Bepaalde verschijnselen in filosofie en esoterie

image_pdf

12 januari 1962

Allereerst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp voor heden: Bepaalde verschijnselen in filosofie en esoterie.

De mens is geneigd aan de hand van eigen denken een toren van denkbeelden op te richten, die haast gelijk komen aan de legendarische toren van Babel. Men begint met feiten, dat is goed. Vanuit die feiten, geleid door eigen denken, gevoelen en geloof, bouwt men vervolgens verdere stellingen op, die reeds meer verwijderd zijn van eigen stoffelijk wezen en de werkelijkheid van eigen stoffelijke wereld. Ook dit is aanvaardbaar en kan buitengewoon goede resultanten hebben. De mens gaat nog verder met zijn bouwsel. Hij gaat zelfs verder, wanneer hij door de stellingen, die hij heeft opgetrokken, zijn eigen wereld en de daarin liggende menselijke werkelijkheid niet langer meer kan zien.

De toren van Babel wordt vaak voorgesteld als zo hoog, dat de spits door de wolken heen steekt. Een mens, die innerlijk streeft, een mens, die filosofeert en nadenkt, kan ook wel eens boven de wolken komen, maar hij moet toch steeds een contact blijven behouden met zijn eigen basis. Hij mag nimmer de grondslag, vanwaar hij is uitgegaan, uit het oog verliezen. Wij zijn, vooral wanneer ons bouwwerk van stellingen en gedachten indrukwekkend hoog wordt, nogal eens geneigd ons dergelijke primaire feiten en uitgangspunten wat lichter te nemen. In vele gevallen gaat men zelfs niet meer na, of de geponeerde stellingen nog wel in de menselijke werkelijkheid passen. Men gelooft er nu eenmaal in en meent, dat men het dan verder wel zal kunnen redden. Maar dan ontstaat een begripsverwarring. Op het ogenblik, dat ons denken zich te ver gaat verwijderen van de normale redelijke processen, wanneer onze stellingen en innerlijk beleven geen contact meer hebben met de wereld, waardoor vergelijkbare waarden niet meer kunnen worden beseft, zullen wij ook niet meer in staat zijn ons in die wereld normaal te gedragen. Wij kunnen desnoods wel eens meerdere werkelijkheden naast elkaar stellen. Dat is wel degelijk mogelijk, maar alleen wanneer er tussen de beide werkelijkheden, waarin men leeft, of waarmee men werkt, toch nog een band bestaat.

Deze band kan b.v. het verschijnsel zijn. Is er geen band meer tussen onze geestelijke, innerlijke, of filosofische wereld en het feitelijke bestaan, dan kan gesteld worden, dat de stellingen enz. niet deugdelijk zijn, terwijl de mens, die desondanks aan deze stellingen vast blijft houden, als mislukt mag gelden.

De poging is waardeloos geworden. Men zal weer tot het punt van uitgang terug moeten keren, tot de oerwaarden, om vandaaruit hernieuwd te gaan streven naar een juister en beter contact met het hoogste. Hierin zal voor menigeen een reeks van voetangels en klemmen geborgen zijn. Want indien nu eenmaal een geloof verkondigd is, ofschoon het geen rekening met de feiten houdt en redelijk niet bruikbaar blijkt, zo meent men toch, dat men het niet zo en zonder meer mag verwerpen. Toch is het beter om dit – indien nodig – wel te doen Een esotericus leeft op aarde als het gevolg van een lange ontwikkeling, zoals de meeste mensen. Hij heeft veel doorgemaakt, vóór hij als mens kon gaan leven. De werkelijke impulsen en beweegredenen, de werkingen van oorzaak en gevolg, zijn met hem mee naar de stof gekomen.

Zijn bestaan in de stof heeft dus wel degelijk een doel en is een algehele voortzetting van alle vorige bestaansfasen. De mens heeft niet slechts willekeurig en bij toeval zijn basis juist op deze wijze in de stof gevonden. Het stoffelijk bestaan onder bepaalde omstandigheden, met bepaalde mogelijkheden en zelfs impulsen, is geen toeval. Het is voor de mens een noodzaak.

Wat is nu de eerste basis van het leven? U weet het allemaal: Het leven is voor alles zelfverdediging, zelfbehoud, het verwerven van voeding – geestelijk zowel als stoffelijk – en het eigenaardige element in het bestaan, dat wij vreugde plegen te noemen. Een mens, die geen vreugde kent, zal nimmer menselijk kunnen leven. Een mens, die zichzelf voortdurend bedreigd ziet, wordt door zijn angsten beheerst. Een mens, die niet gevoed wordt, gaat door gebrek ten onder. De basis van het leven wordt dus weerspiegeld door het eenvoudige menselijke bestaan. Daarin vinden wij altijd weer iets, wat voor ons beter geschikt is dan andere dingen. Dit blijkt b.v. bij ons streven ons eigen bestaan te verzekeren, stoffelijk zowel als geestelijk. Het in stand houden daarvan kan op 1001 manieren geschieden. Ook t.a.v. de voeding bestaan er ongetelde mogelijkheden. Het is maar zelden, dat men werkelijk gedwongen is, door het ontbreken van andere mogelijkheden, zijn eigen bestaan op een bepaalde wijze te verdedigen, of een bepaald voedsel met uitzondering van alle anderen als enige te aanvaarden.

