Bepaalde levensbeschouwingen

uit de cursus ‘Denkers van de mensheid’ 1955-1956

Bij het beschouwen van de Griekse wijsgeren hebben wij denkwijzen die meer uit het Oosten komen wat verwaarloosd. Toch zijn sommige van die denkrichtingen en degenen, die ze hebben gebracht, belangrijk, omdat juist daaruit zekere esoterische beschouwingen zijn voortgevloeid die ook in deze tijd nog in geheime groeperingen en loges worden verkondigd en beleden.

Wij moeten dan nog even teruggaan naar Zarathustra, die de Zoroaster-dienst bracht en als hoofddenkbeeld stelde: “Twee zijn de krachten van het Al: het licht en het duister. Zij zijn in voortdurende worsteling gebonden, maar het licht, zegepralend, is de kracht, die ons kan voeren tot bereiking en volmaking. Het is begrijpelijk dat deze leer in de loop der tijd navolgers heeft gevonden.

Eigenaardig genoeg vinden wij in verband met twee grote denkrichtingen, die in het westen lange tijd hebben voortbestaan, nl. het Rooms‑Katholicisme zowel als de Vrijmetselarij, de profeet Manes. Manes is de stichter van de groep der Manicheeërs en als zodanig bracht hij leerstellingen van zeer pessimistische aard. Het is ons niet gegeven om lange tijd te blijven stilstaan bij al zijn leerstellingen.

Ik bepaal mij dus tot enkele fragmenten, die de hoofdgedachte weergeven. “Licht en Duister zijn in strijd gebonden. Nooit wordt deze strijd opgelost. Altijd zullen wij, schepselen, heen en weer worden geslingerd door de beide grote machten, die vechten om de suprematie. Eerst wanneer aan het einde van alle dingen het Licht zal zegevieren, is er ook voor ons een bevrijding te verwachten.”

U ziet, de gedachtegang van Zarathustra in het pessimistische doorgevoerd. Hij gaat verder: “Het is niet goed mensen op deze wereld te brengen, want het lot van de mens is lijden, daar de machtige strijd nog niet is voltooid. Daarom onthoude men zich van alle geslachtelijk verkeer, onthoude men zich van alle bezit. Hoe meer gij voortbrengt op de wereld, hoe meer gij verwerft op de wereld, des te zwaarder de slagen der strijdende machten u zullen treffen. Eert beide machten, want zij beiden beheersen uw leven.” Nu is het begrijpelijk, dat deze leerstellingen op den duur niet erg bevredigend zijn.

Er zijn verschillende figuren die hiervan kennisnemen en een tijdlang tot de sekte behoren. Een daarvan is de later als Augustinus beroemd geworden kerkvader. De ander is Isa ben Raïs, een joods‑Arabier, een halfbloed. Zij zoeken beiden het principe van Licht en Duister na. Beiden komen zij gelijk tot de conclusie dat deze pessimistische levensbeschouwing, die een voortdurende levensontkenning inhoudt, niet belangrijk genoeg is om een mens te binden. Zij vervult in hem niet datgene wat hij van het leven verwacht. Wij zien dan Isa teruggaan en zoeken in de oude leerstellingen der kabbalistiek, waar hij het principe Licht ‑ Duister sterker invoert dan dit daarin tevoren bestond. Wij leven nu al in de periode van ong. 300 jaar na Christus’ geboorte.

De strijd Licht ‑ Duister brengt volgens de denker Isa ben Raïs (die overigens niet zeer bekend is geworden) met zich mee dat wij het Licht kunnen bereiken. Hij drukt zich als volgt uit: “Het licht in de wereld is de kracht van onze Schepper en Heer. Wij, die leven in dit licht, hebben de taak terug te keren tot het duister van hen die nog leven, gebonden aan noodlot, gebonden aan machten, die zij niet begrijpen. Het is onze taak hen langzaam tot het licht te voeren, zelf steeds strevende het licht in ons te vermeerderen.” Hier is een mens aan het woord, die ‑ juist omdat hij zich bezighoudt met de joodse wet zowel als met de kabbala ‑ een systeem kan uitvinden, waarmee de kabbalistische uitleggingen het tweeledig principe van de schepping erkennen, zonder daarom de ene God te verloochenen. Dit zal later zeer belangrijk blijken.

