Begrensdheid en onbegrensdheid

15 april 1975

Wanneer wij begrippen gebruiken als kosmos, God, eeuwigheid, dan spreken we over het onbegrensde. Wanneer we spreken over onze eigen wereld en al wat er mee samenhangt, dan spreken we over datgene wat begrensd is.

Het eigen kenvermogen van de mens kan maar tot een bepaalde hoogte gaan. En ook voor de geest bestaan bepaalde belemmeringen, omdat zij zichzelf niet volledig kan overgeven aan de totaliteit zonder daarin datgene wat ze ziet als persoonlijkheid te verliezen althans als uiting.

Er is een wisselwerking tussen begrensd en onbegrensd. Een mens zegt op aarde: er is een God, hij reikt vanuit het begrensde bestaan naar het onbegrensde. Ook omgekeerd, eeuwigheid kan alleen bestaan als tegenstelling tot tijd. En zelfs God hebben we gemaakt tot deel van een tegenstelling door hem als het hoge licht te stellen tegenover het diepste duister.

De wijze waarop wij denken, de wijze waarop we redeneren en herkennen wordt bepaald door de tegenstellingen terwijl we gelijktijdig gevangen zijn in onze eigen begrensdheid.

Nu is het onmogelijk om uit te breken naar het onbegrensde. Zelfs indien we in staat zouden zijn de totaliteit als geheel te omvatten dan zouden we nog niet in staat zijn om haar te begrijpen. We hebben gewoon de termen niet, we hebben de referentiewaarden niet waardoor we ook maar enig denkbeeld hiervan concreet zouden kunnen uitdrukken. En dat betekent dat staande in de begrenzing, wij moeten zoeken naar een verwijding van de grens van ons besef en dat we gelijktijdig daarbij moeten pogen te begrijpen dat begrenzing overal bestaat zo lang wij uitgaan van ons persoonlijk bestaan in de vorm waarin we het nu kennen of geestelijk kennen.

Dan komen we dus aan een heel eigenaardig verschijnsel. Een mens heeft kracht, een zeer begrensde kracht, de levensduur van een mens is beperkt, het maximum van zijn inspanningen blijkt beperkt te zijn en zelfs zijn denken kan niet onbegrensd op beheerste wijze doorgaan. In het menselijk denken is er altijd een voortdurende fasering tussen bewust denken en het denken vanuit het onbewuste dat meestal maar deels wordt gerealiseerd en dan droom heet.

We staan dus eigenlijk in een voortdurende vreemde wisselwerking waarbij we gelimiteerd zijn aan de ene kant en gelijkertijd aan de andere kant soms een kracht of een inzicht kunnen verwerven waarvoor veel meer nodig is dan we zelf bezitten. We zouden nu stoutmoedig kunnen zijn en zeggen: ja, want het onbegrensde komt mee tot uiting in alle het begrensde. Maar hier staan we dan weer voor de vraag: hoever gaat dat? Er is altijd weer een soort tegenspraak in termen wanneer we proberen de eeuwigheid binnen te halen in een menselijk bestaan en er is altijd weer een soort tegenspraak in termen wanneer we de eeuwige kracht tot uiting willen brengen in de beperktheid van onze eigen wereld.

We moeten daar dus op de één of andere manier ook weer een weg vinden, een gemiddelde.

Nu heb ik een paar stellingen voor u:

Ik stel in de eerste plaats: tijd is onvermogen eeuwigheid te beseffen.

Ik stel in de tweede plaats: beperkte kracht is het onvermogen bewust te worden van de onbeperktheid van alle kracht die in u werkt.

Ik stel in de derde plaats: elke begripsomschrijving die ik nodig heb om iets menselijk uit te drukken, is gelijktijdig een zodanige beperking van de werkelijkheid dat hiermee de waarheid teloor zal gaan.

Dan komen we vanzelf aan het volgende punt. Op het ogenblik dat ik stel dat deze limiteringen bestaan, althans in de huidige vorm waarin wij ons zijn ervaren, dan kan ik gelijktijdig stellen dat een groot gedeelte van die begrenzingen redelijk is. Het is ons vermogen tot formuleren, tot uitdrukken, eerder dan ons vermogen tot ervaren bv. dat ons in een relatie tot God zal beperken. Het is ons onvermogen om het tijdloze volledig te beseffen waardoor we voortdurend weer een interpretatie in tijd van node hebben. En zo kun je doorgaan.

Er zijn andere mogelijkheden, wegen en krachten dan de zuiver redelijke, maar al deze mogelijkheden en krachten berusten op niet-redelijke elementen in de mens. Laten we die niet-redelijke elementen ook eventjes omschrijven. Ik stel: in het geheel van het menselijk denken is, zelfs door de meest befaamde psychologen, vast te stellen dat er een klein eiland is dat ontoegankelijk blijft. Hierin zou, zo kan men veronderstellen de ziel zetelen. Men zou ook kunnen zeggen: hierin zit het mechanisme, de kracht waaruit de rest van de verschijnselen, van denken en leven voortkomen.

