Bewust bestaan

8 september 1957

Leven, dat wil zeggen bewust bestaan, houdt in een voortdurend contact met anderen. Dit “anderen” kan niet alleen bepaald worden door te zeggen; mensen of dingen. Voortdurende invloeden beroeren u van alle kanten. Vormende invloeden echter worden geschapen door de meesters, de verlichten, de grote denkers van deze wereld. En wel zo dat hun gedachten, zo’n sterke indruk hebben gemaakt, dat zij voortdurend nog bestaan in deze wereld – en in hun eigen wezen – meer, dan men zich kan voorstellen, direct gebonden met elke persoonlijkheid, die deze stellingen bestudeert en die deze gedachten in zichzelf overdenkt.

Wij willen nu trachten deze contacten juist met de grote geesten, de grote krachten van deze wereld en van enkele andere werelden tot stand te brengen. Daarvoor moeten wij leren ons eigen denken te scholen. Allereerst; kritiek kunnen wij eerst uitoefenen, nadat wij de lezing en het contact hebben ondergaan. Dat is noodzakelijk. Kritisch denken is in de meeste kringen zeer goed, zelfs noodzakelijk. In deze kring niet, want U moet de invloed ondergaan van een persoonlijkheid. Een persoonlijkheid, die langzaam maar zeker contact krijgt, zodat het denken daarvan in U begint te leven.

Dan kan ook een wederkerige uitwisseling van gedachten plaatsvinden. Dan kan een waar begrip verworven worden, dat alle schijn, alle menselijke overweging terzijde zettende voor zich een waar en waardig besluit kan nemen, dat het eigen leven voert tot grotere bewustwording en snellere bereiking van het doel.

Er zijn zeer veel verschillende leraren. Ik voor mij heb intens contact met enkelen. In deze bijeenkomst wil ik dan trachten U een ogenblik in contact te brengen met het denken van hen, die ver boven de wereld levende in een totaal eigen sfeer bewust zijn van de werkingen van het Al en daarin hun voldoening, hun beleving vinden. Ik spreek in de eerste persoon. U weet, dat ik hiermede niet veel anders doe dan weergeven en citeren.

“Het feit, dat ik leef, betekent eenheid met het Al. Zonder dat Al kan ik niet bestaan, zonder mij is het Al voor mij nietig. Er is dus een voortdurende relatie tussen mijn eigen bestaan en alle wereld, die ik ken.

Maar in mij is een weten omtrent een grotere wereld en grotere kracht. Dit weten kan alleen geboren worden uit iets, dat groter is dan ikzelf.”

Ik kan stellen; Wanneer ik zou ondergaan en niet bestaan, zou mijn wereld verbleken en eveneens in het niet verdwijnen. Maar dit grotere zou blijven voort bestaan; en waar het deel is van mijn wezen en denken, zal daarin ook voortbestaan wat ik eens mijn eigen wereld heb geheten.

Om een verband te vinden tussen deze grotere kracht en mijzelf kan ik uit gaan van vele stelregels, gebruikmakend van de wetten, die gebaseerd zijn op goddelijke liefde en goddelijke rechtvaardigheid. Ik kan mij ook baseren op de goddelijke wetten zelf, die in hun drijvende kracht geheel de natuur, alle leven en alle sferen reglementeren. Maar ook daar vind ik geen voldoening. Het contact met dit Grotere als bevestiging van ook mijn eigen werkelijk bestaan moet voor mij worden een directe band onafhankelijk van enige gevoelsuitdrukking of enige wetmatigheid voor mij herkenbaar.

Zo zoek ik in mijzelf en vraag mij af; Wat is deze band? En het antwoord is; Ik kan slechts als deel van dit Grotere werkelijk bestaan.

Wanneer ik echter als deel van dit Grotere besta, is het mijn volledig recht elke functie van dit Grotere voor mijzelf op te eisen. Zover als die functie vervuld kan worden binnen mijn wezen en denken, zal zij door mij geopenbaard en geuit worden. Al wat deel is van het grotere Wezen, zal eveneens deel zijn van mijzelf door de normale wet, die zegt, dat alle delen tezamen een geheel vormen en als zodanig deel van (onverstaanbaar)… zijn.

