Beschavingen, vroeger en nu, vergeleken

image_pdf

 2 november 1962

Aan het begin van de bijeenkomst wijs ik u er allereerst op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij hopen, dat uw zelfstandig nadenken mede zal blijken uit de vragen, die u zult stellen in het tweede deel van deze avond.

Voor wij het eigenlijke onderwerp aansnijden, wil ik nog even een ander punt toelichten. U heeft zich waarschijnlijk afgevraagd, waarom wij, nu Allerzielendag tevens de dag van bijeenkomst is, daaraan niet meer aandacht besteden. Wij menen, dat de viering van Allerzielen in de huidige tijd niet meer geheel past. Het herdenken van hen, die zijn heengegaan, door een wereld, die zich steeds meer blootstelt aan haat, de gevaren van een verstoorde natuur en de gevaren van de menselijke uitvindingen zelf, lijkt ons ofwel te sentimenteel, dan wel direct dwaas. Zij die overgingen, doen op het ogenblik alles wat zij doen kunnen, om de mensheid en de wereld te helpen. Logischer zou het dan ook zijn, dat wij in de sferen een “Allermensendag” zouden vieren, waarbij de arme mens herdacht wordt en getracht wordt de mensen terug te brengen tot vrede, onderlinge harmonie en het erkennen van de werkelijke waarden van het leven. Maar in feite zijn wij allen daarmee dag na dag bezig, terwijl de mensen van goede wil zeker niet slechts op één dag in het jaar de overgeganen herdenken. Daarom gaan wij verder met een normaal onderwerp. Ik hoop, dat u mij deze kleine verklaring vooraf zult willen vergeven. Ons onderwerp is een vergelijkende bespreking van: Beschavingen, vroeger en nu, vergeleken.

Wanneer wij het woord beschaving gebruiken, zullen velen geneigd zijn dit te verwarren met begrippen, als cultuur, leefwijze en goed zijn. Een beschaafd iemand, zo is de algemene opvatting, is iemand die weet wat hij moet doen en zich in de wereld weet te bewegen. Iemand, wiens mores, wiens gedrag, boven kritiek verheven zijn. Vaak beschouwt men beschaafd, als identiek met ‘goed’, maar in die zin is er op aarde nooit een werkelijke beschaving geweest. Ten hoogste de illusie van een beschaving heeft dan op aarde bestaan. De uiterlijke vormen blijken voor het begrip beschaving niet zo allesbepalend te zijn, als door de meeste mensen wordt aangenomen. Wij kunnen echter het begrip beschaving, zoals wij dit heden hanteren, wel omschrijven als een epoque, waarin binnen een omgrensd deel van de wereld een bepaalde wijze van leven, gepaard gaande met een ontwikkeling van kunst, godsdienst enz., ontstond.

Een vergelijken van de werkelijke waarde van beschaving kan zeker, zoals u wel zult begrijpen, ook de huidige tijd niet buiten beschouwing laten. Hierbij is het betrekkelijk eenvoudig bepaalde gelijkenissen op te diepen. Om u een voorbeeld te geven, in het alom bekende oude Ur, vaderstad van Abraham, bestond een koninklijke bakkerij, welke ook aan vele burgers leverde. Om de prijs bestendig te houden, werden in het stadsgebied rechten geheven, welke plachten te dalen of te rijzen in overeenstemming met de schaarsheid of veelheid van de aanvoer. Een dergelijke vorm van prijsbeheersing vinden wij niet alleen in het Nederland van vandaag, maar bv. ook in het oude Griekenland. Een goed voorbeeld daar is de wijze, waarop de ‘open tafel’ van de burgers in Sparta tevens de waarde van de landbouwproducten enz. bepaalde. Hierbij blijken de zogenaamde bijgiften van rijkere burgers de rol van subsidies te spelen, zodat een zekere marktbeheersing mogelijk wordt.
In Rome zien wij een systeem van heffingen – graanrechten, wijnrechten enz. – waaruit fondsen worden verworven, welke in tijden van schaarste en duurte worden gebruikt voor het verstrekken van graan en broodgiften aan het armere volk.
In Egypte vinden wij onder het zogenaamde tribuut van de vorst ook een jaarlijkse graanvordering. Deze dient voor handel, maar wordt ten dele ook opgeslagen, om een uitdeling van graan en zaaigranen mogelijk te maken in tijden van schaarste en bij mislukte oogst. Wel verschillen deze systemen onderling veel, terwijl geen van hen gezien kan worden als geheel overeenkomend met de nu gangbare systemen van belastingheffing. Maar dit neemt niet weg, dat dus alle genoemde Rijken – en ook vele buitendien – reeds in de verre oudheid een vorm van geleide economie kenden.

Ook parallellen in woongewoonten en andere gebruiken zijn in overvloed te vinden. De als Aurignacmens bekende bewoners van Z. Europa hadden een tijdlang de gewoonte met kleine groepen te wonen in kleinere, bij voorkeur enigszins boven elkaar gelegen grotten. Van recentere datum zijn stammen in Z. Amerika en het zuidelijke deel van N. Amerika, waarin de tijd, voorafgaande aan de opkomst van de pueblo Indianen, bij vele stammen het bouwen van een soort flats – boven elkaar gerangschikt in grotten – gebruikelijk blijkt te zijn geweest. Denk ook niet, dat publieke vervoermiddelen kentekenend zijn voor uw eigen tijd. Men is vaak geneigd te stellen, dat publiek vervoer eerst in de late middeleeuwen opkomt, om eerst werkelijk belangrijk te worden in de jaren 1800 – 1900. De taxicentrale van uw dagen blijkt bv. een waardige tegenhanger te bezitten in een centrale verhuur van stoelen en wagens in Rome.

Een vrijgelaten slaaf, die zich Josephus Publius noemde, exploiteerde op een gegeven ogenblik ruim 400 slaven en meer dan 150 draagstoelen van verschillend type voor stadsvervoer. Daarnaast beschikte hij over 60 wagens, waarvan enkele ook door paarden getrokken. Men kon over deze middelen van vervoer op afspraak, maar ook – indien aanwezig en ledig – op aanroep, zelfs in de straten, beschikken. Menigeen onder u zal menen, dat vervoer, in groepen over grotere afstanden, als door trein en tram, ten hoogste kan worden afgeleid uit de dagen van diligence en omnibus.
Maar in het Rijk van Tamerlane bestond reeds een wagenvervoer – hoofdzakelijk voor vrouwen en kinderen bestemd – waarbij vaste afstanden op geregelde tijden werden afgelegd. Deze ’treinen’, die ook goederen vervoerden, hadden het karakter van kleine karavanen, maar kentekenden zich door vaste vertrekdagen. Waar men zonder meer zich bij deze gezelschappen aan kon sluiten en ook stukgoed kon afgeven met bestemming op een van de vaste halteplaatsen, mag hier m.i. wel degelijk reeds van openbaar vervoer gesproken worden.

Overal vinden wij, indien wij dit wensen, parallellen met de huidige tijd, zelfs in verband met woningen, verwarming, stromend water enz. Stromend water en openbare baadgelegenheden vinden wij bv. ook op Kreta. In plaats van kranen of stromende bekkens vinden wij hier een soort sluissysteem. Riolering vinden wij hier reeds vroeg in de paleizen. Maar ook in Rome en Thebe vinden wij publieke rioleringen. Oude problemen blijken ook in uw tijd voor te komen. Wat bv. te denken van klachten in Rome, waarbij wordt gesteld, dat in het joden kwartier over de Tiber door sommige ondernemers huizen van 6 tot 12 verdiepingen hoog werden gebouwd, die gevaarlijk waren door de zwakke constructie? Overigens, de verdiepingen in deze gebouwen waren lager dan men nu bouwt en varieerden van 1 meter 80 beneden, tot 1 meter 50 in hogere verdiepingen. Er wordt zelfs een proces gevoerd tegen een bouwer, wiens huurkazerne zo slecht was opgetrokken, dat hij kort na de bouw reeds in elkaar stortte. De klagers verloren overigens, omdat de bouwer als patroon een senator had, die veel invloed bezat.

Overeenkomst met uw eigen tijden en gebruiken kunnen wij dus overal vinden. Maar indien wij ons afvragen, of dit dan een blijk van beschaving is, luidt het antwoord duidelijk: neen. Het peil van beschaving bij een volk wordt niet bepaald door zijn technische bereikingen en mogelijkheden. Gewoonte, sportbeoefening, het bestaan van publieke baden enz. zegt weinig of niets omtrent de beschaving van een volk, doch zegt ten hoogste iets over het technische peil en de welvaart daarvan. Zelfs het bestaan van sociaal getinte instellingen blijkt niet bepalend voor beschavingspeil, doch blijkt eerder voort te spruiten uit de opeenhoping van zeer vele mensen op een betrekkelijk klein oppervlak. Wij kunnen namelijk aantonen, dat wetten met sociale strekking en zelf publieke inrichtingen van voorzorg, voorkomen in alle grote steden van de oudheid. In Babylon, Thebe, Alexandrië o.m. treffen wij een publiekrechtelijke ziekenzorg – via tempels – openbare parken met baden, die tegen zeer geringe bedragen voor een ieder toegankelijk zijn enz. De openbare parken van Alexandrië waren beroemd. Een daarvan bevatte o.m. publieke baden, arena’s, een renbaan, vijvers, waarop men met gehuurde boten kon varen, openlucht toneel, een soort openluchtrestaurant en daarnaast vele schone vrouwen, wier liefde koopbaar was.

