De betekenis van God en geloof

18 maart 1975

Wanneer we zeggen “Geloof” dat is wel duidelijk, dan spreken we over iets wat geen weten is. Of wanneer je het wat mooier wilt vertellen: het is een innerlijk weten dat in de stoffelijke feiten onbereikbaar blijft. Zeggen wij “God” dan hebben wij te maken met het grote anonieme, het grote onkenbare en zullen wij daaraan eigenschappen, toestanden, mogelijkheden en wensen toeschrijven die in wezen uit de mensheid, dus uit onszelf voortspruiten. Over deze onderwerpen is al zeer veel gesproken, maar de aarde begint op dit moment althans, enige tijd is dat aan de gang, ik mag niet zeggen op dit moment, een ontwikkeling door te maken waarbij de schijnbaar irrationele waarden als geloof en God, voor de mens toch een totaal nieuwe betekenis kunnen krijgen.

Ik zou daarom graag proberen, willen proberen om dit alles wat praktischer te benaderen dan met deze op zichzelf vaak vage onderwerpen het geval is. Wanneer ik geloof dan heb ik een zekerheid. Of die zekerheid rationeel is of niet doet weinig ter zake. Door de zekerheid die ik bezit zal mijn handelen mee bepaald worden, maar daarnaast ook de veerkracht die ik bezit ten aanzien van de mij minder aangename ontwikkelingen of gebeurtenissen. Het geloof is dus in ieder geval een steun, het is een houvast.

Naarmate een geloof dogmatischer wordt, d.w.z. meer aan regels gebonden is, wordt het ook nog veel meer een rechtvaardiging van eigen wezen. Dan is het geloof bv.: dat ik het enig ware geloof bezit en een ander niet. Dan probeer ik hiermee tevens, bewust of onbewust, mijzelf enige meerwaardigheid ten aanzien van andersdenkenden te verschaffen. Wanneer ik stel dat ik uitverkoren ben en een ander niet, dan verkrijg ik hiermee eveneens een vorm van zelfverheffing en zelfexpressie die het mij vaak mogelijk maakt om de rest van de wereld met een licht medelijden te behandelen, in plaats van, zoals in andere gevallen vaak voorkomt, met angst en haat tegemoet te treden. Ik geloof dan ook dat het dogmatische geloof één nadeel heeft: het is te sterk aan regels gebonden en regels zijn menselijk. De stellingen zijn te veel de denkbeelden van de mens en juist daardoor komen zij binnen het bereik van het menselijk denken en het menselijk begripsvermogen. Ze worden niets slechts emotioneel beleefd, ze worden wel degelijk ook bewust overdacht. En dat impliceert dat feiten die met dogmata in strijd zijn, veel eerder een twijfel in het ik doen opkomen en daardoor de zekerheid van het geloof wegnemen. Waarbij dan de handhaving van het geloof voor het ik veelal een wat wanhopige poging wordt om eigen zelfrechtvaardiging voorlopig nog vast te houden. Stellen we echter dat het geloof in zichzelf irrationeel is en grotendeels emotioneel, dan zeggen we daarmee gelijktijdig dat het geloof een beroep doet op een aantal faculteiten in de mens die niet vallen onder de directe rede ook al kunnen ze daardoor mede beroerd en gestimuleerd worden. Indien u nu in deze tijd leeft, dan wordt je geconfronteerd met een wereld die schijnbaar in afbraak is. Dat is ook begrijpelijk. In deze wereld is een prestatiemaatschappij ontstaan die van de mens enorm veel eist. Zij pakt de mens in in een soort mechanisch schema en geeft hem weinig of geen mogelijkheid tot persoonlijke beleving en expressie behalve op enkele zeer specifieke terreinen. We weten bv. dat zucht naar roesvormende middelen één van de verschijnselen is die door de pressie van deze maatschappij wordt aangewakkerd. Het schijnbaar redeloze verzet van sommige groepen tegen een bestaande orde kan alweer onder deze zelfde factor, deze zelfde invloed worden gerubriceerd. Want ook hier is het wanhopig verweer, de wanhopige poging om jezelf te blijven in feite een worsteling met de overmacht, met bestaande feiten. Wanneer anarchisten proberen een maatschappij volkomen kapot te maken dan is dit niet alleen maar een geloof, het is niet alleen maar een bepaald systeem of een redenering, het is wel degelijk het wanhopige verzet tegen een maatschappij waarin je niet meer kunt functioneren volgens je eigen gevoel van betekenis en waarde.

En juist daarom wordt geloof in deze dagen steeds belangrijker. Het geloof nl. geeft ons niet alleen een innerlijke zekerheid. Het geeft ons daarnaast het vermogen om al onze gaven, al onze capaciteiten te mobiliseren. Het is door het geloof mogelijk een innerlijke rust te vinden. Het is door het geloof mogelijk, bepaalde paranormaal genoemde kwaliteiten van het ego sneller naar buiten toe kenbaar te maken en bovenal is er een ervaring van evenwichtigheid niet alleen maar in het ik, maar ook tussen het ik en de wereld. Het geloof nl. stelt eigenlijk de waardenwereld die voor de meesten tegenstandig is, als een onvermijdelijke aanvulling. En de gelovige zoekt in feite in zichzelf een eenheid te verwerven met die wereld opdat hij vanuit dit beleven, volgens hem juist beleven van die wereld, kan komen tot een aanvaarding van grotere en kosmische waarden. Of je deze nu uitdrukt in begrippen als hemel en nirwana dan wel zeer vaag spreekt over kosmische harmonie doet verder niet veel ter zake.

