Bewust leven

uit de cursus ‘Geheimen van de geest’ – (Hoofdstuk 3)  december 1960

Bewust leven

Wanneer wij in de stof gebonden zijn, zullen wij ‑ zoals reeds meermaals door onze groep werd weergegeven ‑ niet in staat zijn alle geestelijke voertuigen en alle geestelijke inhouden van ons wezen geheel te beseffen. Zelfs in een streven naar zo groot mogelijke zelfkennis zullen deze delen merendeels onbewust blijven. Zij behoren tot een bewustzijn, dat pas in de sferen geheel kan ontstaan. Toch willen wij gaarne bewust leven; een bewust leven op aarde is dan ook inderdaad onderworpen aan bepaalde beperkingen. In de eerste plaats wat het bewustzijn en in de tweede plaats wat het beleven betreft. Beschouwen wij de situatie over het gehele leven van jong naar oud. In de jeugd wordt veel van het vroegere in belangstelling en fantasieleven herbeleefd maar praktisch niet geuit. Een dergelijke periode werkt dus wel degelijk mee tot de bewustwording. In de eerste jaren, tot ongeveer de 4-jarige à 5-jarige leeftijd, vormt zich nl. een belangstelling, die geheel is gebaseerd op wat men vroeger in zijn leven heeft meegemaakt. Het kind leert dit te associëren met waarden, die in zijn eigen wereld bestaan. Wij kunnen dus op grond hiervan reeds stellen dat het kind, geestelijk bewust, bepaalde richtingen kiest en zijn belangstellingen voor later vastlegt. Het is duidelijk dat deze belangstelling door het gehele leven een belangrijke rol zal blijven spelen. Zij kan niet terzijde worden gelegd, zonder dat dit voor het ‘ik’ een aanmerkelijke schade zou betekenen. Vervolgens ontdekken wij dat het kind ook bij het leren selectief is.
Dit duurt tot ongeveer de 14- à 15-jarige leeftijd; daarna gaan utiliteitsoverwegingen een hoofdrol spelen.
In het onderwijs blijkt het kind in de eerste plaats bepaalde bekwaamheden te bezitten. Deze zijn soms van meer lichamelijke, soms van meer geestelijke geaardheid Deze capaciteiten worden door het kind in die periode gebruikt om met zo weinig mogelijk moeite te werken. Gelijktijdig ontstaat de voorkeur voor bepaalde gebieden van activiteit en wetenschap. Op deze wijze wordt nogmaals de eigen richting in het stoffelijk leven aanmerkelijk versterkt.
Hieruit valt reeds een conclusie te trekken: Het geven van richting aan het leven, zoals dit door de geest wordt begeerd en geschiedt, voltrekt zich in het algemeen voor het 15e levensjaar. Neigingen, maar ook conflicten en problemen, die in deze tijd voor de wordende mens belangrijk blijken, kentekenen het leven en tonen bij nader onderzoek ‑ zeker uit een geestelijke sfeer ‑ hoe deze mens heeft getracht bepaalde tekorten in zichzelf op te heffen.
Ik zei reeds dat na het 14e‑15e jaar utiliteitsoverwegingen een rol gaan spelen. Utiliteit in deze zin houdt o.m. in prestige, gewin en zelfstandigheid. Wij kunnen dus bij die groeiende jonge mens zien, hoe hij tracht zijn oorspronkelijke neigingen aan te passen aan de bestaande wereld.
Dit gaat dikwijls met een zekere vervorming gepaard. Een vervorming in de eerste plaats van de oorspronkelijke geneigdheid en gerichtheid; en in de tweede plaats treedt dikwijls het misbruiken op van de aanwezige kennis en kwaliteiten, kortom van de begaafdheid. U zult inzien dat een dergelijk vertekenen en vervormen in het latere leven niet meer ongedaan kan worden gemaakt, zonder grote gevolgen. De jonge mens, die door zijn opvoeding, zijn belangstelling, kortom zijn pogen om in de wereld een bepaalde plaats in te nemen, zich aan een bepaalde maatschappelijke richting bindt en naar een bepaalde maatschappelijke kwaliteit zoekt, kan deze zonder grote offers niet meer prijsgeven.
Voor een bewust leven is dus in de eerste plaat een gezonde leiding nodig. Een leiding, die juist in de kritieke periode van het leven (zeg tussen de 13 en 17 jaar) de mens ertoe brengt zijn belangstelling en bovendien zijn werkelijke begaafdheid te volgen, welke laatste niet altijd identiek is met een mentale begaafdheid, en deze zo goed mogelijk te gebruiken.