Dit nu kunnen wij activeren. Het is mogelijk om deze schijnbaar niet te benaderen delen van ons bestaan en denken, tot grotere activiteit aan te zetten.

Ik zeg in de tweede plaats: we hebben geestelijke vermogens die niet geheel passen in de stoffelijke wereld. Het is een denken, het is een ervaren dat niet geheel stoffelijk omschreven kan worden. Het is ook een hantering van krachten, het maken van combinaties en overzichten, zelfs in onszelf, die niet vallen binnen de stoffelijke redelijkheid. Wij zullen, stoffelijk gezien, sprongsgewijze denken omdat we niet in staat zijn de tussenliggende trappen te definiëren.

We komen tot een juiste conclusie maar kunnen niet verklaren hoe we deze bereiken. Wij komen tot een juiste gerichtheid van onze energie of onze kracht maar we kunnen eveneens niet duidelijk maken hoe wij dit tot stand hebben gebracht.

Wanneer ik dit centrum wil activeren dat diep in mezelf ligt, dan kan ik dat nimmer doen door naar het onbegrensde over te gaan, want dit is onbereikbaar. Ik moet dus uitgaan van mezelf. Wat blijkt op het geheel van bewustzijn de grootste invloed te hebben: combinatie van emotie, handeling, beleving. Anders gezegd: hij die zijn innerlijk licht wil versterken, zijn innerlijke kracht wil vergroten, zal dit alleen kunnen doen door het geheel van zijn persoonlijkheid en wezen, hoe dan ook, zodanig te activeren en daarin zozeer doelbewust licht en goed te zoeken  dat hij hierdoor ontdaan kan worden van begrenzingen die in deze kern bestaan. Want ofschoon de kern niet benaderbaar is vanuit menselijk, redelijk of wetenschappelijk standpunt op dit moment, er is wel degelijk een wisselwerking tussen dit centrum en de rest van het bewustzijn.

Wanneer u het nu heel eenvoudig wilt zeggen dan komt het hier op neer: Om de innerlijke kracht in jezelf te activeren, zul je uit moeten gaan van die wereld die je kent, dat betekent die wereld waarin u leeft en eet en de rest doet. Dat betekent in veel mindere mate die wereld waarin u ervaringen hebt van gevoel. Dat betekent zeker niet een hogere wereld, al dan niet reëel, waarmee u zich bezighoudt.

Die hogere wereld is geen actief deel van uw persoonlijkheid zoals u die zelf kent en kunt beheersen. Daarom moeten we terug eerst naar het menselijke, voor een mens. Wat zijn de menselijke noodzaken hier?

In de eerste plaats: zorg dat uw lichaam in goede staat is. Dat is zeer belangrijk.

In de tweede plaats: vraag u af wat volgens u de meest juiste handelswijze is. Probeer volgens deze handelswijze uw daad te stellen en onderga de gevolgen daarvan niet als onvermijdelijk en noodzakelijk, maar als een aansporing om je eigen gerichtheid zodanig te wijzigen dat u zich daarmee steeds meer harmonisch voelt en gelijktijdig ook veel meer kracht in uzelf ervaart.

In de derde plaats: besef dat het hogere bestaat maar besef gelijktijdig dat hogere krachten u niet los kunnen maken van de werkelijkheid waarin u leeft. Ga eerst met deze dagelijkse werkelijkheid voort. Het is goed om te zeggen dat God ons zal zegenen maar het is veel beter om te zeggen dat wij werken om dat waar te maken wat wij als een zegen Gods zouden ervaren.

Wanneer wij dit laatste doen, gebeurt er namelijk iets vreemds. In andere gevallen trouwens ook maar ik neem dit als voorbeeld. Wanneer ik dit doe, dan kom ik tot een reeks ervaringen, dat is emotie, maar er is ook wel degelijk lichamelijke ervaring, dat is een reactie op de wereld, een reactie op de wereld, op mijzelf.

Wanneer ik nu juist heb gekozen, dus wanneer mijn interpretatie juist is, dan begint dit centrum in de persoonlijkheid sterker te ageren. Je krijgt meer inzicht, je krijgt ook gelijktijdig meer kracht. Hierdoor kun je dus meer doen en ook meer verdragen.

En dan komt er altijd een ogenblik dat je zegt: ja maar… En dan komt de rede, dan komt het gevoel, dan komt er een gevoel van hopeloosheid en verlatenheid.

En ook dat is begrijpelijk, want u hebt op dat ogenblik krachten tewerkgesteld in uw eigen wezen die niet behoren tot het redelijke en die als emotionele waarden eerst door weerkaatsing uit de buitenwereld beleefbaar worden.

Daardoor denkt u dat u eigenlijk innerlijk leeg bent en dat u geconfronteerd wordt met allerhande dingen die van buitenaf op u komen aanstormen. U beseft niet in hoeverre uzelf daaraan deelhebt.

Nu kun je zeggen: ja maar dan ben ik hopeloos, dan moet ik dus afstand doen. Neen, maar wanneer ik nog niet tot het juiste begrip kom van de kracht in mijzelf, dan is mijn standpunt het voor mij nog niet geheel juiste.

