Bepaalde aspecten uit Jezus leven

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom deel 43

2 december 1956

Het is natuurlijk een hele tijd geleden, dat Jezus op aarde was en de omstandigheden waarin hij leefde en werkte, verschillen zeer veel van hetgeen deze tijd biedt. Maar bepaalde punten zijn zozeer gelijk gebleven, dat ik juist in deze dagen. meen er goed aan te doen deze te belichten.

Jezus kwam bij een genezend meer. Een soort van vijver, waar – zo men zegde – precies op het middaguur elke dag een engel neerdaalde en zijn beroering bracht genezing voor de eerste, die daarna het water raakte. Op zichzelf iets, wat ons doet denken aan bijgeloof. Iets, wat ons in zijn wonderbaarlijkheid zeer zeker niet meer aandoet als iets redelijks. Toch werden daar mensen genezen. En nu het eigenaardige. Wanneer Jezus daar komt, zit er één te klagen, dat hij nooit de eerste kan zijn. Een mens, die verlamd is. Zijn klacht is treurig: “Ik heb niemand, die mij in het water kan werpen.” En Jezus behandelt dat heel doodgewoon. Hij maakt deze mens vrij, d.w.z. hij geneest. Een verhaaltje, dat ons op zijn minst gezegd een klein beetje overdreven aandoet. Genezende bronnen zijn er genoeg in de wereld. Maar een bron, waarin elke dag een engel afdaalt, dat kent men niet. Waar liggen de achtergronden?

Ik geloof, dat wij het beste doen Jezus hier zelf aan het woord te laten. Want hij verklaart – zoals altijd weer aan zijn leerlingen – wat er eigenlijk is gebeurd. “Ziet,” zo zegt hij, “de engel, die neerdaalt, is het geloof van de mens. En zij, die geloven, worden genezen; doch zij, die niet geloven, voor hen is er geen uitweg.” En wanneer dan de leerlingen zeggen: “Ja, maar Heer, er werd er toch maar een genezen,” antwoordt Jezus: “Zo gij gelooft, zo zal U geschieden.”

“En, Heer, gij geneest deze mens. Maar hoe? Waarom?” De apostelen zouden het veel eenvoudiger gevonden hebben de man op te nemen en in het water te gooien, zodat hij de eerste zou zijn.

Dan volgt Jezus eigenaardige verklaring: “Indien ik hem zou doen delen in dat, wat zij allen geloven, ik zou een hunner de zegen nemen, die hij verwacht en verdient. Doch is in ons allen niet de kracht van het geloof, de kracht van de Vader? Door hun kracht te geven, geven wij wat zij allen verwerven of hopen te verwerven uit de wereld en de wonderen daarvan.”

Dat klinkt in moderne oren misschien een klein beetje cryptisch. Nu is het een feit, dat de patroon van deze dagen Thomas is, de ongelovige. Thomas, de voorvader van alle wetenschapsmensen alle psychologen en parapsychologen, die vragen naar een bewijs. Wij zouden ook zeggen: “Ja, maar vertel ons nu eens, hoe kan dit nu voor ons aanvaardbaar verklaard worden.”

Jezus doet dat niet. Hij zegt: “Geloof.” Het geloof, dat in hem is, is hetzelfde als de engel, die beeld van het geloof der mensen geneest wie het eerst het water beroert. En door zijn geloof kan hij genezen.

Telkenmale weer wanneer wij met Jezus te maken krijgen, klinkt op de achtergrond deze dwang tot geloof door. Zonder geloof kan niemand iets zijn. Met geloof kan men alles. Telkenmale weer verwijt hij en aan de menigte en aan zijn apostelen: “Gij klein gelovigen. Gij, die zo klein zijt in geloof, wat verwacht gij dan eigenlijk? Hebt ge dan geen vertrouwen?”

Vertrouwen is soms erg moeilijk. Wij hebben er een bewijs van, wat het geloof kan doen. Maar ook hoe het falen in het geloof gelijktijdig een falen is in het bereiken. Het voorbeeld daarvan ligt ons in Petrus, die de Meester ziende in het scheepje over het meer wandelt. Want hij ziet niets anders dan de Meester. En in dit opgaan in deze Meester, die hij wil bereiken, vergeet hij, dat water over het algemeen de mens niet draagt, totdat hij halverwege is. En dan ziet hij ineens rond zich het water en in de realisatie “ik loop op het water” zit gelijktijdig het verzinken. “Heer help mij, want ik verzink, ik ga onder.”