Ook wat de vreugde betreft, bestaan er vele mogelijkheden dezen te beleven. Ik denk hierbij niet alleen aan de geestelijke vreugden, maar wel degelijk ook aan de stoffelijke vreugden, die op de wereld bestaan en erkend worden. Wij zelf moeten een keuze doen, wijzelf moeten een bepaalde weg kiezen. Dit is alleen op een verantwoorde manier mogelijk, wanneer wij daarbij van het eigen ik uitgaan. Het ego, complex als het op aarde geïncarneerd is, heeft zijn voorkeuren op menig gebied, terwijl het ook tegenzin en zelfs afschuw in zich draagt.

Daardoor zal men tot sommige dingen aangetrokken worden, andere dingen zullen ons afstoten. Zolang wij binnen de essentiële waarden van het leven blijven, mogen wij in het leven een keuze doen aan de hand van de mogelijkheden en de in ons bestaande harmonieën.

Daardoor gaat men een deel van eigen leven en levensmogelijkheden verwerpen. Men stelt: Dit past niet voor mij. Op zich is dit goed, want juist door beperking wordt het mogelijk bewust te leven. Deze beperking moet altijd redelijk blijven. Wij mogen niet om een bepaalde geestelijke behoefte en beleving te bevorderen, het lichamelijke zijn geheel buiten beschouwing laten. Evenmin kunnen en mogen wij, ter wille van het voedsel, al het verdere zijn terzijde stellen. Zolang wij eenzijdig streven, zullen wij nooit iets kunnen bereiken.

Zo kan een harmonische opbouw ontstaan, wanneer alle geestelijke en stoffelijke waarden gelijkelijk meetellen in ons streven. Wij verkrijgen dan een opbouw, die als pijlers heeft: positief denken, plus de vreugde en aan de andere zijde negatief en ontkenning. De tegenstellingen zijn noodzakelijk, want met het erkennen van deze 4 waarden, zoals zij voor ons bestaan, kunnen wij ons eigen leven omgrenzen. Aan de hand daarvan kan een ieder voor zichzelf beginnen te stellen, wat zij voor zich wel en wat hij niet wil zijn of worden. Dit is de gezonde basis voor alle verdere ontwikkeling, zeker voor de esoterische. Dit moet ook de basis zijn voor elk gedachtebeeld, dat u in uzelf opbouwt.

In alle dingen dient voor u de begrenzing van uw eigen wezen en leven tot uiting te komen, de begrenzing, die u dus zelf hebt vastgesteld. Om nu verder te gaan moeten wij trachten alle omschrijvingen van de begrenzing, zowel als alle waarden van het leven, terug te brengen tot het moest essentiële. Esoterie is in feite gebaseerd op het vereenvoudigen van de vaak voor ons zeer complexe aardse verhoudingen. Men doet dit vooral door daarin harmonische mogelijkheden en bereiking, plus gevoelselementen, verder in te voegen op bewuste wijze. Wat zo ontstaat, kan vergeleken worden met een soort trappiramide. Elk laagje dat wij naar boven toe bouwen, is dan iets kleiner, iets beperkter van opvatting omtrent het ik en hetgeen, dat ik vervolgens in de wereld moet zijn. Maar vanuit elke hogere trap moet ik nog steeds de basis kunnen zien. Want alleen wanneer ik ook de basis van het stoffelijk bestaan steeds voor ogen houd, kan ik redelijk blijven leven en streven. Juist dit laatste vergeet men wel eens. De grondslag van het leven is en blijft materie, materiële redelijkheid en de waarden van het materiële bestaan, zolang men in de stof leeft. Wanneer wij in de geest leven, wordt dit alles anders, dat weet ik ook wel. Maar op het ogenblik, dat u het geestelijke alles laat overheersen, terwijl u nog in de stof leeft, overziet u uw eigen mogelijkheden niet meer. Dat betekent, dat elke conclusie, die u verder trekt – en dit geschiedt toch altijd weer op grond van het stoffelijke denken en de stoffelijke redelijke begrippen – vanaf dat ogenblik onjuist zal zijn.

Wat is er verder nog belangrijk? In de eerste plaats, dat wij een onderscheid weten te maken tussen de werkelijkheid van de materie en b.v. het mentale leven, of bepaalde geestelijke werkingen. Ik spreek nu nog niet eens van de ziel en al, wat daarmee verder nog verbonden is. De kwestie “stof” moet worden gezien als een voor zich en in zich afgerond geheel. Dit stof zal nooit geestelijk kunnen zijn; zij kan alleen drager zijn voor bepaalde geestelijke werkingen en bewustwordingen. Dus: Een deel van de geest kan door het stoffelijk beleven ontwikkeld of gesteund worden. Maar dat houdt nog niet in, dat het stoffelijke beleven nu ook tevens geestelijk is. Soms vergeet men dat wel eens, maar daaruit komt weer een eigenaardige verwarring voort. Een vriend van mij noemde dit eens: “Een ware hachee van stoffelijke mogelijkheden en half verteerde geestelijke ideeën”.