Nu weet ik wel dat zeer veel mensen uitgaan van het standpunt: Als je bijzonder intelligent bent, dan moet je een hoger werk zoeken. Hier gaan dus de prestige-overwegingen van de volwassenen een rol spelen en zij wensen dat hun kind, dat misschien een zeer goede technicus is en timmerman of beeldhouwer zou kunnen worden, zal worden opgeleid tot geestelijke, advocaat, medicus, enz.
Het is begrijpelijk dat ook hierdoor vertekeningen kunnen optreden. Bij een werkelijk bewust leven van de ouders zullen zij ongetwijfeld trachten hun kinderen in hun eigen richting te laten opgroeien, ongeacht de mogelijke materiële bezwaren, die daarmee verbonden schijnen. Slechts de mens, die in zijn jeugdjaren geestelijk reeds zijn weg bepaald heeft en deze ook kan volgen, komt in het leven tot een maximale prestatie. Hij zal verder een zo groot mogelijke evenwichtigheid bereiken en bestaande geestelijke tekorten zoveel mogelijk aanvullen. Het is dus een zeer belangrijke periode.
Maar wij gaan verder en bezien nu de mens in een leeftijd tussen de 20 en de 30 jaar. Dan openbaart zich nl. een nieuwe reeks eigenschappen. Wij zien dat in deze periode de jonge mens zeer sterk door sympathieën en antipathieën wordt beïnvloed. Er is dan niet alleen sprake van vooroordelen of eigenwijsheid, maar heel vaak ook van het erkennen van iets, dat in het vroegere wezen reeds bestond of het afwijzen van iets, dat vroeger schade heeft berokkend. Het is dus niet zo zinloos als het lijkt, wanneer een jonge mens bepaalde goede mogelijkheden eenvoudig voorbijloopt en zich richt tot politieke of religieuze groepen, die onszelf wat vreemd voorkomen. De jonge mens zoekt ook hier ‑ nu door de inwerking van zijn eigen geestelijk bewustzijn ‑ de eigen positie weer zo te bepalen, dat hij zo harmonisch en intensief mogelijk levend in de wereld staat. U zult begrijpen dat de mens juist in deze leeftijdsgroep ‑ die ik zeer in het algemeen heb gesteld ‑ een grote belangstelling heeft voor zichzelf. Dat is geen egoïsme, dat is niet egocentrisch. Maar hij moet zich in deze tijd zo oriënteren, dat zijn geestelijk leven belangrijk kan worden. Bij jonge mensen in deze leeftijdsgroep is de geestelijke belangstelling over het algemeen weinig of niet belangrijk. Zij kunnen er sympathiek, antipathiek of onverschillig tegenover staan. Maar zeker tot het 30e jaar mogen wij niet verwachten dat de mens op de meer innerlijke problemen van het geestelijk bestaan en het geestelijk leven ingaat. De wereld eist hem te veel op.
Wordt de jonge mens door omstandigheden (b.v. druk van de buitenwereld) toch in de richting van een meer esoterisch leven en denken gedreven, dan blijkt heel vaak dat dit waardeloos is.
Om u een voorbeeld te geven: U weet allen dat bepaalde opleidingen voor geestelijke, dominee, enz. plegen te beginnen op betrekkelijk jeugdige leeftijd. Onze ervaring is dat iemand, die op latere leeftijd priester wordt, over het algemeen een zeer goed priester is; d.w.z. dat hij feitelijk een geloof dient. Wanneer wij echter te maken hebben met jongelieden, die van juvenaat, klein seminarie en groot seminarie tot een priesterlijke rang zijn verheven, dan blijkt vaak dat zij eigenlijk een stoffelijke belangstelling hebben. Zij dienen dan niet een geloof (ofschoon zij in de regel menen dit wel te doen), maar zullen heel vaak een kerk (een machtsgroep) en soms ‑ nog benarder ‑een bepaald kerkgebouw dienen. Dit wordt dan voor hen het centrum van hun leven. Het is logisch dat deze laatste factoren schadelijk zijn, zowel voor de geest als voor de bewustwording.
Een conclusie valt ook hier weer te trekken: Wij mogen zeker niet trachten jonge mensen te sterk te betrekken in een geestelijk leven, dat hun geen vrijheid laat. Hoe meer wij trachten hen te binden, hoe groter de mogelijkheid is dat, wat zij nu missen door hun gerichtheid op meer algemene of zelfs abstracte waarden, zo dadelijk op een verkeerde wijze hun deel wordt.