Op grond van dit alles zou ik het volgende willen stellen : Buiten de redelijkheid om heeft de mens een houvast nodig. Kan hij dit vinden dan zal hij daaraan de kwaliteiten toekennen die hijzelf meent te ontberen of die hij in zijn wereld niet voldoende tot uiting ziet komen. Hij zal hierdoor in staat zijn, zijn eigen kwaliteiten juister te demonstreren in de wereld en zal gelijktijdig komen tot een in feite rationeler gebruik van zijn eigen mogelijkheden. Want niet door twijfel gekweld, vindt hij een overmaat van energie die hij in al wat voor hem juist is, tot uitdrukking kan brengen. Hij die gelooft in een kracht die met hem is, onverschillig hoe die kracht wordt aangeduid alweer, zal hierdoor in staat zijn een groot gedeelte van hetgeen voor zijn eigen persoonlijkheid als onaanvaardbaar werd beschouwd, toch als mogelijkheid voor zichzelf te erkennen. Er zijn nu eenmaal dingen die wij aan onszelf op rationele gronden niet toeschrijven. Bv. wij kunnen niet in de toekomst zien, dat is weggelegd alleen voor de zeer groten van geest die door God worden geïnspireerd. Dat is waar tot op zekere hoogte. Maar wanneer ik nu zeg dat die inspiratie van God komt dan behoeft ze nog niet uit God te zijn, ze kan wel degelijk uit mijzelf komen. Maar door haar toe te schrijven aan het andere heb ik een bevrijding voor mijzelf bewerkstelligd, ik ben gekomen op een punt waarbij ik al datgene wat in mijzelf bestaat en wat ik voor mijzelf niet als werkelijkheid durf erkennen of vermoeden, in God wordt teruggevonden en vanuit God alsnog tot kenbare houding van mijn wezen kan worden.

Zo bezien heeft de mens het geloof dus niet alleen maar nodig omdat hij daardoor zalig zal worden of iets dergelijks. Hij heeft het ook nodig om zichzelf te kunnen realiseren wie en wat hij is. Dat daarbij de magische geloofsvormen in vele delen van de wereld een steeds sterkere nadruk krijgen is niet te verwonderen. De mens is in een maatschappij opgevoed tot een soort egoïsme dat alleen door een groepsegoïsme mag worden overheerst. Hij zoekt dus in wezen zichzelf, maar ook wat hij ziet als zijn eigen belang of voordeel. In een groot gedeelte van de minder lichtende magie zijn alle aktes van geloof, alle handelingen, alle praktijken afgesteld op het verwerven van voordelen voor het eigen ego, direct of indirect. Dat veel mensen die geen bevrediging vinden in deze maatschappij daarom uitgrijpen naar de magie en geloven in de krachten en mogelijkheden daarvan, proberen een bevrediging te vinden die in overeenstemming is met de eisen die zij aan de wereld menen te mogen stellen en de behoefte aan macht die zij in zichzelf gevoelen, dat is helemaal niets bijzonders. Maar wij moeten daar iets tegenover kunnen stellen.

Wanneer ik namelijk mijzelf zoek, vereer ik mijzelf. Een mens die voortdurend bezig is met het ego, zal alleen kunnen beseffen in de reactie van dit ego. Hij zal het buiten hem staande niet als werkelijkheid kunnen zien of beleven, maar realiseert zich het bestaan en de betekenis daarvan in zover als dit voor het eigen ik belangrijk is. Het is duidelijk dat dit een afnemen is van de menselijke capaciteit, dat dit een vertroebeling betekent van alle menselijke bestaanswaarden en in wezen een destructief karakter heeft omdat het je confronteert met een onbekende wereld waarvan je de gevaren niet ziet of aanvaardt maar uiteindelijk toch zult moeten ondergaan Nu stel ik dit: waar wij behoefte aan hebben is de zogenaamde witte magie of, zo u wilt, de handeling vanuit het geloof. Het gaat hierbij zeker niet alleen maar om genezen, handen opleggen of iets dergelijks.

Hoe belangrijk deze manifestaties van geloofskracht en geesteskracht kunnen zijn, ze zijn betrekkelijk onbelangrijk vergeleken bij de eenheid die je vanuit dit magisch werken en denken kunt verkrijgen.

De stellingen voor dit geheel zouden ongeveer als volgt moeten luiden:

De gehele wereld, inclusief al het daarop levende, is één geheel.

Wanneer delen uit dit geheel wegvallen of overmacht verkrijgen, zal het geheel ziek zijn, wanneer die toestand voortduurt zal het geheel zijn levensvatbaarheid verliezen.

