Bepaalde kernen van de esoterie

image_pdf

12 juni 1962

Ik zou dan graag willen spreken over bepaalde kernen van de esoterie, die direct en indirect in verband staan met psychologie en de menselijke psyche.

Allereerst moeten wij beginnen met de stelling, dat elke mens drie beelden in zich draagt. Er is praktisch geen enkele mens, die werkelijk een eenheid vormt. Hij heeft het beeld dat hij meestal half onderdrukt van dat wat hij werkelijk is. Daarnaast heeft hij een geïdealiseerd beeld van wat hij zou willen zijn. En ten laatste een beeld dat door zijn schuldbewustzijn wordt gekenmerkt en dat over het algemeen menig demonische en mismoedige trek vertoont.

Een esotericus moet zijn ware persoonlijkheid leren kennen en niet alleen maar de verschillende voorstellingen, die binnen het eigen “ik” liggen. Het zal u duidelijk zijn, dat dit een zeer zware opgave is. Wij kunnen natuurlijk het innerlijk benaderen langs de weg van het gevoel (de mystieke beleving), maar een omschrijving van je eigen wezen, een werkelijk uitdrukken van dat, wat je bent en wat je zult worden, brengt nogal eens wat bezwaren met zich. En daarom zou ik graag allereerst een kleine ontleding willen geven van de door mij genoemde drie hoofdfiguren, die in het bewustzijn over het “ik” plegen te bestaan.

Let wel, ik zeg niet dat deze de enige mogelijkheden zijn. Het zijn de meest voorkomende. Er zijn mensen die 5, 6 of 7 verschillende persoonlijkheden in zich dragen. Er zijn er misschien ook, die alleen maar een geïdealiseerde hebben en voor de rest hun werkelijke persoonlijkheid.

Gebrek aan begrip voor eigen betekenis, een zekere amoraliteit, doet de schuldbeseffiguur dan vaak verbleken. Ook is de geïdealiseerde persoonlijkheid lang niet altijd een aangename persoonlijkheid.

Wanneer wij n.l. dat ideaal bezien, dan blijkt dat de mens dit meestal koppelt aan zijn waardering voor de wereld, zijn begeerte in de wereld plus zoals bij zeer velen een aantal filosofieën of theorieën, die juist deze opvattingen, deze richting van streven voor het “ik” aanvaardbaar moeten maken. Het is nu dus wel duidelijk, dat een geïdealiseerde persoonlijkheidsvoorstelling nog altijd veel onaangenaamheden in zich kan bergen.

Hoe kom ik tot deze idealisering?

In de eerste plaats sta je als mens tegenover het leven. Dat leven heeft je van jongs af aan beïnvloed. Je hebt zekere waarden, invloeden en mogelijkheden meegekregen van de voorouders en je hebt daarnaast – zij het dat dit niet bewust wordt ervaren – een aantal geestelijke ervaringen, ook uit het verleden, die op het heden toch wel hun stempel drukken.

Zo kom je ertoe bepaalde figuren te verheerlijken. Een kind zal bv. een onderwijzer, een leraar, een geweldenaar uit de buurt adoreren. Maar dat betekent gelijktijdig, dat die figuur geassocieerd wordt met sterkte, met zekerheiden veiligheid. Men zal dus trachten zichzelf in die richting te ontwikkelen.

Daarbij ga ik bepaalde stelregels aannemen die lang niet altijd passen in de geestelijke bewustwording. Zo kan iemand bv. stellen, dat het ideaal is om ieder ander precies te vertellen, wat goed en wat niet goed is, wat juist en wat niet juist is. Een stelling, die esoterisch zelfs verderfelijk is, omdat men zich dan in anderen gaat uitleven, zonder zich ooit van zichzelf bewust te worden.

Ook is geweld, macht, vaak een honger, die in de geïdealiseerde voorstelling naar voren komt. Men meent dat men gewichtig en onmisbaar is en tracht vaak op kleinzielige wijze zijn gezag te doen gelden. Dat is het resultaat. Maar het “ik” ziet dat als een belangrijke figuur, een figuur van betekenis voor de wereld, een figuur waarvoor men respect zal hebben, die men zal eerbiedigen, waarvan men zal houden. Veiligheid, geborgenheid in de gemeenschap vloeien ook weer hieruit voort. Het “ik” zelf moet echter een persoonlijke bewustwording doormaken en alle macht, die je op aarde kunt vergaren, is niet voldoende om ook maar een klein stukje bewustwording te veroorzaken. Integendeel, hoe meer macht je hebt of denkt te hebben, hoe meer je blind zult worden voor de werkelijkheid rond je en daarbij ook voor de ware betekenis van je eigen “ik”.

De idealen, die anderen zich stellen, zijn die van een vergeestelijkt mens. Zij hebben een vlucht uit de wereld als hun weg gekozen. Dat is hun volste recht, zolang zij daarbij die wereld niet helemaal proberen te verwaarlozen. Maar nu gaan ze stellen; ik sta boven de wereld, ik heb een geestelijke kracht en een geestelijk inzicht, ik leef eigenlijk reeds in een andere wereld en alles, wat ik op aarde doe, is daarvan alleen een uitvloeisel.

Daarmede ontwijken zij vele verantwoordelijkheden en verplichtingen, en kunnen zij voor zichzelf veel goed praten, wat anders onaangenaam zou zijn. Zo iemand leeft buiten de werkelijkheid. Zijn betogen en redenen zijn drogredenen, zijn weg verklarende gegeven omtrent het “ik” en de wereld en geen persoonlijke realisatie; geen persoonlijke bewustwording kan hieruit voortvloeien. Neen, iets anders is noodzakelijk.

Wanneer wie ons een ideale figuur van het “ik” willen voorstellen, zullen wij ons allereerst moeten afvragen; Wat ben ik? Wat is mijn werkelijke figuur? En dan blijkt dat alles, wat ik zo buitengewoon belangrijk vind, eigenlijk maar heel weinig betekent. Dat een groot gedeelte van mijn waarderingen niet afhankelijk is van de werkelijkheid maar alleen van mijn illusies, van datgene wat ik zou willen, dus in feite weer van een ideaalbeeld.

Wanneer ik het werkelijk belangrijke en ook het voor mij persoonlijk belangrijke weet te scheiden van dergelijke idealisaties, dergelijke verwrongen voorstellingen, dan kan ik mijn eigen eigenschappen wat beter bepalen en nagaan. Ik zal dan kunnen zeggen: Kijk eens, voor mij is het bv. belangrijk, dat ik voortdurend anderen een dienst kan bewijzen. Maar dan moet ik van anderen geen dankbaarheid verwachten. Het bewijzen van diensten is voor mij een zelfvervulling.. Ik moet dus een wijze van leven zoeken, waarin het bewijzen van diensten en niet de erkenning een rol zal spelen.

Wil ik alleen erkenning hebben van een ander en is de dienst alleen maar een middel om dat te bereiken – wat overigens veel meer voorkomt dan het eerste – dan moet ik mij dat ook realiseren; en uitgaande van het standpunt dat ik een zo groot mogelijke erkenning van de ander moet afdwingen met zo gering mogelijke middelen. Ik kom dan in de richting van mijn ware wezen. Ik begrijp waar ik werkelijk naar toe leef.

Heb ik dit begrepen, dan moet ik mij ook nog afvragen, waarom er bepaalde schuldgevoelens in mij bestaan. Waarom sommige verlangens voor mij zo groot en intens zijn, waarom ik mij eigenlijk minderwaardig voel, omdat juist die niet vervuld worden. Ook dat is belangrijker dan u misschien denkt, want alleen als ik mij ga realiseren dat alles, waarvoor ik mijzelf de schuld toedicht, niet mijn schuld behoeft te zijn, als ik ga begrijpen dat mijn relatie tot de wereld en niet mijn eigen wezen, dat het oordeel van de wereld en niet de stem Gods in mij een groot gedeelte van mijn minderwaardigheidscomplexen en schuldgevoelens tot stand brengt, zal ik ze gemakkelijker kunnen overwinnen. Ik zal bovenal de invloed van die minderwaardigheidscomplexen, van dat schuldgevoel. terzijde kunnen schuiven. Het zal wel blijven bestaan helemaal kom je er niet zo gemakkelijk vanaf maar je kunt het, nu het eenmaal bewust gezien is, opzij zetten; het breidt zich niet verder uit; het is niet meer een invloed, die je wezen voortsleurt, totdat je op den duur radeloos en hopeloos niet meer weet wat je moet doen.

Dus moeten we een ideaal hebben, dat acceptabel is. Een ideaal, dat te verwerkelijken is. We moeten een basis hebben voor onze geestelijke bewustwording, voor ons zoeken naar innerlijke waarden en waardering, die gebaseerd is op wat kan, op wat bestaat. Misschien hebt u dat wel meer gehoord.

