Bepaalde aspecten van de esoterie

18 januari 1959

Er is de laatste tijd door ons betrekkelijk veel gesproken over een wereldleraar. Wij zullen daarop niet verder doorgaan. U had misschien verwacht, dat wij daar vanmorgen ook weer over zouden spreken, maar wij gaan iets anders doen. Wij gaan proberen ons programma zover te wijzigen, dat het volledig aansluit bij hetgeen hij op het ogenblik op aarde brengt. Het gaat dus zonder bijzondere referentie daaraan en ik wil graag met u een kleine beschouwing houden over .

Wanneer je in jezelf een waarheid vindt, is het soms heel erg moeilijk deze ook in de buitenwereld te erkennen. Velen van ons kennen innerlijk bepaalde krachten en waarheden, die ze in de wereld maar niet reëel kunnen zien en verwerkelijken. Men meent dan heel vaak, dat het “ik” dan fouten heeft gemaakt. “Want,” zo zegt men, “wanneer, wat ik aanvoel, nergens anders te vinden is, wanneer er geen weerkaatsing van te vinden is, dan moet er toch wel ergens iets mankeren.”

Ik geloof, dat wij in de eerste plaats wel rekening moeten houden met het feit, dat de mens op aarde veel onmogelijk noemt, wat in feite mogelijk is. Voor elke bereiking of dit nu een stoffelijke is of een geestelijke moet een prijs betaald worden. Dus zeker voor de bewustwording van innerlijke krachten en innerlijke waarden. Je kunt niet zeggen; “Ik houd het bij het oude, gewende leven; ik ga rustig verder mijn gang en ik zal toch geestelijk verder komen.” Elke geestelijke vernieuwing impliceert ook een vernieuwing van stoffelijke gebruiken en stoffelijk gedrag.

Nu is in de materie, waarin u leeft, een van de meest typische verschijnselen wel; de angst voor het verbod. Zodra iets verboden is, wil men dit doen, wil men dit volbrengen, want men wil zichzelf bewijzen dat men geen slaaf is. Dat is vanuit stoffelijk standpunt gezien een terugval op de dierlijke reacties van vroeger, waarmee het dier zichzelf verzette tegen elke band, tegen elke beperking. Probeert u vandaag-de-dag een dier een ongewende beperking op te leggen, probeert u bv. een kat aan een halsband vast te leggen en mee te nemen, probeert u een hond eens op een hoog vlak te zetten en daar te laten staan, dan zult u zien dat de dieren radeloos worden, dat ze zich verzetten ook al heeft het helemaal geen reden totdat ze de beperking verbroken hebben.

Zo reageert de mens heel vaak op alle wetten, die rond hem zijn en op alle stoffelijke regels. In feite schept hij beperkingen voor anderen, om daardoor voor zichzelf een zekere vrijheid te kunnen behouden. Dit is de grootste dwaasheid, die men kan begaan. Soms gaat men zelfs nog verder. Het feit, dat wij verplichtingen hebben tegenover onze medemensen, brengt ons tot de gedachte, dat wij ook rechten op die medemensen kunnen doen gelden. Ook dit is een beperking van vrijheid en zal daardoor tot een zeker verzet moeten leiden. Zolang deze strijd zich afspeelt in de stof buiten de geestelijke waarden om, zal de geest niet in staat zijn, haar eigen wezen te erkennen, zal ze ook niet in staat zijn de grootse vorderingen te maken, die voor haar in een beperkte tijd mogelijk zijn. Elke mens, die volledig vrij is, is zichzelf volledig meester. Elke mens echter, die meent te moeten protesteren tegen bepaalde wereldse of geestelijke waarden, elke mens, die meent zich te moeten verzetten tegen bestaande toestanden t.o.v. het “ik”, is gebonden en kan niet ontkomen aan een voortdurende beperking van geestelijk inzicht met een gelijktijdige verdraaiing van elke geestelijk erkende waarheid. Het is voor ons noodzakelijk, dat wij geestelijke waarheden onvertekend kunnen terugvinden. De kennis van het innerlijk wezen is niet alleen afhankelijk van ons streven, maar ook wel degelijk van onze wijze van benaderen.