Hierin ligt een lering, die ik wil trachten U duidelijk te maken. Ik weet het, U bent hier niet, omdat U alleen maar de gemakkelijkste weg zoekt. U bent hier gekomen – en ik waardeer dat zeer – omdat U zoekt naar een waarheid, die onomstotelijk is. Dan moeten wij uitgaan van deze stellingen, die ik U thans heb genoemd. En U kunt daarvan uitgaan, indien U voldoende vertrouwen bezit in U zelve.

Uw wil en Uw vertrouwen tezamen zijn een uiting van de totale Kracht (dus van het Goddelijke) op deze wereld. Deze uiting maakt het voor U mogelijk elke functie, die in het Goddelijke voorstelbaar of realiseerbaar is, van uit Uzelf plaats te doen vinden, mits gij handelt niet als Uzelf (dus deel) maar als vertegenwoordiger/ster van het geheel, van God. Dit klinkt in de oren van mensen wat overdreven. Toch gebeuren er op aarde wonderen. Toch zijn er steeds weer die wonderlijke werkingen in je eigen wezen, die je plots doen inzien, dat het leven meer en anders is dan je durfde te verwachten en te hopen. Ik mag daarom nog enkele citaten naar voren brengen;

“Indien ik handel namens het geheel binnen het geheel, kan mijn handeling nooit fout zijn, mits ik haar voortdurend aan de kracht en het weten van het geheel onderwerp.”

Een van de voornaamste factoren in ons beleven van een grote werkelijkheid is ons actief zijn, vrienden. Actief zoals U dat soms verlangt van uit Uzelf actief binnen God. Dan kunnen wij dit te allen tijde zijn, wanneer wij in staat zijn om gedurende de periode, dat wij handelen voor God, namens God en uit God, ons eigen denken, weten en onze eigen logica uit te schakelen.

Logica is een instrument, waarmede ik mijzelf kan meten en mijn beeld van een wereld. Maar wat ik logica noem is de omschrijving van beperkingen. De omschrijving van beperkingen kan nooit een werkelijkheid zijn. Immers mijn wezen ervaart een onbeperkt bestaan, waarvan de grens voor het ik niet vaststelbaar is. Het kosmische, God, de Algeest is voor mij niet begrensbaar. Zo is elke begrenzing, die ik zelve via mijn bewustzijn en redeneringsvermogen aanbreng, in feite onwerkelijk.

“Ik zal dus de logica gebruiken als normaal middel om van uit mijzelf en voor mijzelf te werken en te begrijpen, waar de logica mij aangeeft welke regels gelden voor mijn bewustzijn in mijn wereld. Maar ik zal zeker niet de logica gebruiken op het ogenblik, dat ik tracht als deel van de hoogste Kracht te werken in mijn eigen of andere wereld,”

Met dit citaat wil ik U nog iets duidelijk maken. Wij kunnen de logica gebruiken, zolang het gaat om U, Uw denken en Uw wereld. Zodra wij daarbuiten willen treden en grotere werelden en grotere krachten beroeren, is het niet meer mogelijk de logica te volgen. Vandaar dat zeker in de komende tijd deze groep vaak voor schijnbaar niet logische uitspraken zal worden gesteld. Zij zijn niet logisch, omdat zij niet passen in de beperkingen, die U Uzelf toemeet. Maar ik verzeker U; van uit hoger standpunt zijn zij logisch.

De mens is niet een beperkt wezen, de mens is slechts een beperkt bewustzijn. Indien U zich dit realiseert, zult U ook begrijpen, dat een toevoegen aan Uw eigen bewustwording gelijktijdig betekent een toevoegen aan Uw eigen realisatie van zijn en het wegvallen van de beperkingen.

De menselijke wet is goed voor hem, voor haar, die mensen zijn. Voor hen, die meer dan mens zijn, is deze wet van nul en generlei waarde. De geestelijke wetten, die wij erkennen, zijn wetten voor ons tot het ogenblik, dat wij geestelijk daarboven staande nieuw bewustzijn verwerven. Hoe dit mogelijk is en waarom sommige wetten in menselijke termen uitgedrukt te beperkt blijken, zal een volgende spreker U uiteenzetten.