Wat is dus de ideale figuur? Iemand, die beseft wat zijn verhouding tot de wereld werkelijk is en daarbij niet uitgaat van zedenleer, filosofie of wat anders, maar van de feiten. Ik leef. Ik heb bepaalde behoeften. Zonder die behoeften kan ik niet goed leven. Goed. Leven is voor mij noodzakelijk, omdat ik alleen zo stoffelijk en geestelijk kan beantwoorden aan mijn bestemming. Ik zal dus zoeken naar een weg, waardoor ik aan die behoeften kan voldoen. Ik zal zoeken naar methoden en mogelijkheden, waardoor ik zo aanvaardbaar en zo goed mogelijk overigens mijzelf kan zijn.

Dan ga ik mij verder afvragen in hoeverre ik mijn verlangens en ook mijn minderwaardigheidsgevoelens, die heel vaak uit dezelfde bron voortkomen, kan omzetten in iets, wat direct bruikbaar is. Ik neem aan, dat u op een gegeven ogenblik ontdekt; ik heb een minderwaardigheidsgevoel, omdat ik arm ben en ik droom alleen van rijkdom, omdat ik daarin zekerheid zoek. Dat komt voor. Dan moet u voor uzelf als ideaal stellen; niet rijkdom maar het bereiken van onafhankelijkheid. Onafhankelijkheid wordt vaak gemakkelijker bereikt door u ten dele of geheel buiten de maatschappelijke samenhangen en waarderingen te stellen en uw eigen maatstaven te aanvaarden, dan door te vertrouwen op de bewondering, de wetten, de regels, die anderen hebben geschapen. U bent rijker wanneer u weinig behoeften hebt, dan wanneer u al het geld hebt en misschien niet aan uw behoeften kunt voldoen. En dat vergeten de meesten.

U moet dus een wijze van leven vinden, waardoor alles, wat voor u belangrijk is, inderdaad kan worden vervuld. En alles wat alleen voortkomt uit de houding van uw buren of de eisen van anderen, dat stel ik eens lekker terzijde.

Ik moet leven en wel zo, dat ik met mijzelf vrede kan hebben. En in de tweede plaats: Kom tot de conclusie, dat je als mens niet kunt leven buiten de gemeenschap. Wanneer je buiten de maatschappij staat en geen werkelijk contact met de mensen hebt, vervreemd je ofwel van het menselijk bestaan in de zin van geestelijke ontruktheid, dan wel en dat komt meer voor verval je tot dierlijkheid. Dus de doorsneemens heeft een samenhang met de mensheid nodig.

Behoeft nu die samenhang gebaseerd te zijn op wat de wereld voor u is? In een dierlijk milieu zal dat laatste inderdaad het meest bepalende zijn. Maar als mens hebt u bijzondere capaciteiten en gaven. Uw denkvermogen is groter, meer omvattend en vaak ook wendbaarder dan bij menig dier. U kunt uitgaan van het standpunt: wat ik volgens mijn eigen bewustzijn voor anderen beteken is bepalend. Ik probeer die betekenis voor anderen te krijgen, welke ik in mijzelf als juist en goed ervaar. Van de rest trek ik mij niet te veel aan.

Dan moet je nog een stap verdergaan, want je moet ook nog afrekenen met de illusies omtrent jezelf. Zeg niet meer; Dit zijn mijn gaven, of: die gaven zal ik nooit bezitten. Zeg alleen tegen uzelf: Niets is voor mij onmogelijk, tenzij het op dat ogenblik onmogelijk blijkt, en alleen dan. Ik kan het altijd weer proberen. Slechts wat door ervaring nutteloos blijkt, zal ik voorlopig terzijde leggen. Zeg dus niet dat iets onmogelijk is of niet passend of dat iets irreëel is, als u denkt over een bepaalde kracht, een bepaalde capaciteit te beschikken. Als u denkt, dat u bv. een goed musicus zou zijn, probeer het en kom tot de ontdekking dat ge geen piano kunt spelen, voordat ge het hebt geleerd. Wanneer u denkt, dat u een goed redenaar bent, probeer een redevoering te houden; en als het niet gaat, probeer te leren, hoe een redevoering in elkaar zit. Wanneer u denkt, dat u moderne kunst kunt vervaardigen, probeer het. Misschien lukt het; en lukt het niet, dan zal u eerst eens moeten leren, welke maatstaven gelden.

Het is toch eenvoudig genoeg? Door op die manier je te beperken tot een stoffelijke wijze van leven, een stoffelijke basis, die voor het “ik” aanvaardbaar is en het niet meer noodzakelijk maakt in allerhande dromen weg te vluchten, kom je vanzelf ook tot een reëler aanvaarden van je innerlijke wereld.

Vergeet niet, dat heel veel mensen die gevoelswereld, die krachten van andere sferen, welke in het “ik” geuit worden, als een soort reddingslijn gebruiken om uit de uitslaande brand van een mislukte wereld een ogenblik naar hoger sferen en koelte te ontvluchten. Maar, op die wijze kom je geestelijk niet verder. Ga uit van de werkelijkheid, dan zal het inpassen van de innerlijke belevingen, van de contacten met het Hogere, het erkennen van lichtere krachten die ongetwijfeld ook dan voorkomen en bestaan vaak intensiever en juister zijn dan menigeen zich voorstelt. Dan kun je die inpassen in een reëel wereldbeeld.

Het is niet iets heiligs of iets bijzonders, dat buiten je ligt. Het is iets normaals, een deel van jezelf, dat je gebruikt. Het is een kracht, die je stimuleert. En wat je uit die kracht voortbrengt, is geen wonder. Het is niet iets, dat je voorrechten geeft of je hoger doet staan dan een ander, of iets, dat je verplichtingen oplegt. Neen, het is een deel van je wezen. Ik geloof dat dit wel een van de voornaamste punten is, zeker in uw dagen.

Alles, wat ik bereik op het gebied van het paranormale, esoterisch inzicht en grotere bewustwording, is een normaal deel van mijn wezen. Alles, wat daaruit voortvloeit, is niet iets bijzonders, het is eveneens deel van mijn wezen en mijn leven en moet normaal gebruikt worden. Maar al te vaak zie je mensen die esoterisch ver kunnen komen, stranden op dit begrip van heiligheid. Ze ondergaan in zichzelf een eigenaardige gewaarwording, een licht, een kracht, een angst of een duisternis en ze gaan proberen daaraan iets te verbinden. Maar het licht is heilig en het duister is demonisch. Ze durven het wezen ervan niet te onderzoeken, de oorzaak na te gaan, de bron. En omdat ze dat niet durven, zullen ze nooit die waarden werkelijk voor zichzelf kunnen gebruiken.

Hier treedt overigens de gebruikelijke fout op. Er zijn mensen, die elektrisch licht zo’n wonder vinden, dat wanneer ze het de eerste keer zien ze vergeten te vragen, hoe je het aan of uit maakt. Het resultaat is, dat ze ofwel een hele nacht staan te blazen tegen een elektrisch ballonnetje, dan wel een hele nacht in het duister zitten te verlangen naar het glanzende licht, dat met een enkel gebaar geschapen zou kunnen worden. Alleen, ze hebben vergeten te vragen, welk gebaar. Het beeld mag afgezaagd zijn, maar het is treffend.

Wij moeten in de esoterie rekening ermee houden, dat wij persoonlijk licht moeten hebben, dat wij persoonlijk niet alleen maar het licht buiten ons moeten beleven, maar dat wij moeten weten wat het ín ons betekent. Wij moeten leren het a.h.w. aan en uit te draaien wanneer het nodig is. Als we dan een reële basis hebben gevonden en daarnaast de moed hebben vergaard om al dat hogere, dat ongrijpbare toch maar te analyseren voor zover het gaat en zo goed mogelijk daarin oorzaak en gevolg te zoeken, vooral met betrekking tot ons eigen wezen, dan ontstaat voor ons de mogelijkheid en bepaalde stemmingen en krachten, bepaalde mogelijkheden in te schakelen, wanneer het noodzakelijk is.

Wanneer je het bewustzijn van een hogere sfeer nodig hebt en je stelt je daarop in, dan doe je niets anders dan het knopje van het lichtje omdraaien. Als ik weet hoe ik mij moet instellen en in onvoorstelbaar korte tijd, dan leeft dit licht, is dit bewustzijn er, ik put eruit. En weet ik wat ik wil weten, dan draai ik de knop om en sta ik weer in mijn eigen wereld. De overgang daartussen is betrekkelijk gering. Ik behoef niet eerst in een hogere wereld te zweven om daar het bewustzijn te vinden, dat ik tijdelijk aarzelend, verminkt en verzwakt terugbreng tot een paar gedachten, die in negen van de tien gevallen symbolen zijn. Het is mogelijk om zo iets tot de stof terug te brengen, klaar, concreet en direct.

Wanneer ik mij instel op een mens en ik vraag mij aft wat betekent die mens, wat leeft er in die mens? Dan komt er een beeld tot mij. Wil ik dat beeld alleen maar ondergaan zonder meer, dan zal ik van die ander heel weinig begrijpen. Maar durf ik analyseren, durf ik zeggen: Hé, deze invloed doet mij hieraan denken, die invloed daaraan, hoe strookt dat met die mens zelf, dan heb ik iets erkend omtrent die mens en weet ik misschien meer over zijn gebreken en zijn mogelijkheden dan hijzelf ervan weet.