U ziet, ik loop ook over deze leeftijdsgroep nogal licht heen. Ook dit is vorming. Er wordt bij ons gerekend dat de vorming van een man geschiedt tussen het 30e en het 35e jaar; van een vrouw tussen het 28e en het 32e jaar. Dat de rijpheid van de vrouw in dit geval iets sneller komt, ook de geestelijke rijpheid, is ongetwijfeld te danken aan haar plaats in de maatschappij plus de vaak grotere intensiteit van haar gevoelsleven. Toch is het verschil niet zo groot als men zou denken.
Wanneer wij eenmaal zover zijn gekomen dat wij in de maatschappij staan, dat wij ons leven daarin hebben gevonden, onze eigen richting hebben bepaald, komt het ogenblik dat de belangstelling voor het geestelijke groter wordt.
Wij nemen nu als voorbeeld de mens tussen zeg de 30 en ongeveer de 40 ‑ 42 jaar. Dit is een vormingsperiode. Voor de geest treedt een steeds grotere activiteit op, waar hij in deze jaren de belangstelling intensief gaat richten. De doorsnee‑mens is in deze periode nog niet een volkomen gelovige maar een zoeker. Wij mogen dus van hen, die in deze leeftijdsgroepen bestaan, niet verwachten dat zij zonder meer een bepaalde richting zullen volgen of zich bij een bepaalde groep zonder voorbehoud zullen aansluiten. In deze tijd denkt men na, maar het denken wordt abstracter. In een bewust leven speelt juist deze periode een zeer grote rol. De mens heeft nl. enerzijds stoffelijk zover zijn positie kunnen bepalen, dat hij ongeveer weet wat hij wel en wat hij niet kan doen; anderzijds heeft hij geestelijke inzichten gekregen, hij denkt wat abstracter en hij kan gaan experimenteren. Ik zou dan ook over de periode tussen de 30 en de 40 jaar willen spreken als de periode van het experiment. Hier zoekt men. Men vormt zich ‑ al weet men dit niet ‑ allerhande beelden, die later bruikbaar worden. Slechts een enkeling kan in deze periode al een voleinding bereiken. Indien dit echter niet het geval is, mag men dat zeker niet bedenkelijk achten. Want de doorsnee‑geest leert eerst nu door proefondervindelijk werken met bepaalde geloofswaarden, met geestelijke impulsen, maar ook met de praktische consequenties daarvan een nieuw wereldbeeld te verkrijgen. De bewustwording van deze leeftijdsgroep mag dus worden gezien als een toetsen van reeds bestaande geloofswaarden en maatschappelijke waarden aan het innerlijk leven. Zelfoverschatting treedt in deze periode soms op en blijkt dan een blijvend euvel te zijn. Dat is natuurlijk jammer. Wanneer dit euvel echter wordt overwonnen, is deze periode een voor de geest zeer belangrijke.
Tijdens deze experimenten (dit zoeken naar een vaste levensvorm en levensinhoud) wordt tegelijk een vaste lijn voor het stoffelijk leven vastgelegd. Dit is een zeer belangrijk punt, omdat nadat deze lijn is gevormd (de periode tussen ongeveer 40 en 45 jaar) weinig veranderingen meer mogelijk blijken. In de eerste plaats zal men na die tijd niet meer in staat zijn om met enig succes zijn richting van streven en denken te veranderen. Dit voert over het algemeen tot verwarringen of tot half werk. In de tweede plaats kan men stoffelijk moeilijk meer een andere positie vinden, men heeft ook maatschappelijk in zekere mate een vaste plaats ingenomen en men kan alleen van daaruit verder leven. Dit fixatiepunt in het stoffelijk leven ligt voor een ieder ongeveer gelijk. Men kan u tegenwerpen dat uit de praktijk blijkt dat mensen toch nog wel eens hun leven veranderen en met succes. Ik geef toe dat er uitzonderingen bestaan; maar ik sprak over een gemiddelde in een poging om het bewuste leven te omschrijven en daaruit zo dadelijk conclusies te trekken.