Ik hoop, dat ik Uw aandacht niet te sterk heb gevraagd juist voor punten, die sommigen Uwer overbekend zullen lijken, die anderen een te stoutmoedig grijpen naar het onwaarschijnlijke lijkt. Nu kunt U nog terug. Wanneer U thans deze groep verlaat, is er niets verstoord, niets gebeurd. Indien U thans besluit bij deze groep te blijven, dan weet U, wat U te wachten staat. En ook voelt U waarschijnlijk aan, waarheen U dit werken, dit gezamenlijk zoeken kan voeren.

Wij hebben voor deze bijeenkomst als tweede spreker iemand, die met U wil spreken over de ware achtergrond van de christelijke leer, waardoor deze bijeenkomst toch een schakel wordt tussen de bijeenkomsten van het afgelopen seizoen en datgene, wat in het komende seizoen in deze scholing gebracht zal worden.

Wees ervan overtuigd, vrienden, dat ik U zal respecteren, onverschillig welk besluit U neemt. Ga of blijf. Slechts zal ik niet in U kunnen respecteren, of zelfs tolereren, een eenvoudig langs U heen laten gaan van de stof. Daardoor wordt ons werk gefrustreerd en de waarde van het geheel verminderd, terwijl voor Uzelf geen geestelijke winst mogelijk is. Wat ge niet begrijpt zullen wij trachten U geestelijk te geven in de juiste mate, om voor Uzelf een begrip mogelijk te maken. Onbegrip behoeft geen belemmering te zijn, maar onverschilligheid is dodelijk voor ons werk zowel als voor Uw eigen mogelijkheid tot bewustwording. Ik neem aan, dat geen van U aan deze onverschilligheid zal lijden.

Daarom neem ik afscheid van U, de hoop uitsprekende, dat de mogelijkheid hier met een ander tezamen leiding te kunnen geven tevens betekent de mogelijkheid zowel voor U als voor onszelf de band met de lichtende krachten te vinden en te versterken.

o-o-o-o-o

Bij elke lering zijn er bepaalde punten, die een strijd kunnen wekken. Dat kan bij de leer van Boeddha, van Mohammed, maar ook bij de leer van Jezus. Dit in strijd treden, dit in vraag stellen van punten, betekent, dat die leer past bij onze eigen wereld.

Jezus’ leer is oppervlakkig de leer van de naastenliefde, de leer van de eenheid met de Vader en van het voortdurend het “ik” verloochenen, om daardoor te komen tot het Koninkrijk der Hemelen. Ik zeg; oppervlakkig. Datgene, wat wij U in de afgelopen tijd over Jezus’ geheime leer hebben verteld, zal U ongetwijfeld duidelijk hebben gemaakt, dat achter de oppervlakkigheid (het z.g. christendom) een tweede, een dieper, een inniger betekenis ligt van hetgeen Jezus de mensheid heeft geleerd.

Nu zou ik graag voor U de drieledige zin van Jezus leer gaan uiteenzetten. Ik heb op het ogenblik noch de tijd noch de mogelijkheid om uit Jezus eigen woorden en gezegden volkomen voor U af te leiden, hoe deze, dingen tot stand zijn gekomen. Maar ik kan ze in het kort schetsen.

De oppervlakkige leer van Jezus is gebed, is liefde, naastenliefde, verloochening van bezit, dienstbaarheid aan allen, die daar behoefte aan hebben. Deze oppervlakkigheid is juist hierom slechts een omhulling van Jezus leer, waar het wel behelst een reeks van voorschriften voor gedrag mogelijkerwijze door ieder in de praktijk te brengen maar niet een inhoud, een werkelijke betekenis. In de plaats daarvan krijgen we de vage belofte van het Koninkrijk Gods en de verzekering van Jezus, dat hij weg en waarheid is.

Daarnaast krijgen we de betekenis van de innerlijke leer van Jezus, de leer dus, die hij in zijn geheimschool in de eerste plaats aan de apostelen, maar ook aan de veertig heeft gegeven. Hierin brengt hij ons tot het bewustzijn van de eenheid met God, waardoor in ons het Koninkrijk Gods niets anders is dan een realisatie van de goddelijke kracht in ons wezen. Hij maakt ons duidelijk, dat de naastenliefde niet een goddelijk bevel is, maar een eigenschap van ons eigen wezen. Dat elk verloochenen van naastenliefde, elk egoïstisch bestaan a.h.w. betekent een beperking van ons eigen bestaan en dat deze beperking niet aanvaardbaar is.