Ik moet dus mijn eigen gerichtheid wijzigen ten aanzien van mijn wereld en mijn actie in die wereld totdat ikzelf in die wereld een gevoel krijg van harmonie.

Harmonie wordt menselijk vaak als geluk uitgedrukt. Maar het is zeker niet van: O wat zijn wij samen gelukkig! Of; O wat ben je gelukkig als je in de nationale loterij speelt. Het is veel eerder een gevoel van tevredenheid met de wereld en in zekere zin ook met jezelf. Het is een zekere vrede waardoor je alles rustiger kunt beschouwen en gelijktijdig je je minder het slachtoffer voelt van de wereld of van de conflicten die in jezelf woeden.

Wijziging betekent dus altijd zoeken naar grotere harmonie tussen jezelf en de wereld en tussen jezelf en je innerlijk beeld van jezelf. Heb je dat gedaan dan kom je als vanzelf aan de volgende taak. Die taak is voor velen een zeer moeilijke. Er komt een ogenblik waarop ik erken dat ik alleen wel verder kan gaan, maar dat ik zozeer gelijk ben in mijn uiting, mijn streven en mijn ontwikkeling van kracht met anderen, dat ik ergens een samenwerking met die anderen moet zoeken.

Een dergelijke samenwerking kan niet onder voorbehoud bestaan. Een samenwerking is een vrijwillige kwestie ergens. Maar wanneer je met een ander samenwerkt en je gaat uit van de grootste innerlijke kracht die in de mens bestaat, dan ga je in feite uit van het onbeperkte. En het onbeperkte kan nooit volledig in een samenwerking actief zijn wanneer je het gelijktijdig aan de beperkingen van redelijke of andere aard onderwerpt. Volledigheid van inzet dus, een belangrijk punt.

Dan is er nog een punt van geloof misschien, geloof ja.

We voelen rond ons krachten waarvan we ons een voorstelling maken, zonder te weten of die juist is of niet. We leven in een wereld waarin vele andere werelden bestaan of we die kennen of niet. We voelen voortdurend ergens contacten ermee. We kunnen die opzijschuiven met onze rede, we kunnen daarin opgaan met onze emoties maar we worden ermee geconfronteerd. Nu is de grote vraag: kun je deze onomschrijfbare wereld gebruiken als motivering voor je gekende wereld en je actie erin? Ik weet dat er veel mensen zijn die zeggen: ja dat is zelfs noodzakelijk en onvermijdelijk. Ik zeg; neen, dat kan niet juist zijn. Wanneer ik geloof, dan is deze zekerheid, onverschillig op welke manier ik ze formuleer, voor mij een deel van mijn innerlijk evenwicht. Mijn harmonisch vermogen wordt erdoor bepaald, mijn relatie met de wereld en al wat erin geschiedt wordt erin uitgedrukt.

Maar het betekent niet dat mijn handelen daaraan onderworpen dient te zijn. Mijn handelen moet onderworpen zijn niet aan de uiterlijkheid van mijn geloof of de formulering daarvan maar van mijn innerlijke ervaring van harmonie.

Nu kom ik tot het moeilijkste stukje van mijn betoog, misschien omdat we hier weer geconfronteerd worden met begrensd en onbegrensd, beperkt en onbeperkt. Het onbeperkte is de essentie van mijn wezen. Het beperkte is mijn vermogen dit wezen bewust uit te drukken. Het onbeperkte of onbegrensde is het geheel van de vermogens die mij ten dienste staan. Het beperkte is mijn visie op die vermogens en de wijze waarop ik ze wens te gebruiken. Nu zal het duidelijk zijn dat eenieder die in zich het onbeperkte zoekt, ook innerlijk bewust moet worden. Dit innerlijk bewustzijn kan met rede niet worden uitgedrukt en het kan maar zeer ten dele emotioneel worden beleefd.

De verandering van bewustzijnstoestand die materieel niet uitdrukbaar is, is gelijktijdig een totaliteit van ervaring van waaruit je toch wel weer komt tot veranderingen in je menselijke en stoffelijke praktijken.

Deze innerlijke weg naar de onbegrensdheid is de enige die we kunnen gaan. Het moet u duidelijk zijn: naar buiten toe leven we in een wereld waarin de begrenzingen noodzakelijk   voor ons zijn. Wanneer er iets is waar je geen eind aan kunt zien, dan is er iets waardoor je terugschrikt, dan kun je het niet aan. Je wilt het limiteren, je wilt het indelen, je wilt het verwerken, nietwaar? In jezelf niet! Dan is het duidelijk, de weg naar het onbegrensde ligt in ons innerlijk.

De weg om het onbegrensde kenbaar te maken in het begrensde voert dan nog steeds door ons wezen. Stel: indien ik in mijzelf bewust kan worden van de voor mij niet meer te omvatten maar in wezen onbegrensde krachten en waarden, dan zal ik hierdoor niet in staat zijn mijn bewustzijnstoestand te veranderen; dus bv. een ander geloof te formuleren, tot een totaal nieuwe denkwijze te komen. Wel zal ik in staat zijn om datgene wat reeds beseft wordt, te hergroeperen. Op het ogenblik dat het onbegrensde zich manifesteert in het begrensde, blijkt het daarin een ordenende functie te hebben.