Kort geleden werd opgemerkt door een grote lichtende kracht, hier bij de wereld, dat de doorsneemens tracht zijn geestelijk leven te beperken, aan te passen aan en te onderwerpen aan zijn stoffelijke concepten. Dat dit uit den boze is zal iedereen begrijpen. Maar men kan hieraan niet ontkomen, want de stof, de materie is voor de doorsneemens het werkelijke leven, het werkelijke bestaan. Hij moet – of hij nu wil of niet – verdergaan met dit stoffelijke leven. En naarmate hij meer zijn wezen inzet om dit stoffelijk beleven de gestalte te geven, die volgens hem juist is, zal hij gelijktijdig aan de beperkingen gebonden, aan wereldvoorstellingen gebonden, zichzelf a.h.w. doemen om zijn geestelijk leven aan dezelfde beperkingen te onderwerpen.

Wanneer de mens droomt van een geestelijke wereld, dan droomt hij van steden, van dorpen, van landen en dreven, van tuinen, van tempels en scholen. Hij droomt misschien van de grote, de hoge bergen, waarin ergens de waarheid verborgen ligt als in een soort van geestelijke Himalaya; of van een ruimte, waarin hij van ster tot ster kan gaan. Waar hij niet aan kan denken en niet in kan geloven is het voortdurend wisselend spel van geestelijke invloeden, die van mens tot mens maar ook van geest tot geest vlieden, zo vervolmakende het totaal van wezen en bestaan. Wanneer u zich dit realiseert, dan kunt u begrijpen, dat het merendeel van het geestelijk streven en leven op deze wereld zodanig vertekend is, dat wat overblijft ten hoogste een karikatuur is van een goddelijke waarheid.

Het is noodzakelijk om terug te keren tot grondslagen. Die grondslagen vragen in de eerste plaats een erkenning van de werkelijkheid. Stoffelijk bent u een bepaald wezen. Niet wat u zoudt willen zijn, niet wat u droomt, niet wat de buurt zegt, dat u moet zijn, U bent een bepaald wezen. U hebt uw eigen eigenschappen, uw eigen inzichten, uw eigen geloof, uw eigen behoeften, uw eigen begeerten. En met dit wezen verbonden is een geest, die dit wezen niet heeft gekozen om wat het zou willen zijn of wat men zegt, dat het zou moeten zijn, maar om wat het ís. Dit te begrijpen is de eerste stap op de weg naar de innerlijke kennis. U hebt geen grootheid nodig, u hebt geen erkenning van de wereld nodig. Maar u hebt nodig het erkennen van uw eigen stoffelijk wezen, uw eigen stoffelijke kwaliteiten, zonder de fantasieën daaromheen geweven van goedheid of schoonheid, van misschien onmacht of verderf. Deze dingen zijn dwaasheid. De geest, incarnerend in de stof, kiest voor zich een voertuig, dat beantwoordt aan haar behoeften, aan haar noodzaak tot ontwikkeling. En zelfs wanneer ze fouten daarbij maakt – wat voorkomt – dan zijn deze fouten mede een deel van een goddelijke wetmatigheid, mede een deel in het schema van bewustwording. Iemand,die begint met valse waarderingen te stellen in het stoffelijk leven, beperkt zich in het geestelijk ontwaken.

Een vraag, die onwillekeurig hierbij zal rijzen, is deze; Mogen wij dan niet stoffelijk streven? Natuurlijk, u moogt, ja, u moet zelfs stoffelijk streven. Maar u moogt en u moet niet streven naar een doel, dat vanuit uw wereld reëel lijkt. U moet streven naar een doel, dat stoffelijk voor u harmonie, rust, vrede betekent.

In het ritueel van de katholieke kerk wordt een woord aangehaald, dat naar men zegt Jezus ook meermalen gebruikte, n.l.: “Mijn vrede geef ik, mijn vrede laat ik u.” Er is geen grotere gave, die men voor zichzelf kan verkrijgen of aan anderen kan schenken, dan vrede. Vrede is rust. Rust betekent, dat van het horizontaal druk leven der stoffelijke werelden men kan komen tot een begrip van de verticale inhouden. De hoogst geestelijke zowel als de laagst stoffelijke. Wanneer men dus zichzelf erkent voor wat men is, daarnaar handelt, zich daarop baseert, gelijktijdig echter zoekend naar een geestelijke waarheid, komt men verder.