Hij leert ons verder, dat er andere werelden zijn en ander leven is. Daarachter gaat de derde christelijke leer schuil; De leer van Jezus, de mens, die helaas grotendeels vergeten is.

Het is de leer van zijn eigen bewustwording. Het is de droom, die hij droom de met de jonge Johannes. Het is het bewustzijn, dat hij zich verwierf langs de wegen van Palestina en andere landen. En deze leer in weinig woorden te schetsen is moeilijk.

Wat ik U hier geef is een droog samengeperst geheeltje zonder werkelijke betekenis, omdat de inhoud wel aanwezig is, maar niet tot volledige rijping kan komen. We zullen daarom later over juist dit deel van de christelijke leer nog meer gezamenlijk moeten spreken.

Leven en niet leven zijn gelijk, want het niet leven is leven, terwijl het leven ook niet leven kan zijn. Leven wordt hier gezien als een bewuste eenheid met God. Niet leven in de uiterlijkheid kan zijn de volmaking van het innerlijk bestaan. Leven in de stoffelijke zin van het woord kan vaak betekenen een niet leven, een verbleken van de werkelijkheid, die wij juist binnen God zouden moeten kunnen aanvaarden,

Wanneer Jezus hiervan uitgaat, van de tweeledige realiteit van het bestaan, moet hij verder zoeken. En hij komt tot de conclusie, dat op het ogenblik, dat het leven gerealiseerd wordt als in en met God, waarvan hij getuigt door te zeggen? “Want ziet de Vader is in mij, en in mij spreekt de Vader tot U,” dan brengt hij daarmee tot uiting een zich terugtrekken van het stoffelijke leven. Jezus leeft wel in de materie, maar is geen materiële mens. Dit is eenvoudig te verklaren, als wij de volgende regels aanhouden.

“Wie leeft in de Vader, leeft in eeuwigheid. Wie in eeuwigheid leeft, kan niet volledig leven in een beperking, die een tijdelijke uiting zou betekenen. Elke uiting van het groot Goddelijke binnen de beperking is een droom. Een droom, die een ogenblik wordt ondergaan, maar nooit als werkelijkheid wordt gezien, Elke band in de droom geknoopt, is dus een band, die niet werkelijk bestaat. Elke taak volbracht in de droom is een taak, die niet werkelijk werd volbracht. Elke kracht geopenbaard in of gewonnen uit de droom is niet werkelijk. Werkelijk is slechts de God in mij; en God in mij is het leven, dat de enige waarheid is.”

Jezus heeft dan volledig afstand gedaan van stoffelijk werkelijkheidsbesef. Zijn voor sommigen misschien harde leer, waarbij hij zegt, dat men vrouw en kind, vader en moeder, broeder en zuster moet achterlaten om hem te volgen, is logisch. Want wie hem volgt, accepteert de eenheid met de Vader en niets meer. Buiten de eenheid van de Vader is alles schijn, alles waan.

Er bestaat geen werkelijke dood. Daarom zullen degenen, die met Jezus gaan, niet de tweede dood moeten sterven; de dood van hun eigen waan, dat het eerst hun wereld is verbleekt. Want de waan hebben zij prijs gegeven om te dromen in God. En hun leven is slechts een realisatie van Gods wil, zoals dit in de droom, die God droomt in de mens, tot uiting komt.

Hier wordt de werkelijkheid van de wereld verworpen. Gelijktijdig wordt ze aanvaard als een noodzaak om de goddelijke wil uit te voeren. Zo is er in die wereld niets onmogelijk (zoals er in de droom niets onmogelijk is) maar is alles te bereiken, alles te verwezenlijken; alles te verwerkelijken, mits men niet uitgaat van zichzelf, maar van de innerlijke Kracht, waarin men de Vader herkent. Een christendom volgens deze leerstellingen kon Jezus niet geven. Had hij die aan de wereld gebracht, de wereld zou hem verworpen hebben. Men zou niet begrepen hebben, dat hij niet geeft de hoop op een hiernamaals, maar de zekerheid van een eeuwig bestaan, dat ook nu reëel is. Jezus spreekt niet van de eeuwige zaligheid als een toekomstig gebeuren. Het is een realiteit, die in de mens bestaat. Het is de uiting van het Goddelijke, die binnen het “ik” wordt gerealiseerd. Beseft men dit, dan krijgt het christendom een geheel andere inhoud. En ik ben blij, dat ook mij in deze komende periode enkele ogenblikken zijn toegemeten om U juist deze schijnbaar onwerkelijke kant (van uit Uw standpunt) van het christendom duidelijk te maken. De inhoud te tonen van een leer, die uitgaande van de innerlijke kracht komt tot een volkomen regie en redelijke uiting in de stof zonder een deelhebben aan de stof.

