Beheersing van omstandigheden

uit de cursus ‘Ontwikkeling van het ‘ik’ tot beheersing’ – (Hoofdstuk 9)   juni 1961

Beheersing van omstandigheden

Zoals een groot wijsgeer zegt: “Hij, die matig is en niet vreest, is meester over zichzelf en over al, wat geschiedt.”
De omstandigheden, die een mensenleven plegen te beïnvloeden, zijn over het algemeen haast onontkoombaar. Men leeft nu eenmaal in verbinding met anderen in een wereld, die haar eigen omstandigheden kent. En al moge het ‘ik’ ook nog zo hoog‑geestelijk gerijpt zijn ‑ om wederom een wijsgeer aan te halen: “Zelfs de hoogste geest voelt soms de honger, die in de maag knaagt, tot de geest zichzelf vergeet.” Wij moeten dus ‑ willen wij het ‘ik’ beheersen ‑ althans in een zekere mate meesterschap verwerven over de omstandigheden, waarin wij materieel moeten leven. Wij kunnen daarbij natuurlijk uitgaan van onszelf maar elke beheersing, die van onszelf uitgaat, kan alleen onszelf regeren. Wij kunnen weliswaar onze eigen houding t.o.v. de omstandigheden wijzigen, maar wij zijn niet in staat de omstandigheden zelf volledig onder te brengen in een voor ons passend geheel. Daarom zou ik willen trachten u duidelijk te maken, hoe een mens op zijn omstandigheden invloed kan uitoefenen en op welke wijze men dit het best kan doen.
Ga allereerst uit van het standpunt dat de kracht van de mens t.o.v. de kracht der gebeurtenissen in de loop van de tijd klein is. Tracht nimmer onmiddellijk het grote te wijzigen, tracht nimmer het grote te beheersen. Er zijn voldoende kleinere factoren, waarop u uw krachten kunt beproeven. Indien u meent dat uw eigen geestelijke ontwikkeling of uw stoffelijke prestatie wordt gestoord door invloeden in uw omgeving, dan zult u moeten nagaan op welke wijze de storing ontstaat. In zeer vele gevallen blijkt dat deze storing zuiver stoffelijk is; en in een zeer groot deel van alle gevallen blijkt ook dat de eigen instelling de storing veroorzaakt.
Ik wil trachten u een voorbeeld te geven.
In de tijd dat ik op aarde leefde, was mijn oudere broeder de klassieken zeer toegedaan. Persoonlijk was ik overtuigd dat ook de westerse weten­schap betekenis had. Nu zei de oudere broeder mij. “Ik ben het hoofd van het gezin en ik verbied u om u bezig te houden met de dwaasheden van deze mensen met hun halfgare bleke gezichten.” (Verontschuldig mij, ik haal woorden aan, die niet de mijne zijn.)
Mijn antwoord was: “Ik ben bereid uw klassieken te aanvaarden, als u mij de vrijheid laat om hun juistheid te toetsen aan datgene, waarin ik waar­de meen te vinden.”
Zijn antwoord was: “Deze dwaasheid wil ik u toestaan, want u bent nog jong.” Waarop ik hem als zeer eerwaardige oudere broeder heb aangespro­ken en gezegd dat ik dus wilde gaan studeren in een school, die daar kort geleden was gesticht in de stad. Ik heb deze studie volbracht. Ik heb daar medische wetenschappen gestudeerd volgens de westerse opvattingen. Telkenmale wanneer ik met mijn broeder in contact kwam, zou er tussen ons beiden strijd zijn geweest. Maar waarom zou ik niet tot hem spreken in de termen der klassieken? Want ook de klassieken stellen een mens in staat om dat te zeggen, wat meegedeeld moet worden, zelfs over wetenschap. En zo ik mij kan beroepen op de ouden en eerwaardigen, de hoogverhevenen, die hun gedachten eens hebben neergelegd als richtsnoer voor het hele volk, wie zal zich tegen mij verzetten? Anders gezegd: In vele gevallen is het niet wat u nastreeft in uw omgeving, dat een belemmering vormt, maar het gewaad waarin u het kleedt. Kleed alle gedachten, alle bestrevingen in uw omgeving vooral in de beelden en gedachten, die uw omgeving reeds kent. Benader uw eigen, misschien verfrissende en nieuwe inzichten altijd vanuit het oude en omschrijf ze met de termen van het oude. Indien u de behoefte voelt om verder door te dringen in de geest en meent dat u belemmerd wordt, vraag u dan af of deze belemmering misschien voortkomt uit het gebrek aan aanpassing van uw eigen streven aan uw wereld. Op het ogenblik nl. dat de wereld bereid is u en uw streven te aanvaarden en zich daarvan een mening te vormen zonder deze te kunnen verwerpen, is zij in 9 van de 10 gevallen onderdanig aan uw ideeën. Indien u meent dat uw gedachten, misschien omtrent kosmische zaken, voor een leek niet begrijpelijk zijn, zo moet ge u afvragen of het wel noodzakelijk is daarover te spreken. Het is een dwaas, die over grote waarden spreekt met kinderen. Want het kind begrijpt het niet. De moeite is dan vergeefs. En omdat men niet of verkeerd wordt begrepen, voelt men zich gekwetst.
Besef wel, alles rond u heeft een eigen begripsvermogen. Uw omstan­digheden worden echter niet alleen door mensen gevormd. Aan die omstandigheden werken andere dingen mee. Ik denk bv. aan het weer, aan de dode dingen, die u dienen, misschien zelfs geestelijke krachten, die rond u zijn. Want ook zij maken deel uit van uw omgeving en uw milieu; en daardoor zijn ook zij het, die uw omstandigheden bepalen, nietwaar? Maar wat ik in mijzelf besef omtrent een ander wezen, omtrent een voorwerp, een machine, omtrent een boek, maakt het mij mogelijk dit voorwerp, die machine, dat boek op de juiste wijze te benaderen. Als ik op de juiste wijze sta tegenover dat, wat in mijn leven bruikbaar of noodzakelijk is, ben ik meester.
De grote kunst van de beheersing is wel deze, dat men in plaats van te worden gedreven door de omstandigheden, deze zelf schept. Men kan dit doen door zich voortdurend met gevoel en denken tegelijk in te stellen op die punten, welke belangrijk zijn.
Ik geef alweer een voorbeeld, want ik vermeet mij aan te nemen dat uw begripsvermogen het beeld nog niet volkomen gevat had. U staat voor een apparaat. Misschien is dat een van deze moderne, luidruchtige verschrikkingen, die men stofzuiger, bromfiets, wasmachine of radio noemt; u staat daar tegenover. Er is iets niet in orde. Het reageert niet zoals u wilt. Nu kunt u uit een menselijk standpunt zeggen: “Ik ben teleurgesteld.” U maakt u nijdig en roept anderen erbij. Kortom, u maakt een grote ophef van dit alles. U haalt er steeds meer mensen bij. Uw hele omgeving gaat u beheersen. Het middelpunt is nu de machine geworden, die niet functioneert, zoals u wilt. Uzelf staat er buiten. Wat de machine aangaat, wordt u door de omgeving geregeerd, nietwaar? Maar tracht u zich nu niet alleen met verstand of technische kennis maar ook met een zeker aanvoelen daar tegenover te stellen. Stel u desnoods voor dat u dit apparaat bent. Denk u in, wat u als denkend wezen in deze vorm aan tekorten zult constateren. In 9 van de 10 gevallen blijkt dat u in staat bent kleine gebreken zelf te verhelpen, terwijl u daarnaast ‑ alleen door associatie met de machine ‑ zover komt dat u precies weet wat u wilt gaan doen; dat u niet nodeloos anderen, die u overweldigen, naar u toetrekt; maar dat u de anderen precies zegt, wat er moet gebeuren. Zo blijft u meester. Dit houdt in dat uw innerlijke rust hierdoor niet dermate wordt verstoord, als anders het geval zou zijn. Want vergeef mij de opmerking, maar menigeen zal zijn beheersing het snelst verliezen ‑ en dat is de beheersing van het gehele ‘ik’ in alle esoterische, magische en meer materiële waarden ‑ zodra hij staat tegenover een probleem, dat hij niet kan oplossen en waarvan hij voelt of meent dat de oplossing toch ook voor hem mogelijk moest zijn.
Beschouw nimmer iets als een levend wezen, wat niet leeft. Beschouw nimmer iets als met verstand begaafd, wat niet menselijk is en verstandelijk voor u begrijpelijk. Tracht nimmer in de verschijnselen van uw omgeving en in gebeurtenissen iets bijzonders te leggen door uw interpretatie. Blijf voortdurend, zoals men in het Westen opmerkt, nuchter. Laat u niet in een roes brengen, waardoor uw gedachten voorwerpen of waarden, die op zichzelf misschien zeer nuttig zijn, tot een heiligdom verheffen of omgekeerd tot een helse kwelling maken. Wees eenvoudig. Door deze eenvoud zult u ongetwijfeld in uw omgeving meer heerschappij hebben over het gebeuren en in uzelf een grotere rust en daardoor de mogelijkheid om ook uw aanpassing aan uw geestelijke ontwikkeling in uw omgeving tot uitdrukking te brengen. Op het ogenblik dat u wordt geconfronteerd met waarden in uzelf, die u niet aangenaam vindt, is het goed te overwegen ‑ of u ze aangenaam vindt of niet ‑ dat zij deel zijn van uzelf.
Mag ik u wederom een heel eenvoudig voorbeeld geven? U hebt een pijnlijke vurige uitwas, die men steenpuist noemt. U beschouwt deze steenpuist als iets vreemds, iets waaraan u wat moet doen. Maar al, wat zich in die steenpuist afspeelt, heeft met uw lichaam te maken. Beschouw en aanvaard haar met al haar lasten als deel van uw lichaam en tracht in uzelf de zekerheid te wekken, dat deze steenpuist zal verdwijnen. Het resultaat zal niet alleen zijn dat u sneller van deze kwelgeest verlost bent, maar tevens dat u haast onbewust wordt gedreven al die maatregelen te nemen, die bijdragen tot de reiniging van het bloed en dergelijke karbonkelachtige verrassingen voorkomen. Alleen het feit dat u zich gerealiseerd hebt “dit is déél van mijzelf”, heeft het onaangename dragelijk gemaakt, de bestrijding daarvan vergemakkelijkt en u bovendien de juiste weg gewezen om uw innerlijke gemoedsrust te behouden.
U hebt misschien ook eigenschappen, die u niet prettig vindt.
De één voelt zich onaangenaam omdat hij voortdurend aarzelt. Een ander voelt zich onaangenaam door zijn hebzucht en kan niet nalaten steeds méér te eisen. Een derde voelt zich misschien door zijn trots of zijn lusten beheerst. Als u van het standpunt uitgaat dat deze dingen moeten wor­den bestreden, dan gebeurt hetzelfde als met uw furunkel. U beziet het dan als iets van buitenaf, het ergert en overweldigt u, het houdt u be­zig en het obsedeert u. U kunt er niets aan doen.
Beschouw het nu echter eens als iets in uzelf. Beschouw vervolgens de aspecten daarin, die voor u niet aanvaardbaar zijn. Niet de eigenschap als geheel maar alleen de aspecten, die niet goed zijn; die de mens ste­ken, zoals de broodkruimels en de koekkruimels, die zich verward hebben in de zijde van het rustbed, de menselijke huid kunnen prikkelen.
Overdenk alleen waar de prikkeling ligt. Zeg tot uzelf: “Dit alles is deel van mijn wezen. Hoe kan ik deze irritatie, dit wat mijn vrede ver­stoort, opheffen?”
Stel verder: “Ik zal alles doen om daaraan een einde te maken ‑ in mijzelf.