Wat die geestelijke waarheid is? Geestelijke waarheid is het bewust en kenbaar in je ervaren van invloeden, bestaan boven de materiële. Men kan dit niet omschrijven. Ik kan u niet in een paar artikelen, eventueel in A. en sub. A. verdeeld, vertellen wat die geestelijke waarheid, die geestelijke werkelijkheid in feite is. Dat gaat niet. Ik kan u wel zeggen; In u is voortdurend een geestelijke werking. In u zijn bepaalde elementen, die volkomen afwijken van hetgeen u stoffelijk reëel en mogelijk vindt. In u zijn intuïties en flitsen van gedachten, bewustzijnsfasen, die overal elders thuis horen behalve in dit stoffelijke. En deze waarheid te vereenzelvigen met wat je stoffelijk in feite bent, brengt je verder.

Er zijn veel woorden, die op aarde misbruikt zijn. Wederom hier grijpende naar een van de lichte waarden op aarde en citerende, kan ik dan daaromtrent het volgende opmerken; “Al hetgeen wordt volbracht op aarde uit een plichtbewustzijn is in feite een verminking van het eigen wezen. Alles wat op aarde volbracht wordt van uit een behoefte, heeft zin en zal in samenspel met geestelijk werken en geestelijk bewustzijn de geest verheffen en de stof tot grotere vrede en vreugdiger beleving van de werkelijkheid brengen.”

Het klinkt eenvoudig en het is natuurlijk heel erg moeilijk. Want men voelt zich tegenover de medemens en de naaste verplicht. En nu mag ik misschien hier een heel oude spreuk van een brahmaan citeren. Deze zegde “Wanneer ik iets doe, omdat het mijn plicht is, doe ik het met tegenzin. Al wat ik met tegenzin doe, is in feite een doden van iets in de wereld. Want dat, wat ik volbreng, ontneem ik zijn werkelijke waarde; do spontane beleving. Slechts het spontane, waarin ik volbreng wat ik voel te moeten volbrengen voor anderen zowel als voor mijzelf brengt mij in contact met de grote krachten der goden en doet mij beseffen, hoe zij allen tezamen bouwen een grote wereld, waarin de scheppen de God uit Zichzelf alles voortbrengt.”

Misschien begrijpt u wat dit betekent. Onze geestelijke bewustwording, gebaseerd op plicht, is maar al te vaak een geestelijke bewustwording, die vleugellam is geworden, doordat de plicht is opgebouwd uit denkbeelden, die niet onze eigene voor het onaangename in de wereld, zijn. Plicht is de naam, die men geeft. En toch, wanneer het onaangename ons werkelijk onaangenaam is, past het niet bij ons.

Dit lijkt sommigen misschien, of ik hier een bestaan van het zuiver volgens eigen lusten leven wil gaan aanbevelen. Neen. Er zijn dingen, die wij verlangen te doen, ook al zijn ze moeilijk. Soms verlangen wij om andere mensen te dienen, te helpen, te genezen, goede raad te geven, vrede te schenken, ook al kost ons dat veel. Uit dit verlangen realiseren wij iets, wat in ons leeft. Het is onze eigen werkelijkheid. En omdat het deze eigen werkelijkheid is en wij daarbij geen dwang op anderen uitoefenen, zullen wij elke geestelijke waarde, die maar in verband hiermee kan bestaan, in onszelf absorberen. Het is een innerlijke rijkdom. Een rijkdom, die zich in een onwillekeurige glimlach, in een vreugdig gevoel en wat groter veerkracht van beweging bij de mens pleegt te openbaren.

Men doet ook veel dingen, die plicht zijn, terwijl men innerlijk deze plicht eigenlijk verwenst en liever al het andere zou doen dan dat. Zelfs wanneer hetgeen men dan volbrengt goed is, ontneemt men eraan alle inhoud en alle betekenis, Men maakt het tot een mechanisch handelen, waarbij zowel het gebrachte offer als de bestede energie vanuit geestelijk standpunt nutteloos zijn verbruikt. Wanneer wij dit begrijpen, zullen wij dus woorden als moeten, zelfs het “heilige moeten”, plicht e.d. proberen te vervangen in ons leven door de gedachtes innerlijke noodzaak. Innerlijke noodzaak is datgene, wat van binnenuit noodzakelijk is, in ons ligt het Koninkrijk Gods, ín ons is de scheppende kracht, ín ons is die geestelijke werkelijkheid, die uiterlijk nooit volledig kan worden weergegeven door middel van de stof, Al wat daaruit voortkomt moet in de stof zij het op beperkte wijze gerealiseerd worden.

