Bepaalde verhoudingen t.a.v. oorzaak en gevolg

20 maart 1972

Ditmaal wil ik met u spreken over bepaalde verhoudingen t.a.v. oorzaak en gevolg.

Wij hebben ons bezig gehouden met datgene wat een mens onthoudt. Wij hebben ons bezig gehouden met de achtergronden van het menselijk leven en wij moeten nu proberen door te dringen tot de werkelijke betekenis van bepaalde wetten en één daarvan is de bekende wet van oorzaak en gevolg.

Nu is geen enkele oorzaak te definiëren. Laten wij dat goed onthouden, want oorzaak wordt bepaald door de wijze, waarop wij een bepaald feit beschouwen. Dus een gevolg kan mede oorzaak zijn, maar een oorzaak kan eveneens een gevolg zijn. Wanneer wij spreken over oorzaak en gevolg, bedoelen wij dus de samenhang tussen twee ontwikkelingen of twee feiten. Het punt van uitgang, eerste gebeuren, en dat wat eruit voortkomt, tweede gebeuren. Oorzaak en gevolg is menselijk gezien heel normaal. Wanneer er iets gebeurt, dan komt dat ergens door. Maar wanneer wij dat meer kosmisch gaan bekijken, dan is dat helemaal zo normaal niet, want je kunt geen oorzaak definiëren op het ogenblik dat je niet zeker bent of het gevolg voor of na de oorzaak valt. Anders gezegd:

Er is in tijd een relatie, waarbij oorzaak en gevolg als verhouding niet meer kan worden uitgedrukt, dientengevolge kennen wij in de goddelijke wetten ook evenwicht. Voor onszelf zullen wij de kwalificatie oorzaak en gevolg maar aanhouden, omdat dat voor ons gemakkelijk te begrijpen is. Ik stel:

      1 . Al wat ik ben, bepaalt wat ik zal zijn. Dat is logisch.

  1. Al wat ik niet ben, bepaalt wat ik niet kan zijn. Dat, wat ik ben, is oorzakelijk voor hetgeen ik word. Ook simpel.

Maar dat impliceert iets. Wij maken een ontwikkeling door en bij die ontwikkeling zijn wij gebonden aan bepaalde vormen van innerlijke erkenning. Wij kunnen niet alle waarden erkennen en wij kunnen ze niet op elke wijze erkennen. Wij zijn gebonden aan een bepaalde wijze van ons uiten. Je wordt misschien bepaald door de wereld, waarin wij vertoeven, maar naar ik geloof, toch evenzeer door de ontwikkelingsgolf waartoe wij behoren, zoals men wel eens zegt: De straal waaronder wij staan. Het resultaat is duidelijk. Ik kan op aarde nooit alles tot stand brengen. Ik kan alleen datgene tot stand brengen wat

  1. behoort tot de golf van ontwikkeling waartoe ik behoor en
  2. datgene wat als mogelijkheid in mijn wezen bestaat.

Nu lijkt het een beetje vreemd als wij hier tijd bij betrekken. Maar toch is het zo. Wanneer in mij een ontwikkeling begint, dan heeft die een zekere hoeveelheid levensenergie of levensmomenten nodig om zich te voltooien.

Wij zijn geneigd om te zeggen: Over een jaar kan dit of dat, het kan misschien ook over drie dagen, maar het kan misschien ook over 25 jaar zijn of over 2500 jaar. De tussenliggende tijd hebben wij nodig om te rijpen. Een gevolg kan pas ontstaan wanneer de oorzaak voltooid is. En dit betekent voor u dat u in uw leven, uw streven, uw esoterisch pogen misschien geconfronteerd wordt met de noodzaak alles in uzelf en vanuit uzelf volledig af te ronden voordat u kunt verdergaan. Hier krijgen wij iets, dat een beetje lijkt op de leer van karma, want wat ik nu niet heb afgemaakt, moet later afgemaakt worden. De voltooiing is een persoonlijke zaak. Niet in de uiting, maar in de voltooiing van een innerlijk proces. Dit betekent dat bepaalde feiten die niet voltooid zijn in stoffelijke of geestelijke zin, toch in onszelf voltooid kunnen worden, omdat wij het volledige bewustzijn dat erbij behoort bezitten en daarmee in ons voorstellingsvermogen alles kunnen produceren wat tot die oorzaak behoort. Vanaf dat ogenblik werkt voor ons het gevolg, worden wij gedomineerd door het afgeronde geheel in onszelf.

De situatie wordt voor ons nog moeilijker wanneer wij ons realiseren, dat het bestaan van een mens ook nog in fasen verloopt. U weet dat er mensen zijn, die hun leven lang niet volwassen worden. Ze worden wel lichamelijk volwassen, maar psychisch kunnen zij niet meekomen. Daar zijn vele oorzaken voor te geven, soms zijn het lichamelijke gebreken, maar in andere gevallen zijn het psychische situaties. Zolang ze niet volwassen worden, kan ook de beleving van volwassenheid in hun wereld niet plaatsvinden. Na de overgang – waarbij de uiterlijkheden dus wegvallen – reverteren zij dus tot het adolescent zijn, dat psychisch hun hele leven heeft beheerst en elke verdere ontwikkeling, die zich in de geest voltrekt, zal op basis van die adolescentie moeten plaatsvinden. Het kan niet plaatsvinden omdat ik 80 jaar ben geworden en ik het toch ook wel weet. Een moeilijk feit voor veel mensen, die denken dat als je ouder wordt, je ook wijzer wordt.