Dan komt Jezus heel nuchter, stapt uit zijn boot, wandelt over het water, grijpt Petrus zo onder de arm en zegt: “Kom maar mee.” Dat kon hij doen, omdat zijn geloof sterk genoeg was voor hen beiden.

Het geloof is zo belangrijk, dat het alle werkelijkheid overtreft. Er zijn daarover zeker vele verhandelingen geweest. De meest interessante ligt betrekkelijk vroeg. Hij ligt op het ogenblik, dat Jezus vertoeft in het huis van Levi en daar een maaltijd tot zich neemt. Want ook daar komt de vraag van het geloof naar voren. En Levi is in zijn hart de materialist. Hij zegt; “Heer, deze mijn bezittingen zijn mijn werkelijkheid. Doch gij spreekt mij van de Vader en vraagt mij alles op te geven. Hoe kan ik zonder deze dingen leven?”

Dan antwoordt Jezus: “Indien gij slechts gelooft in hetgeen Uw handen vatten en Uw ogen zien, zo zult gij niet leven maar langzaam sterven. Doch indien gij gelooft in dat, wat gij niet ziet, zo zeg ik U: Gij zult leven tot het einde der dagen. Want de Vader is in mij en in U. En zo ik mij beken tot de Vader, zo ik een ben met Hem, zal mij niets ontbreken. Want ziet, Hij is de vervulling van al mijn wensen. Doch indien ik de Vader ontken en grijp naar hetgeen Hij heeft geschapen zonder de Schepper daarin te erkennen en te zien, hoe arm zal ik zijn, omdat de volheid van Zijn wezen mij ontgaat.”

“Maar Heer, hoe kunnen wij bereiken? Gij zegt; dat alles ons wordt gegeven. Maar indien ik uitga zelfs in het jaar van de Sabbat, wanneer alle schulden mij worden vergeven, zo ben ik arm. Maar indien ik dit hier bezit, dit huis en al, wat er rond ligt, deze landerijen en mijn schatkist, dan ben ik in aanzien in het land.

“Gij dwaas.” Jezus kan het niet anders zeggen. “Gij dwaas. Gij zegt: Dit alles is mijn. Dit aanzien is mijn. Doch hoelang duurt Uw leven? Is er één mens geweest, die zijn rijkdommen meenam over het graf? Is er een mens geweest, die met goud een ziekte heeft genezen? Is er één mens geweest, die vrijheid van schuld in zichzelf kon verwerven door het bezit, dat hij op aarde had? Ik zeg U: Er is één weg. En deze weg breng ik U en ben ik U: Geloof. Niet het uiterlijke maar het innerlijke. Ziet, niets noem ik mijn eigen. En Uw tafel dient mij met een volheid, die menigeen mij benijden zou. Niets noem ik mijn kracht en daar buiten staan de getuigen, dat de kracht des Vaders voor mij werkt. Ik zeg U Levi, geloof is meer dan alle dingen. Want wie zich overgeeft aan de Vader en aanvaardt Zijn stem, Zijn kracht en Zijn wezen, al zou hij niets bezitten, hij is meer dan een vorst. Want de Vader is de kracht, die zich openbaart aan een ieder; die zich geven wil aan de Vader. En zo ik Zijn licht draag en Zijn woord spreek dan is dit niet slechts om Zijn en ‘t wille, maar ook door mijn wil. Want niets is Jezus, de zoon van Jozef. Maar alles is Jezus, die is de stem van de Vader.

Ook gij kunt de stem des Vaders zijn. Er is een weg, één waarheid: De Vader, de Kracht, Die in ons leeft. En wie in Hem opgaat, is één met alle dingen.”

Dat betoog is mystiek, zoals in die dagen alles nu eenmaal verhuld moest zijn in een manteltje, dat de mythe zeer nabij kwam. In de gelijkenis, in het verhulde, waar de woorden hun eigenlijke betekenis verborgen alsof ze zich ervoor schaamden. Zo was het in die dagen.

Maar stel nu eens, dat Jezus in deze dagen zou leven. Dat een Levi van deze dagen, gastvrij en enigszins geëerd, dat de profeet bij hem komt, hetzelfde zou zeggen. Wij kunnen het niet zeggen, zoals Jezus het heeft gezegd. Dat gaat niet meer. Deze tijd vraagt het anders, zuiverder, concreter. En misschien ook wetenschappelijker. Zou Jezus dan niet zeggen: “Wie hangt aan zijn bezit, verliest het. Niet omdat het bezit vergaat, maar omdat hij het besef ervan verliest. Doch wie geen bezit kent, hij deelt in alle dingen in voortdurende vreugde. Wie berouwt op eigen kracht, ziet eigen kracht falen en hij is niets. Maar wie deelt in de krachten van het Al, hoe zal hij ooit zonder krachten zijn?”