Zouden wij dat niet esoterisch moeten toepassen? Wij moeten uitgaan van het standpunt, dat een reële basis noodzakelijk is. Van die reële basis uit bouwen wie voor onszelf niet zozeer een ideaalbeeld op, maar wel een meer omvattend beeld van het eigen wezen. Want wij gaan alles, wat er aan innerlijke beleving, aan mystiek ervaren, aan droombeleving desnoods, optreedt in ons leven, in verband brengen met deze feitelijke basis. Er moet een verband bestaan, anders zou het niet tot uitdrukking komen. Zelfs wanneer onze basis maar ten dele als juist erkend wordt wat bij de doorsneemens gebruikelijk is zo zal toch reeds de poging tot associëren duidelijk maken, dat wij niet alleen maar bestaan als een wezen, dat zich naar boven worstelt als een touwklimmer naar de nok van het circus, of als een wezen, dat niets anders doet dan moeizaam steunend trapjes oploopt en poorten doorgaat, maar dat wie een geheel zijn. Wij beseffen, dat oorzaak en gevolg van het totale wezen in het heden tot uiting komt? Dat alles, wat in mij bestaat en wordt veroorzaakt, deel is van mijn persoonlijkheid en mijn mogelijkheden.

Dat betekent, vrienden, dat ik dus ook in het heden, in het menselijk heden kan manipuleren en werken met de geestelijke krachten en vermogens van mijn wezen, zelfs als ik die maar ten dele stoffelijk kan omschrijven of begrijpen. Wij willen nu afrekenen met de gedachte van het pad en de trapjes, ofschoon ze de gebruikelijke en door ouderdom eerbiedwaardig geworden uitdrukkingen zijn en als symbolen op zichzelf mooi.

Hoe moeten wij ons dat voorstellen? Daarvoor stellen wij in de plaats het “ik” dat ontwaakt. Dan grijp ik in de eerste plaats toch weer even naar de wetten van harmonie. Al datgene, wat met mijn wezen harmonisch is, zij het dat ik dit goed of kwaad noem, zal in mijn wezen tot uiting kunnen komen. Erken ik dit in werkelijkheid, dan zal ik daardoor de harmonie in mijn wezen kennen. Met mijn wezen kunnen alle krachten in het Al harmonisch zijn en niet slechts stoffelijke krachten of waarden van mijn eigen wereld. Daarom zal het gehele Al voor mijn persoonlijk bewustzijn zijn brandpunt in mijn eigen wezen vinden.

Ofschoon een beleving of een wijze van leven zelfs volkomen altruïstisch mag zijn, zal toch de erkenning van de wereld zowel als van het “ik” altijd volledig egocentrisch geschieden. Dan volgt hieruit dat door het erkennen van mijzelf als het brandpunt van alle harmonische krachten en daarmede dus de beantwoording van al, wat in mij leeft, vanuit de kosmos, ik ook mijn eigen wezen kan omschrijven aan de hand van al datgene, wat in mij tot uiting komt. Of ik dit erken naar zijn betekenis of niet, of ik dit omschrijf door een symbool of volledig duidelijk kan weergeven, is eigenlijk daarbij nog niet eens “belangrijk. Ik weet; dit is deel van mijn wezen en deze harmonische mogelijkheid bestaat voor mij in de kosmos. Heb ik dit geconstateerd, dan ben ik in het begin geneigd om de gehele wereld op mijzelf te betrekken.

En pas langzaam kom ik tot de conclusie, dat er delen van het Al zijn, waarmee ik wel en andere, waarmee ik niet te maken heb. Dat met sommige delen van de schepping een zeer intens contact mogelijk is, terwijl andere altijd ver zijn en zich beperken tot een soort wederzijds erkennen van de aanwezigheid zonder meer.

Ook hierin ligt weer een betekenis. Want dat wat ik erkennen kan, maar wat voor mij op een afstand blijft, wat ik nog niet volledig kan verwerken of waarmee ik niet kan werken, is nog geen reëel deel van het “ik”, Het is daarin een potentie. Al datgene, wat in mij een onmiddellijke reactie geeft en waarop ik onmiddellijk kan reageren is een bewust deel van mijn wezen. En door het invoegen van erkende potentie daar, waar ik een gebrek in directe mogelijkheid erken, zal ik mijn eigen wezen kunnen afronden en mijn vermogens evenwichtiger kunnen maken. Zo ontstaat niet een directe groei (een groei naar buiten), maar eerder een afronding van innerlijke vermogens en kwaliteiten. Het evenwicht dat zo wordt gewonnen, schept weer nieuwe harmonische mogelijkheden.

Dan volgt hieruit; Alles, wat met een redelijk evenwichtig “ik” harmonisch is, zal door dit redelijk evenwicht reeds geuit kunnen worden en wel in zijn volle vorm. Dan zal door de reactie, daardoor in mijn wereld gewekt, voor het “ik” de mogelijkheid ontstaan de eigenschappen, waaruit het innerlijk evenwicht is opgebouwd, te kennen en wel aan de hand van de gevolgen, die ze voortbrengt. Mits het “ik” zich onthoudt van een oordeel over deze gevolgen, maar ze alle als gelijkwaardig accepteert, zal de eigen verhouding tot de wereld, die wordt gekend en de kosmos, die wordt aangevoeld, daardoor binnen het “ik” kunnen worden uitgedrukt en wel voor de stof als een begrip en voor wat de geest betreft als een innerlijk, emotioneel ervaren. Ik heb nu dus de mogelijkheid gevonden om in mijzelf en in de wereld iets te erkennen.

Elke erkenning zal voor mij echter inhouden, dat mijn plaats in de wereld en de kosmos nauwkeurig wordt omschreven. Want om mijn evenwicht te behouden en des ondanks te leven dus niet volledig in stasis te verkeren zal ik wel moeten uitgaan van een gelijkwaardige ontwikkeling van alle erkende eigenschappen. Elke eenzijdigheid verstoort mijn vrede, dat kan ik niet accepteren. Dus….. mijn groei is enerzijds naar buiten toe een gelijkmatige uitbreiding van eigenschappen, maar innerlijk een steeds sterker ervaren van emotie en vanuit deze emotionele kracht het doen ontstaan van veel grotere potentie in elk gebied dat ik in mijzelf heb erkend.

De esotericus kan reeds op aarde, krachtens zijn esoterische streven alleen al, komen tot een meervoudige bereiking, die alle normale mogelijkheden van de mens verre overtreft. Hij kan, wanneer hij innerlijk niet evenwichtig is, dit op een enkel terrein bereiken. Hij is dan over het algemeen een vergeestelijkte dwaas of een genie, dat zichzelf ten onder brengt. Maar de mens, die evenwichtig die kracht tot uiting brengt al valt hij niet zo erg op zal in alle richtingen, welke tot zijn capaciteiten behoren, grote dingen tot stand brengen. Het zijn vaak de grote denkers en uitvinders, die op een hele era hun stempel drukken, terwijl ze in hun eigen periode eigenlijk niet werden erkend voor wat ze waren en vaak werden beschouwd als zonderlingen i.p.v., geniale evenwichtige mensen.

Typisch is daarbij dat een zich gelijkmatig ontwikkelend en innerlijk evenwichtig wezen door de hogere kracht tevens een nieuwe wereldvorm gaat zien. Deze krijgt in de ogen van de medemensen gestalte als filosofie, als droombeeld, soms zelfs als een afwijking. Maar in feite is het niets anders dan een omschrijving van de wereld, zoals die in het “ik” bestaat en wel in hogere samenhang en verhouding, dan alleen de menselijke. Je groeit dus a.h.w. verder.

Wanneer een bepaald lichaam wegvalt, blijft de rest evenwichtig. En zou er een verstoring ontstaan, dan kan die door voldoende zelfkennis ongetwijfeld snel hersteld worden. Zo mag dus gelden dat degene, die een dergelijke basis in de stof heeft gevonden en van daaruit voortgaat, ook in de geest altijd evenwichtig is en een gelijke groei kan volhouden. Dit moet resulteren in het vinden van de enig juiste plaats van het “ik” binnen de kosmos. Het is geen kwestie van stijgen tot een troon, al zeggen we dat graag. Neen, het is slechts een kwestie van de plaats waarop je a.h.w. volledig jezelf bent en gelijktijdig jezelf volledig vervullend in het Al, door het Al volledig wordt erkend voor wat je bent. Dat is de ideale verhouding.

  • Bij die evenredige ontwikkeling van alle eigenschappen, die je in jezelf erkent, zijn toch ook eigenschappen, die je minder sympathiek vindt.