“Vreugdig is het leven van hem, die erkent wat de gave is, die hem voor de wereld is gegeven.” Ook dat is een citaat. U bent niet op de wereld gekomen met het speciale doel om dokter, advocaat, officier, chirurg, handelaar, meubelmaker, huisvrouw of wat anders te zijn. U bent op de wereld gekomen met een zekere begaafdheid. Een begaafdheid, die bij sommigen op het terrein der kunsten ligt, bij anderen op het gebied van handel, van organisatie; weer bij anderen misschien speciaal op het gebied der filosofie of bepaalde geestelijke gaven. Dit zijn de wapens, die u hebt uitgezocht indertijd zelf hebt uitgezocht voor de strijd in het stoffelijk bestaan. Dit zijn de middelen, die uzelf volgens beste weten en vaak geholpen door hogere en leidende krachten, hebt verworven ten bate van uw verder geestelijk bewust worden, uw geestelijk ontwaken. Degene, die zich baseert op andere dan deze in hem liggende begaafdheid, zal daarmede zichzelf verloochenen, zal zijn strijd op aarde moeizamer en nuttelozer maken.

Wij kunnen niet accepteren, dat een mens, omdat het zo hoort, een academische studie begint, terwijl hij veel liever timmerman zou zijn. Dat iemand officier wordt, ofschoon hij liever dichter zou willen worden, omdat iedereen in de familie officier was. Tradities e.d. hebben zo weinig te zeggen, wanneer wij ons realiseren, dat elke geest meermalen heeft geleefd, niet behoort tot die familie en dat geslacht, ook al kunnen er geestelijk ook banden bestaan. U bent niet op aarde gekomen voor de eer van de familie, voor de eer van de natie of zelfs voor de waardigheid van de mens. U bent op de wereld gekomen om te leren, om de innerlijke waarheid te toetsen, aan een uiterlijke. Dat is uw doel. U hebt niets anders te doen, ook al denkt u duizendmaal dat dit wel zo is.

Dan moet u dus in de allereerste plaats voor een werkelijk esoterisch bewust worden leren vrij te zijn. Niet vrij van de wetten der mensen zonder meer, maar vrij van beperkingen, die niet aanvaardbaar zijn voor uw wezen. Door het wegvallen van het verbod en daarmee de nadruk en de versterkte prikkel, zult u over het algemeen u dan betrekkelijk harmonisch kunnen bewegen en daardoor juist in staat worden gesteld de geestelijke impulsen op aarde tot werkelijkheid te maken. De geestelijke impuls, die gerealiseerd wordt, is op zichzelf. weer een uitbreiding van geestelijk weten, een uitbreiding van geestelijk vermogen.

Wanneer een wetenschapsmens in zijn laboratorium staat en hij heeft een theorie, maar hij kan deze niet in de praktijk brengen, dan begint hij proef na proef te nemen net zolang, tot hij die ene oplossing heeft gevonden, die beantwoordt aan zijn wensen. Dat is wat de geest behoort te doen in een stoffelijk voertuig. Zij behoort proefneming na proefneming in het leven te volbrengen, telkenmale weer haar eigen wezen en stellingen vergelijkende met de stoffelijk ontstaande realiteit, om daaruit voor zichzelf te leren wat van haar theorieën juist is, hoe deze geestelijk bruikbaar zijn en hoe dus het wezen van de geest met al haar gedachten en herinneringen kan worden teruggebracht tot eenvoudige waarden. Esoterie is in feite het terugbrengen van alle complexe stellingen, gedachten en daden tot eenvoudige, zeer simpele wetten.

U hoort altijd zeggen: In de kern van ons wezen leeft God. Dan leven ook in de kern van ons wezen de goddelijke wetten. Maar deze zijn voor ons geen wet, omdat ze een gewoon deel van onze eigenschappen zijn. De goddelijke wetten zijn voor ons geen dwang maar een uit ons eigen wezen voortspruitende noodzaak; Iets wat wijzelf volledig en met ons gehele wezen en te allen tijde zullen bevestigen. Die wetten te leren kennen, die wetten toe te passen in elke levensfase en in elke sfeer, is de zin van de esoterie.

