Bepaalde aspecten van Jezus leven

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 35

7 oktober 1956

Het lijkt mij misschien niet zo dwaas om allereerst nog eens bepaalde aspecten te belichten van vóór Jezus openbaar leven.

Het zal de meesten Uwer niet bekend zijn, dat Jezus een tijdlang heeft gestudeerd in zowel de Joodse wet als andere esoterische en religieuze systemen. Daarbij bestudeerde hij o.a. een esoterische richting van het Joodse geloof. En hier zien wij de ontwikkeling van de figuur Jezus bijzonder scherp tot uiting komen.

Ge moet U trachten U deze omgeving voor te stellen; Een meer, blauwe lucht, wat zeer primitieve woningen, een gemeenschap hoofdzakelijk van mannen met enkele vrouwen daartussen; en daar ook Jezus bij, die toehoort, terwijl een oude leraar bepaalde aspecten van de Mozaïsche wet verklaart. Het betoog, verkort en overgezet in Uw eigen taal, gaat ongeveer als volgt:

“Want de Heer in Zijn macht openbaart Zich in de mens Mozes. En de wet, die Hij geeft is: “Gij zult geen vreemde beelden voor Mijn aangezicht stellen.” Daarom is het verboden een beeld te maken, is het verboden een figuur te scheppen, die de ogen van de mens van de grootheid van Jahwe zou aftrekken.”

Dan staat Jezus op. Door op te staan volgens het gebruik van de gemeenschap vraagt hij het woord en krijgt het ook. “Kan de grootheid van de Vader verkleind worden door een beeld?”

“Neen. Maar de mensen zouden de grootheid van de Vader voorbijzien voor het beeld.”

“Is het dan slechts een beeld uit metaal of hout, uit klei of steen, dat ons verblindt voor de grootheid van de Vader?”

Antwoord: “Zo heeft Mozes het ons gezegd in zijn wet, die hij ontving van den Heer zelve.”

Tot zover is dit onderhoud typerend voor de vele betogen, de vele vraag-en-antwoordspelletjes, die daar voortdurend werden gespeeld. Maar het is nu, of de figuur Jezus plotseling een nieuw licht krijgt. Hij kan dit niet aanvaarden. En hij spreekt een redevoering uit, die zo de apostelen ze hadden gehoord zeker een grote plaats ingenomen zou hebben in de Evangeliën.

“Een beeld is een beeld. Wanneer de stof onbezield is of bezeten wordt door demonen, kan zij ons niet voeren van de Vader, indien ons hart zuiver is. Het beeld, waarover in de wet gesproken wordt, is niet gemaakt uit stof. Het is de begeerte, die gij in Uw hart draagt. Het is de gedachte omtrent Uzelf. Het is Uw rechtvaardigheid, Uw hoogmoed. Want indien wij onszelf stellen in een daglicht, dat niet één is met het licht des Vaders, hoe zullen wij Hem nog kunnen aanschouwen?”

Het resultaat is opwinding. Enkele der oudere geleerden raken in een twistgesprek. En dan, wanneer het op zijn hoogst is gekomen, grijpt Jezus hernieuwd in:

“Meesters, gij spreekt vele woorden. Maar zijn deze woorden niet het beeld, dat zich stelt voor de waarheid van de Allerhoogste? Want ziet, in Uw gevecht over waarheden tracht ge niet Uw God te dienen maar Uzelf te rechtvaardigen. En wie zich zelf rechtvaardigt tegenover de mensen, vergeet zich te rechtvaardigen tegenover de Vader.” Het resultaat is, dat Jezus in deze gemeenschap wordt uitgewezen en niet langer mag spreken in de synagoge, noch mag leraren in de school.

Jezus is geen beeldenstormer, integendeel. Hij zal ons steeds weer bewijzen, dat zijn opvatting van de Mozaïsche wet een andere is dan die der Joden (en zo ik het er bij mag zeggen dan die der meeste christenen.)

Een tijd later ontmoeten wij hem in een andere gemeenschap, waar hij werkt en ook regelmatig debatteert met enkele der wijzen. Onder deze wijzen zijn er, die zeer bedreven zijn in de Kabbala, de geheime leer en de loop der sterren zo goed kunnen bepalen als de meest wijze astrologen van Ur eens konden.

Sprekende over de wet zegt er één: “Want de wet is gesteld, opdat wij ons zullen gedragen, zoals het past voor een, die de Vader kent.” (Opvallend is het verschil met de vorige gemeenschap. Daar sprak men over Heer, hier spreekt men over Vader. Er bestaat dus al een heel ander godsbeeld in deze gemeenschap. Maar men ziet de wet nog als….een soort gedragsregel.),

Daar komt Jezus tegenop: “Wanneer ge Uw Vader en Moeder eert, doch er is ongeduld in Uw hart, zijt ge dan trouw aan de wet? Indien gij kuis leeft, zijn Uw gedachten rein? Indien gij niet steelt, hoe is Uw begeren? Indien gij niet doodt, hoe zijn de wensen in het verborgene van Uw hart? Een wet heeft geen zin, wanneer ze niet het gehele wezen van de mens omvat. De Vader nu; heeft Al voortgebracht. Zo geldt Zijn wet voor al, wat leeft en bewustzijn heeft.” Ook hier een verzet.