Indien ik magisch wil werken zal ik moeten zoeken naar een ritme, naar een harmonie, naar een evenwicht waardoor ik die eenheid met alle leven en al het levende hervinden kan. Ik kan deze niet beperken tot het zuiver materiële. De ontwikkelingen in de materie kunnen ten hoogste de uiting zijn van de ervaring van totaliteit die in het ik gevonden worden.

Stel: het ik aanvaardt innerlijk een eenheid met alle leven. Dan is dit een eenheid met alle leven, en alle levende kracht. Het is niet alleen maar een eenheid met uiterlijke vormen, het is een terugkeer tot de essentie van zijn. Door dit gevoel van eenheid is het mogelijk om elk deel van leven te registreren, niet voor onze uiterlijke, maar voor onze innerlijke harmonische waarden. Er komt dus een juistere mogelijkheid tot het erkennen van de ander, een juiste mogelijkheid ook om te beseffen wat diens wezenlijke behoefte al dan niet zal zijn binnen het kader van het geheel.

Witte magie brengt met zich dat de mens, op welke wijze dan ook, in zich alle krachten, richt op deze totaliteit en tracht alle erkende delen daarvan, in eenzelfde harmonie te brengen met de totaliteit als hijzelf ervaart. Hiertoe zal hij of zij vaak gebruik maken van alle krachten en ook stoffelijke middelen en mogelijkheden die er bestaan. Het is dus voor een magiër helemaal niet vreemd om kruiden te geven of bloesem, of vruchten, om een geestelijk kwaad te verdrijven. Omgekeerd is het heel goed mogelijk dat hij zuiver geestelijke krachten gebruikt om een stoffelijk kwaad te verdrijven dat net zo goed kan zijn een lichamelijke kwaal als een niet meer juist kunnen reageren ten aanzien van de omgeving. Indien we dit gestelde als redelijk juist en aanvaardbaar beschouwen – als het niet zo is moogt u protesteren – dan komen we als vanzelf terecht bij die kracht zelf: bij God.

Het is niet belangrijk dat wij geloven in God als God: God is een naam. Maar er is iets waardoor wij verbonden zijn met al wat is: Laten we dit dan God noemen, al is het maar ter vereenvoudiging van dit betoog, want God zal meer omvatten dan dat alleen. Deze verbondenheid en eenheid kan tot uiting komen zelfs zonder dat ik het woord God of het begrip “hiernamaals” hanteer. Een atheïst die gelooft in de mens, in de menselijke waarden is eigenlijk ook niemand anders dan de gelovige mens die projecterend wat in hem leeft, in het geheel van de mensheid, streven zal naar een harmonie met die mensheid. En daarmee voldoet hij geestelijk gezien aan de voorwaarden van geloof, terwijl zijn God in wezen een ideale mens is geworden of beter nog, een ideale menselijke samenleving. God is persoonlijkheid. Alles wordt gepersonifieerd, zelfs het ideaalbeeld van de toekomst moet omschreven zijn, wil men eraan geloven. Door die omschrijving ontstaan in dit beeld eigenschappen. De eigenschappen van het ideaal dat ik ken of de God tot wie ik bid, zijn niets anders dan de krachten die ik in mijzelf wek en vanuit mijzelf richten kan. En nu kunnen we misschien een wat eenvoudiger voorbeeld nemen om dit voorgaande wat beter te illustreren. U haalt adem, rond u is de lucht, de atmosfeer. Normalerwijze zult u daar niet veel van bemerken. Alleen wanneer er een sterke verandering van druk is of de afwezigheid van die atmosfeer dan zult u dit constateren. U beschouwt die lucht als normaal en het feit dat u voortdurend ademen moet om te functioneren is voor u vanzelfsprekend, u denkt er niet over na.

Nu stel ik: God of de kosmische kracht, of welke term u ook verkiest, is rond ons als de atmosfeer rond de mens. Er is tussen het ik en de totale kracht, een voortdurende uitwisseling. Wij kunnen niet zonder deze kracht bestaan, deze kracht is niet beperkt tot de aarde of het zonnestelsel, zij omvat in wezen al het bestaande. Zij is in zekere zin de oerkracht die door haar contact met ons wezen als levenskracht in verschijning treedt. In andere gevallen kan diezelfde kracht in verschijning treden als materie, als energie als straling; kortom elke vorm die maar denkbaar is. Indien wij nu dit vanzelfsprekende gebruik van de kracht rond ons vervangen door bewuster gebruik dan verandert er iets. Wanneer u gewoon ademhaalt dan zult u daardoor leven, wanneer u bewust die ademhaling bestudeert en leert op de juiste wijze en op de juiste ritmen te ademen dan kunt u uw eigen energie opmerkelijk verhogen daarmee. Zelfs een duiker, en nu bedoel ik dus niet degenen die duiken met de flessen of een duikerpak, maar de gewone, duiker die naar beneden gaat, kan een systeem van ademen ontwikkelen waarbij het mogelijk is, in zijn bloed voldoende zuurstof op te slaan om daarmee de tijden van drie tot vier minuten zonder bezwaar onder water te kunnen duiken. Dit ziet men als een kwestie van training op zichzelf, vanzelfsprekend.

