Beschouwingen over het begrip God

20 oktober 1964

Ik zou eenvoudig dit als vraag voor u willen poneren: Is God, zoals wij hem op het ogenblik kennen en beleven, te zien als persoon in de door ons gekende zin, als onpersoonlijk, eenvoudig een kracht of macht, of in er nog een derde vorm. Is er misschien in onze benadering van God en het Goddelijke, een weg die het ons mogelijk maakt zonder te vluchten in een personificatie die in feite een weerkaatsing van onszelf is, dus te komen tot een reëel contact met God, met het Hogere.

Wanneer ik dit onderwerp aansnij, moet u niet van mij verwachten dat ik ga preken. Het gaat mij hier niet om een hoogdravende belering, maar om het belichten van een paar eenvoudige aspecten die misschien ook in uw eigen begrip van God en soms ook van de geest, van belang kunnen zijn.

Dan wil ik allereerst beginnen. De meeste mensen zeggen God lief te hebben boven alles, maar doen dit uit angst voor de gevolgen die zouden optreden wanneer zij dit niet doen. Anders gezegd, voor een zeer groot gedeelte van de mensheid van deze wereld is het contact met God er niet een van een vreugdige erkenning maar een van vrees.

In de tweede plaats. Wanneer wij geconfronteerd worden met de beelden die men maakt van God, dan blijken die altijd menselijk te zijn. God is een mens die meer macht heeft dan een ander, sterker is dan een ander, eeuwiger is dan anderen, maar zijn gestalte is die van een mens. Is dit aanvaardbaar? Volgens mij houdt zelfs het erkennen van de menselijke vorm als een verschijningsvorm van het Goddelijke in dat wij God stellen buiten zijn schepping en Hem niet zien als deel ervan.

Een derde vraag. Indien God een persoonlijkheid is, hoe zullen wij deze persoonlijkheid kunnen ontmoeten? Kennelijk is er voor ons geen enkele weg om uit onze beperktheid de oneindigheid te bereiken. Maar het blijkt dat in de Schepping bepaalde wetten inderdaad bestaan. Een veel voorkomend bewijs voor Gods bestaan berust dan ook op de regel die we vinden in de natuur, de regel die heerst over de zonnen, de sterren, die voor alle planeten voor alle ruimten, voor alle elementen gelijk schijnt te zijn.

Ik weet niet of dit argument zonder meer aanvaardbaar is. Want voor een materiële wereld zouden we nog steeds kunnen zeggen, het is een toeval. Indien wij echter daarnaast zien, – en dat is bij ons in de geestelijke wereld toch wel het geval -, dat de hoofdwetten, – en dat zijn niet altijd de door de mens als zodanig kenbare wetten -, gelden in elke wereld, in elke sfeer, en daarin volkomen gelijke oorzaken en gevolgwerking kunnen veroorzaken, dat zij daarin dezelfde begrenzingen stellen, zo meen ik te mogen poneren:

God is voor ons kenbaar als een wet als een regel. Deze regel of wet zou zelfs herleid kunnen worden tot een formule. Deze geeft niet het Goddelijk wezen zelf weer, de maximale erkenning ervan die voor ons mogelijk is.

Wanneer ik stel dat God een persoonlijkheid is, gezien het feit dat er uit hem de wet die het Al regeert is voortgekomen, en dit Al eraan gehoorzaamt, zo heb ik gelijktijdig gesteld dat dit een persoonlijkheid is die zich aan erkenning van de mens en zelfs aan een bewuste ervaringsmogelijkheid van de mens onttrekt. Kort en goed God is voor ons niet een kenbare persoonlijkheid. Indien wij trachten Hem als zodanig te behandelen, zullen wij niet God aanbidden, maar een beeld dat wij onszelf geschapen hebben.