Dit laatste is zeer belangrijk. Waar U ook gaat en waar U ook zoekt, U zult nooit een vrede kunnen vinden, die in de stof ligt, Wel buiten de stof. Buiten de stof in God. In God, waarvan de stof alleen maar een verschijningsvorm is. Te komen tot deze realisatie betekent niet haar tot werkelijkheid kunnen maken, maar het betekent wel een veranderen van je eigen instelling tegenover de wereld. En wanneer ik daar in de komende periode iets toe zou mogen bijdragen, zou ik mij meer dan ruimschoots beloond achten. Want moge misschien volgens mijn eigen denken veel van hetgeen ik zeg slechts een droom zijn, zoals gij misschien een droom zijt, ik weet toch, dat de werkelijkheid, die mij uit de droom opbloeit, een bevestiging is van de goddelijke Kracht in mijzelf.

Begrijp mij goed; Ik weet, dat gij voor Uzelf reëel zijt. Maar het deel, dat ik heb aan U, is voor mij als een droom. In deze droom vind ik de stimulans tot een geluk, dat werkelijker is dan alles, wat gij werkelijkheid noemt.  Wij trachten datgene, wat wij voelen als de leidende kracht, kenbaar te maken. Geen lering zozeer als onthulling van de werkelijkheid,

Ik ben U dankbaar, dat ik dit mag doen. Ik ben God dankbaar, dat ik dit mag doen. Want in het zoeken naar Zijn werkelijkheid verdwijnt al datgene, wat ons leven somber of lelijk kan maken; verdwijnt al datgene , wat wij niet begrijpen.

0-0-0-0-0

EEN BAND.

Een band. Ja, een band kan zoveel dingen zijn. Een band, zoals U het bedoelt, is de band, die gevlochten wordt tussen mens en geest en tussen mens en mens,

Wanneer wij zeggen, dat er een band bestaat, dan zien wij dit als beperkt? Alleen maar als iets, dat je met een enkele mens of met enkele mensen bezit of met enkele geesten. Maar is dat eigenlijk wel waar?

Wanneer wij zeggen van uit menselijk standpunt, dat wij een band kennen met een ander, dan bedoelen wij, dat wij onszelf in die ander terugvinden. Dat wij vaak een aanvulling vinden van onze eigen tekortkomingen, zoals wij die zien; en aan de andere kant iets van onze eigen wensen en verlangens in die ander geprojecteerd zien.

Zo denken wij dan aan een band, die eigenlijk niet eens werkelijk is. Want wat wij dan die band noemen, gaat van ons uit. Dat kan misschien wederkerig zijn, maar die band bestaat toch in ons. En alles wat er toe bijdraagt, werkt en leeft en bestaat in onszelf. Dus die band behoort eigenlijk tot de waan. Ze is niet werkelijk.

Maar daarnaast moet natuurlijk iets anders bestaan, dat groter, waardevoller is misschien. Want één ding staat vast; Wanneer wij in het leven iemand ontmoeten, geestelijk of stoffelijk, dan zijn wij binnen het goddelijk bestel delen van Gods wezen, die elkaar beroeren en raken.

Kan zoiets een band genoemd worden? Neen. Het is n.l. niet persoonlijk. Het is a.h.w. een goddelijke zekerheid, iets dat eeuwig gerealiseerd blijft.

Het is veel te onvolledig, wanneer wij hier zeggen; Het is een band, een verbinding zonder meer. Het is eigenlijk een eenheid. Een eenheid, die heel wat verdergaat dan welke eenzijdige, desnoods tweezijdige verbinding ook maar gedacht kan worden. Laten wij proberen te begrijpen, wat die band dan kan betekenen in zijn ware zin.

