunnen kopen.  Als mevrouw er niet tegenop had gezien eventjes half opgemaakt a.h.w. een kamerjapon aan te schieten en naar buiten te gaan, dan had ze rozen kunnen kopen.
Maar zij wilden zich niet in een onvoldoende staat van sierlijk uiterlijk aan de buitenwereld vertonen. Met andere woorden, zij wilden de consequenties van de verwerkelijking van hun wens niet accepteren. Zo zijn er mensen, die zeggen: “Ja, maar metselen, dat kan ik niet.” Zij zeggen niet, ik zal het proberen. Want steen op steen leggen, is nu niet zo’n grote kunst, het is alleen vermoeiend. En het duurt een tijd voordat je precies weet hoe het hoort, zeker. Maar je kunt het leren. Als iemand zegt: “Ik zou een huis willen bouwen, maar ik kan het niet”, dan zegt hij in feite: De consequenties daaraan verbonden zijn voor mij onaanvaardbaar. Maar dat geef je voor jezelf niet toe.

En hier blijkt dus de wil niet sterk genoeg te zijn.
Men is niet eenzijdig geconcentreerd op de bereiking van zijn doel – desnoods monomaan – neen, men stelt een wens, maar men verwacht een verwerkelijking zonder dat men daar verder veel aan af of toe behoeft te doen.
Als u dit nu heeft geconstateerd dan zult u begrijpen dat dus de kwestie van ziekte, veroorzaakt door een disharmonie met de omgeving, in heel veel gevallen zou kunnen worden opgeheven. Indien er voldoende wil aanwezig is, een voldoend besef dat men tegemoet moet komen aan de werkelijke noodzaken van zijn leven, dat men desnoods moet experimenteren, als het niet anders kan, maar dat men niet eenvoudig moet zeggen: “Ik arme” en zich een uitvlucht aanmeten in de vorm van een lichamelijke kwaal, die men dan zelf tot werkelijkheid maakt. Nu ik dit heb gesteld moeten we genezing verder bezien.

Wat zou u ervan zeggen wanneer ik constateer dat gemiddeld, van tien Amerikanen met een inkomen dat boven de $ 7.000 ligt, er zes te enigerlei tijd onder psychiatrische behandeling zijn en tenminste drie onder voortdurende psychologische of psychiatrische behandeling blijven? Deze mensen grijpen dus klaarblijkelijk naar een uitvlucht. Zij willen ziek zijn en zij willen genezen worden. Wat zij nodig hebben is suggestie.

En driekwart van de geneeswijze van de psychiaters is dan ook alleen maar gezond verstand en suggestie. De ontrafeling van allerhande Oedipuscomplexen e.d. is vaak meer ter bevrediging van de patiënt dan een werkelijk doelmatige behandeling. De medicatie die wordt gegeven is vaak geheel onschuldig, ze doet denken aan de vroegere broodpil, compleet met een drankje van aqua distillata. Het heet heel ingewikkeld en is meestal onschadelijk.
Wel geeft men aan vele patiënten middelen, die een zekere euforie veroorzaken, een gevoel van doezelend welbehagen.

Dit, vrienden, moet u toch wel iets te denken geven over uw moderne maatschappij. Klaarblijkelijk beantwoordt de moderne maatschappij niet aan de werkelijke levenseisen van de mens. Enerzijds spiegelt zij hem mogelijke bereikingen voor die in feite niet bestaan, zij tovert hem irreële beelden van welvaart en van verplichting voor, die eveneens niet werkelijk bestaan, en zij eindigt vaak met hem in een milieu te zetten, waarin hij noch de noodzakelijke ontspanning kan krijgen, noch de voor hem noodzakelijke gerichtheid van leven, die we dan wil of wilskracht plegen te noemen.

Zolang uw leven van buitenaf wordt bepaald, is in een moderne maatschappij de kans groot dat er een ziekte ontstaat. Ze is ongeveer één op vier. Hoe die ziekte verder verloopt is altijd weer een raadsel. Degene die zich met de genezing ervan wil bezighouden zal over het algemeen dus allereerst moeten trachten te begrijpen waarom de patiënt ziek is.
Wanneer de moderne geneeskunde in haar systeem van ziekteverzekeringen of van ‘national health’ – zoals in Engeland – faalt, dan is dit grotendeels omdat zij aan de behandelende geneesheer de tijd niet meer laat om de achtergrond te leren kennen. De geneesheer geeft medicijnen, terwijl het in feite beter zou zijn, wanneer desnoods een lekenpsycholoog die mensen de gelegenheid gaf hun problemen, hun verwardheid te uiten én vooral hun de illusie te geven dat zij een wil hebben. Want hier treedt een eigenaardig verschijnsel op: Op het ogenblik dat wij een mens een wil kunnen suggereren – een wil tot leven, een wil tot genezing, een wil tot bereiken – blijkt deze mens zijn wezen niet alleen te richten, maar hij maakt het zich ook mogelijk om te leven, te genezen of te bereiken.

Een voorbeeld:

Een patiënt, kort geleden in het Academisch Ziekenhuis in Utrecht opgegeven door alle doktoren, werd na veelvuldige operaties terzijde gelegd.
De man had betrekkelijk weinig reacties, totdat hij bezoek kreeg van zijn zoontje. Wat dat zoontje precies heeft gezegd wil ik hier buiten beschouwing laten, het is niet van groot belang, hetzij u voldoende te weten, dat deze man voelde dat hij moest leven voor zijn zoontje. Zijn begeerte om te leven was groter dan zijn begeerte om van alles af te zijn. Deze patiënt, opgegeven door de medici, neergelegd om te sterven, die men nog enkele uren te leven gaf, begon vanaf dat ogenblik op te knappen. Na ongeveer 7 dagen was hij zodanig hersteld dat men zelfs een aanvullende operatie – die men tot nu toe achterwege had gelaten – uitvoerde. Het eindresultaat, deze patiënt – die op het ogenblik nog in het ziekenhuis is – zal binnen enkele weken worden ontslagen én zal waarschijnlijk in zijn leven, ondanks zijn lichamelijke belemmeringen – men heeft een paar organen moeten verwijderen, of men méénde een paar organen te moeten verwijderen – beter passen dan vóór zijn ziekte.

Waarom? Zijn zoontje gaf een motivering.
Wanneer wij ons bezighouden met genezing – of dat nu normale genezing, geestelijke genezing, of wat anders is – dan is het eerste dat wij nodig hebben een motief. Niet een motief dat alleen onszelf betreft, want bij het beschouwen van de intensiteit van wil die de mens kan opbrengen blijkt dat, zolang het alleen om hemzelf gaat – althans in zijn erkennen – de wilskracht betrekkelijk gering is.
Maar naarmate hij meer een doel kan stellen voor het belang van een ander, vooral wanneer zijn eigen belangen daarmee gedekt worden, zal hij intenser en vollediger streven. Ook indien deze wenselijkheden zinsbedrog zijn, dan blijkt nog dat eigen gezondheid, prestatievermogen e.d. toenemen door het bezitten van een doel.

Ik wil mijn inleiding niet al te lang maken, maar ik moet er toch even op wijzen, dat voor de meeste mensen een absoluut bevredigend doel alleen niet meer te vinden is in de wereld.  Nu is dat begrijpelijk. Je begint een zaak, je wordt publiekrechtelijk bedrijfsgeorganiseerd en vanaf dat ogenblik sukkel je met een redelijk inkomen naar je ouderdomsrente toe. Je begint een groot concern, het is best. Maar als je niet al heel veel invloed hebt en dus in feite wat met de wetten kunt spotten, dan zul je op den duur zien, dat je langzaam veroudert, of dat je je invloed steeds verder aan anderen moet prijsgeven.