 Laten wij nu een ogenblik naar zijn mede‑Manicheeër Augustinus schouwen. Deze wendt zich al gauw van het Manicheïsme af. Wij vinden hem terug als leerling bij verschillende Griekse filosofen en in Byzantium waar hij de bekende kwestie van “In hoc signo vinces” meemaakt. Hij is in die tijd zeer gevoelig om niet te zeggen bijgelovig. Als hij dan ook bij toeval een vroeg geschrift, waarin de Evangeliën gedeeltelijk zijn opgenomen, in handen krijgt en in een huis ernaast een kind hoort zingen: neem en lees, neem en lees, enz., dan is dit voor hem een omen, een machtig teken en hij vindt als gelovige in zich de kracht om te begrijpen. Het Evangelie wordt voor hem veelbetekenend. Maar wij mogen nooit zeggen dat Augustinus ‑ bijgelovig als hij misschien is ‑ een systeem ontwerpt, een gedachtereeks ontwikkelt, die niet aanvaardbaar is.

Want indien wij nagaan wat Augustinus de mensheid heeft nagelaten en wat hij in zijn tijd heeft gesproken, dan valt ons op dat hij niet alleen een gelovige is, maar bovenal ook een goed psycholoog. “Het kind wordt verteerd door jaloezie, omdat het de affectie van de moeder voor de zoogbroeder niet kan lijden en verstaan.” “De kinderziel is niet onbeschreven. Ook in haar is “vol leven” en zo is zij gebonden aan alle wetten die de menselijke geest moet ondergaan.” Augustinus kan niet aannemen, dat een kind ten hemel gaat, want hij heeft waargenomen hoe dat kind in zijn eigen kleine wereld reeds al datgene vertoont, wat ook de mens kent aan hartstochten, zij het dat de uiting anders is.

Augustinus denkt na over vele problemen en hij benadert de mensen op 1001 wijzen. Zijn eindconclusie is typisch voor de kerkvader: “Het is Gods genade die ons voert tot het licht ‑ ondanks onszelf ‑ en die de satan in ons overwint.” U moet niet denken dat het maar toevallig is. Ook hier weer de oude achtergrond: het probleem, dat eens de profeet Manes zijn Manicheeërs voorlegde, gesublimeerd in christelijke zin. Echter is de leer­stelling van Augustinus van een geaardheid, die praktische beginselen in het geloof toelaat. Ja, wat meer is, voorbereidselen treft voor eenieder die horen wil om christelijke politiek te bedrijven. Hij gelooft in een toegepast christendom, waarin vele middelen mogelijk zijn.

Een van zijn waardige volgelingen is de raadgever van de grote Karel, de keizer, die Europa tenslotte won voor het christendom: Alquin of Alquinus. Deze christen in hart en nieren blijft de leider van zijn keizer die hij suggereert dat hij wonderbaarlijke ervaringen en belevenissen doormaakt. Belevenissen die in legenden zijn vastgelegd. Hij leert hem hoe de christenheid overal te doen doordringen en alle­ heidense landen die hij overwint te kerstenen. Als Karel de hand is, dan mogen wij zeggen dat in de meeste gevallen Alquin de hersenen vormt, die deze hand bestuurt. Deze practicus strijdt ook tegen het duister. Niet alleen tegen het duister van het christendom, maar tegen de duistere praktijken van de slavernij en horigheid, ook in het rijk van Karel zelf. Dit is één van de redenen dat hij zijn invloed zo snel verliest.