Ik heb reeds gesteld, dat men niet dient te oordelen. M.a.w. wanneer een eigenschap deel is van mijn wezen, dan moet ik die niet verwerpen of als iets bijzonders loven en zien, ik moet haar aanvaarden. Dat is de grote moeilijkheid bij een ieder, die de esoterische weg gaat. De mensen willen zich desnoods nog wel erkennen voor wat ze zijn, maar zich aanvaarden zoals ze zijn, doet men zelden. En omdat ze dat niet doen, gaan ze zoeken naar compensatie. Door het zoeken naar compensatie ontwikkelen ze zich eenzijdig, of gaan ze hun aandacht eenzijdig richten, en het resultaat ervan kunt u zich denken. Vlucht, waanwereld, mislukking. Dus wat u noemt onaangename eigenschappen mits ze werkelijk deel zijn van uw wezen en niet alleen uit uw denken voortkomen zult u behouden, want ze zijn deel van die basis. Die moet je ook erkennen.

  • En ook verder ontwikkelen?

Wanneer het ene deel van het wezen zich verder ontwikkelt, zal ook het andere deel zich moeten ontwikkelen. Dat is niet te vermijden.

  • Maar je hebt soms wel, dat je eigenschappen ontdekt, die misschien zoals u zegt uit het denken voortkomen. Maar verdwijnen ze door erkenning?

Dan hebben wij dus niet te maken met een feitelijke eigenschap, maar met een uit het “ik” komende reactie op de wereld, aan de hand van een vooropgezet gedachtenbeeld of een onbewuste impressie, die deze uiting richt. Het is een denkbeeld en niet een feitelijke eigenschap. Om u een voorbeeld te geven. Iemand kan een uitgroeisel hebben, dat niet voortkomt uit zenuwen, maar dat gewoon organisch is. Dat is een eigenschap. Man kan ook zeggen, dat iemand wratten heeft, die eigenlijk voor een groot gedeelte in verbinding staan met het zenuwstelsel. Die kan ik met suggestie verwijderen. Dat is geen eigenschap.

U zult begrijpen, dat wij juist in de esoterie ontzettend voorzichtig moeten zijn, zodat we niet eenzijdig uit het spoor gaan lopen. Alles, wat wij zijn, heeft zijn betekenis. Wanneer we eigenschappen ontdekken, waarmee we geen weg weten, dan mogen we natuurlijk nagaan, waaruit ze voortkomen. Maar ontdekken wij dat er voorlopig een reële stoffelijke noodzaak is, laten wij die dan erkennen. Is het een reële behoefte, een reële noodzaak, dan moet je dat niet trachten te verdringen. Dan moet je zeggen: ze is er. En als je erkent dat die er is, kun je altijd nog nagaan op welke wijze je daaraan tegemoet kunt komen, zonder tegen jouw idee van goed, van licht, in te gaan en dus een schuldbesef te kweken. Maar erkennen is noodzakelijk.

Het zal heel vaak voorkomen dat ik met iets bezig ben, dat ik een eigenschap helemaal heb omschreven, naar ik meen. Ik zoek naar de oorzaak….. en gek, nu ik zoek naar de oorzaak, verdwijnt ze. Maar die eigenschap heeft een eigenaardige kwaliteit, want ze keert weer terug, als ik ophoud met zoeken. Het is n.l. zo: Wanneer mensen ideeën hebben die heel vaak in de jeugd erin geranseld zijn of in een soort shock verkregen, dus onder sterke emotionele spanning en we benaderen de oorzaak ervan, dan zijn ze zo bang voor die oorzaak, die naar voren komt, dat ze het verschijnsel voorlopig terzijde stellen. Het verschijnsel komt terug. Als ik ontdek, dat bij een onderzoek naar de oorzaak een bepaalde eigenschap verdwijnt, maar nadien terugkeert. Want moet ik voor mijzelf stellen; dat is geen reële eigenschap, dus komt het ergens uit mijn psyche voort. Want het vinden van de eigenschap is in dergelijke gevallen wel moeilijk, maar het feit alleen dat ik erken; het is geen reële eigenschap en daarvan dus een zekere realiteit ontken, zal het mij op den duur gemakkelijker zijn die eigenschap te beheersen en ook de bron ervan, de oorzaak te ontdekken. Maar ja, dat kan wel een kwestie zijn van een heel leven en wij hebben geen tijd daarop te wachten. Daarom moeten wij weten; wat is werkelijk bewust, direct, reëel deel van mijn persoonlijkheid, want een eigenschap, die steeds verdwijnt en weer terugkomt en waarbij dat verdwijnen gebonden is aan bepaalde omstandigheden, zal geen werkelijke eigenschap zijn. Of het kan een behoefte-element zijn, dat op een gegeven ogenblik een verzadiging ondergaat en daarna hernieuwd ontstaat.

Dan wil ik graag het volgende naar voren brengen: In mijzelf heb ik verschillende ervaringen, die ik dan meestal maar als licht aanduid, ofschoon ze geen licht zijn, evengoed als ik een horen en een zien ken, die eigenlijk geen horen en geen zien zijn. Ik bezit klaarblijkelijk – en zeker wanneer ik in de stof ben – in mijzelf een aantal eigenschappen die niet omschrijfbaar zijn. Wanneer ik eigenschappen niet kan omschrijven, is het niet juist daarvan a priori een verschil aan te nemen en dien ik slechts de verschijningsvorm op zichzelf als voor mij different te aanvaarden, maar voortkomende uit een en dezelfde bron. Door een en dezelfde bron aan te nemen voor alles, wat in mij tot uiting komt als kracht, als licht enz., kan ik n.l. vermijden dat ik met een hele reeks goden te maken krijg. Want wanneer ik overal een aparte bron ga stellen, dan kom ik in een treurige situatie.

Ik zou graag een voorbeeld geven. Ik heb enige tijd geleden in een debat met iemand te maken gehad, die heel veel geestelijke leiders had. Hij beschikte over geestelijke leiders voor zijn stoffelijke en voor zijn geestelijke belangen, een voor zijn esoterische kracht en een voor zijn genezing. Laten we het zo stellen; wanneer hij zijn neus moest poetsen, had hij daarvoor een speciale geestelijke leider nodig.

Die man zweefde volgens zijn eigen idee op de wereld rond als een gids in een autobus met een stel toeristen achter zich. Met dit verschil dat de toeristen vertelden, waarheen hij moest gaan. Die mens leefde zelf niet. Hij had alles, wat hij in zichzelf erkende en elke invloed een aparte persoonlijkheid gegeven, die had hij leider genoemd.

In de eerste plaats was hij daardoor niet meer in staat om werkelijke leiding of hulp te erkennen. Die ging gewoon teloor, ze was een in de massa geworden. In de tweede plaats; doordat hij zich voortdurend met die leiding bezighield, was hij niet in staat te leven. Hij leefde via een reeks projecties, waaraan hij persoonlijke eigenschappen had toegekend.

Die man kwam op den duur natuurlijk met zichzelf in strijd, want zoals de buspassagiers, hadden ook zijn geestelijke leiders ruzie, zij het dan misschien niet over het open of dichtmaken van een raampje, maar over het al of niet doen van bepaalde dingen. Die man dreigde te gronde te gaan en vroeg mij dus: Hoe moeten wij dit dan zien? Die leiders zijn ons toch gegeven?

Toen heb ik een antwoord gegeven, wat misschien wel de beste illustratie is van hetgeen ik u wil zeggen: Ook al schijnen duizend verschillende leiders op te treden, er is slechts één God, er is slechts één kracht, aan wie ik werkelijk mijn leven verschuldigd ben. Er is slechts één kracht, die mij werkelijk leidt en helpt. Indien ik alles daarop terugvoer, zal ik geen strijd daarin kunnen erkennen, maar ik zal alle verschijnselen op zichzelf afwegen en zien als een aanduiding van hetgeen in mijn eigen wezen mogelijk is en leeft, niet als een beslissing omtrent hetgeen ik moet doen.

Indien u zich dit beeld realiseert, kunt u uit de veelheid van uw leiders weer terugkeren tot de ene werkelijke kracht, die zich in u manifesteert. En of die kracht vandaag wit licht, morgen geel licht en overmorgen rood licht is, dat maakt niets uit. Het is dezelfde kracht. Wanneer u zich aan die kracht vasthoudt, dan zullen de verschillen slechts helpen om de band tussen u en die ene kracht intenser en groter te maken. Dan kunt u haar beter beleven.

De man heeft “ja, broeder” gezegd en daar is het bij gebleven. Jammer voor hem. Als ik u dit beeld geef, kunt u begrijpen dat het voor ons toch wel erg belangrijk is om niet alle innerlijke krachten te gaan verbrokkelen. Kunnen wij bepaalde dingen erkennen, dan is het goed, maar wij moeten ze niet zien als volledig gescheiden van de rest. Wanneer iets uit sfeer 6 komt, dan betekent dat, dat alle andere sferen er tenslotte ook bij betrokken zijn, ook al zie ik haar als sfeer zes. Het is de kosmos, de geestelijke wereld, die inwerkt en niet alleen sfeer zes. Daardoor blijft het geheel in mijzelf gehandhaafd en zal ik altijd het totaal van mijn wezen, voor zover dit op aarde bewust mogelijk is, uitdrukken. Ik zal het geheel van mijn ervaren, kennen en bewustzijn kunnen uitdrukken in de sfeer, die mijn ogenblikkelijke wereld is.