Dan is het duidelijk geworden, dacht ik, dat wij mensen en ook geesten, een enorme verantwoordelijkheid dragen ten aanzien van vooral onszelf. Dat klinkt vreemd. We zijn altijd geneigd om onze verantwoordelijkheid ten aanzien van anderen te beseffen. We citeren daarbij woorden als: ben ik mijn broeders hoeder, Kaïns woord, je moet uw naaste liefhebben gelijk uzelf, Jezus woord; maar we vergeten één ding: wij kunnen die dingen pas waarmaken, werkelijk waarmaken, wanneer we eerst in onszelf de mogelijkheid ertoe hebben gevonden. Ik kan mijn naaste niet helpen of redden door hem te onderwerpen aan de beperktheden van uitdrukking die in mijzelf bestaan, de beperktheid van levensopvatting en besef zoals die in mijzelf ligt. Ik kan hem wel helpen wanneer ik het onbegrensde dat in mijzelf bestaat door mijn wezen laat uitvloeien naar deze mens en deze zo kan laten komen tot een dieper besef van zijn innerlijke waarde en daarmee waarschijnlijk een verlies van bepaalde innerlijke begrenzing.

Dan staan we meteen voor een heel mooi raadsel. Het raadsel dat onder meer Wessac heet. Het raadsel van de kosmische kracht die op één of andere wonderlijke wijze zich bij tijd en wijle op aarde manifesteert. Een manifestatie die binnen de Witte Broederschap dus op een bepaalde tijd, volle maan in mei, is teruggebracht en eigenlijk geworden is tot een soort rituele viering. Wanneer je zegt Wessac, zeg je: de bewuste waarneming van het altijd aanwezige. Je zegt uitstorting van kracht, maar eigenlijk is het niet juist. Je zou moeten zeggen: bewust worden van de krachten die voortdurend op deze aarde worden uitgestort en het beseffen van de harmonische mogelijkheden die daarin schuilen ten aanzien van de wereld. Nu durf ik niet te zeggen of deze krachten direct uit het onbegrensde komen. Mogelijk zijn ze in zichzelf begrensd. Wie ben ik het om te zeggen wat ze zullen zijn, maar zeker is dat hun potentie aanmerkelijk groter is dan iets wat de mens zich kan voorstellen. Zeker is ook dat de nevenverschijnselen, die bij zo’n Wessac altijd erg belangrijk zijn, datgene dat we zien naast de bundeling van licht die, volgens de oude voorstelling, valt op het altaar, vertellen namelijk welke harmonische en ook disharmonische tendensen bestaan ten aanzien van het gemiddeld denken en beleven van de mensheid op de aarde. Hier krijg je dus het verschijnsel dat het schijnbaar onbeperkte in hoeverre weet ik dus niet – wanneer het in contact komt met het beperkte, zichzelf niet verliest, maar zijn kenbaarheid bereikt door nevenverschijnselen, door zijn eigen wezen. Dat is een belangrijk punt want, luister wel: wanneer wij zien wat zich ontwikkelt, dan kunnen we zeggen wat zich op aarde ongeveer kan gaan afspelen en wat ermee te doen is. Wanneer we de intensiteiten ten aanzien van elkaar een beetje meten met ons besef, dan komen we daardoor ook tot een begrip van datgene wat voor de geest mogelijk is, wat voor de mens mogelijk is. We worden dus niet geconfronteerd met een onvermijdelijk noodlot maar we worden wel geconfronteerd met een bestaande situatie en de daarin waarschijnlijke ontwikkelingen, althans ontwikkelingsmogelijkheden.

Hier zie je dan weer onze eigen begrenzing. Wanneer er een Wessac-feest is dan begint de kracht onmiddellijk te werken, de geest werkt onmiddellijk met die kracht maar de formulering van het geheel kost aanmerkelijk meer moeite. We weten uit ervaring dat een formulering van hetgeen die kracht in feite in zijn geheel gaat betekenen, volgens de Broederschap, twee à drie maanden van uw tijd kan vergen. Maar dat gaat alleen om de formulering, het gaat niet om de werking. Hier is dus het begrip eindig en moet worstelen om bepaalde praktisch oneindige krachten die door nevenverschijnselen toch enigszins definieerbaar zijn, al is het maar begrensbaar zijn geworden voor ons besef, te vertalen in actietermen van de werelden waarmee we te maken hebben. De begrenzing van ons bestaan dus.

En nu leven we op het ogenblik in een tijd, zo vreemd het u moge klinken misschien, van bijna onbegrensde mogelijkheid. U leeft in een wereld die erg verward is, daar ben ik volledig van overtuigd. Velen van u menen dat het einde der dagen niet zo ver meer kan zijn. Zo ver het bepaalde oude situaties betreft is dat inderdaad waar. Maar wat ze niet zien dat is de grote verandering die komt wanneer de harmonische verhoudingen op aarde veranderen. Wanneer een groter aantal mensen, ook al zijn ze in aantal eigenlijk zeer beperkt, harmonisch wordt met de oneindige kracht, dan zullen zij daardoor vergelijkbaar zijn met de totaliteit van de mensheid die slechts met eindige krachten werkt.