Na deze vastlegging begint de mens in toenemende mate te zoeken naar een zuivere persoonlijkheidsuitdrukking. Typisch is dat hij dan ook juist in de volgende periode (lopend van ongeveer 40 tot 55 jaar) in conflict komt met wat hij in de maatschappij heeft geleerd. Grote conflicten op het gebied van seksualiteit, van rechtsverhoudingen, van geloof en geloofsvrijheid, van politieke overtuiging plegen juist in deze jaren bijzonder sterk op te treden. Dit is niet verwonderlijk. Want de mens zoekt nu voor het eerst bewust een evenwicht te vinden tussen zichzelf, de wereld waarin hij leeft en de innerlijke kracht, waardoor hij wordt gedreven.
Velen komen niet veel verder dan dit punt.
Wanneer de leeftijd hoger wordt (en wij spreken dan over een leeftijd van rond 60 jaren ‑ iets vroeger of later ‑ tot laten we zeggen 80 jaar), zien wij dat de belangstelling van de mens steeds meer uitgaat naar de dood. Bewust of onbewust wordt hij door de naderende overgang geboeid.
Hij, die bewust leeft, tracht zich te oriënteren. In dit oriënteren krijgt hij of zij bepaalde overtuigingen en ontwikkelt zo heel vaak zekere begaafdheden.
Langzaam en voortdurend gaat het proces verder, maar gelijktijdig treedt een zekere verslapping van denkvermogen op. Het lichaam functioneert als regel niet meer zo goed. Er kan dan ook worden gezegd dat na de 80 jaren hoofdzakelijk een herhaling pleegt op te treden. Herhaling van levenservaring, een herzien van herinneringen, tot zij het voor het ‘ik’ aangenaamste aspect tonen. Hierbij kan het geestelijk werk verdergaan; in de meeste gevallen blijkt echter dat rond de 70 jaren wel een punt van stilstand is bereikt en men daarna niet meer veel verder doordringt. Verdieping van het geestelijk beleven is in deze tijd nog steeds mogelijk. Het maken van logische gevolgtrekkingen uit het beleefde treedt nog op, doch het innemen van nieuwe standpunten, de aanvaarding van nieuwe gezichtspunten en het doordringen in nieuwe geestelijke wijsheid, is praktisch uitgesloten.
Hiermee hebben wij dan zeer schetsmatig het menselijk leven ingedeeld.
Natuurlijk zullen wij hieruit bepaalde conclusies moeten trekken en wij zullen bovendien deze conclusies moeten voorzien van de nodige aantekeningen, waardoor zij voor eenieder bruikbaar worden.
De eerste reeks van opmerkingen en conclusies houdt zich ongetwijfeld bezig met de opvoeding. Want hier kan alleen de volwassene de zaak bewust benaderen. En dan is deze reeks als volgt:

  1. Bevorder bij het jonge kind het zelfstandig denken, het fantaseren en verschaf het kind de middelen om deze fantasieën tot uitdrukking te brengen. Tracht echter tevens scherpe grenzen te trekken tussen de fantasiewereld en de werkelijke wereld, waarin het kind later moet leven.
  2. Geef het kind grote vrijheid van denken, zoeken en spelen, maar geef het daarnaast verantwoordelijke taken en behandel het met een zekere gestrengheid. Hierdoor bevordert men dat het zich zowel van de wereld als van eigen geestelijke inhouden bewust wordt.
  3. Stel aan het kind in de periode van de opvoeding nimmer eisen, die boven zijn vermogen liggen; en tracht vooral het kind niet te richten op wat u belangrijk acht. Tracht in te zien wat het kind zelf door aanleg en belangstelling gaarne ervaart en beleeft en tracht ‑ voor zover dat in de maatschappij mogelijk is ‑ de opvoeding in deze richting te leiden.
  4. Laat het kind zich, wederom in overeenstemming met zijn belangstelling en aard, vrij ontplooien. Dit betekent dat het tot zijn 14e ‑ 15e jaar de mogelijkheid krijgt om inderdaad de volle reserves van geestelijk kunnen, van geestelijke kennis en eventuele vage herinneringen aan vorig bestaan actief te maken. Hierdoor wordt een mens gevormd, die in de maatschappij reëler staat, geestelijk zeer actief is en ongetwijfeld zich binnen de maatschappij meer op zijn plaats zal voelen en daardoor harmonischer en gelukkiger zal leven.

Na deze periode zal men moeten beseffen dat de tijd van het geven van leiding eigenlijk voorbij is. De periode die nu volgt (van 14‑15 tot 20‑21 jaar) eist van de volwassene een zo groot mogelijke terughoudendheid. Zeker, in maatschappelijk opzicht moet er discipline zijn en deze moet worden gehandhaafd. De jonge mens is nu echter zover gevorderd, dat hij zich vrijelijk moet gaan ontplooien en dat hij ‑ i.v.m. zijn honger naar prestige, het verkrijgen van betekenis in de wereld, eventuele verdiensten enz. ‑ zichzelf kan gaan richten.
