Beschouwingen omtrent onze innerlijke wereld

image_pdf

8 november 1966

In dit eerste deel van de bijeenkomst is het mij opgelegd u een les te geven. In het tweede gedeelte komt waarschijnlijk een gastspreker, maar wij zijn er nog niet over geïnformeerd wie dat zal zijn. Ik kan u daarover dus weinig zeggen. Ik zou graag vandaag willen uitgaan van een paar misschien wat schokkende beschouwingen omtrent onze innerlijke wereld, ons zoeken naar de Godheid en al datgene, wat ermee in verband staat.

In de eerste plaats moeten wij begrijpen, dat de Godheid altijd een menselijke projectie is. Achter die projectie kan een werkelijkheid schuilgaan. Voor de mens is dit niet controleerbaar.

In de tweede plaats moeten wij begrijpen, dat de mens in zichzelf een groot aantal mogelijkheden en vermogens bergt, die omdat ze niet passen in zijn milieu, niet passen in zijn opvatting van leven door hem niet worden gebruikt of verkeerd en onbeheerst worden gebruikt. Deze kunnen echter onder bepaalde stimuli gewekt worden.

En in de derde plaats moeten wij opmerken, dat de mens in het leven en in de wereld eigenlijk maar een zekerheid heeft. Die zekerheid is zijn eigen beschouwing van de wereld. En die beschouwing op zich is ook weer een projectie van het eigen ik, waarachter zich dan een werkelijkheid kan verschuilen.

Wanneer wij aan esoterie doen, vergeten wij meestal, dat de innerlijke wereld een wereld is, die aan geen enkele redelijke norm beantwoordt. Wij kunnen proberen er een redelijke norm aan op te leggen, maar dan verschuiven wij alleen de uiting. We verschuiven dus niet de feiten De feiten zijn onveranderlijk in ons. De wijze echter waarop ze naar de buitenwereld toe in verschijning treden, kan beheerst worden.

In mijzelf betreed ik dus een wereld, waarin machten ontketend zijn, die ik normalerwijze niet ken. Een wereld, waarin wetten en regels kunnen gelden, die tegen alle redelijke norm ingaan. En wanneer ik die wereld dan nog betreed om een God te zoeken, dan ontmoet ik daarbij 1000 malen mijzelf, maar eigenlijk zeer zelden datgene, wat men God of Godheid zou kunnen noemen. Er is dan ook in de esoterie een behoefte om het ik a.h.w. onder controle te houden.

Nu kan deze controle niet geschieden aan de hand van menselijke redelijkheid, omdat zoals wij reeds constateerden een groot gedeelte van het menselijk leven zich daaraan onttrekt. Wat we nodig hebben is dus een maatstaf die in onszelf leven brengt, die in onszelf een bepaalde gerichtheid doet ontstaan. Deze kunnen wij vinden in geloof. Maar wanneer het geloof vaag blijft, ach, dan wordt het weer een persoonlijke projectie en dan heeft het voor ons weinig betekenis. Het is de rationalisatie van hetgeen er in ons geschiedt, niet het leidsnoer, waardoor hetgeen in ons geschiedt op een bepaalde wijze beheersbaar wordt.

De grootste mogelijkheid, die er bestaat, is het z.g. harmonisch principe. Een deftige naam, die wij plegen te geven aan iets, wat in andere leerstellingen wel eens naar voren wordt gebracht als naastenliefde en absolute onthechting. Ik leef. Mijn leven heeft alleen zin, wanneer mijn leven bevestigd wordt. Ik kan mij echter niet baseren op de bevestiging, die anderen mij geven, aangezien hun bevestiging van mijn persoonlijkheid niet parallel zal lopen met hetgeen ik in mijzelf als bevestiging wens. Ik kan dus alleen mijzelf projecteren in de ander. Ik kan de ander gaan beschouwen als een deel van mijzelf.

Op het ogenblik dat ik dit doe, breng ik a.h.w. de waarden bijeen. De ander waardeert mij; hij is buiten mij; aan mijn behoefte is voldaan. Gelijktijdig echter is zijn waardering niet bepalend voor mij, omdat alleen de waardering, die ik voor hem of haar heb (dus voor die ander heb) voor mij bepalend is t.a.v., mijn eigen wezen.

De beroemde regel dat de intentie belangrijker is dan de daad komt hier dus ook weer ergens op de voorgrond, maar met een lichte wijziging. De intentie, waarmee de daad is gesteld, is belangrijker dan de gevolgen van de daad. Dat zou de juiste opvatting zijn. Want door de intentie is mijn relatie met de wereld voor mij bevestigd.

Kijk ik naar de gevolgen, dan sta ik tegenover een onbeheersbare wereld. Van een zelferkenning is geen sprake. Want ik beleef alleen datgene, wat ergens ver buiten mij en buiten mijn beheersing bestaat. Maar weet ik, wat ik wil doen met een bepaalde daad, wat ik zoek, en zie ik in mijn daad de uiting en de vervulling ervan, dan blijf ik bevrijd van allerhande schuldgevoelens en angstgevoelens, ja, zelfs van de behoefte om aan de wereld te ontvluchten, die in het andere geval zo vaak voortkomt.

Heb ik die toestand eenmaal bereikt, (je kunt het naastenliefde noemen, je kunt het ook een soort onthechtheid noemen) dan heeft dus het ik in zichzelf een beeld, dat waar is, dat onaantastbaar is geworden. En het is dit onaantastbare beeld, dat ik weer nodig heb om met mijn geloof te kunnen werken.

Wanneer ik van mijzelf niet zeker ben, kan ik er ook niet zeker van zijn, dat een God op dit wezen zo en zo zal reageren. Het kan er niet op vertrouwen, dat dit vaag gekende en omschreven wezen op een bepaalde manier een kracht zal dragen of uiten. Ik kan niet aannemen, dat dit onbestemde, vage iets, dat Ik heet, met die wereld in harmonie zal zijn. Ken ik mijzelf, dan wordt het gemakkelijker deze dingen te stellen en te aanvaarden. Een geloof wordt dus intenser. Dit geloof is een sleutel voor een groot gedeelte van de mogelijkheden, die in je eigen persoonlijkheid liggen.

Normalerwijze ben je onzeker. Door de onzekerheid gaat een groot gedeelte van de energie in innerlijke strijdigheden teloor. Door het geloof ben je zeker. Het is niet zeker, dat hetgeen u gelooft juist is. Wel is zeker, dat u door uw geloof meer zult presteren om dit geloof waar te maken, dan zonder dat met eenzelfde doel ooit mogelijk zou zijn. Wij krijgen dus een zekere stuwing, een zekere draagkracht in onszelf.