Mijn vraag: waarom beschouwt de mens, deze goddelijke kracht, deze levenskracht niet op dezelfde wijze, waarom probeert de mens deze levenskracht, de stromingen ervan, de werking ervan niet iets beter te begrijpen al is het maar op een praktische manier. Waarom leert de mens niet door systemen van bewust werken, dus bewust uitstralen van bepaalde ritmen en energieën, een bewust zich openstellen, zijn eigen vermogen aan levenskracht op te voeren en daarmee zijn eigen straling en het geheel van de mogelijkheden van zijn eigen persoonlijkheid aanmerkelijk te vergroten.

Wanneer ik zeg: ja maar dan ben ik het die werk, is dat niet juist. Het is de kosmische kracht of het is God die door mij werkt. Maar wanneer ik geloof en dus deze op zichzelf onbewezen stelling voor een ogenblik wil aanvaarden, dan zal ik ontdekken dat de goddelijke kracht door mij in verschijning kan treden en wel op vele verschillende wijzen waarbij ik de wijze van in verschijning treden tot zeer hoge mate mede kan bepalen.

U leeft in een wereld waarin niemand meer oplossingen ziet voor de problemen, een wereld vol van werkeloosheid bv., een wereld vol van verdwazing ook. U leeft in een wereld die wordt overspoeld door voortdurend toenemende verontreiniging van uw eigen levensomgeving die u voortdurend meer brengt tot een consumptie van artikelen die voor uzelf meer schadelijk zijn dan goed of die althans grotendeels nutteloos zijn. U kunt daaraan niets veranderen wanneer u werkt met uw nuchtere verstand. Dat is heel begrijpelijk, want een zeer groot gedeelte van de mensen reageren niet verstandelijk maar emotioneel. Maar wanneer u werkt met uw levenskracht, dan hebt u, juist omdat u werkt op een emotioneel kenbaar vlak, een veel grotere impressie te maken op de mens, u kunt hem wezenlijke ervaringen doen ondergaan, u kunt hem wezenlijk schokken in zijn eigen denken, u kunt hem als het ware ertoe brengen iets van zijn ik-beslotenheid in een egomane wereldvoorstelling te doorbreken en daarvoor een beleven van geheimzinnige of mystieke krachten in de plaats te stellen.

En dan zeg ik u niet dat we dat nu moeten doen met bv. de sacramenten. Sacramenten zijn ergens alleen maar de magisch aandoende symbolen van een kracht die altijd bij ons is. Ik zeg u dat wij moeten leren om eenieder de kracht te geven die hij nodig heeft. Daarvoor moeten wij durven putten uit God, uit de kosmos. Om die waarden van die God en van die kosmos juist uit te stralen, moeten we verder niet onszelf zoeken. Het is niet belangrijk of wij gewaardeerd zullen worden of niet. Het is niet belangrijk of ons bezit toeneemt of afneemt door hetgeen wij doen. Belangrijk is slecht dat wij buiten onszelf datgene tot stand helpen brengen wat wij erkennen als juist, als harmonisch, als goed.

Een mens die goddelijke kracht gebruikt om voor zichzelf erkenning te gewinnen is in feite iemand die een duistere vorm van magie bedrijft. De mens die deze kracht geeft, alleen omdat de anderen die nodig hebben, die de anderen harmonie – dus een gevoel van eenheid, verbondenheid – probeert te geven ongeacht de betekenis die dit voor hemzelf heeft, bereikt zeer veel. Hij is namelijk niet iemand die terugeist, ook al zal hij waarschijnlijk delen in de toename van energie in de gemeenschap die door dit gevoel van eenheid in iedere van die gemeenschap sterker manifest wordt.

Dan wil ik u eens een paar vreemde vragen stellen. Kunt u denken aan niets? U denkt van wel? U kunt niet denken aan niets. Zodra “niets” beeld van uw gedachten wordt dan krijgt het een vorm, een inhoud, een wezen, een gestalte hoe negatief ook. Het is omschreven, uw niets wordt tot iets. Kunt u in uzelf totale waarheid verdragen en erkennen? Moeilijk, maar sommige denken dat het misschien zou gaan. Het gaat niet! Totale waarheid verdragen dat betekent de gehele kracht van de kosmos erkennen voor wat ze is, het is je eigen functie, je betekenis zien, niet alleen maar beperkt tot één ogenblik maar uitgestrekt over alle tijden. Dat is niet te verdragen voor een mens. Hij zou er zijn rede bij verliezen en hij zou emotioneel niet in staat zijn tot reactie te komen. Hij is iemand die een innerlijke kortsluiting heeft doorgemaakt.