Dan horen we Jezus zeggen: “Ik heb U gezien in de nacht. Uw oog was gericht op de sterren, doch Uw gedachten waren in strijd met de wet.” En hij wendt zich tot een ander: “In Uw dromen hebt ge duizend keer gedood, wanneer Uw mond ook van vergeving spreekt.” Tot een volgende: “Gij bekent geen vrouw, omdat gij rein wilt zijn. Maar ik zeg U, Uw gedachten zijn een poel des verderfs.” Ook hier wordt hij uitgestoten.

Maar in deze periode wordt zijn woord geboren: “Want ik ben U het eind van het Oude Verbond.” Het is niet voor niets, dat Jezus vaak, haast opzettelijk, de gewoonten en gebruiken bruuskeert van de Joden, van het volk waartoe hij toch eigenlijk behoort. Wanneer hij met de Samaritanen spreekt en zich zelfs niet ontziet met een vrouw, die vele malen gehuwd is geweest (dat betekent bij de Samaritanen en de Joden een schande); rustig te praten aan de bron, dan bewijst hij hiermede, dat hij de letter van de wet niet acht. De géést van de wet is hem dierbaar. Wanneer hij zal uitvaren tegen de Farizeeërs en hen zal noemen “Gij witgepleisterde graven” dan herhaalt hij, wat hij in deze jonge jaren reeds naar voren bracht, wat hij overdacht heeft en tot zijn eigendom maakte: Het uiterlijk komt er niet op aan. Het is, hoe men innerlijk leeft.

Veel, veel later, kort voor zijn dood, zal hij hierover spreken met meerdere van zijn leerlingen. En in deze lering, die ook niet bewaard is gebleven, tenzij in geheime geschriften, zegt hij dan tot die leerlingen: “Wat deert het U”, hoe de naam van de Vader is in Uw ogen? Want Hij is en blijft de Vader. Wat deert het U, of de wereld vreugde kent of lijdt? Ze is uit de Vader. Wat deert het U, wat Uw leven is? Want Uw leven is in de hand van de Vader. Al wat gij zijt en wat ge zult zijn, is in Zijn hand. Vanwaar neemt ge dan het recht om te oordelen en te verwerpen degenen, die niet mijne weg volgen? Vanwaar neemt gij dan het recht Uzelf te verheffen? Voorwaar ik zeg U: “Gij, die droomt van een troon, een plaats op de trede, gij droomt van waan en leugen. Gij, die droomt van macht en grootheid, gij droomt van ondergang. Mijn leer is er een van vrijheid. Mijn vrijheid is die des Vaders. En in de Vader vind ik mijn vreugde. Hij is mijn wet, mijn leven en mijn wezen. Eerst indien gij dit erkent, zult gij mijne weg kunnen gaan.”

Het is dan stil. Er wordt niet meer zo veel gepraat over die verschillende dingen. De leerlingen moeten dit verwerken en dan komt er aarzelend, heel aarzelend van de gast El Bre, die niet genoemd wordt en die behoorde tot het zwervend volk der Bedoeïen: “Maar Heer, indien er geen wet is, wat is er dan?”

En juist ommentwille van Jezus’ antwoord hierop heb ik U dit alles verteld: “Er is geen wet, want het leven zelf is de wet, omdat het de levende kracht des Vaders is. Wanneer een mens een wet stelt, zo knevelt hij anderen en zondigt zelf in stilte. Wees gij dan anders dan anderen. Wees vrij. Vrij in Uw eenheid met de Vader. Vrij, omdat gij niet oordeelt. Vrij, omdat ge dient, in het dienen de kracht vindend, die in het heersen verloren gaat.”

Wanneer ge U dit beeld voor ogen kunt halen, dan zal U veel duidelijk worden van de kern van de christelijke leer, de ondergrond. Dienen is kracht vergaren; heersen is kracht verliezen. Want wie heerst, zal zijn krachten gebruiken om anderen te dwingen naar zijn wil. Doch wie dient, zal gesterkt worden door de wil van anderen en in zichzelf het vermogen vinden vrij te zijn binnen zijn dienstbaarheid.

Het is geen waan. Wanneer de wereld in deze dagen vlucht voor de verantwoording van het leven, wanneer men tracht de levensaanvaarding zelve te ontkennen in een groepsgeborgenheid, dan zoekt men niet hetgeen Jezus hier leert: de kracht van het dienen. Maar men wil ook groot zijn, men wil eigen zinnen en lusten bevredigen, men wil meester zijn en trachten te heersen. En in die verdeeldheid gaat de wereld onder.