Dat men met een dergelijk verward geheel maar weinig goeds tot stand kan brengen, zal een ieder uit de formulering reeds begrijpen. Wie beseft, dat al zijn stoffelijk handelen, geheel zijn doen en laten binnen de menselijke wereld, tevens als steun voor de geest en haar ontwikkelingsmogelijkheden moet dienen, terwijl het tevens de bron van een gezond en bewust denken moet zijn, gaat in de juiste richting. Men bouwt zich daardoor een afgerond en redelijk harmonisch stoffelijk bestaan op. Vanuit dat bestaan kan men een gedachtebeeld opbouwen omtrent de wereld, dat wij dan wel een mentaal beeld kunnen noemen. Daarin wordt de wereld beknopter en t.a.v. de kosmos tevens ook vaak juister gedefinieerd.

Op het ogenblik, dat men zo een redelijk beeld verworven heeft, dat niet in zich strijdig wordt, zullen binnen het Ik de z.g. gevoelswaarden gaan werken. Zo worden de volgende lagen van onze piramide in feite gevoelskwesties. Daarin vinden wij vereenvoudigingen van het leven en de grondwaarden daarvan, die niet geheel redelijk meer zijn, maar voor het ik toch bevredigend zijn. Deze waarden zijn, zover het ons innerlijk en geestelijk leven betreft, vaak van groter belang dan beter beredeneerde stellingen. Onze selectiviteit, ons zoeken naar de juiste harmonie is, zodra wij boven de mentale mogelijkheden uitstijgen, niet redelijk meer, maar wordt door onze eigen instelling bepaald, die op haar beurt weer grotendeels voortkomt uit onze vroegere ervaringen, die in de stof slechts zelden redelijk beseft kunnen worden. Zo bouwt men trap na trap. Elk van deze trappen is een wereld voor zich. Elk hoger gelegen laag, of levenssfeer, die harmonisch genoeg is, brengt ons dichter bij de oerkracht. Zelfs wanneer wij die oerkracht ervaren kunnen, is er voor ons geen mogelijkheid tot bewuste uiting daarvan mogelijk, zij het dan op de grondlaag, de bodem van onze piramide. In alle andere gevallen is een werkzaam zijn alleen mogelijk onder leiding van wezens, die tot een hogere wereld behoren en zo het ik instrueren.

Uit eigen besef werkzaam zijn, zelfs indien men in zich de Goddelijke krachten draagt, is voor de mens alleen mogelijk in, of vanuit de stof. Ook dit punt wordt al te vaak over het hoofd gezien, want alles, wat wij vanuit een hoger niveau tot stand brengen, heeft geen werkelijke betekenis voor een mens in de stof. Het is als een tekening in de lucht, zover het directe bewustzijn erbij betrokken is: Er blijft niets kenbaars van over. Later zal men misschien wel bemerken, dat een uiting op hoger niveau toch wel kenbaar is. Maar daaraan heeft men niets voor zijn bewustwording in de stof. Daarom is het goed steeds uit te gaan van het standpunt, dat elke impuls – zelfs de hoogste – uitbaar moet zijn via het laagste niveau van bewustzijn op de wereld, waarin men volgens eigen bewustzijn leeft. Alle bewustwording en ervaring moet dus gebruikt worden om ‘t bestaan op dit wereldniveau een persoonlijker, harmonischer, maar ook juister en meer definitieve vorm te geven en buiten het eigen ik tot uiting te brengen.

Nu ik ook dit gesteld heb, komen wij aan de innerlijke ontwikkeling toe. Nu is het innerlijk wezen van de mens, noem het voorlopig maar de geest, zonder verder onderscheid te maken, de kern van uw bestaan. Het is tevens de kern van elke uiting, die boven de ogenblikkelijk beleefde wereld ligt. Wanneer wij deze kern van het wezen – in feite is dit dus de ziel in het volgende beeld – ons voor willen stellen als een koker, die in het midden van de piramide omhoog streeft, kan worden gesteld: De kern van het wezen is de verbinding van dit wezen en al zijn uitingen of mogelijke werelden met de kosmos, met God. Ofschoon het Goddelijke licht door deze koker tot op het laagste niveau ons wezen kan bereiken, zullen wij haar niet kunnen zien als een kenbaar en hanteerbaar deel van het ik. Zover het ons bewust bestaan betreft, is deze kern of ziel eigenlijk niets. Wanneer wij langs deze koker omhoog willen stijgen, om meer bewust ’t Goddelijke te ondergaan of te erkennen, zullen wij dit moeten doen door ons eigen bewustzijn langs de baan van de ziel te verhogen via de verschillende vlakken van de geest.

Dan ontstaat er een ogenblik, waarop wij a.h.w. vermoeid zijn. Ons bewustzijn is uitgeput en maakt een direct verder stijgen onmogelijk. Wij zullen dan een soort ruimte maken in de laag van ons wezen, die wij zo bereikt hebben en hiervan een rustpunt maken voor het bewustzijn. Dit wordt een wereldje, waarin de geest zich kan concentreren, zover het haar bewustzijn betreft en zo contact kan onderhouden met zowel de hogere als de lagere delen van het eigen wezen. Indien men deze fase bereikt, heeft men vele mogelijkheden tot verdere bewustwording, tot een beheerst verder gaan. Het vergt enige tijd, voor men zover komt. Voor de filosoof betekent een dergelijke periode van rust, dat hij in staat is zijn denkbeelden en inzichten te herzien, te vereenvoudigen en te herleiden tot de voor hem binnen het ik bestaande mogelijkheden en toestanden. Voor de esotericus betekent het bereiken van een dergelijk rustpunt eerder, dat hij zijn innerlijke krachten kan manifesteren, kan duidelijk maken binnen de voor hem bestaande, stoffelijke omstandigheden. Uit deze rust meent men vaak zonder meer over te kunnen gaan tot een totaal nieuwe opbouw. Men is geneigd het bereikte rustpunt als nieuwe basis te zien. Maar zolang u in de stof bent, of in een geestelijke wereld leeft, is dit niet mogelijk. Een hernieuwd beginnen vanuit een eenmaal binnen het Ik bereikt punt is niet mogelijk, omdat er dan in deze basis een “niets” bestaat, dat het verder gaan in het middelpunt onmogelijk maakt. Vanuit een dergelijk rustpunt zal men zich, door een apex van ideeën volgens de oude weg, verder moeten verheffen. Indien men dit juist doet, zal men in staat zijn op zijn piramide de kroon, de hoeksteen, te plaatsen. Deze hoeksteen, in zich één geheel zijnde, omvat van een binnen het ik bestaand beeld van het Al en alle krachten daarin voor het ik bestaande, zodat de Schepping a.h.w. binnen het ik herbeleefd wordt, zonder dat een scheiding in verschillende vlakken van beleving meer optreedt.