God schept volmaaktheid. En in deze volmaaktheid zijn wij – een paar mensen, een paar geesten – tezamen gebracht. Onze contrasten en overeenkomsten zijn ergens een uitdrukking van volmaaktheid. Het volmaakte is eeuwig en het gaat niet onder. Wat wij ervan denken en ervan dromen, gaat voorbij. Maar de kern, dat eeuwige, blijft bestaan, onveranderlijk, onvernietigbaar. Deel van God, deel van de volmaaktheid.

Zo binden ons banden als ik ze zo noemen mag met vele mensen, met vele geesten. Sommigen van ons worden tot het middelpunt van een fonkelend kristal van geestelijke mensheid. Anderen kennen slechts een enkele, misschien twee of drie verbindingen, die in hun vaagheid de ruimte tussen de kristallen vullen en zo inhoud en betekenis eraan geven. Elk op zijn wijze deel van een goddelijke volmaaktheid. Deel van een goddelijk bestaan. Verbonden met die anderen, onveranderlijk en eeuwig.

Onafhankelijk van bewustzijn, onafhankelijk van donken, dromen of wensen blijft die band bestaan. Die werkelijke band, deze eenheid binnen het volmaakt scheppend Principe.

Daarom is ons hunkeren naar een kenbare band zo vaak een dwaasheid. Daarom is ons krampachtig vasthouden aan banden, die wij ons nu niet meer realiseren, dwaasheid. Want wat is geschapen in de volmaaktheid kunnen wij niet veranderen. Het deel van ons wezen, dat in een ander werd weerkaatst, betekent een voort durende eenheid; niet alleen maar een voorbijgaande vlaag.

Er is geen leven en er is geen dood in die dingen. God is oneindig. En wanneer wij leven, dan zullen misschien in vele verschillende voorstellingen en vormen steeds weer al die delen, die met ons een brokje volmaaktheid zijn, optreden in ons weten, in ons bestaan. Ze zullen met ons gaan in de sferen. Soms als personen, soms als een wonderlijk landschap of een lichtende kleur. Maar met ons gaan doen ze. Wanneer je terugkeert tot een wereld, dan zijn ze met je. Er is geen scheiding denkbaar. En daarom ook geen band. Band is de menselijke illusie, waarin men probeert een aangevoeld deel van de eeuwigheid een kort ogenblik vorm te geven uit zichzelf.

Maar neen, wij willen ons niet laten verblinden door de gedachte; band zonder meer. Wij willen trachten te beseffen de onverbrekelijke eenheid der dingen, die God in Zijn volmaakte schepping tezamen heeft geplaatst. Contacten en banden, die nooit verbroken zullen worden, omdat al in de schepping buiten ons bewustzijn om deel is van een volmaaktheid,

Dit ogenblik, dat wij samen zijn en het geluid van de klokken, dat doorgalmend verkondt, dat zo dadelijk het middaguur en daarmee een laatste godsdienstoefening aanbreekt, al deze dingen zijn een, onverbrekelijk. Ook al erkennen wij in onze beperktheid niet de ware relatie. Maar die relatie bestaat, in God. Onveranderlijk, eeuwig.

Nu vraagt U mij te mediteren over de band, over een band. Laat ik het zo zeggen;

Band is een waan, vanuit onszelf geboren en in anderen weerkaatst. Band is de gedachte der eindigheid, die misvormend de oneindigheid beperkt.

Werkelijkheid is niet door banden uit te drukken. Werkelijkheid is niet uit te drukken door relaties op een bepaald ogenblik, in een bepaalde tijd. Werkelijkheid is oneindigheid. Oneindigheid, die eenheid is, volmaakt en harmonisch door het wezen van onze Schepper Zelve.

Daarmede vrienden, zullen wij dan deze meditatie besluiten en ook deze bijeenkomst. Ze was een begin, waarin de verschillende samenwerkende krachten hebben gezocht naar een aanvaardbare balans. Zoals U ook moet zoeken naar een aanvaardbaar evenwicht, waarin deze leringen en Uw dagelijks leven, zonder tot strijd te komen, elkaar stabiliseren.