Hoe modern dit alles ook moge klinken, wij hebben ook hier te maken met verschijnselen. Waar echter ligt de werkelijke beschaving? De beschaving, die zich ook in kunst wel uit, blijkt te worden geboren in de menselijke geest. De mentaliteit van de mens is hiervoor bepalend. In een land, waarin de mensen geen kleren plegen te dragen, zich niet plegen te wassen, en geen regels van verkeer kennen, vinden wij soms een zeer hoge innerlijke beschaving. De gemeenschap blijkt daar samen te leven in een patroon, dat vol is van onderling hulpbetoon en respect voor het leven en de rechten van anderen. Dergelijke samenlevingen zijn vaak in opzet een coöperatie, als bv. tot voor kort nog bij de Jivaro’s. Wanneer aan de eis van onderling respect en samenwerking tegemoet wordt gekomen, terwijl geweld e.d. op de achtergrond blijven, hebben wij naar mijn inzien te maken met een volk, dat een hoog peil van beschaving kent. De technische ontwikkeling is daarbij volgens mij van minder belang.

Een volk, dat een groot deel van zijn bestaan baseert op het nemen met geweld en geen achting toont voor andere mensen, kan volgens mij nooit een werkelijke beschaving bezitten. Op het ogenblik, dat geweld en kracht de plaats in gaan nemen van het menselijke denken, zullen wij immers toe moeten geven dat de mens juist in de specifiek menselijke mogelijkheden faalt en daarom terug grijpt naar de dierlijke maatstaven als het recht van de sterkste en het geweld. Er is niet veel verschil tussen een roofdier, dat uitgaat om met zijn klauwen zich voeding te verschaffen, en een mens, die, onbekwaam om door eigen vindingrijkheid en arbeid, door eigen denken en streven iets te bereiken, uitgaat om, zij het als eenling of in gemeenschap met anderen, zich door middel van geweld, afpersing en roof het begeerde te verwerven.
Lager dan het dier blijkt de mens te staan, wanneer hij geweld pleegt om iets te verwerven, dat hij niet nodig heeft en voor hem zelfs geen reëel nut kan bezitten. Het is dan ook onmogelijk het werkelijke peil van beschaving af te meten aan de wapens, die gebruikt worden. De speer van eens en de bom van heden zijn immers alleen maar vervangingsmiddelen voor de klauwen van het roofdier. Daarbij komt, dat, zowel nu als in het verleden, de mens vaak wapens gebruikt, die hij niet eens zelf kan scheppen.

Ik hoop, vrienden, dat wij het eens zijn over de stelling, dat de werkelijke beschaving van de mens dient te worden gemeten aan de hem beheersende mentaliteit, niet aan zijn bereikingen zonder meer. Dán is een vergelijken van beschavingen wel degelijk mogelijk. Allereerst kunnen wij dan de vormen van samenleving onderscheiden. Elk van dezen blijkt een bepaalde mentaliteit met zich te brengen en als zodanig dus een maatstaf voor de werkelijke beschaving te vormen. De grootste tegenstelling vinden wij in de groepsstaat en de persoonlijkheidsstaat.
Een voorbeeld hiervan vinden wij in de opvattingen en verschillen van beleid tussen Sparta en Athene. Kentekenend is dat de filosofen, de denkers en leraren in beide stadstaten uit gaan van een geheel verschillend standpunt. Het standpunt van een groepsbeschaving stelt de groep als superieur: óns land, óns volk, ónze stad is slechts als ‘geheel’ belangrijk. Aan de belangen van de gemeenschap dienen allen zo nodig opgeofferd te worden. Wanneer men een dergelijke stelling aanhangt, is het logisch om, zoals in Sparta, te stellen: dat alle zwak of misvormd geboren kinderen zonder omslag gedood dienen te worden. Men hoeft dan immers geen rekening te houden met het kind, met de smarten van de moeder, maar alleen met de belangen van de staat, de gemeenschap. En deze kan nu eenmaal geen zwakke mensen, geen misvormden gebruiken.
In Athene daarentegen treffen wij de stelling aan, dat de staat zowel als haar bestuur voortkomen uit en deel zijn van het volk. Een ieder heeft daaraan deel, iedereen is mede aansprakelijk. Degene, die een openbaar ambt bekleedt, doet dit als dienaar van het volk en heeft dus ook de plicht elk lid van de bevolking naar beste kunnen en weten te dienen.
Een kentekenend verschil van opvatting, dat voor ons zeer belangrijk is, wanneer wij een vergelijking willen maken tussen de verschillende beschavingen. Want wij vinden beide gedachtegangen steeds weer terug, zij het soms enigszins anders uitgedrukt.

De vormen, waaronder beide grenzen van de menselijke samenleving en hun tussenvormen zich soms vermommen, blijken vaak misleidend te zijn. Wanneer ik u bv. vertel, dat in het verleden gedurende langere tijd het Boven Egyptische rijk als een democratische staat gezien dient te worden, zult u mij niet geloven. Toch hebben de vrije burgers in deze tijd reeds zoveel rechten, dat hun wil van beslissende invloed is op de vorm van de samenleving en de wijze, waarop deze zich ten opzichte van de omgeving zal uiten. Slaven hadden daarbij weliswaar geen stem, maar dit stamt uit de opvattingen van die tijd voort, men had immers geen machines en slechts in verhouding weinig hulpmiddelen. De slaaf werd dan ook gezien als chattel, als bezit. Als slaaf was men deel van het bezit, maar ook van de kracht, de rechten enz. van zijn bezitter.

De burgers van die dagen, de vrijen dus, hadden het recht om voor de vorst te treden en van hem te vergen: aanstelling van een andere landheer, landvoogd enz., het bestrijden van landheren, landvoogden die zich niet aan de besluiten van vorst en meerderheid wilden houden, het door de vorst of door bemiddeling van de vorst doen vergoeden van schade, daardoor ontstaan. Men had het recht een oordeel te vragen van de vorst over rechters en recht handhavende groepen, herstel van recht tegen de vorderingen van groepen, krijgers enz. Zelfs was een klacht tegen de vorst zelf mogelijk en wel bij een hof van priesters. Omgekeerd was ook een aanklacht tegen priesters door leken mogelijk, indien aangetoond kon worden, dat deze priesters door optreden, eisen e.d. de hen toegekende tempelrechten te buiten gingen.

Van deze mogelijkheden werd overigens al snel een maar zeer matig gebruik gemaakt: de vrije burger was in die dagen, net zoals heden, in tijden van welvaart een gezapig mens die al blij was, wanneer hij met rust werd gelaten. De rechten, die deze burger bezeten heeft, het optreden dat voor hem volgens recht mogelijk was, bepaalde de regeringsvorm. Want in die dagen was de vorst, ja, zelfs de bezitter, de landheer, niet alleen bestuurder en beheerser, maar ook wel degelijk de dienaar van zijn onderdanen. Door de neiging van bestaande rechten geen gebruik te maken, zal later hieruit een patriarchaal systeem ontstaan, dat al snel overgaat tot een absolutisme.
Wanneer wij een democratie in die dagen bezien, dan valt ons op, dat de burger weliswaar nog rechten heeft en kan ingrijpen bij fouten van bestuur, maar daartoe niet zeer geneigd is. Dit geldt zowel voor Nederland als voor andere staten, waarin nog werkelijk sprake is van een democratisch regeringsstelsel. Vaak zullen de burgers, vooral in perioden van welvaart, weigeren van hun rechten gebruik te maken, of voor de handhaving daarvan op te komen, omdat deze rechten immers ook een belasting, een soms onaangename plicht, inhouden. Het gevolg is, dat de personen of groepen, die wel nog geneigd zijn verantwoordelijkheid te aanvaarden, steeds meer macht aan zich zullen trekken en deze macht steeds meer onaantastbaar zullen maken.

Er ontstaat dan, ook in deze dagen, vaak een patriarchale verhouding tussen de regering en het volk, waarbij de regering dus niet meer de wil van het volk volvoert, of het volk de vrijheid geeft, eigen belangen op eigen wijze te verdedigen, maar door maatregelen en wetten, door geweld desnoods, het volk dwingt haar opvattingen als alleen juist en rechtsgeldig te aanvaarden. Het mom van democratie kan desondanks nog langere tijd gehandhaafd blijven.

Indien dit alles alleen politiek van belang zou zijn, zou ik erover zwijgen. Maar het innerlijk leven van de mens, zijn mogelijkheden tot persoonlijke ontwikkeling, blijken hierbij mede in het geding te komen. Niet slechts de vorm van samenleving, maar ook dé beschaving zelf is hiermee gemoeid. Indien wij de kunst in Sparta en Athene vergelijken blijkt ons, dat de kunstuitingen van Sparta in verhouding arm zijn. De kunst, die wij er aan treffen, blijkt in de meeste gevallen een imitatie te zijn van elders bestaande kunstwerken, dan wel in opdracht te zijn volvoerd door werklieden en kunstenaars, die geen deel uitmaken van de Spartaanse bevolking.
In Athene daarentegen blijken de bestuurders van het volk tevens in vele gevallen scheppers van het schone te zijn. Praxiteles bv. is niet alleen een schepper van schone beelden en gebouwen, maar tevens een publiek belangrijke figuur die, in bepaalde fasen van zijn leven, zelfs ambtelijke verantwoordelijkheden draagt.