Dus de idee van bereiking – bv. van directe macht – is er voor de doorsnee mens niet bij. Slechts hij, die met de illusies van anderen wil spelen, kan nog iets bereiken. Hij begeeft zich dan meestal in de politiek of in het geloof. Alle anderen hebben dus geen impulsen die direct in de wereld kunnen liggen, en als zodanig worden zij wilszwak, zij laten zich gemakkelijk verleiden om een andere houding aan te nemen dan eigenlijk wenselijk is, zij gaan heel vaak tegen hun eigen begrip van goede belangen, of van het meest juiste in. Zij scheppen disharmonie, niet omdat zij dat willen, maar omdat zij geen doel hebben om hun eigen neiging tot harmonie scheppen te overwinnen.
Daarom zoekt de mens dus naar God. U zult zeggen, nu komt God er ook nog bij, ja.
Maar in dit geval dus als therapeut, genezer.

Een mens, die een volledig geloof vindt aan een God, die van hem eist dat hij gezond is, die van hem eist dat hij iets presteert, blijkt door zijn geloof een wilskracht te kunnen opbrengen die haast ongelooflijk is. Zou die God hem verder zijn normale begeerten toestaan, dan zal die mens bovendien een zeer lang leven kunnen hebben.
Hij zal gelukkig zijn en hij zal voor zichzelf en zijn omgeving veel presteren.
Wij kunnen hier het begrip ‘God’ natuurlijk vervangen door andere namen en waarden, het dienen van een geestelijke Meester, het behoren tot een geestelijke groep, het vinden van een inwijding, zijn alle elementen die dezelfde waarde hebben die ik hier aan God toeschrijf.
Zij geven in de eerste plaats een gerichtheid aan het wezen.
Een mens, die in zich een gerichtheid bezit, kan deze vaak overdragen op een ander.

Wij noemen dit soms suggestie, maar heel vaak gaat het verder dan de suggestie. Omdat die mens – doordat hijzelf volledig gericht is – iets wil, met uitsluiting van al het andere, zonder voorbehoud, zonder denken aan consequenties – hij ziet dat als de ene noodzaak – zal hij zijn eigen levenskracht geheel afstemmen op de bereiking. En die bereiking betekent voor hem een zekere situatie, te midden van de harmonie, geestelijk en stoffelijk, waarin hij verkeert. Door deze houding schept hij rond zich een sfeer, die hij kan overdragen op anderen.
In sommige gevallen komt daarbij de directe overdracht van vitaliteit en dan hebben we dus de perfecte magnetiseur, maar ook de perfecte psychiater, ook zelfs de perfecte psychosomaticus, in vele gevallen zelfs de perfecte geneesheer.

Een zekere bezetenheid is noodzakelijk. Zonder die bezetenheid, zonder een zeker fanatisme kan een mens niet waarlijk gelukkig zijn. Het is niet aan mij om alle aspecten van de moderne tijd, die invloed hebben op het begeerteleven van de mens, hier uiteen te rafelen.
Bijvoorbeeld, al heb je ook maar 2 kilo was in de maand, je moet een wasmachine hebben, want de buurvrouw heeft er één: statussymbool. Een gewone sigarettenaansteker van – laat ons een prijs noemen – ƒ2,00, is heel goed en betrouwbaar, maar als men deftig wil zijn dan moet men er één hebben van ƒ150,00, ingelegd met goud.

Begrijpt u wat ik bedoel?  Statussymbool.
Men heeft dus de begeerte elementen uit het reële overgebracht naar het irreële. Het behoefte element bestaat, maar het wordt gesublimeerd. En het wordt niet gesublimeerd in de juiste richting, nl. door een afleidingsmanoeuvre, door een zekere compensatie te geven voor een honger of een gemis, maar eenvoudig door het te verplaatsen naar een commercieel vlak. Daardoor is de wereld erg verward geworden. Nu is dat niets nieuws. Niet voor niets heeft John Kennedy kort geleden gezegd, dat deze wereld een zeer verwarde wereld is, in een moeilijke tijd, tijd van vernieuwing en verandering. Laat ik hem dan hier voor een enkele keer aanhalen als iemand, die een waarheid heeft gezegd, zij het dat dit voor rekening van zijn schrijver komt.

Hier is het dus inderdaad een kwestie van een aanpassing aan de wereld. Wij moeten de begeerte elementen tot de juiste verhouding terugbrengen. Wij moeten aan de wil een achtergrond geven, waardoor zij in het leven inderdaad kan domineren en daaraan richting geven. En wij moeten door deze harmonie een gezondmaking, niet alleen in zuiver materieel, maar ook in geestelijk opzicht, voor de mens mogelijk maken.
Om dit tot stand te kunnen brengen zullen we in de eerste plaats het begeertepatroon moeten breken. Een begeertepatroon, dat berust op irreële waarden, kan worden vervangen door een begeertepatroon van meer reële en stoffelijke waarden, indien wij vele taboes e.d. omver werpen.
Wij moeten de moed hebben om ronduit met elkaar te spreken, om te handelen naar ons werkelijk begrip. Wij moeten kunnen afrekenen met de illusie en dan komen we verder.
In de wereld is dat moeilijk tot stand te brengen, tenzij door verwarring te veroorzaken, juist op dezelfde terreinen, die de verwarring op het ogenblik reeds tot stand hebben gebracht. En daarmee een ziekelijkheid, die op het ogenblik toch ongeveer de helft van de wereldbevolking omvat, een geestelijke ziekelijkheid. Van lichamelijke kwalen spreken we nog niet eens. Als we die erbij gaan tellen dan komen we tot 9/10 van de wereldbevolking die ergens ziek is. Hier wordt vuur met vuur bestreden. Maar deze dingen zonder meer te doen, zonder meer een taboe terzijde te stellen, heeft geen waarde, want daarmee valt alleen maar een deel van de spanning weg, zonder dat daardoor de mens een nieuwe activiteit krijgt.

Hij moet dus een doel zien in hetgeen hij gaat volbrengen.
Wanneer de mens dit doel kan putten uit de geestelijke kracht – en die is op het ogenblik overal ruimschoots vertegenwoordigd – dan vindt hij dus de juiste motivering voor zijn daden, waarmee hij  wel degelijk tegemoet komt aan zijn begeerte elementen, maar in dit eraan tegemoet komen gelijktijdig zijn gebondenheid aan vele illusoire beelden breekt.  De mens wordt minder gecompliceerd, hij wordt eenvoudiger en daardoor gezonder.

We moeten nu een conclusie trekken en ik zou deze als volgt willen stellen:

De ziekte op deze wereld is grotendeels het gevolg van een verkeerde benadering van de problemen in het leven, het bestaan van illusies omtrent rechten, verhoudingen en mogelijkheden. Verder het handhaven van vele in feite voor de mens – in groter verband levende, zoals op het ogenblik – niet meer passende totems, taboes e.d.
Hieruit ontstaat een disharmonie, die zich uit in lichamelijke en geestelijke ziekten. Genezing kan worden verkregen door de ziektetoestand, die geestelijk en vaak ook stoffelijk en lichamelijk bestaat, te breken en te vervangen door een meer gezonde.
Maar dan moet dit alles zin hebben in de ogen van degene die dit doet. Want slechts indien hij zich daarmee geheel verbonden voelt, zal hij er inderdaad iets mee bereiken.
Daarbij moet hij inderdaad alle vooroordelen achterstellen bij het ene doel, dat zijn leven beheerst. De wil is het middel om je leven te richten op één bepaald doel.