Tot het zover is, zal men de eenmaal aanvaarde weg moeten volgen, anders gaat het nu eenmaal niet. Daaruit volgt dan, voor de mens althans: Al, wat wij zijn en doen, is stoffelijk uiten kenbaar, mits wij op de juiste wijze leven. Al, wat wij denken, kennen en verwerkelijken, zelfs op hogere niveau, zal ons de stoffelijke mogelijkheden en waarden scherper doen beseffen, terwijl wij daardoor eveneens een beter begrip krijgen voor de consequenties van ons bestaan in de stof en de betekenis voor anderen van de in ons gemanifesteerde stoffelijke waarden. Elk contact met hogere kracht of geest, dat wij kunnen verkrijgen, b.v. door het ontstaan van een meer bewust contact op een hoger vlak van bewustwording, elke glorieuze inval die wij krijgen, wanneer wij een filosofisch bouwwerk op hebben getrokken, moet op een gegeven ogenblik door middel van ons wezen en de door ons besefte opbouw daarvan, herleid kunnen worden tot de eigen wereld. I.v.m. filosofie en esoterie is er nog iets eigenaardigs. Daarvoor moet ik een ander beeld kiezen.

Strand: er is een mooi glooiend zandvlakte. De zee komt aanruisen, aanbrullen. Voor ons is dit strand één geheel. Wij zeggen niet: Hier liggen ontelbare korrels zand, maar stellen: Dit is het strand. Toch is het feitelijk een ontelbare hoeveelheid van geheel niet samenhangende korreltjes, die alleen door vocht of misschien plantengroei samengehouden worden. Elke korrel zand is weer een afgerond geheel en heeft een eigen vorm, structuur en karakter.

De samenstelling van die deeltjes is niet belangrijk. Het is hun persoonlijke kwaliteit, die hen tot zand maakt. Het is de hoeveelheid, plus plaats, die hen tot zand maakt. Voor mens en geest kunnen wij iets dergelijks stellen: Elke afgeronde gedachte, die wij vinden op zich, is misschien erg mooi. De relatie tussen de in ons bestaande afgeronde gedachten en zelfs tussen deze gedachten en onze daden is – vanuit een standpunt van bewustwording – niet belangrijk. Het is eerder de veelheid van in ons bestaande gedachten, die het ons mogelijk maakt om de kosmische oceaan van levenskrachten, die op ons aan komt golven, op te vangen en delen daarvan in ons op te nemen. Een hoeveelheid van gedachten is noodzakelijk om het ik te manifesteren als een bewuste eenheid, die niet meer de slaaf is van alle invloeden van buiten af, onvermogens iets te beseffen, of te ontvangen van de oceaan van kracht rond dit ik. Is er een veelheid van gedachten, dan ontstaat een uitwisseling van gedachten door middel van diezelfde levenskracht. Wanneer wij na een storm de zee bezien, is zij grauw van kleur. Dit is te wijten aan de vele zandkorrels, die in de watermassa zweven.

Deze korrels worden t.z.t. weer op het strand afgezet.

Vele mensen denken veel. Zij streven ten goede e.d., maar toch mankeert er iets aan: de kwaliteit van hun denken mag goed zijn, maar in hun denken zijn zij eenzijdig: De kwantiteit is onvoldoende. Zij blijven daardoor zwevende. Zij kunnen er niet toe komen een werkelijk Ik te zijn, dat zichzelf kent en begrenzen kan, maar zien hun eigen denken eerder steeds weer zonder te beseffen hoe, verdwijnen en elders neerslaan, waar zij in een ander ik pas hun werkelijke betekenis verkrijgen. U kunt zich niet ontworstelen aan de drijvende invloeden vanuit de kosmos op grond van één enkel denkbeeld of gedachte. Evenmin zal het u daardoor mogelijk zijn bewust een richting te kiezen binnen de voor u bestaande reeks van mogelijkheden. Alleen degene, die zoveel gedachten bezit, dat daaruit een vast bewustzijn, een vast omschreven ego, dat zichzelf beseft, kan ontstaan, kan zeggen: Ik besta en leef bewust binnen die kosmos…. Maar eerst degene, die uit de veelheid van eigen gedachten en daden weer een duidelijker en eenvoudiger beeld van eigen wezen en werken kan verkrijgen, mag stellen: Ik ben een steeds groeiend ik, waarop vanuit het Goddelijke steeds weer nieuwe gedachten en krachten worden afgedrukt. Ik word steeds bewuster en zal ook steeds meer van de kosmos leren kennen, zelfs van die delen, die niet feitelijk deel van mijn eigen wezen zijn. Misschien vindt u deze stelling gevaarlijk. Vanuit menselijk standpunt alleen bezien is zij dit ook ongetwijfeld. Want de mens zegt, dat de juiste volgorde der gedachten belangrijker is dan hun veelheid, maar dat is lang niet altijd waar. Vergeet niet, dat geordende gedachten vaak door niet geordende worden verslagen. De niet dogmatische denker zal vaak de meerdere blijken van de dogmatische, aan een bepaald systeem gebonden denker. Eens werden de zeer systematische vechtende en marcherende Romeinen verslagen door de niet geordende, maar bewust strijdende barbaren. Het Teutoburgerwoud toonde aan, dat de Germanen, door hun betrekkelijke vrijheid van alle vaste stellingen en ideeën, de meerderen waren van een grote Romeinse legermacht.