Het zal u blijken dat, door deze methode van opvoeding, voor de jeugd zeer veel tot stand kan worden gebracht, omdat zij op de meest harmonische en juiste wijze haar eigen weg vindt in de maatschappij. Het is bovendien belangrijker een goed timmerman, een goede huisvrouw of een goede danseres of zanger te zijn, dan een directeur die eigenlijk een slappeling is, een kruidenier die voortdurend met zijn gedachten bij de races zit, of een arbeider of accountant, die voortdurend iets anders in zijn gedachten heeft dan zijn werkelijke taak. Voor de wereld is het belangrijk dat juist de jongere mens in staat is zijn persoonlijkheid, zijn ‘ik’ in zijn maatschappelijke taak te leggen.
Wat godsdienst betreft, zou ik willen zeggen: Voed het kind op door het voortdurend kennis te geven van hetgeen u zelf gelooft, zonder daarbij het kind tot een aanvaarding te dwingen en zonder ooit het kind te verbieden daaromtrent vragen te stellen. Geef eerder toe dat u ze niet kunt beantwoorden, dan te zeggen: “Dat is nu eenmaal zo en dat moet je nu maar aannemen.”
Dwing het kind niet een keuze te maken op 12‑jarige leeftijd, zoals vaak o.a. bij belijdenissen en vormsel ‑ geschiedt.Het kind is daarvoor nog niet rijp en kan dit beter later doen, als het minstens 16 à 18 jaar is.
Wat betreft de kwestie van maatschappelijke stand zou ik nog willen opmerken: Leer het kind dat elke stand dezelfde waarde heeft, zowel geestelijk als materieel, indien zij volkomen wordt beleefd. Toon het kind dat een professor even dom kan zijn als een arbeider; dat een arbeider evenveel kan uitvinden en evenveel goed in de wereld kan doen als een academicus. En dat het dus de persoonlijke keuze is van plaats, die bepaalt; niet de rang, die men bekleedt.
Dit brengt ons tot het tweede punt van het bewuste leven. En hier kan ik niet meer gaan spreken uit het standpunt van een opvoeder. Ik moet dus hier wel de nadruk gaan leggen op materiele vorming en materieel leven.
Wat betreft het materiële leven en de materiële vorming mag allereerst worden gesteld dat de mens zichzelf moet leren verwerkelijken.
Dit houdt in dat deze zelfverwerkelijking geschiedt dankzij of ondanks maatschappelijke condities en bestaande regelingen en wetten. Een mens moet leren de consequenties van eigen daden te dragen, de verantwoordelijkheid voor hetgeen hijzelf schept volledig te aanvaarden. Leer verantwoordelijk te zijn voor hetgeen u doet. Doe het zo goed u kunt. Laat u niet binden door conventie, maar leef zo dat u het zelf als goed en juist ervaart. Neem geen risico, als dit voor u niet de moeite waard is. Maar zet uw gehele persoonlijkheid in, indien u meent innerlijk aan te voelen: dit is inderdaad voor mij buitengewoon belangrijk. Tracht in de periode tot 30 ‑ 35 jaar u niet teveel in geestelijke problemen te verdiepen. Dit kan slechts een enkeling. Zoek eerder de levensrichting, die u bevredigt. Probeer binnen deze voor u bevredigende levensrichting een zo juist mogelijke verhouding te scheppen tussen uzelf en uw medemensen.
Bewust leven wil ook zeggen: bewust deel uitmaken van de samenleving. En juist in deze periode zou dus sprake moeten zijn van een groot sociaal verantwoordelijkheidsgevoel, een wel doordachte mening op economisch en politiek gebied, voor zover men daarbij zelf betrokken is en een goed begrip voor de noden en zorgen van anderen.
Daarnaast mag ook de nadruk worden gelegd op het vinden van een gezonde ontspanning. In de jeugd is ontspanning een normaal deel van het leerproces. Zodra u wat ouder wordt, maar nog jeugdig blijft, blijkt de ontspanning deel te worden van de innerlijke harmonie, een middel om het evenwicht in het ‘ik’ te handhaven. Maak natuurlijk zoveel mogelijk van uw werk tevens uw ontspanning en bedenk steeds dat absolute eenzijdigheid in het leven uit den boze is.