Het scheppende element komt voort, vrienden, uit de vrijheid. Godsbegrip en Godsaanvaarding blijken al evenzeer met de vrijheid van leven en denken samen te gaan. Het blijkt reeds in de oudheid steeds weer waar te zijn: de mens, die een vrijheid van leven en uiting heeft, vrij tegenover zijn god durft staan, door de krachten van het goddelijke voortdurend bewogen wordt. Wanneer wij de Griekse tempels bezien – zelfs de tempels, die tot stand kwamen in een tijd dat de Romeinen reeds overheersten – komen wij onder de indruk van de schone architectonische verhoudingen, de perfectie van het beeldhouwwerk dat in die dagen vervaardigd werd. Wij zien, hoe men op deze wijze het wezen en leven van God, van de Goden a.h.w. kenbaar heeft gemaakt in de stof. Men heeft dan het gevoel, dat ieder van deze kunstenaars op een geheel eigen wijze zich met zijn God gebonden wist. De beelden hebben een zeer persoonlijk element.
Wanneer men een beeld van Diana wil maken, zo schept men niet een algemeen gangbare voorstelling, doch men herschept de jaagster, zoals men die innerlijk kent en ziet. Daardoor heeft de Griekse kunst zelfs op Rome een alles overtreffende invloed kunnen verkrijgen. Beroemd is het beeld van Poseidon, de God van de Zee. De kunstenaar heeft hier zijn eigen indruk van dé zee, haar grootsheid, haar macht, haar goedheid weergegeven. De samenwerking van vele kunstenaars werd in dit geval beheerst door de beperking, waardoor eenieder het beeld zelf kon beleven. Het beeld was een van de zuiverste uitdrukkingen van een mens, die in zichzelf en de natuur rond hem, de weergave van het hogere voortdurend vindt en erkent.

Opvallend is ook het feit, dat het bestaan en vieren van inwijdingen, de voor een ieder te vinden mysteriën, vooral voorkomt in staten en steden, waarin het volk grote vrijheid geniet en grote zeggenschap heeft. Natuurlijk, ook dan zal een ieder zelf de paden tot het hogere moeten gaan. Maar zelfs de vorst – al zou hij de wedergekomen Osiris zelf zijn – heeft niet het recht deze opgang te beletten. Hij kan niet anders dienen dan door geheel zijn volk naar beste vermogen bij te staan in alle pogingen hetzelfde Lichtende peil te bereiken, waarop hij reeds leeft, zodat de mens eveneens een herboren Osiris wordt en even als de vorst de werkingen van de grote krachten Gods zelf erkent en bewust beleeft. In een dergelijke staat wordt meer over de geheimen gesproken dan elders en vinden wij niet de behoefte de inwijding achter tempelrituelen enz. te verbergen.

In landen met een absoluut systeem blijkt de inwijding echter verborgen te zijn. In Egypte vinden wij bv., vooral na de éénwording van de twee rijken, de inwijding verborgen achter tempels, tempelscholing etc. Priesterdom en ambt in de regering zijn identiek. Kunst, weten- schappen, bestuur blijken een voornamelijk priesterlijke aangelegenheid te zijn geworden. Het is moeilijk een scheiding te maken tussen priesterlijke, bestuurlijke, wetenschappelijke en kunstzinnige ontwikkelingen. Wel voelen wij aan, dat achter vele geschriften en gebruiken de inwijdingsgedachte verborgen is. Het bestuur in deze fase kunnen wij patriarchaal noemen, omdat het vaderlijk, betweterig optreden van de regeerders het vrije initiatief van de strevende mens sterker bindt dan een bezorgde vader zijn kind durft te binden aan zijn eigen gewoonten, opvattingen en doeleinden.

Dit patriarchaat blijkt overigens in uw dagen ook in het democratische Westen steeds sterker de kop op te steken. Een overgangsvorm tussen patriarchaat en absolute groepsstaat vinden wij op het ogenblik bv. in Rusland, Polen, Hongarije enz. In dergelijke ontwikkelingen blijkt God voor de mens steeds meer een abstractie te worden. De godsdienst wordt tot een verlengstuk van de regering enz. De groep en de god staan vaak even ver van het individu af, zodat een verwarring tussen deze begrippen optreedt. De onderworpenheid aan beide begrippen is gelijk groot. Kunst is de weergave van de verlangens van de groep, niet meer een persoonlijk scheppen van de mens die zijn innerlijke belevingen vorm geeft. De wetenschap is de uiting geworden van de grootheid van de groep; haar enige doel is de macht en mogelijkheden van de groep volgens het systeem en denken van de groep te vergroten. Er blijft weinig of niets meer over van het persoonlijk speuren naar het verborgene, het erkennen van nieuwe mogelijkheden in God en de natuur, onafhankelijk van het mogelijk nut, dat aan de ontdekking verbonden kan zijn.

De vormen van beschaving kentekenen zich op deze wijze door de uitingen die zij achterlaten. In het verleden vinden wij, meer dan in de huidige ontwikkelingen, nog een absolute gezags- vorm, de werkelijke tirannie. Daarin dient iedereen de weerkaatsing te zijn van de heerser. Wie zich niet tot een redelijk evenbeeld van de heerser, diens denken en verlangen, kan maken, zal ten onder gaan. In zijn hardste vorm heeft de mensheid gelukkig dit systeem slechts enkele malen ondergaan. Voorbeelden hiervan zijn dan ook moeilijk te vinden. Maar de negerstaat van Dingaan was een overblijfsel van een rijk, waarin deze tirannie heerste, zodat eenieder gelijktijdig de weerkaatsing van alle verlangens en meningen van de vorst alsook de kracht van de vorst diende te zijn, om niet onder te gaan. In elke tirannie is het menselijke denken grotendeels uitgeschakeld. Er is geen God meer voor de onderdaan buiten zijn heerser.

Met bovenstaand aspect hebben wij een beeld kunnen krijgen van het werkelijke wezen van de menselijke beschaving en de vormen, waarin deze tot uiting kan komen, de vormen ook, waaraan zij ten onder kan gaan. Tot nu toe ben ik echter te kort geschoten in de vergelijking, vooral de vergelijking van de vroegere toestanden en rijken, met het heden. Een paar punten uit de oudheid kunnen echter dienen om ook de strevingen van de moderne wereld duidelijker te maken en de achtergronden daarvan te belichten.

Steeds weer vinden wij bv. het denkbeeld van de Statenbond. In de tijd, dat Salomo groot was, waren er vele landen, die hem tribuut zonden en voor een groot gedeelte door zijn wil en wetten beheerst werden. Een zelfde soort bond vinden wij als uiting van de macht bij sommige Indische vorsten in Indië, of als resultaat van de macht van sommige keizers in China, of als resultaat van de macht van enkele meer vreedzame Mongolenvorsten. De Statenbonden van de vroege middeleeuwen, de Kalifaten van de Islam, de Indianenbonden of stamgroeperingen – bv. de Sioux, die in feite niet een stam, maar een bond van verschillende nauw samenwerkende stammen waren, evenals de Comanches – doen in vele gevallen denken aan de Volkerenbond, de UNO enz.

Het begrip van een Statenbond vinden wij overal en te allen tijde. Zodra er een werkelijke beschaving bestaat, blijkt de onderlinge dienstverlening en samenwerking van de bond al snel één geheel te maken. De volkeren en stammen onderscheiden zich niet meer van elkaar, vermengen zich en worden tot één groot volk. Stam- en groepsbelangen blijken dan ondergeschikt te zijn aan het streven naar eenheid, zodat een ieder alles geeft, wat hij maar geven kan; men beseft, dat men alleen door het beste te geven, uit de andere volkeren voor zich eveneens het beste kan gewinnen. Is er sprake van een lagere innerlijke beschaving, dan zullen de bondgenoten echter trachten ten nadele van elkaar voordelen te behalen. In dat geval zal een statenbond alleen werkelijk nut hebben en voort kunnen bestaan, wanneer een van de partners over een zodanige macht beschikt, dat alle anderen deze vrezen, of van hem afhankelijk zijn.

Een aardig voorbeeld van de eerste vorm van statenbond vinden wij in de Mayabeschaving – niet te verwarren met de daaruit voortgekomen Azteekse en Tolteekse beschavingen – welke ontstond uit de samenwerking van verschillende stammen. Daar vormt men op de duur een zuiver coöperatieve samenleving, welke op zijn hoogtepunt meer dan 20 verschillende stammen en hun rijken omvat. Daardoor werden prestaties mogelijk op een wijze, die men zich nu niet meer kan voorstellen. De wegen, die de Mayacultuur wist te bouwen in vredestijd, overtreffen alles wat onder oorlogsomstandigheden werd gepresteerd door bv. de Romeinen, de wegen van Djengis Khan – ruiterwegen – de wegen van Napoleon of Hitler. Gelijktijdig blijken de kunst en cultuur van de Maya’s een zo hoog peil te bereiken, dat hun nakomelingen nu nog daarvan bepaalde waarden bewaren.
Hieruit blijkt dus wel, dat de statenbond, de samenwerking tot grootse dingen in staat stelt. Maar een werkelijke samenwerking vergt aan het begin altijd een offer: het offer van eigen zelfstandigheid, van eigen kleinere belangen. Naarmate de innerlijke beschaving lager ligt, zullen de noodzakelijke offers, moeizamer en onder groter voorbehoud worden gebracht. De mens, die deze offers brengt, leert echter nog andere dingen.

Uit de Mayacultuur leren wij bv., dat de samenwerking niet alleen voerde tot een wonderlijke reeks van prestaties, een meer dan elders tot ontwikkeling komen van georganiseerde landbouw en hogere welvaart, maar ook een eenwording van godsdienstig beleven, gepaard gaande met een intensere beleving van goddelijke krachten, een paranormale ontwikkeling van gaven in vele individuen en hoogstaande kunstuitingen. Zoals overal in die dagen, waren kunstuitingen verwant aan de tempel. Maar de grote godsdienstige spelen, die daar werden gehouden, zouden ook in uw dagen nog elk klassiek drama, elke super revue met glans verslaan. Zelfs de muzikale mogelijkheden, sterk beperkt door de instrumenten, bereikten hoogtepunten, waarbij Beethoven slechts als gelijkwaardig schepper, maar niet als meester kan worden gezien. Helaas zien wij ook een beschaving van de kracht en morele grootheid als in de dagen van de Maya’s slechts zelden op aarde. Een werkelijk beeld van een soortgelijke beschaving in de bekende tijden kan ik u zelfs niet geven. Het streven naar een dergelijke vorm van samenleving bestaat echter wel.