En dan komt er weer een volgend punt naar voren, dat zo exoterisch, als het misschien wordt gezien eigenlijk esoterie is. Want naarmate ik meer zeker ben van mijzelf en door mijn geloof mij verbonden weet met het Hogere, met de kosmos, zal ik ook duidelijker en juister mijn persoonlijkheid (en niet alleen een redelijke of een uiterlijke persoonlijkheid, maar het totale wezen, dat ik denk te zijn) tot uiting brengen. In stem, in gebaar, ja, zelfs in de totale ontwikkeling van het lichamelijke komt dit tot uiting. Ik schep dus voor mijzelf weer een grotere mogelijkheid tot harmonie.

Het is het stijgen langs een betrekkelijk steil pad. Het heeft altijd het gevaar dat je valt en dan een heel eind terug rolt. Dat is waar. Want wanneer ik een geloof heb opgebouwd, dat te sterk verwijderd is van mijn persoonlijk wezen en mijn mogelijkheden, dan zal ik in dit geloof bijna zeker op een gegeven ogenblik erg teleurgesteld zijn.

Indien ik dat zie als een correctie op mijn geloof, is dit niet erg. Dan kan ik verder gaan. Wanneer ik echter het geloof boven mijzelf heb gesteld, dan ga ik eraan te gronde. Want dan heb ik mijzelf als ondeugdelijk bewezen. En die schok kom je niet zo gemakkelijk te boven.

Het is een steil pad, dat ik u beschrijf. En het is niet zonder gevaar. Wanneer ik echter besef, dat het geloof alleen maar de methode is, waardoor ik mijn volle persoonlijkheid ontplooi, zo geloof ik, dat het gevaar voor de doorsnee mens nogal beperkt kan worden. Mijn geloof vergroot mijn gevoeligheid. Wanneer die gevoeligheid in mijzelf is gericht, dan zal ik in dit ik ergens mijn eigen kosmos ontmoeten, de microkosmos. Ik zal in die microkosmos mijn leven niet meer beschouwen als een eenvoudige factor in de machine van de wereld en de mensheid. Ik zal mijzelf gaan erkennen als een scheppende factor. En ook dit is belangrijk.

Degene, die deel is van een machine, is onderdanig aan de machine. Hij is niet vrij. Hij wordt door de machine gedreven en is daardoor ook in zeer geringe mate ten hoogste aansprakelijk voor zichzelf en zijn eigen daden. Leer ik in mijzelf het begrip van scheppend zijn te verwerken, dan zal ik die verantwoordelijkheid wel beseffen. Mijn innerlijk creëren van een heelal betekent een besef van de verantwoordelijkheid, die ik niet alleen t.a.v. dit innerlijk, maar t.a.v. het geheel van het leven draag.

En daarmee heb ik weer een fase overwonnen en kom ik weer dichter bij het Goddelijke. Want ik ben nu door mijn verantwoordelijkheidsbewustzijn ook gericht op en bewust van de mogelijkheden, die in een soort kosmos, in een zeer complex geheel, bestaan. Ik kan de complexiteit in mij in grote lijnen overzien en begrijpen en daardoor kan ik ook de grote lijnen in het leven buiten mij volgen.

In de esoterie is juist het verwaarlozen van de details op den duur noodzakelijk. Wij zien, dat bij een vereenvoudiging van het leven de formulering van het leven eenvoudiger wordt, maar dat gelijktijdig de geldigheid van de ervaring een groter deel van het bestaande leven (ook het buiten mij bestaande leven) omvat.

Het is nu niet de tijd om hier te gaan speculeren over de eigenaardige ruimtelijke effecten, die wij op die manier ook nog kunnen verkrijgen, over de vreemde krachten, die wij t.a.v. tijd, magnetisme, elektriciteit en alle andere krachten ontwikkelen. Bovendien, ik geloof niet dat de mens voorlopig althans zo ver zal zijn, dat bij op die gebieden op een verantwoord wetenschappelijke wijze kan ingaan. Voor u is alleen belangrijk, dat u die capaciteiten erkent.

Het erkennen van de capaciteiten, het begrip voor de samenhang, de noodzaak tot vereenvoudiging aan de ene kant en gelijktijdig van een perfect samengaan van de details om die vereenvoudiging mogelijk te maken, brengt het ik in contact met de grote kosmos. En nu moeten wij ook in de esoterie hier een ogenblik teruggrijpen op een magische wet Wanneer twee voorwerpen identiek zijn in vorm, zijn ze ongeacht hun verschillen in plaats of grootte identiek, en zal dat, wat in het ene voorwerp aan verandering wordt aangebracht, zich weerspiegelen in het andere.

Wanneer ik eenmaal die kosmos in mijzelf in harmonie heb gebracht met de grote kosmos buiten mij, waarin ik eigenlijk de details beleef, maar waarvan ik dan ook de grote lijnen ga begrijpen, dan zal al, wat er zich in die grote kosmos afspeelt, in die microkosmos van mij merkbaar worden. Met als iets onontkoombaars, maar als een constateerbare factor, die door mij gemanipuleerd en gehanteerd kan worden. Ik ga dus in mijzelf a.h.w. de goddelijke schepping herscheppen. Omdat ik eenmaal harmonie bereikt hebbende alles wat in die schepping aan waarheid bestaat zie inwerken op mijn oorspronkelijk haast imaginaire creatie, ontstaat er een steeds grotere gelijkheid tussen mijn innerlijk besef en de totaliteit van het uiterlijk zijn. En dan is het nog maar een stap. Want heb ik eenmaal deze corrigerende werking a.h.w. binnen mijzelf gekregen, dan sta ik tegenover God.

U weet niet wat God is. U weet niet of er heel veel goden zijn of maar één. We weten alleen één ding: Een kracht is aansprakelijk voor de totaliteit, waarin wij leven. Dat is de eerste Bron. Wat er buiten die Bron bestaat weten we niet. Maar alles, wat van die Bron bekend is en kenbaar is, is via de uiting, via de schepping, kenbaar geworden. Heb ik in mij een heelal, een begrip van een totaliteit, die identiek is met de kosmos, dan heb ik in mij het beeld van God.