Dan heb ik een derde vraag voor u. En ook hier zal ik zo vrij zijn om het merendeel van de reacties dan maar even af te lezen. Gelooft u in het werkelijke geluk? Het altijd zijnde, het altijd blijvende geluk? Ook hier weer aarzelend ja, aarzelend neen en vooral een vraagteken. Het werkelijke geluk kan alleen bestaan voor diegenen die de werkelijkheid kennen en beleven. Ik heb zojuist gesteld dat dit voor een mens niet mogelijk is. Dientengevolge bestaat deze mogelijkheid dat werkelijke, blijvende geluk te vinden, voor de mens niet.

  • Kunt u misschien verduidelijken wat u verstaat onder realiteit en werkelijkheid?

Realiteit of werkelijkheid is datgene wat onveranderlijk is. De werkelijkheid is datgene dat, hetzij als wet, als kracht of hoe dan ook, door alle tijden, in alle omstandigheden, overal gelijk is en blijft. Werkelijkheid is dus het onveranderlijke dat slechts weerspiegeld kan worden om een zeer gebrekkige wijze in de verandering die voor ons het proces “leven” betekent.

  • Hoe kan men nu spreken over dé werkelijkheid en dé waarheid met onze beperkte, menselijke woordenschat?

Wel, je kunt met een zeef geen water scheppen, maar je kunt de zeef wel gebruiken om een bepaalde inhoud kenbaar te maken. Je kunt die inhoud daarmee echter niet vangen. Zo gaat het met woorden. Woorden kunnen aanduiden dat er een werkelijkheid en een waarheid bestaat. Woorden kunnen kenbaar maken dat er een absolute werkelijkheid of waarheid bestaat. Ze zijn zelfs in staat zekere begrenzende waarden te dien aanzien aan te duiden. Ze zijn echter niet in staat om de inhoud daarvan volledig los te maken uit alle menselijke denkwijzen. Ze zijn dus niet in staat om ze volledig weer te geven, losstaande van de illusie. Ze kunnen wel omschreven worden als een deel van het bestaan te midden van het geheel der illusies. En daarvoor probeer ik de woorden ook te gebruiken.

  • Dan blijft het voornamelijk refereren naar ….

Inderdaad, dat heb ik ook in mijn inleiding reeds gezegd. Maar aan de andere kant zult u het met mij eens zijn, dat ergens een basis moet zijn. Er moet iets zijn dat Al omvat. Wanneer ik zeg “ruimte” dan kan ik dat niet zonder meer zeggen, dan moet ik zeggen: ruimte ten aanzien van een bepaalde begrenzing. Een onbegrensde ruimte is eigenlijk niet denkbaar, het menselijk begrip schiet tekort. Wanneer ik zeg “energie” dan duid ik aan: alle vormen van energie die kunnen bestaan. Maar ik vergeet één ding, dat al die vormen van energie alleen kunnen bestaan wanneer er een basistoestand is waardoor ze kunnen ontstaan. Wanneer ik spreek van God – en ik heb geprobeerd dat heel duidelijk te zeggen – dan gaat het mij niet om een naam. Het gaat mij om een basistoestand. Wat wij over die God kunnen zeggen, is betrekkelijk weinig, tenzij wij onszelf willen gebruiken als vergelijkingsmateriaal. Voor de doorsnee gelovige bv. is God een praktisch menselijk wezen, ontdaan van alle menselijke beperkingen, ontdaan van alle menselijke zwakheden en bovendien in staat om het geheel van de menselijke zwakheden en onvolkomenheden te erkennen, te herstellen en te vergeven. Dat is wat de mens ervan maakt. Ik ga niet zo ver. Ofschoon ik, dat geef ik graag toe, geloof aan een God als een levende persoonlijkheid, vind ik het niet juist om deze geloofstelling zonder meer als waarheid voor te stellen. Ik zeg slechts: er is een basisenergie waaraan alle andere energieën hun aanzijn ontlenen. Het is die toestand waarin absolute rust mogelijk is en de absolute geladenheid van tegenstellingen; waarbij we dus met enorme potentialen kunnen rekenen. Maar zonder die basis kan geen van die verschijnselen bestaan, omdat zelfs de volledige entropie niet denkbaar is tenzij er iets is waarin die entropie kan bestaan. Op grond hiervan heb ik dus opgebouwd, de stelling: er is een levenskracht, er is een energie en ik stel dat die energie voortdurend aanwezig is, overal ten allen tijde, zover we dit na kunnen gaan. Ik stel verder dat die energie in sommige gevallen gemakkelijker in een persoon maar ook in andere voorwerpen, een lading veroorzaakt dan in andere omstandigheden. Ik stelde dan ten laatste dat een mens op een bepaalde manier van denken en leven zich baserende, zijn eigen lading van deze kracht kan vergroten, maar dat die kracht daarmee gebonden is aan wezen en aard van degene waarin ze tot stand is gekomen. Zodat die kracht zich zal ontladen volgens de karakteristiek en bij een mens ook het bewustzijn en de wil van degene waarin die kracht aanwezig is.

  • Ten eerste: Als wij op zoek gaan naar een basis dan denk ik meteen aan een hoge toren die men wil bouwen op een zandgrond, dat gaat niet, we zijn beperkt.
  • Ten tweede: Ik blijf ergens met de idee zitten dat God een product is van onze behoeften.