Dit erkennen van die eenheid is voor de esoterie wel belangrijk. Soms weigeren wij die eenheid te erkennen. Wij zijn bv. bang. Niet werkelijk bang, maar bang voor een denkbeeld.

Om u een eenvoudig voorbeeld te geven. Wanneer iemand mij een mes voor ogen houdt en zegt; “Ik ga je steken”, dan is dat op zichzelf geen reden om zo buitengewoon angstig te zijn. Maar zelfs mensen die niet bang voor de dood zijn, worden voor dat mes bang. Weet u waarom? Niet voor de wond en de ogenblikkelijke pijn, die is te dragen, maar voor de angst dat ze zal voortduren, dat ze hun ledematen zullen verliezen, dat ze voor altijd ongelukkig zullen worden. D.w.z. men vreest voor consequenties, die niet noodzakelijkerwijze aan het mes verbonden zijn.

En zo gaat het bij ons ook. Wij gaan alles in delen splitsen, en dan komt er een deel van die wereld, van die kosmos of van die invloed op ons af en wie menen dat het ons kwaad kan doen, omdat wij het zien in tegenstelling tot de rest. Wij vluchten weg; maar dan wordt onze wereld onevenwichtig, onze erkenning van de kosmos valt weg. Erkennen wij echter voor alle verschijnselen onverschillig of ze licht of duister zijn steeds een bron en durven we bij wijze van spreken tot de duivel zeggen: “Ook gij zijt uit God geboren”, dan kunnen wij met al die krachten klaarkomen, dan kunnen wij met alle verschijnselen afrekenen en groeien wie verder.

Op het ogenblik dat zo’n angst optreedt, moeten wij dan ook beseffen, dat wie een soort beproeving men noemt dat in gangbare termen wel “een van de poorten der inwijding” moeten ondergaan. Wij moeten de eenheid blijven beseffen. Op het ogenblik dat wij tegen onszelf verdeeld raken, grijpt de angst ons aan, en deze kan ons terugdrijven, niet alleen van de bereiking, maar ons voor het verdere bestaan binden, tot we haar tenslotte toch meester worden. Angst, zeker voor innerlijke krachten en belevingen, heeft geen zin.

Evenmin heeft het zin om een bepaald aspect van het Goddelijke in jezelf hoger te waarderen dan de rest. U kunt zeggen: Een bepaald licht maakt mij gelukkig. Ik heb wit licht in mij en nu voel ik mij vitaal en krachtig. Ik heb het gele licht in mij; en nu voel ik mij a.h.w. gekoesterd in een milde zon. Ik heb blauw licht, er is rust in mij en wijsheid. U kunt dit alles zeggen en het kan waar zijn. Maar op het ogenblik dat u zegt: Wit licht is beter dan blauw licht, schept u een onderscheid. U gaat God a.h.w. verdelen; u gaat hogere invloeden en sferen tegenover elkander stellen en er komt een element van verwerping en vrees. Waar dit element optreedt, zult u de innerlijke kracht niet geheel kunnen benutten en nooit tot volle bereiking komen.

Uit het geheel kunt u dan wel de conclusie trekken; Alle ware esoterische bewustwording is gebaseerd op een reëel besef van het eigen “ik” in eigen wereld, op een erkenning van eenheid van alle krachten, die zich uit andere werelden of sferen in het “ik” manifesteren en een aanvaarding zowel van eigen wezen als van de krachten, die zich daarin uiten als een geheel.

Het besef het brandpunt te zijn, waarbinnen voor het “ik” alle krachten komen tot eenheid en harmonie geleid binnen dit “ik”, maakt het mogelijk bewust deel uit te maken van de kosmos, eigen functie en taak daarin te beseffen en het geheel van de kosmos a.h.w. in jezelf mee te dragen. En dat is, naar ik meen, toch wel een van de belangrijkste fasen van de esoterische bewustwording.

  • Heb ik het goed begrepen dat de consequenties van wat u zegt, dat elke ervaring gelijkwaardig is?

Inderdaad. Tenzij ik zelf een onderscheid maak. In de praktijk komt het dus hierop neer, dat de mens, gepreconditioneerd om onderscheid te maken, in zichzelf bepaalde ervaringen bij voorkeur zal ontwijken. Wanneer ze echter onvermijdelijk zijn, dient hij zich te realiseren dat ze juist omdat ze niet bewust worden veroorzaakt gelijkwaardig zijn aan alle andere ervaringen en kan hij zo het evenwicht behouden en bereiken, dat anders ongetwijfeld – zelfs door dwang van buiten – verstoord wordt.

  • Geldt dit dus ook voor de minder goede eigenschappen?

“Minder goede eigenschap” is een uitdrukking die u gebruikt aan de hand van uw denkbeeld. Maar als u even nadenkt in de meer abstract filosofische zin, dan zult u toch moeten toegeven dat God niets kan scheppen, dat niet goed is en dus als zodanig elk verschil dat gemaakt wordt, niet de werkelijkheid betreft, maar alleen uw eigen instelling daartegenover. Dan zijn er dus geen minder goede eigenschappen in kosmische zin.

Vrienden, ik dank u voor de aandacht en hoop dat in dit onderwerp hier en daar voor u iets is, waarmee u iets kunt doen. Esoterie begint immers pas werkelijk waarde te krijgen, als ze bestaat uit een praktijk, voortvloeiend uit een theorie en niet een theorie is, die men ondanks de praktijk blijft handhaven.

U hebt in het eerste gedeelte een lezing gehoord over de meer praktische achtergronden en mogelijkheden van de esoterie. Daar bij is aangesneden de kwestie van het licht. Tenzij u andere wensen hebt, lijkt het mij goed op dit licht nog een ogenblik voort te borduren.

Wanneer wij denken aan licht en aan lichtende kracht, zo zijn wij geneigd ons deze lichtende kracht buiten het “ik” voor te stellen. Maar eigenlijk is dit niet juist. wat buiten ons bestaat is in feite de totale kosmos; d.w.z., het diepste duister en het hoogste licht zijn rond ons. Alleen wat in ons is, wat wij in onszelve toelaten of erkennen, is voor ons bruikbaar, is voor ons te realiseren.

Nu heeft de doorsneemens behoefte aan licht, omdat hij angst heeft voor duister. “Duister is voor hem gelijk aan het Niets”, zou onze voorganger hebben opgemerkt. En het Niets betekent voor hem de uitblussing van zijn eigen wezen; daarom zoekt hij licht. Maar waar dus de betekenis, die wij aan de invloeden rond ons geven, afhankelijk is van onszelf, is licht niet iets absoluuts. Het is slechts onze erkenning van het Zijn, van het leven zelf. En zo min als het leven zelf geheel omschrijfbaar is en geheel uit te drukken, zo min is de bron van alle licht voor ons volledig kenbaar of uit te drukken. Daarom spreken wij van het kleurloze, van het onbekende, van het verborgene.

Dit licht leeft in ons allen. En uit dit licht kunnen de verschijnselen van het leven voortkomen, die tevens voor ons worden de kleuren, de nuances, waarin het licht zich aan ons openbaart. Wanneer ik mistroostig en moedeloos ben, zo zal mijn wereld mij duister toeschijnen. Maar kan ik in mijzelf nu een contact vinden met positieve krachten, dan ontstaat het licht, en het licht, dat in mij is, verdrijft het duister buiten mij. Daarom heb ik nimmer het recht om het licht, dat in mij leeft, te verbergen. Zei niet uw Jezus: “Gij zult uw licht niet onder de korenmaat stellen”.

Het licht, dat in je leeft, word je gegeven om het in je wereld te gebruiken, om in de wereld de reactie en de reflex te vinden, die de innerlijke waarde bevestigen. Stel nu dat u het verblindende licht aanschouwt. Het verblindende licht is een ordening, waaraan ge uzelf niet kunt aanpassen. Het is een zo volledige eenheid en harmonie, dat uw eigen wezen zich daarin niet kan oriënteren. Verblindend licht is voor ons verdoving, omdat ons wezen niet in staat is het te verdragen. Toch is dit verblindende licht slechts een verschijnsel, een uiting van de werkelijk levende kracht. En als ge het hierin met mij eens zijt, kunnen wij ons gaan afvragen, waarom voor ons een bepaalde kleur zo belangrijk is.

Sommigen van ons leven gaarne met een innerlijke glans van goud. Anderen kennen het mystieke purper, het violet, of dragen in zich de koele ijlheid van het maanlichtachtig blauw, waarbij het verstandelijk begrip en de wijsheid zo gemakkelijk een vorm kunnen vinden voor alle leven. Sommigen voelen in zich – al zullen zij het vaak verbergen – de kolkende gloed van rood; de behoef te om moedig de buitenwereld tegemoet te treden en met die wereld een band te vinden, zij het door strijd of op andere wijze. Weer anderen kennen in zich slechts de somberheid van rood, dat een voortdurend gebonden zijn is aan alles, wat rond hen bestaat.