Ordening en samenhang zijn alleen van belang, wanneer men eerst over de veelheid beschikt en daarnaast in de ordening niet ’t elan, de stuwkracht verliest. Dit geldt ook voor het menselijk denken. Het is belangrijk, dat het innerlijk een bepaalde stuwkracht heeft, zelfs wanneer het denken dan wat minder geordend is. Ook al zullen de medemensen ons niet geheel kunnen begrijpen en zullen wij misschien niet eens onszelf geheel kunnen begrijpen. Dat kan wel wachten tot later, want de kosmische oceaan ordent voor ons veel, wat wij zelf niet kunnen ordenen en op de juiste plaats brengen. Elke afgeronde gedachte, die volgens ons eigen denken goed is, is een uitbreiding van ons wezen, een vergroting van onze mogelijkheid tot bewustwording. Ook elke daad, die goed is en afgerond, is daarvoor van belang. Maar elke gedachte, die niet geheel afgerond wordt, die men halverwege laat hangen, is een verwijdering van de mogelijkheid tot bewustwording en een nadeel voor het ik.

Elke daad, die niet geheel afgerond is, wordt, wanneer zij niet geheel wordt volbracht, of geheel verworpen, maar half blijft, een verwijdering van het eigen ik, een vervreemding van de Goddelijke kracht in ons, want de bewuste wordingsgang dient nu eenmaal uit een veelheid van ervaringen en gedachten opgebouwd te worden. Dit betekent verder, dat wij nooit mogen stellen: Langs een vaste weg alleen bereikt men het hoogste. Of: Bewustwording gaat steeds weer uit van een enkel feit. Wij kunnen nooit alle ervaringen, die op ons af komen, afwijzen in dat geval; ook niet, wanneer wij op hogere niveaus komen. Maar zij kunnen niet in ons beeld van het ik worden opgenomen en blijven daarmee strijdig. Van God uit is het contact naar alle leven, tot het laagste toe, geheel mogelijk. Slechts het leven, dat zichzelf voldoende heeft uitgebreid, voldoende ervaring en bewustzijn heeft opgedaan, kan vanuit zich een weg tot God vinden.

Esoterie

Esoterisch gezien is het Oosten een wonderlijk land, omdat de gehele hiërarchie van hemelwezens altijd zal worden beschreven als staande buiten en los van de mens, of terzijde zal worden geschoven om vervangen te worden door een streven naar innerlijke sereniteit in de mens. Het innerlijke pad, zoals dit over het algemeen gaat bij de verschillende scholen van hindoe en boeddhist is dan ook in veel mindere mate dan elders gebaseerd op erkennen van waarden in het Al. Je groeit in jezelf. Zoals de westerling worstelt om in zich innerlijk weten te verwerven, zal de oosterling worstelen, om innerlijke rust te verkrijgen. Deze tegenstelling kan, vooral in de eerste fase van het esoterisch streven, het beste omschreven worden met de woorden: Zoeken naar kennis tegen een zoeken naar ontvankelijkheid.

Deze ontvankelijkheid impliceert een groot aantal verschillende inwerkingen op het ik, beginnende met het contact met de medemens. Een van de meest bekende middelen tot bewustwording voor hen die in het Oosten zoeken naar innerlijke waarden is een vorm van gemeenschappelijke meditatie, waarbij men alleen maar stil tezamen zit, zonder zelfs maar over iets te denken. Wel zal vaak een enkeling – vaak een oudere of een geestelijke meester – wel enkele woorden van inleiding spreken, om zo a.h.w. het patroon van deze gemeenschap in de geest te bepalen. Daarna is er sprake van een soort delen van elkanders gedachten. Dit gezamenlijk denken ontbeert de samenhang, die men in het Westen binnen een esoterische samenkomst zo gaarne ziet. Er is geen sprake van een uitwisselen van gedachten of van een onderling betogen. De innerlijke kennis, die eenieder bezit, komt echter aan de oppervlakte van het wezen en vult zo de denkbeelden van de anderen aan. In deze meditatie lijkt het, of men zelf denkt, maar een deel van dit denken en vooral de teneur van de gedachten wordt bepaald door het tezamen met anderen op een gemeenschappelijk niveau actief zijn.