De fout, die eens een enorme innerlijke strijd kon veroorzaken, die oorzaak was van grote angsten en groot leed misschien of voortdurend beschaamde verwachtingen, blijkt dan plotseling te zijn teruggebracht tot een klein en hanteerbaar iets.
Nu zijn al deze innerlijke kwesties verbonden met uw omgeving. Want alles, wat u als mens aan reactie in u voelt, is gebonden aan iets buiten u. Daardoor zult u tegenover die buitenwereld de houding kunnen aannemen, die het u mogelijk maakt elk onaanvaardbaar iets te vermijden of eenvoudig van u af te werpen, zonder ooit door deze eigenschap in een voortdurende strijd met uw omgeving te geraken of door de omgeving wegens dergelijke eigenschappen te worden beheerst.
Ik zou nu willen wijzen op een zeer eigenaardig aspect van het menselijk deel van uw ‘ik’. Alle organisch leven, in feite alles wat eens organisch heeft geleefd en in die structuur zelfs voortbestaat (dit geldt voor het groeiend kristal via de eenvoudigste vormen tot de mens en zelfs bv. zijn mummie toe), heeft een zekere affiniteit voor gelijksoortige voorwerpen, structuren en trillingen ‑ want het bevat een trillingspatroon ‑ onverschillig waar het in de kosmos voorkomt. Uw lichaam zal dus krachtens zijn structuur ‑ en wel zijn speciale structuur ‑ op sommige stoffen sterker reageren dan op andere. Het zal sommige voedingsmiddelen beter verwerken dan andere. Het zal in staat zijn van bepaalde materialen beter gebruik te maken dan van andere. Tracht te begrijpen wat voor u de affiniteit is; waar voor u deze binding ligt met al, wat rond u bestaat. Door bv. (wanneer u wat metalen betreft een grote voorkeur hebt voor koper) het koper op de juiste wijze te hanteren, geeft dit u niet alleen een zekere vreugde; neen, u maakt het uzelf mogelijk om juist alles wat van koper is, gemakkelijker te beheersen. Zijn er voor u moeilijk te beheersen problemen in de stof, die materieel worden uitgebeeld, doe het in koper. Want daardoor hebt u sympathie met het materiaal door uw trillingsgelijkheid. De vorming, de uitwerking, de verwerking, de hantering zal u beter lukken.
Ditzelfde geldt voor planten. Er zullen velen onder u zijn, die zeggen: “Ja, haast elke plant kan ik opkweken. Maar een enkele plant onttrekt zich, ondanks alle goede zorgen die ik haar geef, voortdurend aan mijn pogen. Zij gedijt niet.” Vraag u eens af, of er misschien een verschil bestaat tussen u en een dergelijke plant. Wanneer alles in de verzorging redelijk is, zal het zeer waarschijnlijk liggen aan uw persoonlijke uitstraling, welke op die plant invloed heeft. De uitstraling, die ook alle dode voorwerpen rond u doordringt. Als een plant kan gedijen of kan sterven, alleen door dit verschil in uitstraling ‑ en dit is inderdaad mogelijk ‑ zo zal dit evenzeer moeten gelden voor alle andere organismen. Dit zal moeten gelden voor uw huisdieren, maar ook voor uw vrienden en vriendinnen. Het zal gelden voor degene, die naast u zit in een openbaar vervoermiddel. Het zal gelden voor de relatie tussen u en een handhaver van het recht, een politie‑agent, een douanier. Al deze dingen worden door de persoonlijke relatie bepaald.
Nu hebt u misschien geleerd dat het ‘ik’ de stoffelijke trilling aanmerkelijk kan wijzigen door de juiste geestelijke instelling. Op het ogenblik dat men leert zich innerlijk ‑ ongeacht de bestaande stoffelijke relatie ‑ in te stellen op het beste, dat in deze relatie kan worden verwacht, komt er een kleine maar belangrijke verandering in uw stoffelijk wezen, die het sterkst in de aura tot uiting komt. U verandert de reactie van de omgeving op uzelf en daardoor bent u meester geworden over invloeden, die u eens de baas waren.
Ik wil nu overgaan tot de beheersing van het ‘ik’ als middel om om­standigheden te wijzigen.
De grootste kracht, die in de mens schuilt, is de geconcentreerde wil. Wat ik werkelijk en volledig wil, is een kracht die van mij uitgaat en alles, wat niet een gelijksoortig geconcentreerd wilsvermogen heeft, aan mij onderwerpt. Ik kan natuurlijke tendensen beheersen, zo goed als zelfs niet‑gevormde stoffen of materie. Al deze dingen zijn onderworpen aan de geconcentreerde wil. Een oud‑magiër omschreef dit eens als volgt:
“Wij kennen de begrippen Yang en Yin. Wij kennen de begrippen licht en duister. Maar licht en duister zijn verschijnselen. In het middelpunt daarvan is de wil, die ze tot stand brengt. Zo u de wil bent, zult u beslissen over licht en duister.”
Door concentratie en wilsvermogen is men in staat de gehele buitenwereld een groot gedeelte van eigen bedoelingen en wil op te leggen. Wat meer is: de geconcentreerde wil zal de aan ons tegengestelde waarden wegvagen of onderdrukken.
Ik vergelijk: Men kent de temmers van wilde dieren; u zult hen in circus­vertoningen kunnen zien. Er zijn er onder hen, die vrezen en vrees inboe­zemen. Maar zij zijn nimmer werkelijk meester. Meester is wat zij hanteren: het vreesaanjagende, de zweep, het ijzer. Er zijn er ook, die praktisch zonder verdedigingsmiddelen naar hun wilde dieren toegaan, maar die vol­ledig geconcentreerd zijn op wat zij van die dieren verwachten.
Het vreemde is dat de leeuw, die gemakkelijk wordt gedresseerd, zich zelfs door een roep aan deze wil onderwerpt en dat ook de tijgers en de panters ‑ zelfs de zwarte panter, de meest wrede en gevreesde sluiper van de wou­den ‑ zich aan een dergelijke concentratie onderwerpen en praktisch niet in staat zijn zich van deze ban te bevrijden. De wil maakt de dresseur tot de meester over zijn omgeving. Hij kan zijn persoonlijkheid daarin leggen en gedurende de voorstelling, waarin hij dus geconcentreerd blijft, zullen de dieren niet alleen hun persoonlijke eigenschappen vertonen, maar tevens een vage afschaduwing geven van het wezen van hun beheerser.
Ook voor mens tegenover mens bestaat dezelfde mogelijkheid. Een dirigent, volledig geconcentreerd op zijn muziek en daarin geheel verzonken, zal een groot orkest tot een meesterlijke vertolking kunnen brengen, terwijl hij in feite slechts zeer summiere aanwijzingen geeft omtrent de uitvoering. Een ander, die technisch alles veel juister aanduidt, bereikt deze prestatie niet. In de één is innerlijk de muziek geboren; deze muzikaliteit en de wil haar in de muziek te verwerkelijken, worden overgedragen aan zijn bezielende kracht; en gedurende de tijd, dat deze mens dirigeert, zijn alle aanwezige musici a.h.w. onder zijn ban. Zij spelen niet zelf, zij wórden in zekere zin gespeeld.
Nu zult u misschien geen wilde dieren dresseren, maar u bent omringd door veel gevaarlijker wezens: door mensen. U zult geen orkest dirigeren, maar rond u is een veel verstrooider gemeenschap: de mensheid. Wat een enkele mens in de genoemde voorbeelden tot stand kan brengen, kunt ook u presteren, zolang uw wil en concentratie in absolute verbondenheid mèt een duidelijk beeld van wat gewenst wordt zich op de omgeving richten.
Ten aanzien van de geest zal voor de lagere geest gelden, dat een dergelijke wilsuiting haar onderwerpt. Zij wordt dienend en voegt haar eigen bekwaamheden en mogelijkheden toe aan haar samenwerking met u, waardoor de omgeving beantwoordt aan uw behoeften. De hogere geest erkent het beeld evenzeer. En omdat het scherp en duidelijk is uitgedrukt, wijkt hij terug, als het voor hem niet harmonisch is. Als het wèl harmonisch is, verrijkt hij het geheel met zijn eigen werkingen, zoals ‑ indien u mij een herhaling van de vergelijking toestaat ‑ een solist soms de bedoeling van de dirigent verrijkt door zijn eigen bezielende interpretatie en in de versmelting van beide meer tot stand brengt, dan elk van hen ooit afzonderlijk zou presteren.
Hier, mijn vrienden, blijkt reeds dat u over een vreemde magische kracht beschikt. Gij zijt niet slechts de mens, die wordt beheerst door zijn milieu; en die beheersing behoeft niet alleen beperkt te blijven tot het ‘ik’; maar u moet wel over uzelf het meesterschap verwerven, voor u naar buiten toe de noodzakelijke kracht kunt uitoefenen.
Toch begon ik mijn betoog met de opmerking, dat wij het grote niet kunnen veranderen, alleen het kleine. De vormende werkingen in uw tijd worden uitgeoefend door krachten zo groot, dat wij ten opzichte daarvan misschien eerst pasgeboren kinderen zijn. En ofschoon ongetwijfeld de hoge en volwassen geest kan reageren op ons hulpgeschrei, zo zal hij zich er toch niet toe lenen om onze wil te gaan uitvoeren. Integendeel, het grote is belangrijker; het kind moet zich aanpassen in het gezin en de jongere heeft de oudere te eerbiedigen.
Zo nu is het in de schepping. De grote dingen worden vastgelegd door krachten, die wij niet kunnen overzien. Zij hebben voornemens en bedoelingen, die grootser en scherper zijn dan wij ooit in onszelf zouden kunnen formuleren. Daarom zullen wij de beheersingen van het milieu en van de omstandigheden, zoals is geschetst, altijd beperken tot die dingen, die niet een gehele gemeenschap of ontwikkeling raken. Alleen indien wij wéten te zijn gezonden en te worden gesteund ‑ twee voorwaarden, mijn vrienden, rust op ons de noodzaak om als uitvoerder van het hogere, als het gedresseerde dier misschien of één van de musici in het orkest, de wil daarvan te verwezenlijken.
Al dat de mens doet, dient in matigheid te worden volbracht. Het is goed in alle dingen matig te zijn. Zoals een bekende uitspraak zegt: “De wijze is matig in deugd en zonde, matig in lust en ernst, matig in beweging en rust. Want door de matigheid is hij meester. Hij, die onmatig is, wordt beheerst door wat hij nastreeft.” Daarom moeten wij wel beseffen dat wij in het leven nooit mogen vergen, geestelijk noch stoffelijk, een direct antwoord te krijgen op hetgeen wij als het beste of het meest juiste beschouwen; maar dat wij tevreden moeten zijn met een gemiddelde benadering van hetgeen voor ons aanvaardbaar is. Wij mogen nooit trachten onze omstandigheden zo te wijzigen, dat ze ideaal zijn. Want zouden wij hierin slagen, dan zouden de gevolgen daarvan waarschijnlijk onze schone waan van bereiking doen ineenstorten en ons ‑ nu ook zelf onbeheerst ‑ tot werkelijk slachtoffer maken. Neen, wij zijn verplicht om door matigheid en beperking in alle uitingen, positieve en negatieve, de beheersing over onszelf te handhaven.
Hiermee heb ik het mijne gezegd over de beheersing der omstandigheden. Zo ge mij dit toestaat, zou ik echter gaarne hieraan nog een tweede kleine les verbinden.