In deze levensperiode zou ik de jonge mens verder willen waarschuwen voor zelfoverschatting. Ongetwijfeld presteert u veel. Juist in deze tijd bent u het, die de stuwkracht voor de wereld opbrengt.
U bent het, die de verantwoordelijkheid draagt en de mogelijkheden ondergaat van al, wat er in de wereld geschiedt; meer dan de ouderen.
Maar gelijktijdig bent u nog niet in staat volledig te overzien wat u doet. Een werkelijk overzicht wordt niet door allen in het leven verworven; en dan meestal eerst na 50 jaar te hebben geleefd. Niet voordien.
Zie uzelf nooit als het middelpunt. Werk, speel en leef met anderen samen. Wees bovenal zo gelukkig als u kunt, zonde ooit een ander te schaden. Dat is in deze periode de belangrijkste slagzin.
Als een mens wat ouder wordt en eenmaal een vast punt heeft bereikt (u weet, dat ligt in de periode tussen de 40 en de 60), dan begint het leven voor hen te veranderen. Materieel wordt het over het algemeen wat rustiger. U ontdekt dat er meer banden zijn, u wordt meer geremd dan vroeger. Enerzijds bent u vrijer om voor uzelf besluiten te nemen; aan de andere kant staat u vaak meer alleen en hebt u grotere verplichtingen. In deze tijd kunt u zich niet meer alleen baseren op het stoffelijk resultaat en het stoffelijk succes. Doet u dit, dan blijkt de bewustwording stil te staan. Dit zijn de jaren om conclusies te trekken uit het verleden en deze om te zetten in een begrip voor het bovenzinnelijke. Indien u niet begaafd was op paranormaal gebied, dan heeft u in deze periode kans, dat zich alsnog paranormale begaafdheden openbaren. Maar verwijder u nooit te ver van de wereld. Dat is logisch; concludeer voor uzelf.
Wanneer de mens eenmaal in het leven een vast standpunt heeft gevonden (een punt van uitgang) en hij maakt zich los van de wereld (de maatschappij waarin hij leeft), dan zal hij niet meer in staat zijn het eigen standpunt te handhaven. Hij zal dus terugvallen naar een lagere en minder vrije positie in de maatschappij, dan wel ‑ wat ook kan voorkomen ‑ van die maatschappij steeds meer los komen te staan. Toch maak hij deel uit van het leven en draagt hiervoor directe aansprakelijkheid. Hij moet zich dus wel degelijk met zijn geestelijk streven ook nog op de sociale toestanden richten en op de godsdienstige, de esoterische en de religieuze mogelijkheden. Maar denk in deze periode vooral vrij. Een mens tussen de 40 en 60 zou ik willen zeggen:
Wees vrijdenker. Beschouw u vrij om over alles te denken. Beschouw u vrij alles aan te tasten, als u dit op een redelijke basis meent te kunnen doen.
Hoedt u ervoor zinloos aan te vallen. Alleen als er werkelijk zin ligt in het aanvallen of onderzoeken van een bepaald punt, moet u het doen. Vorm voor uzelf een beeld van de geestelijke krachten, die in het leven een rol spelen. Leer uzelf steeds beter kennen. Begrijp, hoe ge deel zijt van de oneindigheid.
Bewust leven betekent in deze periode nl. jezelf leren kennen; je plaats in de wereld van geest en stof zo juist mogelijk beseffen; een taak erkennen, die je misschien vroeger reeds onbewust hebt volbracht en deze met inzet van je gehele persoonlijkheid nu verder voort te zetten. Naarmate u ouder wordt, zal uw belangstelling ongetwijfeld worden getrokken naar de geheimen van geestelijke werelden en van de dood. Voor degenen, die die richting uitgaan ‑ dit geldt dus ook voor het leven tussen de 60 en 80 jaar ‑ zou ik een paar conclusies willen trekken:

  1. het is voor de mens, uit stoffelijk standpunt, onmogelijk het totaal van het geestelijk leven te kennen of zich daarvan ook maar een enigszins passende voorstelling te maken. Elke voorstelling, die men zich maakt, is zo onvolledig dat zij onwaar is, als men meent dat zij de enige waarheid bevat. Als déél is menige realisatie aanvaardbaar; als geheel wordt het fataal voor de bewustwording, ook voor het later geestelijk leven in een andere wereld.