In de moderne tijd kennen wij namelijk meerdere rijken, die niet door grenzen of volksaard worden bepaald, maar eerder uit het denken ontstaan: het ideologisch of godsdienstig rijk, dat in vele gevallen even grote macht of mogelijkheden bezit als het staatkundige rijk. De invloed, die een dergelijk ideologisch rijk op de beschaving heeft, is in uw dagen even groot of groter, dan de invloed van de grote keizerrijken uit de oudheid.
Wanneer wij spreken over de coöperatieve vorm van het Mayarijk, denk ik onmiddellijk aan het nog meer geestelijke rijk van het socialistisch denken in deze dagen. Misschien is het gevaarlijk te stellen, dat er een socialistisch rijk bestaat, dat niet door staatsgrenzen beperkt is. Maar de gedachte, dat men verplicht is voor zijn broeders te zorgen, heeft immers reeds meerdere malen over de grenzen heen acties geschapen. Ook in uw dagen is er begrip voor de noodzaak van samenwerking, indien men werkelijk iets wil presteren.
Dit socialisme – nog niet volgroeid en voortdurend nog aan kinderstuipjes lijdende – heeft nu al het aanzien gegeven aan bepaalde cultuurverschijnselen en kunstvormen die veel algemener zijn, dan in de laatste 2000 jaren. De kunsterkenning en kunstbeoefening nemen in wezen daardoor in deze dagen eerder toe dan af – ongeacht de niet aanvaardbare nevenverschijnselen, die deze ontwikkeling voorlopig nog met zich brengt. Het vinden van persoonlijkheidsuitdrukking wordt bevorderd. Zo dadelijk zal gesproken kunnen worden over een sprekende socialistische kunst en zelfs beschaving.

Neem mij niet kwalijk, dat ik van die ontwikkeling voorlopig de bolsjewistisch – marxistische rijken uitsluit. Hun gedachtegang is een geheel andere: zij zijn in de eerste plaats groepsstaten. Ofschoon de socialistisch georiënteerde mens in zijn denken helaas eveneens vaak te veel naar de groepsstaat neigt, zo laat men daarbij de zuiver persoonlijke ontwikkeling als een mogelijkheid voortbestaan en tracht men zelfs de mogelijkheden ook tot zuiver persoonlijke ontwikkeling, onderzoek en denken te handhaven. Daarom heeft ook de socialistische staat of groepering vaak een innerlijk juist godsbegrip en vooral een beter inzicht in de plichten die het mens-zijn oplegt, van menselijkheid ook, dan in de meeste andere systemen mogelijk blijkt.

Wanneer wij hiervoor een vergelijkbare waarde in het verleden zoeken, vallen ons ook andere parallellen op. Het rijk bv., dat Napoleon uit de verwarring in Frankrijk wist te smeden, toont facetten, die vergelijkbaar zijn met Romes grote tijd, de tijd der Caesaren. Het gedrag van de heerser, zijn veldheerschap, maar eveneens zijn eigenwaan, zijn zelfverheerlijking, drukt zijn stempel op geheel Frankrijk, zoals eens ook het gedrag der goddelijke Caesaren de verhoudingen in Rome voortdurend beheerste en wijzigde. De gedachten aan een “supergroep”, een “upper-ten” vinden wij in Rome – de senatoren – zowel als in Parijs – de generaals en door Napoleon zelf gecreëerde edelen.
De structuur van deze klasse vinden wij vreemd genoeg ook terug in bv. het huidige China. Ook daar dezelfde clanvorming, dezelfde zelfverafgoding. In alle gevallen zien wij een verval van de werkelijke kunst. In de Napoleontische tijd kent Frankrijk wel een zeer sterke mode, maar de grote invloeden op de kunst komen van buitenaf, niet van binnen uit. De kunstschatten van geheel Europa vloeien samen in de hoofdstad. Vooral de Oostenrijkse kunst en de Italiaanse kunst, die dus weinig of niets te maken hebben met Frankrijk en Napoleon als zodanig, blijken beheersend voor een groot deel van de mode en alle kunstuitingen en vormen, die deze mode eist. Van een spontaan scheppen, zoals wij dit tijdens de revolutie zien, is geen sprake meer. Wel teert men op het oude soms voort. Maar het geheel is alles te burgerlijk beleefd, wat bekrompen. Men dient hierbij rekening te houden met het feit, dat de persoonlijke ontwikkeling van enkele kunstenaars, die reeds vóór Napoleon scheppend werk deden, zich verder ontwikkelen. De regering van deze heerser is echter te kort geweest, om een beslissende invloed uit te oefenen op het geheel der kunstontwikkeling. Slechts blijken nieuwe kunstuitingen en nieuwe kunstenaars onder zijn regime niet voor te komen.

Terugkerende naar het onderwerp beschaving, blijkt uit het verleden wel duidelijk, dat een werkelijke innerlijke beschaving alleen daar kan ontstaan, waar de mens een gezond zelfrespect heeft. Dit zelfrespect zal een mens echter alleen in voldoende mate kunnen ontwikkelen en behouden, wanneer hij bereid is voor eigen daden de volle verantwoordelijkheid te dragen. Dit omvat niet alleen de verantwoording voor eigen bestaan en levensgewoonten, maar eveneens de verantwoordelijkheid tegenover zijn naasten, die hij door eigen daden of nalatigheden immers niet bewust kan schaden, zonder daardoor een deel van zijn zelfachting in te boeten.

Zolang de mens zich gewent alsmaar te eisen van de gemeenschap, maar eigen aansprakelijk- heden in die gemeenschap zoveel mogelijk ontwijkt, zal de toestand ontstaan, die, dankzij Rome omschreven wordt met de woorden “brood en spelen”. Op het ogenblik, dat de roep om brood en spelen hoorbaar wordt, is echter Romes macht en grootheid reeds in gevaar, gaat het eigen karakter van het volk, waaruit het rijk kon ontstaan, teloor. Hetzelfde geldt voor Egypte. Ook hier blijkt de eis, dat men gratis voeding zal ontvangen enz., een dieptepunt in Farao’s macht en de ondergang van zijn geslacht te betekenen. Daarnaast leert de geschiedenis ons, dat juist in deze tijden zulke rijken van buitenaf door rovers bedreigd worden, bondgenoten hun verdragen verbreken. De kunst toont in deze perioden de neiging tot een steeds groeiend formalisme.  In de plaats van moed en vernieuwing, zien wij imitatie, een – vaak zinledige – woordenrijkdom enz.
Wat dit betreft kunnen wij stellen, dat de werkelijke beschaving zware tijden doormaakt en alle inzicht in de ware verhoudingen teloor gaat op het ogenblik, dat een regeerder zijn rechten van het volk tracht te kopen; zijn gezag inboetende, de eerlijkheid bij de onderdanen dodend. Duurt een dergelijke toestand te lang, dan sterft de beschaving en heerst weer de dierlijke wet van de jungle. Alle zogenaamde cultuur is dan een kommerlijke imitatie van vroegere grootheid, of een – als opzienbarend aangekondigde – vervalsing van waarden, die elders reeds lang geleden bestonden.

Misschien stel ik u, vrienden, teleur. U had misschien liever bijzonderheden en anekdoten over het verleden willen horen. Maar wanneer wij spreken over beschaving, dan spreken wij niet over het uiterlijk gebeuren, maar over de innerlijke mens. Dan dient de nadruk op de mens zelf te vallen. In het stenen tijdperk leefden er stammen die, naar men nu meent, cultureel zowel als technisch zeer ver beneden de hedendaagse mens stonden. Indien men echter zijn vooroordelen terzijde laat en ziet naar alles, wat van dergelijke primitieve mensen nog is overgeleverd, dan ontdekken wij, dat deze mensen wel degelijk een innerlijke beschaving, een verwantschap met hun God gekend moeten hebben. Dan is het opeens niet vreemd meer van beschaving te spreken in dit verband. De rotstekeningen, die o.m. de Aurignacmens heeft achtergelaten, zijn van een onvergelijkelijke schoonheid, ondanks hun primitiviteit. De uitbeelding van de dieren en jagers zijn zó vol actie, zó zuiver van uitdrukking, dat er vele eeuwen over heen zullen gaan, vóór men wederom leren zal met een dergelijke vloeiende en eenvoudige lijn de beweging, het wezen van mens en dier weer te geven. Lang zal het ook duren vóór mensen weer zullen leren zó juist de bewegingen van het dier te observeren. Wij mogen rustig stellen, dat deze mensen in vele gevallen qua beschaving gelijk of zelfs hoger hebben gestaan dan de technisch en cultureel misschien meer ontwikkelde volkeren, die na hen kwamen.

In deze kringen spreken wij vaak met enige weemoed over de beschaving van Atlantis, maar Atlantis werd uiteindelijk ook tot een massastaat, geregeerd ten bate van kleine groepen bezitters door vorst en priesters. Het resultaat van deze technisch in verhouding zeer hoog- staande beschaving was de ondergang van Atlantis. Is het dan nog redelijk om over de beschaving met weemoed te spreken? Roem de techniek, de culturele bereikingen desnoods, maar laat het woord “beschaving” liever buiten beschouwing. De oorspronkelijke symbolen, vol van betekenis, vol van levende schoonheid, werden meegevoerd door vluchtelingen en werden tot de eenvoudige symbolen van zon en leven, die men haast overal in ongeveer gelijke vorm nog op aarde terug kan vinden. Toch kunnen wij stellen, dat toen al de meeste van de weggevoerde kunstwerken, waaraan deze symbolen ontleend waren, hun vloeiende schoonheid, hun bezetenheid met leven, verloren hadden.
De mensen van Atlantis werden uiteindelijk automatenslaven, die moesten sterven, zonder te beseffen, waarom of waarvoor. Wat over bleef van Atlantis in de latere tijd, ging ten onder in de mars van de Atlantische slaven, die men later ten dele als stam in uw eigen omgeving zal aantreffen. Dan worden zij Kelten genoemd.