Maar licht is het voor een ieder, en ook voor ieders leven. Het is dwaas te ontkennen, dat elke mens een eigen kleur licht heeft, zelfs als wij de oude concepten van zeven geheiligde stralen in verschillende kleuren zouden willen verwerpen.

Wanneer ik leef uit het mystieke licht, het vreemde violet, dat in zijn hoge trilling zich bijna onttrekt aan het menselijk kennen, dan pulseert er diep in mijn wezen een kracht, die nimmer te omschrijven is en uit dit “ik” de wonderlijkste mogelijkheden doet ontstaan. Zo hoog, zo scherp is die trilling, dat zij alle stoffelijke concepten overwint. Zij geeft de wereld een andere gestalte, ze onttrekt u aan de wetten van de wereld, ze doet u inzicht gewinnen in dingen die ver, ver van u af zijn. Maar eerst wanneer ge terugkeert tot een lagere kleur of trilling, bv. tot het blauw, zult ge in staat zijn verstandelijk daarvan iets te omschrijven. Zo kunt gij in mystiek “beleven” nimmer volledig “weten” zoeken. En als uw weg een mystieke is, dan gaat het om dit pulseren in mij, dit openbreken van de afgronden van het eigen “ik”, waarin de vreemde vibratie van de oneindigheid steeds weerklinkt en weergalmt als een echo in een kelder. Dat is dan deel van jouw wezen en als ge u daaraan onttrekt zijt ge slechts dwaas. Is uw richting het weten, het denken, de filosofie, de wetenschap, bouw dan van daar uit.

Waarom zou iemand, die in het ijlblauwe licht leeft en daaruit zijn krachten puurt voor eigen wezen, uitgrijpen naar het gulle goud van de dag, dat hem slechts verblind doet zitten als een nachtvogel, getroffen door de te felle zon, niet in staat om zich nog te roeren. Wij hebben onze eigen kleur, wij hebben onze eigen vibratie of trilling, die tot ons innerlijk spreekt en die van uit ons innerlijk de grote mogelijkheden realiseert.

Wij hebben een bepaalde bestemming. Men leeft niet op aarde om willekeurig dingen te doen; men leeft op aarde om een taak te vervullen. En wanneer ge een verkeerde kleur licht zoekt, wanneer uw licht het trillend violet is van de diepe mystieke beleving en gij grijpt naar het harde rood van het zuiver materieel bestaan, dan zal er steeds weer iets in u breken, totdat het violet begint te gloren, totdat gij alle andere kleuren terloops strelend voortgaat en weer terugkeert tot de bron van uw zijn.

Alle licht is gelijk, en rond ons is alle licht. maar wat in ons leeft, vrienden, dat is onze band met het Oneindige. En die band is niet alleen maar uit te drukken als een goddelijke eigenschap. Het is ónze eigenschap en ons wezen. Het is het antwoord van onze ziel, van onze geest op dat, wat rond ons bestaat.

Misschien hebt ge als kind wel eens geschouwd door verschillend gekleurde glazen en gezien hoe het landschap veranderde. Hoe dat, wat door het heldere glas nog duidelijk kenbaar was, door het goudgele glas een vreemde gloed kreeg, en door het violette plotseling nachtelijk duister en soms zelfs spookachtig leek.

Zo zien wij allen onze werelden verschillend, want het licht, waaruit wij leven, bepaalt het beeld, dat de wereld voor ons heeft. Het beeld is voor ons normaal. Er bestaat geen gemeenschappelijk licht of geen gemeenschappelijk wereldbeeld.

Want ons bewustzijn kan het werkelijke licht dat onbekend en kleurloos is niet omvatten. Hiervan moet je uitgaan. Altijd weer wanneer u het beleeft, moet u zich niet afvragen, of een ander deze kleur misschien kent. En als u werkt met twee of meer kleuren, dan moet u zich afvragen, welke van die kleuren eigenlijk voor u de juiste is. Alleen wanneer men de juiste kleur gevonden heeft, wanneer men voor zichzelf de juiste vibratie heeft gevonden, zal men immers de waarheid van het Goddelijke rond zich ervaren.

De kleuren van licht kunnen ook gebruikt worden als bron van kracht. Ik wil ook hier een vergelijking maken. Stel u voor, dat een bepaald licht voor u is als een krachtvoedsel, dat u in staat stelt het veelvuldige te presteren van wat ge normaal doet. Dan zijn alle andere kleuren voor u slechts de middelen (elektriciteit, benzine, gas, steenkool), waarmee ge een bepaalde machine (een motor) in werking kunt stellen. Misschien zelfs een dier. Maar die krachten zijn voor u niet werkelijk, ze zijn geen deel van uzelf. Ge kunt werken met elk licht. Ge kunt uit elk licht krachten dirigeren naar de buitenwereld, zolang ge in uzelf harmonisch genoeg kunt zijn met de levende krachten. Maar ge kunt nimmer een kleur of een kracht beleven, behalve die ene, welke uw eigen kracht is.

Ik weet, dat sommige mensen een bepaalde voorstelling hebben van de kleuren. Als we dan spreken over het gouden licht, de gouden glans, dan menen zij; hier is het hoogste, het aller lichtste. Maar dat is waan. Hoe kan het gouden licht, dat slechts een middelpunt van de uitersten van geestelijk en stoffelijk ervaren is, het hoogste licht zijn? Het gouden licht is alomvattend, dat is waar, voor uw wereld tenminste. Maar het gouden licht is geen kracht, die nu alles in orde kan maken en waaraan je al het andere kunt opofferen; en zeker is het niet de enige of de hoogste weg.

Wie leeft uit een kleur of uit een kracht, zal voor zichzelf erkennen dat dit een ritme van leven betekent. De manier waarop u zich beweegt, de wijze waarop je denkt, de manier waarop u anderen tegemoet treedt, de verlangens, diep in jezelf en de gedachten wanneer ge de wereld waarneemt, zij alle kennen een bepaald ritme, één bepaalde karakteristiek. Dat is het ritme van het licht, dat de vibrerende kracht van uw eigen leven is.

U kunt dan trachten dit te veranderen. Maar dat is u onmogelijk. Ge kunt trachten uw kwikzilverige beweeglijkheid om te zetten in de gezapige rust, maar ge lijdt er zelf onder en de werkelijke rust kunt ge nimmer bereiken en slechts zelden aan anderen voorgoochelen. Erken daarom uw eigen levensritme en weet dat dit ritme zijn weerklank vindt in duizend-en-een kleine dingen van uw wereld.

Een woord en een gedachte hebben eveneens een ritme. Zij spreken tot u, ook zij wekken een echo, een begrip. En wat voor de één werkelijk licht en aanvaarding betekent, omdat het zíjn licht is, is voor de ander een flauwe schemering of een onbelangrijke flits van voorbijgaande gedachten, die hij snel weer vergeet. Een lied, een melodie, een gebaar, een schilderstuk, een lijn, een tekening van wolken aan de hemel, zij hebben het ritme, dat door sommigen erkend wordt.

Een ieder droomt op zijn eigen wijze. Zelfs de mens, die in zichzelf verdeeld is, innerlijk verscheurd wordt en de z.g. werkelijkheid ontvlucht, kent nog dit ritme. Het ritme positief beleven wil zeggen: werkelijk kracht kennen en werkelijk leven. Het ritme ontkennen, het teniet doen en tegenstreven betekent ondanks alle uiterlijke schijn van succes, innerlijk mislukken, d.w.z. innerlijk ongelukkig zijn.

Er zijn onnoemelijk veel krachten in het Al, die een eigen vorm, een eigen kracht bezitten en gestalte zijnde zich op uw wereld manifesteren. Er zijn goden en demonen; er zijn de geesten van hen, die aardgebonden zijn; en er zijn krachten van licht, die soms vanuit een kosmisch of een onbekende wereld voor een kort ogenblik de uwe beroeren. En elk van hen heeft, precies zoals gij, zijn eigen kleur en daardoor zijn eigen betekenis.

Wanneer een leraar spreekt, dan spreekt hij tot hen, die deel zijn van zijn weg en van zijn inwijding en niet tot de anderen. Wanneer hij spreekt over God, dan spreekt hij over zijn aanvaarding van God en zíjn trilling. Het magisch geteld van wonderen is gericht op allen, die dezelfde kracht en kleur hebben; en die deze niet bezitten, kan hij niet beroeren, kan hij niet benaderen. Geen mens op deze wereld en geen grote leraar kon wonderen doen aan iedere mens. Hij kon het slechts doen aan hen, die deel waren van zijn golf, van zijn kleur, van zijn ritme. Onthoud dat!