Nu weten wij natuurlijk nooit precies wat die Wessac zal betekenen, want dat is een gemeenschappelijk pogen van geest en stof ten aanzien van de krachten die ik u omschreven heb. Maar je krijgt toch wel een zekere voorstelling ervan. En laat me nu maar proberen om dat in invloeden te vertalen – dat is in een beperkte wereld altijd het verstandigste. Wij geloven dat in zeer korte tijd, de gehele internationale situatie een dramatische verandering ondergaat, toch zien we geen wereldoorlog. We menen dat er een nieuw evenwicht tot stand komt. Dat zal in vele landen een enorme interne onrust ten gevolge hebben natuurlijk. Het belangrijke hierbij is, vanuit ons standpunt en dat is een ander dan het uwe, dat moet u wel beseffen, dat steeds meer mensen losgescheurd worden van hun denken in bv. bezitszekerheden.

Ze zouden zich eerder in menselijkheidszekerheden moeten gaan verliezen. Wanneer dat gebeurt dan zal dat een pijnlijke revolutie zijn, dat zal dit jaar waarschijnlijk een hele hoop klappen laten vallen. Ik denk ook dat een hele hoop mensen met hun bezittingen wat in moeilijkheden komen; dat lijkt me onvermijdelijk niet alleen in het westen trouwens, maar dat zal ook in andere landen het geval zijn. Maar met al die uiterlijkheden komt de noodzaak om innerlijk te compenseren en wij geloven dat die innerlijke compensatie het best kan worden opgebouwd wanneer mensen werkelijk geheel samenwerken. Ik wil hier niet zeggen een kloostergemeenschap of zoiets, ofschoon het misschien vergelijkbaar is in bepaalde opzichten, maar een tezamen als het ware, eten zolang er eten is; een tezamen werken zolang er werken is, een tezamen spelen wanneer het tijd is om te spelen en een tezamen verzinken in een grotere werkelijkheid wanneer de mogelijkheid bestaat.

Gemeenschappelijkheid, of moet ik zeggen broederlijkheid, schijnt een steeds meer beslissende factor te worden wanneer het gaat om het overleven van de mens in de chaos van zijn beschaving.

Nu is het onbegrensde in ons aanwezig. Wij zijn in staat om ons af te schermen tegen al deze dingen maar dan moeten we er rekening mee houden: niemand van ons kan iets alleen doen. We kunnen alleen beseffen maar we kunnen pas werkelijk gaan leven wanneer we andere gelijkgezinden vinden en daarmee tezamen iets opbouwen, dus niet iets afbreken van anderen, iets opbouwen voor onszelf. Hoe meer wij daarbij positief iets tot stand willen brengen, hoe meer wij over positieve krachten beschikken en hoe meer deze krachtsreserves in onszelf ontwikkeld worden en daarmee onze mogelijkheden vergroten.

Dat is een punt dat ongetwijfeld in de komende periode zwaar besproken zal worden onder ons in de geest. Het is volgens mij een onvermijdelijk begin van een ontwikkeling. Men zal zeggen in deze tijd gaat overal de discipline teloor, dat is juist. Maar in plaats van discipline moet zelfdiscipline komen. Ook dat is begrijpelijk. Kijk eens, zo lang je aan een bepaalde maatstaf gebonden wordt van buitenaf, dan kun je er innerlijk niet één mee zijn. Eerst datgene wat je jezelf oplegt omdat je het als juist ervaart, is niet alleen te dragen maar betekent een verrijking van je persoonlijkheid en daardoor een ontwikkeling van het geheel van je wezen, waardoor je in je begrensde wereld doelbewuster kunt zijn en gelijktijdig uit de onbegrensde wereld meer aan besef en inspiratie kunt verkrijgen.

En dan voorzie ik ook in die komende tijd vooral de wanhoop van de gevestigde orde. Dat klinkt misschien vreemd. Mensen zijn ongerust omdat het respect voor bepaalde zaken steeds minder wordt. Mensen zijn ongerust omdat de massa die nooit geleerd heeft zichzelf te disciplineren, nu bij het wegvallen van een uiterlijk gezag, schijnbaar het onmogelijke eist, zonder te beseffen waar de mogelijkheden liggen. Het is dus een grote conflictsituatie. Oude waarheden, eens onder gezag aanvaard, worden nu in het geding gebracht, niet alleen wanneer het zin heeft maar ook wanneer het onzinnig is. Conflicten! Ik meen dat het komende jaar ons tendensen zal tonen, wanneer ik alles goed lees want dat kun je niet helemaal van tevoren zeggen, waardoor deze dingen duidelijker tot uiting gaan komen en waarbij ook duidelijker wordt dat juist de mens die zichzelf blijft beheersen, die zijn eigen weg bewust kiest en die daarbij een beroep weet te doen op zijn innerlijke kracht, boven het geheel uit zal komen.