Het vinden van de eenvoud – een moeilijke maar schone taak – is daarvoor het eerste middel. En dan mag ik wederom de verlichte hier citeren: “Gij meent op deze wereld alle dingen te moeten doen volgens complexe wetten. Want, zo zegt hij, eerst door organisatie kan zekerheid verkregen worden. Maar ik zeg u, hoe groter en complexer het samenstel van krachten, waarmee ge werkt en hoe ingewikkelder uw systeem tot registratie van verdeling, hoe groter het aantal fouten, dat optreedt. Wij zijn niet onbeperkt, al kunnen wij dat misschien worden. Het is voor ons noodzakelijk vanuit de eenvoud niet het complexe op te bouwen, maar de verwerkelijking van hetgeen in de eenvoud als aanvaardbaar werd erkend. En dat terugbrengende tot een deel van de christelijke leer; Ken uzelf, heb uzelf lief en heb uw naaste lief gelijk uzelf.”

Het is zo simpel. Geen grote en ingewikkelde doelstellingen, geen uitgebreide filosofieën, maar dat heel eenvoudige: Probeer te weten wat je bent en erken, dat dit deel is van het Goddelijke. Dat er geen reden is om ook maar een tittel of jota van je eigen wezen te verwerpen en af te wijzen. Zoals je bent heb je waarde, anders zou je niet bestaan in de schepping. Probeer dan verder te begrijpen, dat zoals je dit liefhebt in jezelf, dit jezelf zijn elkander mens, elk ander wezen, elke situatie, elke toestand, elk voorwerp, ja, elke mogelijkheid deel uitmaakt van datzelfde Goddelijke en als zodanig recht heeft op een volkomen gelijke waardering als dit eigen wezen. Ik ben niet meer maar ook niet minder dan een ander. Of die ander nu de meest lichtende geest is, die onmiddellijk troont onder de Oneindigheid, of misschien een korrel zand, al deze dingen zijn gelijk. De gelijkheid is niet gelegen in intellect, in rijkdom of in bereiking, de gelijkheid is gelegen in het gezamenlijk deel zijn van de schepping en een plaats hebben in de schepping.

Dit van een theorie, die mooi klinkt, om te vormen tot iets, wat je voor jezelf beleven kunt, is het belangrijkste wat je volbrengen kunt. Indien u dit dus zoudt willen trachten te doen niet omdat het moet, niet omdat het u gevraagd wordt, maar omdat u voor uzelf voelt dat in deze richting een weg tot bevrijding ligt dan hebt u een stap gezet in de richting van een nieuwe wereld. En een nieuwe wereld in geest en stof, die op het ogenblik wordt opgebouwd. Dan bent u bewust of niet bewust deel van Datgene, wat Jezus noemde het Koninkrijk Gods en wat in feite is de band van goddelijke volmaaktheid, die het totaal der schepping verenigt in Zijn wezen.

o-o-o-o-o

Een dichter heeft eens geschreven; “De wereld is een spel van bloemen. In de winter zijn de kristallen samengegroeid tot planten vol van wonderlijke samenstelling, van wonderlijke gedaante en gestalte. In de lente zijn het de prille kleuren, waarin de bloem als eerste glans de komende zon weerspiegelt. In de zomer is het de geurende volheid, waarin duizenden kleurplekken de felheid van de zon milderen door haar een ander accent te geven. En in de herfst is het de pronkvolle melancholie van bloemen, die rouwen over het einde van het jaar.”

“Daarmede heeft hij iets weergegeven van de gemeenschappelijke band, die in elk leven en in alle tijden bestaat. Je kunt niet zeggen; Er is deze of gene periode aan de gang. Je kunt niet meer zeggen: Er is één kracht, een wezen, dat alle dingen met elkaar vereent en deze draagt a.h.w. door alle tijden. En spreekt men daar dan over de bloemen van het jaar, dan mag ik misschien zeggen: Er is altijd de hoop. In de winters hoop op het nieuw ontstaande leven. In de ouderdom en de dood: de hoop, het vertrouwen in de hergeboorte. In de jeugd; het verlangen naar de ouderdom, de hoop op grootheid en belangrijkheid. Is het de zomer van het leven, dan hoop je te bereiken, te volbrengen, meer te zijn. En wordt het herfst, dan beschouw je wat treurig dat, wat niet werd volbracht, en gelijktijdig verheug je je toch, dat er zoveel is geweest.