Hij zou het misschien nog zuiverder gezegd hebben. Hij zou gezegd hebben: In de mens zoals in alle bewuste leven bestaat een heel eigenaardige eigenschap. Men noemt dat een eigenschap van de psyche, van de geest, van de ziel. Het is deze: Zij is één met de levenskracht. En uit deze levenskracht kan zij voortbrengen al hetgeen inherent is aan de eigenschappen van de kracht des levens Maar op het ogenblik, dat die mens zich daarvan afsluit en zich baseert op de verschijnselen i.p.v. op een werkelijkheid, dan is die mens arm. Want in zichzelf is hij zo bekrompen en beperkt. Hij is geneigd om gebruik te maken van de omstandigheden.

Dat Jezus dit zou zeggen, lijkt mij haast onvermijdelijk. Is het niet waar? Is het niet hetgeen die apostelen ook willen doen daar bij die geneeskrachtige vijver? Zij willen gebruik maken van de omstandigheid der genezing om te genezen. Maar Jezus ontkent dat. Ook daar.

Neen, ik geloof, dat hij zou zeggen: Wanneer de mens hangt aan het uiterlijk, wanneer hij hangt aan het bezit en aan de waarderingen, die mensen eigen zijn, dan is die mens beperkt, dan zijn de omstandigheden zijn meester en kan hij zich hoogstens een enkele keer de omstandigheden te zijnen gunste ombuigen. Maar de mens, die boven de omstandigheden staat, omdat hij geen waardering of binding kent voor al hetgeen bezit heet, eigendom, roem, eer en kracht, die kan de omstandigheden wijzigen naar zijn inzicht. Want in zijn vrij zijn van een psychisch gebonden zijn aan wetten, kan hij de volle kracht, die ook in hem leeft, uiten. De volle kracht, die in elke mens leeft, is de kracht van God, van de Vader.

Ik weet niet, of ik duidelijk ben. Het vraagt altijd weer enig nadenken, enig onderzoeken om iets zo te zeggen, dat ook U begrijpen kunt, waar het om gaat. En hetgeen, waar het altijd om gaat, als we al het andere. terzijde stellen, wat dan secundair is, een beetje onbelangrijk, is dat, waar we steeds weer op terug komen, het woord “geloof.” Maar welke mens begrijpt nu het woord geloof werkelijk?

Men meent, dat geloof is een zichzelf dwingen tot aanvaarden. Dat kan niet. Jezus weg is ook een weg van het geloof. Maar al kunnen wij ons wel dwingen te leven als Jezus. Wij zijn nog geen Jezus; Er is dus klaarblijkelijk een verschil.

Mag ik misschien beginnen met eerst dat geloof even voor U vast te leggen in zijn werkelijk wezen? Geloof kan beginnen met een aanvaarden, maar het eindigt met een weten. Wat wij geloof noemen, wanneer wij op aarde zijn, is een weten omtrent andere werkelijkheid, groter, machtiger en sterker dan de ogenblikkelijke verschijnselen in het leven. Zolang dat geloof aarzelend is en zoekend, is het niet volledig. Dan falen wij. Want wij kunnen wel zeggen: “Ik geloof, dat God voor mij zal zorgen.” Maar op het ogenblik, dat wij niet bereid zijn de proef op de som te nemen, of dat wij aarzelend afwachten, of het misschien zal lukken, hebben wij al gefaald. Dat is het moeilijke.

Geloof wil zeggen: een concreet weten gebaseerd op andere, intensere en hogere waarden dan hetgeen stoffelijk zichtbaar is. Nu kan ik U dat wel honderd keer voorhouden, maar ik kan U dat geloof niet geven. Ik kan U alleen bewijzen, dat wij – evenals de apostelen – in vele dingen geloven behalve in hetgeen, waar het om gaat. Wij geloven in het feit, dat de mensheid op deze aarde het belangrijkst is. Wij geloven, dat onze weg van leven en streven ons ten slotte tot een doel zal leiden. Een doel dat misschien verder ligt, dan wij op het ogenblik wel kunnen bevatten, maar dat toch zeker ook nu reeds te definiëren is; Wij geloven, dat wij vrij zijn. Wij geloven, dat wij in staat zijn ons lot en dat van anderen te veranderen.

Nu kunt U wel zeggen, dat U anders denkt, maar U handelt toch naar dit geloof, dat ik hier omschrijf. U vraagt U niet af, of bepaalde denkbeelden U beperken. Daar gelooft U immers niet aan? Anderen? Ja, die kunnen psychisch geremd zijn of zo. Maar Uzelf? U is toch wel de kracht gegeven om verder te gaan.