De goeroe, die u kent en die ook zeer lange tijd mijn meester is geweest, heeft mij eens dit geleerd:
“Het past de mens om hoffelijk te zijn, vooral ook tegen zichzelf. Want slechts wie zichzelf eerbiedigt, zal zichzelf kunnen benaderen. Slechts wie zichzelf kan benaderen, kan zichzelf erkennen. Slechts wie zichzelf kent, kan zichzelf leren beheersen. Slechts wie zich beheerst, is meester over zichzelf en vormt zijn eigen leven.”
Deze gedachtegang zal u misschien wat ingewikkeld lijken, maar zij is dit niet. Want let wel, zodra ge uzelf begint te overstelpen met verwijten, nemen die verwijten soms een eigenaardige vorm aan. Kort geleden trachtte ik iemand te helpen; een vrouw, die zichzelf uitmaakte voor een stomme koe; en zij deed dit zo luidruchtig, dat zij m.i. in haar wezen beide termen logenstrafte. Het heeft weinig zin jezelf een verwijt te maken. Eerder heeft het zin jezelf a.h.w. hoffelijk uit te nodigen het goede te doen.
Benader jezelf altijd met een zekere achting, ook als het je geest betreft. Krijgt ge een diep inzicht van de hoogste sfeer en moet ge dit uitdrukken in heel uw wezen, ach, mijn vrienden, wees dan niet schoolmeesterachtig. Druk het niet uit in wetten en regels, maar omkleed het hoffelijk in de termen van een beperkt verzoek. Spréék er met uzelf a.h.w. over en geef alle delen in uzelf gelijke rechten. Want alleen zo zal het u mogelijk zijn uzelf tot een geheel te maken. De mens, die niet met zichzelf kan spreken, maar steeds alles voor zichzelf tracht te regelen, zelfs wetmatig te bepalen, zal nooit zijn werkelijk ‘ik’ kennen. En wie in een stoffelijke beperking, beperkt natuurlijk, zijn ware ‘ik’ niet kent, zal het nooit kunnen beheersen, vrienden. Daarom, wees hoffelijk. En dan? Wanneer ge uzelf kent, zult ge toch niet onmiddellijk beginnen deze kennis uit te buiten om uzelf een toom aan te leggen met een wreed bit en uzelf met pijn te leiden en te dwingen? In het begin werkt dat. Maar hoe harder men tegen zichzelf is, des te meer men zichzelf afstompt. De strijd blijft gelijk, alleen de objecten van strijd worden intenser en groter. En daarmee hebben wij niets bereikt.
Wees zachtzinnig tegen jezelf. Niet vertroetelend (ik hoop dat ik dit woord goed in uw taal heb vertaald), maar eerder oprecht, vriendelijk en vooral niet dwingend. Probeer liever jezelf met goede woorden en een beloning in de goede richting te sturen, dan jezelf daartoe te kwellen en te straffen. Wie zijn lichaam vernedert ter wille van de geest, verbittert zijn stoffelijk voertuig tegen de geest. En als stof en geest verbit­terd tegenover elkaar staan, hoe kunnen zij dan bij elkaar baat vinden?
U begrijpt wat ik bedoel? Ook hier gaat het weer om de juiste manier jezelf te vinden. En als je dat ‘ik’ nu hebt gevonden en je weet eindelijk voor jezelf: “Ja, zover mijn begrip reikt, ben ik toch wel dit”, dan is het toch logisch dat je verdergaat? Want als je jezelf kent, ken je de mogelijkheden van het ‘ik’. En als je die mogelijkheden kent, dan is het niet noodzakelijk te gaan strijden om dat ‘ik’ van de slechte weg te hou­den; dan is het alleen maar noodzakelijk dat ‘ik’ te wijzen op elke goede en aanvaardbare mogelijkheid, die in ons ontstaat.
En zie, door de zachtheid hebt ge uzelf dan gebracht tot de gewoonte van juist handelen en juist denken. Ge hebt uzelf gebracht tot harmonie. Maar in deze harmonie kan uw geest veel vrijer uitgaan naar andere werel­den; hij kan misschien aan de voeten van een goeroe neerhurken om in de nachtelijke uren dàt te vernemen, wat hij in de stof ternauwernood zou kunnen begrijpen.
Uw geest kan nieuwe krachten opdoen, hij kan sterk zijn. Hij put zich niet uit in verdeeldheid of onrust. Daarom is het zo belangrijk dat u deze harmonie juist in de beheersing van het ‘ik” steeds tot uitdrukking brengt. Het is ook opvallend, dat bij de beheersing van het ‘ik’ menig mens zich vastklampt aan het onwaarschijnlijke of het onkenbare.
Ik heb een oude grootmoeder gekend, die altijd, wanneer zij een belangrijke beslissing moest nemen, twee priesteressen uit een naburig klooster liet komen. Deze moesten haar waarzeggen. En indien zij haar zeiden dat zij een galkoliek zou krijgen, was zij zo ongerust dat deze koliek zou komen, dat zij te veel maanzaadkoekjes at en zich dus een ander soort koliek op de hals haalde.
Menig mens is zo. Hij kent in en rond zich tekenen. Hij ontdekt in zich mo­gelijkheden en hij maakt zich zo ongerust over wat daaruit zijns inziens zou kunnen voortkomen, dat hij eenvoudig zelf het gevreesde veroorzaakt. Er zijn mensen, die zo bang zijn, dat zij hun lichtende bewustwording zullen schaden, dat zij uit louter zorg om het licht niet te verliezen alle con­tact met het werkelijke licht kwijtraken en plots ontdekken, dat zij in het duister verkeren.
Daarom zou ik u willen raden, vrienden, voortekenen, innerlijke ontdekkin­gen en bewustwordingen niet als iets belangrijks te zien. Wanneer het ‘ik’ harmonisch is, zullen die tekenen te zijner tijd duidelijk worden. Zolang ge ze moet verklaren, hebben ze geen zin. En als de verklaring er is, zo zult ge weten hoe ge beheerst moet handelen en hoe ge, zonder uw innerlijke beheersing te verliezen, op de juiste wijze moet reageren, ook voor de wereld en niet alleen voor uzelf.
U beseft misschien wat ik hiermee wil betogen? U bent in sommige gevallen wellicht ‑ laat ons zeggen ‑ neerslachtig. Ik wil u een voorbeeld geven.
In uw klimaat pleegt het hemelvocht veel en snel te vallen. Wanneer u dit droefgeestig stemt, zo bevordert u alles, wat daarmee harmonisch is. Bent u echter blijmoedig ondanks de regen, de zon zal doorbreken en dan is uw wil in deze blijmoedigheid eveneens geuit. U zult menige wolk wegdrijven, die anders haar oneindig leed zou blijven uitstorten over de plaats, waar u in zonnige vreugde zou willen genieten. U kunt zelfs in beperkte wijze meester zijn over het weer. Wanneer de zee woest is en u vreest haar, zo is in u de woestheid van de vrees en u bevordert haar onstuimigheid. Maar zo ge haar ziet met een gerust hart, wetend: “Ik, oneindig wezen ‑ zelfs in stoffelijke vorm ‑ ben tegen dit geweld bestand, als het noodzakelijk is”, zal dan de storm niet luwen en zullen de golven hun wildheid niet een ogenblik bedwingen om u te dragen? De mens, die beheerst is en harmonisch deze innerlijke beheersing projecteert naar al wat rond hem is, deze is meester over vele elementen, over vele geesten. En het is niet dit meesterschap, dat belangrijk is, maar het is belangrijk dat u ‑ mede dank zij dit meesterschap, dat zich steeds sterker kan gaan uiten ‑ in rust zult leven, in rust bewust zult worden en zo alle krachten, die in u schuilen, juist zult weten te gebruiken.
Een paar kleine spreuken zou ik hieraan gaarne willen toevoegen. Misschien wilt u ze met uw ongetwijfeld scherp doorzicht zien als een klein gekleurd glas, dat soms het beeld van uzelf en uw wereld zou kunnen veranderen, zoals wanneer kinderen spelen met gekleurde glazen.

