Beschouwing over de levenskracht

image_pdf

8 juni 1965

We hebben vandaag voor u twee gastsprekers en daarover zou ik graag allereerst iets willen vertellen. De eerste gastspreker behoort bij degenen, die het werk van de laatste wereldleraar voortzetten. Zijn voordracht zal daardoor ongetwijfeld in verband staan met de betekenis van die nieuwe wereldleraar en eventueel ook met de gedachtegangen, die binnen deze nieuwe leer toegankelijk zijn geworden. Onze tweede gastspreker is een gast uit Zuid-Amerika. Hij zal ons zeer waarschijnlijk het een en ander vertellen over de – laat ons zeggen – inwerking van bepaalde sferen op dit moment.

U zult begrijpen, dat ik dus in mijn eigen betoog, wat gelimiteerd ben, daar ik niet precies weet, wanneer deze gasten zich zullen melden. Ik zou echter de tijd, die ons rest, willen vullen met een kleine beschouwing over de levenskracht als een functie binnen de esoterische bewustwording.

U kent allen misschien dat bekende gezegde, dat esoterie, de theoretische of innerlijke magie is, en dat de magie tenslotte de veruiterlijkte esoterie is. Dat is een zegswijze, die pas begrijpelijk wordt, wanneer we beseffen waarmee je eigenlijk ook in het esoterisch denken en streven werkzaam bent.

Er is in u een levenskracht. Die levenskracht is ten dele stoffelijk. En als stoffelijke waarde kunnen we zeggen, dat ze bepaalde beperkingen kent. Daarnaast zijn er krachten van meer astrale etherische geaardheid en daarboven ligt het feitelijke veld van uw levenskracht.

Nu is het zo, dat de hoogste levenskracht van de mens direct goddelijk is. Deze kracht is dus actief door het gehele wezen. Maar zij kan niet gericht worden. Die kracht diffuseert zich in alle richtingen en door alle sferen. Pas daar, waar wij in staat zijn om binnen onszelf een besef te verwerven van deze kracht en haar geaardheid en al wat er verder bij behoort, zijn wij in staat om wil uit te oefenen. D.w.z. de kracht in ons te richten. Naarmate wij dus in een sfeer komen, die wij beter kennen en daarvan de levenskracht ervaren, zullen we ook in staat zijn meer doelbewust die levenskracht te gebruiken.

Dat is enerzijds magie. Maar anderzijds is het esoterie. Want wij kunnen die krachten, die in ons aanwezig zijn, ook gebruiken om onze eigen perceptie, onze gevoeligheid, uit te breiden in de richting van de onbekende sferen, waarvan wij nog geen bewust beeld in ons dragen. Er is dus sprake van een voortdurende wisselwerking. En voor de esotericus zijn daaraan enkele consequenties verbonden.

Wanneer men zonder meer vanuit zich tracht op te gaan, dan zal men altijd vastlopen. Want wij gaan weliswaar op tot de hoogste bewuste fase van ons wezen, maar daar gekomen zijn wij ook in de laatst gerichte energie terecht gekomen. Alles wat daarboven is blijft vaag, blijft onaantastbaar, onberoerbaar, onkenbaar. Indien ik echter in mijzelf uitga van mijn hoogste begrip en dit projecteer als bewuste levenskracht, dan wordt in het ik ook in het menselijk ik het denken, het bewustzijn gestimuleerd. Wanneer wij die kracht dan richten op het hoger bewustzijn, ontstaat een beleving, waarbij wij ver boven al het geestelijk kenbare uitgaan. Dit wordt wel eens een mystieke ervaring genoemd. Maar zo mystiek is ze dan toch ook weer niet, of we leren daaruit bepaalde dingen begrijpen, we krijgen. a.h.w. een formulering van een wereld, die wij niet kennen.

In het begin zullen dergelijke details summier zijn en zal de onderlinge samenhang een beetje zoek blijven. Maar dat neemt niet weg, dat we door steeds weer meer details te verzamelen, op den duur kunnen komen tot een beeld van een wereld, die boven het nu hoogst actieve ligt.

En zodra we die wereld erkend hebben, is het niet voldoende bij die erkenning stil te staan.

Wij moeten ons met die wereld vereenzelvigen, opdat wij vanuit dit hoger niveau eveneens de levenskracht kunnen bundelen en projecteren.

Dit is misschien erg ingewikkeld gezegd, maar als procedure is het betrekkelijk eenvoudig.

Misschien mag ik – het schijnt dat ik nog even tijd heb – proberen om dat dus in heel simpele woorden als een procedure a.h.w. te schetsen.

Wanneer ik denk, kan ik dit denken niet zonder meer vervangen door emotie of ontvankelijkheid. Aangezien als mens het denken de bewustzijnstoestand, de bewustzijnswaarden omvat en al het andere alleen maar de tenders, de teneur van het denken, kan weergeven, maar niet dit denken zelve veranderen kan, moet ik uitgaan van het denken. In het denken kan ik spreken over de absoluut abstracte waarden. Over de ideële waarden, die dus wel omschrijfbaar zijn en de praktische waarden.

Nu heb ik aan een abstracte waarde betrekkelijk weinig. Een abstractie kan niet geformuleerd worden. De gerichtheid blijft emotioneel, of wordt ten hoogste een uitdrukking van verhoudingen, waarbij het ik niet onmiddellijk betrokken is.

Maar het ideële denken brengt ons de mogelijkheid het ik als geassocieerd met een bepaalde samenhang of beeld ons voor te stellen. De eerste fase is dus in het eigen denken tot de erkenning komen van het ideaal. Het ideale, waarmee men het ik nog onmiddellijk en volledig verbonden kan gevoelen. Hebben we dit bereikt, dan zijn we in onszelf al enige schreden omhoog gegaan, dat is duidelijk. Maar nu gaan we zeggen: Alle krachten, die in dit ideaal schuilen!, zijn in mij aanwezig. Wanneer ik het ideaal niet als een werkelijkheidswaarde beschouw maar als een innerlijke toestand en mij daarop richt, zal ik verder kunnen gaan dan dit ideaal. Dat lijkt misschien een beetje onlogisch. Maar wanneer je een pijl en een boog hebt, dan kun je zeggen: daar is het doel. Maar dat doel is niet vast, het is geen strokorf, het is papier. Wanneer ik de pijl afschiet met voldoende snelheid, doorboort zij het papier en kan een daarachter gelegen doel mij nu misschien nog niet bekend raken.