Uitgaande van de innerlijke mens kan worden gezegd dat het grote ego, dat zich op aarde voor een kortere tijd verwezenlijkt in een menselijke vorm, een vast doel heeft, dat niet altijd overeenstemt met de direct menselijke bedoelingen of richting.
Door nu de essentiële waarden van dit ego te erkennen, en gelijktijdig daaruit een doel op deze wereld – dus niet in het hiernamaals maar op deze wereld – voor zich samen te stellen, kan men komen tot een vergroting van wilskracht, oorspronkelijk alleen inhoudende een bevrijding van het ‘ik’, later voerend tot een steeds verdere beheersing van het ‘ik’, waarbij een harmonischer en doelmatiger bestaan op den duur een genezing inhoudt – met het verkrijgen van krachten die teloor zijn gegaan, door het verkeerd behandelen van begeerte elementen, het afwezig zijn van de volledige wilsdrijfveer – en zo de mensheid kan terugbrengen tot die status, waarin zij waarlijk bewust haar weg kan gaan: mens sana in corpore sano.

Vragen.

  • Door omstandigheden komt een vrouw alleen te staan. Het gevoel van eenzaamheid wordt steeds doordringender, zelfs tijdens drukke werkzaamheden en ontspanning. Is dat gevoel van eenzaamheid door wilskracht te genezen of is daarvoor een andere weg te vinden?

We hebben hier dus te maken met een direct probleem. Nu moet ik allereerst stellen, een vrouw komt alleen te staan, d.w.z. dat haar wereld verandert.
Wanneer zij blijft hunkeren naar de wereld die zij in het verleden had, dan hebben we hier dus te maken met de projectie van een wereld, die niet meer reëel is.
Ik heb dit bij “begeren” onder het tweede hoofd behandeld. En in dit geval is dat door wilskracht zonder meer niet te overwinnen. Want je kunt niet een bestaande honger – dat is het ten slotte – sublimeren, zonder dat daarmee gelijktijdig een totaal nieuw doel verbonden is. Anders gezegd, je kunt niet het verleden enerzijds blijven verheerlijken en anderzijds gelijktijdig vervangen.

Wanneer u hiervoor een oplossing zoekt moeten we beginnen met te stellen: Het element ‘eenzaamheid’ zal voor een groot gedeelte mede verbonden zijn met een gevoel van: ik wordt persoonlijk niet gewaardeerd. Dat lijkt misschien overdreven, vooral door de gestelde drukke werkkring, maar de behoefte aan persoonlijke erkenning – dus een identificatie van het ‘ik’ met een ander door deze erkenning – is afwezig. We zullen dit moeten zoeken.

We kunnen dit niet zoeken met de wil zonder meer. Alleen wanneer wij dit irreëel willen gaan zien – en daarvoor zou een bepaalde vorm van godsgeloof bv. goed zijn – kan je zeggen: Ik treed in het klooster, waarbij men dan de erkenning door de wereld, de bevrediging a.h.w. die men vindt in het contact met een ander, dus overdraagt op een imaginaire godheid.

Hierbij moeten wij nog opmerken dat de kwelling van eigen vlees ook vaak de sublimatie kan zijn van de seksuele honger. Het lijkt mij dat deze oplossing niet reëel is.  Dan is er dus maar één oplossing te vinden.

Punt één: Deze eenzaamheid vloeit voort uit een terugverlangen naar iets, dat niet meer is of kan zijn.
Punt twee: Ik kan alleen ontsnappen aan dit dwangbeeld door er iets anders voor in de plaats te stellen.
Dit andere kan ik niet alleen zuiver geestelijk of ideëel ervoor in de plaats stellen, tenzij ik mijn gehele leven zonder meer daaraan ga wijden. Ben ik daartoe niet in staat of wens ik dit niet, dan zal ik dus een vervangingswaarde moeten zoeken, waardoor:

  1. De waardering voor mijn persoonlijkheid groter wordt, zodat ik mijzelf meer gewaardeerd of erkend gevoel.
  2. Ik zal voor mijzelf de rechtvaardiging daarvan moeten vinden. En dit kan ik alleen door terug te keren tot het eigen oerwezen, uitgaande van het standpunt dat de stoffelijke beleving dus niet alleen maar ligt in het volgen van de wetten die stoffelijk zijn erkend, maar in het volgen van een innerlijke wet, die nooit gebonden kan zijn aan bepaalde entiteiten of persoonlijkheden, maar altijd gebonden is aan de kosmos.
  3. Een derde punt is – en dat zou ik er als een soort raad aan kunnen toevoegen – probeer voor uzelf een begrip te krijgen van de veranderingen, de grote vernieuwingen, die er op het ogenblik op de wereld plaatsvinden. Probeer deze geestelijk mee te beleven, probeer daarin een doel te vinden dat u nastreeft en waaraan u zich a.h.w. geestelijk en stoffelijk kunt wijden.

En vindt dit alles geen verwerkelijkingsmogelijkheid, dan is er nog maar één oplossing, zoek een vervanging voor dat wat was, die in uw ogen gelijkwaardig is. Maar die laatste oplossing is m.i. een noodoplossing.

  • Gedurende de z.g. overgangsjaren van de vrouw vinden veranderingen in het lichaam plaats met vaak fysieke klachten. In hoeverre kan men zich hier zelf genezen?

Het klinkt misschien heel eigenaardig wanneer ik dat stel, maar deze fysieke klachten komen voort uit een gebrek aan noodzaak. Wanneer wij te maken hebben met iemand die voortdurend lichamelijke arbeid moet verrichten, of hij wil of niet, die dus geen tijd heeft om zichzelf te beklagen, dan blijft zo iemand over het algemeen ook redelijk gezond. Maar hoe meer tijd men heeft om te letten op de kleine verschijnselen – hoe meer men zich dus daarmee bezighoudt – des te ernstiger de verschijnselen worden, doordat men er de nadruk op legt. Mag ik een vergelijking geven?
Iemand had een steenpuist aan de lies, een tamelijk pijnlijke plaats, zoals u weet. Het was in de tijd van de ruiters. Deze man moest rijden, of hij wilde of niet. Hij heeft pijn gehad, maar de noodzaak snel verder te gaan heeft ervoor gezorgd dat
punt 1: het rijpingsproces aanmerkelijk versneld werd
punt 2: het doorbreken haast ongemerkt geschiedde
punt 3: een ontsmetting gemakkelijker mogelijk bleek
punt 4: dat dus de hinder ervan geen taakbelemmering vormde.
Vergelijk dit met iemand die op het ogenblik dezelfde kwaal heeft – een lichte graad van furunculose bv. – en die daardoor niet in staat is om zijn werk te volbrengen, die zegt niet meer te kunnen lopen enz.
Ik geef dit voorbeeld om u even duidelijk te maken dat noodzaak kwalen overwint. Er zijn mensen die verlamd zijn en die door een plotselinge schrik ineens kunnen lopen. Ik zou meer voorbeelden kunnen geven.

Realiseer u dus als vrouw in de overgangstijd, dat elk u voegen naar uw klachten, deze verscherpt. Dat u het best doet normaal verder te leven, zover het u mogelijk is en daarbij aan de psychische zowel als aan de fysieke noodzaak zoveel mogelijk tegemoet te komen. Beschouw uzelf dus niet als ouder of als ‘nu uit de running’; dat is voor sommige vrouwen ook een pijnlijk verschijnsel. Ze hebben het idee: nu word ik oud, nu tel ik niet meer mee.  Begrijp dat u precies dezelfde blijft en dat u door geen aandacht aan uw kwalen te besteden, wel meer dan gewone zorg te dragen voor hygiëne, zult ontdekken dat uw klachten in verhouding minder zijn en dat u over het algemeen gelukkiger bent.