Op het gevaar af, dat sommigen onder u dit als een hatelijkheid zullen beschouwen, wil ik opmerken dat een mens in zijn leven een groei doormaakt. Zolang hij groeit, wordt hij wijzer. Zodra die groei psychisch en fysiek stilstaat, wordt hij niet wijzer meer, hij wordt alleen ouder. De vraag is nu maar: Hoelang blijf je groeien? En dan blijkt dus dat de psychische groei aanmerkelijk langer kan voortgaan bij een mens dan de fysieke. Dat is waar, maar je kunt op een gegeven ogenblik zeggen: Ik ben 1.90 m geworden en ik word niet langer. Dan zal ik met die 1.90 m door het leven moeten gaan. Niet met 1.95 m. Ik kan psychisch een bepaalde hoeveelheid ervaringen, emoties en feiten verwerken en dan sta ik stop. Dan kan ik wel proberen om alles opnieuw te formuleren, opnieuw samen te voegen, maar ik kan het niet meer vernieuwen, Ik kan geen groter terrein van begrip meer omschrijven. Dientengevolge sta ik stop. In een volgend leven in de sferen, hoe dan ook, zal ik vandaaruit verdergaan. En dat is misschien ook weer erg belangrijk. Je bent altijd geneigd als mens te denken: Je wereld verandert en wij doen toch ook mee, dus veranderen en groeien wij ook. Dat is helemaal niet zeker. Het volgen van de mode kan een kwestie zijn van ijdelheid, maar die ijdelheid is dan de permanente factor. Het volgen van allerlei nieuwe ideeën lijkt misschien erg progressief, maar in feite is het vaak een gebrek aan eigen begrip, waardoor men onvoldoende formulering kan vinden om die vernieuwingsideeën van een ander kritisch te beschouwen en eventueel te veranderen.

Het resultaat is altijd weer: Wanneer mijn groei stilstaat, sta ik stil en al wat daarna gebeurt in het leven, is van geen werkelijk belang meer. Het is erg belangrijk dat u daar eens over denkt.

Vraag je je af, hoe het dan esoterisch zit?

Wel, in onszelf kunnen wij komen tot een godsbegrip, zeker, maar dat godsbegrip zal gelimiteerd worden door wat wijzelf zijn. De Godsbeleving is dan gebonden aan onze vormen en erkenningen van emotionaliteit, aan ons vormbegrip en ons vermogen eventueel bepaalde abstracties te aanvaarden. Het is gebonden aan ons vermogen om bepaalde krachten te erkennen en in onszelf te ondergaan. En wanneer wij daar stilstaan, komen wij ook niet verder.

Wanneer wij beginnen met deze limitering van onze eigen mogelijkheden op elk terrein te aanvaarden, dan zullen wij ook gemakkelijker onze eigen beperktheid in het bereiken van de voor ons wenselijke oorzaak-en gevolgwerkingen naar buiten toe kunnen aanvaarden. Want wij willen bepaalde dingen, maar kunnen ze niet altijd bereiken. Wanneer wij nu denken: Ach, wanneer ik het nu maar lang genoeg volhoud, dan gebeurt het wel, dan grijpen wij er heel vaak naast om de doodeenvoudige reden dat alles wat verwezenlijkt kan worden, afhankelijk is van de oorzaak die wij zelf scheppen en pas wanneer die oorzaak inderdaad voltooid is en onze reactie in die voltooiing bovendien nog bepalend is geweest voor de gerichtheid, waardoor het gevolg mede bepaald wordt, dan komt alles in orde.

Falen wij in het innerlijk afronden, falen wij in de juiste gerichtheid, dan krijgen wij te maken met oorzaken, die volgens ons verkeerd zijn, omdat ze niet passen bij de wenselijkheid, die wij de oorzaak meenden te leggen. Het gevolg is dus zgn. verkeerd.

Ik wil u nu enkele voorbeelden geven van zowel zuiver menselijke aard als van meer geestelijke en meer esoterische aard.

Zuiver menselijk: Je wilt een bepaalde afstand binnen een bepaalde tijd afleggen, maar je bent niet in staat je eigen tempo te bepalen. Het resultaat is dat je te snel begint en dat je daardoor de eindstreep niet haalt. Of veel later dan je van plan was of ook wel dat je onderweg afbuigt, omdat je het gestelde doel toch als niet bereikbaar ziet. Dat is begrijpelijk. Geestelijk is dat net eender. Er zijn mensen, die beginnen te zeggen: Ik wil leren zien. Ik wil leren de kosmos a.h.w. te openbaren aan mijzelf. En ze beginnen met wat godsdienst, met wat esoterie, wat mystiek. Maar op een gegeven ogenblik zijn ze niet in staat om elk van die dingen voor zich af te ronden. Ze zitten met een stuk godsdienstigheid, waar ze niet helemaal raad mee weten. Met een reeks esoterische leringen, die ook nog niet sluitend te maken zijn, plus nog een heleboel denkwijzen en oefeningen, waar ze geen raad mee weten, en waar ze ook de eindstreep niet mee halen. Dan is het toch duidelijk dat ook deze mensen het doel dat zij zich stellen, hoe duidelijk ook geformuleerd, nooit kunnen bereiken, omdat ze niet bereid waren de oorzaken af te ronden. Iemand die voortdurend van het één naar het ander gaat, zal altijd een misslag maken.

Er is nog iets, waarmee je rekening moet houden. Je kunt soms een innerlijke instelling, een bedoeling, een mening, aan een ander duidelijk maken en dan vergis je je. Je zegt dan één zin verkeerd. Je bent meegesleept door hetgeen je wilt doen of zeggen. Eén handeling, het kan heel onbelangrijk zijn, één woord desnoods, ligt verkeerd. Het resultaat is dat daarmee de totale oorzakelijkheid verandert. Er zijn mensen, die door één woord verkeerd te zeggen hun hele opbouw en hun plannen in duigen hebben zien vallen. Er zijn mensen geweest, die in een geestelijke ontwikkeling of hun esoterische ontwikkeling door één associatie verkeerd te stellen en er toch aan vast te houden, eigenlijk volkomen fout zijn gelopen. Ze hebben niet waar kunnen maken wat ze dachten. En dan hebben we dat in de esoterie wel heel erg. Want wanneer ik esoterisch steeds verder wil gaan, dan blijf ik steeds theorieën opbouwen.