Dat is dus het begin. Ik ga uit van iets, dat in mijn eigen wereld denkbaar is, waarin ik zelf kan passen. Ik ga daaraan geen grote ideeën verbinden als God; ik probeer alleen die toestand zo reëel en ideaal mogelijk te zien. Heb je dit eenmaal bereikt, dan wordt ook de geestelijke wereld steeds meer een bewust, actief en logisch deel van het denken. Het ideaal omvat meestal dan ook geestelijke waarden en omstandigheden. De procedure blijft gelijk.

Wanneer die geestelijke omstandigheden dus binnen de stoffelijk ideële voorstelling eenmaal gevestigd, zijn, dan zullen wij gaan zien, dat er meer achter schuilt. Er is sprake van een bewustwordingsproces, dat – zij het misschien beperkt door de beperking van het denkvermogen – concrete beelden schept van hogere werelden.

Waar concrete beelden aanwezig zijn, is een concreet willen mogelijk. Hier kan de wil actief zijn. Het brandpunt van alle esoterische bestreving, het brandpunt ook van alle overdenken, is en blijft steeds het eigen ik in de eigen wereld.

Na deze fase wordt het dus belangrijk om de levenskracht, die wij vinden in een hoger geestelijk niveau, niet als bepaald door de toestanden van dit niveau, maar als bepaald door onze wil selectief in ons eigen wezen, lichaam in casus, te projecteren. Wij moeten proberen levenskracht, vitaliteit, veerkracht, uithoudingsvermogen, goede stemming, a.h.w. uit de lucht te plukken.

In het begin valt dat wat moeilijk, maar op den duur gewen je er aan door die wilsuitoefening (een zekere ontspanning en lichamelijk ook een verandering van psychische verhoudingen en spanningen in het ik) dit tot stand te brengen.

Wanneer wij de toestand ‘welbehagen, vitaliteit’ gevonden hebben, dan wordt het tijd om het geheel van deze kracht (dus als de pijl in mijn voorbeeld) te richten op het ideële, van waaruit we putten, maar net nog een stap verder. Wij richten ons met alle kracht op de laatst voorstelbare wereld en ontdekken details van een nieuwe wereld.

Bij de magie blijf je stilstaan bij het projecteren van de kracht in de materie. Je hebt er een ander doel voor, een andere bestemming. In de esoterie moet je verder doordringen. Je gebruikt dus de kracht om een zekere versnelling a.h.w. van het geestelijke tot stand te brengen. En dan komen wij vanzelf aan een volgend punt.

Hoe hoger de geestelijke wereld, waarin ik mij beweeg, hoe kleiner het aantal in het materieel denken nog omschrijfbare details. Maar elk detail staat als een symbool voor een totale, niet begrepen reeks van omstandigheden. Hoe verder wij komen in de esoterie, hoe meer in ons bewustzijn naast het ideële, dat blijft bestaan, dus symbolen optreden. Het symbool-denken zal in deze fase van bewustwording onvermijdelijk zijn. En de ervaringen daarbij heten dan weer mystiek, omdat wij de samenhangen van details niet anders kunnen uitdrukken dan door een gevoelsbeleving.

Vanuit die gevoelsbeleving verdergaande, worden wij geconfronteerd met – ja, men zegt wel lumen auris – het gouden licht. In dit gouden licht – dat moet u goed begrijpen – heeft u niet God gevonden. U heeft daarin alleen gevonden een vorm van energie, die binnen u elke functie kan versterken, die voor u elke verwijdering van uw stoffelijke beperktheid van begrip (vooral voor samenhangen), ongedaan kan maken. Wat men bereikt is niet zozeer een direct inzicht in de hogere goddelijke wereld, maar een inzicht in de samenhangen van de lagere werelden.

Misschien dat u dit ook weer vreemd vindt, dat kan ik me voorstellen. Maar als u even redelijk nadenkt, zult u begrijpen waarom. De hogere wereld, waarin wij binnentreden, is niet onze eigen wereld. Wij moeten ons daar langzaam in gewennen we moeten haar ons eigen maken.

De werelden, die lager liggen of ze nu geestelijk zijn of materieel zijn werelden die wij wel kennen, waarvan wij de waarden dus kunnen overzien. De esoterische bewustwording laat ons door het terugschouwen op onze eigen werelden het spiegelbeeld van het Goddelijke beseffen. En nu heeft u wellicht wel eens een schimmenspel gezien. Misschien mag ik dan de zaak zo stellen: Naarmate men zelve dichter bij de lichtbron staat, worden de geprojecteerde beelden in verhouding scherper en overzichtelijker. Dat weet u. Naarmate ik zelve dichter kom bij de bron, die de verschijnselen van de schepping projecteert, voortbrengt, zal ik niet die bron, maar het geprojecteerde duidelijker kennen.

Dan geldt voor de esotericus: Het totaal van de erkende projectie is de weergave van het wezen van de Schepper. Uit het lagere leert men het hogere kennen. Uit de werking van het lagere beseft men de wil van het hogere.

Voor de magiër ligt het hier iets anders. Wat deze zegt: wanneer ik – staande bij de bron – een deel van mijn eigen schaduw bij het geprojecteerde beeld voeg en volgens mijn eigen wil deze schaduw doe bewegen, verander ik – zij het tijdelijk – de verschijnselen.

De levenskracht is dus hier gelijktijdig de lichtbron (de goddelijke kracht), zij is voor ons de definitie van het beeld (de projectie) en uiteindelijk ook het geprojecteerde, zij is voor ons de erkenning, de mogelijkheid tot ingrijpen, zij is de beheersende factor.

Wij mogen deze levenskracht niet verwarren met andere krachten. Je zou haar kunnen verwarren met astrale kracht, met mentale krachten je zou haar kunnen verwarren met de kracht uit de geest zonder meer. Ik wil daarom – het is zo langzamerhand helaas tijd – mijn betoog gaan besluiten door nog iets te zeggen omtrent die levenskracht.

De levenskracht is een universele kracht. Alle andere vormen van kracht, die wij kennen of die wij ons kunnen voorstellen, zijn binnen deze kracht bevat zoals alle kleuren binnen wit licht.

Wij kunnen door selectie dus uit de levenskracht elke vorm van kracht puren. Zolang wij de levenskracht als geheel hanteren, betekent zij voor ons een evenredige versterking van alle in ons levende factoren, van alle in ons levende voertuigen en van alle vanuit ons bestaande mogelijkheden.