“Wanneer de bloesem aan de boom is, is het dwaas naar de vrucht te verlangen, doch dient men de bloesem te genieten.”

“Wanneer de dood komt en haar schaduw werpt, zo is het goed daarin te berusten, indien men zich van de felheid van het leven bewust is.”

“Als de vijver der gedachten dreigt over te lopen, open dan het kanaal waardoor zij in de juiste richting kan afvloeien. Want woorden, vergeefs of willekeurig gesproken, zijn schadelijker voor de vrede dan duizend daden.”

“Zo u een ander wilt ontmoeten, gelijkwaardig met die ander, en u uzelf kent, openbaar dan uw wezen eerlijk en zonder terughouding. Want slechts zó kent men elkander en slechts zo wordt de harmonie vergroot, tot alle mensen elkander kennen en gezamenlijk de perfecte schepping vormen.”

Misschien begrijpt ge wat hierin ligt opgesloten? Beheersing van het ‘ik’ wordt verkregen door oefening en moeite. Een matige oefening en een matige moeite. Maar een matigheid, die van geen ophouden weet. Er wordt nergens een zware proef gevergd van de mens, niet in de stof en niet in de sferen; maar wel een gelijkmatigheid van zelfkennis, van beheersing en zelfs van streven.
Al wat geschapen is, is goed en een gave voor allen; maar u zult uit de gaven moeten kiezen wat harmonisch met u is. Want slechts zo kunt u het leven en de omstandigheden beheersen en daaruit datgene voortbrengen, wat voor geest én stof nu nog de schoonheid van de bloesem draagt, maar zo dadelijk de vrucht van een nieuwe, wel gekende wereld in de geest voor u openlegt.
En hiermee, vrienden, besluit ik mijn onvolkomen poging om mijn grootmeester in wijsheid in uw bijeenkomst te vervangen.