Er zijn nog legenden over de fabelachtige steden, die – Atlantische nederzettingen – zich o.m. in het zuiden van Spanje bevonden zouden hebben en in het noorden van Brazilië. Maar deze grote steden zetten geen stempel op het leven in die landen. Zij waren schoon gebouwd, maar moesten ten onder gaan, omdat ook daar de mensen de werkelijke beschaving hadden verloren en tot levende automaten waren geworden, die slechts aan eigen gewin, genoegen en gemak dachten.

Nogmaals, een poging om beschavingen te vergelijken kan niet een vergelijken van stoffelijke bereikingen of symbolen van macht zijn. Over geheel de wereld vinden wij bv. het zonnerad, maar slechts in enkele landen blijkt dit symbool nog werkelijk te leven, werkelijk betekenis te hebben. Het leeft bv. in de Hindoebeschavingen rond 800 – 700 v. Chr. Ook vinden wij op de Fiji eilanden tot rond 1500 na Chr. het gebruik van zonnesymbolen als bv. het zonnerad. Wanneer het symbool leeft in de gedachten van de mensen, verliest het – zoals hier – alle romantiek en wordt in plaats daarvan een dramatisch, vitaal middelpunt van volkskunst en beleven, vol van vreemde bewogenheid, want in het symbool wordt de vrije mens geconfronteerd met zijn Godheid. Ook het kruis is in sommige landen een dergelijk symbool: een levend teken van de innerlijke band tussen mens en God. Dat, vrienden, is het wezen van alle beschaving.

Tenslotte nog enkele feiten, die u misschien zullen interesseren. Wanneer wij de opbouw van de beschavingen nagaan, zoals deze in Voor-Indië tot uiting komen, worden wij geconfronteerd met vier afzonderlijke volkeren, elk met een eigen kunst, een eigen wijze van denken en een eigen geloof.
Wij kennen de bergvolkeren – zij zijn grotendeels rovers en leven in armoede; roof is noodzakelijk voor hen, omdat zij zonder dit niet in leven kunnen blijven. Daarnaast zien wij krijgersvolkeren, die wonen op de armere landbouwgebieden rond de dalen. Deze vullen tekorten aan door zich als krijger te verhuren. In de hoofddalen vinden wij de rijkere handelaren en boeren, plus hun slaven en werkers. De vierde groep wordt gevormd door een mengstam, die de eigenlijke regerende stand in vele rijken vormt.
Deze vier groepen kan men beschouwen als vier afzonderlijke gemeenschappen, die aanleiding waren tot het ontstaan van de vier kasten. Daarbij is opvallend, dat het ene volk – later de ene kaste – eigenlijk niet weet, hoe de anderen leven. Een verschijnsel overigens, dat ook in de moderne maatschappij voorkomt en dan wel in het bijzonder tussen de verschillende standen. De band tussen de oorspronkelijk elkaar vreemde en zelfs vijandige groepen wordt gevormd door een gezamenlijk geloof aan Goden, aan het lot, aan een voortbestaan. Vooral dit laatste maakt een vermenging en samenwerking eenvoudiger.

Uit dit alles rijst nu een wijsheid, die vreemd genoeg de elementen van elk volk en elke kaste mede omvat, maar gelijktijdig binnen dit kader een van de verbluffendste beelden van de oneindigheid geeft, die wij in de tijden vóór Chr. aantreffen. Wijsgerigheid en wetenschappen worden op vreemde wijze gemengd.

Wij vinden in deze wijsgerige beschouwing zowel lessen op amoureus terrein, kruidenkunde, gezondheidsvoorschriften, als beschouwingen van zuiver abstracte aard. In deze gemeen- schappen is dit alles niet strijdig met elkaar. Leven en eeuwigheid zijn met elkaar verwant, in alle dingen zoekt het volk de innige gemeenschap met God, de innerlijke harmonie, de tevredenheid en het geluk. Taakbezeten tracht de mens de Goddelijke wereld op aarde te herscheppen. De grote rijken, die op deze wijze ontstaan, laten tot in uw dagen voorbeelden van wonderlijke bouwkunst en beeldhouwwerk na. Bij beschouwing blijkt, dat hier dezelfde hoofdmaatstaven van bouw zijn gehanteerd, dat een architectonische verwantschap kan worden, aangetoond met zowel Egypte als Griekenland. Ook de romantiek blijkt zich aan ongeveer dezelfde regels te houden, die wij aantreffen in Egypte, Griekenland en Rome. Verwantschap is ook aan te wijzen met de romaanse en gotische stijl, zoals deze in de middeleeuwen in Frankrijk en Duitsland gehanteerd werden. Het aantal punten van overeenkomst is opvallend groot, wanneer men eerst zijn aandacht hierop gaat richten.

Dit toont aan, dat er ergens ook een overeenkomst van filosofie moet bestaan. Het “geheim rijk”, dat dan reeds langere tijd in Europa bestaat, is even vol met tegenstrijdige elementen, als het Indië, waarover ik sprak. Toch blijkt het de vorming van Europa te bepalen tot laat in de middeleeuwen. Allereerst vinden wij hier de volgers van de heidense filosofen – denkers en wetenschappelijke denkers – daarnaast vinden wij priesters, die deze oudere stellingen ten dele leren hanteren en kunnen aanvaarden. Van het geheime rijk maken ook machtzoekers, vorsten en edelen deel uit, die de band met het hogere als een noodzaak, als een onvermijdelijke ontwikkeling in zichzelf én de mensheid zien. Daarbij komt de burgerij, eerst gevormd uit de vrijen, later bestaande uit gezeten poorters. Ook deze laatsten zoeken naar een begrip van opbouw, recht, schoonheid. Uit hen komt een rijk voort, dat u later hoofdzakelijk zult leren kennen als de maçonnerie, maar dat in feite in deze dagen een vreemde samenstelling is van alchemie, kabbalistiek, oude natuurriten, oude vergeten of verborgen begrippen, oosterse leringen, alles samengebracht binnen het kader van de Christelijke leer.

Dit ‘rijk’ is de kern van de groeiende westelijke beschaving. Daaruit komen de grote kunstenaars voort, maar ook de kathedralen uit de middeleeuwen. Niet, zoals wordt gesteld, uit de kracht van de kerk zelf, maar uit deze geheimzinnige gemeenschap komt de luister van wetenschap en kunsten voort, waarmee de Christenheid vaak in ijdele trots haar banier tracht te sieren. In de vroege middeleeuwen brengt de kerk – naast de kerstening – inderdaad soms ruimer weten. Later is zij eerder tegelijk schuilplaats van, en achtergrond voor de gemeenschap, die de grote handelsbonden sticht, de grote kunst doet bloeien. Vanuit deze gemeenschap komt de mathematica voort, die – ontleend aan de Pythagoreeërs – de muziek een mathematische structuur geeft en het bv. Bach mogelijk maakt de fuga uit te werken in een voleinding als sindsdien zelden is bereikt.

Nu zijn deze dingen niet meer werkelijk levend. Zij bestaan wel voort, maar de werkelijke herschepping, de vernieuwing, die het kenmerk is van een waarlijk bloeiende beschaving, ontbreekt. Eerder doet deze tijd ons denken aan de ondergang van Troje, het machtsverlies van Athene, de afstomping van Rome vóór het onderging. Toch was dit ook de tijd, dat de wijzen met hun leerlingen door de Stoa gingen, uitziende over het wijde land, lerende en debatterende; de tijd, waarin Rome wetten schiep, die nog tot op heden toe in de westerse wereld de rechtsopvattingen mede bepalen, of zelfs hier en daar nog beheersen.
Juist in de tijden van verval, wanneer de ware beschaving reeds bij velen plaats moest maken voor schijn, bleken sommige mensen in staat de beperkingen van het menselijke denken te overwinnen en nieuwe gedachten, nieuwe gebieden van de geest te ontsluiten. Juist de onverschilligheid voor een wereld, die geen werkelijke waarde meer schijnt te hebben, maakt het de denker mogelijk zich – gedragen door zijn bewustzijn van God en waarheid – te wagen in het oneindige en flarden daarvan weer te geven binnen de tijd. Wanneer wij dit zien, is het dwaas beschaving te willen meten in bankierskantoren, een ijskast voor iedereen, gelijkheid voor allen.

Wanneer er mensen zijn, die – zoals in het verleden – menen de werkelijke beschaving van de mens tot uitdrukking te kunnen brengen in een enghartig door een enkele groep geregeerde theocratie of een dictatuur, zo vraag ik mij wel af: mensheid, wat heb je eigenlijk geleerd? Besef je niet, dat de mens steeds weer terug is gevallen door zijn weigering de innerlijke vrijheid van de mens onaangetast te laten, door zijn poging te verhinderen, hetgeen de mens innerlijk als juist gevoelt ook om te zetten in de daad. Want in alle respect voor de grote denkers van het verleden mogen wij niet vergeten, dat, terwijl Athene onderging, de filosofen en theoretici doorspraken over de vraag, hoeveel kristallen koepels de hemel wel diende te tellen. Zoals Pythagoras stierf, zittend voor zijn probleem, niet beseffende, dat hij faalt, door zo zonder meer te sterven, zodat zijn wijsheid voor een groot deel met hem ten onder zal gaan. Laat ons stellen, dat de ware beschaving alleen kan ontstaan, wanneer de mens leert het hogere, dat in hem leeft, in daden om te zetten, zonder ooit de werkelijkheid te ontvluchten, of de ware feiten te schuwen. Er zijn tijden geweest, dat de mensen zo leefden, er zal weer een tijd komen, dat de mens de noodzaak tot dit beleven in waarheid, terug vindt.