“Er zijn geen wetten,” zegt Jezus “want Gods wet in ons is voor alles bepalend.” En dat is waar. Wanneer wij begrijpen wat Gods wil is, wat deert ons dan, wat een ander ons voorschrijft? Wij zullen het aanvaarden in nederigheid, wanneer het zich niet richt tegen de wil des Vaders. Maar er is maar één werkelijke wet: Gods wet. Men heeft zich niet te bekommeren om uiterlijkheden en woorden. Want de werkelijkheid ligt in de mens, omdat ze door God in de mens is gelegd.

Ook dit zullen wij goed moeten verwerken, zullen wij tot eigendom moeten maken, willen wij Jezus in zijn leven verder kunnen begrijpen. In deze woorden is Jezus, de wonderdoener en genezer, verborgen; maar ook Jezus aan het kruis en Jezus, de verheerlijkte.

Het klinkt misschien wat dwaas om in een paar woorden te zoeken naar het wezen van een geest, die zo groot is. Maar is niet de eenvoud het kenmerk van alle grootheid? Welaan, Jezus is groot. Zo groot, dat zijn eigen leerlingen hem niet begrijpen. Dat zij reeds enkele weken, nadat hij hen voorgoed verlaten heeft, vechten over een suprematie in de eerste gemeenschap in Jeruzalem. Ze maken het gebaar van dienen, maar zij trachten te heersen. Zoals de Paus de voeten wast van bedelaars, ter herinnering aan het avondmaal, de voetwassing, die ook Jezus zijn leerlingen bood. Maar daarnaast is hij een vorst. En hij beschouwt dit als een symbool, niet als een werkelijke dienst. Jezus zou daarom gelachen hebben.

Wat betekent deze symbolische vernedering, die door het contrast slechts scherper doet uitkomen hoe machtig en hoe groots zo iemand is? Dan kan de mens edel zijn, hij kan streven naar God en naar het beste; maar hij kan nooit zijn; een waar volgeling van Jezus. Jezus, die macht heeft over alle dingen, en die macht verloochent. Wanneer Jezus een ogenblik de hand uitsteekt om de storm te doen bedaren, dan is dit, omdat zijn leerlingen dreigen onder te gaan, omdat zij bevreesd zijn. Wanneer Petrus over de wateren. wandelt, dan eerst zal Jezus tot hem gaan, omdat hij waar zijn geloof niet voldoende is dreigt te verzinken.

Ga het leven van Jezus na en ge zult begrijpen, hoe waar dit is. Het werkelijk dienen betekent niet een geheime macht of een symbool van dienstvaardigheid, zoals voor een ogenblik wordt gebruikt om aan de beperktheid van geestelijke of tijdelijke macht te herinneren.

Jezus zelf heeft ons daarover een lering gegeven, waarbij ook wederom Johannes aanwezig was en waarbij hij zich wendende tot deze zegde: “Ware macht is de macht Gods. En de macht des Vaders woont in mij, zoals zij woont in U allen. Maar indien gij gaat in mijnen naam, zult ge wonderen doen; en in de naam des Vaders zult gij falen. Want in mij gelooft gij, doch gij twijfelt aan de Vader. Zo zeg ik U: “Alle macht van alle hemelen is gelegen in elke ziel, die zijn God durft te aanvaarden.”

Niet groter dan gij ben ik. Gij noemt mij Meester. Maar gaan mijn voeten niet even moeizaam de weg als de Uwe? Meester is de Vader. Doch wie dient ommentwille van de Vader en Zijn wil zonder vragen aanvaardt, die wordt Zijn macht gegeven.”

U zoudt dat kunnen vertalen. U zoudt kunnen zeggen: Degene, die dient ommentwille van de Vader, krijgt van de Vader de macht, die nodig is om goed te dienen.

Wordt het beeld niet steeds duidelijker? Kunt ge nu niet begrijpen, hoe de mens Jezus met déze gedachte Jezus Christus kon worden? Hoe de Christusgeest zich kon openbaren in een zwak menselijk lichaam juist door dit denken?

Er is veel gesproken over het wonderlijke van Jezus’ leven. Er is over gestreden of hij God was of mens. De voorstanders van zijn goddelijkheid hebben degenen, die zijn menselijkheid op de voorgrond brachten, verworpen, zoals Renan, die in de ban werd gedaan, wiens werken openlijk werden verbrand, enz. Maar hier hebben we dan uit Jezus’ leven, uit Jezus’ mond zelve het bewijs van zijn twee-eenheid. Hij is mens. Maar als mens dient hij de mensheid en al het zijnde ommentwille van God, Die alle dingen heeft geschapen. En hierdoor wordt hij Christus. Want het hoogst bewuste, dat de stof kan benaderen volgens de wil Gods, openbaart zich in hem. Er schuilt in hem een macht, die werelden kan scheppen en doen ondergaan. Niet omdat hij Jezus is, maar omdat Jezus God heeft aanvaard en zo één is in wil en werken met de Vader.