Omdat ik enerzijds schepper ben (want ik beheers die kosmos in mijzelf nog steeds) en anderzijds mijn functie als deel van de kosmos buiten mij besef, ontstaat er een integratie, waarbij ik deel heb aan het bewustzijn van de totaal scheppende Macht, zonder dat ik daarom mijn functie als deel (uitvoerend deel) in die totale Macht verlies. Er ontstaat een tweeledigheid van wezen, waarbij bewustzijn en functie gescheiden zijn, waarin de erkenning van de totaliteit een optreden als detail niet onmogelijk maakt, kortom, ik ben gelijktijdig geworden God en mens.

Maar als ik God ben (of één met God, als u dat liever hoort), dan zie ik dus de grondregels van de kosmos. Ik ken dus de krachten, die het leven scheppen en in stand houden. Ik ken de wetten, de algemene normen, volgens welke die krachten zich openbaren en uiten, want dat draag ik in mij. Dan zal ik krachtens deze kennis ook in de wereld waarvan ik deel ben die kracht kunnen manipuleren. Ik weet wat die krachten zijn, ik kan ze voorzien, ik kan ze berekenen, ik kan er rekening mee houden. Ook al ben ik niet vrij om buiten de grenzen van deze bestaande kosmos te gaan, zo zal ik binnen die kosmos altijd representant kunnen zijn op elk ogenblik van de totaliteit van de kosmos.

Nu weet ik niet, of u dit allemaal kunt volgen. Maar een ding zal u duidelijk zijn geworden Wanneer ik het zover heb gebracht, dan ben ik Bodhisattva, ik ben Christusdrager, ik ben openbaring, ik ben gelijktijdig profeet en engel. En dit is nu het doel van de esoterie. Het klinkt allemaal heel mooi en het zit ook logisch in elkaar, wanneer je de grondslagen a priori accepteert. Maar als mens zijn er nogal eens protesten tegen te bedenken. Ik kan me zo echt voorstellen, dat iemand zegt: Ja, het klinkt allemaal heel mooi, maar wat moet ik ermee doen?

Dan kan ik alleen maar antwoorden: Het enige, wat u kunt doen, is het proberen. Er bestaat geen vaste leerschool, er bestaat geen vaste wet, die voor een ieder gelijkelijk gelden kan. In dit opzicht tenminste. Er is slechts een ontleding mogelijk van de primaire waarden van de basisbeginselen. En dan kunnen we zeggen: Er zijn een aantal emoties, die in elke mens gelijk zijn. Deze emoties worden voortgebracht door de beelden, die je in je draagt, plus de ervaringen, die je in de wereld buiten je opdoet. En die emoties zijn dan te onderscheiden in angst-emoties, haat-emoties, geluks-emoties en ongeluks-emoties (afwijzende emoties). Vier factoren. Deze verschillende emotionele toestanden zijn altijd, gelijktijdig aanwezig. U bent dus nooit volledig gelukkig, zonder dat er ongeluk bij zit. U bent nooit in uw idee geheel vrij, zonder dat u gelijktijdig een onvrijheid daarin beseft, een beperking. Er is in u altijd een reeks van tegenstellingen. U bent een mengsel.

Dit mengsel nu heeft een normale evenwichtstoestand. Die is voor uw wezen afzonderlijk a.h.w. bepaald. Ze ligt in de erfelijke factoren van uw lichaam, ze ligt in de geestelijke impulsen die u hebt, het bewustzijn dat u hebt meegebracht, en zelfs uw verstandelijke ontwikkeling op aarde. Dit evenwicht is de basis van alles. De emotie en de emotionele uiting of beleving kan erg belangrijk zijn. Ze is een verrijking van onze ervaring. Maar willen wij innerlijk iets gaan doen, willen wij misschien ook werken met magische krachten, dan zullen wij eerst een emotionele stabiliteit moeten bereiken. Eerder kunnen wij niet verdergaan.

Dit betekent, dat wij er niet naar moeten streven om bijzonder gelukkig of ongelukkig te zijn, onszelf te verliezen in een roes of buitengewoon nuchter te zijn, maar dat wij moeten trachten dat, wat in ons gehele leven onze bepalende instelling is (onze reactie op het leven) te herwinnen, zonder dat er op dit moment associaties met de buitenwereld zijn. De buitenwereld moet vaag blijven, God moet het beginsel blijven. Eventueel ons geloof moet ons beginsel blijven. Maar we moeten niet trachten anders te reageren, andere emoties te kennen dan normaal.

Wanneer wij nl. van die emotionele basis uitgaan, dan komt allereerst (en dat is een heel eigenaardig verschijnsel) een gevoel van nutteloosheid. Het eerste gevoel, dat een streven volgens het door mij gegeven pad brengt, is het gevoel van nutteloosheid, van onbetekenendheid. Het is de realisatie – al zal men het zelden zo uitdrukken – van een zozeer deel zijn van de kosmos, dat er eigenlijk geen betekenis te verwerven is t.a.v. de kosmos. U kunt in die kosmos niet meer of minder worden. Hebben wij dit gevoel van nutteloosheid, dan begint er een spel, dat een vreemd mengsel is van zelfrechtvaardiging en fantasie.

We beginnen meestal met ons voor te stellen, hoe wij zouden moeten zijn. Maar daarmede creëren wij een persoonlijkheid, die van de onze verschilt. We gaan ons verder voorstellen, hoe die wereld voor die ander “zou” zijn. Daarmee creëren wij een wereldbeeld, een bestaansvlak in feite, dat van de werkelijkheid verschilt, maar beantwoordt aan ons wezen. Wanneer wij ons gaan afvragen welke kracht dit alles dan zou moeten leiden, komen we tot het beeld van een soort godheid of beschermengel, die wederom een weergave is van ons eigen wezen. We bouwen dus een piramide op, die eigenlijk niets anders is dan een reeks vanuit het ik voortgekomen voorstellingen, die een volledige vervreemding van de werkelijkheid rond je kunnen inhouden. Pas op het ogenblik dat ik die godheid (die regerende godheid) heb gesteld, komt het ogenblik dat ik mij weer een ogenblik mag wenden naar mijn ervaring, mijn herinnering, mijn redelijkheid. Ik zal dan in het leven buiten mij parallellen ontdekken.

Ze zijn soms negatief, wat ik allemaal goed zag gaan, gaat in de werkelijkheid verkeerd. Waar ik wil straffen, daar wordt in feite beloond. Maar ik zie een overeenkomst. Nu moet ik trachten het beeld van mijn innerlijke wereld zo te hervormen, dat de overeenkomst met de werkelijkheid steeds sterker en ook steeds logischer wordt. Mijn fantasiewereld, mijn fantasie-Al, heeft zijn eerste gelijkvormigheid met het werkelijke Al bereikt. Dan krijgen we een tijd, dat we denken dat we alles zullen kunnen. Er wordt een woord gefluisterd, dat we nog juist niet kunnen verstaan. We verstaan het bijna. En als we het verstaan hebben, zo zegt iets in ons – dan kunnen wij de wereld maken en breken, dan zijn wij meester van de schepping. Dat woord komt nooit.