U hebt een bepaald deel van de wereld, dat bij u past. Ergens is iets, wat in harmonie is met uw wezen, dat is belangrijk. Want daarin liggen resultaten, daarin ligt bewustwording, daar is gezamenlijk streven mogelijk, daar zijn vreugde en leed begrijpelijke waarden geworden. Maar waar geen gelijk ritme is, waar de kleur een andere is kunt ge elkander ternauwernood verstaan. En dan moogt ge elkander liefhebben en aanbidden, ge moogt elkander verheerlijken, eren en dienen, maar ge zult elkander nimmer volledig bereiken. Er is een verschil in kleur en gij kunt uzelf niet maken tot het evenbeeld van de ander. De ander kan u niet maken tot het beeld van zichzelf. Weten dat het zo is, betekent in de wereld juister en meer in waarheid leven. Want wanneer je beseft, dat je, al is het maar één op de zeven mensen werkelijk zult kunnen helpen, bereiken en beroeren, ga je ook begrijpen dat er anderen zijn, die je niet zult kunnen helpen, ondanks alles. En dit begrip alleen bespaart je veel leed. Dit bespaart je het gevoel tekort te schieten. Op den duur leer je als je wat bewuster wordt om alle krachten van licht te hanteren. Je hanteert de krachten van het witte licht, ja, zelfs van het verblindende licht even gemakkelijk als de rode gloed van de materie en het violet, waarin de verborgen geestelijke beleving werkelijkheid gaat worden. Maar nog blijf je gebonden aan een kleur.

Ik kan, vele trillingen wekken en ik ken vele soorten van licht en kracht en varianten ervan, waarvan gij op aarde niet zult kunnen dromen. Maar ik ben en ik blijf een wezen van een bepaalde weg, van een bepaald ritme en een bepaalde kleur. En alleen indien ik dit werkelijk voor mijzelf aanvaard en weet, kan ik voortgaan. Misschien zal het u duidelijk worden, wanneer ik tracht u eens te laten zien wat het verschil is, als ik spreek over iets, dat ik ken, maar dat geen deel van mij is, al ken ik het nog zo goed. Maar spreek ik over iets, dat uit mijzelf voortkomt al zal het misschien niet in overeenstemming zijn met uw wezen, met uw besef dan geloof ik wel degelijk dat u het verschil zult zien in werking, in ritme en sfeer.

Wanneer ik ga spreken over God en ik zeg:

God is. En God is werkelijkheid, God heeft Zich op de wereld geopenbaard. Hij heeft het licht uit Zich voortbrengende, de mens het licht van de geest geschonken en zijn weg te vinden.

God leeft in alle dingen. En Hij zal eens komen om een oordeel te vellen, om licht en duister te scheiden en na deze scheiding weer saam te voegen tot het geheel, dat is het einde van alle tijden.”

 Wanneer ik dit zeg, dan spreek ik waar, want ik weet dat het zo is, Maar hoe, kan ik het leven, wanneer het geen deel is van mijn wezen, kan het niet leven in mij. Maar wanneer ik zeg:

Yggdrasil heeft zijn wortels in de hel en in de aarde en in zijn leven schuilt de mensheid.

Maar hemel en aarde naderen elkander en sterker worden de wortels, driftiger de sappen, maar ook forser de stam.”

Dan spreek ik over iets, dat dichter bij mijn wezen ligt. En zeg ik:

“Wanneer Al lichtend bewustzijn in Brahma is geworden tot erkennen van eeuwige waarheid, wanneer Al verbleekt buiten de Bewuste en terugvliedt in Brahmans kracht al wat was, wanneer Atman, de Omvattende, in de laatste vonk van het bewuste licht zijn adem stort, dan is herboren schepping, kracht en sfeer. Hernieuwd zijn alle tijden. Dan leeft de werkelijkheid, waarvan ik deel ben. En zo ik deel ben van deze werkelijkheid, ik zal doel zijn  van de kracht, die tot Brahman vliedt. En ik zal Brahma zijn en herscheppen het goede en het lichte dat in mij leeft, tot Atmans wezen weer geopenbaard, hernieuwd de volheid kent van al het geschapene”.

 Dan spreek ik mijn wezen. Er ligt een verschil in, onbelangrijk misschien. Een verschil dat ligt in termen, die ik gebruik, in mijn innerlijke band daarmede, Wanneer ik wil zegenen, wanneer ik licht wil oproepen en ik kan spreken uit dat wat ik ben; ik kan mijn hele wezen, mijn eigen denken en alles laten samensmelten tot een begrip van eenheid, dan is er een kracht, die aan het Goddelijke gelijk is. Maar zo ik slechts spreken moet volgens mensen of begrippen, wanneer ik moet spreken het ritme dat buiten mij leeft en goed geheten wordt, dan kan ik ternauwernood een vonk slaan en is mijn licht geen zon, die gloeit maar een rokende flambouw, die ternauwernood het duister verdrijft. En dit te weten, is belangrijk.

Want zoals ik uit mijn weten en wezen, uit wat ik ben, iets bereiken kan, zoals ik leven kan in die kracht van het Goddelijke, die voor mij reëel is, zo kunt ook gij leven uit dat, wat voor u werkelijk is, indien ge die werkelijkheid erkent. Weet wat het licht is, dat je roert, weet wat het ritme is, dat je wezen beweegt door de kosmos. Dan weet je ook wat jouw pad van inwijding en van bewustwording is. Dan heb je het pad gevonden van de esotericus, die in het licht zelf zich vindende boven zichzelf uitrijzende één wordt met de kosmos, maar speelt ge van kleur tot kleur en van licht tot licht, ge zult nimmer verder komen. Ge zult slechts ideeën en ervaringen scheppen in strijd met uw wezen, in strijd met uw “ik” en ge zult krachten scheppen, die ge weer moet overwinnen, voordat ge kunt verdergaan.

Ik wilde dat ik u het licht kon tonen zoals het is, al is het maar mijn licht. Maar, het licht dat rond u is, kan ik u zelfs niet tonen. Wat in mij leeft, dat is mijn wezen, mijn ritme van zijn. Maar ik kan u in ieder geval zeggen, dat het nodig is om uzelf te zijn. Men heeft u gezegd: Wees vrij, wees uzelf. Wees voor uzelf verantwoordelijk. Draag aansprakelijkheid voor wat ge zijt. Ge hebt het duizendmaal geïnterpreteerd, maar slechts zelf hebt ge het beseft.

Wij zijn wil zeggen: de kracht te leven, die ín je is, d.w.z.; in je dragen het licht, dat jouw licht is en jouw kracht en jouw wezen; d.w.z. in jezelf kennen de band met het Oneindige, die de jouwe is, die jouw wezen kracht en harmonie geeft, die je wereld voor jou aanvaardbaar maakt, die voor jou een inzicht schept in al, wat in je leeft. Een begrip voor wat je betekent voor al wat rond je is.

Ik kan u geen inzicht geven in licht. Ik kan u iets met woorden schetsen en zelfs dat is onvolkomen. Maar misschien hebt ge nu begrepen waarom sommigen van u dat contact met de werkelijkheid, dat zij zoeken, niet kunnen vinden. Dan moet ge nadenken en zeggen: wat is hetgeen, dat werkelijk in mij leeft en klopt? Is het wel het licht dat ik zoek. Is er in mij niet een ander ritme, dat sterker spreekt, dat sterker leeft, dat oneindiger is en dat van elk ogenblik een oneindigheid kan maken, omdat het zo vol is van wat ik ben, zo gevuld met werkelijk onbestemde, onbegrensde krachten?

Dit, vrienden, kan een verklaring zijn voor veel, heel veel, wat bij u misschien niet goed lukt. Ge zult u vastketenen aan de gebruiken van mensen, ge zult u gebonden zien aan de verplichtingen, die met de menselijke maatschappij samengaan en ge meent misschien dat daarin de mislukking is gelegen. Wees voorzichtig, want uw straal, Uw licht, leeft in de totale mensheid, zo goed als gij. En omdat zij sterk genoeg is daarin, kunt ge binnen de mensheid en haar normen uw plaats vinden. Ge kunt uw doel en uw bestemming vinden. Ge behoeft niet buiten het geheel te staan. Vergeef mij, als ik hierover zo nadrukkelijk spreek.

Er blijft mij niet zo veel meer over om te zeggen, maar toch zou ik u graag nog een beeld willen bouwen. Een klein beeld van wat werkelijk is. Er is een kind, pasgeboren in de schepping; voor het eerst ontwaakt tot het erkennen van de lichtende krachten. Het aanschouwt met ingehouden adem een regenboog en zegt; “Hoe schoon zijn deze kleuren”.

Er is een jonge mens, die uitgaat in het leven en hij heeft gekozen drie, vier kleuren, ze krampachtig met elkaar vervlochten tot een kleurige guirlande, die hij tracht te slingeren rond zich, makend zich de waarden van het leven. Dan komt de volwassene; en hij kiest zich vaak twee kleuren: de kleur van zijn wezen en de tegenstelling, die hij eert. En hij tracht de tegenstelling te leven en hij beleeft zichzelf niet. En dan komt de wijze. Hij erkent alle kleuren. Maar hij is een kleur te midden van de vele; deel van de regenboog en niet beschouwer; niet vlechter van licht, maar licht dat door de oneindigheid gevlochten wordt.