Kijk, dat kunt ge dus wel geloven. Ge kunt dus geloven. Maar ge gelooft alleen in bepaalde dingen van Uzelf. Soms zelfs in Uw eigen onvolmaaktheid en Uw eigen onvermogen, of dit nu feitelijk bestaat of niet. Het geloof, dat Jezus bedoelt, is juist een geloven in iets anders dan jezelf. Het is het geloven in een kracht, die voor jou steeds meer tastbaar wordt.

Misschien is het aardig een paar woorden aan te halen, gewisseld tussen Jezus en Johannes, die men later de Doper noemde. Dan zegt Jezus tegen deze Johannes:. “Het wordt mij moeilijk deze wereld nog te aanvaarden. Want er zijn twee dingen en ik kan ze niet met elkaar verenigen.” Dan vraagt Johannes de Doper: “Wat is dat dan?” Jezus antwoordt: “Ziet, ik heb mijn moeder lief en mijn vader. Ik eer de meester, die leest in de synagoge. Ik heb de mensen lief die rond mij zijn. Maar ik heb ook een Kracht lief, Die ik niet omschrijven kan. Die voor mij even werkelijk is. En tussen deze beiden ben ik ongelukkig.”

Het is Jezus voor zijn openbaar leven. Ongelukkig, omdat hij moet kiezen tussen zijn wereld, waarin hij zich toch ook zo thuis voelt, en dit nieuwe, deze Kracht, Die sterker en sterker in hem wordt afgedrukt en waarvoor hij geen oplossing weet. Hij kan die dingen niet met elkaar verenigen. Hij meent, dat je dat niet samen kunt doen. Hij voelt het aan of als “mijn wereld,” of laten wij het noemen “mijn God.”

Dan zegt Johannes de Doper zo heel nuchter: “Wanneer God mij roept, ga ik Zijn weg en ik zal mij gelukkig en verheerlijkt achten, dat Hij mij heeft uitverkoren.” En dan dit aardige trekje in Jezus antwoord: “Maar zolang ik mijzelf uitverkoren acht, zal ik dan een zijn met Hem?”

Zal ik één zijn met God, wanneer ik mijzelf door God uitverkoren acht? Daar heb je nu het probleem. Jezus zal het later oplossen. Hij zal veel, veel later aan het Avondmaal nog zeggen tegen Andreas: “Ziet, niets ben ik en al is de Vader.” Op dit ogenblik is dat nog een zoeken. Kan Jezus de uitverkoren Jezus blijven en toch een zijn met de Vader? En het antwoord, dat zijn hele leven er op brengt, is: Neen, dat kan niet.

Johannes de Doper probeert het wel op zijn manier en het resultaat zien wij dan ook. Hij is een vreemd mens, een exhibitionist.

Hij laat zichzelf door de menigte verheerlijken. En de wijze, waarop hij optreedt tegen allen, ook tegen de groten der aarde, is zeker van alle zachtzinnigheid ontbloot. Hij is een soort religieuze dictator, die het wel goed bedoelt, maar die geen nederigheid kent. Wat hij aan nederigheid verkondigt, is eigenlijk een soort van zelfverheerlijking in negatieve vorm. Jezus daarentegen gaat onder in de Vader.

Wanneer wij geloven, dan kunnen wij dat niet doen als iets, wat ons eigen wezen versterkt. We kunnen niet zeggen: “Ik zal dit of dat doen of dit of dat zijn.” Dat is de hele conclusie, die wij hieruit moeten trekken. Wat wij geloof noemen, is in feite: onszelf vergeten, alleen aan God denken.

Ja, vrienden, dat is natuurlijk erg moeilijk. Voor ons erg moeilijk om te bereiken. Maar indien wij weten, dat het zo is, dan kunnen we misschien ook iets gemakkelijker de weg gaan, die Jezus ons getoond heeft. De weg, waaraan hij met vele anderen deze wereld weer herinnerd heeft. De weg der eenheid met God, die ligt vastgelegd in de oude paradijslegende: het wandelen met God, zonder oordeel, zonder vragen. Aanvaardend. En wat neer is vreugdig aanvaardend.

Ik heb hiermede dan mijn taak naar ik meen volbracht. Ik moest U een idee geven van een bepaalde fase van Jezus’ leven. Ik geloof dat ik hier één van de grondslagen heb aangeroerd. Het geloof, waardoor Jezus niet meer Jezus de zoon van Jozef was, maar was geworden goddelijke Kracht, Die door het nederig wezen Jezus werd gedragen met een vol vertrouwen. En ik geloof, dat het voor ons noodzakelijk is toch te proberen diezelfde kant een beetje uit te gaan.