Is God onpersoonlijk? Voor ons wel. Hij is de natuur. De natuur is onpersoonlijk. Hij is niet alleen de zedenwet waarmee de mens zich bezighoudt, maar is ook de wet van leven en dood, van oorzaak en gevolg, de wet van de voortdurende incarnaties eventueel. Hij is kort en goed iets dat voor ons onpersoonlijk is en we zouden dus kunnen volstaan met de formulering: God is een persoonlijkheid, die wij slechts als een onpersoonlijke kracht kunnen erkennen, wanneer daar niet overbleef, de ontmoeting die in de mens en ook in de geest plaats kan vinden met God. En dat is de grote moeilijkheid. Persoonlijk, dat kan bestreden of aanvaard worden. Onpersoonlijk eveneens. Maar in geen van de twee gevallen vinden wij een verklaring voor deze eigenaardige inwerking in de mens. Noem het mystieke beleving, geef het een andere naam. Wanneer het erop aankomt, mijne vrienden, is er de mogelijkheid voor ons om God te beleven. Maar wanneer we die belevingen trachten met elkaar te vergelijken verschillen ze vaak dag en nacht. Kunnen wij nu zeggen dat daarom die belevingen onjuist zijn? Sommigen proberen dat te doen. Zij zeggen: alleen onze beleving van God is juist. Al het andere is demonisch. Ik geloof niet dat dat juist is, ik geloof niet dat dat reëel is. Ik geloof dat we moeten zeggen: ” De voor ons persoonlijke God is een levende en denkende kracht. Hij omgeeft het Al, hij Is het Al. Er is niets waarin hij niet aanwezig is, of leeft.” Wij erkennen God immers voor dat wat Hij is, het totaal van zijn Zijn. Maar in ons wezen bestaat er soms de mogelijkheid om in contact te komen met een enkel aspect van die God, en die beleving, soms verrukking, soms ook verlichting, een in jezelf plots beseffen, is nimmer het contact met de totale Godheid, maar altijd slechts met een bepaald deel dat wij op dit ogenblik kunnen aanvaarden, beleven en begrijpen.

Wanneer een persoonlijk contact mogelijk is met God, al is dit ook niet voor iedereen klaarblijkelijk even groot, of even veelvuldig, zo moeten wij stellen: God is een onkenbaar en in zijn totaliteit, vanuit ons standpunt, onpersoonlijk wezen dat zich echter in ons kan uiten als een persoonlijkheid. Deze persoonlijkheid is nimmer het geheel maar altijd een deel van het geheel. En daarmee heb ik dan een theorie gesteld die zover ik kan nagaan door de feiten steeds bevestigd wordt.

Wanneer dus de persoonlijke beleving, het belangrijke, en de openbaring van God in feite een persoonlijke zaak wordt, dan moeten we ook de moed hebben om daar de consequenties van te trekken. Wanneer een openbaring binnen mij een onfeilbare uiting Gods is, zal zij dit niet gelijkelijk zijn voor allen, maar slechts voor diegenen die met mij harmonisch zijn en in mijn streven gelijkgericht tot God. Geen onfeilbaarheid. Alleen een beperkte onfeilbaarheid. Een beperkte profetie, een beperkte beleving.

Dan blijkt verder – en dat is misschien, wel heel erg interessant – dat God dus verschillende gestalten en namen aanneemt. Of we nu over hem spreken als Jehova, Allah of dat we Hem misschien alleen het Onbekende Niets noemen. Hij is en blijft natuurlijk dezelfde, maar in de naam die wij Hem geven projecteren wij datgene wat wij van God verwachten en verlangen. Wanneer de mensheid in deze dagen zich beroept op Jezus Christus, zo doet zij dit niet omdat die Jezus Christus noodzakelijkerwijze de enige uiting van God moet zijn. Maar omdat dit voor haar het enige is wat zij in en uit zichzelf verlangen kan en in zichzelf beleven kan. U zult zeggen dat maakt weinig verschil uit. Toch maakt dit een zeer groot verschil uit wanneer wij beseffen dat het begrip Jezus Christus slechts een enkel facet behoeft te zijn van de onmetelijkheid. Dat elke volledige vereenzelviging van dit ene aspect met de onmetelijkheid, gelijktijdig een vervalsing is van het leven van de innerlijke beleving en ons contact met God.

Iemand die tracht werkelijk Christen te zijn, is alle respect waardig. Hij zal in dit Christen zijn dus zijn God kunnen vinden. Hij zal die God kunnen ondergaan, in zich kunnen beleven en erkennen. Maar op het ogenblik dat hij elke andere erkenning uitsluit, – dat is het gevaarlijke – maakt hij de beleving voor zichzelf verder onmogelijk. Hij komt slechts tot een repetitie van dat wat was en niet tot de werkelijke bewustwording, de groei tot het Hogere.