We zullen ongetwijfeld nog vele punten moeten beschouwen, voor ons het gehele wezen van Jezus wordt gemaakt tot een duidelijk en begrijpelijk beeld. Maar zoals het kind zocht, menselijk, naar waarheid, zoals de jongeling zoekt in de leer naar waarheid, zo zal de volwassen Jezus de waarheid zoeken op de enige plaats, waar ze te vinden is: in God.

Ziet ge, vrienden, wanneer we dit kunnen leren begrijpen, dan zal het ons nog moeilijk genoeg zijn ook maar iets daarvan voor onszelf te verwezenlijken. Maar het weten van deze dingen alleen al is ons een steun. Wanneer wij onszelf willen prijsgeven als offer aan de Vader, is het de macht van de Vader, die zich door ons kan openbaren.

Dan zullen we niet genezen volgens onze wil, maar volgens de bestemming van de Eeuwige. Dan zullen wij soms ondergang brengen; en soms doden, en leven doen herrijzen. Niet omdat wij het willen, maar omdat het de Vader is, Die door ons werkt en spreekt. Dit is het belangrijkste wat er bestaat: Eenheid met het Allerhoogste.

Deze zelfnegatie is niet zo moeilijk, als men denkt. Maar zij vraagt een terzijde zetten van alle waarden, een terzijde zetten, dat moeilijk is. Moeilijk als het voor Jezus moet zijn geweest om zijn stem te verheffen tegen een ouderling, wetend, dat hij zou worden uitgestoten. Zoals het moeilijk voor hem moet zijn geweest te spreken zelfs in de synagoge over wat waar was – volgens zijn denken – i.p.v. te herhalen wat de ouden hem hadden voorgesproken. Wetend, dat alle eer zo zou weggaan, dat men hem zou verloochenen.

Ge weet hoe hij in Nazareth geminacht word. Toen heel het land der Joden sprak over deze Messias, deze nieuwe wonderdoener, toen lachte men wat in Nazareth en zegde men: “Is deze een profeet?” En toch als mens woonde zijn hart in Nazareth. Daar waren zijn vrienden, daar was zijn familie, daar woonden zijn moeder en zijn vader, die het zo prettig hadden gevonden, als hun zoon groot was geweest in de ogen der mensen. Juist daar.

Jezus heeft heel veel prijsgegeven, meer dan gij U hier kunt voorstellen. Meer, omdat in die tijden, wat thans wat onbelangrijker lijkt, zo gewichtig was. Een vakman te zijn, die wat kon bereiken, wat kon presteren, dat was in die tijden een trots, een weelde, een glorie. Jezus gaf het prijs.

Geëerd te zijn, verdiensten te kunnen vergaren, te staan voor de gemeente door te lezen uit de geheiligde wetsrollen, bepaalde het aanzien van een mens, bepaalde de groet van de medeburgers. Jezus gaf het prijs.

Een vaste woning te hebben, zekerheid te hebben binnen een gemeenschap, dat was het streven van een ieder, zelfs van de uitgeworpenen, die zich opnieuw tot stammen en dorpen vergaderden. Jezus heeft het prijsgegeven.

Voedsel, dat is belangrijk. En de gemeenschap betekende voeding. Jezus werd tot een zwerver, die soms door de weldadigheid der mensen in weelde leefde, maar wie de honger vaak gejaagd heeft over de wegen.

Men zegt, dat Jezus een offeraar is, omdat hij aan het kruis is gestorven. Jezus. is een offeraar, omdat hij alles heeft geofferd, maar dan ook werkelijk alles, wat een mens offeren kan: Geluk, aanzien, liefde, bezit. Johannes, zijn neef, die als een stem des roepende in de woestijn sprak, had nog zijn trots. Hij wist nog de mensen te dwingen tot een soort aanbidding en eerbetoon. Hij verlustigde zich daarin. Hij is er aan ondergegaan ook. Maar hij had tenminste iets in zijn leven, een houvast. Een zichtbaar houvast. Wat had Jezus? De Vader. Het Onzichtbare. Meer niet.

Wij kunnen die offers meestal niet brengen, vrienden. Het lijkt ons te veel gevraagd. Wanneer wij zouden willen geven en wij kunnen niet geven, wanneer wij zouden willen genezen en wij kunnen niet genezen, wanneer wij groot zouden willen zijn of gelukkig, en het is niet te krijgen, dan zijn wij in opstand. Dan protesteren we. En we kunnen niet aanvaarden.

Dat is het moeilijkste wat er bestaat. En juist dat is de ware leer van Jezus. Want eerst wie zich werkelijk aan God overgeeft, zonder begeren in de wereld, zonder zelfzuchtig denken of voelen, die stelt waarlijk geen vreemde beelden voor het aangezicht van God.

Ik hoop met deze kleine lezing er toe te hebben bijgedragen, dat Jezus U iets nader komt te staan, dat hij iets duidelijker is geworden voor U. Ik ga nu het woord overgeven aan een tweede spreker.