Als ik er een slagzin voor zou geven dan zou die waarschijnlijk luiden: ik voorzie een tendens waarin zij die denken niets te hebben, hun rijkdom zullen beseffen en zij die denken te bezitten in hun armoede treurend neer zullen zitten.

Dat klinkt een beetje vreemd, een beetje apocalyptisch misschien zelfs hier en daar, maar zo zie ik het. Ik meen namelijk dat het onbegrensde, hoe ondefinieerbaar het misschien ook moge zijn, voor ons in ieder geval tot uiting moet komen in harmonie, éénheid, samenklank. En ik geloof niet dat we daar allemaal grapjes over hoeven te gaan maken, verder te gaan vertellen hoe het met een orkest is: elk instrument speelt zijn eigen melodie en toch wordt het geheel één muziekstuk, dat weet u ook allemaal wel. Het is alleen maar een kwestie van: hoe kunnen wij in deze samenwerking verder gaan, kunnen we iets bereiken.

Het onbegrensde drukt zich voor ons uit in een harmonie. Dat wil zeggen in ons vermogen onszelf te blijven en gelijktijdig toch samen te gaan met anderen die zichzelf blijven, om zo een steeds groter besef van eenheid, geluk tot stand te brengen.

Je kunt vaak horen dat dit aardse tranendal bestemd is om ons voor te bereiden op de eeuwige zaligheid. Ik vind dat een erg mooi en troostrijk woord voor diegenen die nog niet geleerd hebben zelf te denken. Maar ik geloof dat de praktijk een beetje anders ligt.

Kijk eens, dit is een begrensde wereld niet waar? Dit is de wereld waarin de mogelijkheden en de krachten begrensd zijn niet waar? Indien wij in deze wereld geen geluk, geen, harmonie weten te vinden, hoe dan ook, hoe moet je dat dan elders wel vinden? Wanneer de werkelijke kracht die onbeperkt is, het licht dat in je bestaat niet door kan werken, hoe moet je dan ergens gelukkig zijn? Dan wordt zelfs de hemel, geloof ik, het meest vervelende oord dat je je voor kunt stellen.

Neen, lieve vrienden, we moeten de zaak reëel benaderen. Harmonie is noodzakelijk, omdat die harmonie hoe meer ze door ons beleefd wordt en door ons tot uiting wordt gebracht – en dat is een daadwerkelijke kwestie – voor ons de innerlijke kracht sterker merkbaar wordt. Ik zeg niet dat men dan ineens in staat zal zijn om met psychologisch onderzoek of wat anders te zeggen: nu weten we eindelijk wat dat kleine begrensde deel van het ego is waar we maar niet in door konden dringen. Maar ik geloof wel dat we een enorme vitalisering van de verdere persoonlijkheid zullen zien, steeds meer kracht erin, steeds meer levendigheid, steeds meer vermogen tot vreugde, steeds meer afstemming op emotionaliteit maar gelijktijdig een juiste reactie op de wereld waardoor de emotie van de wereld en de emotie van het ik een voortdurende harmonische benadering ook in het redelijke mogelijk maken.

Een mens kan filosoferen zoveel hij wil en misschien is voor de meesten van u datgene wat ik nu heb gedaan niet veel anders. Maar elke mens en elke geest komt op een gegeven ogenblik tot de filosofie, de poging om op enkele bekende feiten een benadering op te bouwen van het onverklaarbare. En heel vaak zijn de grootste denkers in de praktische wetenschap mede ergens filosofen. De psycholoogpsychiater Jung was filosoof; Einstein was een filosoof en zo kan ik door gaan, zelfs Koch, Pasteur en vele anderen waren ergens ook filosofen. Filosofie is voor ons een middel om vanuit de veronderstelling werkende, te komen tot een begrip van een werkelijkheid en daarmede ook tot de daadwerkelijke toepassing ervan.

Laten we voorzichtig zijn: ik heb wel horen vertellen: God heeft eens keizer Constantijn bijgestaan met de hemelse heerscharen “in hoc signa vincit” dus zou hij het ons ook moeten doen. Waarbij in de eerste plaats niet vast staat of dat mooie verhaal dan wel op waarheid berust. Het is zeer waarschijnlijk meer een propagandastunt geweest. In de tweede plaats kunnen wij niet uitmaken op welke wijze de krachten van de oneindigheid zich zullen manifesteren. En in de derde plaats, wanneer deze kracht in onszelf aanwezig is, dan zal zij door ons werken en misschien  tot uiting komen. Maar we kunnen nooit eisen dat, ondanks ons eigen disharmonisch zijn, buiten ons die goddelijke kracht zich wel zal manifesteren. Het zou natuurlijk erg leuk zijn, maar maakt u dan ook van God eigenlijk niet wat anders? Want wanneer je dat zo zegt: daar komt St. Michaël met zijn engelen om de slag te beslissen, wat zeg je dan eigenlijk? Daar komt Gods ministerie van oorlog! Daar komt Gabriël met een boodschap! Dat is dus de hemelse P.T.T. inclusief ministerie voor verbinding! Realiseer je dat eventjes. Wij gaan het onbeperkte, het onbegrensde in functies opsplitsen en dan gaan we bovendien nog verwachten dat die functies voor ons actief zullen optreden wanneer het ons toevallig eens uitkomt. Ik vind dat een beetje, nou ja, dubieus. Voor een eenvoudige ziel misschien een troost al zal het ook nooit gebeuren. Voor de bewuste een erkenning waarbij het verschijnsel niet noodzakelijk is, omdat de macht tot uiting komt, de kracht tot uiting is, het licht aanwezig is.