Personificatie en identificatie

Op het ogenblik dat ik mij bewust ben van de waarden, die in een ander leven, kan ik mij met die ander zozeer één voelen, dat ik mij met hem identificeer. Er is dan geen enkel verschil meer in persoon­lijkheid. Als voorbeeld moge het volgende dienen: Ik lig op mijn rug naar de zomerhemel te kijken en zie een wolk voorbij drijven. Ik ga over die wolk nadenken en plotseling voel ik mij één met die wolk. Ik weet dat ik in het gras lig en naar boven kijk, maar het is alsof ik gelijktijdig van boven naar beneden kan zien en met die wolk over het land drijf.
Wij noemen dit dan een geval van identificatie. Ik heb het ik‑begrip a.h.w. overgebracht op de wolk. Nu kan ik echter ook een wolk personifiëren. In personificatie breng ik mijn eigen wil en bewustzijn mee. Ik onderga dus niet willoos, maar breng wel degelijk mijn eigen intenties mee. En nu neem ik weer hetzelfde voorbeeld: Ik lig op mijn rug en er is een wolk. Ik ben bang dat die wolk voor de zon zal schuiven. Dientengevolge personifieer ik mijzelf met die wolk. Ik breng mijn wezen, mijn intenties en mijn wil over in die wolk, denk mij­zelf één met die wolk en volbreng zo goed als ik kan in de gestalte van die wolk bv. mijn menselijke intentie, d.w.z. een zeer snel wegdrij­ven misschien of een versluiering en eindelijk een uiteenvallen.
Hiermee is, naar ik meen, het grootste verschil tussen deze beide begrippen wel aangeduid. Beide begrippen komen voort, oorspronkelijk althans, uit de magie. De magiër zal zichzelf identificeren met alle waarden, waarover hij geen gezag kan krijgen. Hij kan proberen zich één te voelen met de entiteit, die hij uitzendt om een bepaalde taak te vol­brengen. Hij weet dat hij deze geest niet kan beheersen. Hij heeft daar­over geen gezag. Maar door zich daarmee één te voelen, kan hij zeer waarschijnlijk de intenties van die geest aanvoelen. Wanneer hij tot zijn eigen persoonlijkheid terugkeert, heeft hij omtrent de handelingsbereid­heid, de handelingsmogelijkheid en zelfs de gehele bedoeling van die geest gegevens verworven. Deze gegevens gebruikt hij dan om anderen op de weg van die geest te brengen en wel zo, dat een door hem begeerd iets tot stand komt.
Nu kan ik echter ook te maken krijgen met een magiër, die de uittreding beheerst. Hij zal ergens een astrale schil (dus een verlaten astraal voer­tuig) vinden, die nog behoorlijk wat kracht en mogelijkheden bezit. Wat doet hij? Hij brengt zijn eigen persoonlijkheid daarin onder en laat nu deze astrale vorm zijn wil volbrengen. Hij personifieert a.h.w.; hij beeldt dus het wezen van het astrale voertuig uit, maar legt daaraan volledig zijn eigen wil en intenties op.
Het is duidelijk dat deze begrippen ‑ zoals ik ze hier eenvoudig magisch uitleg ‑ veel grotere consequenties hebben dan de gegeven voor­beelden kunnen weergeven. Op het ogenblik dat ik mij bv. identificeer met God, voel ik mij één met God. Ik vergeet mijn eigen wezen. Maar God is harmonie. Mijn gehele wezen is dus in absolute harmonie verzonken.
Het resultaat is dat, wanneer ik tot mijzelf terugkeer ‑ iets wat tenslotte toch zal moeten gebeuren ‑ deze harmonie in mij bestaat. Ik heb deze dus uit de identificatie gewonnen. Ik kan bv. ook op een gegeven ogenblik tegenover primitieven komen te staan. Deze primitieven hebben een zeer beperkt godsbegrip. Dit gods­begrip is zo laag, dat ik met mijn eigen wil, mijn eigen weten, die god kan uitbeelden. Dan mag die god werkelijk bestaan, maar ik kan zijn plaats innemen. Ik personifieer die god en daardoor breng ik hen in de waan dat ik die god ben en bereik misschien daardoor een doel, dat ik als eenvou­dig mens niet zou kunnen bereiken.
Bij de personificatie draag ik altijd de verantwoordelijkheid voor wat ik doe; bij de identificatie is dat slechts zeer beperkt. Wanneer ik mij identificeer met iets, dan onderga ik dit. Dit ondergaan is een versmelting. Zo zou u bv. kunnen stellen dat een tweelingziel, die tot eenheid komt, eigenlijk een perfecte uitdrukking is van het begrip identificatie, omdat beide entiteiten elkaar volledig hebben aanvaard en aangevoeld en volledig de eigenschappen van de ander als die van zichzelf beschouwen. Hier is dus een volledige band. Er is voor de buitenstaander geen grens meer te vinden.
De magiër heeft deze begrippen heel vaak gehanteerd en daarbij het begrip identificatie ook wel gebruikt om bv. op afstand te werken. Maar op een heel eigenaardige manier. Ik zal u een voorbeeld geven van wat in Egypte nog wel eens gebruikelijk was. Daar bezat men nl. een tamelijk uitgebreide medische kennis, waarbij hypnose in de plaats van de huidige narcose kwam en bovendien een z.g. krachtgever (u zou zeggen magnetiseur) aanwezig was; beiden probeerden de levenskracht en ongevoeligheid van de patiënt te handhaven tijdens een soms pijnlijk en zelfs ingewikkeld operatief ingrijpen.
Nu was het voor de hypnotiseur soms mogelijk zich niet alleen als heerser over de ander op te werpen maar om zich eerst met deze te identificeren. Hij bracht dan een harmonie tot stand. Deze harmonie maakte het hem moge­lijk een diagnose te stellen, die werd gebruikt als aanvulling naast die van de priester.
Er zijn dus gevallen geweest, waarbij men zeer beroemde priesters (als nar­cotiseurs, hypnotiseurs, geef ze maar een naam) verzocht op afstand te assisteren. En dat gebeurde dan als volgt: De priester in kwestie stelde zich ‑ vaak met behulp van een beeldje, waarin hij dus de persoonlijkheid van de patiënt zag ‑ geheel op die patiënt in en werd met deze één zo goed als hij kon. Hij voelde nu in zichzelf wat in de patiënt aanwezig was. Maar hij moest het ook nog meedelen. Nu had men gelukkig in die tijd nog de beschikking over mensen, die telepathisch waren geschoold.
Een dergelijke telepaat trad dan als vertegenwoordiger op van die priester en gaf zijn aanwijzingen door aan wat u de chirurg zou kunnen noemen. Een tamelijk ingewikkelde kwestie, maar voor sommige priesters een zeer schone bron van inkomen, dat kan ik u wel verzekeren.
Nu is echter deze identificatie in de magie natuurlijk verdergegaan. Want men heeft gezegd: Wanneer ik mijzelf met iets anders kan vereenzelvigen, waarom zou ik dan iets anders niet bv. met mijzelf of met een door mij gekozen voorwerp kunnen vereenzelvigen? En daaruit ontstond toen de methode, die u tegenwoordig nog zult terugvinden in bv. de goena‑goena, de voodoo enz.; het vereenzelvigen (ook een vorm van identificatie dus) van een persoon met bv. een beeldje; het vereenzelvigen van bepaalde in het ‘ik’ liggende krachten met een talisman. Er werd hier dus eenvoudig gezegd: Ik heb een beeldje. Dit beeldje is mijnheer Jansen. Ik wil mijnheer Jansen doden. Dus verricht ik aan dit beeldje alle handelingen, die de werkelijke mijnheer Jansen zouden kunnen doden. Het gevolg zal zijn dat Jansen sterft.
Het eigenaardige is dat ook deze vorm van zwarte magie inderdaad werkt. De goede kant, die er ook bij is, wil ik ook trachten te schetsen.
Stel, dat er een soort toverdokter is, die u goed wil doen. Hij wil u bv. geluk geven. Maar om u geluk te kunnen geven, zou hij op de hoogte moeten zijn van alle omstandigheden. En dat kan hijzelf niet. Nu maakt hij een zegel of hij schrijft iets op papier en heel vaak gebruikt hij daarbij speeksel. In Indië werd nog wel eens de Chinese blokjesinkt gebruikt. Deze werd met speeksel aangemengd en daarmede werd dan een amulet geschreven. De man zei dan nu a.h.w. tegen zichzelf: “Alles, wat deze amulet opvangt, vang ik op.” Zo legde hij in deze amulet een deel van zijn eigen waarnemings‑ en prestatievermogen. Want wat hij deed (in zichzelf dus), werd ook weer op de amulet en door deze op de drager ervan overgebracht.