Dus, en dat was het punt waar ik op aanstuurde. Mogen wij poneren: de werkelijkheid van God is voor ons onvatbaar. Wij mogen hem benaderen en beleven langs elke weg die voor ons innerlijk God openbaart. Wij kunnen dit slechts doen door in onszelf te streven, niet slechts met de geest maar met al wat wij zijn, alle geestelijke en stoffelijke voertuigen tezamen. Wanneer wij dit volbrengen en erkennen dat dit slechts één deel van de waarheid is, zo zullen wij steeds meer delen van de waarheid vinden en wij zullen kunnen komen tot een voor een mens of geest haast onmetelijk groot bewustzijn waarbij men kan ingaan tot de nieuwe werkelijkheid. Dan mijne vrienden moeten we dit verenigen met het vorige onderwerp, want, zo lijkt mij dat in deze dagen God en het contact met God voor de mens van groot belang is. Hoe minder je die innerlijke zekerheid en kracht kunt verwerven, onverschillig op welke wijze, hoe zwakker je zult staan in de wereld. Hoe minder je in feite tot stand brengt en hoe meer je je bezig zult houden met dagdromen en theorieën die uiteindelijk aan de feiten voorbijgaan. De mens is geneigd om alles tot in het extreme door te voeren in deze dagen. Wij moeten heel voorzichtig zijn dat onze poging om God, of de Hogere Geest, of wat dan ook, te bereiken in deze dagen, niet gelijktijdig wordt: het stellen van grenzen en beperkingen. Op het ogenblik dat wij beperkingen gaan maken en voorbehoud, hebben wij onszelf afgesneden van het contact. En dat impliceert dat wij dus juist in deze dagen onze Godsbeleving zo sterk mogelijk moeten opvoeren. Maar dat we die nooit mogen binden aan persoonlijkheid, dat we die nooit mogen verbinden aan een beperking of aan “alleen gelijk hebben”, of “onze weg is de enig juiste”. En dat we ons bovenal moeten hoeden om datgene wat wij verkrijgen, aan anderen op te leggen als een dwang of als een enig juiste wet en regel.

God is nu eenmaal voor ons, of we het willen of niet, te groot om te overzien. Hij is voor ons, of we het willen of niet, een zo grote kracht dat we haast aarzelen om eruit te putten. Hij is voor ons geworden tot een abstractie waaraan wij onze eigen gestalte en gedaante verlenen, waaraan we duizenden eigenschappen toekennen, maar waar we niet mee durven werken. Hoe meer we uitgaan van de juistheid van ons standpunt, hoe meer wij zelfs de innerlijke en ware beleving willen verheffen tot iets wat enig juist is, hoe kleiner onze mogelijkheid wordt om te werken uit en door de Kracht Gods.

Stel nu eens dat in deze dagen – wat u zich misschien toch wel kunt indenken – juist die Kracht Gods van het Allerhoogste belang is. Dat het juist nu erom gaat om wat méér te zijn dan alleen maar mens. Hoe kunnen we daaraan beantwoorden, hoe kunnen we dat vinden?

In de eerste plaats, zonder zijn benadering van het Goddelijke te beschouwen als het enige juiste, of de door mij gezochte praktijk de Goddelijke Wil tot uiting te brengen als het enig mogelijke, zal ik de mogelijkheid in mijzelf tot het extreme moeten gebruiken om geheel mijn wezen te concentreren op dat Goddelijke. Want, zolang wij geen grenzen en beperkingen gebruiken, is dezelfde Kracht die voor de wereld op het ogenblik verwarrend en vernietigend schijnt, het element waardoor je innerlijk wordt opgeheven tot een hoger vermogen, waardoor je verder uit kunt gaan. Dus laat ons in onze poging om God te ontmoeten tot het uiterste gaan, maar laat ons nimmer dan ook gelijktijdig tot het uiterste gaan, door dit voor alle mensen als gelijkwaardig of noodzakelijk te beschouwen. Laten we onze eigen weg gaan met inzet van geheel ons wezen.

In de tweede plaats. Wanneer wij geloven in een God, dan moeten wij ook geloven in een God die in ons is en ons in stand houdt. Dat betekent een God wiens kracht in ons tegenwoordig is. Hoe we die Kracht tot uiting brengen, is minder belangrijk, wanneer we ze maar tot uiting brengen. Of dit nu lijkt te zijn een bijgelovigheid, een kwestie van hypnose, of van een wonder het is niet van belang. Wij moeten trachten om in een vol vertrouwen de Kracht in ons te nemen en te projecteren, niet alleen maar met woorden of met gedachten, niet alleen maar met daden, maar met heel ons wezen, met voor u stof en geest tezamen. Er mag geen enkele belemmering worden erkend van stoffelijke of andere geaardheid. Dit beleven van God is het belangrijkste en het enig juiste wat er op dit moment bestaat. Zo kan men niet slechts God in zich erkennen maar ook de Kracht Gods.