Wanneer wij nog een schrede verder gaan, zien wij, dat men voor zich een ontruktheid en stilte zoekt – niet, zoals u zou menen, om met een geestelijke wereld in contact te komen, maar eenvoudig om als eerst de gedachten van anderen, nu het wezen van deze wereld in het ik te kunnen absorberen. Men neemt in zich het karakter, wezen en leven op en – zo wij deze uitdrukking hiervoor mogen gebruiken – het denken van bv. een woud, van een plant, van dieren, een landschap, een rivier. Men laat zich doordringen met de voor de mens vreemde, maar toch reële uitstralingen van dit alles, men beleeft deze. In de toestand van ontruktheid, die een trancetoestand nabijkomt of daarin overgaat, is er geen sprake van een begrijpen of weten in de menselijke zin van dit woord: er is slechte een ondergaan van het zijnde.

Heeft men dit ondergaan ver genoeg doorgevoerd, dan komt men tot meditatieoefeningen, waarbij dus een zekere selectie plaats vindt. Het vreemde is ook hier weer, dat de oosterse esotericus niet begint met zich een geestelijk doel te kiezen. Zijn eerste overwegingen zijn over het algemeen overwegingen, die direct zijn eigen wereld betreffen. Zelfs in de yogasystemen zien wij vaak meditaties over bv. het lijden van de mensheid, de grootheid van de wereld, de betrekkelijkheid van macht e.d. opduiken. Het gaat ook hier om een deel-zijn van de wereld. Bij sommige scholen gaat dit gepaard met een op de duur verplaatsen van eigen bewustzijn naar een bepaald deel van die wereld. Men gaat bv. vanuit het klooster waar men zich bevindt, waarnemingen doen in het dorp, waar men geboren is. Zo leert men de geest vrij te maken.

Maar het gevolgde systeem, zowel als het proces zelf ontberen wederom alle redelijkheid volgens westerse normen.

Er is een beweeglijkheid en ontvankelijkheid van de geest door dit alles ontstaan. Eerst wanneer men een zekere eenheid met de wereld en de mensheid gevoelt, kan men – althans volgens de oosterse stellingen – verder gaan. Men verlaat de wereld niet, maar ziet haar samenhang met het hogere: de omgeving van het ik wordt groter. Hierdoor breidt zich ook de reeks van indrukken uit, die men kan opdoen. Het resultaat wordt niet uitgedrukt in weten, in wetenschap, maar in een gevoel van erkenning, een weten, dat geen woorden vindt, maar eerder een soort regimentatie of zelfs reglementatie inhoudt van eigen bewuste waarden, levensprocessen en eigenschappen.

Ga je verder en wil je de werkelijke werelden van de geest betreden, dan wordt men allereerst geconfronteerd met de wereld van de schijnvormen. Een van de opdrachten, die men bij een inwijding wel krijgt, luidt dan ook: Trek u terug in eenzaamheid. Bouw uzelf de figuur op van een godheid, tot zij zo werkelijk is, dat zij zichtbaar, tastbaar, hoorbaar naast u is en met u spreekt.

Heeft men dit gedaan, dan komt de meester, ziet dat het goed is en geeft de volgende opdracht: Nu zult gij deze figuur weer ontbinden, tot zij niet meer voor u bestaat. Men wil de mens daardoor trainen in het besef dat er buiten de fantasiewereld eigenlijk geen werkelijke vormen bestaan, dat alle voorstellingen betrekkelijk zijn, dat er geen werkelijkheid is in de vormen.

Want de irrealiteit van het stoffelijk en redelijk zijn is in het Oosten een van de kernpunten van alle redelijk en geestelijk zoeken in de esoterie.

Nu ben je zover, dat je een geest hebt geschapen en teniet hebt gedaan; je staat nu alleen. In die eenzaamheid, ga je beseffen, wat eenzaamheid, maar ook wat leven en dood zijn. Leven en dood worden tot een besef in jezelf. Je kunt deze waarden niet omschrijven, zij hebben geen vorm, maar worden intiem gekend. Het lijkt op de wijze, waarop volgens het volksgeloof, een moeder altijd haar eigen kind zal herkennen; waar het leven is, waar de dood aanwezig is, zal men ze herkennen, ongeacht de wijze waarop zij optreden, het masker, dat zij dragen.

Heeft men ook dit punt bereikt, dan begint langzaam maar zeker een zich invoelen in het Hogere – geen spel met en erkennen van sferen, maar een zich één gevoelen met de adem van de Schepper. Het wezen gaat door vele werelden heen, maar ziet deze allen als waan, wetende dat het eens zelf een God heeft geschapen en teniet gedaan. Het ik kan de realiteit van alle erkende stellingen en vormen niet aanvaarden; het zegt zich: Dit zijn alleen verschijnselen, maar niet de werkelijkheid zelf. De gedachte, aan Maya, de wereldbegoocheling, is ongetwijfeld uit deze fase van innerlijk bereiken geboren. Uit dit besef dus van vormen, die wij wel ondergaan, regels, die voor ons wel gelden, maar die ergens toch alleen maar een uiting zijn van iets anders, niet op zich werkelijk zijn.

Dan wordt de “adem” de kracht, die je beleeft. Een kracht, zo groot, dat je daaraan zelf in elke gewenste en besefte vorm gestalte aan kunt geven. Hier treffen wij onder de ingewijden mensen aan, die wind en regen roepen of dwingen heen te gaan, mensen die hun geest verplaatsen en voor eenieder zichtbaar en kenbaar elders manifesteren, kortom, mensen die wonderen wekken.