Zoals de bloemen gaan door het jaar van het kristal, koud, koel, haast versmeltend door de eerste beroering van warmte en temperatuur, tot de voile pracht van de chrysant, die bloeit en het rouwmoedig buigen van de asters zo is het met ons leven, zo is het met ons streven door alle tijden heen. Maar staat er ook niet ergens geschreven; “De zon komt en ze sterft, de zon leeft en verdwijnt; maar zeker is het, dat de zon weer verschijnt tot aan het einde der dagen. Meer dan de zon, die in ‘t leven herleeft, wil ik van het leven vragen.” En daarmee mag ik misschien dan t.o.v. de hoop, het innerlijk weten, het verlangen van ons eigen wezen toch wel iets zeggen.

Wanneer wij verlangen om het einde te weten, elk raadsel te onthullen, wanneer wij de oneindigheid a.h.w. willen bevatten in de eindige vermogens van een mens of een geest, dan heeft het leven weinig zin. Het is een voortdurende frustratie, het is een voortdurend tegen de muur lopen. Wanneer je het leven opvat in de zin van; “Men moet erkennen wat ik doe, hetgeen ik goed doe, moet door anderen erkend worden om. zijn waarde te krijgen.” dan hebben wij al precies hetzelfde. Een hopeloze wereld. Je hoopt dan wel, maar je hoop wordt elke keer teniet gedaan. Maar een hoop kan ons nooit ontnomen worden; de hoop, dat de betekenis van een enkel leven voor ons steeds duidelijker zal worden; de hoop, dat wij in steeds weerkerende levens de noodzaak tot leven in de zin, waarin wij het kennen, kunnen overwinnen. De hoop is a.h.w. de enige stuwkracht, die ons eeuwig kan maken,

Daarnaast zijn natuurlijk vele andere drijfveren en impulsen. O, een warrige wereld, ongetwijfeld. Maar wat is die warrige wereld eigenlijk anders dan om wederom te citeren wat een andere dichter zegt; “Ratelende wielen snellen in de verte. het raam, weerkaatsende het licht, toont een schim van wat verloren gaat. En verder aan de kim is enkel licht. Ik noem het “stad”, maar weet niet of het leeft. Het is alsof mijn ziel door ‘t leven zweeft op vreemde rails gedragen. En dat, wat ik mijn wereld noem, het lijkt mij alleen een wagen, die voert mij wel van doel tot doel.”

Misschien een beetje fantastisch voor u om dat zo te zien. Het idee, dat je hele eigen leven niets anders is dan een spoorwegwagon, waarin een enkele keer door de weerspiegelde ramen toch nog een flard van de buitenwereld zichtbaar wordt, van de werkelijkheid, Maar het lijkt er wel eens wat op. Want realiteit vinden wij in ons leven toch niet. Laten wij eerlijk zijn; Hebt u ooit een waarde gevonden, die absoluut onveranderlijk was? Ja, hebt u er een gevonden? Dan hebt u haar in uzelf gevonden en niet in anderen, ook al denkt u dat. In uw wereld is niets, waar u werkelijk op aan kunt. U hebt de hoop, dat vele dingen, die u hier in uzelf gevonden en beleefd hebt, eens deel zullen uitmaken van het geestelijk leven, het werkelijke leven, de stad aan de kim. Verder komt u niet. En als u het stoffelijk allemaal zo erg belangrijk neemt, dan hebt u grote kans, dat u ook die flarden, die buiten te zien zijn, nog voorbij ziet schieten. Dan bent u als sommige mensen, die terwijl buiten de schoonheid van de Alpen en het vergloeien van het laatste licht op de toppen voorbijgaat, rustig zitten te lezen in hun kamer of met goedbedoelde rumoerigheid een potje zitten te kaarten. Arme mensen. Die reizen en niet reizen tegelijk. De mens, die niet zien kan wat er buiten hem staat.