We hebben het idee, dat net om de hoek een lichtende gestalte klaar staat om ons de sleutel van het koninkrijk des hemels te geven, maar die hoek komt nooit. Het is het eerste gevoel van de macht, die in onszelf schuilt. Maar we kunnen die macht niet hanteren, we weten er geen weg mee en daarom projecteren we ze. We maken er een verwachting van.

Zodra we ontdekken, dat deze verwachting niet helemaal waar kan worden, moeten we of er afstand van doen – en dat zal moeilijk vallen – of wij moeten trachten dit te herleiden tot onszelf. We gaan niet meer zoeken naar het machtwoord buiten ons, maar we gaan zoeken naar de sleutel, waardoor onze eigen energie opgevoerd kan worden. Desnoods alleen voorlopig die mentale sleutel, waardoor je uithoudingsvermogen wat groter wordt. Dit allemaal is geen kwestie van alleen bespiegeling, maar daardoor gaan we voor het eerst de machten gebruiken, die in het ik schuilen.

Tot nog toe hebben we dat eigenlijk onbewust en onbeheerst gedaan. Nu proberen we een kraantje te vinden, waardoor we onze eigen energie naar behoefte kunnen vergroten en verkleinen. En al heel gauw bemerken we, dat wij datzelfde kunnen doen met onze gevoeligheid t.a.v. de wereld. Wij kunnen a.h.w. gevoeliger worden voor alles wat rond ons is en we kunnen een heel groot deel van die factor en in de wereld afsluiten. Ons wezen wordt één door de wil gedicteerde variabele factor, voor zover het ons besef van leven betreft. Wij veranderen onszelf.

En wanneer wij beseffen dat deze verandering mogelijk is, dan zullen wij dit ook in die fantasiewereld, in die eerste opbouw, gaan projecteren. We gaan nu die wereld meer beheersen, we passen haar eenvoudig aan. We laten de tijd daarin langzamer of sneller gaan. We scheppen niet meer de figuren die ons bevredigen, maar we zoeken eenvoudig figuren uit, die met een kleine verandering aan de ogenblikkelijke behoefte kunnen voldoen. We komen steeds meer tot multi-forme eenheden, waarbij dus de essentiële gedachte (de droom, de fantasie) gelijk blijft, maar waarvan de functie variabel is geworden naar onze wil.

En daarmee hebben wij voor het eerst iets scheppends gedaan. We hebben niet alleen voor onszelf een wereld gecreëerd, die voor ons niet werkelijk was. Neen, we hebben nu geleerd, dat we bepaalde factor en naar voren kunnen halen of kunnen onderdrukken en daarmee alleen veel kunnen veranderen. En dat kunnen wij naar buiten toe dan ook. Wij leren naar buiten toe ook de mens a.h.w. beheersen. We halen uit zijn persoonlijkheid bepaalde aspecten naar voren. We maken hem opmerkzaam daarop, we laten hem er een ogenblik op reageren. En nu blijkt ineens, dat zijn totaal actiepatroon, ja, zelfs zijn gedachten veranderen. We hebben een zekere macht over onze medemens. We kunnen zijn persoonlijkheid niet veranderen, maar we kunnen zijn relatie met ons en zijn reactie t.a.v. onszelf wel degelijk veranderen. Dit geeft een idee van macht.

Het volgend stadium zou je clan ook een magisch stadium kunnen noemen. Men heeft zich gerealiseerd dat men mensen kan manipuleren. Men kent een soort psychische techniek, waarmee vele ongedachte verschijnselen bereikt kunnen worden. Het is een wat bekende techniek (hypnose, suggestie), maar daarnaast en wel vooral een haast onmerkbare beïnvloeding, die geschiedt door zeer kleine, voor een oppervlakkige beschouwer zelfs niet merkbare veranderingen in onze eigen houding, kleine klankveranderingen in onze stem. We voelen ons machtig.

En dan ontdekken we, dat we met al die macht niet kunnen ingrijpen in het grote gebeuren. We voelen ons een klein beetje als een goochelaar op een groot toneel en we vrezen, dat onze trucs niet voldoende zullen zijn om het toneel te vullen. We moeten er dus iets bij doen. We werken niet alleen meer aan de beheersing, aan de trucage (bij wijze van spreken), maar aan de presentatie. In onze fantasiewereld is niet het gebeuren alleen meer belangrijk, maar ook de achtergrond waartegen het gebeurt. Wij scheppen niet alleen meer de helden van het sprookje, maar ook het sprookjesbos, de landschappen, tot zelfs de zachte achtergrondmuziek van misschien wat ruisend water en een paar vogels.

We creëren iets. En nu voor het eerst een achtergrond. We gaan begrijpen, dat de actie alleen belangrijk is in relatie tot de achtergrond. En zo wordt onze wereld vollediger. We hebben niet meer voldoende aan een wereld. We gaan denken aan de sterren. En misschien doen we dat niet direct astrologisch, maar we zien toch een relatie. Er is niet voldoende aan een aarde er moeten een zon, een maan, een sterrenhemel zijn, omdat je je op die aarde moet oriënteren. En vandaar uit is de stap naar een eerste werkelijkheid van het Al niet zo groot meer. Doordat wij nu gelijktijdig naar buiten toe proberen samenhangen te begrijpen en wetten te begrijpen en naar binnen toe wetten vast te leggen, begint een eigenaardige harmonie tussen de werkelijkheid buiten ons en het beeld in ons te bestaan.

Wanneer wij ons mensen voorstellen, zijn dat nog steeds geen werkelijke personen. Vergis u niet. Wat zij doen is nog steeds het dictaat van onze eigen verdeeldheid in verschillende emoties en niet van een werkelijkheid buiten ons. Maar de ontwikkeling, die plaats vindt, wordt gestimuleerd door de krachten buiten ons. En wij zien dat de figuren in onze droom zich aan onze beheersing onttrokken hebben. Zij behouden hun karakter en bun eigenschappen, zoals wij die geven. Zij spreken zelfs de woorden, die wij hun in de mond leggen. Maar de resultaten zijn niet meer de resultaten die wij wensen, maar de resultaten van de een of andere wetmatigheid. We warden geconfronteerd met de grootmachten in de wereld buiten ons en beseffen gelijktijdig, dat zelfs een godheid gebonden moet zijn aan bepaalde wetten.