De grote beschavingen vinden wij bv. in de Babylonisch-Perzische tijd, tijdens de Mantsjoe- dynastie in China, zelfs tijdens de hoogtepunten van de Germaanse beschaving, waarvan weinig bekend is geworden, omdat men veelal werkte in been en hout, terwijl men andere maatstaven in het leven hanteerde, dan de huidige. De grootheid van de mensheid ligt in deze tijd, ligt in de mensheid zelf. Want de beschaving kan niet worden weergegeven of uitgedrukt door Rome, gelegen op zijn zeven heuvels, door een Parijs, dat het centrum der wereld is enz. Want macht is nooit het werkelijke kenmerk van beschaving geweest, doch eerder de voorganger of nabootser ervan. Toch blijken de denkbeelden van werkelijke beschavingen, zelfs indien zij grotendeels vergeten worden, voort te bestaan, lang nadat de machtige rijken zijn vergaan, slechts een herinnering aan geweld nalatende.

Vragen

Na de inleiding, die op het gemiddelde begrip en de gemiddelde kennis waren afgestemd, kunt u nu door vragen bijzondere facetten van ons onderwerp nader doen belichten.

  • U stelt, dat Frankrijk tijdens Napoleon geen eigen kunst kende. Slaat dit ook op de  Empire stijl? Of David, die wel een krijgshaftige voortzetting van Watteau schijnt te zijn?

Uit de Napoleontische periode is geen eigen kunstvorm voortgekomen. Wij zien wel een deel van de oude kunst en de kunst uit de revolutie zich aanpassen aan de eisen van het hof, terwijl een neiging bestaat om de hofkunst uit de tijd van de Lodewijken te doen herleven. Nieuwe elementen zijn veelal van Oostenrijkse en Italiaanse school. De heroïeke voorstellingen blijken grote verwantschap met de Italiaanse kunst te vertonen. De portretkunst en mode blijken veel van de Oostenrijkse hofkringen te leren. Ook in de landschappen wordt – juist ten tijde van Napoleon – de Italiaanse invloed zover merkbaar dat zelfs het Franse karakter grotendeels teloor blijkt te gaan. De Empirestijl is een voortzetting van de stijl, die tijdens de Lodewijken reeds bestond. De romantiek, die aard- en vormbepalend blijkt te zijn voor deze meubelstijl, toont ons bladmotieven en sierlijsten in een stijl, die reeds jaren voordien in Oostenrijk bestond. De horlogemakers brengen vaak fraaie werkstukken tot stand, maar blijken vaak terug te grijpen naar de vooral tijdens Lodewijk XV gangbare motieven. Waar nieuwe elementen opduiken, is er sprake van pseudo-Griekse motieven, die weer wijzen op een Zwitsers-Oostenrijkse beïnvloeding. Ook de beeldhouwkunst toont een teruggrijpen op het klassieke, de Griekse stijl dus, die reeds tijdens de regering van “le Roi Soleil” opgang maakte, of op de martiaal Oostenrijkse opvatting.

Men kan verder stellen, dat de kunstenaars gedurende de tijd van Napoleon van geen belang zijn – een periode van 20 tot 30 jaren. Wel zijn er kunstenaars, die vóór die tijd belangrijk zijn en ook nadien nog belangrijk werk leveren. Het is, alsof er een generatie kunstenaars is uitgevallen. Ná Napoleon treffen wij opeens andere invloeden aan, waarbij zelfs Amerikaanse invloeden te onderkennen zijn. Maar in tegenstelling met de verwerking van de motieven tijdens de Napoleontische periode meen ik, dat hier weer gesproken kan worden van een typisch Franse stijl. Men kan het misschien zo uitdrukken. Invloeden als die van Napoleon hebben de neiging een internationale hutspot van stijlen te scheppen, welke dan – meestal nogal pompeus – aan de heersende smaak wordt aangepast. Tijdens Napoleon was hierbij bovendien nog sprake van de oude adel, die, weer tot invloed gekomen, trachtte de oude tradities en stijl van het koninklijk hof te doen herleven. Het is overigens zeer moeilijk met enkele woorden het geheel van de werkzame factoren uit te drukken, zodat men al snel zal generaliseren – zoals ik ook enigszins deed.

De stelling kan worden gehandhaafd dat veroveraars, vooral indien zij, zoals Napoleon, opkomen uit het volk, zij weliswaar perioden van grote veroveringen en groeiende belangrijkheid voor hun land scheppen, maar gebruiken gelijktijdig alle volkeren en machten voor eigen doeleinden. Voor de kunst zal hun bestuur nimmer een vruchtbare periode blijken te zijn, de innerlijke beschaving van de mens zal in deze tijden verminderen en vaak plaats maken voor een onverhuld opportunisme. Vervreemding van volkseigen technieken en uitdrukkingswijzen is niet te vermijden. Grote kunstenaars kunnen in deze periode soms optreden, maar alleen, wanneer zij de kunst verstaan hun werken geheel los te maken van alle geldende maatstaven, plus de achtergronden van het land, waaruit zij voortkomen.

  • De redekunst bloeit, bv. Demosthenes ten tijde van Alexander.

Demosthenes was als redenaar en staatsman groot, maar greep terug op vroegere waarden. Daarnaast blijkt hij een groot deel van zijn redekunst te gebruiken om alles, wat dan actueel is, te rechtvaardigen. Overal, waar wij een vorm van dictatuur vinden, die gepaard gaat met agressiviteit naar buiten toe, blijkt de redekunst zich sterk te ontwikkelen. Vooral het scheppen van de woordroes kan worden gezien als een van de weinige kunsten, die onder dergelijke omstandigheden bloeit als nooit tevoren. Demosthenes moet gezien worden als een van de vele grote redenaars en staatslieden, die zich – ongeacht hun eigen boodschap en waarde – geleend hebben tégen de doeleinden van een veroveraar. Dit is eerst niet zozeer kenbaar als in latere perioden. Maar Alexander was dan ook vele jaren ver van zijn eigen land verwijderd op het slagveld en Demosthenes stierf uiteindelijk mede dank zij de tegenpartij, die zich in eigen land daardoor kon vormen.

Engeland kent zijn mooiste redevoeringen en uitspraken in de periode, dat men zich met het “Empire” opbouwen bezig houdt. In Duitsland vinden wij eveneens gedurende de periode van agressiviteit de grootste denkers en redenaars. U kunt dit in de geschiedenis nagaan.

Begrijpelijk is dit verschijnsel overigens wel: het woord is een van de belangrijkste agressieve wapens van de mens – ook al begrijpen alle mensen dit niet.

Indien u gaat zien naar toneelkunst, die met de woordkunst het sterkst verwant is, zo blijkt tijdens Alexanders agressieve periode weinig van belang te ontstaan. Er blijven slechts de te grove kluchten, of de melodramatische verhalen, waarin helden en Goden verheerlijkt worden. De kunst is in dergelijke gevallen namelijk niet meer onafhankelijk en scheppend, maar dient slechts om bestaande toestanden te verheerlijken en bestaande spanningen een uitweg te verschaffen.

  • Waarom zijn de uniformen zo buitengewoon mooi en verscheiden, juist in dergelijke perioden, zoals bv. in de Napoleontische tijd?

In wezen is dit een zaak van psychologische inwerking: wanneer ik strijders zich naar eigen inzichten laat kleden, zullen zij ook naar eigen inzichten blijven handelen. Wanneer men nu een uniform schept, en daardoor één geheel schept, zal men bereiken, dat de dragers daarvan zich als één geheel gaan beschouwen en daardoor dus onderling sterker dan normaal verbonden zijn. Hoe meer trots de drager van het uniform kent, hoe sterker hij de verbondenheid zal ondergaan. Daarnaast zullen vele persoonlijke eigenschappen op de achtergrond raken, omdat men zich – zij het onbewust – door het uniform magisch beroerd gevoelt. Er is een scheiding tussen het gewone leven ontstaan en de gemeenschap van de geüniformeerden, welke geheel eigen eisen stelt, maar daarvoor – reëel, of als waan – bepaalde rechten geeft. De aanpassing aan het geheel werd reeds in vroege tijden belangrijk geacht. Het uniform – en de pracht daarvan – waren vaak een uitbeelding van de moed van de krijger en diens verbondenheid met God of Goden.

Bij de Romeinen, Egyptenaren en Perzen e.a. vinden wij een standaard voor de legioenen,  meestal met een dierenbeeld. De soldaten, maar vooral de hoger geplaatsten, dragen de afbeelding van hetzelfde dier, al dan niet gestileerd, op hun kleding; het komt voor op de greep van de wapens, het smeedwerk aan strijdwagens, op schepen, barken, ja, zelfs op troswagens. Dit is in oorsprong een poging van de mens zich te binden aan de God – en de krachten van de God die werd voorgesteld. De legioenen bewezen dan ook eer aan hun adelaars en brachten offers aan de Goden, waarbij de adelaars een belangrijke plaats naast of achter het altaar innamen.
Later treffen wij de banieren aan, de wapens van geslachten enz. Uniformen – zij het eerder uit magisch oogpunt, dan uit oogpunt van kracht of eenvormigheid – komen al in zwang, wanneer de mens verder nog zeer eenvoudig leeft. De gewoonte om zich in bepaalde dierenhuiden te hullen bij primitieve volkeren was niet – zoals men aanneemt – alleen maar een poging om een stamgod of totem tevreden te stellen. Jagers en krijgers droegen huiden, schedels enz., van bepaalde dieren, omdat de magische denkwijze daardoor een mogelijke overdracht van de eigenschappen van het dier op de krijger veronderstelde. Het gebruiken van dezelfde dierenhuiden verzekerde de eenheid van de krijgers hun goede samenwerking. Bij de Germanen en Vikings vinden wij de gehoornde helmen. Hierop bevonden zich de horens van een oeros, of een nabootsing daarvan. De krijgers zouden daardoor niet alleen de kracht, maar ook de mentaliteit van de oeros verkrijgen.