Maar wanneer ik een theorie niet kan omzetten in praktijk, iets dat voor mij reëel en waar is, dan zijn alle verdere theorieën voor mij waardeloos. Ze kunnen betekenis hebben, maar ik weet het niet. Voor mij zijn het uiterlijkheden. Wat er achter zit, weet ik niet. De mens, die op grond van allerhande opgestapelde stellingen wil proberen de hoogste ervaring te bereiken, zal tot zijn verbazing ontdekken dat die hoogste ervaring evenzeer etalagemateriaal is als het merendeel van zijn stellingen. Pas op het ogenblik dat iets voor jou zo waar is dat je het kunt leven, heb je de kans dat het waar wordt, mits de daaropvolgende reeks van innerlijke pogingen eveneens juist is.

En dan hebben wij iets wat bijna magisch is. Het is een heel wonderlijk verschijnsel overigens, daarom wijs ik er hier in het bijzonder even op. Wanneer wij een oorzaak scheppen, magisch, dan doen wij dat over het algemeen door een waarheid te stellen, die op dat ogenblik niet redelijk of niet logisch is. Magisch denken is in feite een werkelijkheid stellen, die empirisch voor anderen niet vast te stellen is en die wij toch, door ze in ons denken af te ronden, voor onszelf de mogelijkheid van een empirische ervaring geven, ongeacht het onlogische aspect van het geheel. Maar wanneer ik nu in dit magische werken één ogenblik aarzel, één ogenblik niet kan geloven wat ik innerlijk opbouw, dan zal alles wat verder gebeurt eveneens door de onvolledigheid gedomineerd worden en niet slechts door mijzelf.

Er bestaat een heel aardig verhaaltje dat, als je werkt met de cirkel in de magie, je moet oppassen dat de lijn helemaal gesloten is, want als er maar een hiaat inzit van een enkele millimeter, dan kan daardoor – zo zegt men – de demon komen en je aanvallen. Dat is natuurlijk aan één kant overdreven, want die lijn is in feite geen weerstand. Maar aan de andere kant is het waar, want op het ogenblik dat er een onvolledigheid bestaat, zal dat wat wij willen bereiken, gaan bepalen wat wij zijn. Dan wordt, wat vanuit ons het gevolg van onze actie moest zijn de oorzaak van onze beleving.

Stel nu een mens op aarde – of hij nu jong is of oud – hij draagt in zich een bewustwording, die eigen is aan zijn wezen. Hij bezit krachtens dit wezen bepaalde capaciteiten. Met deze capaciteiten – en niet met andere – kan hij gevolgen bepalen van zijn eigen handelen. Op het ogenblik dat een mens zich richt op gebieden, die buiten zijn beheersing liggen, is falen mogelijk. Op het ogenblik dat die mens zich richt op gebieden, die hij niet kent, is falen zeer waarschijnlijk. Op het ogenblik dat die mens met zijn totale inhoud probeert vooruit te lopen op zijn eigen ontwikkeling, dan wel terug te grijpen op een vorige fase van zijn ontwikkeling, is de mislukking zeker. En als je daarover nadenkt, is het ook begrijpelijk.

Laten we maar weer een paar voorbeelden nemen. Een paar personen hebben in vroegere levens met elkaar contact gehad. In het leven dat voor hen het heden, de realiteit is, ontmoeten ze elkaar. Nu gaat men op grond van deze erkenning bepaalde waarden stellen t.a.v. de toekomst. Verkeerd. Wij kunnen nl. niet in tijd een waarde bepalen, wat deze twee personen t.o.v. elkaar zullen zijn, wat ze zullen doen. Wij kunnen alleen bepalen dat zij – aangenomen dat ze dus contact hebben gehad in het verleden — deze contacten in een toekomst zullen voortzetten en nog meer, dat deze contacten tot uitdrukking zullen komen in een waarde, voortvloeiend uit hun vorig contact. Dat is het enige wat wij weten. Op het ogenblik dat wij proberen om dat te definiëren, maken wij fouten. Dan kunnen wij de relatie niet meer zuiver stellen en daardoor ontstaat een ontwikkeling, die aan onze beheersing ontsnapt en die in vele gevallen ons eigen emotionele leven en ons gevoelsleven, ons denken en onze redelijkheid en soms ook onze geestelijke ontwikkeling beïnvloedt.

Stel: Ik heb in een vorig leven een zekere graad van inwijding behaald. Impliceert dat, dat ik in het leven, dat voor mij het heden is, diezelfde graad van inwijding zal bezitten? Dat is lang niet zeker. De graad van inwijding in de stof, bestaat niet alleen uit het bereiken van een zeker bewustzijn in de geest, maar ook uit het overdragen, althans van een deel daarvan, naar de materie. Dus hier is de grote vraag: In hoeverre kan men materieel zijn eigen geestelijke inhoud aanvaarden, verwerken en eventueel weergeven? Dat komt meestal tot uiting bij iemand, die zeg maar redelijk werkt in een langzame reeks van inwijdingen, waarvan de eerste meestal erg moeizaam zijn – het contact is er nog niet – en een daaropvolgende reeks van steeds sneller optredende bewustzijnsverruimingen. Daarbij krijg je dus wat men noemt graden van inwijding. Wanneer die graden van inwijding bereikt zijn, dan is het ook niet zeker dat die inwijding zich zal verdiepen. Dat ligt aan datgene wat wij op dit ogenblik zelf doen. Wij kunnen het verleden door een soort repetitie versneld in een volgend leven waarmaken, maar op het punt, waarop wij in het vorige leven zijn opgehouden, ontstaat de noodzaak nu door eigen beleving verder te gaan. Vanaf dat ogenblik ontstaat wat men noemt de grote beproeving en de rest.

En dan heb ik nog een derde voorbeeld. Wanneer ik in mijzelf een hoger bewustzijn bereikt heb tijdens een leven, dat voor u in het verleden ligt en ik leef in het heden, dan zal deze innerlijke bereiking geestelijk voor mij onaantastbaar zijn. Maar de grote moeilijkheid is nu, dat een dergelijke bereiking — meer dan een inwijding dus – impliceert dat het gehele wezen daarop moet worden afgestemd,

Punt 1. Om die bereiking op aarde opnieuw waar te maken moet het lichaam in zijn eigen trillingsgetal en vermogen volledig werden aangepast aan het geestelijk bestaand bewustzijn.