Een aantal ongemakken zijn natuurlijk niet te voorkomen. Maar vergeet niet dat de vrouw in de moderne samenleving die lichamelijke bezwaren over het algemeen veel erger voelt dan noodzakelijk is.
Ik denk hier bv. aan de menstruatieperiode, die aan de vrouwen die regelmatig op het land werken, de vrouw die geen tijd heeft om zich ermee bezig te houden, doorgaans slechts geringe moeilijkheden bezorgt, maar de moderne vrouw vaak met allerhande klachten laat zitten.
De kwestie van een zwangerschap, die wederom bij vrouwen die op het land werken soms haast ongemerkt voorbijgaat, in die zin dat het normale werk wordt volbracht, dat de geboorte veelal plaatsvindt enkele uren nadat de werkzaamheden zijn beëindigd, soms zelfs tijdens de werkzaamheden, en de vrouw in kwestie een dag nadien weer in staat is haar normale arbeid te verrichten.

Ik noem deze verschijnselen om u duidelijk te maken dat het hier niet in de eerste plaats een kwestie is van het lichaam, maar van de mentaliteit waarmee het verschijnsel wordt benaderd. Hoe meer men zichzelf tegemoet treedt in zijn zwakte, hoe meer men probeert iets bijzonders van zichzelf te maken, door aan die zwakteverschijnselen een onttrekken aan verplichtingen, of een erkennen van bijzondere rechten of voorzorgen meent te kunnen ontlenen, hoe ernstiger de klachten worden.
De genoemde verschijnselen zijn nu eenmaal in het lichaam aanwezig en zijn niet te vermijden. Maar wij kunnen er wel rekening mee houden dat de psychische zijde ongeveer 70% van de bezwaren inhoudt, terwijl de werkelijk fysieke verschijnselen ten hoogste een derde bedragen van wat u meent te ondergaan.

  • Het vervangende doel moet bereikbaar en toepasselijk zijn in deze wereld. Maar oude mensen hebben soms geen aspiraties meer voor deze wereld; zij zien daarin geen mogelijkheden meer. Hoe kunnen we hen bevrijden uit hun beperkte horizon?

Ik geloof niet dat u een oudere kunt bevrijden uit zijn beperkte horizon. Het is nl. zo, dat een ouder wordend mens steeds minder nieuwe indrukken intens pleegt op te nemen, naarmate hij meer aandacht gaat besteden aan wat hij zijn herinneringen noemt.
Het is voor een oud mens moeilijk veranderingen te accepteren. En naarmate men – meestal op middelbare leeftijd reeds – meer in een bepaald spoor is gaan leven, zal dus de ouderdom beperkter zijn in zijn mogelijkheden.
Dit vooropgesteld.
Een oudere mens mogelijkheden te geven alleen in het hiernamaals, betekent echter die mens van zijn wereld vervreemden. Dat kan niet. Daarom lijkt het mij voor een oudere mens het best te pogen om die mens een zekere belangrijkheid te verschaffen. In de eerste plaats door aan te tonen dat hij nog een taak heeft in het leven, door hem – al is hij ouder en doet hij het niet meer zo goed als een jongere – bepaalde taken over te laten.
Een bepaalde taak, een zekere activiteit is nodig.
In de tweede plaats zou het volgens mij goed zijn om de ouderen te doen inzien, dat zij door de jongeren te begrijpen, maar gelijktijdig hun eigen ervaringen in dit begrip te verwerken voor de jeugd, ze buitengewoon veel kunnen betekenen.
Het is niet voor niets dat we – wanneer we de opvoeding van mensen nagaan – meestal ontdekken dat de grootouders een zeer sterke invloed hebben gehad op het latere gedragspatroon.
De denkwijze wordt grotendeels door de grootouders bepaald, terwijl de genegenheidsuitingen en de benadering van de buitenwereld als geheel daarentegen een sterke imitatie inhoudt van de ouders.
Voor een oudere mens is dus t.o.v. jongeren wel degelijk iets te doen en te bereiken.

Ten laatste, wanneer u een oud mens ziet, dan bent u aan die oudere – omdat hij oud is – een zekere mate van respect verschuldigd. Hij heeft nl. reeds geleefd. Hij heeft dus meer mogelijkheden gehad dan u. Voor deze mogelijkheden – en niet voor zijn resultaten – zult u hem een zekere welwillende eerbied moeten geven. Dat kan niet anders.
Deze eerbied tegenover de ouderen kan ook worden verkregen en gegeven, mits de oudere begrijpt dat het verkrijgen van die eerbied inhoudt een wederkerig respect.
U kunt alleen eerbied verwachten, waar u zelf respect geeft.
De oudere kan nimmer verwachten dat ‘zijn’ wereld en zienswijze voortdurend worden herhaald. Hij moet begrijpen dat zijn zienswijze en wereld de wortel is waaruit de huidige wereld is opgebloeid. Door die mens dus te leren zijn eigen beperkte wereldje te zien in verband met het heden, kun je die oudere al direct een nieuw inzicht geven in zijn bestaan, hij krijgt meer waarde.
Leer verder die mens dat hij, alleen door in zijn leven vriendelijkheid te geven – en niet zoals vele ouderen geneigd zijn, om alleen maar van de wereld te eisen, dus ongedurig, nurks en zuur te worden; ze staan heel erg op hun rechten – daardoor voor zijn omgeving en ook voor de gehele maatschappij betekenis kan hebben, en dat zijn eigen geestelijke betekenis – en nu moet u goed luisteren! – afhankelijk is van de wijze waarop hij met de wereld omgaat, niet alleen van de wijze waarop hij bidt, of zich bezig houdt met het hiernamaals.
Wanneer u een ander dit zou kunnen bijbrengen – ik vraag me af of er veel oudjes zijn die dat allemaal willen slikken. Zolang het gaat om de eerbied, direct natuurlijk, maar de rest …. – dan kunnen we er wel op rekenen dat ze daardoor zelf een beter actiever en gezonder leven hebben.
En als ze eenmaal gezond zijn, dan kom je aan de belangrijke honger van de mens om ‘iets te betekenen’ tegemoet. Zodra een oudere betekenis wint in zijn wereld – al is die betekenis overigens nog zo gering of summier – zal hij daardoor vrediger leven, actiever worden en in vele gevallen zelfs een zekere mate van mentale jeugdigheid herwinnen.

  • Ik vind dat u het wel een beetje te mooi inziet.

Omdat ik stel dat de ouderen recht hebben op een zekere eerbied?

  • O neen. Het wordt toch niet geaccepteerd van die oudere mensen! Wat weet die oude er eigenlijk van?