In latere tijden blijkt men ook de traditie als een belangrijke factor voor het troepenmoreel te zien. Wanneer wij in de Napoleontische keizerperiode uniformen zien, geeft men reeds onmiddellijke referenties. Het uniform van hen, die met de keizer vochten te … Vult u maar in.

De regimentstraditie, die in deze dagen zo sterk wordt gehandhaafd door velen, is op dezelfde behoefte terug te voeren: een afzonderen van de strijders van de verdere mensheid en het opleggen van bepaalde verplichtingen, waardoor hij meer zal presteren dan anders verwacht kan worden.

  • Dus zoiets als de luipaardmannen?

Dat is iets anders. De luipaardman gelooft, dat de geest van de luipaard god in hem komt. Hier hebben wij niet te maken met een overdracht van eenheidsgevoel door middel van een uniform, maar van de verpersoonlijking – eventueel met behulp van bepaalde rituele middelen – van een diergod, de mens. Iets dergelijks zien wij bij de aligatormannen. Toch kleden deze zich niet, zoals de luipaardman, in de huid van hun afgod-dier, maar smeren zij zich alleen geheel in met witte klei. De associatie is wel geheel anders, dan bij het uniform.  Hier is sprake van een bewust gezocht magisch element. De strijd van de luipaardman is dan ook geen strijd tegen een vijand, maar eerder het brengen van offers, gepaard gaande met het scheppen van een magische terreur.
Daarom meen ik, dat wij dergelijke handelingen niet met de oorlog mogen vergelijken. Als cultureel verschijnsel komen dergelijke dierenvereerders groepen meer voor. In de buurt van het Zevengebergte en in de Roemeense Banaat, later ook in Hongarije – kennen wij een soortgelijke sekte, waarbij de leden het slachtoffer werden van geïnduceerde lycanthropy. Zij waren de eigenlijke “weerwolven”. Al worden bepaalde gebruiken en methoden vooral in de begintijd wel gehandhaafd, zo tracht men ook hier niet een uniforme handelwijze, een geestelijk abnormaal leger a.h.w. te scheppen.

Men meende, dat de onsterfelijkheid verbonden was aan bepaalde dieren; denk hierbij aan de wolven van Loki. Men wilde terugkeren naar de oude banden met de natuurgoden. Daardoor ontstond de jacht van het roedel – als bij wolven en honden. – en later de identificatie met de hond of wolf. Zo ontstaat het wolf-ritueel – het met de tanden verscheuren van de halsslagader van de slachtoffers. Later blijkt – mogelijk via de weg van de erfelijkheid – een aantal mensen hun hysterische, ten dele zelfs op epilepsie lijkende spanningen om te zetten in deze dierenwaan. De oorsprong van het ritueel – en de dranken, die de ‘verandering’ tot stand heetten te brengen – kent men niet meer. De bron van dit alles was een zwart magische school, die in de buurt van de IJzeren Poort – de stroomversnelling van de Donau dus – gevestigd was. Van daaruit hebben deze riten zich uitgebreid over Hongarije, Servië, Tsjechië enz. De angst voor het verschijnsel plus de honger naar de vermeende onsterfelijkheid, die men als weerwolf zou bezitten, deed het verdere.

In vele gevallen zien wij, dat de mens, wanneer zijn eigen wereld hem geen mogelijkheden meer biedt, teruggrijpt naar niet geheel werkelijke werelden. Vooral in de oudheid placht hij dan, al dan niet met werkelijke resultaten, terug te grijpen op de magie. In feite was het beroep op de magie geen poging eigen leven en mogelijkheden te vergroten, maar een poging aan de eigen werkelijkheid te ontvluchten. Zo ontstaat een psychisch syndroom, dat soms zelfs belangrijke delen van een volk in zijn ban kan trekken. Vooral in de oudheid, maar bij primitievere volkeren ook nu nog, vinden wij dan de poging een band tot stand te brengen met de god-dieren, of met een aan godheid verbonden dieren. Vooral wanneer een dogmatische kerk zich met dit alles gaat bemoeien, krijgt de poging terug te keren naar de oude natuurgeesten – die op zich vaak een vorm van een oude beschaving zijn – iets demonisch. Er ontstaat dan al snel een strijd, waarbij het offer van eens tot een middel van strijd, tot terreurdaad wordt. Zo ontstonden dus ook de weerwolven; dit met excuses aan Bram Stoker. Maar zó was het nu eenmaal.

  • Meerdere malen hebt u het woord democratie gebruikt. Wat verstaat u hieronder?

Deze vraag waardeer ik. Zij was onvermijdelijk, gezien de vele verschillende interpretaties van dit woord, die op het ogenblik in omloop zijn.

Door mij werd het woord democratie gebruikt in de oude en m.i. goede zin van het woord, namelijk de regering van het volk, door het volk voor het volk. Een staatsvorm, waarbij men een ieder – krachtens zijn burgerzijn – het recht van spreken toestaat, terwijl hij het recht heeft, onverschillig welke bestuurder ter verantwoording te roepen, of aan te vallen, met dien verstande, dat bij onjuiste aantijgingen een zware consequentie aan zijn optreden verbonden zal zijn. Verder betekent democratie, dat een ieder het recht heeft een partij of fractie te vormen, te propageren en deel te nemen aan het bestuur van het geheel met de bedoeling de door hem gewenste hervormingen tot stand te brengen. Ongeacht de vraag dus, of deze door anderen gewenst worden of niet. Waar een ieder hetzelfde recht heeft, zal niemand zijn wil aan het geheel op kunnen leggen, maar wel het geheel kunnen overtuigen. Binnen de democratie dient een ieder, die bestuursverantwoordelijkheid draagt, zijn besluiten met zijn bezit, vrijheid en leven garanderen.
In deze zin is dus bv. Nederland niet meer als een volledige democratie te beschouwen. Het gestelde is overigens geen theorie en behoort tot de werkelijke mogelijkheden. Het verlies van de democratie is het gevolg van steeds grotere belangengroepen, die binnen de democratie ontstaan: binnen deze groepen kan men namelijk maatregelen treffen, die aan een groepsdictatuur gelijk komen. Daarmede wordt de werkelijke invloed van de eenling op de loop der dingen aanmerkelijk beknot.

Een voorbeeld uit uw eigen politiek: Wanneer iemand op een kieslijst voorkomt als nr. 12, maar met voorkeursstemmen wordt gekozen – misschien zelfs met meer stemmen dan op de lijstvoerder werden uitgebracht – komt het voor, dat de partij deze persoon verbiedt een zetel in te nemen, vóór alle kandidaten, wier naam op de kieslijst boven de zijne stonden, een zetel hebben verworven. De stemmen echter kunnen met voorkeur zijn uitgebracht op grond van een persoonlijk vertrouwen, dat men niet stelt in de gehele partij als zodanig.
Op deze wijze wordt dus de wil van de kiezer terzijde gesteld en geminacht. Een groep, die voor zich dergelijke regels stelt en handhaaft, beschouwt kennelijk het democratische principe als onjuist. Het is redelijk om aan te nemen, dat een dergelijke groep de verlangens en wil van de menigte – of de eenling – alleen dan zal honoreren, wanneer deze wil strookt met haar eigen verlangens. Vooral wanneer meerdere sterke belangengroepen met een dergelijke instelling optreden, kan men, ondanks een uiterlijk nog geheel democratisch systeem, niet meer met reden van een democratie spreken. Het resultaat is dan een beperkte dictatuur – zij het dat deze door een evenwicht van verschillende machtsgroepen zelden als zodanig kenbaar zal zijn.

  • Kunt u binnen dit bestek kort iets zeggen over de oude mysteriën?

Ik geef u kort het hoofdbeginsel van alle inwijdingen en mysteriën, van Isis tot op heden. Elk mysterie gaat uit van de erkenning, dat er een levende God of Hoogste Kracht bestaat. Deze zal zich, voor de mens kenbaar, uiten in twee tegengestelde waarden, die meestal worden voorgesteld als mannelijk en vrouwelijk.

Bij zijn pogen de werkelijke godheid te bereiken en te erkennen  zal de mens eerst zichzelf moeten overwinnen, zodat hij geen vrees meer kent voor de elementen. De elementen – waarmede men meestal de stoffelijke waarden van het leven, maar ook wel aarde, water, vuur en lucht bedoelt – overwinnende, keert de mens in tot de wereld van het geestelijke Zijn.

In deze geestelijke wereld zal hij zowel het mannelijk als het vrouwelijk aspect van de goddelijke uiting moeten overwinnen en deze beiden in zich tot synthese brengen. Uit deze synthese van de geuite Goddelijke Kracht vormt de mens zich dan een sleutel, waarmede hij het werkelijke rijk van het Goddelijke kan betreden. Degene, die deze fasen doorloopt, zal fase na fase meer krachten verwerven en over grotere mogelijkheden beschikken. Na het doorlopen van de laatste fase zal hij beschikken over de wijsheid, krachten én mogelijkheden van een God, zelfs indien hij nog als een eenvoudig mens in de stof zou blijven leven.

Dit is kort gezegd, en van bijkomstigheden ontdaan, de kern van alle mysteriën. De mysterie- scholen echter brachten deze leer veelal binnen het kader van godsdienstige stellingen, terwijl de werkelijke inhoud en betekenis van de leer slechts aan enkelen – de ingewijden – bekend was.