Maar toch mensen, die eenvoudig zijn, mensen die weten, dat het alles maar een spel van vormen is en daarom onbelangrijk, maar dat de kracht in alle dingen het enig werkelijke Zijn is.

Vanuit die kracht kan men dan opstijgen tot de erkenning van het scheppen. Want zoals je eens, na lange studie, die eerste god of geest hebt geschapen en te niet gedaan, zo kun je een heelal scheppen. Wanneer het gevoel voor evenwichtigheid, harmonie, het wezen van het leven, maar sterk genoeg ontwikkeld is, is het bewustzijn binnen de Kracht reeds een scheppen.

Het oude: “Ik ben, Die ben…” krijgt hier, binnen de oosterse esoterie op wonderlijke wijze een andere betekenis: “Ik ben”: Ik erken mijn eigen zijn en in deze erkenning wordt het totaal van de mogelijkheden, die in mij bestaan, geuit, want mijn wezen kan zich alleen harmonisch bewust zijn van zich zelf in een wereld, die harmonisch onwerkelijk is.

De schepping is geen werkelijkheid, alleen de Kracht der schepping. Maar de gedachten van de Schepper zal de vormen bepalen, waarin die kracht tot uiting zal komen.

Het heeft de westerling, ook de westerse esotericus vaak verbaasd, dat er een zo scherpe scheiding tussen de scheppende kracht of macht en de Schepper wordt gemaakt in het Oosten.

Nu wordt het waarom duidelijk: de levende kracht is onbepaalbaar, ongevormd. Zij is, zoals men zegt, een wind in de duisternis, die mens soms hoort of gevoelt, maar die men nimmer zal aanschouwen. Maar wie zich voedt met de wind, zo zegt dit beeld, zal uit de wind de vormen scheppen, die in hem leven.

En hiermede is de cyclus van de innerlijke gang naar God eigenlijk voltooid. Niet het bereikte vermogen tot scheppen is nu belangrijk, want wanneer de mogelijkheid tot scheppen van een geheel Al komt, zal men, wetende, hoe onbelangrijk alle waan is, daaraan voorbij gaan, zeggende: Niets is waar, buiten de Kracht.

Dit is een reeks van misschien wat ondenkbare stellingen voor iemand, die met zijn verstand tracht God te benaderen. Maar het verstand heeft, juist in deze zin, voor de oosterling geen enkele belangrijkheid. Het is een instrument, dat men in het leven hanteert; zeker, je gebruikt de voorstellingen en het besef daarvan, om met anderen tot een zekere communicatie te komen, zolang men niet naast de gedachte de Kracht, de werkelijke inhoud van het Ik in anderen kan laten overvloeien.

Maar belangrijk zijn deze dingen niet. Zij hebben geen zin. Het enig zinrijke is de absolute harmonie en deze wordt eerst bereikt, wanneer men zover is gekomen, dat men kan scheppen en zich dit scheppen als zinloos kan ontzeggen, op het ogenblik, dat leven mogelijk wordt tot in het oneindige en je bewust kunt zeggen: “Ik heb genoeg van deze vorm”, je neer kunt zetten en – zoals de mens dit ziet – sterft, omdat je verder gaat zonder lichaam of misschien zelfs zonder vorm.

Het is deze wonderlijke wereld der oosterse esoterie, die gelijktijdig de bakermat is geweest van alle westers esoterisch streven en toch voor het Westen een onbegrepen raadsel schijnt te moeten blijven. Zoals de zin van de oosterse esoterie staat t.a.v. het westers esoterisch streven, zo staat de oerkracht, het onbekende, m.i. ongeveer tegenover de Schepper, die aan deze kracht vormen geeft. Wat een belangrijk verschil uitmaakt.

De westerling zal op dit alles al snel reageren met een: Mooi, maar wat heb je er aan. En daarmede confronteert hij ons alweer met een groot verschil t.a.v. de oosterse esoterie. Deze zegt: Zolang ik er ergens iets aan heb, mis ik het niet werkelijk. Eerst als ik het ben, is het waar.

En als ik het ben, is het nog alleen maar de vorm, waarin ik de kracht, die in in wezen ben, weergeeft.

Vandaar deze ontkenning van een groot deel der redelijkheid, een verwerpen van vele theorieën. Juist dit aspect is de oorzaak ervan, dat de oude boeken van het Oosten – die vaak de wijsheden bevatten van vele geslachten, van denkers en bewusten – door het Westen wel verklaard kunnen worden, maar zelden of nooit in hun werkelijke betekenis worden begrepen.

De westerlingen zien de buitenkant, het heldendicht, de worsteling van goden, lezen de geheimzinnige wetten, regels en raadgevingen, en beseffen niet, dat deze dingen op zichzelf geen zin hebben. Men zoekt er dus een betekenis, een redelijke zin, lering en samenhang in en men kan deze tot op zekere hoogte zelfs vinden. Om de werkelijke betekenis ervan te doorgronden, moet men echter beseffen, dat deze werken voor alles een stemming weergeven, een vorm van bewustzijn, waardoor men ontvankelijk kan worden om de werkelijkheid te omvatten, meer niet.