0-0-0-0-0-0-0-0

Er is in mijn land een gezegde: “Wanneer gij spreekt over de goden, weet dan, dat gij spreekt over wat ge niet begrijpt.” Wij kunnen de goden niet begrijpen.

Wanneer de wereld rond ons is, wanneer heel ons leven is gevat in onze eigen bestaansnormen, hoe kunnen wij dan zien, wat het leven van een ander mens zelfs betekent? De arme ziet op tegen de rijkdom van de rijken, maar hij kent hun zorgen en hun leed niet. Hij weet niet, welke verschillen er zijn tussen de rijkdom van een rijke en de rijkdom van een arme. En dat zijn de punten, die naar mijn idee eigenlijk in Jezus’ leer één van de meest voorname zijn: Het verschil in rijkdom.

Gij hebt Uw eigen leven, wij hebben ons eigen leven. leder leeft voor zich en ieder draagt in zich een groot verlangen, een grote wens. Maar welke wens is nu gebaseerd op onszelf?

Een oude wijsgeer heeft eens geschreven: “De mens verlangt slechts datgene, wat hij niet begrijpt.” En daarin zit een kern van waarheid. Hoe zullen wij in staat zijn om iets werkelijk te verlangen, hoe zullen wij werkelijk in staat zijn iets te begeren, wanneer wij weten, wat het inhoudt?

Gij zult misschien vinden, dat ik hier dwaas spreek. Ge zult zeggen: “Ik weet toch wel wat ik wil.” Neen. Want gij weet slecht één zijde van hetgeen gij verlangt, maar de andere niet. En zoals gegraveerd staat in de oude rotsen in een tempel van een Boeddha der wereld: “Elke vreugde draagt zijn lijden in zich, elk lijden zijn vreugde. Maar zij, die lijden, erkennen de vreugde niet, die hun geboden wordt. En zij, die de vreugde kennen, erkennen het lijden te laat.”

Begoocheling is deze wereld in vele opzichten. Niet omdat zij onwerkelijk is, omdat ge haar behoeft te verwerpen. Niet omdat het een dwaze wereld is. Maar omdat gij, mijne vrienden, zo goed als wij, Uw beelden bouwt over mogelijkheden, die niet bestaan.

Welke mens leeft in het heden? Wie kan het ogenblik proeven in werkelijkheid en in zich laten doortintelen, totdat het hem geestelijk voedt en lichamelijk in stand houdt? Menigeen droomt reeds op dit ogenblik, van wat zo dadelijk zal zijn. Of gij treurt over wat gisteren was. En daar ligt onze gehele zwakte. Want wat wij zeggen “morgen” is niet zeker. Wat wij van morgen dromen is één zijde, wij kennen het geheel niet. In het heden kennen wij alles.

Daarom heeft de denker gelijk, wanneer hij beweert: Er zijn drie werelden, maar er is maar één ware wereld. De ware wereld heet: Het is. De twee werelden van waan heten: Het zou hebben kunnen zijn; en: Morgen zal het zijn. En deze beide werelden bestaan nooit.

Misschien niet christelijk, deze beschouwing, maar zó waar, dat Jezus zelf ze gebracht zou kunnen hebben. De wereld bestaat alleen nu. En wanneer ik het woord zeg, dan is het vervluchtigd, het is uitgeklonken. En wat overblijft, is een gedachte. Hebt ge het woord kunnen doorvoelen en begrijpen, dan is het een bezit, en dan bepaalt het mede het moment nu, dat komt. Dan wordt elk ogenblik van Uw leven rijker, omdat gij in het heden hebt begrepen. Maar wanneer gij Uzelf zegt: “Morgen zal ik dit gaan begrijpen,” dan hebt ge nu geen begrip. En Uw streven naar een begrijpen morgen zal meestal uitlopen op een verkeerd begrip morgen en een verkeerde waarde, een andere waardering.

In de grote bergen heeft men soms vele gangen uitgehouwen, men heeft er tempels gemaakt, die honderden meters onder de aarde liggen. Alleen een ingewijde kan daar komen. Zij, die daar in die tempel komen, voelen zich daar nader tot God, dan wanneer zij in het dal zijn of op de heuvelen. Maar het is hun eigen denken, dat bepaalt, of zij dichter bij God zijn of niet.

Want of men nu een yostick brandt voor een Boeddha ergens in een kamer, of dat men uitstaart over de bergen vanuit een kluis, of eenvoudig door de straten van een stad gaat, het is het weten om het leven, dat belangrijk is. Wanneer men die eenheid beter kan verwerven onder de grond in een geheimzinnig lokaal, dan heeft men misschien gelijk, dat men liever dit heeft dan niets. Maar hoe komen die mensen tot die aanvaarding?