Die amuletten hadden echter één onaangename eigenschap. Zij brachten je misschien 50 jaar geluk, maar op een gegeven ogenblik stierf degene, die de amulet had gemaakt en dan was het afgelopen. Je vroeg je dan af, waarom die amulet ineens niet meer werkte. Dit is ook identificatie.
En nu de personificatie. Ook hiervan wil ik trachten een paar sprekende voorbeelden te geven.
U hebt ongetwijfeld wel eens gehoord van de z.g. demonendansen. Wij vinden deze bv. in India, waarbij zeer schoon gestileerde dansen worden opgevoerd om de overwinning van een held op bepaalde demonen uit te beelden. Dergelijke dansen hebben een religieuze betekenis. Ook in Tibet bestaan deze demonendansen. Overblijfselen daarvan vinden wij eveneens bv. in het verjagen van de duivel, zoals dat in bepaalde Alpendorpen nog voorkomt. Hierbij gaat men uit van het standpunt dat, wanneer wij een bepaald iets of iemand zien in een beeld of in een symbool, wij alles, wat wij ten aanzien van deze persoon of krachten zouden kunnen doen, ook met dat beeld of symbool kunnen doen. En nu personifieert men dan bv. zo’n duivel ‑ het is een heel oud gebruik, dat stamt al van lang vóór het christendom ‑ door hem een gestalte te geven; iemand beeldt hem dan uit. Wanneer deze duivel vlucht (het symbool van de winter), dan is het zeker, dat de lente gaat komen. Want zijn personificatie is gevlucht, dus vlucht hij werkelijk.
Ik weet niet of u de logica, die erin zit, kunt begrijpen. Wanneer bv. in Tibet een priester danst en hij doet in zijn opwinding tijdens die dans een bepaalde uitspraak, dan zegt men: Hij personifieerde (hij nam de persoonlijkheid aan van) een bepaalde god of van een bepaalde demon. Wat deze mens in zijn opwinding heeft uitgeroepen of gezegd, is van die god of die demon afkomstig. Want door de uitbeelding is een zeker identiek‑zijn ontstaan. Iedereen ziet in hem immers die duivel. Dan is ook alles, wat van die duivel komt, in die mens geconcentreerd. Wat hij zegt of wat hij doet, komt uit die duivel of uit die godheid. En in de religieuze heldendansen, zoals die in India op het ogenblik nog worden uitgevoerd, vinden wij de oude mysteriën terug. Hierin wordt dus een uitbeelding gegeven van een strijd b.v. tussen licht en duister. Deze wordt dan zeer plechtig uitgedrukt; bv. de menselijke held, die de vorst van de onderwereld verslaat enz. Wanneer wij de begrippen kennen, die daarmee zijn verbonden, zal de persoon, die in de dans de duistere partij uitbeeldt en wordt overwonnen, weergeven wat er werkelijk geschiedt. Je zou kunnen zeggen: het is een soort overbrenging. Wij beginnen hier dus iets te hanteren. En andere krachten ‑ ook al zijn ze veel groter ‑ zullen door dit geloof, door dit opleggen van ons wezen, als een soort marionetten moeten gehoorzamen aan wat wij doen. Zodra wij ophouden, kunnen zij hun gang weer gaan. Maar dan hebben wij hen toch in een richting gedreven, die voor ons wenselijk is.
In de oude mysteriën werd dit ‑ zoals ik al zei ‑ ook toegepast. Wanneer u bv. denkt aan die glorieuze stoet van Dionysos, dan vraagt u zich wel eens af: waarom moet nu al die lichtzinnigheid erbij? Waarom al die vreugde? Waarom al die gebruiken, die direct op vruchtbaarheid doelen? Het antwoord is heel eenvoudig: “Wij wensen immers vruchtbaarheid voor de aarde”, zo zouden die mensen hebben gezegd. “Door alles te doen, wat vruchtbaarheid voorstelt, wat vruchtbaarheid kan verbeelden, zullen wij die vruchtbaarheid zeker verwerkelijken, vooral wanneer wij een god van overvloed met ons dragen en dus a.h.w. aan hem al deze acties opdragen. Hij kan niets doen dan dit in de stoet goedkeuren en zegenen. Hij zal dit dan ook in werkelijkheid doen.”
Zo zijn wij dan langs een inwijdingsgebruik meteen weer gekomen in de moderne tijd. Hier vinden wij nl. ook iets vreemds. Ik wil nl. wijzen op de katholieke kerk. Wanneer wij spreken over de transsubstantiatie, de wijding van de hostie, die volgens het geloof tot het lichaam van Jezus wordt, terwijl de wijn verandert in het bloed van Jezus, dan hebben wij in feite met een personificatie te doen. Want het wezen van Jezus wordt in deze stof uitgebeeld. Zijn persoonlijkheid wordt daarin gelegd. Dit is zelfs een kernpunt van het geloof.
Wij gaan verder naar een ander sacrament: de biecht. De biechtvader hoort de belijdenis van schuld aan, draagt eventueel een zeker pensum op (een soort strafwerk) en geeft daarna absolutie. En daarbij gebruikt hij dan een soort rituele formule: Absolvo te (ik neem uw schuld weg, ik ver­geef u in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest.) Maar hij doet dit, terwijl hij zich identificeert met de enige kracht, die dit kàn doen, nl. God.
Wanneer je dus werkelijk die vergeving van zonden in de biecht zou willen aannemen, zou de biechtvader op het ogenblik van deze vergeving God moe­ten zijn. Als hij daarin dus intens gelooft en ook de gelovige in de aanvaar­ding daarvan intens gelooft, dan zou je kunnen zeggen dat de biechtvader magisch de plaats kan innemen van God. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat àl zijn woorden van God zijn, maar op het ogenblik dat hij deze handeling verricht, identificeert hij zich met het Goddelijke en neemt hij aan dat dit ‘Absolvo te’ niet voortvloeit uit hemzelf maar direct uit de scheppende Kracht.
Nu kunnen wij deze dingen ook heel vaak gebruiken bv. om iets te we­ten te komen. Wanneer ik mijzelf identificeer met een dier of een plant, dan kan ik heel veel leren omtrent de beweegredenen, het beperkte gedachteleven, dat er bv. in zit en de reacties. Ik kan de zaak beter leren begrijpen.
Wanneer ik mij identificeer met een ander mens, zal ik daardoor dus in die andere mens ‑ en niet alleen uiterlijk maar in zijn wezensgronden, zijn zie­leleven, a.h.w. ‑ doordringen en daardoor bepaalde waarden in mijzelf ont­dekken en kunnen gebruiken. Maar hoe belangrijk dit ook voor ons moge zijn, wij moeten toch altijd wel één ding bedenken: Elke identificatie gaat uit van een absolute aan­vaarding van de eenheid zonder voorbehoud. Dus als ik zeg: Ik ben één met (en dan noemt u maar op: met Jan, Piet, Klaas, Mies enz. of met God de Vader, God de Zoon, met een grote profeet, met een meester), dan moet ik mijzelf in die eenheid vergeten. Ook al is die vergetelheid maar kort, zij moet aanwezig zijn, anders heeft het geen werking.
Wil ik werken vanuit mijzelf, wil ik dus zelf invloed uitoefenen, dan kan ik nooit die identificatie zonder meer gebruiken. Ik moet dan overgaan tot een personificatie, dus een uitbeelding van de persoonlijkheid om het zo eens te zeggen; ik neem met behoud van mijn eigen weten, willen en werken de ander en diens wezen op mij en volbreng dingen in de zekerheid, dat ‑ omdat ik ze doe ‑ ze door de ander worden gedaan.
Ik hoop hiermee het verschil tussen deze twee waarden te hebben duidelijk gemaakt en u tevens enigszins te hebben ingelicht wat eraan ten grondslag ligt. Want dit is een typisch redelijk denken op onredelijke basis (althans volgens de moderne normen), dat de magie heeft doen ontstaan en dat indirect alle wetenschappen heeft voortgebracht. Wie uitgaat van vaste stelregels en zich daarop blijft baseren zolang zij resultaten geven, zal heel vaak geen redelijke verklaring kunnen geven. Maar de verklaring, die hij geeft, zal op zichzelf in een redelijk schema passen, mits bepaalde premissen zijn aangenomen. Op deze wijze bouwde men dus de voorstelling van verwantschap, van harmonieën, van wederkerige beïnvloedingen en wat dies meer zij. En ofschoon deze stelling niet redelijk is volgens de huidige wetenschap en de huidige mens, ben ik ervan overtuigd dat deze waarden in de gehele kosmos bestaan en dat zelfs daar, waar twee wezens praktisch gelijk zijn in denken en willen op een gegeven ogenblik, onbewuste identificatie‑verschijnselen optreden en daardoor een wederkerige beïnvloeding, die vele werelden en sferen met elkaar in contact brengt, zonder dat dit misschien goed wordt gerealiseerd.