  2. Leer zo vrij mogelijk te zijn. U hebt een zekere rijpheid bereikt, u mag dus oordelen over alle geestelijke waarden, voor zover ze uzelf betreffen. U bent echter niet in staat dit ook voor anderen te doen. Materieel hebt u voldoende ervaring om te weten wat in elk geval niét mag geschieden. Uw taak in het leven is ‑ krachtens uw geestelijk inzicht en uw stoffelijke ervaring ‑ daar remmend op te treden, waar de jongeren een verkeerde kant uit zouden gaan of in te tomeloze vaart hun vernieuwingen zouden willen doorvoeren.
  3. Denk niet dat iemand, die oud wordt, alleen maar geestelijk mag of kan streven. Hij die ouder wordt, kan juist van mens tot mens ontzettend veel goed doen. Door het ouder zijn, is men wat milder geworden in zijn oordeel, men krijgt meer begrip voor anderen. Indien daarbij nog een behoorlijk geestelijk inzicht komt en een behoorlijke dosis zelfkennis, zo zal men andere mensen op het goede spoor kunnen brengen, zowel jongeren als minder ontwikkelden van de eigen leeftijd. Het verlenen van hulp mag worden gezien als één van de belangrijkste fasen in het leven en wel tussen 50 en 70 jaar.
  4. Leef met de geest, maar tracht niet in de geest te leven. Verwerkelijk alles wat u uit de geest kent, zoveel mogelijk stoffelijk. Laat u er nimmer toe voeren het leven in twee delen te splitsen: één deel met de geest en het andere met de stof. Dit is onmogelijk en leidt tot een soort schizofrenie, die zich na de overgang in zeer kwalijke ervaringen kan openbaren. Het herstel hiervan vergt meestal tijd.
  5. Wanneer u de 70 ‑ 80 jaren overschreden hebt, moet u goed beseffen dat uw ervaring langzaam maar zeker is verouderd. U hebt vele ervaringen verkregen, maar zij liggen zover in het verleden, dat ze voor het heden weinig of geen betekenis meer hebben. Zelfs als remmende functie blijkt u slechts een zeer kleine mogelijkheid te zijn overgebleven, want u bent niet voldoende in staat om de impulsen van de nieuwe geslachten geheel te ervaren. Gelukkig hebt u in deze tijd meestal ook verdraagzaamheid geleerd. Voor deze tijd geldt:

Denk niet te veel aan uzelf. Begrijp heel goed dat ouderdom niet inhoudt gewichtigheid of grootheid van inzicht en geest. Zoek uw zelfkennis steeds meer te bevestigen. En leef in deze periode hoofdzakelijk voor de geest. Dit wordt thans voor het eerst werkelijk mogelijk.
U ziet uit deze leefregels (als ik ze zo mag noemen), dat het menselijk bestaan en het menselijk leven voortdurend moet worden gebruikt op de juiste manier. Wij kunnen nooit steeds op dezelfde wijze blijven voortgaan. Leven betekent veranderen en ontwikkelen. Het betekent dus ook, dat wij onszelf voortdurend moeten veranderen en ontwikkelen. Inzichten, die gisteren nog goed waren, kunnen morgen reeds minder goed en overmorgen schadelijk zijn. Wij moeten groeien. De mens, die bewust leeft, gaat van het beginsel uit: Steeds moet ik veranderen, steeds moet ik groter worden en steeds moet ik wijzer worden.
En dan ben ik hiermee aan het einde van het eerste deel van mijn lezing gekomen.
Nu wij dus het leven in leeftijdsgroepen en mogelijkheden hebben ontleed, blijft ons alleen over van het leven in zijn geheel nog het een en ander te zeggen. Dus iets, wat eigenlijk voor elke leeftijdsgroep gelijk geldt, iets wat de bewustwording bevordert en gelijktijdig toch de mens zijn persoonlijke waarde laat.
Ik wil in de eerste plaats dan vaststellen dat niet alle mensen, wat hun temperament en wezen betreft, geschikt zijn om in de maatschappelijke en godsdienstige beperkingen te leven, welke deze tijd met zich brengt. Voor sommigen is een grotere vrijheid absoluut noodzakelijk, voor anderen blijkt de bestaande vrijheid reeds tot bandeloosheid te voeren. Voor de be­wustwording van de mens is de mogelijkheid tot handelen evenzeer belangrijk, als de mogelijkheid zich te beheersen. Slechts waar beheersing (en wel voornamelijk zelfbeheersing en niet opgelegde beheersing) in evenwicht komt met de mogelijkheden, wordt een daadleven verwerkelijkt, dat zoveel mogelijk de eigen persoonlijkheid weerspiegelt, inzicht in eigen stoffelijk en vooral ook geestelijk wezen bevordert en de mens zijn juiste taak en juiste plaats in het leven op de meest harmonische wijze doet innemen.