En hierin ligt de zin van het leven. Wij groeien. Wij groeien van de veelheid en het onbepaalde steeds sterker naar de ordering, naar onze eigen stelling, onze eigen band met het Eeuwige. Naarmate wij meer achter ons laten, worden wij intenser onszelf. Maar slechts wie zichzelf is, kan werkelijk samengaan met anderen.

Der kosmos harmonie wordt uit der helden kracht geboren,

En het licht, dat als een bliksemflits het wapen,

dat zich voren ploegt in haard en woud,

het is het vloeibaar goud

uit het versmelten van de kleuren saam gekomen.

Dan ontstaat daar, waar het Niet is,

uit de schijn van dromen de gouden stad.

De tempelstad, waarin de waarheid leeft.

waarin de Eeuwige kleuren samenweeft

en elkeen toch in eigen zijn en waarlijk mag bestaan.

Dit is het oord waar helden gaan,

als zij in strijd gevallen,

vazallen waren van de God,

Die was hun kracht.

0-0-0-0-0-0-0-0

Meditatie

Verandering 

Kan er verandering zijn? Of is er slechts het ontwaken van je eigen denken, dat opeens het nieuwe ziet, waaraan het zo lang voorbij is gegaan? Is er werkelijk een verandering; een plotseling springen van waarden, een plotseling inslaan van een andere richting? Of ontdekken wij soms iets, wat geleidelijk in de groei van de dingen gebeurt?

Ik geloof, dat wij verandering niet moeten zien als een plotseling gebeuren. Er is niets, dat opeens verandert. Alles groeit verder, in zijn eigen vorm, ook op zijn eigen manier en alles vervult zijn eigen bestemming. Maar wij zien er plotseling iets anders in. Je zou kunnen zeggen: de verandering is gelegen in de manier, waarop ons standpunt tegenover dat, wat bestaat zich wijzigt. En wanneer dat standpunt zich wijzigt, dan gaan wie ook proberen er wat anders van te maken.

De wereld zelf is onaantastbaar. We kunnen aan die wereld niet zoveel veranderen als wij wel denken. Een beperkte mogelijkheid en een beperkte vrije wil hebben wij wel; maar de grote lijnen zijn toch allemaal getekend, die liggen kosmisch vast en zijn al vastgesteld op het ogenblik, dat er nog geen sprake was van een Melkwegstelsel, laat staan van een aarde.

Wij gaan daarop onze reactie geven. De manier, waarop ik reageer, is bepalend voor de verandering die ik aanvaard, de verandering die ik onderga. De manier, waarop ik reageer, is ook aansprakelijk voor de strijd, die ik soms voer met de rond mij veranderende waarden. En daarom geloof ik dat wij verandering het best kunnen omschrijven, als wij zeggen: Ik verander en voortdurend. En dat, wat eens aanvaardbaar was of wat ik niet heb gezien, wordt plotseling zo groot dat het heel mijn blik in beslag neemt. Dan zeg ik: God is veranderd, of; de mens is veranderd, de wereld is veranderd. Maar ik zie alleen anders. En dan gebeurt het vreemde; omdat ik andere dingen zie en andere waarden erken en veronderstel, ga ik mij fel te weerstellen tegen al, wat voor mij niet meer aanvaardbaar is. Of was het er vroeger ook?

Soms doet zo’n mens mij denken aan een boer, die niet gewied hebbende toen het onkruid jong was zich plotseling en wanhopig verweert tegen hetzelfde onkruid, wanneer dat het gewaardeerde gewas gaat overwoekeren.

En dan doen wij een beroep op God en iedereen. Dan spreken wij over het onrecht ons door de verandering aangedaan. Of in andere gevallen, wanneer toevallig het gewas van het onkruid heeft gewonnen, over de onverdiende zegen, die ons ten deel valt. Maar is het eigenlijk niet altijd weer ons eigen wezen?

Verandering, dat is de manier waarop je leeft, je manier van beleven wijzigt. Maar als je zelf vrede kunt hebben met wat zich wijzigt, als je je eigen oplossing daarvoor kunt zoeken, dan kan geen tijd veranderen zo fel en zo scherp, of je vindt er je weg, je plaats en je geluk.

Maar wanneer je terug hunkert naar een toestand van het verleden, waarin je sommige dingen niet zag en andere belangrijk achtte, zul je nooit passen in die wereld, en omdat je mee moet in de kosmische verandering desnoods ten ondergaan aan alles, wat je eens zo aanvaardbaar vond. ’t Is God, Die de verandering brengt. En roep niet uit: “Het is Aquarius, die in deze tijd zoveel verandering op aarde baart”, maar zeg: Wij, wij mensen, ik mens, ik voel in mijzelf verandering, ik zie de dingen anders, mijn verlangens worden anders en sterker, mijn teleurstelling groeit, mijn begrip voor wat ik bezit wordt minder. Ik leef niet meer in waarheid zoals eens. Ik heb een nieuwe waarheid geschapen. Ik kan niet van de wereld verwachten, dat zij zich daarbij aanpast. Ik zal voor mijzelf een aanpassing moeten vinden aan die wereld. Ik zal in die wereld datgene moeten zoeken, wat past bij mij, zoals ik nu ben.

Dat klinkt hard en wreed. Maar bedenk een ding wel; God schiep. En met een flits van gedachte was een volmaakte oneindigheid geschapen. Geen verandering en geen tijd, geen ruimtelijke verschillen hebben ooit die waarde aangetast. De eeuwigheid is en blijft zichzelf.

Wij dolen door deze oneindigheid en hebben zelf daarin reeds een plaats. Maar wij zenden onze gedachten en ons ervaren uit van wereld tot wereld, van tijd tot tijd, van plaats tot plaats en beleving tot beleving. Wij, die verandering brengen, mogen God geen verwijt maken van onze dooltochten. En wij, die onze plaats hebben maar het nog niet beseffen, mogen niet trachten om het Goddelijke te wijzigen, wij moeten trachten onszelf aan te passen. Want alleen wanneer wij bewust, eerlijk en oprecht maar dan ook met inzet van heel ons wezen en al onze kracht proberen datgene tot stand te brengen, wat voor ons nu noodzakelijk goed en waar is en nimmer de wereld verwijten dat ze niet antwoordt, maar verder zoeken tot we onze plaats, onze bestemming hebben gevonden, onafhankelijk van droom en verlangen, zullen wij kunnen zeggen: Wij zijn één met God. Voor ons is er geen verandering meer.

Laat de onbewuste in de verandering gejaagd worden door al wat hij vreest. Laat hij al wat hij begeert najagen en nimmer bereiken, het is onbelangrijk. maar de bewuste, die beseft: ik stel de waarden; het is mijn bewustzijn dat doolt in de werkelijkheid, die ik niet kan veranderen, die zal voor zich vinden de juiste aanpassing, de laatste verandering a.h.w., waardoor het leven zijn zin krijgt, zijn blijvende, vaste inhoud.

Dan zeg je niet meer; “Ik streef voor hen, die na mij komen”, of, “Ik vervul wat het voorgeslacht mij heeft gebracht.” Dan zeg ik niet meer; “God geef mij kinderen”, of, “God laat mij sterven.” Dan zeg ik slechts: “Och, met wat ik ben en heb, zoek ik de aanpassing en deze gevonden hebbende, heb ik een eeuwig doel en een eeuwige kracht, sterker dan al het andere.

Ik ben ervan bewust, dat ik met deze overweging misschien wat ongunstig afsteek bij mijn voorgangers, maar het is een feit en een waarheid. Probeer er niet aan te ontkomen. Zoek niet met je verlangens de wereld te veranderen, zodat die andere wereld tot je spreekt, of deze wereld geeft wat je hebben wilt. Verander jezelf, dat is het enige, dat je veranderen kunt.

Verander jezelf goed, en je zult ontdekken dat het gehele zijn een kosmisch geheel is, een harmonie van onvergelijkelijke schoonheid vol rechtvaardigheid en wij van alle kleinzieligheid, die ons juist in de ervaring, welke wij verandering noemen, voortdurend weer tot verzet brengt tegen alles in het Al.

Ik hoop dat u nu begrijpt waarom u opstandig bent, Ik neem niet aan, dat de opstandigheid daarmede verdwijnt, dat is wat anders. Ik hoop dat u, voor uzelf mediterende, eens zult zeggen; wat is er in mij, dat in de wereld, zoals ze nu is, ik een antwoord kan vinden. In plaats van te zeggen: Zo ben ik en waarom geeft de wereld nu geen antwoord!

Wanneer je zover komt met je meditatie, dan heb je een stap in de goede richting gezet en kan ik niet anders zeggen dan: U hebt een gelukkig begin gemaakt en u zult tenslotte waarschijnlijk daaruit vrede en het werkelijk geluk puren.

image_pdf