Punt 2. De uiting van het lichaam moet worden overgenomen door de geestelijke waarde of inhoud en mag dus niet meer door zuiver stoffelijke omstandigheden of materiële instincten worden bepaald.

Punt 3. Wij moeten door de volledige waarmaking van wat wij geestelijk aan bewustzijn bereikt hebben, gelijktijdig een geestelijke bewustzijnsverruiming tot stand brengen en een mogelijkheidsbeperking t.a.v. de materie.

Het laatste is wel wat moeilijk voor u, maar denkt u maar aan Jezus. Vanaf het ogenblik dat hij zijn openbare leven aanvaardde, werd hij in feite gedicteerd door zijn bewustzijn en was hij niet meer in staat om naar eigen believen te handelen. Hij kon niet meer doen wat hij materieel veel liever zou doen, zonder zijn eigen bewustzijn, zijn bewustwordingsmogelijkheid, te verloochenen. Dat is een heel opvallend iets.

Wij zijn nu zo langzamerhand door het ergste heen. Want wanneer wij dit alles bekeken hebben, dan gaan wij ons ook eens afvragen: Hoe zit dat magisch? Op het ogenblik dat ik een magisch werk voorbereid met volle inzet, met vol ritueel en alles wat daarbij behoort, is de kans heel groot, dat ik faal, omdat dan perfectie noodzakelijk is om een perfect resultaat te krijgen. Dat is logisch. Maar er zijn zoveel kleine gebeurtenissen in het leven, waarbij wij al die rituelen, die hoge instelling en alles eigenlijk niet nodig hebben. Wij kunnen magisch vaak improviseren aan de hand van een enkel gedachtenbeeld dat wij met grote kracht van ons stoten. Daarmee maken wij dat denkbeeld inderdaad zelfstandig. Wij kunnen dus niet meer bepalen hoe dat verdergaat. Het is als een torpedo, die je lanceert. De torpedo is weg, je hebt hem gericht en nu moet je maar afwachten of je het schip treft of niet. Maar het betekent wel, dat ik met deze primitieve vorm van magie voortdurend kan reageren en dat de energie, die ik daarvoor moet opbrengen, betrekkelijk gering is.

Op het ogenblik dat ik het allemaal ritueel ga doen met alle vormen en formaliteiten daaromheen, kan ik misschien iets zuiverder richten. Ik kan het bereiken van mijn doel wat meer zeker stellen. Maar ik kan lang niet zoveel presteren. Ik kies dus altijd tussen kwaliteit en kwantiteit. En nu geldt in de magie over het algemeen dat werkelijke kwaliteit alleen nodig is voor allerhoogste bereikingen, terwijl de eenvoudige alledaagse dingen over het algemeen door kwantiteit beter verwezenlijkt worden dan door kwaliteit. Daarmee moet je rekening houden. D.w.z.: Wanneer u meent een bepaald iets tot stand te brengen – laten we de genezing van een mens nemen – dan kunnen wij natuurlijk zeggen: We gaan dit helemaal zuiver doen, we gaan kracht oproepen, we gaan die kracht uitzenden met een bepaalde opdracht, maar als we daar maar één ogenblik zelf van afwijken — al is het maar één moment van verstrooidheid — dan is de werking ernaast en hebben wij niets bereikt. Maar we kunnen ook elke keer wanneer wij aan die patiënt denken, alleen maar even improviserend zeggen: Er is licht. Boem er bovenop en dat geneest wel. Dan blijkt dat dat veel beter werkt. Natuurlijk, je zult meer van dergelijke gedachten moeten uitsturen dan in het eerste geval. Het resultaat is wel trager, maar daar staat tegenover, dat het zo goed als zeker is, omdat je eenvoudig de gedachte: als wij die patiënt onmiddellijk gebruiken als stuurelement en daaraan de wil tot genezing vastkoppelen en zeggen: Afgedaan ermee en ik ga weer verder en je vindt dat magisch aanvaardbaar, dan geloof ik dat je dat ook in de esoterie kunt gebruiken.

Esoterie is ook een systeem. Het is het opbouwen van allerlei elementen. Maar er komt een ogenblik dat die opbouw erg precair wordt. We bouwen a.h.w. een toren van Babel op een speldeknop, vergeet u dat niet. Misschien bereiken wij God, maar het is een heel wankel geval, want als er maar één stelling bijzit, die wij niet in onszelf hebben waargemaakt en waarmee wij hebben gewerkt, dan is onze hele toren krachteloos en de meeste mensen zijn bereid veel werk te doen voor wat ze noemen “de hogere principes”, maar de eenvoudige grondslagen daarvan kunnen ze niet hanteren.

Neem nu eenvoudig geloof. Men gaat uit van een geloof, van een bepaalde wet, een bepaalde goddelijke ordening. Maar leven ze ernaar? Kunnen ze dat aanvaarden? Hebben ze zich gerealiseerd wat de stelling betekent en wat hun eigen levenshouding betekent? Zijn ze daardoor gekomen tot een voor henzelf aanvaardbare, in de toepassing ook voortdurend blijkende interpretatie van een godsdienst of een andere waarde, of niet? Als die ontbreekt, zal de hele rest van al die hoge stellingen praktisch waardeloos zijn. Maar in ons zijn wel die elementen, waarin wij voor een ogenblik zeggen, hé … God. Dan weten wij eigenlijk niet eens waarom wij het zeggen. Maar op dat ogenblik, dat even stilstaan en luisteren en u hebt het antwoord. Er is dan een directe relatie met God mogelijk. Zeker niet beheerst, niet continu, niet bewust, maar ze is er.