Ze gaan met een sidderend verwachten. Elke draai, waarbij de toorts door het duister snijdt, elk opnieuw opvlammen van een paar olielampen van een wachter, doet hun hart sneller kloppen. En dan komen zij in de grote ruimte en zij zien in de schemer het beeld van de slapende Boeddha, ze zien de kristallen spiegel der gedachten en ze zeggen zichzelf: “Nu zal het gebeuren.” Maar het is al gebeurd. Daarom gaan zij heen met een lichte teleurstelling. En ze zeggen: “Vandaag heeft de Grote niet tot mij gesproken.” Hij heeft gesproken in de verwachting. Maar zij dachten zozeer over wat komen zou, dat ze niet begrepen, wat hun op dat ogenblik werd gegeven.

De waarheid van het leven is: leven in het heden; niet leven in het verleden, noch in de toekomst. Het verleden is voorbij, het is afgedaan. De toekomst is nog niet geboren. En in het heden zal de geboorte van het morgen worden bepaald. Leef dan heden, opdat morgen goed zij.

Het is een liedje van de yakdrijvers, wanneer ze over de hoge weg gaan met hun goederen, met hun thee en tegels; wanneer ze terugkomen met de gaven en giften van de grote bazaars uit de dalen.

“Ik ga door de wolken en mijn yak gaat met mij. Zal de kou komen en mij doden? Zal de sneeuw onze weg verbergen? Zullen mijn voeten onzeker zijn en glijden? Ik weet het niet. Maar stralend is de zon. En de wind fluistert mij zoete geheimen. Mijn liefste is bij mij, want ik droom van haar.” Een yakdrijverslied. Simpel, een beetje ruw; maar waar.

Alle gevaren van de weg? Wanneer zij daarover zouden denken, zouden zij nooit gaan of slechts met angst in het hart. Wanneer ze zouden denken aan de geliefde als iets, dat ver weg is, het heimwee zou hun harten uitvreten. Ze zouden niet kunnen blijven, ze zouden willen terugkeren. Maar nu is er de zon en de wind en de weg, de droom van een vrouw en het is een ogenblik werkelijkheid. Simpele mensen die yakdrijvers, maar vaak heel wijs.

Degenen, die argumenteren over deze dingen zoals ik zijn eigenlijk niet wijs. Onze wijsheid ligt in spreuken en aanhalingen, in een poging.om onszelf en de wereld te doorgronden. Maar wat zijn wij zoekers dan eigenlijk ongelukkig. Deze mensen vragen niet naar grote wijsheid, zij leven. In onze ogen zijn ze vaak dom en dwaas en bijgelovig. Maar zij leven. Zij leven werkelijk.

Een priester schreef eens: “Alle wijsheid van alle eeuwen ligt rond mij. Ik ben begraven in de woorden van anderen, zodat ik niet weet, of wat ik neerschrijf mijn eigen gedachten zijn of woorden, die een ander vóór mij heeft geschreven.” Hij begreep, wat het is gebonden te zijn, gebonden aan alles, wat gisteren was, aan de twijfel aan jezelf. De twijfel aan morgen en aan gisteren.

Daarom geef ik groot gelijk aan degene, die zegt: “Gelukkig de vogel, die daar vliegt. Zo dadelijk zal de valk hem slaan. Maar nu verheft hij zijn hart tot de zon.”

Ik weet niet, of ik Jezus wijs moet noemen. Ik weet, dat hij goed was. Maar of hij wijs was, is mij een vraag. Hij leefde veelal in het heden. Hij kende de lach van het ogenblik. En hij gaf met evenveel vreugde wonderdadige wijn als gezondheid. Maar er is één ogenblik geweest, wat mij aan zijn wijsheid doet twijfelen. Dat is het ogenblik, dat hij zei: “Laat deze beker aan mij voorbijgaan.” Hij was niet de volmaakte wijze, voor mij niet.

Ik begrijp, wat hij daarmede wil zeggen. Ik begrijp, dat plotseling morgen voor hem meer betekenis krijgt dan het heden. En het is mij een troost, omdat het mijzelf zo vaak gebeurt. Maar ik weet ook, dat hij juist hier faalt. Want de kruisiging zelf kan hij doorstaan en de geseling, en al wat er aan voorafgaat. Maar hij bezwijkt onder de last van hetgeen morgen zal zijn. De wanhoop regeert hem tot het ogenblik, dat hij handelen moet. Dan kan hij zichzelve weer zijn.

Wat zijn wij eigenlijk dwazen, wij allen. Mensen en geesten uit mens geboren. Wij vrezen wat niet is, wij verlangen naar wat wij niet begrijpen. Wij ontvluchten vaak het heden in onze angstdromen over morgen, of ons verwachten van stille vreugden. Nu leven wij en nú is het onze tijd tot leven. Dat is de enige werkelijkheid.