Na dit voorbeeld van een verwerkelijking van Augustinus’ denkwijze te hebben gegeven, doen wij beter nog een ogenblik terug te gaan in de geschiedenis. De kabbalisten, waaronder lang niet alleen joden, hebben veel overgenomen van de leringen van Isa ben Raïs. Deze heeft a.h.w. een stempel gedrukt op de denkwijze van vooral veel reizende astrologen en wichelaars en hij is ook doorgedrongen tot bepaalde kabbalistische scholen binnen het jodendom. Zo worden de leerstellingen van Isa ben Raïs over Licht en Duister door heel Noord‑Afrika uitgedragen om tenslotte via Spanje binnen te treden in het dan reeds beschaafde Europa. Aan de andere kant zien wij hoe Augustinus’ toepassing van normale waarden in het christendom ertoe leidt dat de simpele eenvoud van geloof zonder meer bij velen plaats maakt voor een zoeken naar recht en waarheid; een zelf zoeken naar het christelijke. Er zijn dan ook vele schismatieke richtingen daaruit geboren. Wij vinden telkenmale weer kleinere en grotere groepen, die binnen het christendom trachten terug te keren tot de armoede, de ware gemeenschap, de kuisheid die Jezus kende met zijn leerlingen, zowel als hun vreugdig delen van leed en vreugd.

Hier vinden wij veel denkers, die de wereld heeft vergeten. Omdat het christendom dat zich voelde aangevallen in zijn machtspositie en rijkdommen, hen met al hun boekwerken verbrandde, hen vervolgde en hun naam heeft doen schrappen uit de geschriften, waarin zij misschien nog zouden voorkomen. Hun denkwijze is logisch. In deze logica gaat zij van mond tot mond verder en wordt de kern van bepaalde loges, maar evenzeer van bepaalde priester en ridderorden die in de tijd van de kruistochten bestaan.

“Het is noodzakelijk,” zo zeggen dezen, “dat wij in onszelf het verschil begrijpen tussen Licht en Duister, tussen goed en kwaad. Jezus, het volmaakte voorbeeld, toont ons dat het Duister is gelegen in het bezit, in de begeerte, in de haat en in de angst. Zo moeten wij ons deze dingen ontzeggen, verdedigend ons recht om te leven, maar verdedigend zonder haat en zonder vrees.” Dat hebben zij gedaan. Zij hebben zich verdedigd. En brandende dorpen en enkele burchten die tot de laatste steen werden vernietigd, zijn het bewijs geweest dat deze christenen moed hadden. Dat deze denkers niet alleen met woorden, maar ook met het zwaard wisten te vechten. Wij mogen niet begeren. Zo, indien een ander iets van ons begeert, zullen wij het schenken. Want ziet, indien wij zijn begeerte stillen, zo is het begeren van de wereld verminderd. En wij, die niet mogen begeren, kunnen geen rechten doen gelden op datgene, wat de wereld ons biedt. Ons heil is gelegen in de geest Gods die in ons woont, die ons leidt en bestuurt en in het Koninkrijk Gods dat het onze is.”

Het is begrijpelijk dat na het uitroeien van deze stellingen en van de ware gelovigen die gedachtegang voortgaat. Wij zullen tot diep in de middeleeuwen toe steeds weer kleine groepen mensen vinden die deze gedachte van de bezitloosheid en wensloosheid uitdragen, die kleine gemeenschappen vormen en hierin komen tot een gezamenlijk zoeken van geestelijke waarden.

Het begin van de loges (als ik ze zo mag noemen in die tijd) ligt reeds ong. 700 na Christus’ geboorte hoofdzakelijk in het zuiden van Frankrijk, maar evenzeer in Noord‑Italië. Een voortzetting van de oude groepen op andere stelregels gebaseerd vinden wij ook in Griekenland.