Misschien dat ik daarmee in de korte tijd, die mij tenslotte toegemeten blijkt, toch iets heb kunnen bijdragen aan uw beter begrip van juist dit esoterisch leven en werken. Verwijder u niet van uw wereld, maar leer vanuit het hogere in u, uw wereld te zien en aan de beelden van die wereld de aard van de op die wereld werkzame hogere kracht te erkennen. Eerst wanneer ge in het schaduwbeeld het wezen geheel erkend hebt, zult ge u misschien kunnen omwenden en de werkelijkheid zien, zonder daardoor verblind te worden.

o-o-o-o-o-o-o-o

Het is al een tijd geleden, dat onze meester en leraar zijn werken op deze wereld definieerde en begon ons te instrueren volgens de wetten van een nieuwe tijd.

Deze tijd is een nieuwe tijd. Zo leerde hij ons, omdat de oude cycli volbracht zijn. De tijd van het verleden is afgelopen. Niet slechts omdat het heden altijd het verleden vervangt, maar omdat dit verleden in zich een eenheid vormt.

De gang van het eerste, vage, angstige geloof in geesten en ongeziene invloeden tot het besef van een alomvattende godheid, is een fase. En telkenmale wanneer een fase van lering ten einde is, dan bereiden wij een nieuwe gang voor. Een tijd, die in menselijke jaren uitgedrukt, onmetelijk lang is. En men begint steeds weer bij het begin.

Zoals eens een primitieve mens aan een steen de kracht toeschreef om hem heil en hulp te verschaffen, zo is in deze tijd het geloof van de mens aan zijn God. Het is een primitief geloof.

De verhouding mens-God is er nog steeds een van bescherming, van verwerven en ook van dreiging, wanneer een taboe wordt geschonden.

De nieuwe tijd zal de mens moeten voeren tot een ogenblik van besef, waarin God niet is een rechter, een te vrezen kracht of iemand die gaven verschaft, maar een wezenstoestand, een eenheid van denken met het Al. Niet een verliezen van jezelf, maar een bewust als ik-heid opgaan in een onmetelijkheid en deze zo – in en vanuit jezelf – ervaren. Dit beeld is mij altijd bijgebleven. Want wat onze nieuwe meester – hij was de nieuwe meester – toen bracht, was eigenlijk herleid tot moderne termen de leer van zovele anderen. Het was of hij in een kort leven en in korte gezegden trachtte om al wat was voorgegaan – alle koningen en profeten en priesters, alle wetten, alle openbaringen – samen te vatten. Pas toen hij was heengegaan, heb ik geleerd wat dit betekende.

Wat hij voor ons deed, was het punt van uitgang, het beginpunt van een nieuwe periode omschrijven. Hij gaf ons a.h.w. de essentie van het verleden. En wij dachten dat het grote en hoge leringen waren. En wij meenden, dat hij alleen nederig was, wanneer hij zei: Dit is niets bijzonders. Of: Dit is niet van mij, maar dit is een waarheid, die je moet beseffen.

Nu weet ik, dat hij geprobeerd heeft om het geloof van de simpele met zijn gelukbrengende steen te omschrijven, er een vorm aan te geven. Te zeggen: Zo druk je je eigen verhouding t.o.v. het Al uit en zo geef je de behoeften weer, die in jezelf leven. En daardoor zijn in mij vele denkbeelden gaan groeien juist aan de hand van leringen, die ik misschien in het begin niet helemaal goed begreep.

Hij zei bv. tot ons: Zolang je God vraagt, heb je eigenlijk al ontkend, dat je deel van God bent. Ik dacht dat is een aardigheid. Maar wij zijn zelf de kracht, die God zoals wij Hem ons voorstellen activeert. Die God is niet de verre Schepper, van Wie wij een gunst vragen. Wij vragen de gunst van onszelf. Wij, wij schakelen ons in in een oneindige Kracht. En die oneindige Kracht heeft een persoonlijkheid. Zij is God. Maar wij zijn het, die kiezen uit God.

Wij zijn het, die door ons eigen besef Gods wereld maken tot vreugde of tot een hellewereld.

De nadruk, die valt op dit zelf zijn, op dit ego, komt steeds weer naar voren, in elke lering, die ik mij van de meester herinner.

Hij zei eens tot ons i.v.m. leerstellingen uit het verleden: Zo symboliseert men de eeuwigheid met een slang, die zichzelf eet. Maar ik zeg u: De mens is een slang, die zichzelf eet. Want zie, hij verteert zijn krachten in zijn poging om zichzelf te bewijzen aan zichzelf. Hij verzwelgt zijn werkelijke mogelijkheden uit angst voor een mogelijke mislukking, of onvolkomenheid. Waarlijk, ik zeg u, de mens is in zichzelf besloten en daardoor nog niet vrij om in te gaan tot een werkelijkheid, waarin de Kracht, die het Al heeft geschapen, beleefd en erkend kan worden zonder meer.

Wij eten onszelf. Dat is een moeilijk punt. En toch is het waar. Waarom zoekt u naar geestelijke waarden? Om uzelf en uzelf te bevestigen. En uit al hetgeen u gegeven en geleerd wordt, zult u altijd datgene nemen, wat u reeds ziet als deel van uzelf.

Wat zijn uw angsten en uw vrezen? De dingen die in de wereld bestaan? O nee, het zijn de emoties, die in uzelf leven; de voorstellingen en dromen; dat, wat ge uzelf hebt geschapen. Dat vreest u in feite. Wat er buiten die wereld staat, dat laat u betrekkelijk koud.

Gij eet uzelf. Een bittere waarheid. Maar een waarheid, die de nieuwe leraar ons toch niet heeft gegeven alleen maar om een pessimistisch beeld te tekenen. We moeten beginnen met dit te erkennen. Zodra ik weet, dat ik van mijzelf eet en niet van een goddelijke waarheid of van een eeuwigheid, ben ik misschien in staat om – al zal ik mijzelf blijven – een ogenblik die beperkingen terzijde te leggen. Een angst, een begeren, een vertrouwen in God, al die dingen terzijde leggen. Voor een ogenblik te zeggen: Ik ben deel van God. En op dat ogenblik leef ik en beweeg ik mij in het totaal Goddelijke. Op dat moment ben ik voor een ogenblik vrij.