En door dit te herhalen ontstaat er een godsbewustzijn dat dan voor ons praktisch onmiddellijk mee verwerkt moet worden. We kunnen nl. niet anders meer, zodat er een gezonde basis komt voor een esoterische opbouw – ook in formulering – terwijl wij gelijktijdig een godsbeleving hebben, die ons helpt om elk deel dat wij op die basis verder leggen, aan te passen aan onszelf, maar ook aan de godheid, waarmee wij verbonden zijn. Dat is één van de wonderlijke feiten. Het wordt wel eens genoemd — en het is overigens een wat bedrieglijke term – de geestelijke boom des levens. Geestelijk, omdat het niets te maken heeft met  de voorstelling van de boom des levens, zoals men die bij de kabbalisten kent. Maar het wordt de geestelijke boom des levens genoemd, omdat wij elke invloed die past bij een bereiking, geestelijk of materieel in onszelf automatisch inschakelen, zodat wij alle leerelementen in onszelf samenbrengen. Wij gaan niet meer de wegen, die ons brengen van fase tot fase door het hele net der bewustwording heen, neen, wij brengen al die punten zo dicht bij elkaar, dat wij op den duur a.h.w. in onszelf een broche hebben, waarin alle waarden vertegenwoordigd zijn van die hele levensboom, zodat wij gewoon kunnen kijken; Oh hier is God, hier zijn alle dingen. Waar wil ik op dit moment aan denken? Ik kies dat ene punt dat voor mij op dit moment belangrijk is en ik kan de rest laten rusten.
Het is voor de esoterici misschien wel de moeite waard om hier eens over na te denken. Verder vloeit uit de oorzaak en gevolg nog de wet van evenwicht voort. En die wet van evenwicht geldt ook voor uzelf. Op het ogenblik dat er bij u een exces aan actie op één terrein ontstaat, zal dit betekenen een stilstand van actie of een afname van actie op een ander terrein. Je kunt niet alles tegelijk. Op het ogenblik dat wij uitgaan van zuiver instinctieve waarden, zal ons bewustzijn daaraan geen deel hebben, dus de bewustwordingswaarde vermindert naarmate de instinctieve invloed groter wordt. Maar ook omgekeerd naarmate onze bewustwordingsinvloed groter wordt, wordt de instinctieve invloed kleiner. Het instinct is er wel, maar wordt nu door het bewustzijn bepaald en gericht.

Deze evenwichtigheden spelen ook weer een grote rol, want wij kunnen nu wel vragen: Wat zijn wij in de eeuwigheid? Wat houden we van onszelf vast? Wat is de betekenis van dit stoffelijk leven voor het geestelijk voortbestaan in de eerste paar sferen? Ditzelfde moet ook daar werkzaam zijn. Hoe kan ik in de materie bv. onmiddellijk incarneren in een beheerste relatie, wanneer niet voortdurend, ook in de geest, voor mij een contact met de materie heeft bestaan of althans denkbaar is geweest? Wanneer er een wisselwerking bestaat, dan kan ik voor mijzelf in het bewustzijn het zwaartepunt verplaatsen, in de materie komen zonder dat mijn harmonische eenheid wordt bedreigd. Op het ogenblik dat ik zeg: Ik ga naar die materie toe, ik weet er niets vanaf, dan kom ik in een totaal nieuw milieu, dan begint een totaal nieuw groeiproces.

Zo zegt men: Wie de eigenschappen van vorige incarnaties in deze incarnatie volledig wil overbrengen — en dat geldt niet voor u, u bent al zover dat u het karwei gedaan hebt, goed of slecht, dat moet u zelf maar bekijken — dan moet ik in de geest een zeker contact met de materie in stand houden en ik moet de gerichtheid, die ik geestelijk bezit t.a.v. die materie, gebruiken om een incarnatie vast te stellen. Op dat ogenblik kan ik nl. het geheel van mijn geestelijk wezen a.h.w. overbrengen in het materiële voertuig met alle daarvoor noodzakelijke gerichtheid. Natuurlijk is dat in de maatschappij wel eens moeilijk, want met een dergelijke gerichtheid kom je in conflict met de wereld. De wereld heeft een dressuur, die ze opvoeding noemt, en dan heeft ze bovendien nog een vernisje, dat ze beschaving noemt en wanneer je daar niet aan beantwoordt, dan doet het werkelijke wezen er niet veel aan toe, zo zegt men. Het resultaat is dat je heel vaak tot een zeker conformisme gedwongen wordt, waardoor toch wel het waarmaken van de overgebrachte, geestelijke waarden vertraagd wordt. Maar dan krijg je in ieder geval een zeer grote en zeer snelle ontwikkeling.

En dan nog iets over levenskracht. Wanneer ik levenskracht heb en ik zet dit om in hetzij bewustzijn, hetzij iets anders, dan is het logisch dat ik minder levenskracht heb. Dan zou je moeten zeggen: Waar het geestelijk bewustzijn, gerijpt in de sferen, bepalend is voor de hoeveelheid levensenergie, die het individu in de materie kan gebruiken, zal de wijze waarop die geestelijke energie, die stoffelijke energie, die levenskracht wordt gebruikt, bepalen hoelang men leeft. Dat is vreemd, maar als je geestelijk niets doet, dan leef je 600 jaar, alleen betaal je 600 jaar belasting en je hebt er geen plezier van, maar het zit precies zo in elkaar. En daarom ben ik begonnen met oorzaak en gevolg. Want wanneer u verder wilt gaan in esoterisch opzicht met geestelijk streven, met het gebruik van paranormale vermogens of wat dan ook, dan moet u zich realiseren hoe belangrijk het is dat elke fase wordt afgemaakt. Dat ze voltooid wordt; hoe dan ook. Zelfs onze emotionele fasen zullen wij moeten afronden. Wij kunnen ook niet iets halverwege staken. Op het ogenblik dat wij iets halverwege staken, blijft het een voortdurende belasting voor ons.

Het afronden van alles wat je doet is het eerste beginsel voor verdere geestelijke bewustwording en ook voor de ontplooiing van de juiste bewustzijnswaarden en levenskrachten.

Daarover hoop ik één van de volgende malen te kunnen spreken. Want de samenhang tussen wat je kosmisch bent en datgene wat je op aarde kunt zijn en beseft te zijn, wordt mede hierdoor bepaald.