Ondertussen treedt Mohammed op. Mohammed, de kameeldrijver, die profeet wordt. Hij is een waar profeet. Want sprekend in symbolen, die men foutievelijk wel als waarheid wil zien, beschrijft hij de volheid van hemelse ervaring, van tochten door de geest, zowel als de grootheid van God. Hij bant het veelgodendom uit de Kaäba. Hij voedt het geloof. Maar helaas, soms ook het bijgeloof van zijn volgelingen en sticht een lering die actief is; anders actief dan het christendom. Het is dan ook geen wonder dat de Mufti Ali tot uitdrukking brengt: “Het is onze taak de wereld voor Allah te veroveren, want dit is zijn rijk. Niet wij hebben rechten, doch slechts Hij. In zijn naam, uitvoerend zijn wil, zullen wij ons verenigen, totdat wij de ongelovigen hebben bekeerd en het onrecht uit de wereld verdreven.”

Dit betekent dat in het Oosten de sterk groeiende islam een macht wordt die het Westen begint te bedreigen. Palestina wordt overspoeld en heroverd in verscheidene kruistochten negen, tien keer. Kruistochten, want de christen kan niet zien dat zijn heilige plaatsen worden betreden door ongelovigen die hij beschouwt als ketters en werktuigen des duivels. Een droevig wanbegrip. Een wanbegrip dat mensen als Peter van Amiens ertoe brengt om door de wereld te gaan en te roepen: “Het heilige graf in de handen van ongelovigen is een ontheiliging! “Wij moeten het graf bevrijden. Dieu le veut, God wil het.” Zo gaat de term “God wil het” verder. Zo roept men in Frankrijk en zelfs de Dogen van Venetië evenals de grote reders van Genua zijn gaarne bereid om schepen, ja, hele vloten zelfs ter beschikking te stellen. Dat wil zeggen: indien het duiten in het laatje, brengt. Want deze heren zijn in de eerste plaats handelslieden. Een dergelijke massapsychose zou ons doen denken dat er van werkelijk bewustzijn eigenlijk geen sprake meer is. Toch zijn er zelfs in deze tijd stemmen vaak voortgekomen uit het milieu van de geheime groepen die de gedachten van zovele ketters (zoals de Albigenzen) voortzetten. Groepen ‑ ook later, wanneer de Moorse macht is binnengevallen in het rijk der Kaliefen en in Spanje zijn gezag vestigt ‑ komen dan de joodse onderdanen tot Granada en vandaar zelfs tot Parijs.

Deze groepen denken na. Zij zijn vol van één waarheid die wij dan ook door vele denkers haast gelijktijdig horen verkondigen: “Alle mensen zijn één. Er is geen verschil. Als wij geloven aan één God, dan moet dit voldoende zijn. Het is niet onze taak onze broeders met geweld te dwingen ons te erkennen, noch is het onze taak met het zwaard hen van stoffelijke ketenen te bevrijden, die immers voor God geen zin hebben. Het is onze taak ‑ nederig dienend ‑ onszelf overwinnend beschaving en bewustzijn te brengen aan velen.” Dat wordt niet altijd gelijk geïnterpreteerd. Wij zien dan ook dat verschillende ridderorden (de ridders van Sint Jan) beginnen hospitaaldiensten te organiseren. Wij zien ridders (de Maltezer ridders) die naast hun gewapende dienst studeren. Dezen doen aan magie en kabbalistiek en trachten in de eerste plaats beschaving te brengen. Daarna pas gebruiken zij – zo nodig ‑ geweld. Zo zien wij langzaam maar zeker de ridderorden groeien.

Wij zien ook de kloosters sterker worden. En zowel in de kloosters als in deze Orden blijken de denkers steeds weer aanwezig te zijn. Wat zij echter denken en wat zij trachten te verkondigen, wordt door een van de groten van het Roomse geloof, Franciscus van Assisi, wel het duidelijkst neergelegd. Klagend spreekt hij tot zijn broeders: “Ziet, sedert Jezus de aarde verliet, is moeder Armoede weduwe.” Een christen, zo meent hij, dient gehuwd te zijn met de armoede. Niet omdat het gebrek een noodzaak is, maar omdat bezit verblinding betekent en afwijking van de juiste weg. Deze vreemde strijd tegen het bezit vinden wij dan ook op velerlei vlakken.