Dat kan ik begrijpen. En dat is de beste methode om je gevoel van eigenwaarde tegen het machtige onbekende in stand te houden. Maar wanneer je zegt: God dat is onze behoefte die we reflecteren, dan maak je ook weer een fout. Dan ga je namelijk de menselijke projectie stellen in plaats van de werkelijkheid. Zoals iemand eens heeft gezegd – als ik mag verduidelijken wat ik bedoel – kijk eens: D.T.T. is uitstekend tegen alle insecten, zonder zich daarbij te realiseren dat die insecten delen zijn van een ecologie en dat door een overmatig gebruik van die D.T.T. in bepaalde gebieden de ecologie zodanig gestoord zou raken dat dit voor de mens zelfs ernstige gevolgen kon hebben. Wanneer wij alleen maar zeggen: het is een projectie van onze behoeften, dan hebben wij een klein beetje gelijk. Maar dan vraag ik mij af, hoe kan die behoefte bestaan tenzij er iets is waardoor die behoefte kenbaar kan worden. En dan kom ik weer bij een achtergrond terecht, een achtergrond die misschien niet de vorm heeft van de God, zoals de mens zich die voorstelt, maar die wel degelijk volgens mij aanwezig moet zijn omdat het verschijnsel niet denkbaar is zonder dat er een energie bestaat die voor het verschijnsel aansprakelijk kan worden gesteld. Zoeken wij die energie alleen in de mens, dan wordt een groot gedeelte van het menselijk denken en geloven heel erg moeilijk hanteerbaar. Het geloof nl. berust niet alleen maar op de stelling. Het geloof is daarnaast wel degelijk een interpretatie van onverklaarbare verschijnselen. En nu kunnen we zeggen: die verschijnselen zullen eens verklaard worden. Maar dan zullen we gelijktijdig, doordat we meer gaan definiëren, weer tegenover een andere onverklaarbaarheid staan. Ik geloof dus dat u met deze stelling beperkt gelijk hebt. Ik geloof echter niet dat dit gevoel uwerzijds kan worden beschouwd als een afdoende verklaring voor het geheel van de verschijnselen die door het geloof kenbaar kunnen worden en ook voor het geheel van de energieën die in het bestaan van alle dingen een onmetelijke rol spelen.

Dan zegt u, we bouwen op zand. Dat is inderdaad waar. We bouwen op zand. Maar wanneer we op zand bouwen dan moeten we heien, d.w.z. dan moeten we naar een basis zoeken waardoor we een vastere bodemlaag vinden. Is dat niet mogelijk, dan bestaat er nog een andere methode, men is daarmee bezig geweest o.m. in Japan, het schijnt commercieel nog niet haalbaar te zijn, en dat is nl. een vibratiemethode waarbij men gehele gebieden van het op zich losse zand, of andere zeer losse bodemstructuren aan hevige trillingen onderwerpt waardoor een dichtheid ontstaat zodat het zand als het ware een soort zandsteen wordt waarop wel bouwen mogelijk is. Heel erg interessante projecten trouwens. Ik zeg nu: wanneer wij op zand willen bouwen dan kan dat niet zonder meer. De mens die op stoffelijke feiten wil bouwen, en op stoffelijke kennis alleen, bouwt mijns inziens op zand. Want we hebben wel een uitgebreide menselijk kennis op menigerlei terrein, maar de synthese daartussen, waardoor een eenheid van begrip, een eenheid basiskennis wordt bereikt, is zeker nog niet aanwezig. De mensheid heeft tot nu toe nooit gebouwd op rede en kennis alleen. Ze heeft de samenhang die door het begrip, een synthese vanuit het begrip, nog niet mogelijk was, vervangen door geloof, onredelijke en misschien emotionele werkingen, waardoor toch de eenheid ontstaat. En dan stel ik, het is maar een stelling, dat wil niet zeggen dat u dat moet geloven, u moet er maar gewoon over denken, dat wij a.) het geloof nodig hebben b.) dat wij zonder dit geloof, onverschillig waarop het is gebaseerd nooit kunnen komen tot een juist gebruik van de menselijke faculteiten, waaronder de redelijke. En ten laatste, dat het stellen van God zelfs als een persoonlijkheid, ons een werkhypothese geeft waardoor zowel veel in onze eigen persoonlijkheid als in de wereld, benaderbaar wordt, wat zonder dit, ofwel naar het rijk der fabelen zou worden gewezen – ten onrechte, zoals heel vaak verschijnselen worden ontkend omdat ze niet in een these passen,- dan wel, en dat is misschien nog erger wij bij gebrek aan deze grondtheorie, deze werkhypothese, zouden moeten ontkennen dat wij bestaan, dan zou ons bestaan alleen een automatische reactie zijn, waarbij ons gehele levensproces in feite bepaald wordt buiten ons om. Dan zou de betekenis die wij bezitten nul zijn, dan zouden we net zo goed meteen kunnen sterven. Want dan zijn we niets anders dan een veroorzaakt verschijnsel dat in zich toevallig de vermetelheid heeft te denken dat het zelf bepalend is, dat het niet in staat is te bepalen hoe zeer bepaald het wordt. Dan zeg ik: voor u mag die God een werkhypothese zijn, ze mag wat mij betreft voor u zelfs een waarde zijn waarin u niet gelooft – althans in de gebruikelijke zin – omdat u ze vervangt door iets anders. Wanneer u nu stelt: ik heb het gevoel dat God een projectie is van de mens, dan zegt u in feite dat al datgene dat de mens in God zoekt, in de mens schuilt. U verplaatst uw geloof van een externe God, naar een interne God, dat is het enige verschil.