Tweede deel

Er zijn krachten, die ook op onszelf inwerken, Wanneer wij stellen: Er is een God, dan is die God niet alleen buiten ons, maar ook in ons. Wanneer wij stellen: Er is een kosmische werking uitgaande van een bepaalde ster, dan is het niet alleen in die ster of vanuit die ster, het is ook in ons. Wij zijn de reflectie van het heelal. Het is moeilijk je dit voor te stellen, maar wij allen omvatten het totaal van alle invloeden, die denkbaar zijn. Niet van alle vormen, maar invloeden. Wanneer wij in onszelf komen tot een zekere harmonie, dan hebben wij daarmee niet alleen iets gedaan dat onszelf betreft, maar wij hebben gelijktijdig de hele wereld, ja de gehele kosmos beïnvloed. Op het ogenblik dat twee vijandige krachten tegen elkaar botsen, zullen zij elkaar opheffen of vernietigen. Op het ogenblik dat twee vijandige krachten in een bepaald punt worden samengevoegd om tegen een derde doel gericht te worden of misschien bestemd te worden  voor een andere taak, dan zijn die twee krachten gelijktijdig manifest in hun volle kracht en zij zullen in die volle kracht bovendien presteren. Iets wat normaal niet gebeurt, daar de mens alle krachten in zich ervaart, hoe miniem hun invloed voor hem persoonlijk ook moge zijn; en in staat is alle invloeden binnen zichzelf tot harmonie te brengen, kan hij uit zichzelf alle krachten, die in de kosmos bestaan ook openbaren in hun volle werking.

Het is deze mogelijkheid, die de mens verheft boven het merendeel van de mij bekende schepselen. Wanneer wij in de bijbel lezen dat  Lucifer kwaad was, omdat God de mens mogelijkheden wilde geven, die volgens Lucifer slechts aan de hoge engelen toekwamen, dan lijkt dat op het eerste gezicht – wanneer je de mens beziet –  belachelijk. Maar wanneer je je realiseert dat alle krachten, ook de krachten van geestelijke aard, in de mens kunnen samenkomen en dat zij binnen die mens verenigd kunnen worden, zodat de mens zelf daarmee over kosmisch geweld beschikt, dan is het misschien toch niet zo dwaas.

Wat ik u vandaag wil voorleggen is in de eerste plaats de grootheid van uw wezen, maar in de tweede plaats de zeer wonderlijke beperking, waarmee u aan die innerlijke kracht uiting geeft. Alle mogelijkheden, die in het AI denkbaar zijn, bestaan in God. Wij kunnen de kracht die in ons is, samenvoegen en daardoor elke mogelijkheid, die binnen  God bestaat, waarmaken. Dit waarmaken kunnen wij weliswaar niet geheel in ruimte en tijd definiëren, maar wij kunnen het toch zodanig bestemmen dat de waarheid ervan manifest wordt en dat wij persoonlijk op welke wijze dan ook, in die waarheid verbonden zijn met het Al.

Hier komt de zgn. taak van de mens om de hoek kijken. Want het is wel aardig om te zeggen dat de mens een grote macht heeft, maar hij zal die macht moeten gebruiken in overeenstemming met zichzelf. Het is misschien heel prettig voor een mens om te horen dat hij veel kan doen en dat hij grote mogelijkheden heeft, maar hij zal toch ook nog moeten beantwoorden aan datgene, wat aan hoogste principe in hemzelf aanwezig is. En daarom stellen wij dat een mens de krachten, die voor hem optreden, in zichzelf alleen dan in harmonie kan brengen, wanneer hij op die punten in zichzelf harmonisch is.

De eerste taak van een mens is: In zichzelf harmonie te gewinnen. Wat is deze harmonie? Voor heel veel mensen is harmonie een soort dwaze droom, waarin zij zich van het AL in feite afzonderen. Maar wanneer je de werkelijkheid rond je geheel terzijde stelt, hoe kun je dan nog de krachten die in je zijn, op die werkelijkheid richten? Wij moeten dus wel degelijk onze harmonie niet alleen in onszelf zoeken, maar ook in onze erkenning van de wereld. Nu bestaat de gehele wereld zoals wij haar waarnemen als mens, uit tegenstellingen. In de geest bestaat – zeker in de lichte geest – het AL voor ons nog steeds uit elkaar aanvullende invloeden, krachten en werelden. Het zal u dus duidelijk zijn dat wij in onszelf de tegenstellingen rond ons tot evenwicht moeten brengen. En dat kunnen wij alleen, wanneer wij onze eigen houding bepalen t.a.v. die kracht en van die mogelijkheden. In de Egyptische mythologie komt Maat voor. Een godin van voornamelijk vruchtbaarheid, die , wanneer een ziel gewogen wordt voor de 42 rechters, altijd de veer der genade legt in de goede schaal. De schaal van aanvaarding.

Wanneer wij wegen wat er rond ons in de wereld is, dan is er een verschil. Een verschil tussen het aanvaardbare en het niet-aanvaardbare. Wijzelf dienen er dan voor te zorgen dat we evenwicht tot stand brengen. Wij moeten er voor zorgen dat altijd, hoe dan ook, de veer valt in de schaal die aanvaardbaarheid geeft. In aanvaardbaarheid kan een zekere disharmonie ontstaan. Want wanneer wij de tegenstellingen opheffen door één van de krachten uit te schakelen, dan doen we dit ook voor onszelf. We verliezen de beheersing over die kracht, maar wij kunnen er wel voor zorgen dat datgene wat in ons wezen als het voornaamste aanwezig is, door elke kracht en elk samenspel van krachten bevorderd wordt. Hier ligt de kern van de grote taakvervulling, de grote harmonie.