Kijk eens, die oude weet er niets van, zolang hij verwacht dat de jeugd zijn taal spreekt. Maar wanneer de oudere de taal van de jeugd spreekt, dan wordt het heel iets anders. Misschien kan ik het u met een klein voorbeeld duidelijk maken?
In een East-End school bij Londen is er een klas bekend door de ongedurige jongetjes die er in zitten. Die school is zo goed, dat men er op rekent dat de helft van het onderwijzend personeel gedurende het schooljaar door zenuwinstortingen moet worden vervangen, of wegens lichamelijke kwetsuren moet worden opgezegd.
Nu komt daar een oudere onderwijzer, die eigenlijk door het gebrek aan onderwijzers – speciaal voor dit soort scholen natuurlijk – zijn oude beroep weer opvat. Deze man komt voor de klas te staan en heeft daar de hele stapel reclasseringsrapporten van de jongelui. Weet u wat hij heeft gedaan? Hij heeft tegen de jongens gezegd in hun eigen taal:
“Het kan me geen steek verrekken wat er in die rotzooi staat – hij zei het net nog iets minder geciviliseerd dan ik het voor u durf uitdrukken – ze kunnen me allemaal een zeker lichaamsdeel kussen, daar heb ik niets mee te maken. Onthoudt dit, jongens, je kunt hier die rommel verscheuren. Doe het maar rustig, want ik zie daarin niet het minste goed. De eerste die hier een stoel opneemt, of die mij het ziekenhuis in slaat, komt zelf voor begrafenis in aanmerking. En laten we nou eens rustig gaan zitten.”

De goede man heeft toen wat verteld over King Arthur e.d. En het eigenaardige is, dat die jongelui heel veel aan die onderwijzer te danken hebben. Ze hebben nl. tijdens zijn overigens wat onorthodoxe lessen meer geleerd dan anders in twee of drie jaar op diezelfde school, en vaak ook in dezelfde klas doorgebracht; ze hebben begrip gekregen voor maatschappelijke ordening; en ze zijn niet meer de gevaarlijke nozempjes die ze eens waren.
Hier is dus sprake van een oudere die zich de moeite heeft getroost de jeugd te benaderen vanuit hun eigen zienswijze en standpunt; zijn eigen positie t.o.v. die jeugd in hun eigen termen te stipuleren en de jeugd als gelijkwaardig te aanvaarden, maar gelijktijdig zich te beroepen op zijn eigen capaciteiten.
Wanneer dus ouderen – ze behoeven niet allemaal direct met stoelpoten te staan zwaaien – zich op deze wijze zouden willen oriënteren, begrijpend dat het ‘slang’ van de jongeren, hun eigen manier van denken en beleven, belangrijker is dan wat de oudere vroeger heeft gedaan, maar dat de ervaring die hij heeft vergaard ook op de nieuwe wijze van spreken, van handelen en denken toepasselijk is, dan kan hij veel verbeteren. Nu ben ik het met u eens dat het moeilijk is om een oudere tot dit inzicht te brengen.

  • Hoe past minderwaardigheid in uw betoog?

Wel, een minderwaardigheidscomplex kan door de omgeving zijn veroorzaakt. En in dat geval is er dus geen sprake van een reële minderwaardigheid, maar van een gesuggereerde minderwaardigheid. Wanneer we deze suggestie kunnen wegnemen door een tegensuggestie – hypnose kan daarbij soms ook heel goed helpen – dan zal dus blijken dat de mens normaal reageert en zich ook normaal kan gedragen.

Wanneer wij te maken hebben met een gecompenseerd minderwaardigheidscomplex, dan hebben we de behoefte om een meerwaardigheid uit te drukken. Wanneer kenbaar wordt gemaakt dat het uitdrukken van meerwaardigheid een bewijs van minderwaardigheid is, zal het gedragspatroon zich meestal zeer snel wijzigen, en kunnen wij dus een terugval op de norm verwachten, waarbij het beantwoorden aan de norm het minderwaardigheidscomplex doet slinken.
Er blijft dan over, de feitelijke minderwaardigheid, die sommige mensen ongetwijfeld volgens menselijke maatstaven hebben. Ik denk hier bv. aan diegene, wiens intelligentiequotiënt 84 tot 90 bedraagt. Die is dus in de moderne maatschappij eigenlijk niet helemaal bruikbaar, volgens de opvatting van die maatschappij.
Maar wanneer zo iemand begrijpt dat intelligentie niet alles is, doch dat het in hoofdzaak een geheugenprestatie is, en dat daartegenover andere prestaties kunnen staan, dan zal blijken dat een z.g. minderwaardige vaak in feite de meerwaardige kan zijn.

Minderwaardigheid van zedelijk en moreel besef, in dat geval hebben wij te maken met iemand, die zich niet aanpast aan de maatschappij. Hij verwerpt nl. haar motiveringen van haar gedrag, haar mores, haar zeden. Het resultaat is dat die mens door de maatschappij wordt uitgeworpen. Door die uitwerping zal hij elk restant van zedelijk besef overboord gooien. Hij krijgt daarvoor in de plaats ofwel een absoluut egoïsme, dan wel een eigen moreel besef – vaak zeer in strijd is met de rest van de menselijke opvattingen – waaraan hij zich zeer strikt houdt. In dit geval kunnen wij dus stellen dat deze mens nodig heeft, een motivering voor zijn leven, een bepaald levensdoel dat bereikbaar is, dat voor hem begerenswaardig is en dat hem – zonder hem te binden aan de maatschappij – de mogelijkheid geeft in die maatschappij te bestaan.
Op het ogenblik, dat wij in staat zijn iemand een dergelijk levensdoel, een inzicht in zijn mogelijkheden te geven, is het probleem weer opgelost en blijkt dan een verschil in moreel besef geen meer- of minderwaardigheid in te houden.

Ten laatste zou ik willen opmerken dat het toeschrijven van minderwaardigheid aan anderen, of aan groepen, bij de mens gebruikelijk is, en in dit geval veelal een kwestie van angst voor deze mens of groep; daardoor het overcompenseren van een gevoel van minderwaardigheid door een agressiviteit tegenover die anderen.
Een dergelijk gevoel van minderwaardigheid is eigenlijk veel zeldzamer op deze wereld dan u zou denken. Slechts daar waar iemand bv. door geboortefouten, of soms door ziekten in de jeugd, geheel buiten de maatschappij staat, zullen wij moeten zeggen dat hij vanuit een maatschappelijk begrip minderwaardig is, en daardoor de bescherming van de maatschappij behoeft, maar binnen een eigen gemeenschap of maatschappij volwaardigheid kan bereiken, die dan ook moet worden toegekend in die gemeenschap.

  • Wanneer men zulke waangevallen wil helpen, dan is de grote moeilijkheid dat de patiënten de waarheid niet willen inzien; dat zij diegenen opzoeken door wie ze beklaagd en toegegeven worden en werkelijke welmenenden, bv. psychiaters, intens haten.

Ja, dat ben ik met u eens. Ik zou hierop het volgende willen zeggen: Het is voor een mens moeilijk zijn eigen situatie reëel te bezien, wanneer hij een uitvlucht heeft gevonden. Het betekent nl. dingen accepteren in zichzelf én in de wereld, die voor hem het leven moeilijk maken. Heel vaak vreest hij zelfs dat hij hierdoor niet meer in het leven zal kunnen passen, zoals hij dit wenst.
Wij vinden dus niet altijd het haten van de psychiater, maar we vinden altijd wel haat of verzet tegen een psychiater of psycholoog, op het ogenblik dat deze te veel de waarheid benadert. Dan voelt men nl. zijn beeld – een vals beeld overigens – van eigenwaarde bedreigd, zijn eigen motivering in de wereld bedreigd en daarmede zijn eigen vluchtmogelijkheid uit die wereld.  Die agressiviteit moet u natuurlijk op de koop toe nemen. En niemand zal van u vergen dat u dus met uw z.g. hardheid – in feite met uw werkelijke hulp – de ziekelijken achternagaat.  Dat zou voor dezen hoogstens tot een soort achtervolgingswaan kunnen leiden en voor u grote moeilijkheden veroorzaken.