De veelheid en de verdeeldheid van de wereld is ons eveneens door de nieuwe leraar vaak voorgehouden. En hij spreekt daarover niet als iets, wat niet bestaat. Hij ontkent niet, dat er rassen zijn, of standen, dat er verschillende wegen zijn tot een waarheid. Hij ontkent echter, de zinrijkheid van een je daarop beroepen. Hij zegt niet, dat je het onderscheid moet wegvagen. Maar hij zegt, dat het onderscheid alleen dan belangrijk is, wanneer het de zin van je leven vergroot. Of zoals hij het uitdrukte: In een wereld van tegenstellingen kun je pas jezelf zijn, wanneer je de tegenstellingen in jezelf verenigt; wanneer je juist door die tegenstellingen beter beseft wat je bent en wat de wereld is voor jou.

O, ik gebruik mijn eigen woorden, dat weet ik. Maar de woorden van de meester, de woorden van lichtende kracht a.h.w. zijn voor u minder gemakkelijk te begrijpen.

Hij bouwde ons o.m. dit beeld: Hij zei: In u is het verlangen naar een hoogste vreugde. En nu wij samen zijn (het was in het avonduur) zijt ge vredig en gerust. In u is vreugde en licht en kracht. Zie, gij zijt uzelf het koninkrijk der hemelen.

En toch is in u een vage onrust. Want zo dadelijk begint de dag opnieuw. En ge weet, dat men mij niet gaarne ziet. En dat zij, die mij volgen, niet overal als vrienden gezien worden.

Zo dadelijk, wanneer wij afscheid nemen, overwint dat misschien in u en strijdt ge met uzelf of ge mij zult volgen, of dat ge een eigen weg zult kiezen en mij verloochenen. Zo zijt ge in uzelf een hel.

Gij zijt het heelal. Maar wat is een heelal zonder scheppende God? Gij wordt nog steeds geschapen door wat gij zijt. Eerst wanneer ge leert te scheppen wat gij zijt, zult ge vrij zijn.

Ach, wij hebben die leer herhaald. En wij hebben haar misschien, misschien ergens toch wel begrepen. Maar hoe duidelijk spreekt het nu niet, na zoveel tijd!

Wij zijn een complete wereld. Alles wat er in het Al kan bestaan, leeft in ons. Maar wij beleven dit Al, wij bepalen het niet. Wij worden beheerst door de tegenstellingen in ons wezen. Wij zijn het niet, die het evenwicht van de tegenstellingen in ons wezen vaststellen. En daarin ligt de fout.

Hoe kunnen wij een hogere wereld, een hogere god, een grotere werkelijkheid ooit aanvaarden, wanneer wij nog niet meester zijn in onszelf? Wanneer wij nog niet de schepping in onszelf regeren?

En dan kom ik wederom terug tot die grondstelling, vanwaar ik ben uitgegaan: Dit is het begin van een tijd, een nieuwe tijd. De mens van heden draagt zijn God met zich, zoals eens de primitieve mens zijn steen, die hem geluk bracht. Maar dat is niet voldoende. Want de macht, die in de steen scheen te schuilen, was verborgen in de primitief. De kracht, die wij nu nog zien als Gods kracht, is de kracht, die schuilt in ons. En als wij een werkelijk grotere wereld ooit moeten betreden, dan zal het vanuit dit punt zijn.

Het heeft lang geduurd, voordat uit het primitieve geloof aan een fetisj een godsgeloof zoals in deze dagen kon groeien. Het zal ongetwijfeld lang duren, voordat in de volgende cyclus de mens zijn geestelijke vrijheid en waarde volledig heeft gewonnen. Maar wij staan aan het begin. En zo primitief, als we dan ook mogen zijn, ons begin is noodzakelijk.

Wij hebben de meester een keer gevraagd, of hij nu werkelijk meende, dat het zo belangrijk was, wat we deden. Want we wisten toen reeds, hoe kort de tijd bemeten zou zijn en hoe beperkt uiteindelijk onze invloed. En hij zei toen tot ons: Als ik een lijn trek, die reikt tot aan God, en ik ben het eerste punt, ben ik onmisbaar.

Misschien dat wij in die nieuwe periode allen, onbelangrijk zijn? Maar we zijn een eerste begin, een punt van uitgang. En daaraan, daaraan, alleen en niet aan onze bereikingen ontlenen wij de belangrijkheid voor de komende tijd.

Wat zou dat eerste punt, dat eerste nieuwe besef dan moeten zijn? Ik kan het niet beter weergeven dan in de woorden van hem, die ik gevolgd heb en nog volg.

“Weet, dat gij meester van uzelf zijnde de macht hebt binnen uw beperkte wereld. En weet, dat de macht binnen de beperkte wereld het begin is van het besef van de grote wereld.”

Begrijp ……. dat is zo gemakkelijk gezegd. En ik zeg het nu tot u met dezelfde nadruk, die eens de meester gebruikte. En u zult in uzelf even onduidelijk en even onklaar dit ervaren, als wij het hebben gedaan. Dat weet ik. Maar wanneer wij beginnen met te vertrouwen op onszelf, wanneer we beginnen met in onszelf te werken niet volgens de oude regels een streven naar een onbereikbare en vage God of een verzoenen van een God, Die toornig en rechtvaardig ons wacht op een rechterstoel, maar harmonie scheppend met al het zijnde door in onszelf de harmonie tot stand te brengen, dan hebben we eigenlijk niets gedaan volgens de wijzen van later. Dan zijn we primitieven. Maar we zijn het beginpunt.

Nu de tijd van de lering op aarde voltooid is en men zich langzaam voorbereidt op de volgende stem, die op deze wereld gaat spreken, nu lijkt het mij goed, dat men zich hierop bezint. Het hindert niet of we dom en dwaas en primitief zijn. Wij moeten het begin zijn. Zonder datgene, wat die paar leerlingen en die vele primitieve mensen, die geluisterd hebben en soms nog luisteren, zonder wat die doen, zou geen volgende meester of openbaring op de wereld, zou geen wederkomst van het Allerhoogste zelfs, nut hebben. Aan ons is het om zin te geven aan al wat verder gebeurt.

En dan hebben ze misschien vroeger eerst gelachen om de man, die zei: “Deze steen brengt mij geluk.” En later, toen zij zagen dat hij meer geluk had dan anderen, hebben ze hem misschien gevreesd. Want ze zeiden: “Hij gebruikt middelen die niet zuiver zijn.” Maar van daar uit zijn de eerste priesters, de eerste sjamanen ontstaan.