Om U nu niet alleen met deze dingen bezig te houden, geef ik het woord over aan een tweede spreker. Deze zal ongetwijfeld trachten ongeveer gelijke problemen toe te lichten vanuit zijn standpunt. Dat standpunt kan helaas niet het standpunt zijn van een christen. Toch meen ik, dat ik Uw aandacht mag vestigen op het feit, dat langs verschillende wegen dezelfde waarheid steeds weer wordt gevolgd. En juist dit bewijst, dat zij waar is.

o-o-o-o-o

Spreken over wat geloof betekent is een moeilijke taak. Hemel en aarde zijn gevuld met geesten en krachten, waaraan wij niet kunnen ontkomen. De magiër bezweert de demon, die rijst op tot in de zevende hemel en bereikt in hem de verwerkelijking van zijn wensen. Geloof van de magiër. Hij moet geloven in drie dingen: Zijn eigen kracht, de macht van zijn impedimenta, in de macht van hetgeen hij oproept en bezweert.

Spreken over geloof als een ondergang van het ik is een christelijke aanschouwing. De magiër tracht om een te worden met de kracht, die hij oproept, zijn wil te stellen in het vermogen, dat uit de oneindigheid stamt. En naast Jezus hebben vele anderen datzelfde gedaan. Ook zij hebben, zoekende naar een waarheid, zich vereenzelvigd met hogere krachten en hun wil aan deze kracht opgelegd door de eenheid, die zij daarmede gevoelden.

Ik zeg U, het werk van de magiër is simpel en moeilijk tegelijk Hij grijpt uit in de oneindigheid en hij is een met de oneindigheid. Hij verliest zichzelf in de kracht en volvoert zijn daden om daarop zichzelf terug te vinden. Dat hebben alle groten gedaan, die gij misschien tot heidenen rekent, zowel als de groten, die gij tot de ongewijden rekent.

Een geloof, dat ons voortdurend aan onszelf ontrukt, is een onmogelijkheid. Wij moeten en zullen onszelf blijven en zijn. Ons hele wezen en al onze krachten, zij liggen in het feit, dat wij onszelf zijn en niets anders. Maar onszelf zijnde kunnen wij krachtens onze eigen wil en ons eigen streven onszelf verlaten. Onszelf verlatende kunnen wij opgaan tot nieuwe krachten en een zijnde met deze vervullen wat onze wil is, erkennen wat de wil is van grotere krachten, die wij niet kunnen beheersen, terugkeren tot onszelf in het bewustzijn van hetgeen wij hebben volbracht.

Wie de demon oproept, kan de demon niet beheersen, tenzij hij een is met hem. Wie de kracht des lichts oproept, kan zijn verlangen door haar niet doen vervullen, tenzij hij één is met haar. Eenheid is de noodzaak van alle leven. Eenheid is de wet van alle magie. Eenheid is de kracht, die het Al regeert. Wie de eenheid verstoot door zijn denken of zijn wezen, is in zijn verstoten alleen, en alleen is hij machteloos. Machteloos is het slachtoffer van alle noodlot. Maar wie een is met al, is door de eenheid meester van alle gebeuren.

Geloof is een weten. Noodzakelijk is zelfvertrouwen om te kunnen geloven. Dus indien wij onszelf vertrouwen, zijn wij in staat het eigen leven te leiden en te voeren en kunnen wij komen tot de aanvaarding, die ons in wat men geloof noemt tot eenheid brengt met de krachten, die voor ons belangrijk zijn. Maar geloof moet selectief zijn. De magiër richt zijn geloof. Door het richten van zijn geloof, zijn aanvaarden en verwerpen, kiest hij de krachten, die vanuit zijn schema komen tot een vervulling en verwerkelijking van de gedachten, die in hem leven. Dat is geloof, mijne vrienden.

Geloof is kracht van werkelijkheid, geboren uit, onze gedachten, gesteld in de wereld buiten ons. Geloof is ook de niet zichtbare kracht in de wereld buiten ons tot werkelijkheid geworden in onszelf en zo tot kracht in onze zichtbare wereld. Dit is al, wat ik U kan zeggen over geloof.

Geloof is het machtsmiddel van de magiër. Geloof is de staf van een ieder, die wil komen tot een beheersing van het leven. Geloof is een noodzaak. Maar het mag niet zijn – naar mijn idee – de onderwerping van het ik aan het ongekende. Het moet zijn de eenwording met hetgeen men leert kennen door eigen streven.