Ik hoop, dat U mij niet kwalijk neemt, dat ik na een betoog over Jezus leer deze dingen zeg. Maar er staat ook geschreven: “Gezegend hij, die zijn gedachten spreekt. Want zo hij dwaasheid spreekt, zal hij in zich ruimte vinden voor nieuwe waarheid. Zo hij wijsheid spreekt, geeft hij geen rijkdom aan anderen en bevestigt hij niet voor zichzelf de waarde van wat hij bezit?” Misschien ben ik dwaas, misschien ben ik wijs. Het is niet aan mij daarover te oordelen en ook niet aan U. Maar samen kunnen wij wel zeggen: “Wij hebben een zekerheid gevonden, die voor ons een grote vreugde is. De zekerheid, dat hoe wij ook gaan en welke weg wij gaan, altijd voor ons het moment heden het enige waardevolle, een nieuwe vreugde in beleving betekent en een vergroting van ons bewustzijn. Daarmede heb ik mijzelf vreugdig tevreden gesteld. Ik hoop, dat het ook U zal gelukken om dit te doen.

o-o-o-o-o

ZELFVERTROUWEN

Wanneer je de zon ziet, zo groot en zo sterk en zo machtig, dan voel je jezelf zo onbetekenend, dat je niet meer vertrouwt op je eigen krachten. Wanneer je rondziet in het leven met alle mensen, die geen acht op je slaan, je zonder belangstelling voorbijgaan, wanneer je de hele schepping ziet, vol zaken, die zo belangrijk zijn en zo sterk, terwijl jezelf hulpeloos terzijde staat, dan verlies je vaak je zelfvertrouwen. Dan heb je het idee, dat je niets waard bent, dat je niets betekent. Dan heb je het idee, dat je niets kunt en ook nergens voor deugt. Dan ga je zeggen: “Ja, ik bedoel het wel goed, maar het gaat niet.” Dan maak je de grootste fout, die een mens maken kan, die een geest maken kan.

Zelfvertrouwen, wat is dat eigenlijk anders dan een woord, dat uitdrukt, dat je vertrouwt in elke kracht, die in jezelf schuilt. Maar wat schuilt er niet al in Uw wezen? In Uw wezen is God, de kern, de flonkerende juwelen glans van Uw ziel, het eeuwig onblusbaar vuur, dat uit de eeuwigheid voortgesproten eeuwig blijft voortgaan. In U is de geest, die in haar bewustzijn omvaamt het begin van de schepping en reeds het einde van de schepping voorvoelt, zonder dat zijzelve daarin geheel teloor zal gaan. Bewustzijn van verschillende sferen met alle voertuigen in U, regerende licht en klank en kleur, in staat om beelden te scheppen, ja, de stof te beheersen en in nieuwe vorm te persen. Dat alles leeft in U. Aan de buitenkant van dit rijke kasteel van wondere pracht, dat Uw persoonlijkheid is, staat een eenvoudig lichaam. Een lichaam met ziekte, met doorgezakte voetbogen misschien en een gebit, dat niet helemaal gaaf meer is. Een huid, die rimpelt en spieren, die slap en moe worden. Dan ga je zeggen: “Dit is de werkelijkheid.”

Ja, dan is het geen wonder, dat je geen zelfvertrouwen hebt. Dan is het geen wonder, dat je het even moet opgeven, dat je een ogenblikje moet zeggen; “Nou ja, laat een ander het maar doen, want ik kan het niet en ik durf het niet en ik wil het niet.” Maar als je gaat nadenken, is dat eigenlijk dwaas.

Wanneer de gevel van een paleis grauw is, zijn daarom de zalen minder mooi? Is de vorst, die er in regeert, daarom minder machtig? Wat heeft de woning te doen met de persoonlijkheid van hem, die er in woont? Ja, innerlijk zullen we hem kunnen herkennen. Maar hij is machtig. Hij kan alles veranderen binnen de woning. En het uiterlijk van de woning is een toeval, dat bepaald wordt door zijn behoefte om toevlucht te zoeken en onderdak te hebben.

Wat in U leeft, is een vorst, een vorstin. Iets met oneindige macht, oneindige mogelijkheden, oneindige waarden. En dit is niet voldoende, want achter deze persoonlijkheid staat het voor ons onbegrepene, het schijnbaar onpersoonlijke, dat we God noemen. Alles in jezelf.

Zouden we dan treuren, omdat de uiterlijkheid van onze wereld voor een kort ogenblik niet in staat is ons die glans voortdurend te doen zien en beleven? Zouden we dan werkelijk ons vertrouwen in onszelf terzijde gaan stellen, omdat we nu op het ogenblik toch werkelijk levend volgens beste weten en kunnen, strevend naar ons beste vermogen niet in staat zijn te begrijpen, hoe die waarden in ons meewerken en groter raadsbesluiten helpen voltrekken, dan we onszelf bewust kunnen realiseren?

Ons uiterlijk met een stoffelijk bewustzijn of een beperkt geestelijk bewustzijn, wat is dat eigenlijk anders dan een façade? Indien men niet zou weten, wat er achter verborgen is, dan zou men een gebrek aan zelfvertrouwen kunnen begrijpen. Maar alleen reeds de gedachte aan wat er achter ligt, moet toch iets in U wakker roepen. Dat moet U toch duidelijk maken, dat er in U zo grote krachten schuilen, zo grote mogelijkheden; maar dat ge ook juist in die innerlijke waarde geleid wordt door zo grote wetten en zo grote regels, dat de uiterlijkheden er wat minder op aan komen.