En nu iets dat u misschien niet van mij had verwacht, nl. dit: Wanneer iemand er prijs op stelt alleen beklaagd te worden, en ondanks ernstig gemeende pogingen tot hulp weigert zich daaraan te onderwerpen, of zelfs maar enige medewerking en begrip ervoor toont, dan is het logisch dat u zich uit die omgeving verwijdert, voor zover dit mogelijk is, of u uit uw pogingen terugtrekt en u bepaalt tot de rol van waarnemer/ster.
U ziet dan de ontwikkeling en kunt altijd, als het fataal dreigt te worden, nog proberen te helpen. Vergeet nl. niet dat de doorsnee mens, die met problemen te maken ,psychisch of fysiek, en deze niet in hun ware gedaante wil zien, slechts dan hulp accepteert wanneer hij geen uitweg meer ziet. Ik zal daarop zo dadelijk nog terugkomen, maar ik kan alvast vooruit lopen op mijn slotwoord.
Wanneer nl. de mens geen andere uitweg meer ziet, is hij geneigd te aanvaarden. Want in dat geval is die aanvaarding een afschuiven van een verantwoordelijkheid, die hij in deze vorm en onder deze condities niet kan accepteren, die hij niet meer kan dragen.
Door op deze manier te ontvluchten zullen uw reële waarden worden geaccepteerd, en wel voor de tijd dat de noodtoestand heerst.
Een verstandig mens zal dus niet trachten het probleem direct en volledig op te lossen, maar eerder een omstelling van mentaliteit te bewerkstelligen, waarbij het probleem voorlopig op een afstand wordt gehouden, tot de persoon in kwestie daarmee zelf kan werken.  Dit is één van de dingen die vanuit de geest t.o.v. uw wereld worden gedaan.

  • Kunt u de betekenis en de waarde van het spreekwoord: ‘waar een wil is, is een weg’ toelichten, met de waarde van uw inleiding?

Nu, dat kunt u beter zelf doen door de inleiding te lezen en dan dat spreekwoord daarbij te gebruiken. U zult dan tot de conclusie komen, dat dit spreekwoord één van de volkse zelfmisleidingen inhoudt, waarmee men zich pleegt te troosten over de mislukkingen van anderen. Waar een wil is, is géén weg. Als u morgen over de Noordzee naar Engeland wilt wandelen, dan kunt u willen zoveel u wilt, daardoor wordt het water voor uw voeten nog niet tot een weg. U kunt hoogstens uw geestelijk bewustzijn omstellen, wat geen kwestie is van willen maar van een totale verandering van wereldconcept.
En dan hebt u als de ingewijde de mogelijkheid om zolang die toestand duurt over het water te wandelen, alsof het een weg ware.

De wil is – laat ons dat niet vergeten – een gerichtheid, die alleen aan de hand van een behoefte, een begeerte kan bestaan, ongeacht of deze behoefte of begeerte voortkomt uit een geestelijk concept, een mentaal concept, een door de wereld gesuggereerd concept of een realiteit.
En dan zal uw spreekwoord dus zeggen: Waar een werkelijke behoefte bestaat, is er een mogelijkheid deze behoefte te bevredigen. En dan zeg ik: Ja, dit is inderdaad waar, indien men niet vraagt welke prijs men daarvoor moet betalen.
U heeft hier dus zeer kort een commentaar op dit spreekwoord. Waar een bewustzijn van behoefte bestaat en het gehele wezen zich op de vervulling daarvan concentreert, daarbij alle beschikbare middelen gebruikende, geen enkele daarvan schuwend, zich geheel richtend op de vervulling, is die vervulling zeer waarschijnlijk mogelijk in de stof.
Zo niet, dan zal het onmiddellijk resultaat zijn, een directe vervulling in de geest. Dat zijn de feiten. Maar je kunt niet drie dingen tegelijk willen en ze vervullen, je kunt maar één ding tegelijk willen. En dat wil zeggen, dat je uit de totale behoefte elementen in je leven er één zult moeten kiezen en dit ene ten koste van alles zult moeten vervullen, voordat je overgaat tot het volgende aspect.

En dan mogen we misschien nog een keer parafraseren en zeggen: Waar één wil bestaat, is er misschien een weg te vinden. En dan geloof ik dat het spreekwoord aanvaardbaar is. Maar zeker niet in de algemeen volkse zin, waarin het is gesteld.

  • Men heeft op het ogenblik, door een elektronische microscoop, een inzicht gekregen in de moleculaire structuur van de cellen. Nu heeft men ook gezien dat er enkele virussen zijn, die in deze cellen kunnen binnendringen, waardoor ze gepredisponeerd worden voor carcinoomcellen. Nu stel ik mij voor, dat binnen afzienbare tijd daarvoor een antivirus vaccin kan worden gevonden om deze ziekte te bestrijden. Wat is uw mening daarover?

Mijn mening daarover is het volgende:
Punt 1: dat wij het probleem van kankerbestrijding en genezing niet ter sprake hebben gebracht en dat het enigszins ligt buiten de opzet van ons onderwerp.
Punt 2: dat het bestaan van dit virus alleen niet aansprakelijk is voor de terugval tot de oervorm, mutatie tot oervorm a.h.w. van de cellen en daardoor carcinoom, maar dat dit voortkomt uit een onvoldoende bescherming van het organisme. Een toevoeging van een antivaccin, dus van een antistof – die het virus zou aanvallen of verdrijven – zou niet inhouden dat bestaand carcinoom wordt aangetast, slechts dat het verder ontstaan van carcinoom wordt beperkt en dat de uitzaaiing van cellen, die immers niet plaatsvindt door een penetratie van celkern, maar door het zich hechten van los geworden cellen, dus eveneens niet wordt voorkomen. Anders gezegd, de oplossing is er één waardoor misschien de mogelijkheid tot kanker ontstaat daar, waar men er erfelijk meer vatbaar voor is, maar niet de volledige genezing of de bestrijding van kanker, zoals deze tegenwoordig bestaat, zelfs niet het afdwingen van een inkapseling van bestaande gezwellen.
Punt 3: ik meen dat de steeds verdergaande verontreiniging van het organisme door besmette, vaak chemisch besmette voedingsmiddelen, drank, water en door de vele afvalstoffen, onzuiver geworden lucht – dus beperking van zuurstoftoevoer – zelfs bij een bestrijding van genoemd virus, toch zou moeten leiden tot celwoekeringen, waar kanker kan ontstaan niet alleen aan de hand van een penetratie van de cel maar in sommige gevallen ook door frustratie van de cel door onvoldoende voeding en onvoldoende eigen levenskracht.

Zodat een kankercel ook spontaan kan ontstaan wanneer een in zich viriele, dus levenskrachtige, maar onvoldoend gevoede cel de kans krijgt de levenskracht, en daarmede dus ook het statisch elektrische element dat de levenskracht mede bepaalt, te onttrekken aan de omliggende cellen. Waarmede dus is gesteld dat de ontdekking van het virus op zichzelf – overigens een bevestiging van iets dat door ons reeds 12 jaar geleden werd gesteld – geen vooruitzicht geeft t.o.v. de volledige voorkoming en genezing van kanker.

Slotwoord.