Daarmede kunnen wij voor het eerst de Schepper gaan ontmoeten. Wij zoeken Hem niet meer als het onbegrensde of zelfs maar als de wetgever wij zoeken Hem in de eerste plaats als de Kracht, die kan werken temidden van de bestaande regels of wetten, temidden van de bestaande beperking. En hier wordt de eerste ontmoeting met God mogelijk. Het is een moment van verrukking misschien, maar dat ben je al gauw vergeten. Daar blijft alleen maar een heimwee. Belangrijker is, dat het een innerlijke zekerheid wordt van een groter bestaan.

Het vreemde is, dat u dit in uzelf niet meer gaat uitdrukken als een overwinning op de dood, of als de bewuste volbrenging van een kringloop der ziel. U drukt het eenvoudig uit als een nieuwe dimensie van het bestaan. Het is heden. Niet de toekomst. Het is niet de verwachting van wat ik morgen zijn zal, maar een bevestiging van iets, wat ik nu ben. God wordt een levende factor. En de situaties, die rond mij bestaan, hebben geen volledige invloed meer op mij. Ik speel nog wel mee, maar ik ben er niet meer zo volledig mee verbonden. Het is alsof de emotie van de mens, eens door de buitenwereld beheerst en gedicteerd, is teruggetrokken naar de innerlijke wereld, waar zich een door de mens gedicteerd patroon voltrekt. Terwijl het gebeuren daarbuiten door een welwillend beschouwer wordt waargenomen en binnen de juiste dimensies wordt overgebracht voor het eigen ik.

Dan gaat alles, wat buiten ons is, door die selectieve beleving en beschouwing ook een andere betekenis krijgen. Het is gemakkelijk om te zeggen, dat alle dingen spreken van God. Maar je moet eerst zijn gekomen tot dit volledig buiten de emotionele band met de wereld rond je staan, voordat je God daarin kunt gaan ontmoeten volgens de regels van je eigen innerlijke wereld.

Wanneer ik zo ver kom, dan beheers ik alles, wat niet is God. Dat wat God voor mij is blijft onbeheersbaar. En naarmate ik verder ga, zal datgene, wat ik God noem, gelijktijdig meer voorkomen, maar eenvoudiger worden. Ik kan de uiterlijkheden gaan regeren. En alleen een enkele innerlijke kwestie kan ik niet regeren. Ik word gelijktijdig sterker in de wereld buiten mij en bewuster in mijn innerlijke wereld. Het is ook hier weer duidelijk, dat esoterie en magie eigenlijk onscheidbaar zijn. Je zou kunnen zeggen, dat de esoterie ergens de theorie is, de innerlijke, de niet praktische kwestie, terwijl de magie het praktijkaspect is van dat innerlijk bestaan.

En nu nog een laatste opmerking in dit inleidend onderwerp. Er is u heel vaak gezegd hoe u moet werken met de stem, hoe u kunt werken met een gebaar, hoe een moedra invloed kan hebben. Wanneer u nu gaat begrijpen wat ik gezegd heb over die innerlijke wereld, dan zal er misschien een beter begrip hiervoor ontstaan. Het gaat niet alleen om de vibratie die ik voortbreng, hoe mooi ze ook moge zijn, het gaat erom, dat zij voor mij innerlijk een betekenis heeft, dat er in mijn innerlijk heelal iets door gebeurt. En aangezien in dit innerlijk heelal het ik meester is, kan dat.

Er is een praktische identiteit ontstaan tussen mijn innerlijke wereld en de wereld buiten mij. Alle bewustzijn, dat valt binnen het kader van mijn beseft innerlijk Al, zal dan reageren op het machtwoord dat in mijn innerlijk Al bestaat. En wel sterker, naarmate de identiteit tussen de kosmos buiten mij en mijn innerlijke kosmos groter is. Dit is nu niet alleen een lesje in esoterie, maar het is ook de verklaring van die regels, die wij terugvinden in het z.g. boek van Hath, of de papyrus van Toth, waarin staat:

Want ziet, indien ik dit woord spreek, waarlijk werelden zullen vergaan en de afgronden zullen zich openen. En, wanneer ik het woord weer spreek, zo zal naar mijn wil alle heil ontstaan. Want ik ben meester van leven en dood. Ik ben de beheerser van alle vormen. En ik zit boven de rechters in de rechtshof. En ik ben geborgen in het duister, dat ligt onder de rivieren van de onderwereld.         (Vrije vertaling overigens.)

Maar dat wordt hier bedoeld; wanneer de innerlijke beheersing bestaat, dan pas krijgt de kosmos buiten het ik een zin, die door het ik kosmisch verstaan en beheerst kan worden en waaruit dit ik dus voor zichzelf een zin van leven kan opbouwen, die door geen enkel gebeuren meer aantastbaar is. Want dit is de essentie van alle bereiking dat mijn bestaan volledig en bewezen zinvol is en dat het in zijn zinvol zijn een deelgenootschap vormt met alle dingen, rond mij, die ik erken.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Gastspreker

Ik ben misschien niet direct de hoge gast, die u verwacht. Maar als iemand, die toch uw eigen Orde ook wel weer genegen is, “zou” ik op deze bijeenkomst enkele kleine dingen willen vertellen. De grote moeilijkheid van de mens in het menselijk bestaan is, dat hij twee dingen niet van elkaar weet te scheiden. Hij denkt, dat strijd en vrede tegenstellingen zijn. Hij kan zich niet voorstellen, dat vrede op zichzelf een vorm van strijd is.

Deze misvatting heeft al tot onnoemlijk veel ellende geleid op deze wereld. En volgens mij kan men dus zelfs in deze dagen stellen, dat het verval van mensen, rassen en cultures mede te wijten is aan het onvermogen om de vrede te zien als een factor van strijd, en de strijd te behouden als een noodzakelijke factor in een toestand, die uiterlijk vrede is. Er zijn zeer veel lezingen, waarin gesproken wordt over de noodzaak tot medegevoel, tot naastenliefde en waarin men probeert de mens binnen te voeren in een rijk van absolute rust, van absolute bevrediging.

Degenen die dit doen gaan echter uit van de bestaande wereld. Dezelfde Jezus, die ergens een hemels Jeruzalem predikt met werkelijke vrede des harten, met een algemene naastenliefde, een absolute weigering van de strijd naar buiten toe, verklaart desondanks, dat hij niet gekomen is om de vrede te brengen, maar het zwaard. Hij bedoelt daarmede; de uiterlijke vrede, en met het zwaard; de strijd.