De z.g. nuchtere laat ook veel van betekenis aan zich voorbij gaan. Want hij ziet niet wat er buiten hem bestaat. Maar hij leeft in de eentonigheid van zijn eigen bestaan. En wanneer hij dan niet meer de hoop heeft, die verdergaat dan zijn stoffelijke mogelijkheden, dan komt er een ogenblik, dat hij gaat neerzitten en zegt: “Ach, wat is dit leven mij waard.” Dan krijg je zo van die uitroepen als: “Gij, God, Gij zijt een wrede God. Ik heb mijn lot U toevertrouwd, op U mijn leven opgebouwd en wat hebt Gij gegeven? Hoe honend als een afgrond gaapt de nood mij, nu ‘k toch leven moet. Gij, God, Gij zijt de wreedheid. Uw leven is niet goed, maar hel, waarin de hoop en het vertrouwen ondergaan.”

Om het zo te kunnen zeggen, moet je heel erg bitter zijn. Dan moet er helemaal iets teloor zijn gegaan in je wezen, anders kun je het niet zeggen. En dat gebeurt, wanneer je het te simpel neemt. Want is die God nu werkelijk zo wreed? Wel neen. Maar de dichter kijkt alleen naar het leven. De andere mensen vinden zijn gedichten niet mooi en hij heeft ze toch werkelijk zo goed bedoeld. En dan vindt hij God wreed. En hij heeft gedacht, dat hij door a.h.w. met zijn hartenbloed voor de mensheid zijn liederen te zingen, een zekere welvaart zou kunnen bereiken. Maar hij heeft die niet bereikt. En nu vindt hij Gods wereld ook helemaal niet deugen. En ja, wanneer dan alle belangrijkheid, die hij had verwacht, uitblijft, wanneer de roem, waarop hij meende te kunnen vertrouwen, slechts wat haast geruchtloze bekendheid blijkt te zijn, dan meent hij het hele leven te moeten uitspuwen, te moeten uitbraken als iets, wat giftig is. Is dat eigenlijk niet dwaas?

Maar je moet die hoop op de kern van je leven op een andere manier gebruiken. Je moet het op een andere manier weten in te zetten. En dan citeer ik maar weer. Want ik heb een heleboel citaten: dat is erg gemakkelijk “Ik dacht, dat een zee van leed mijn wezen overspoelde en zeilde op een wijde oceaan tot zonnig land, tot nieuwe oorden. Ik meende in het spel der waan verloren haast te gaan. En ziet, uit dromen is geworden ‘n kasteel van fijne glans en kleur, waarin ik leef. En vol van vreugde zie ik hoe al het leven deugde, hoe zin had al, wat mij geschiedde. Ik droomde, dat ik wel moest lijden. Maar toen ik ‘t leed aan heel de wereld schonk, was ‘t mij alsof ik uit een bron van vreugde een wijn, in ‘t paradijs geboren, droom. Ik ken het leed en toch rijst in mij sterk de vreugde, al is mijn pelgrimstocht nog niet volbracht. In mij is hoop, dat uit deze kleine vreugde, dit schaarse licht in sombere nacht van streven, gegeven wordt mij lichte dag en ware vreugd van werkelijk leven.”

Een heel andere geest. Ongetwijfeld iemand, die ook wel lijden heeft gekend. Want ik kan er niet omheen dat even te vertellen. Maar iemand, die achter al het lijden een grotere wereld, een grotere inhoud voelt. Iemand, die a.h.w. weet; Ik zie mijn doel nog niet, maar zo dadelijk is het er.

Ik gebruikte zo net een reisvergelijking. Mag ik die reisvergelijking weer gebruiken? Wanneer je Utrecht nadert en de boot of de trein langzaam dichterbij komt, dan zie je de stad nog niet, maar dan zie je heel in de verte de Dom. Dan zeg je; “Ha, dadelijk ben ik in de stad.” En zo zijn er bij ons ook van die schaarse tekens, die de op zichzelf moeilijke reis vergemakkelijken door te zeggen: “Kijk, het doel is al dichtbij.” En dan zul je zeggen; “Het is een hoop, die langzaam tot een zekerheid wordt.” Natuurlijk. Maar het is de hoop, die je in staat stelt om voort te gaan.

Het is zoals de bode, die uitgeput neervalt voor de vorst (het is eigenlijk uit een middeleeuws gedicht, maar ik zal het iets moderniseren) en aan de vorst zegt wat hij heeft gedaan. Dan kijkt de vorst op hem neer en vraagt; “Hoe zijt ge hier gekomen nog mat uw wankele schreen? Ik zie u stervensmoe.” Dan antwoordt de bode met zijn laatste adem; “Ik zag van ver de poort, mijn krachten namen toe en ik kon het nog bereiken. Nu kniel ik voor u neer en geef u hier mijn tijding.” En dan zeggen ze heel sentimenteel “De bode was niet meer. Hij was dood. Natuurlijk, maar de kracht die hij nodig had om dat laatste stukje af te leggen, kon hij alleen opbrengen, omdat hij wist dat het doel nabij was.