  • Vraag onverstaanbaar.

De vraag van de zin van het leven – mag ik uw eigen woorden even citeren. Wanneer we hiervan uitgaan, gaan we uit van het onkenbare dus datgene wat met woorden niet wezenlijk te zeggen is, maar slechts aangeduid kan worden. En dan wil ik daarop dit zeggen: wanneer de plaats van de mens niet meer is dan die van één molecule in een massa als die van de zon, dan is nog deze molecule tezamen met die andere moleculen ook de zon en maakt haar werkingen mogelijk. Dat daarbij de ik-belangrijkheid van het menselijk denken niet kan worden doorgetrokken is in wezen niet zo belangrijk, want de zin van het leven kunnen we voor onszelf alleen vinden en dan volgens ons eigen begripsvermogen. En dan komen we vanzelf toch weer terug naar die waarheid waar we het over hadden: Er is een absolute waarheid, maar die waarheid is niet kenbaar omdat wij niet in staat zijn het geheel van de feiten of delen waaruit die waarheid is opgebouwd te overzien. Ditzelfde geldt voor de zin van het leven. De zin van het leven bestaat volgens mij wel degelijk. Ik meen haar te zien uitgedrukt in een continuïteit van bestaan, althans van een deel van wat u als mens “ik” noemt, zonder dat hierbij dus de stoffelijke vorm bepalend is.

Dit zijn dingen die kun je niet bewijzen, die beleef je. Maar het feit dat ik ze beleef, dat ik dus existeer ook nadat ik dood ben, houdt voor mij in dat mijn gehele beleving, dus mijn stellen van het bestaan in tijd, al evenzeer een verwaarlozing van een kosmische waarheid is als mijn poging om mijzelf onafhankelijk van het geheel te beschouwen.

En nu wil ik nog een ding erbij zeggen dat praktischer is: wanneer blijkt dat ik door het projecteren van een godheid of een persoonlijkheid buiten mijzelf aan begrenzingen die mijn eigen gevoel en denken mij opleggen, al geef ik toe dat dat meestal voortkomt uit opvoeding en dressuur, dus uit de maatschappij en de omstandigheden van die maatschappij, dan is hierdoor in ieder geval mogelijk geworden een uitbreiding van functie en erkenning voor het ik. En wanneer het geloof niet meer voort zou brengen dan dit alleen, is het hierdoor volgens mij, reeds zinvol. Ik zou er verder op willen wijzen dat een God of een beeld dat wij zien als belangrijker dan onszelf, een doel van ons streven – laten we het nog zinvoller stellen – voor de mens noodzakelijk is, omdat hij alleen door zijn doelgerichtheid eigenlijk in staat is voor zichzelf een levensinhoud te vinden en daarmede dus zijn eigen acties te bepalen op een voor hemzelf overtuigende en bevredigende wijze.

U ziet, er zijn tegenargumenten te vinden. Die argumenten zijn ongetwijfeld even beperkt als uw argument “ja, ik voel dat …” en de zwakheid van uw uitdrukking was in het woord “ik voel” waarbij dus het geheel in feite emotioneel bepaald is, zoals alle geloof. En dat betekent weer dat u in feite gelooft. Wonderlijk niet?

Vrienden ik hoop dat u mij niet kwalijk neemt dat ik hier met een zekere vreugde op ben ingegaan. Want het is nu eens niet belangrijk dat een mens aanvaardt wat een ander zegt dat waar is. Het is belangrijk dat een mens in zichzelf een begrip voor waarheid, een voor hem geldende waarheid ontwikkelt. En een geloof is daarbij zo belangrijk omdat de waarheid zoals wij die erkennen veelal gelimiteerd is door een zintuiglijke wereldvoorstelling. De zintuiglijke wereldvoorstelling die spiegelt ons onbekwaamheden voor waar ze in wezen niet bestaan. Het is nog niet lang geleden dat de wetenschap lachte om het denkbeeld dat de mens een aura zou hebben. Nu heeft men bewezen dat levende wezens, waaronder ook de mens, een uitstraling hebben. Maar zou men ertoe zijn gekomen deze dingen te onderzoeken wanneer er niet eerst een geloof was geweest?