Nee, we moeten werkelijk proberen om uit te gaan van wat we zelf zijn en zelf kunnen. Dat is niet altijd gemakkelijk. Dat betekent dat je geen verantwoordelijkheid kunt afschuiven op een ander, dat je niet kunt roepen dat nu eindelijk God of de geest of iemand anders maar eens moet beginnen en als ze dan goed bezig zijn dan zullen we wel meedoen. Want het begin schuilt in onszelf. We zijn deel van het onbegrensde en in onze begrensde mogelijkheden kunnen we dat alleen tot uiting brengen middels ons eigen wezen, niet via de een of andere waanvoorstelling en niet via een beroep op hogere machten zonder meer

Ik denk dat dat ook een van de conflicten is die de komende tijd voor heel veel mensen gaat werken. Dan zullen ze rap gaan vragen waarom er nou niet eens iemand anders is die het doet, maar er is niemand om het te doen. Ze zeggen laat God werken. Laat God werken door u. Ja, maar niet: laat God het nou eens een keer doen. Want God doet het niet als u het niet doet. Dat is eigenlijk het feit waarmee de mensen geconfronteerd worden en dat voor hen, mijns inziens, tot allerhande zonderlinge situaties gaat voeren. Het is niet belangrijk hoe je het doet of in welke vorm je het doet, als je het maar doet. Dat moet je ook onthouden.

Want dit zou ik dan willen stellen aan het einde van mijn betoog: Wanneer wij, zo goed als wij kunnen, proberen een hogere kracht waar te maken en daarbij leren voortdurend meer op onszelf te betrouwen en vanuit onszelf een harmonie te zoeken die aanvaardbaar is, dan zullen wij steeds meer beseffen dat de innerlijke kracht onbegrensd is en dat daarmee onze mogelijkheden en vermogens groeiende zijn. Indien wij echter veronderstellen dat een actie van anderen moet optreden in vervanging van de onze, dan zullen we hierdoor veel van onze levenskracht, veel van ons daadvermogen, veel van ons inzicht verliezen, inboeten.

We moeten dus heel eenvoudig, zelf zijn, opdat door datgene wat wij bewust zelf zijn, het onbegrensde zich kan uitdrukken en zo ook in onze begrensde wereld een voor ons steeds meer beleefbare, zo niet volledig kenbare functie kan gaan bekleden.

  • Kunt u iets meer zeggen over die verantwoordelijkheid ten opzichte van uzelf en dat …, (onverstaanbaar)

Wanneer ik in mijzelf weet wat voor mijzelf juist is, dus niet wat ik prettig vind maar wat juist is, en ik zou omwille van een ander zeggende: ja maar dan doe ik die er pijn mee of dan schiet ik tegen die ander tekort, daarvan afstand zou doen, die doe ik verkeerd. Je moet je eerst afvragen: wat is volgens mijn innerlijk wezen en besef volledig juist en dan, handelende volgens dit besef van juistheid, hoe kan ik voorkomen dat ik iemand daarmee schaad, dat mag je wel. En dat betekent dat de verantwoordelijkheid veel groter is dan je denkt ten aanzien van de juistheid van uw handelen. Dat betekent gelijktijdig dat de verantwoordelijkheid die u ten aanzien van de anderen draagt, in feite veel beperkter is dan u zich meent voor te stellen.

  • U hebt gezegd dat we respect moeten hebben voor ons lichaam. Is dat dan niet in strijd met de oosterse filosofie?