Wanneer grote meesters op de wereld komen, dan doen zij dit in omstandigheden, die voor de leek veelal erg attractief zijn. Zij zijn over het algemeen in schoonheid geboren, zij worden onder bijzondere omstandigheden geboren en zij krijgen vaak zoals bv. Jezus een enorme mogelijkheid tot leren in de eerste jaren van hun leven, of, zoals Boeddha, een erkenning van bepaalde feiten in het leven, die voor de meesten altijd een gesloten boek blijven. Maar dan komt er – en dat is toch wel belangrijk dacht ik – bij Jezus het ogenblik dat de verworven kennis wordt omgezet in inspiratie. Bij de Boeddha komt het ogenblik dat de eenzijdigheid in erkenning van tegenstellingen wordt omgezet. En eerst op dat ogenblik zien wij dat de meester functioneert. Dat zijn taak a.h.w. aanvaard wordt. Wanneer de Boeddha wegloopt van huis, dan begint hij pas. Hij zoekt nu naar het geestelijk middel om het kwaad te verdrijven. Maar het kwaad kan niet verdreven worden. Eerst wanneer hij onder de bodhiboom zit, komt voor hem het grote ogenblik dat hij zeggen kan: “Het kwade beroert mij niet, het goede beroert mij niet, de werkelijkheid is in mij. Ik ben het evenwicht, ik ben los van de invloeden, maar ik kan ze in mijzelf aanvaarden.” Wat Jezus betreft, komt er een ogenblik dat zijn leren en zijn ondergaan van de intuïtieve, de profetische werkingen in zijn wezen zich eindelijk samenvoegen in een ontkenning van zijn gebondenheid en mogelijkheid in de materie en gelijktijdig een ontkenning van het menselijk onmogelijke. Vanaf dat ogenblik is hij de ware wonderdoener, de ware leraar. Waar wij ook gaan, wij vinden datzelfde evenwicht steeds weer terug bij een grote meester.

Waarom zou dit alleen voor grote meesters mogelijk zijn? Wanneer Jezus als mens geboren, dit evenwicht bereiken kan, dan kan een mens dit. Wanneer de prins Boeddha door armoede gaande, door het zoeken naar het magisch vermogen kan komen tot het afwijzen van beïnvloeding door de krachten buiten zich en deze gelijktijdig in zichzelf kan absorberen, dan kan een gewoon mens dat ook. Prins Siddharta is, speels. Siddharta, de zoeker is een ijveraar, maar de Gautama Boeddha Siddharta is gelijktijdig bron, ontvanger van alle krachten en een wezen dat boven al die dingen staat.

Wij kunnen van u niet vragen dat u in een kort ogenblik tot Boeddha wordt of een ware drager van de goddelijke taak, zoals Jezus. U hebt een eigen taak. De taak van de mens is vastgelegd en in zijn geboorte op aarde, de omstandigheden en mogelijkheden die hij vindt , in zijn ontwikkeling, opvoeding en de emotionele ervaringen die hij opdoet en ten laatste in zijn erkenning van de buitenwereld. Deze drie factoren bepalen voor elk van u ongeacht uw stand, uw leeftijd, uw sexe, uw soort, uw betekenis, uw taak. In uzelf kunt u zich die taak wel degelijk realiseren. Op het ogenblik dat u dit als werkelijkheid gevoelt en niet uzelf aan enkele denkbeelden bindt, maar komende tot een erkenning: mijn taak ligt niet in het specifieke gebeuren, de specifieke daad, maar in het mogelijk maken van een harmonie op een bepaald terrein, dan zult u de krachten in uzelf plotseling voelen optreden. Dan weet u op een gegeven ogenblik wat er in u werkzaam is. Dan begin je als mens meestal eerst met verzet te plegen tegen bepaalde zaken. Bepaalde invloeden af te wijzen en andere misschien te vergoddelijken. Ook hier moet geleerd worden.

Maar er kan een ogenblik zijn waarin je zegt: Ik heb geen reden om af te wijzen of te verheerlijken, maar ik moet in mij zijn de synthese van de krachten, die ik in en rond mij erken. Op het ogenblik dat dit gevoel van samenvoeging, dit gevoel van tot één maken in uzelf werkt, kunt u uw taak vervullen. En het wonderlijke is, dat er dan  niets is in uw hele wereld, in de hele geestelijke wereld en de bekende kosmos, dat u dan nog kan tegenhouden .

De mens leeft als brandpunt van alle krachten uit de kosmos, van  welke aard dan ook, die zich in dit deel van het AL manifesteren. Hij omvat alle scheppende mogelijkheden, alle destructieve mogelijkheden, die er denkbaar zijn in dit deel van het AL en onder deze invloed.

Maar je kunt vaak niet bouwen zonder te vernietigen. En wanneer je vernietigt, word je gedwongen om te bouwen. Indien je één van beide factoren afzonderlijk gebruikt, dan zal je veel vernietigen voor je ontdekt hoeveel er te bouwen voor je overblijft. Wanneer je te veel bouwt, komt er een ogenblik dat je moet vernietigen. Maar wanneer je de vernietiging gepaard kunt laten gaan met de noodzaak tot bouwen, zodat beide facetten worden van één en hetzelfde proces, dan krijg je de perfecte werking. Deze perfecte werking kun je in jezelf tot stand brengen.  En de mens, die destructief aangelegd is, wordt tot de destructie vaak aangezet door zijn vooroordelen en angsten.

 Vele grote uitvindingen op deze wereld worden misbruikt. Nu denk  ik niet alleen aan atoomkracht, maar ook aan kennis, die is opgedaan omtrent ziekte en het wezen van ziekte, waaruit men wapens heeft gemaakt. Toch zou men met diezelfde kennis de wereld, alle noodzakelijke energie kunnen geven, zou men een groot gedeelte van de nu nog als ongeneeslijk te boek staande ziekten in korte tijd kunnen leren genezen.

Waarom doen de mensen dat dan niet? Omdat zij zichzelf als doel stellen. Zodra je jezelf als doel stelt van de invloeden rond je, zal je geneigd zijn tot destructie, zal je vaak niet in staat zijn opbouw  en vernietiging samen te voegen tot één proces van vernieuwing,

Een mens echter, die zichzelf niet als doel stelt, begeert en  vreest niet datgene wat hij tot stand brengt. Hij maakt eenvoudig zichzelf waar en in die waarheid zal de wereld hem wel een antwoord geven.