Naarmate de strijd verdergaat, proberen andere denkers het recht te definiëren. Zij trachten steeds scherper te omschrijven wat een soeverein mag verwachten van zijn volk en wat het volk mag verwachten van zijn soeverein. Ook van deze denkers zijn er slechts enkelen nog aan het nageslacht bekend. Want menig vorst beschouwde een dergelijke beschrijving als een aantasting van zijn door God gegeven macht en als beste oplossing daarvoor: de folterkamer.

U dient echter te weten dat reeds in de jaren 1200 tot 1400 de ware democratie ‑ in de ogen van de toen regerende klasse een misdaad ‑ reeds werd beschreven op de volgende wijze: “Elke mens is gelijk. Het is het recht van elke mens om zijn eigen wegen te gaan. Niemand heeft het recht een ander te zeggen: Ga! of: Blijf! Zo wij onszelf zijn en onze eigen plichten volbrengen, behoeven wij ons niet te bekommeren om anderen. Maar het is wel onze plicht te zorgen, dat anderen niet lijden, indien wij dit kunnen verhelpen.” Mij dunkt een formulering van democratie, die verdergaat dan menige moderne formulering. Helaas! De gedachten aan de ideale staat gaan teloor. In de plaats daarvan komt het streven in de politiek‑esoterische richting.

Nu moeten wij een ogenblik gaan kijken in Spanje waar Habbi ben Jochaï zijn leringen meedeelt aan de mensen. Esotericus, profeet, kabbalist, heeft hij zijn school en wordt gerespecteerd, zelfs door de Moorse heersers in Spanje. Hij schrijft zijn boeken en vertelt. Hij tekent. Kortom: hij geeft een volledig beeld van al hetgeen het oude Oosten kent en is gelijktijdig alchemist, rekenmeester en filosoof. Zijn leerlingen brengen zorgvuldig zijn geschriften naar het noorden, waar ze korte tijd later in Parijs zullen worden verveelvoudigd. Van deze geschriften zijn er enkele bewaard gebleven. Zijn leer is deze: “In de natuur is er een evenwicht van krachten. Indien wij hiervan gebruik willen maken, dan zullen wij moeten handelen volgens het principe van de groei. Dat wil zeggen: onszelf opbouwende, onze invloed steeds meer doen gevoelen in elke laag van de maatschappij die wij kunnen bereiken, leiding gevend aan steeds meer materieel bezit ten bate van het geheel, totdat wij tenslotte in staat zijn het evenwicht dat wij innerlijk hebben gevonden, te geven aan de maatschappij.”

Menig Vrijmetselaar zou daarin een deel herkennen van de beginselverklaring die men beschouwt als de basis van het koninklijk werk. Ook de Rozenkruisers komen opduiken, want zij zijn christenen en stammen af van de Maltezer ridders die reeds ongeveer gelijke stellingen kennen. Maar zij zijn gebaseerd op het christendom en het kruis ‑ wat bij Den Jochaï, de jood, niet zo was. Zij zien het kruis als de hoofdzaak. Dat is de ware leer. Maar daar omheen wordt door mensen en openbaringen de rozenkrans gevlochten; het sieraad van menselijke gedachten dat eerst werkelijk zin geeft aan het kruis. Zij bouwen een esoterische leer op, gebaseerd op het christendom. In de eerste tijd gebeurt dit vooral rond de Middellandse Zee. Deze verschillende scholen gaan meermalen ten onder. Het is bekend dat de Signoria ze meermalen heeft laten vervolgen en doen verdrijven uit de grote steden van Italië. Het is bekend dat vorsten hen hebben verdoemd en vervolgd; dat de Inquisitie ze soms heeft uitgeroeid. Maar altijd is het beginsel blijven voortbestaan. Zo is uit het ontstaan van deze gedachtegangen op den duur een groot aantal van in beginsel parallel lopende geheime esoterische bewegingen geschapen, die vanaf het jaar 1700 zich in steeds sterkere mate doen gelden door geheel Europa, vaak zich daarbij vertakkend over de gehele wereld.