We hebben in ons onderwerp, zowel als ook in de vragen, een aantal hoofdzakelijk psychologische problemen bezien.
We hebben daarbij buiten beschouwing gelaten de conditionering door het milieu en door de daar heersende mentale voorstellingen, die dus ook wel grotendeels aansprakelijk kunnen zijn voor het bestaan van bepaalde begeerte elementen, de afwezigheid van wil en het ontstaan van bepaalde ziekteverschijnselen, zelfs aan de hand van suggestie, de z.g. modeziekte.  Om een wereld, die op dergelijke wijze haast materieel is gebonden en geestelijk zich niet kan vrijmaken, toch te bevrijden, zal het heel vaak noodzakelijk zijn onmiddellijke veranderingen in het milieu aan te brengen. Dit betekent dat men daarmee de ondergang van een groot aantal mensen riskeert. De kwestie is echter, zal men proberen een drager van een bepaalde ziekte – ook als hij daardoor niet volledig aangetast schijnt te zijn – te isoleren en eventueel te genezen, of zal men de mensheid verder en in toenemende mate een terugval op irreële beelden en alle daarmee gepaard gaande geestelijke en lichamelijke ziekteverschijnselen toestaan?

U zult begrijpen dat, dat vanuit de geest niet mogelijk is. De geest heeft zich daarom tegen dit alles gekeerd o.m. met wat zij noemt, de nieuwe leer, de nieuwe regel of wet.
Ze heeft daarnaast echter geprobeerd om verschillende patronen te doorbreken, en wel door ongewoon snelle wisselingen in waarderingen in praktijk te brengen.
Om u een klein voorbeeld daarvan te geven:
De kerk van Rome heeft onder drie opeenvolgende pausen – waarvan één nu net aan het werk is getogen – een aantal wijzigingen ondergaan, die steeds t.o.v. elkaar een groter contrast vormen dan in de algehele lijn tot uiting komt. Het resultaat is geweest dat de vrijheid van denken bij de Roomse geestelijkheid aanmerkelijk is toegenomen en dat een meer zelfstandig overwegen, een zelfstandiger oordeel, daaruit voortvloeit.
Het betekent in dit geval dus ook een godsdienstige vernieuwing op grond van het behoefte- element, en niet alleen aan de hand van een starre leer of zelfs de idee van een Godsrijk op aarde. Op dergelijke wijze wordt dit ook elders gedaan.

Uzelf zult in uw eigen omgeving in deze dagen voortdurend worden geconfronteerd met voor u onverklaarbare spanningen, onverklaarbare perioden van lusteloosheid. Het is net alsof u op een schommel zit en van plus naar min heen en weer slingert, met een tempo dat u zelf niet eens kunt bepalen en dat bovendien onregelmatig is.
Dat deze verschijnselen optreden zult u misschien wel toegeven en kunnen constateren.  Maar kunt u zich ook de oorzaak ervan realiseren? U beantwoordt klaarblijkelijk niet aan de behoefte tot innerlijke vrijheid die volgens de nieuwe tendens van deze tijd noodzakelijk is. Hoe minder u daaraan kunt beantwoorden, hoe meer u wordt geremd.
Of dat nu is door de maatschappelijke taboes die er bestaan, door de godsdienstige leringen die u hebt geabsorbeerd in uw jeugd en waarvan u zich misschien redelijk vrij hebt gemaakt, maar waaraan u innerlijk blijft gebonden, dat doet niet ter zake. U zult dus in deze tijd om aan die spanningen en lusteloosheden te ontkomen in de eerste plaats moeten overgaan tot het zoeken naar een nieuwe motivering.
Men zou kunnen stellen, om in deze tijd vredig, harmonisch te kunnen leven en toch iets te kunnen presteren en bereiken, moeten wij ons doen in het leven veranderen. We zullen daarbij niet kunnen uitgaan van bestaande condities of toestanden. We zullen dit ook niet alleen geestelijk kunnen volbrengen. We zijn – zodra we mens zijn – gebonden aan een verwerkelijking, die stof en geest in één richting samentrekt.
En nu dit is gesteld zou men ook kunnen stellen:
De ziekte waaraan de wereld in deze dagen laboreert, de ziekte van niet kunnen besluiten, van langs het kantje van de afgrond lopen, met de bedoeling op een dag daar wel eens in te springen, maar nu nog niet, is gevaarlijk. De instabiliteit kan alleen worden genezen door een totale ommekeer, zowel in de eigen benadering van de wereld in materieel opzicht, als het stellen van een doel in geestelijk én materieel opzicht.

Het doel dat de mensen zich in deze dagen moeten stellen is m.i. gemakkelijk te omschrijven. Wanneer men zich als doel stelt: Ik wil met mijzelf in een zo groot mogelijke vrede leven, en gelijktijdig een gevoel hebben van een zo groot mogelijke werkelijke betekenis voor de wereld te zijn, dan zijn we al heel ver.
Maar daarnaast zou men moeten stellen: Ik wil mij geestelijk noch lichamelijk vastleggen in bepaalde banden, vaste verhoudingen, relaties of stellingen, maar voor mijzelf de vrijheid behouden om mij voortdurend aan te passen aan nieuwe condities. Ik wil niet een wezen zijn dat is verstard, ik wil een levend wezen zijn.
De mens, die beseft: ik wil een levend wezen zijn, zal ongetwijfeld daardoor alleen reeds zich veel gemakkelijker aanpassen aan het bestaan, en aan de daarin voorkomende veranderingen. De spanningen die bij anderen optreden worden voor deze mensen alleen extra energie.  De lusteloosheid, de wrevel die bij anderen periodiek optreedt wordt voor dezen een periode van bezinning, van innerlijke vernieuwing, die onmiddellijk bij de volgende golf van energie een stoffelijke verwerkelijking met zich brengt.

Misschien meent u dat ik hiermee weinig nieuws heb gezegd. Maar ‘wil’ is een psychologisch verklaarbaar verschijnsel, waarbij de kennis van psychologie en psychiatrie wijst op de noodzaak de nieuwe tijd en de nieuwe waardering feitelijk te aanvaarden.
Anders gezegd: Zelfs aan de hand van datgene wat de mensen weten is de vernieuwing noodzakelijk. Al datgene wat vanuit de geest wordt gedaan is in overeenstemming met veel van hetgeen de mensheid t.o.v. eigen psyche, zowel als stoffelijk bestaan, reeds heeft ontdekt. En door te zeggen dat de vernieuwing en al wat eruit voortkomt redelijk is en dus voor de mens aanvaardbaar, is het gemakkelijker om er zelf deel van te zijn.
Wanneer men echter deel uitmaakt van een vernieuwing, treedt een deel van het mens-zijn in functie, wat wij op deze avond hebben vermeden.

De geest werkt in op de wereld. Zij kan dit echter alleen doen door krachten te brengen, welke voor die wereld kenbaar zijn en door mentaliteitsveranderingen te scheppen, die op de wereld merkbaar zijn. De mens, die in staat is zelf harmonisch te zijn met de vernieuwing, heeft niet slechts de stuwing van dit totale gebeuren – want hij beantwoordt immers aan de krachten die er zijn, zodat zij hem dragen – maar hij zal ook de beschikking krijgen over een besef en een vermogen, waarmee hij deze krachten zelf erkent.
Vele mensen zullen daarvoor bang zijn. Nu begeren wij allen geestelijk hoger te stijgen, en we hebben soms zelfs de wil om op dat terrein iets te bereiken. Maar de wijze waarop het zich aan ons voordoet is iets wat wij heel vaak afwijzen. In vele gevallen is dat een droom, die we misschien wel kunnen verklaren, maar die toch ergens onplezierig is. Het is een tijdelijk verlies van eigen persoonlijkheid, een toestand van halve bewusteloosheid, waarin je andere dingen zou moeten opnemen, maar die je afwijst, omdat je deze verandering van een voor jou normale toestand niet wilt accepteren.