En zo zal het ons gaan. Men zal lachen om degenen, die ernaar zoeken die harmonie in zichzelf te maken tot een levende en een werkelijke kracht. En wanneer men uiteindelijk gaat beseffen, dat die kracht werkelijk iets betekent, dan zal men hen vrezen. Vrezen en ontwijken of misschien achtervolgen. Maar de wijsheid, die vergaard wordt, het besef dat je in jezelf en door jezelf gewint, dat gaat niet teloor. Het wordt overgedragen van mens tot mens, van geslacht tot geslacht. Een schier eindeloze reeks. Aan het einde waarvan een mens staat, die – levende – uit zich blikt en God ziet; die – levende – in zich blikt en het beeld Gods erkent in zijn volle waarheid.

De leer van onze meester is misschien een eenvoudige leer. Er is veel aan ontnomen van wetten en regels. Maar hij heeft ons dan ook gezegd: “Indien gij goed zijt, omdat gij de wetten volgt die u regeren, hoe wilt gij uzelf zijn? Gij zijt dat, wat de wet stelt, niet uzelf. Maar gij zijt deel Gods. Daarom zeg ik u: Volg niet de wet, doch volg uzelf. Opdat het goede, dat in u is, uit uzelf voortkome en in uzelf de harmonie scheppe, die noodzakelijk is.”

Naast dit alles is het misschien goed om op nog een ander punt te wijzen.

Toen de meester heenging of kort voor zijn heengaan, heeft hij ons dingen gezegd, die men misschien tegenwoordig als profetieën wil beschouwen. Ik geloof, dat hij slechts datgene uitsprak, wat hij zeker wist. Ik kan het niet allemaal zo volledig weergeven als ik zou willen.

Maar samengevat was het ongeveer als volgt:

Wanneer de vorm van de wereld de mens belet zichzelf te zijn, zal de vorm breken. Zoals het water sterker is dan de steen, is de voortdurende gedachte sterker dan de materie. De kracht der gedachten zal in de komende tijd in toenemende mate het lot der materie bepalen, zelfs indien de denkers het niet beseffen.

Uit de veelheid van gebeurtenissen, van verwarring en strijd, zal er een vloed over de wereld gaan. Een vloed, die van het Oosten komt, een rode vloed, die dreigt de wereld te verzwelgen.

De mensen zullen het misschien niet beseffen. Maar wanneer die vloed eenmaal de wereld is rondgetrokken, zo zal zij zichzelf doven.

En zij zal worden tot een gele vloed, die vanuit het Oosten rond de wereld gaat. En zij zal vanuit zichzelf de mens brengen een nieuw licht en een vrijheid, die hij zelf nog niet beseft.

En als twee malen dit licht rond de wereld is gegaan, zo zal een derde golf uitgaan. En deze derde golf zal zijn blauw en zilver als het licht van de maan. En daarin zal de mens voor het eerst beseffen wat hem is geschied en zal hij de middelen vinden om meer te zijn dan hij ooit geweest is.

Het was een mooi beeld. En natuurlijk hebben we geprobeerd daarvan een definitie te verkrijgen. Zoals u nieuwsgierig bent, zijn wij het altijd geweest. En daarom heeft de meester ons nog wel verscheidene verklaringen gegeven.

De rode vloed is de vloed van de energie, van leven en van denken, van hartstocht, van oorlog, van mislukking en van rampen, maar ook van wonderlijk snelle opbouw en verandering. Die eerste golf is geen politieke golf. Zij is eenvoudig een omwenteling in mensheid en menselijk leven, die door de mens niet wordt beseft, maar waarvan de gevolgen voortdurend zijn milieu bepalen.

En wanneer die rond de wereld is gegaan en daarvoor werd een tijd gegeven, die ik het best vertalen kan als ongeveer 77 dagen, wanneer ze dus eenmaal goed losbreekt dan heeft die mensheid dus een nieuwe staat gevonden, een nieuwe toestand. En zij zal in die nieuwe toestand moeten zoeken naar evenwicht, naar nieuw begrip, naar nieuwe harmonie.

Hoe zei de meester dat ook weer? Oorlogen leiden tot verdragen, verdragen tot overeenkomsten en samenwerking, samenwerking tot resultaat. En resultaat kan weer leiden tot na-ijver en tot oorlog.

Zo moet u denken, dat die tweede golf, wanneer zij rond de wereld gaat – en deze zou 77 jaren duren. Ik geloof dus, dat de meester daarmee een verhouding wilde uitdrukken en niet alleen maar tijd – dan zal hierin dus een nieuwe samenwerking onder de mensen geschieden. Maar het hoe en waarom, het inzicht in al die dingen zullen zij niet bezitten. Want hun wetenschappelijk kennen blijft stilstaan bij de oude situaties en waarden. Zij kunnen die snelle verandering eenvoudig niet begrijpen.

En pas wanneer zij weer voldoende achtergrond hebben gekregen in dat nieuwe, dan komt er een begrip. En dat begrip zal niet alleen maar zijn een wetenschap voor de wereld, maar ook een juister begrip van hun eigen waarde, hun eigen functie. En waarschijnlijk ….. hun eigen eeuwigheid.

We hebben ten laatste – want ik wil u niet te lang bezighouden met deze dingen – de meester gevraagd: Wanneer meent gij, dat de mensheid de volgende stap heeft bereikt?

En toen zei hij ons dit: Wanneer het kind leert lopen, zijn de eerste schreden kort en aarzelend. Dan worden zij groter. En wanneer het zijn beheersing wint, zullen de schreden wederom kleiner en sneller worden.

En hij voegde daaraan toe: Korte en snelle schreden heeft de mensheid gemaakt. Nu schrijdt zij een betrekkelijk trage tred. Ze zal sneller gaan schrijden.

En ik geloof, dat hij daarmede bedoelde: Dit gebeuren zal zich alles veel sneller voltrekken dan wij menen.

Het zal geen honderdduizenden, maar enkele tienduizenden jaren vragen.

Hier heb ik u dus gegeven, wat ik u op het ogenblik geven kan: een begrip voor de zin van deze dagen. Het zou niet goed zijn, wanneer ik het laatste woord aan mijzelf voorbehield. Ik citeer daarom als slot onze meester.