 Of dat antwoord dan is vergoddelijking of een kruis, maakt weinig uit. Wie wil komen tot de juiste synthese van de krachten rond hem, zal daarom zichzelf nimmer als doel kunnen stellen. Maar of je jezelf als doel stelt of niet, je zult altijd deel blijven van de wereld, die je beïnvloedt.  Wanneer u geluk geeft aan allen, dan geeft u dat ook aan uzelf. Wanneer u allen de weg toont tot openbaring en God, dan kunt u dat niet doen zonder ook zelf tot openbaring en God te komen. Wanneer je de weg tot vernietiging wijst aan de mensheid, dan kun je dit niet doen op een wijze, die jezelf onberoerd laat. Wat de wereld vernietigt, vernietigt jou. Dit te begrijpen is erg belangrijk voor elke mens, die met krachten wil werken.

Vaak hoort u naar ik aanneem, in deze of soortgelijke bijeenkomsten, over de invloeden die optreden. Bv.: er is op dit ogenblik een zeer felle wit-invloed werkzaam met gelijktijdig een sterke rood-invloed. En men zal het u interpreteren en zeggen: Dat betekent dat tegenstellingen zeer scherp tot uiting komen, terwijl hartstochtelijkheid en onbeheerstheid hierbij een grote rol spelen. Dat kan juist zijn, maar je kunt het ook anders zeggen. Daar, waar de emotionaliteit, de gevoelswereld van de mens plus de zuivere erkenning van de wereld samenvloeien, kan een positieve daad worden gesteld. Deze krachten behoeven niet destructief te zijn. In mijzelf kan ik ze zelfs maken tot een opbouwende kracht. Wat in de wereld schijnbaar tot onheil wordt, kan door mii en vanuit mij in de wereld worden tot een zegening. Dat geldt zelfs voor deze kracht.

Wanneer er demonen rond uw wereld zijn zo goed als engelen, dan kunt u trachten met behulp van de engelen de demonen te verdrijven. Maar dan blijft er weinig mogelijkheid voor die engelen over om als zegen-brengende geesten in de mensheid zelf werkzaam te zijn. Maar je kunt misschien wel beseffen dat de demonen in bepaalde gevallen ten goede kunnen werken, ongeacht hun aard. Zoek dan een taak uit in uzelf, die voor de demonen en engelen gelijkelijk juist en goed is en u zult plotseling zien dat de strijd tussen licht en duister verdwijnt en dat daarvoor de openbaring van een lichtende werkelijkheid plaatsvindt.

Het is niet aan mij het oordeel te spreken over wat er op de wereld gebeurt. Al wat er op deze wereld plaatsvindt, wordt uit de kosmos door invloeden gedicteerd. En de mens laat zich eveneens door die invloeden dicteren, niet beseffende dat hij in zich het vermogen heeft zich van deze dictatuur van buitenaf vrij te maken. De mens is werkelijk vrij, wanneer hij de invloeden van buiten, in zich richt volgens zijn eigen wezen. Misschien dat u opmerkt: Maar wij kunnen toch niet alle krachten bewust beleven. U hebt gelijk. Maar wanneer u alle krachten, die u zich wel realiseert, alle invloeden, waarvan u wel kennis hebt, tot eenheid brengt, dan zult u die andere krachten automatisch gaan kennen, want zij worden dan duidelijk.

Wat nu in de veelheid verborgen blijft, staat dan plotseling eenzaam en alleen duidelijk kenbaar, zoals een boom in een bos niet zichtbaar behoeft te zijn, maar op de vlakte zichzelf met geaardheid, wezen, grootte van verre reeds aankondigt.

Wanneer wij in onszelf harmonie scheppen, doen wij de andere invloeden duidelijker en scherper omschreven voor ons staan. Dan weten wij dus zelfs t.a.v. zaken, die wij nog niet kunnen aanvaarden of verwerken in onszelf, wat er rond ons is. En daardoor wat er rond ons kan gebeuren. Onze taak is steeds weer: bewuster worden van datgene wat er rond ons is, bewuster worden van onszelf en de krachten in onszelf en het uiting geven aan de essentie van ons wezen door de krachten in onszelf tot harmonische werking te brengen.

Waar komt de taak vandaan? Uw taak is kosmisch. Niet menselijk en voor één leven bepaald. U bent deel van een totaliteit en uw functie in die totaliteit is vastgelegd van het begin af aan. Deze functie dient u te vervullen, ongeacht het oordeel van mensen of misschien de kritiek van entiteiten. Maar u kunt ze alleen juist waarmaken, wanneer u de taak, de kern van uw wezen, niet zelf verwerpt.

Wie met de harmonische krachten wil werken, zal zichzelf moeten aanvaarden zoals hij of zij is. Geen poging tot ontwijken, geen poging om verder te gaan, een poging om jezelf te zijn en dan datgene, wat in jezelf kenbaar is tot harmonie te brengen. Mensen zeggen: Wordt een taak dan ooit werkelijk vervuld? Het antwoord moet luiden: Wanneer de taak vervuld is, bent u één te geworden met uw kosmische persoonlijkheid. En de taak omvat vaak vele levens en vele werelden. En een taak, die u misschien in het begin hebt gehad toen u voor de eerste maal van uw leven en van uw zelfstandigheid bewust werd, zal u nu nog domineren; is nu nog de essentie van uw wezen en uw vermogen en zal die blijven tot de laatste dag en het laatste bestaan toe.

Ik geloof dat ook dit belangrijk is. Besef dat je taak niet verandert, maar dat ze deel is van je wezen. Besef dat die taak niet terzijde geschoven kan worden, omdat je jezelf niet terzijde kunt stellen. Bewustwording van een taak is, zeker op aarde, altijd gedeeltelijk. Dat geldt in vele sferen evenzo. Maar al wat wij zien is geen verandering van taak, maar slechts een aanvulling van ons bestaande weten omtrent de taak. Daarom zal al wat wij doen, de krachten die in ons berusten, ook onszelf brengen tot een juister bewustzijn van de taak. De taak, die wij nu slechts ten dele hebben beseft. Het zal ons brengen tot een juister erkennen van onze kosmische persoonlijkheid en betekenis. En het zal ons zeker tenslotte ook voeren – en dat lijkt mij wel het belangrijkste van al – tot het gebruiken van ons wezen als een harmonisch instrument van de oneindigheid in elk deel van die oneindigheid, waarin ons besef zich als ik-heid manifesteert.

Print Friendly, PDF & Email