Er is sprake van helderziendheid en helderhorendheid, die – ofschoon de indrukken worden ontvangen – terzijde worden geschoven of weggedrukt.
Er is sprake van mediamiciteit die, om enigerlei reden, wordt afgewezen en terzijde geschoven, in plaats van te beseffen dat mediamiciteit, mits omgezet in een bewuste samenwerking met de geest en de vernieuwende krachten, één van de mooiste dingen is die een mens kan worden gegeven.
In deze tijd wordt u wel degelijk een nieuw doel gegeven. Een doel dat u misschien niet aanvaardbaar vindt, omdat het in strijd is met veel dat u hebt geleerd, omdat het niet alleen maar mooi spreekt van een God in de hemel en een beloning in het hiernamaals, maar spreekt van het nu en het heden, van het zelfstandig doen, en zelf projecteren en veroorzaken van datgene, wat men noodzakelijk acht. De vernieuwing zegt nl. tot de mens, besef wat je behoefte en/of je begeerte is. Praat er niet omheen.
Vraag je af hoe intens die begeerte nu werkelijk wel bestaat en op welke wijze je misschien daaraan tegemoet kunt komen, onverschillig of ze van een meer psychisch of van een zuiver fysiek vlak uitgaat.
Vraag je verder af wat je er voor over hebt. Geef alles om alles te ontvangen. Gebruik je wil om jezelf en je wereld te brengen tot een staat van harmonie, waarin het begeerte element niet is opgeheven, maar wordt tot een te verdragen impuls, die je voortdurend helpt weer verder te gaan.

Kijk, dit willen de mensen niet. Ze zeggen, we zijn gebonden aan onze maatschappelijke regels, zoiets kun je niet doen, zoiets kun je niet denken, je kunt zo niet tot God spreken, je kunt niet zo met de geest werken.
Geloof mij, alle dingen zijn mogelijk, indien de mens uitgaat van zichzelf. Niet van wat hij wil, want dan wil hij meestal iets van de wereld maken dat beantwoordt aan zijn wezen, maar de wil, waarmee hij zichzelf kan maken tot iets, dat zichzelf vervult in de wereld.

De vernieuwing zegt nog iets anders in de nieuwe tijd. Ze zegt tot u dat het niet belangrijk is wie en wat er spreekt of werkt met u of door u, mits het harmonie schept.
De nieuwe tijd legt niet meer de nadruk op een uiterlijke bereiking of op belangrijkheid voor de wereld zonder meer. Zij vraagt een harmonie van uw wezen met de wereld, en dat is heel iets anders. Zij vraagt een afstand doen van uw angsten. Angsten die u soms zeer angstvallig behoedt als een dierbaar bezit, omdat u meent dat u door die angsten alleen behoedt zult worden voor wat u dan ziet als een val in de hel, een dwaasheid of wat anders.
Overwin uw angsten. Leer dat u bewust uw eigen leven moet leiden, dat u in het heden levend u voortdurend moet aanpassen aan de tendensen, die vandaag heersen en dat u zich niet mag laten overweldigen door de uiterlijke verschijnselen, maar dat u moet trachten alle uiterlijke verschijnselen zover nodig te compenseren, opdat uw wezen, innerlijk en uiterlijk, dus stoffelijk kan komen tot een vervulling van zijn bestaan.

De harmonie van de wereld kan niet zijn opgebouwd op massa, op vaste maatschappelijke vormen. Ze kan zeker niet zijn opgebouwd op welke vorm van verstarring ook, die optreedt. De mens die zichzelf daarvan vrijmaakt ontdekt dat hij deel heeft aan een wereld, die veel groter is dan hij dacht.
Zo even werd gesteld dat oudjes een beperkte horizon hebben. Ik zou willen stellen dat de meeste mensen tegenwoordig een beperkte horizon hebben, en dat ze juist door deze in feite zelf opgelegde beperkingen niet in staat zijn deel te nemen aan het werkelijk geestelijk en materieel leven, dat er bestaat in vele sferen en werelden rond hen; dat ze niet in staat zijn de werkelijkheid te aanvaarden; dat ze voortdurend wegvluchten in de droom, in de onvolmaaktheid; dat zij de ziekte zelf veroorzaken, ook de maatschappelijke kwalen, ook de dreigingen van de oorlog om daarmee te ontkomen aan dat ene punt, het erkennen dat zij, en zij alleen, aansprakelijk zijn.

En dat iedere mens voor zich het recht heeft eigen aansprakelijkheid te kiezen en te dragen; dat niemand beschermd mag worden, tenzij hij absoluut zeker en kennelijk niet in staat is om als een normaal mens te leven, en zelfs dan moet de bescherming tot een minimum worden teruggebracht.
Een mens moet inzien dat hij zijn idee van collectiviteit, van gemeenschappelijke aansprakelijkheden en vormen, moet vervangen door zijn persoonlijke harmonie met een grotere wereld, waarin hij als entiteit, als persoonlijkheid kan leven, waarin hij als persoonlijkheid een doel kan vinden, dat hem inderdaad de wil, de wilskracht, de concentratie geeft, waardoor hij feitelijk voor zijn eigen wereld en voor een andere wereld het doel bereikt.

U zult begrijpen dat ik dit alles heb aangesneden mede in verband met de periode, waarin wij leven. En wanneer ik het een beetje scandeer, dan is dat omdat het zo’n doodgeprate uitdrukking begint te worden, de vernieuwing, de nieuwe tijd, de verandering.
In feite is het de keus tussen ziekte en gezondheid.
Ik heb u dit onderwerp gebracht, zoveel mogelijk opgebouwd uit het menselijk psychologisch element, om duidelijk te maken dat u in zekere mate en tot op zekere hoogte ziek bent en dat er voor u genezing is te vinden, maar dat u die genezing niet kunt vinden indien u weigert de waarheid onder ogen te zien.
Wees eerlijk tegenover uzelf en t.o.v. uw illusies, uw wensen en uw spel. Erken dat veel van wat u levensbelang noemt in feite alleen maar een zoeken naar bevrediging is, een spel.
Zie in dat veel van hetgeen u idealisme noemt in feite een vorm van zelfbevrediging inhoudt. Wees er eerlijk mee. Erken de feiten. Maar als u die feiten erkend hebt, vraag u dan af, hoe u het best en het meest harmonisch met al die dingen kunt leven in de wereld; hoe u het best kunt beantwoorden aan het hoger element, dat vanuit het werkelijk ‘ik’ toch steeds weer in de stof doordringt, en dat daarnaast op het ogenblik geest- en zelfs levenskracht u in zo sterke mate wordt opgelegd.

De meesten op deze wereld zijn ziek. Zij kunnen genezing vinden, indien zij zich bewust willen worden van hun feitelijke begeerte en hun feitelijke motieven, en zo zich een doel kunnen stellen, waarin zij een wil vinden om hun leven te maken tot een harmonie met allen. En daarmee, vrienden, is het laatste stuk van het vuurwerk afgestoken. Het is afgelopen.
Dat betekent nu niet dat het is afgelopen met de kracht, alleen met ons onderhoud. Ik heb getracht dit alles zo reëel mogelijk te houden, behalve dat laatste stukje. Dat is misschien niet menselijk realistisch, het is nl. een werkelijkheid die bestaat, maar die de mens weigert te erkennen.
Ik hoop dan ook dat dit niet het einde is van uw besef hieromtrent, maar een begin van een ontwaken tot die werkelijkheid waarin u, door de erkenning van de begeerte, het doel kunt vinden, dat u de wilskracht geeft te bereiken, en u gezond maakt waar u nu ziek en verdeeld tegenover uzelf bent.

image_pdf