“Uw naasten liefhebben wil zeggen, dat gij niets begeert ten koste van de naaste, dat gij niets geeft ten koste van uzelf, doch dat gij de naaste en uzelf ziet als één. Want de eenheid, die mensheid wordt genoemd, leeft in uzelf. Gij zijt de mensheid. Wat in één van u geschiedt, zal in het geheel der mensheid leven. En wat in de mensheid geschiedt, zal geen uwer kunnen ontkomen. Besef de eenheid, die bestaat tussen u en al wat menselijk is. Opdat gij beseffen moogt de eenheid, die bestaat tussen u en al wat goddelijk is.”

o-o-o-o-o-o-o

 

Zoals u bekend is, is het centrum, dat op dit moment gevestigd wordt in het middendeel van Zuid-Amerika, praktisch voltooid. Er is een overgang, waarbij Oost en West van plaats verwisseld hebben. Er is een verandering, waarbij ook de nadruk in alle streven en werkingen vanuit een ander punt moet vallen, op een andere wijze moet ingrijpen in het totaal van de mensheid.

De Broederschap, waartoe ik behoor, heeft zich ten doel gesteld die mensheid zover mogelijk te leiden naar een juister begrip, een juister besef. We hebben in het verleden getracht de paden te openen, waardoor de gehele wereld voortdurend kennis kon nemen van de kern der oude geestelijke wijsheid. Er komt echter een ogenblik, dat het niet goed is langs geheimen en inwijdingen te werken en dat het niet meer mogelijk is om in de groeperingen van vroeger de volste bewustwording voor de mensheid nog te scheppen.

De mens van deze dagen is massa. Massa kan niet beschouwd worden, ingewijd worden, beheerst worden, als de enkeling. Zij is trager. Zij toont andere verschijnselen en reacties dan de eenling. En daarom zal de nieuwe techniek, de nieuwe kracht, gericht moeten worden op die massa.

Voor die massa geldt, dat de in haar niet-bewuste mogelijkheden en krachten veel groter zijn dan in het gemiddelde individu. Dit betekent, dat de grootste invloed in deze dagen zal moeten worden uitgedrukt binnen dit niet-bewuste deel van het massa denken.

Het houdt in, dat de kosmische krachten voor zover wij ze kunnen hanteren en gebruiken en de eigen krachten en mogelijkheden, die wij vinden steeds sterker gebruikt moeten worden om de reacties van de massa te veranderen. Alle middelen, die daartoe gebruikt worden, zijn in feite onbelangrijk.

Er moet gisting zijn. Er moet een omzetting zijn. Opdat het geheel der mensheid met een ander denken, een andere realisatie, voor zich de paden der inwijding gaat, die altijd geopend zijn geweest. Want het is een vergissing van velen, dat alleen voor een enkele uitverkorene een verborgen weg bestaat tot nieuwe en hogere waarheid. De werkelijke kosmische krachten en waarheden zijn altijd open geweest voor een ieder, die zocht. Er is altijd een weg geweest voor de massa en de eenling tot hoogste bereiking, buiten alle scholing, buiten alle verborgen boeken en inwijdingen om. Maar in het verleden was het beter die dingen te laten rusten.

Nu betekent echter de vernieuwing van omstandigheden, dat het noodzakelijk is juist die massa te confronteren hiermede. En de eerste fase van een dergelijke inwijding is altijd verwarrend. Want voor men wil opstijgen tot de beproeving door de elementen, zo werd het in de oudheid reeds gezegd, zal men gaan door de kamers der chaos, langs de erkenning van de dood.

En dit is hetgeen de massa nu op het ogenblik zal moeten ondergaan. Met een offeren van enkelen of velen, dat heeft geen zin. Het scheppen van de chaos, van de verwarring, opdat juist in dit chaotische het zijn en niet-zijn kenbaar en aanvaardbaar wordt. Niet alleen op een persoonlijk vlak, maar in termen van volkeren en rassen en werelden. Dit wordt op dit moment nagestreefd.

Men wil uw wereld niet in een oorlog storten, die alles zou vernietigen. Maar men wil deze massa in de wereld van vandaag met zichzelf in strijd brengen, opdat ze in verwarring de vormloosheid vindt, waaruit de eerste vorming, de erkenning van ondergang en leven, mogelijk is. Zolang de waarden alleen gekoppeld worden aan persoonlijk belang, kan niets bereikt worden.

In de eerstkomende tijd zullen alle krachten van de kosmos dan ook gebruikt worden om dit te bevorderen. Niet alleen in een grotere frequentie van gebeurtenissen hoezeer ook dit voor de eenling kenbaar zal zijn en het beeld van deze dagen aanmerkelijk zal beïnvloeden. Neen, er is meer. Door het zover te brengen, dat niemand meer weet waar te gaan, door zo ver te komen, dat alle stellingen onhanteerbaar zijn geworden, dat alle theorieën van politiek en economie, alle stellingen omtrent godsdienstig beleid in de war worden gegooid, kunnen wij het eerste gistingspunt bereiken. Want de eenling, die denkt, is machteloos in de massa. Maar als tienduizend eenlingen denken ook al denken ze niet gelijk vormen zij een massa en zijn zij een macht. Deze verschuiving van invloed zal binnen enkele jaren wel voltooid zijn.

Een volgende fase die wordt voorbereid, heeft eveneens met de inwijding van die massa te maken. Er komt een ogenblik, dat men beseffen moet niet alleen als een verre mogelijkheid zoals nu, maar als een directe en onmiddellijke dreiging. Dit is de dood, die ik zelf heb geschapen. Dit monsterlijke, dat mij bedreigt, ben ik zelf. En pas, wanneer men het monsterlijke erkend heeft, zal men ook kunnen zeggen: Dit goede, dat leeft, ben ik zelf. Het besef van de massa moet veranderd worden.

Een aantal jaren, een betrekkelijk groot aantal jaren is voor deze omwenteling nodig. Zeer waarschijnlijk ligt het dicht bij de eeuwwisseling, voordat dit proces voltooid is.

Ook hiervoor wordt alle kracht dan gebruikt. Want wij staan op een punt, dat het zelfs met de grote krachten van deze dagen, met de grote invloeden, die vanuit de kosmos komen niet meer mogelijk is om te temporiseren, of twee meesters gelijktijdig te dienen. Je kunt maar één meester dienen op het ogenblik. Want het doel dat gesteld is, is te groot. Het is een heroriëntering van de totale mensheid. Het is een revalidatie van de menselijke morele waarden. Het is een herscheppen van het godsbesef in de totale mensheid. Dat kun je niet doen, terwijl je gelijktijdig je bezig houdt met de kleine wenselijkheden, die altijd bestaan.