Een wat zonderlinge zaak, zoals u zult toegeven. Maar wat kun je tegenover dit alles dan verstandelijk stellen? Je kunt in jezelf zoeken naar het geheime woord, dat de naam Gods is. Maar als je dit woord moet zoeken vanuit een mentaal begrip, zal je het beeld van God ook op willen bouwen vanuit je eigen begrijpen en kan er nooit een werkelijke en totale God worden beseft. Misschien kom je zover, dat je de werkelijke en geheime naam van een van de Eloahim noemt, maar dit is de ware God niet: Dit is alleen maar een deel van Zijn schepping.

Het oosterse denken, met zijn voor ons onredelijke gevoeligheid, gaat verder. In het Westen kan je grote en ingewikkelde stellingen opbouwen over het geheel der schepping – daarbij alle Sferen van Licht en Krachten van Licht benoemende, evenals alles wezens en werelden van schaduw en duisternis. Men kan komen tot een redelijke en in zich logische omschrijving van de gehele kosmos en alle menselijke verschijnselen, zelfs de werkelijke inhoud van het leven redelijk omschrijven, maar wat bereik je daarmede? Een omschrijving als deze is altijd maar een gedeeltelijke waarheid, nimmer een volledige. Zij is alleen maar een punt van uitgang, iets, waardoor je in een zekere stemming kunt komen. Maar als je die stemming dan niet op het ik laat inwerken, maar verder gaat volgens gestelde waarheid en ritueel, wat vind je dan anders terug dan je eigen conclusies? En die zijn, zoals wij reeds aantoonden, onvolledig.

De oosterse esoterie is niet gebaseerd op een meer worden of meer waardig worden van het individu, maar op een meer ingevoegd zijn van het ik in een werkelijkheid, die achter alle vorm en besef schuilgaat. Als westers esotericus is het moeilijk zo ver te komen: Men meent, dat er toch beperkingen moeten zijn. In het Oosten komt er een ogenblik, waarop de meester, die esoterische lessen geeft stelt: Nu ben je mijn dienaar en doe je alleen nog maar wat ik je zeg. De westerling zegt: Mooi, maar wat heeft dit voor nut? Krijg ik er iets voor? Neen. Het enige, wat op deze wijze wordt verkregen, is de onderworpenheid, de harmonie, waarbij men de meester kan gaan zien als een aanvaarden, als deel van het ik.

De oosterling trekt zich terug in de eenzaamheid. De westerling zou dit zelfde willen doen, om zo dichter bij God te kunnen leven. Maar dan komt het ogenblik, waarop de oosterling zegt: Ga terug naar de steden, wentel je in het slijk als een varken, proef van alle menselijke geneugten en alle menselijke laster. De westerling ziet zoiets als een degraderen van het Ik, een devalueren van de hoge waarden, die het ik bereikte. De oosterling echter stelt: Er is geen meer- of minder – waardigheid hierin. Wanneer je in de eenzaamheid de Kracht hebt gevonden, maar haar niet kunt vinden in het slijk, in de goten van de stad, heb je de werkelijke Kracht nog niet gevonden. De Kracht moet men in alle dingen vinden, dan pas is zij werkelijkheid.

De westerling stelt, dat, uit het bereiken van een zekere innerlijke status, toch wel een zeker vermogen, een zekere kracht, voort moet vloeien. De oosterling stelt echter: Dat denk je maar.

Je kunt je natuurlijk oefenen om een paar buitengewone dingen te bereiken, maar dit is onbelangrijk. Belangrijk is het, dat men zozeer in de werkelijkheid van de grote Kracht leert leven, dat men niet als iets bijzonders, maar als normaal deel van je leven, alles doet, wat noodzakelijk is. Indien dat toevallig voor anderen een wonder is, dan doe je wonderen, maar dit is geen bijzondere verrichting, niet iets speciaals, waarop men zich mag verheffen, het is een normaal deel van je werkelijke leven. Laat je daarop niet voorstaan en streef er niet naar.

Wanneer het wiel van het leven zo wentelt, dat iets noodzakelijk wordt, gebeurt het ook, dat is alles.

In wezen is het streven van de oosterling het bereiken van een daadloosheid, waarbij de goddelijke waarden alleen werkzaam zijn. Dit is veel moeilijker dan het stellen van daden. Dit is de reden, dat ik meen de oosterse esoterie over het algemeen hoger te mogen aanslaan dan de westerse. Ik meen echter, dat men zelfs binnen het kader van de bestaande westerse systemen van esoterie zou moeten kunnen gebruik maken van deze typisch oosterse instelling en daarvoor begrip moet kunnen vinden.

God spreekt tot ons als eens tot Mozes, in een suizelende stilte. Heeft men begrip voor de aanwezigheid van God en kan men zelf stil zijn, dan spreekt God tot ons in de stilte. Deze stilte is zo groot, dat wij zelfs onszelf daarin voor een ogenblik vergeten. God schrijft dan in ons wel een wet, maar die zullen wij eerst kunnen lezen, nadat de Stilte, de onmiddellijke eenheid met God, voorbij is gegaan, want in tegenwoordigheid van de grote werkelijkheid moet ons denken en daarmede ons bewust besef falen.

Om de eenheid met het Grote te bereiken, moet wij niets doen, zelfs niet trachten te erkennen.

Wij moeten alleen de grote Stilte van de werkelijke Kracht in ons wezen ondergaan. Dat is de les, die de oosterse esoterie ons kan leren.

image_pdf