Wanneer de Boeddha en vele van zijn toch geestelijk hoogstaande volgelingen de mens trachten duidelijk te maken, dat hij niet moet strijden en vechten, dan zeggen zij onmiddellijk daarop, dat de weg tot bereiking één worsteling is. Ook zij stellen de strijd als een noodzaak. Voor de mens, die in deze dagen idealistisch droomt, lijkt de vrede een ver en onbereikbaar goed, dat – wanneer het waar wordt – voor elke mens voldoende genoegens en levensmogelijkheden geeft, dat iedereen de zwakkere en de sterkere gelijkelijk zal beschermen.

Dit nu is onmogelijk.  Wanneer een ras leeft onder omstandigheden, waarbij het zwakkere element wordt beschermd vaak ten koste van het sterkere, dan zal het in zijn geheel verzwakken. Wanneer in een ras of een cultuur de middelmatigheid wordt bevorderd ten koste van het exceptionele, dan zal het geheel dalen ver beneden de middelmatigheid. Je kunt de strijd niet wegdenken uit het leven. En je kunt ook voor jezelf geen vrede zoeken, wanneer je niet bereid bent voortdurend te vechten om die vrede te vinden. Het leven is niet zo gemakkelijk. En zelfs de hoogste bereikingen zijn niet zo eenvoudig.

Een leven, waarin geen tegenstellingen bestaan, is een onmogelijkheid, mijne vrienden. Een leven, waarin niet licht en duister zijn dooreen geweven, is geen leven. Het totale proces van bestaan of het nu gaat om het worden en vergaan van sterren, of om het eenvoudige leven van een eendagsvlieg is strijd, is geweld… en gelijktijdig zelfvervulling. Voor de mens is door zijn vermogen tot denken en tot vrijelijk willen dezelfde vervulling geworden een niet schaden van anderen. Maar dat betekent niet het beschermen van het onjuiste in anderen.

Wanneer u leeft en u probeert de zwakheden van anderen goed te praten, dan schaadt u die anderen. Wanneer u de zwakkeren beschermt en daarbij verder gaat dan de persoonlijke dienst en de persoonlijke verantwoordelijkheid, dan schaadt u uzelf en de zwakkeren.

Een probleem, dat in deze dagen naar ik meen acuut gaat worden. Want niet alleen dat men uitgaat van het standpunt, dat de zwakkere beschermd moet worden, niet alleen dat men probeert alle strijd te bannen, maar men gaat verder dan dit. Men tracht de mens een gelijkheid ook van geestelijke waarden te geven. En wanneer een gelijkheid van geestelijke waarden en denkwijzen eenmaal is ontstaan – of dit nu een wetenschappelijk systeem is of een sociale opvatting – dan is er geen mogelijkheid meer om verder te komen.

Je kunt het de arbeider niet kwalijk nemen, dat hij veel loon vergt. En je kunt het de winkelier niet kwalijk nemen, dat hij tracht het aantal verkooppunten van zijn artikelen zo klein mogelijk te houden. Dat is hun recht en daarvoor mogen zij strijden. Maar mogen wij hen dan helpen om deze toestand van wat zij evenwichtigheid noemen te bereiken? In feite zal een onevenwichtigheid ontstaan. Wanneer de arbeider meer van zijn eisen vervuld krijgt, zal hij minder arbeider worden. Wanneer de handelsman meer zekerheid krijgt, wordt hij minder handelsman. Hij kan in zijn taak, in zijn leven niet meer de vreugde en de vrede vinden, die hij nodig heeft. En wanneer wij dit zeggen voor de mensen in hun stoffelijke uitingen, hoeveel te meer moeten wij dit dan zeggen voor de mens met mijn geestelijk streven en zijn geestelijke ontwikkeling?

U leeft en u hebt allemaal ergens wel een onzekerheid en u hebt ergens wel een verwachting of een hoop. Men hoopt misschien op de ontmoeting in het hiernamaals. Men hoopt op de zekerheid van een eeuwig leven. En men denkt, dat men daarmee kan volstaan. Men meent, dat de worstelingen van de geest alleen in de geest moeten worden uitgevochten, en dat het meer gaat om een kwestie van formulering dan om een kwestie van leven.

Maar hoe kunt u geestelijk verdergaan, wanneer u niet ook leeft? Hoe kunt u weten of iets verkeerd is, wanneer niemand nog geprobeerd, heeft wat de gevolgen ervan zijn? Hoe weet u dat iets zondig is, wanneer God nog geen enkele keer door Zijn banbliksems heeft duidelijk gemaakt, dat Hij dit niet tolereert? U kunt het niet weten. Het geestelijk leven van de mens dreigt een soort sociale wetenschap te worden, waarin men tracht alle persoonlijke eigenschappen te nivelleren en gelijk te schakelen. Men probeert u er toe te brengen uw zelfstandigheid prijs te geven. En de enkeling die vaak holle woorden galmend voorop gaat, te beschouwen als een belhamel, die u moet volgen, desnoods tot in de afgrond. Dat is een gevaar.

U voelt u gebonden aan uw bezit. Niet alleen aan uw stoffelijk bezit – hoe erg dit vaak ook is maar aan uw geestelijk bezit. U vreest een zekerheid te verliezen, U vreest te moeten ontdekken dat iets, wat u altijd als waar hebt gezien, onwaar zal zijn. U zoekt de zekerheid van de winkelier en de arbeider. U probeert de strijd te bannen om zo innerlijk vrede te krijgen. Maar wanneer u die zekerheid hebt, dan is het niet meer nodig om te denken, dan is het niet meer nodig om te leven dan is het niet meer nodig om te strijden.

Dan kunt u heerlijk wegdoezelen in uw idee van vrede. En u beseft niet eens, hoe u daaronder lijdt, hoezeer uw geestelijke vermogens vervallen, hoezeer uw besef van de werkelijkheid plaats gaat maken voor de doezelige dagdroom van een dwaas. Dit is het probleem van uw tijd en van uw wereld.

Een van de grootste noodzaken voor een ieder in de strijd des levens, (die strijd waarin de vrede wel degelijk bestaan kan, maar slechts indien de strijd voortgaat), is misschien wel de flexibiliteit. Je moet je denken kunnen aanpassen en veranderen. Je moet voortdurend alle invloeden en alle omstandigheden aanvaarden en verwerken. Je moet niet strijdwaardig ingaan alleen tegen datgene, je vreemd is, maar je moet met jezelf strijden om te trachten dat vreemde een plaats te geven in je eigen bestaan. De mensen doen het niet.