Een ander voorbeeld: in deze tijd wordt onder meer in Rusland een ernstige studie gemaakt van het verschijnsel der telekinese, het dus zonder lichamelijk contact beheersen van de verplaatsing van voorwerpen, meestal kleine voorwerpen. Telekinese is een geloof, zeer oud dat je je afvraagt waar het ergens ophoudt. Nu begint men de feiten ervan te onderzoeken. Maar vergeet één ding niet: degene die de kracht gebruikt, is iemand met een eigen geloof, een geloof dat onredelijk is, dat ingaat tegen alle redelijkheid in feite. En er zijn meer onderzoekingen gedaan onder andere ten aanzien van telepathie, die voor een groot gedeelte op de emotionele empathieën lijkt te berusten. Er is een onderzoek gedaan ten aanzien van andere verschijnselen als zien in de toekomst en dergelijke dingen. Allemaal zaken die komen uit het geloof. Die komen uit een emotionele, onredelijke benadering en daardoor als fenomeen kenbaar worden. En dat is belangrijk. Vanuit de onredelijke emotionele benadering is het fenomeen actief, is het kenbaar, treedt het op en eerst daardoor kan het menselijk denken trachten althans enigszins tot een omschrijving en ontleding van het verschijnsel en de daardoor optredende krachten te komen. Het geloof loopt dus voor bij de rede. En dat is in vele opzichten het geval. Wanneer ik u er mag aan herinneren, geneeskunde is ontstaan uit geloof, eerste medici waren priesters en tovenaars. De chemie is het gevolg van allerhande onderzoekingen van degenen die we, misschien niet geheel terecht tegenwoordig alchimisten noemen. Mensen die werkten vanuit de filosofie en de overtuiging en niet alleen maar vanuit een redelijkheid. En zo kun je doorgaan.

Nu stel ik: elke mens draagt in zich grotere mogelijkheden, zowel van erkenning als van actie, dan hij voor zichzelf erkent of redelijk voor zichzelf kan aanvaarden. Ik stel verder: een mens die gelooft in een kracht buiten hem, die in staat is om aan te vullen waar hijzelf in gebreke blijft, zal hierdoor tot een ontplooiing kunnen komen van zijn volle capaciteiten, ook wanneer hij een deel van de effecten ervan zal blijven toeschrijven aan een of andere hypothetische kracht die hem bijstaat.

Ik stel dat de mens van heden juist in de hardere tijd, niet alleen met zijn crisisverschijnselen – de economische crisis is het minste kwaad in deze dagen – maar vooral zijn crisis van menselijkheid, zijn crisis in ontwikkeling, zijn crisis misschien ook wel in bewust menselijk en medemenselijk reageren. Deze mens heeft behoefte aan nieuwe ontwikkelingen, een doorbreken van het oude patroon. Deze mens voelt zichzelf hulpeloos, hij heeft het gevoel dat hij dit niet zal kunnen. Hij heeft vooral het gevoel dat, zo hij al iets tot stand kan brengen, dit alleen met dwang en geweld zal kunnen geschieden.

Nu zeg ik u, u hebt in u voldoende mogelijkheden om buiten uiterlijk geweld om, de schaal van gebruiken te doorbreken. U hebt in uzelf voldoende krachten om bepaalde machten buiten u te frustreren, zonder hen werkelijk en wezenlijk te schaden. U draagt in uzelf de vermogens waardoor u vele ingewikkelde procedures die nu gelden, kunt vereenvoudigen. Ik zeg tot u, en dan is dat misschien niet de volle waarheid maar alleen een omschrijving van een deel van de waarheid: rond u is energie en kracht. Die kracht kunt u in uw wezen opnemen. Met deze kracht kunt u onder meer veranderingen van uw eigen bewustzijn tot stand brengen, bepaalde gaven en capaciteiten die aan de mens eigen zijn, maar die door het niet gebruiken ervan een soort mentale atonie zijn gaan vertonen, langzaam maar zeker weer geactiveerd kunnen worden.

Rond u is een kracht waaruit u zult kunnen putten juist om uzelf waar te maken, niet in persoonlijke zin maar als een deel van een gemeenschap zonder welke u niet kunt bestaan. Zozeer als die gemeenschap ergens niet zichzelf kan zijn zoals zij nu is zonder uw aanwezigheid. U bepaalt de ontwikkeling van het geheel zo goed als het geheel uw mogelijkheden bepaalt. Maar u hebt meer mogelijkheden dan u gebruikt. Probeer dan die krachten te activeren opdat de waarde van het geheel hoger worde, opdat de mogelijkheden van het geheel groter worde en bovenal de besef-mogelijkheid in het geheel te ontplooien opdat de mens dichter komt te staan bij een waarheid die alles omvat, een werkelijkheid die onveranderlijk is door alle tijden. En dan weet ik dat ik dit laatste emotioneel gezegd heb, want ik heb er geen redelijke woorden voor, maar ik weet ook dat hetgeen ik zeg voor u alleen waar en nuttig is. Zonder een geloof waardoor de gebreken van uw redelijkheid worden aangevuld, zult u niet ten volle kunnen bestaan en ten volle uw krachten gebruiken. En zonder de erkenning van een macht buiten u, die u aanvult, zult u niet de moed vinden om datgene te volbrengen wat ge innerlijk toch als noodzakelijk en juist ervaart.