Wil en wet

Voor de mens is een wet een regel, die hem gesteld wordt en die zijn wilsuitingen beperkt. Maar in feite is de wet in haar oorsprong een wil.
Wanneer wij spreken over de kosmische wetten, dan is het de goddelijke wil, die de schepping tot stand brengt, plus de goddelijke eigenschappen, die God heeft willen leggen in Zijn uiting, die de beperkingen uitmaken, waaraan ge in de kosmos onderhevig zijt.
Wanneer wij nagaan hoe een wet tot stand komt, ontdekken wij ook weer dat het de wil is van een bepaalde groep, die een wet voor een andere, minder verstandige of zwakkere groep opstelt. Het is in feite het opleggen van wil.
Men wil verkeersveiligheid en daarom wil men bv. liever de voetganger of de fietser aan banden leggen dan de automobilist. Dan ontstaat er dus een wet, die het de automobilist gemakkelijker maakt of omgekeerd.
Het is erg moeilijk om wil en wet van elkaar te scheiden, zodra wij op geestelijk terrein komen. In de stof kunnen wij het anders zeggen. In de stof is de wet: het door de gemeenschap gewenste, aanvaarde of als gewoonte beleefde; terwijl de wil is: de persoonlijkheidsuiting, al dan niet in overeenstemming met eigen geestelijk bewustzijn en stoffelijk vermogen.
Alle wetten, die op aarde bestaan, zijn in feite voor de mens alleen dan een beperking, als zijn wil te zwak is om de mogelijke consequenties, die met wetsoverschrijding verbonden zijn, voor zichzelf te aanvaarden. Wij bewonderen over het algemeen, wanneer wij op aarde zijn, helden en martelaren. Maar laten wij dan één ding niet vergeten: zowel de helden als de martelaren aanvaarden de beperkingen, aan hen gesteld niet en aanvaarden de consequenties, die aan deze verwerping verbonden zijn. Zij zetten dus in feite hun wil door. De christelijke martelaren zeggen: “Ik wil niet offeren aan de goden of aan de keizer” en daarom laten zij zich rustig afslachten. Wat zij willen, brengen zij dus tot stand. Zij kunnen ook zeggen. “Ik wil leven.” En dan zullen ze ook daarvan de consequentie moeten aanvaarden.
U kunt dus in de praktijk dit zeggen: Elke wet kan worden overwonnen en overschreden, indien wij bereid zijn de consequenties te aanvaarden, die aan een dergelijke wetsovertreding verbonden zijn. Of om het nog anders te zeggen: Zodra onze wil ons zo geheel beweegt, dat wij andere dingen en bijkomstigheden niet tellen, zullen wij altijd datgene volbrengen, wat wij willen.
In feite is dus onze wil wel degelijk onze wet. Het is dus heel erg moeilijk daar een onderscheid tussen te maken. De stoffelijke mens echter met zijn beperkte voorstelling van leven, met zijn beperkt gebruik van zijn geestelijke en stoffelijke vermogens, zal de wet moeten respecteren. En hij doet dit dan nimmer omdat hij die wet wil respecteren (hij wil eigenlijk graag iets anders), maar omdat hij de moed niet heeft de gevolgen te aanvaarden, omdat hij voor zichzelf of voor anderen daaraan consequenties verbonden acht.
Wij mogen nu dit onderwerp, m.i. althans, in het volgende verband gaan bezien. Wat is voor ons in de goddelijke of kosmische wet aanvaardbaar?
Antwoord: Alles wat wij willen, mits wij bereid zijn van alles wat wij willen de logische gevolgen en de logische compensatiewerkingen te aanvaarden. Wij zijn volledig vrij. De gebondenheid, die wij onszelf opleggen, komt voort hetzij uit een bepaald streven, hetzij uit een onbegrip voor onze eigen mo­gelijkheden.
In zekere zin zijn wij ‑ in dit opzicht althans ‑ aan God gelijk. Want God wil en wat Hij wil, geschiedt. Wanneer wij willen met uitsluiting van al het andere, dan zal wat wij willen, eveneens geschieden.
Wij hebben één nadeel: God kent Zichzelf en is Zich van Zichzelf bewust. Wij niet. En daarom mag je als mens en ook als geest heel vaak stellen: Ik wil het eigenlijk wel, maar ik zou toch wel eens willen weten, of ik het nu werkelijk wil, of dat ik eigenlijk niet wil, wat ik denk dat ik wil. Een zeer ingewikkelde zin, die volkomen de verwarring weerspiegelt, die meestal in ons pleegt te leven.
Neem nu bv. iemand, die met een beperkt bedrag in zijn handen in de stad staat. Nu wil hij of zij graag iets kopen. Maar hij of zij is moe en wil ook graag met een taxi naar huis gaan. Er moet tussen beide wilsuitingen een keus worden gemaakt, want je kunt maar één ding tegelijkertijd werkelijk willen, omdat een volledige wilsuiting en een volledige wilsinhoud op dat ogenblik alles ‑ behalve het direct voorgestelde en gewenste ‑ uit­sluit.
Willen staat nimmer in verband met verleden of met toekomstige ontwikkelingen. De wil is een ogenblikkelijke vaststelling plus een ogenblikkelijke openbaring van je wezen. En daar komt dan alweer naar voren de grote factor: bewustzijn. Want het is mijn bewustzijn, dat het mij noodzakelijk maakt mijn wil aan te passen aan alle binnen het bewustzijn gelegen waarden. Hoe harmonischer ik innerlijk ben, hoe gemakkelijker ik tot een volkomen wilsuiting kom, hoe gemakkelijker iets volledig door mij wordt gewild en hoe gemakkelijker ik dus ook een volledige vervulling bereik. Want in mij heerst ook een wet en die wet is deze: Als ik tegen mijzelf verdeeld ben en dus twee wensen gelijktijdig in mij aanwezig zijn, kan ten aanzien van geen van beide gesproken worden van een werkelijk willen. Wil is een met uitsluiting van alle andere dingen volledig begeren, volledig verwerkelijken, ongeacht de mogelijke gevolgen, consequenties enz.
Een mens, die een harmonisch bewustzijn heeft, brengt nu zijn geestelijke waarden met zijn stoffelijke waarden samen. Hij is dus in geest en stof één. Wat hij wil is voor hem geestelijk even aanvaardbaar als stoffelijke. Hij is geestelijk zowel als stoffelijk bereid om de gevolgen van deze wilsuiting (want er moet dan een uiting bijkomen) eveneens te accepteren. Deze mens is de machtigste mens, die er bestaat. Want omdat hij alle krachten van geheel zijn wezen ‑ in stof en geest ‑ kan concentreren op elk willekeurig punt, met uitsluiting van elke bijkomstigheid en elke andere kracht, is hij meester over alles, buiten de krachten ‑ en daar komt dus ook weer even een beperking bij ‑ buiten de krachten, wier wil, kennis en innerlijke harmonie groter en sterker zijn dan de zijne.
Daaruit volgt dan dat er een wet is. Een wet, die stelt dat het vermogen tezamen met de volledigheid van de wil de prestatie, de volbrenging zullen bepalen. Die wet vloeit voort uit Gods wezen. Ik hoop dat u het niet erg vindt, dat ik dit woord gebruik. Er zijn mensen, die worden schuw zodra je ‘God’ zegt. Waarom zou ik echter zeggen: kosmos of Algeest? Het komt toch precies op hetzelfde neer? De wil, die de schepping tot stand bracht, heeft tevens in de schepping de eigenschappen zowel van onszelf als van alle dingen bepaald. Dit zijn onze enig werkelijke wetten. Alle andere wetten zijn in feite een compromis, waarbij wij een aantal wensen trachten op te leggen aan onszelf en aan anderen, zonder dat wij de gevolgen daarvan volledig voor onszelf beseffen, willen ondergaan of zelfs ook maar berekenen of trachten te berekenen.
U kunt de conclusie hieruit trekken voor het geestelijk leven ‑ ik zeg dat er uitdrukkelijk bij. In het waarlijk geestelijk leven is geen enkele wet buiten de goddelijke wet – erkend of niet ‑ een beperking voor onze mogelijkheden. Er bestaat geen enkele afwijking van deze regel en evenmin enige uitzondering daarop. Volkomen vrijheid bezitten wij echter eerst dan, als wij de goddelijke wet ook volledig aanvaarden. En die wet houdt in: oorzaak en gevolg, wetten van harmonie en evenwicht, van gelijkblijvende velden. Aan al deze wetten moeten wij gehoorzamen, omdat de kracht die ons voortbrengt en in stand houdt, deze wetten in ons wezen heeft gelegd. Andere wetten bestaan er niet.
Een verstandig mens echter maakt voor zichzelf wetten. Want een mens is in zichzelf verdeeld. Die verdeeldheid kan bv. liggen tussen wat je zou willen zijn en wat je bent; tussen wat je zou willen doen en wat je geestelijk meent dat je zou moeten doen. Er zijn nog vele andere voorbeelden te geven. Zodra deze geschillen ontstaan, zullen wij voor onszelf eveneens een wet scheppen, nl. een gedragsregel. Deze gedragsregel is in feite een compromis tussen het stoffelijke én het geestelijke en zal voeren tot een nu eens naar de ene, dan naar de andere zijde overschrijden van deze wet, die wij onszelf hebben opgelegd.
Ik wil nu trachten om deze zaak te definiëren.
Een wet is steeds hetzij de vastlegging van de wil van een ons overheersen­de kracht, dan wel het compromis tussen twee strijdige krachten, waaraan wij onszelf onderwerpen.
De wil is het totale bewustzijn en wezen van het ‘ik’ en de totale behoef­te van het ‘ik’, uitgedrukt in één volledig gerichte uitstorting van alle kracht en energie om dit ene doel te bereiken.
Dan formuleer ik verder voor u als volgt: Waar wil en wet met elkander in strijd zijn, zal de wil altijd zegevieren, tenzij de wet door een hogere kracht is gewild. Wij moeten de vrijheid, die wij in feite bezitten, in onszelf vinden door te beseffen dat alles, wat wij willen, bereikbaar is mits wij bereid zijn daarvoor de prijs te betalen. Want elke verstoring van een bestaande toestand. of evenwicht in de kosmos betekent dat een ogenblikkelijke compensatie plaatsvindt, die ons meestal onmiddellijk of na enige tijd beroert en de gevolgen doet dragen van hetgeen wij wilden en zo volbrachten.
Een wil zonder uiting is geen werkelijk willen. U zegt dat u iets wilt, maar in feite bedoelt u dat u iets wenst. U zou de verwerkelijking daarvan begeren. Maar eerst op het ogenblik, dat geheel uw wezen wordt ingezet voor de verwerkelijking, wilt u pas.
Laat ik dan besluiten met nog dit commentaar:
Ik heb getracht om hier kort en begrijpelijk uiteen te zetten wat het ver­schil is tussen wil en wet en hoe deze op ons leven als geest en stofmens inwerken. Begrijp wel dat ik u gaarne wi1 duidelijk maken wat in mij leeft maar dat de consequenties, daaraan verbonden, zover zouden kunnen gaan, dat ik meen deze niet te kunnen aanvaarden en zo mijn willen in feite tot een wens wordt teruggebracht. Datgene, wat ik tot u breng en wat ik uit, is het resultaat van een wil mijnerzijds en van een wilsaanvaarding aan uw kant (aan de kant van het medium), waardoor deze uitdrukking mogelijk wordt.
Dit kan alleen als een ander vrijwillig (het woord zegt het al!) zich on­dergeschikt maakt aan mijn wil en zal ophouden (dat is de wet nl.), zodra een wilsstrijd ontstaat. Dan zal geen van ons beiden, noch het medium noch ik, tot een perfecte uiting kunnen komen en dan zult u niet kunnen komen tot een aanvaarding, een verwerping of een overdenking van hetgeen wordt gebracht, omdat dit dan niet meer wordt verduidelijkt. Waar twee gelijkwaar­dige wilsuitingen elkaar treffen, is het noodzakelijk te overwegen.
Want zonder deze overweging ontstaat een verwarring, die door geen van beiden, die willen, wordt beheerst en die door geen van beiden in feite werd gewenst.
Wanneer u iets wenst, overweeg wat het u waard is en breng uw wil en wilsuiting in overeenstemming met het zo bereikte compromis. Dan hebt u in uw leven zeer grote mogelijkheden en zult u die mogelijkheden eveneens binnen de beperkingen van de goddelijke wetten in alle werelden en sferen blijvend bezitten. Want als wij geleerd hebben onze wil te hanteren, een eigen wet ons te scheppen en de boven ons liggende wil van het hogere als wet voor onszelf te aanvaarden, dan kunnen wij stellen dat wij meester zijn over alle z.g. wetmatigheden, die slechts regels zijn, maar die geen feitelijke wilsuiting van hogere krachten of van onszelf inhouden.