Punt drie. Menigeen meent dat zijn erkenning hem het recht geeft om op te treden als belerende, lerarende mens ten opzichte van anderen. Bedenk dat juist de erkenning van God in jezelf, het erkennen van die Goddelijke Kracht en het uiten ervan betekent dat je deel bent van het geheel, want God is niet alleen in jou, Hij is in alle dingen, erkend of niet, geopenbaard of niet, en daarom zal degene die in zich dit bewustzijn krijgt, moeten dienen. Ga in uw dienstbaarheid desnoods tot het extreme dat is niet zo erg maar laat u nimmer verleiden diensten van anderen te vergen, van anderen te eisen dat zij gelijkelijk handelen met u.

Dan misschien het meest eenvoudige en meest praktische punt. Waar ge onzeker zijt, moet ge trachten in uzelf aan te voelen wat juist te beredeneren, wat juist is. En deze samenvoegende tot iets waar je absoluut op durft betrouwen, verder te gaan. Dan kan niet slechts de invloed van deze tijd worden overwonnen of doorstaan, maar dan is de kracht van deze dagen, deze kracht die staatshoofden doet vallen, die ongelukken veroorzaakt, die politieke verwarringen en economische verwarringen zaait, een kracht ten goede, een kracht waarmee je iets doet. Let wel er zijn niet veel mogelijkheden in deze dagen om dit door anderen te laten doen. Er zijn geen mogelijkheden meer om een ander het begin te laten maken. Het is voor u een kwestie geworden van uzelf en uzelf alleen. In deze dagen staat de mens, of hij wil of niet, alleen. En zelfs zij die in organisaties en groepen menen die zekerheid en gebondenheid te vinden, zullen op de duur moeten ontdekken dat ook hier de werkelijke steun die ze begeren, die ze nodig achten ontbreekt. Elke mens staat alleen voor zichzelf in deze dagen.

Waar hij harmonie vindt, zal hij geholpen worden. Welke vorm die harmonie aanneemt, of het er een is met de geest of de stof, of het er een is die we godsdienst noemen of wat anders is niet van belang. Van belang is dat wij vanuit onszelf, die kracht actief maken, dat wij deze leren gebruiken.

En dat betekent ook dat wij het zijn, elk van ons afzonderlijk, dit geldt voor mij en het geldt voor elk van u evenzeer, wij moeten beginnen. Wij moeten de eerste stap zetten, wij moeten waarmaken. Menigeen draagt in zich een hoop, een geloven, een verwachting, gelijk aan de bouwtekening van een mooie Kerk of mooi paleis, en omdat het zo mooi is gaat hij zitten wachten tot het paleis of de Kerk waar zal worden, niet beseffend dat je eerst moet graven en misschien vernietigen, dat je eerst bouwmateriaal samen moet rapen, dat je moet bouwen, vormen, werken en zwoegen om dit zelf waar te maken. De kracht daartoe die kunnen we dan krijgen. Die is er niet wanneer we wachten tot ze komt. Wanneer we werken blijkt ze aanwezig te zijn, want God is in ons.

Dat is het belangrijkste punt. Zozeer God in het geheel een onbegrijpelijk wezen is, voor ons is hij een deel van ons wezen, en hier vinden wij dat persoonlijk element dat zo menigeen zoekt. En het is een dwaas die zichzelf vreest. Vrees uw God niet. Het is een dwaas die zichzelf niet vertrouwt en niet tracht uiteindelijk zichzelf te leren als een waarde buiten hem, maar niet wil betrouwen op die Goddelijke Kracht die in hem leeft en werkt. Dat zijn de punten die ik eenvoudig noem en praktisch belangrijk acht in deze dagen.

In enkele woorden samengevat: Bij alle krachten die er op de wereld zijn, staat ge meer alleen dan voorheen, tenzij ge zelf en vanuit uzelf begint met het werk, vanuit uzelf tracht te komen tot actie waarin de kracht openbaar wordt.

Ik hoop dat ge zult leren gebruik te maken van deze dingen, dat ge zult leren erin te betrouwen.

Hij die God leert dienen in waarheid, draagt Gods macht, Gods liefde en kracht, waar hij ook gaat. Voor hem leeft God zo sterk in het duister dat hij diens luister nog steeds ondergaat. Wie iets worden wil moet eerst leren waarlijk dienen, niet de mens, niet de idee, maar God.