Velen zullen in de komende tijd de Witte Broederschap een falen of een hardheid van optreden verwijten. Maar vergeet één ding niet; het gebruik van deze krachten op de juiste wijze betekent ook, dat al wat in die massa harmonisch is (a.h.w. de elementen van de massa, die reeds volgens de nieuwe vorm coaguleren), dat deze beschermd en in stand gehouden worden ten koste van alles. Dat zij zich verdelen, maar in stand blijven.

De witte Broederschap, de gemeenschap van de geest en van de stof, heeft niet ten doel de vreugden van deze wereld weg te wissen. De vreugde is een noodzakelijk element in het bestaan van de mens. Maar de vreugde zal een vreugde moeten zijn, die beter past in deze tijd en in het geheel van de mensheid. Zij moet meer passen in een gemeenschapsbesef en gelijktijdig ook een grotere persoonlijke waarde inhouden. Dit kan ook alleen door een heroriëntatie bereikt worden.

Denk niet, dat wij u alleen Pandora’s doos met ellende komen brengen in deze tijd. Wat de Broederschap in wezen brengt, is zeer weinig leed, maar wel leed, dat niet beperkt blijft tot een enkeling, dat altijd weer een massa, een veelheid treft. En daartegenover grotere mogelijkheden, vreugden en bereikingen, maar eveneens voor de massa, voor de veelheid, niet voor de eenling afzonderlijk.

Persoonlijke inwijdingen zullen in deze tijd dus alleen mogelijk zijn, wanneer daardoor het werk voor de massa bevorderd wordt. Zij zijn a.h.w. een residu van het verleden, een neerslag, die in deze dagen nog nuttig gebruikt kan worden. Maar die echter langzaam maar zeker wordt opgeheven.

Toen men mij heeft gevraagd of ik op deze en andere bijeenkomsten enige oriënterende woorden wilde spreken over dit nieuwe geestelijk centrum en zijn werking, heb ik als eis gesteld, dat het mij vergund zou zijn de harde waarheid eerst te zeggen.

Het is niet goed de mens te troosten met de zoetheid en de zachtheid van voortdurende bescherming, wanneer wij weten, dat daarachter iets anders schuilt. Het is niet goed de mens zoet te houden met de geestelijke bescherming en waarden, die aanwezig zijn, maar die voor een groot gedeelte van die mensheid toch worden weggevaagd door de directe omwentelingen, waarin ze betrokken raakt.

Daarom heb ik eerst deze dingen gezegd. Maar ge moet begrijpen, dat dit slechts een zijde van de medaille is. De tijd van chaos zal voor menigeen juist door het chaotische een persoonlijk snelle ontwikkeling mogelijk maken. Juist wanneer de beperkingen, die zo overal bestaan, voor een ogenblik wankelen, kan men van die verdeeldheid gebruik makende zichzelf stoffelijk en geestelijk bevoordelen. Men kan meer dan dit. Men kan juist door die onevenwichtigheid als eenling, die geestelijk enigszins bewust is, veel meer invloed uitoefenen dan anders. Men kan meer invloed uitoefenen in de geest zowel als in de materie. En dat is dan toch wel weer een vreugdige zijde. Er zijn meer mogelijkheden.

In de tweede plaats zal juist deze vernieuwing, wanneer zij in u reeds aanvaard is – ongeacht de nevenverschijnselen – voor u een voortdurende bevestiging zijn van uzelf. Het verheft u niet boven de massa, maar het geeft u wel de mogelijkheid om in die massa van grote betekenis te zijn. Het kan een zelfvervulling zijn, doordat je een levensbelangrijkheid gewint, die zonder dit niet bereikbaar zou zijn. Er is meer zin te verwerven.

Wanneer gewerkt wordt via dit chaotische en deze zelferkenningen op de massa, dan zal de eenling die ondergaan. Maar wanneer hij zelf reeds zover is gevorderd, dat hij die dingen doorstaan kan, dan zal de totale kracht voor zover ze hem betreft reine energie, een gave zijn. Het is niet alleen armoede, het is niet alleen verwarring en zorg. Het is ook een kracht, die aan betekenis gewint, naarmate rond u de zwakte van de confrontatie met het onverwachte heerst.

Dan moeten we ook uitgaan van de werkwijze, die door de Broederschap ook nu gevolgd wordt. In het oude Incarijk was een hele beschaving gebaseerd op korte en snelle verbindingswegen. Het nieuwe centrum zal in tegenstelling tot het oude centrum zich niet baseren op isolement, maal op korte en snelle verbindingswegen overal heen.

De Broederschap in het oude centrum kende geen rangen en standen. Wanneer het gaat om die beïnvloeding van de massa, is dat niet meer mogelijk. Ook hier zien wij een vergelijk met de oude beschavingen van Zuid en Midden-Amerika. Er zijn standen. Maar zoals eens ook voor de priesterlijke stand gekozen werd niet slechts uit de edelen, maar zelfs uit de slaven, zo zal dit ook nu geschieden. Er zijn priesterlijke mogelijkheden voor ieder weggelegd. De verbindingspunten werden altijd beheerst door afstammelingen van de heersende geslachten. Zo zal het ook nu zijn.

De wereld wordt door kosmische golven beroerd. De reacties daarop worden in het centrum opgevangen. En via het centrum worden onmiddellijk de zo juist mogelijke maatregelen genomen en al het ongewenste te beperken en gelijktijdig elke gewenste invloed zoveel mogelijk te versterken. Dat is de kwestie van de ingewijden.

Maar zoals de priesters via de ingewijden de bevolking moeten helpen de goden, de krachten van de natuur, te verwerken en niet slechts te aanbidden en te vereren, maar te beleven zo zullen er overal mensen gezocht worden, die dat priesterlijk element brengen. En dat zijn zeker geen vrome mensen, maar dat zullen mensen zijn, die dieper geworteld zijn in de realiteit van het leven dan anderen. Die zien door de beschermende laag van zelfbedrog heen, bij zich en bij anderen.

Er zal dus in deze tijd ook voor zeer velen een grote taak zijn. En zeker in deze zin zijn de mogelijkheden tot inwijding legio.