En mogen wij dat dan misschien ook zeggen? U hebt altijd gehoopt op groter bewustzijn, op beter leven. U hebt gehoopt op een hiernamaals maar ook zelfs op een betere stoffelijke wereld. En die hoop heeft u in staat gesteld heel veel te doen en heel veel te verdragen en op de duur ook heel veel teleurstellingen te overwinnen. Mag ik dan aan die hoop misschien het eerste puntje van de Dom toevoegen?

In leed wordt vreugde eerst geboren. En uit verwarring rijst een doel, dat men nog na kan streven. Uit de dood herboren wordt het leven op aarde hier gebracht. En dag en, zon wordt u geboren uit het duister van de nacht. Hoe duister lijkt de wereld nu. Toch kondigt ‘t zonnegloren zich aan. Het eerste woord werd reeds gesproken, het eerste licht breekt zich een baan. Zo dadelijk, is de wereld schoon; en schoner dan te voren. Want en daar gaat het om wanneer u op het ogenblik rond u kijkt in deze wereld, nu, in deze maatschappij met al haar zakelijke tegenstellingen, haar oorlogsdreiging en haar gevaren, dan blijft er één ding, dat steeds weer de kop opsteekt. Iets vreemds; een zoeken naar vrijheid, een onverschilligheid voor al datgene, wat gemeenschap en wet heet, maar de behoefte om van uit jezelf iets te doen. Een spontaniteit, die misschien soms overslaat in baldadigheid van de jeugd en in jeugd misdadigheid, die soms zich uit in de meest krankzinnige sekten en de meest fantastische ideeën en interpretaties van het oude, maar altijd een kracht, die zoekt zelf te zijn, zelf te leven. Een kracht, die – al snap je soms niet hoe – een zekere vreugde geeft en achter het mom van onverschilligheid steeds sterker een blijdschap en een levenslust doet wellen, die belooft dat de wereld aan haar laatste strijd is, dat de laatste melancholie en de laatste duisternis binnenkort overwonnen zijn.

Luister naar de stemmen, die op de wereld spreken. Of het nu de stem is van een dominee of een pastoor, of het de Paus is die spreekt of een vorst, hoe vaak hoort u niet dezelfde klanken? Klanken van een godsvertrouwen. Klanken, die wijzen op een verdraagzaamheid. Klanken die in feite zeggen; Wij mensen, wij hebben behoefte aan God. Wij kunnen de verantwoordelijkheid eigenlijk zelf niet meer dragen. Wij zullen ons tot God moeten wenden, opdat wij er komen. Wij zullen achter alle doctrines moeten zoeken naar een inhoud van ons hele wezen. En dan mag dat in Rusland ten gevolge hebben, dat er regeringen wisselen en in Amerika mag het politieke verschuivingen geven, het mag tot een economische of politieke crisis in Europa leiden, dat hindert niet. Het teken is er. Wij zullen misschien hier en daar nog een open brug vinden op onze weg en misschien nog zelfs een barricade. Maar dat geeft niet. Het doel is dichtbij. En zo dadelijk kunnen we zeggen; Het is gebeurd. De mensheid heeft volbracht. En wij, stof en geest, wij werken mee, Wij kunnen helpen dit doel te bereiken. Ons leven is niet zinloos, ongeacht zijn mislukkingen misschien, zijn leed of zijn verborgen bitterheden. Wij, geest en stof, wij luiden een nieuwe aera in, een nieuwe tijd en een nieuwe geest. Een nieuwe mijlpaal wordt bereikt op de weg naar de bewustwording. Een nieuwe mijlpaal, ook op de weg naar de menselijkheid van de mens. Een nieuwe openbaring wacht ons; beter begrip van God, zuiverder kennen van Zijn wetten en groter macht en scheppende macht voor ons allemaal.

Mag ik dan eindigen met te zeggen, dat dit een mooie tijd is en een gewichtige tijd, waarin je de vreugde kunt vinden van een doel, dat bijna bereikt is.