De meeste mysteriën kennen spelen of daarmede te vergelijken symbolische belevingen, waardoor de neofiet inwijding kan verwerven. Vaak werden hierbij de belevingen van de mens op de weg naar inwijding uitgebeeld in een toneelstuk, dat qua personen en gebeuren gebaseerd is op de mythologie van het land. De mens, die inwijding verlangde, moest eerst voor zich de betekenis van het spel ontdekken. Op grond van zijn ontdekking kon hij enige inlichtingen krijgen van de ingewijden. Dan mocht hij, na nadere instructie, deel gaan nemen in het spel, een rol uitbeelden, om zo de krachten, die door de magische achtergronden van het spel gewekt werden, te ondergaan. Van daaruit volgde de introductie in de werkelijke leer, theoretisch, welke hem verdere mogelijkheden tot persoonlijk werken bood. De proeven, die daarna werden afgelegd gaven toegang tot de sleutel, het persoonlijk beleven van de godheid.

Elders onderwierp men de neofieten aan verschillende beproevingen. De eerste proeven, die in de ogen van de ernstige zoeker misschien wat kinderlijk of toneelmatig aandoen, dienden om de ware zoekers van de nieuwsgierigen te scheiden. Na enig onderricht volgden dan belangrijker proeven, welke wederom een uitbeelding inhield van de mens, die streeft naar het hogere en de weg, die hij daartoe dient af te leggen. Meestal werd hierbij de overwinning op het ik en de elementen uitgebeeld, wat soms op een zeer pijnlijke wijze geschiedde. In de meeste gevallen volgden hierop verschillende proeven, die hoofdzakelijk tot doel hadden de mens beheersing te leren, om hem daarna met het tweeledige principe van de schepping te confronteren.  Het laatste deel van de weg, de laatste proef, was echter altijd geestelijk en werd nimmer stoffelijk uitgebeeld. Wel werden vaak bepaalde beelden of dromen geïnduceerd in droombelevingen van mensen, die onder hypnose stonden.

U zult mij, naar ik hoop, toestaan, het voor heden hierbij te laten.

  • Is de cultuur van Europa op het ogenblik werkelijk in een toestand van verwording? Of is dit eerder schijn?

Op het gevaar af, dat u mijn uitspraak Bijbels vindt: “Een graankorrel valt in de aarde en sterft. Maar ziet, uit haar komen halmen voort, die vele korrels dragen”. Steeds weer in de geschiedenis van het mensdom worden wij geconfronteerd met culturen, die tot ondergang gedoemd schijnen, met kunst, die aan de verwording prijs schijnt te zijn gegeven. Wij kunnen dit dan in de meeste gevallen in verband brengen met de verdere ontwikkeling in dit deel van de wereld, de ondergang van een bepaalde macht, of van een bepaalde vorm van beschaving. Maar op zich is deze ondergang van oude en gewaardeerde waarden toch een natuurlijk verschijnsel. Vernieuwingen spelen zich zelden of nooit zonder schokken af. De periode van verwarring, waarin de waarden van het oude niet meer beleefd of herschapen worden, terwijl het nieuwe nog geen werkelijke vorm heeft gekregen, zal zich vooral in de kunst steeds weer voordoen. Op deze wijze weerspiegelt de cultuur de veranderingen, die zich in het denken en leven van de mensen voltrekken, juist door haar schijnbare verwording de mogelijkheid tot een aanpassing aan de nieuwere gedachten waarden en wetten mogelijk makende.

Naar ik meen kunnen wij het voorgaande op de wereld van heden zonder meer van toepassing verklaren, want in uw dagen zijn de spanningen van vernieuwing enz. wel bijzonder groot. Dit betekent dan, dat de dwaasheden van heden – mede voortkomende uit het in overgangsperioden optredende geloof, dat men kunst met geld kan associëren en kunstwaarde in geld gewaardeerd dient te worden – slechts het begin vormen van een periode, waarin men, maar dan met nieuwe inhoud, terugkeren tot de werkelijke kunst: uiting geven aan het eigen ik en dit toegankelijk maken voor anderen.
Daarbij zal men m.i. zeker niet terugkeren naar het naturalisme, de zoetvloeiende melodie, de kunstige structuur, kortom tot een herscheppen van reeds oude waarden, volgens de oude regels en misschien zelfs met de oude middelen. Er zal eerder sprake zijn van een meer abstract weergeven van vormen, het scheppen van meer abstracte klankbeelden en ook nieuwe, maar toch voor iedereen toegankelijke wegen vinden om gedachtenbeelden tot uitdrukking te brengen.
In alle gevallen zal dit streven m.i. eerder gericht zijn op de mogelijkheid anderen deel te laten hebben aan eigen innerlijke toestand, dan voor anderen eigen waarneming te herscheppen. Een dergelijke ontwikkeling, voorafgegaan door een periode van ongevormd zijn, die verkeerdelijk wel als een verval wordt gezien, blijkt steeds weer onvermijdelijk.

  • Mag ik dan stellen, dat beschaving in de eerste plaats een innerlijke waarde is,  gebaseerd op de verhouding tussen de mens en zijn Schepper, terwijl de cultuur in de  eerste plaats een uitdrukking is van eigen zijnsvorm?

Fraai gesteld. Ik wil uw definitie parafraseren. Beschaving berust op de innerlijke verhouding tussen de mens en het onbekende rond hem, de ongeziene of niet besefte wereld. De cultuur drukt dit uit, is de uiting van de mens, die zowel dit contact weer zoekt te geven, zoals het in hem bestaat als de waarden van zijn wereld. De kunst geeft weer, hoe dit alles door de mens ondergaan en ervaren wordt. De uiterlijke ‘beschaving’ is het product van de cultuur, de angsten en begeerten van de mens, welke gezamenlijk de gebondenheid van beleven en denken vormen, waaruit het historische patroon van de ‘beschaving’ zal ontstaan.

Allerzielen

Het is Allerzielen. Met zoet zwevende sentimentaliteit herdenkt de mens hen, die van deze aarde zijn heengegaan. De mensheid herdenkt de doden. Maar het zou beter zijn, wanneer men zich niet zozeer bezig zou houden met herinneringen, maar zich de schulden realiseren, die men heeft aan velen van hen, die heengingen. De mens herdenkt vandaag degenen, die gestorven zijn met lichtjes, predicaties, missen, pogingen om met de geest in contact te komen. Nu zullen er tussen mens en geest zeker banden van genegenheid en liefde bestaan, die altijd blijven duren en door geen scheiding van werelden ooit werkelijk verbroken kunnen worden. Maar de band van liefde en genegenheid – of de preoccupatie daarmede – wordt door vele mensen gebruikt om te ontkomen aan de consequenties, die voortkomen uit een eerlijk herdenken van Allerzielen – of Allerheiligen, wat dat betreft.

De mens nu, leeft vaak, kan vaak beleven en bewustwording opdoen, dank zij het sterven van anderen. Hij kon vaak zijn ontwikkeling niet voltooien, zijn vrijheid niet herwinnen, tenzij anderen daarvoor hun leven offerden en van de aarde heengingen. Deze mensen offerden vaak vele levens op, om bepaalde ideeën of idealen te verdedigen, om een nieuw hoogtepunt van bereiking in de geschiedenis van de mensheid mogelijk te maken. Laat de mens dan vandaag eens niet alleen maar denken aan alle persoonlijke banden, aan de lieve gekende zielen, die zijn heen gegaan. Hoe goed dit ook is, dit kan men elke dag doen.
Laat men vandaag eens nadenken over de ongetelde miljoenen die in de afgelopen eeuw gestorven zijn voor de vrijheid van anderen, voor het behoud van een werkelijke beschaving, om werkelijk recht te brengen. Laat men dan ook bedenken, dat, – terwijl men in vrome gedachten de boven deze aarde uitzwevenden herdenkt, – diezelfde vrijheid, datzelfde recht, al datgene, waarvoor deze miljoenen stierven – of sterven moesten – verloochend en verraden werd. Bedenk, dat de dood van velen, vriend en vijand, door hen beleefd werd als een offer, dat iets hogers en beters voor de mensen mogelijk moest maken, maar dat juist hun dood voor velen de reden is geworden, zich terug te trekken en zo aan de plichten, die het sterven van mensen voor jou, je leven en je vrijheid met zich kan brengen, te ontgaan.

In vele beschavingen heeft men deze band van plichten met de doden erkend. Of de mens nu voortleeft of niet voortleeft volgens uw denken, alleen het feit, dat een mens voor u, voor uw belangen, heengaat van deze wereld, betekent reeds dat degene, die het offer aanvaardde, die ervan profiteerde, de onafgemaakte taak op zich dient te nemen.

In de oudheid wist men dit. Wanneer iemand zichzelf offert, of gedwongen wordt zich te offeren, legt dit een grote verplichting op aan allen, die achterblijven. Maar uw beschaving geeft er de voorkeur aan dit te vergeten – behalve in ogenblikken, dat men behoefte heeft aan pakkende leuzen. Daarom wil ik de mensen op Allerzielen er aan herinneren, dat in de afgelopen tijd zeer vele mensen zijn overgegaan, vaak vrijwillig zich offerende, omdat zij droomden van een wereld, waarin de mens vrijer en gelukkiger zou kunnen leven.
Ik hoop, dat het in uw dagen nog zover zal komen, dat men hun roepen, hun verwijt, hun eisen, niet meer van zich afwijst, maar deze aanvaardt als een werkelijk erfdeel. Niet vijandschap wekkende, niet zoekende naar strijd en overwinning, maar strevende met alle middelen naar de vrijheid van leven en streven, die voor de ontwikkeling van de menselijke geest op deze wereld zo noodzakelijk is.

Hiermede meen ik te kunnen volstaan. Neem mij dit enkele woord op Allerzielen niet kwalijk.

image_pdf