De mensen weten, dat atoombommen op dit ogenblik het grootste gevaar zijn voor deze wereld en deze beschaving. Toch weigeren zij de vervaardiging daarvan te beperken of te stoppen, want de atoombom is ook macht. En macht lijkt hun belangrijker – nu ze nog leven in wat ze denken dat een soort vrede is – dan een bestaan later, waarin zij menen dat hun vrijheid teniet zou zijn gedaan. En toch vraag ik u, of het mogelijk is een innerlijke vrijheid teniet te doen.

Een mens die innerlijk vrij is, die werkelijk weet wat hij wil, die werkelijk beseft wat vrede is, zal strijden tegen zichzelf. Hij zal zichzelf maken tot de drager en de uitbeelder van een idee En dan kan hij door geen enkel systeem worden onderworpen, want hij is trouw aan zichzelf.

Het is zijn strijd om trouw te blijven aan zichzelf. Voor de wereld is hij onderworpen, doordat hij de gevolgen aanvaardt en zich niet verzet, zelfs wanneer onrecht geschiedt. Maar waar zijn de mensen, die daartoe de moed hebben? Waar zijn de mensen, die de moed hebben en durven uitroepen; geen wapens! Waar zijn de mensen, die durven zeggen; weg met de grenzen. Waar zijn de mensen, die durven roepen; weg met ons eigenbelang? Waar zijn deze mensen? Ze zijn er niet.

En wanneer de mens zelf niet ingrijpt, dan grijpt een bovennatuurlijke kracht in. Dan grijpt ook de natuur in. De mens wil zichzelf tegen schade beschermen. En al hetgeen hij voorkomt, wordt hem door krachten, die hij niet beheersen kan, aangedaan. De mens meent, dat hij alles beheersen kan En ziet, zijn beheersing gaat te gronde aan het enige, wat hij niet beheersen kan; aan de mens zelf.

Wanneer men zegt dat een crisis op komst is, maar dat men deze kan beheersen, dan is men een dwaas. Want je kunt de verschijnselen van de crisis beheersen, maar je kunt de mensen niet beheersen. En de mensen maken de crisis.

Wanneer men zegt dat het christendom in een nieuwe fase komt en een nieuwe opleving zal ondergaan, dan bedoelt men misschien de eredienst. Maar men kan niet bedoelen het gedrag van de mensen. Wanneer de mensen christenen zijn, wordt dat niet bepaald door hun kerken. Het wordt bepaald door hun leven. En zo kan ik verdergaan.

Op dit moment hebben zich reeds bepaalde invloeden gemanifesteerd en dat gaat steeds verder die de mens confronteren met zijn valse ideeën van vrede en strijd. Zij die strijden om hun positie te behouden, zullen vaak ontdekken, dat ze door de strijd die positie hebben ondermijnd. Zij die proberen een perfect systeem te ontwerpen, zullen vaak ontdekken, dat juist door de perfectie het systeem het meest kwetsbare is wat er bestaat.

In deze tijd zult u een aantasting zien van allerhande waarden. Het geweld baant zich bij de mensen meer en meer een weg. En het is een redeloos geweld. Het is de plotseling opkomende tendens, waarin jonge mensen zonder enige reden iemand afrossen op de straten. Waarbij men demonstreert, op elkaar schiet, elkaar doodt, elkaar vermoordt, terwijl er eigenlijk geen reden voor is.

Men zegt; wij willen dit niet, wij wensen de vrede. Maar de vrede, die men geschapen heeft, heeft de spanningen geschapen, waardoor het geweld kwam. Men zegt; wij moeten de maatschappij regelen. En men ziet overal toenemende bandeloosheid. Die bandeloosheid vloeit voort juist uit het te sterk regelen van de maatschappij. Men vernietigt zichzelf. En u leeft in die wereld. Wanneer men mij dan vraagt om mijn mening te geven, dan is die misschien niet zo verdraagzaam, als u van uw eigen sprekers kunt verwachten. Maar ik zou zeggen: Mensen, durf een klein beetje te vechten. Probeer voor jezelf eens je te onttrekken aan al die regels, aan al die maatstaven, die niet bij je passen. Probeer voor jezelf te leven. Probeer te vechten met jezelf om het goede in jezelf waar te maken, wat het je ook kost. Probeer je los te maken van ideeën van aanzien en van bezit, hoe moeilijk het ook moge zijn. En stel daarvoor in de plaats eens een keer het geluk. Het geluk, dat heel wat sterker is dan al, wat je met bezit kunt verwerven.

Je kunt deze dagen, deze tijd, gemakkelijk overwinnen. Maar dan moet je begrijpen, dat je niet strijden kunt tegen wat er in de wereld gebeurt. De toekomst zal u bewijzen dat heel veel rijkdommen, die de mens heeft verzameld op verkeerd wijze, teniet gaan. Maar je kunt gelukkig zijn, je kunt vrij zijn, wanneer je je behoeften beperkt. Ook geestelijk. Wanneer je niet meer de behoefte hebt je eigen wezen voortdurend bevestigd te zien in de waardering van anderen, maar geluk en vrede vindt in de zekerheid van je eigen zijn. Dat, dat is het, wat je op dit moment eigenlijk zou moeten doen.

Dan kun je je wereld niet veranderen. Maar je kunt i.p.v. die vreemde en verkeerde begrippen van vrede en van strijd de werkelijkheid brengen; de innerlijke vrede, die tot uiting komt door de voortdurende noodzaak te strijden a.h.w. om jezelf te zijn. Dat is de enige strijd die de moeite waard is.

Er zijn op dit moment grote acties in de geest aan de gang. Men probeert de mens te helpen, men probeert hem bij te staan. Maar in feite geloof ik, dat ook wij in de geest niet strijden voor u, hoe vreemd het ook moge klinken. En al willen wij de vrede op aarde proberen te handhaven, in feite strijden wij niet voor de vrede, wij strijden om de harmonie in onszelf te behouden. En als wij dan menen, dat ons dit veel tijd, veel moeite en veel energie kost, dan is dit een poging om voor onszelf te verklaren, dat we zo goed zijn. Maar wanneer wij het zouden nalaten, wij zouden niet leven in een gelukkige wereld van licht, we zouden leven in een wereld vol van dreiging.