Ge vraagt over zelfvertrouwen te spreken. Ach, we kunnen dat wel kort en scherp definiëren voor deze bijeenkomst:

Zelfvertrouwen, dat is te weten, wat er in jezelf leeft. Zelfvertrouwen, dat is te geven al wat in je is. Opdat dat, wat in je streeft, verwerkelijkt zelfs in aardse vorm wat het zich heeft gesteld als geestelijke kracht, als werkelijke norm van waar bestaan. Zelfvertrouwen is de moed om te bouwen op jezelf en je eigen wegen ten einde te gaan.

Zelfvertrouwen is geen gave, is niet iets, wat je krijgt zonder meer. Zelfvertrouwen is iets, wat elke mens heeft, wat elke geest heeft, wat ieder bezit te allen tijde; maar wat men in zijn onzekerheid van somber, redelijk betogen, van wantrouwen aan eigen vermogen en gaven, aan eigen goed willen en kunnen eenvoudig verloochent.

Zelfvertrouwen bezit U voldoende. Als U geen zelfvertrouwen had, zoudt U niet kunnen lopen, dan zoudt U niet zien. Dan zoudt U niet spreken over deze werkelijkheid, enz. Gij bezit in de kern van Uw wezen dit zelfvertrouwen meer dan voldoende. Maar in Uw verstandelijk redeneren vlucht ge soms voor de consequenties van het leven. En dan wilt ge die afschuiven op een ander.

Wanneer ge gedaan hebt, wat ge doen kunt dan is dat voldoende. Dan zegt ge: “Ik heb alles gegeven, wat ik geven kon. Basta. Een ander had niet meer kunnen doen.”

Wanneer ge als mens door de wereld gaat en iemand vraagt Uw steun; gij geeft die en hij gaat ten onder, zult ge dan zeggen: “Ik heb gefaald?” Neen. Zeg dan: “Heb ik alles gegeven, wat ik geven kon? Heb ik alles gedaan, wat ik doen kon? Ja? Dan kon niemand meer doen.”

Begrijpt U? Zelfvertrouwen, dat is er op vertrouwen, dat wanneer een bepaalde opgave in het leven je wordt gesteld en je je hele wezen gebruikt om die opgave op te lessen, dat het goed is; dat niemand het beter kan. Dat het in overeenstemming is met goddelijke waarden, die je in je beseft.

Wat de Oneindigheid tekent in tijdelijke tijd, is voor ons onbegrijpelijk en toch realiteit.

Het is voor ons lijden, vol onbegrip; en vreugde, zo onverwacht. In werkelijkheid is het Gods raadsbesluit, Zijn wet en wil in stof en nevel overgebracht.

Geestelijke werkelijkheid, die dóórdringt tot een stofbesef.

Zelfvertrouwen is eigenlijk vertrouwen, dat God volgens Zijn wetten en niet alleen volgens Zijn liefde, maar volgens Zijn hele wezen met alle wetten altijd achter je staande zal Vervullen, wat volgens Zijn wetten noodzakelijk en goed is aan jezelf en aan anderen, indien je bereid bent met het volst van je wezen volgens je beste weten en kunnen te streven naar het goede voor jezelf en anderen. Meer is er niet nodig.

Wanneer je probeert voor jezelf verantwoord te zijn, dan doe je genoeg. Dan hoef je niet te aarzelen. Dan hoef je jezelf niet terug te trekken. Dan hoef je niet te zeggen: “Ik heb dit of dat gebrek.” Want dan gaat alles precies, zoals het moet en niet anders. Dan wordt het beste bereikt, wat er te bereiken is. Dan geeft gij aan de wereld meer, dan de wereld U bewust geven kan.

Daarom zeg ik: “Zelfvertrouwen is misschien een noodzaak, wil je voor jezelf vredig en gelukkig leven. Maar zelfvertrouwen is ook een noodzaak, wanneer je in de wereld iets wilt betekenen. En je hebt alle reden om in jezelf te vertrouwen.

Wanneer je kunstmatig je eigen zwakte en je eigen leed gaat uitstallen, je eigen onvolmaaktheid en hetgeen je niet kunt bereiken, ja, dan is het heel makkelijk om jezelf te verloochenen en te zeggen: “Ja, ik kan het niet.” Maar als ge rekening houdt met al, wat ge wel kunt, met al, wat ge wel volbrengt, wanneer ge rekening houdt met goddelijke wetten, die richting geven aan Uw daden, die gij zelf nog niet beseft, dan zult ge misschien zeggen: “Ik kan wel, indien God wil.” En daarmee hebt ge dan het ware Zelfvertrouwen naar voren gebracht. “Alles is mij mogelijk, indien God het wil.”