Ik weet niet of je dat terecht kunt zeggen. Wanneer we uitgaan bv. van yoga – en dan denk ik niet aan fakirisme, dat is weer wat anders – dan zien we dat het geheel wel een geestelijke oefening is, maar dat men eerst zorgt dat het lichaam in goede orde is, dat alle krachtsstromen in het lichaam zich juist bewegen, dat een juiste beheersing en meesterschap over het lichaam bereikt wordt, voordat men in feite de hogere geestelijke waarden na gaat streven. Dat is toch ook oosters. Wanneer ik denk aan bepaalde Chinese filosofieën, die helaas op het ogenblik in China veel minder beleefd worden dan goed zou zijn, dan vind ik hier weer in: ik moet eerst zorgen dat ik op de plaats waarop ik nu besta in de wereld, zo juist mogelijk functioneer. Ik moet zorgen dat mijn lichaam in staat is om aan de eisen van die plaats zo veel mogelijk tegemoet te komen. Ik moet ervoor zorgen dat ik altijd voldoende gevoed ben en dat ik de voldoende kracht behoud, kortom dat ik goed lichamelijk functioneer want alleen op deze wijze kom ik tot de juiste beleving van Tao, de juiste beleving van de wetmatigheid die in mij bestaat en kan ik vanuit die wetmatigheid met het eeuwige in contact komen. Dat is toch ook Azië, dat is toch ook oosters. En dan kan ik ook nog denken aan andere dingen, ik denk aan de Kaloh-Gita bv. dan zitten we weer een beetje in de hindoe-wijsheid. Daarin staat praktisch letterlijk op een gegeven ogenblik: verzorg uw lichaam, zorg dat gij rust, zorg dat gij sterk zijt want morgen is de dag van de strijd. Het is niet schandelijk de strijd te verliezen of in de strijd te sterven, maar het is schandelijk in de strijd onder te gaan doordat men niet op haar voorbereid is. Die strijd is dan mede weer een symbool van de voortdurende worsteling tussen goed en kwaad en de strijd in zichzelf betekent voor de held dan ook eigenlijk het overgaan naar een soort godenwereld. Dat zit er ook nog bij. Maar ook daarin precies hetzelfde. De oosterling zegt: het lichaam is alleen van betekenis als voertuig voor de geest en de ziel. De oosterling zegt: het leven, het stoffelijke leven is niet zo belangrijk als het innerlijke leven, maar hij zegt gelijktijdig: waar ik kan en zo goed als ik kan, moet ik zorgen dat ik meester zijnde over mijn lichaam, dit lichaam in staat stel om die geest op de juiste wijze te dienen. Dat vergeten de meeste mensen. Veel westerlingen staren zich dood op vormen van fakirisme waarbij men dus de zelfkwelling tot een soort eredienst heeft verheven. Maar men vergeet erbij dat dit een uitwas is, dat in het begin het fakirisme helemaal niet ten doel had om dat lichaam te pijnigen maar alleen om de beheersing, door de wil, van het lichaam en de functies ervan op de proef te stellen. En daardoor is het fakirisme ontstaan. Neen ik geloof dus niet dat u kan zeggen dat het in strijd is met de oosterse filosofie en denkwijze. Wél kunnen wij zeggen dat de oosterse filosofie de nadruk veel meer legt op de innerlijke waarde van de mens en zijn innerlijke betrokkenheid bij het totaal van het bestaan, dan op de stoffelijke vorm. En dat is natuurlijk wel een klein beetje anders dan het westers denken.

Dan vrienden moet u nou eens gewoon luisteren, het is helemaal niet gewichtigdoenerij of zoiets. Bent u weleens naar binnen geweest in uzelf? Er bestaat namelijk een soort ritme over en dat wou ik u dan nog even heel kort als slot geven.

Wanneer ik inga tot mijzelf, bewonder ik mijzelf in de lachspiegel van eigenwaan.

Ik ga verder en ik kom in de grotten van duister en wanhoop waarin ik mijzelf voortdurend ontmoet en meen duivelen en demonen te zien.

Ik ga door de stille grotten waarin het verre licht schemert. Ik zeg: ik betreed een tempel.

Ik ga tot aan het licht en ga door het licht.

En ik weet, ik ben in een wereld.

Ik ga door het licht in een volheid van kleuren en reizend van kleur tot kleur, van weelde van beleven tot weelde van beleven, zie ik mijzelf versmelten tot één enkel punt aan het strand van een kosmos.

En ik zeg tot mijzelf, niet ík ben belangrijk, maar dat wat ik bén.

Want dat wat ik bén is de uitdrukking waardoor een strand, een omgrenzing van de oneindigheid mogelijk is.

Maar dat wat ik denk te zijn, is de illusie waardoor ik wil menen oceaan en strand gelijk te zijn.

Laat mij leren mezelf te zijn, klein in de kosmos maar essentieel, opdat ik zo een begrip kan krijgen van het geheel waartoe ik behoor zonder mij te verstouten te zeggen: zie dit ben ik.

Dat is een heel kort gezegde over de reis naar binnen toe. Ik hoop dat u daar iets uit kunt leren. In de eerste plaats: bewonder uzelf a.u.b. niet. In de eerste plaats helpt het niet en in de tweede plaats verbreekt het meestal je harmonie. Want wat je in jezelf ziet is altijd gezien in een lachspiegel.

In de tweede plaats: wees niet bang. Wanneer je in het duister ingaat, zonder het te vrezen, zul je door het duister kunnen gaan. Degenen die in het duister vertoeven omdat zij vrezen, vrezen in feite zichzelf.

Ten derde en ten laatste: wanneer je begint aan de beleving van licht, kleur en werkelijkheid, denk niet dat je je eigen grootheid zult vinden. Je vindt je eigen kleinheid maar gelijktijdig je onmisbaarheid in het geheel. En als u dat kunt beseffen dan zult u misschien ook beter begrijpen wat ik heb willen zeggen met dit onderwerp over begrensd en onbegrensd, over je God en een mens, over eeuwigheid en de tijd die zo snel voorbijgaat dat ik mijn betoog moet gaan besluiten.