Dan moeten wij ook nog beseffen, dat er alternatieven zijn, waartussen door de Witte Broederschap een keuze is gemaakt. De keuze van een praktische vernietiging van ongeveer tweederde van de mensheid was een eenvoudige oplossing geweest. Men heeft deze verworpen. Men heeft gekozen voor een zo goed mogelijk behoud van de huidige mensheid met in verhouding zeer geringe offers. Men heeft gekozen voor een bewuster voortbrengen van nageslacht binnen deze gemeenschappen. Men heeft gekozen voor nieuwe wegen van leven. Er is een positieve benadering.

En wanneer zo dadelijk kosmische krachten komen, waarin wijsheid of vitaliteit zijn uitgedrukt, zo is die gehele Broederschap actief om eerst in eigen centrum die waarden a.h.w. rein en experimenteel op te vangen om dan aan de hand van de reacties in de verschillende delen van de wereld bij de massa’s een voortdurende aanpassing tot stand te brengen.

U zult u afvragen, hoe een dergelijke boodschap gebracht kan worden in een bijeenkomst, die vooral esoterisch streeft. Is esoterisch streven dan niet het innerlijk streven naar God, naar waarheid? Wat ik u zeg is de weg naar waarheid voor deze tijden. Zoals hij zo goed mogelijk wordt gebaand voor de gehele mensheid door velen, die voor zich het doel reeds bereikt hebben.

Het is een innerlijke kwestie niet alleen een kwestie van uiterlijkheden en invloeden naar buiten toe. Want het is de eigen mentaliteit van de mens, die meer dan ooit in het geding komt. Het is de vraag van de geestelijke gezondheid van de mens, die deze dagen overheerst.

Geestelijke gezondheid betekent een innerlijke harmonie, die niet statisch is, maar voortdurend de mogelijkheid tot aanpassing heeft. Hoe meer mensen deze bezitten, hoe meer zij anderen kunnen helpen hun stabiliteit te behouden.

Ge zoekt in u naar het Koninkrijk Gods. Welaan, die harmonie is het Koninkrijk Gods, dat gij ook anderen kunt geven.

Ge zoekt in u naar grote wijsheid. De wijsheid van het verleden heeft in beperkte mate nog zin. Zij kan een overgangsmethodiek bepalen voor de tijden van verwarring, de tijden van zelfrealisatie. Meer niet. Maar de wijsheid, die gij in uzelf wint – of zij die van de oudheid of die van het heden is – zal u leren langs innerlijke en langs speculatieve weg te komen tot een nieuw resultaat. Niet de ontdekking van het nieuwe, maar het gebruik van bestaande waarden op nieuwe wijze. Deze tijd van vernieuwing is dus voor u zeker ook esoterisch een belangrijke.

En ik geloof dat het goed is, dat het geheel van de mensheid beseft, dat de tijd van zachte woorden voorbij moet zijn.

Wanneer ik sprekende vanuit het nieuwe centrum, vanuit het nieuwe besef u deze dingen voorleg, zo doe ik dit, opdat u voor uzelf een keuze kunt maken. Opdat u voor uzelf binnen de schijnbare veranderingen en verwarringen van deze tijd een besluit voor uzelf kunt nemen.

Want al zijt ge misschien persoonlijk niet zo belangrijk, als deel van de massa, zijt ge wel belangrijk. In de totaliteit van tijd en geest zijt ge onbelangrijk maar binnen de beperking van de huidige mogelijkheden, en werkingen kunt ge een belangrijkheid bezitten. Omdat gij een van die punten kunt zijn, van waaruit die vernieuwing plaats vindt.

Met deze woorden heb ik niet alleen getracht enkele begrippen in te griffen, maar waar dit mogelijk is verwantschappen te wekken. Want waar het gevoel van verwantschap met deze dingen in u rijst, daar zal het misschien de Broederschap mogelijk zijn deze nieuwe tendens van overal werkzaam zijn, van snelle, korte verbindingen, ook door te zetten dank zij u in uw omgeving. En al zult ge er zelf niet altijd veel van beseffen en de waarde niet begrijpen, ik kan u verzekeren, dat dit vanuit ons standpunt gezien ook de inzichten van de Grote Raad op dit moment van het allerhoogste belang zal zijn.

Ik wens u veel inzicht en veel innerlijke harmonie toe, opdat ge in deze dagen niet slechts zelf vrede en geluk moogt vinden, maar moogt bijdragen tot een zo snel mogelijke verandering van de massa, die mensheid heet, tot een bewuster en juister bestaan.

o-o-o-o-o-o-o

Ja, ik moet dus nog een ogenblik de zaak overbruggen. U bent geconfronteerd vanavond met twee, elk voor zich sterk representatieve krachten van deze tijd. De benadering is misschien een verschillende. Ik geloof, dat de werkelijke tendens, de werkelijke inhoud, ongeveer gelijk is.

Het zou dwaas zijn om aan te nemen, dat je in deze dagen zonder zorgen een vernieuwing kunt bereiken. Aan de andere kant geloof ik, dat het verstandig is om toch aan te nemen, dat de mogelijkheid er is en wat wij op deze avond te dien aanzien hebben mogen horen, zal voor u toch naar ik meen duidelijk hebben gemaakt, dat zeer grote en belangrijke wijzigingen zich haast ongemerkt voltrekken. En dat u daarin heus wel gelukkig kunt zijn. Dat er geen ondergang zonder meer dreigt. Dat er geen laatste oordeel is, maar alleen een onweerhoudbare wijziging van al, wat bestaat. Een wijziging, waarin ge zelf een rol kunt spelen. En waaruit ge voor uzelf ook vreugde en voldoening kunt putten.

We zullen het niet langer maken met dit betoogje, want ik geloof, dat de aanpassing juist is. Ik wil u alleen nog een aardig punt vertellen. De eerste spreker leeft in de geest, maar onderhoudt in een bepaald deel van India nog zeer sterke en directe contacten met de wereld.

De tweede spreker is op aarde geïncarneerd en leeft in de stof. U zou dat misschien niet gedacht hebben, maar dat is toch wel waar. En hieruit blijkt ook wel, hoe sterk eigenlijk de verschillen stof en geest afgezwakt zijn door alles, wat er op het ogenblik gebeurt.

Ik hoop, dat u voor uw eigen vorming er iets aan hebt gehad vandaag. En wij hopen, dat we op een volgende bijeenkomst misschien weer de zuiver esoterische kant wat meer kunnen belichten.

image_pdf