SMELTKR0ES.

Een vat, gevormd uit stof van een zodanige hardheid, dat het meer kan weerstaan dan al hetgeen erin tot andere toestand wordt gebracht, bv. tot vloeibaarheid. Een middel om stoffen te mengen, om metalen samen te smelten. Het middel om misschien waarheid te doen geboren worden uit vele verwarringen.
Een smeltkroes noemt men de wereld wel en zij mag ons in vele opzichten daaraan doen denken. Want de wereld met de beperkingen, die voor ons als mens bestaan, zodra wij in de stof leven, zijn zó groot en zó hard, dat wij deze niet alle kunnen doorbreken. Zo worden wij a.h.w. met de vele feiten en uitingsmogelijkheden der materie vermengd en later gereinigd, maar toch met de bestanddelen der wereld nog in ons tot zuivere geest gegoten. Een geest, die anders en meer waard is, dan vóór haar binding met de stof.
In de smeltkroes voltrekken zich bepaalde processen, waarmee wij kunnen reinigen, of waarmee wij eigenschappen kunnen veranderen. Als je ijzer neemt en je smelt het en je zorgt dat er een voortdurende stroom van zuurstof wordt doorgeblazen, dan blijkt het bij het gieten staal te zijn geworden. Het koolstof‑percentage erin is hoog genoeg en het is hard en daardoor bruikbaar voor vele dingen, waarvoor gewoon ijzer niet bruikbaar zou zijn.
Misschien is de wereld in zeker opzicht iets dergelijks. In de smeltkroes, die wereld heet, wordt de geest ‑ gebonden aan een menselijk li­chaam ‑ onderworpen aan een voortdurende stroom van krachten en gebeurtenissen. Daarin moet hij zichzelf veredelen. Hij moet de hardheid, de scherpte, de duurzaamheid en de buigzaamheid verkrijgen, die noodzakelijk zijn om een werkelijkheid te kunnen aanvaarden zonder te breken. Want de last van de werkelijkheid kan zwaar zijn: een smeltkroes waarin lijden, tijd, gebeuren en ervaren en waarin ontwikkeling een grote rol spelen.
Indien wij allen in die smeltkroes zijn geworpen en daaruit zonder voldoende gehalte, zonder voldoende harding terugkeren en daarin opnieuw worden teruggeworpen, dan is dit zeker een bewijs van de noodzakelijkheid deze nieuwe kwaliteiten en eigenschappen te verwerven. Want er is ergens een meester, die deze smeltkroes hanteert. Er is ergens iemand, die bepaalt welk materiaal wél en welk materiaal niet goed is geslaagd. Wij kunnen daaraan zelden iets doen, zo denkt u. Maar indien wij beseffen wat er gebeurt, indien wij wetend zijn omtrent hetgeen op aarde plaatsvindt, dan kunnen wij als geest en als geest in de stof alles doen wat in ons vermogen ligt om die proef te doen slagen. Wij kunnen trachten ons eigen wezen met een zekere aanvaarding aan al deze louterende en ons misschien irriterende werkingen te onderwerpen. We zullen trachten het onvermijdelijke te accepteren. Wij kunnen trachten elke verontreiniging uit te spuwen, zoals uit het metaal in de smeltkroes vaak het vuil naar boven komt drijven, zodat het kan worden verwijderd en het zuivere metaal overblijft.
Het is onze taak onszelf te reinigen en te zuiveren, zeker zolang wij in de stof en in de vormkennende werelden zijn. Deze taak vloeit voort uit ons wezen. Het wezen, dat van erts, van een vermengd en onbewust iets, deel van de z.g. dode stof, moet worden tot een levend, krachtig werktuig. Want wij allen, vrienden, moeten worden tot levende en krachtige voertuigen in de hand van de Kracht die wij erkennen, de Kracht, die wij God noemen.
Gij geeft als onderwerp: smeltkroes. En ik geef u er het antwoord op: Al wat rond en met en in u gebeurt, is een deel van het proces van veredeling. En misschien, misschien is deze smeltkroes niet alleen maar een kroes, waarin metalen worden gesmolten, maar is er ergens een grote alchemist, die uit de vreemde samenvoeging der bestanddelen ons doet kristalliseren en maakt tot een steen der wijzen.
Het licht en het weten zijn voor ons allen te vinden. Kracht en weten en bewustzijn zijn niet alleen afhankelijk van menselijke mogelijkheden, maar vooral van de wijze, waarop wij al hetgeen ons wordt gegeven kunnen aanvaarden en verwerken.
Dit beseffende geef ik u, als het antwoord op uw onderwerp, de zin: mens, zoek in een bewust verwerken en aanvaarden van de wereld jezelf in grootste reinheid en zuiverheid te gewinnen. Want dit is het doel van je bestaan.
Met deze overweging besluit ik deze bijeenkomst. Wij zijn natuurlijk dankbaar dat u nog steeds met belangstelling onze lessen volgt.
Ik mag namens uw goeroe dan nog de volgende boodschap doorgegeven: het feit dat belangrijker werk mij heeft geroepen, kan mijn geest niet geheel van de uwe terughouden. Datgene, wat u is gegeven, klinkt misschien lichter en lijkt u misschien wat speelser dan u van mij gewend bent. Want ik weet hoe u bent en ik ken mijn leerling, die ik u gezon­den heb.
Maar ik zeg u: besef wel wat gezegd werd en laat u niet betoveren door de wijze waarop. Want zeker is dit waarheid en voor u belangrijk. Niet wat u wordt gezegd, maar hetgeen u er voor uzelf in vindt en wat u ermee volbrengt, zal bepalen of ik u nog lang leerling zal noemen, of dat ik u als mijn gelijke mag erkennen.
Deze boodschap heb ik u doorgegeven, zoals ze mij werd opgegeven.

Groeikracht

Een ziel was in een mens geslopen
en leefde een heel leven door.
Toen kwam een eind aan ’t stoffelijk streven
en ging het stoflichaam teloor.
Wat leven had te saam geweven,
ontplooide zij als vleugels, wonderschoon.
Verliet als vlinder, vol van krachten,
de stof‑cocon, de aardse woon.
Zij wilde zwevende nu trachten
te puren vreugd van hemelsfeer,
maar in haar was het vreemde kloppen,
het spreken, dat nog vraagt naar meer.
Toen wilde zij geen vorm meer kennen.
En wijl de vlinder nederzeeg,
was het een zang, een lied, dat nimmer zweeg
en op ten hemel steeg
en zweeg en werd tot licht.
Het spelen van licht en het spelen van kleuren
duurde een tijd en was wonderlijk schoon.
Maar ook daarin kon het ‘ik’ nog niet vinden
het hemelse rijk en vaste woon.
Toen groeide in het ‘ik’ een omvattend begrijpen,
dat barstend de hemel een vuurwerk werd.
De kracht was verdwenen, de flikkering gevallen
en schijnbaar de ruimte weer leeg en inert.
Maar ergens daar is er een kracht en een scheppen,
geboren uit groei en goddelijke kracht,
die toont aan de vlinders, aan hen, die nog zoeken:
Hier heeft ene ziel zijnen rondgang volbracht.
Want uit de krachten van god’lijke wereld,
uit het lichten van het eerste begin,
is er een kracht sterk tot ons gekomen
en dringt ons steeds in de ziele weer in.
Zij dwingt ons tot groeien, zij dwingt ons tot bloeien,
tot eindelijk het laatst van de vorm ons vergaat
en de ziel, zelfs ontdaan van haar zingen en lichten,
tot de eenheid met haar Schepper weer gaat.