De hel is geen wereld, waarin een eeuwig vuur je kwelt. De hel is een wereld, waarin je onzeker bent en voortdurend bedreigd wordt van buitenaf. De hemel is een wereld, waarin je zeker bent in jezelf en zo buiten jezelf geen bedreigingen meer kunt erkennen.

De hemel ligt voor een ieder open. Maar het begin dat je maken moet, het vaak moeilijke begin, is afstand te doen van je vaste opvattingen en gewoonten. Leren om in alle dingen je aan te passen aan de omstandigheden. Leren om jezelf te zijn onder alle omstandigheden. Leren dat je maar één ding waarlijk kunt bezitten; een vrede in jezelf. Het is geloof ik de bedoeling, dat ik nog enige tijd vul, ofschoon ik het mijne in feite gezegd heb. En zo ver mijn tijd reikt, wil ik dat ook gaarne doen.

U wacht hier op een boodschap, die u beroert. Het klinkt misschien wat vreemd, maar u wacht op een invloed, die u domineert, op een wijding, die u doordrenkt, die u vrede geeft. U wacht op iets van buitenaf. En laat ons eerlijk zijn, u ontmoet die kracht veel te weinig. U verwacht dat de geest u beroeren zal en u zal stimuleren, totdat u meer bent dan u zelf meent te zijn. Wanneer u dat nu gegeven wordt, dan zegt u; dit is vrede. Ik zou zeggen; het is dwaasheid.

God aanroepen kan iedereen. Maar er zijn er maar weinigen, die in die aanroeping God waar kunnen maken. Luisteren naar anderen kan iedereen. Maar er zijn er maar weinigen, die de boodschap van de anderen kunnen verstaan. Contact hebben met de geest kan iedereen. Maar een ogenblik harmonisch zijn met die geest is zeker niet een ieder gegeven. En toch verwacht u dat woord van inwijding, de kracht, die u iets geven zal, om niet. U verwacht dat ene, dat verdergaat dan alle strijd. U verwacht dat een ander uw strijd voor u zal voeren en u met het resultaat van de overwinning zal bedenken. Is het niet waar?

O, ik weet wel, dat gastsprekers niet geacht worden dergelijke dingen te zeggen. Maar nu ik toch hier ben, laat me dan ook een keer mijn werkelijke denken, mijn mening uitdrukken. Denk niet dat ik u veracht of minder acht, omdat u afwacht of er iets komt. Dat hebben de mensen van het begin af gedaan. En dat zullen ze altijd blijven doen. Denk ook niet, dat ik u daarom minder acht. Maar begrijp heel goed, dat ik het niet als juist zie.

U denkt hier: Wanneer die hoge geest komt uit heel verre sferen (of het waar is of niet hindert niet, als het maar gezegd wordt) dan zal ons Gods vrede gegeven worden, dan krijgen wij licht, dan krijgen wij wijsheid. U verstaat het niet. Ik werk net zo goed met uw emoties en gevoelens als al die anderen. En wanneer u me zou zien waar ik thuis hoor, dan zou het u waarschijnlijk meevallen! Toch nog wel een redelijke gastspreker. Maar wat u van mij verwacht, kan ik u niet geven. Dat kunt u alleen zelf geven. Het komt op u neer, niet op mij. Ik kan misschien een katalysator zijn, een kracht die – in zichzelf neutraal zijnde – de werking van andere dingen mogelijk maakt. Maar meer kan ik ook niet zijn. U kunt ook niet meer van mij verwachten.

En zo gaat het met het ingrijpen van de geest op aarde net zo. U kunt het niet verwachten van anderen. De ander is misschien degene, die het gebeuren mogelijk maakt, die de reactie doet ontstaan. Maar de reactie is uw eigen zaak. Wanneer u hier zit en u gelooft in God en ik spreek het woord God uit, dan kunt u God beleven, waarlijk, omdat het woord in u bestaat, leeft en dat u zich bewust wordt van hetgeen in u bestaat. Wanneer ik hier een zware incantatie zou opzetten, dan zou u de sfeer ervan ondergaan. Maar wat u er werkelijk van zou ondergaan en innerlijk begrijpen buiten het woordbegrip om, is alleen dat, wat in u bestaat. Dat kan alleen een bevestiging zijn. Misschien is het goed ook dat vandaag dan even te constateren. Ik ben misschien niet zo ver van uw tijd verwijderd als sommigen van uw andere gasten.

Vandaar dat ik het een beetje duidelijker en harder durf te zeggen, en misschien minder wijdingsvol. Er is geen behoefte aan zalf, vrienden. Er is behoefte aan genezing. Er is geen behoefte aan het zoet van de honing en de stroop, waarin men geestelijk kan indommelen. Er is behoefte aan de actie in jezelf, al moet die door pijn tot stand komen. Daarom constateer ik: Alles wat u verwacht van ons, moet eerst in u zijn. Dat moet u in uzelf waar maken. Dat moet u vanuit uzelf a.h.w., doen leven.

Wanneer u ooit wordt meegesleurd in de spanningen die de geest kan oproepen (ik weet dat ze het kan, ik kan het ook), wanneer u ooit uzelf onderdompelt in een sfeer of de roes ondergaat van de een of andere wijsheid, een gedicht of een muziekstuk, probeer dan dit te bedenken; al deze dingen dienen slechts als katalysator. Zij kunnen in u iets mogelijk maken. Maar de vrede, die u daarin voor een ogenblik vindt, mag nimmer de verstomming van eigen wezen zijn. Het moet de evenwichtigheid zijn, waarbij de strijd in uzelf betekenis krijgt, en de ontwikkeling van uw eigen wezen in zich het loon is van de moeite, die u hebt in en met uzelf.

Nu vind ik dat ik genoeg gezegd heb. En wanneer u vindt, dat ik u tekort heb gedaan in wijding, ik kan mij daarvoor niet verontschuldigen. Wanneer u vindt dat ik de waarheid te hard heb gezegd, dan zeg ik: Denk er dan eens over na waarom het u in het bijzonder heeft getroffen. Want dan is het iets, wat voor u kennelijk betekenis heeft. Onderdruk uw innerlijke reacties dan niet. En wanneer u me gelijk geeft, vraag u dan eens af of u mij gelijk geeft omdat de anderen zo zijn, of omdat u het innerlijk als juist erkent. In het eerste geval is het beter om alles te vergeten, want met die anderen hebt u weinig te maken. Het gaat om u, uw innerlijk wezen en de voortdurende strijd, die door haar voortdurende vervulling van uw wezen en wezensdoel voor u vrede betekent.

image_pdf