Het is dus logisch dat niemand, die bewustwording zoekt en bewust wil leven, mag overgaan tot het opleggen van beperkingen aan anderen. Wel zal eenieder dit voor zichzelf moeten doen.
In de tweede plaats wil ik opmerken dat het begrip ‘zonde en schuld’, ‘veroordeeld’, ‘uitgeworpen worden’ etc. een veel te grote rol speelt in het bewustzijn van de meeste mensen. Er is geen sprake van falen, als men iets doet, wat volgens de geldige regels van zeden en moraal verkeerd is. Slechts indien men ‑ het verkeerde daarvan erkennende ‑ daarmee voortgaat, ontstaat een onevenwichtigheid. Alles wat tot ervaring leidt en als zodanig in het eigen wezen goed wordt verwerkt, is te allen tijde waardevol voor geest en stof.
Ten derde zou ik erop willen wijzen dat er onnoemelijk veel esoterische en geestelijke of godsdienstige systemen bestaan. Ik kan mij voorstellen dat men een tijdlang van groep tot groep gaat om te zoeken wat het best past bij het ‘ik’. Maar als men dit onbeperkt voortzet, dan zal men op een gegeven ogenblik vastlopen. Men heeft van alles iets, maar men heeft nergens een werkelijk houvast gevonden. Wanneer u echter zoekt op geestelijk terrein, dan vindt u voor bepaalde waarden in uzelf een echo. U reageert daarop. U voelt: dit is voor mij belangrijk of voor mij waar.
Aanvaard dit en behoud het ook, wanneer u verdergaat. Laat u nimmer binden aan een reeks dogmatische stellingen. Leef altijd volgens uw eigen hoogste bewustzijn, maar aanvaard ook alleen die geestelijke waarheden of openbaringen, die voor uw eigen wezen een werkelijke betekenis hebben.
Juist de vrijheid, waarmee men voor zichzelf aanvaardt of ‑ zo nodig ‑ verwerpt, voert tot de vorming van een vast levensbeeld, dat ook esoterisch (dus innerlijk) is vastgelegd. Dit levensbeeld zal in de meeste gevallen een aanvulling vormen van vroegere levens of bestaanstoestanden en daardoor dus de mens ook op een hoger vlak brengen voor een volgend bestaan. Dit is zeer belangrijk.
Laat u nimmer door anderen vertellen dat u dwaas bent, wanneer u iets al dan niet gelooft. Onttrek u aan debatten daarover. Tracht ook nooit een ander te overtuigen van uw geloof, maar handel altijd in volledige overeenstemming met hetgeen u gelooft. Dit is het enig belangrijke in de wereld. Voor anderen heeft het mogelijk overtuigende waarde.
De eventuele resultaten van uw handelen volgens uw geloof houden verder voor uzelf een corrigerende mogelijkheid in, waardoor uw eigen instelling wordt veranderd en u uw eigen beeld scherper omschreven ziet. Ongeacht wat u in het leven wilt bereiken, u zult ten slotte alleen die resultaten met u nemen, die blijvend in het ‘ik’ werden vastgemaakt en deel uitmaakte van de geest.
Dat houdt in dat niets waardevol is op uw eigen wereld, wat niet emotioneel en verstandelijk kon worden beleefd. Niets uit uw wereld zal blijvend waardevol zijn, wat niet slechts in kennis maar ook in de praktijk zijn uitdrukking vond.
Het is u niet verboden te experimenteren; uw leven is als een verblijf in een laboratorium, waarin u de meest wonderlijke belevingen kunt opdoen, als u de moed daartoe hebt. U zult zelf moeten bepalen welke belevingen u zoekt en hoe. Maar u zult altijd de aansprakelijkheid daarvoor moeten aanvaarden en u zult altijd uw theorieën aan de praktijk moeten toetsen.
U zult altijd uw praktische ervaringen moeten gebruiken om uw stellingen en kennis zozeer te wijzigen, dat deze een zo groot mogelijke overeenkomst vertonen met de kosmische werkelijkheid, waarvoor u leeft en waartoe u toch wordt gedreven.
Ten laatste wil ik opmerken dat de kunst van het bewuste leven tevens is de kunst van het bewuste overgaan. De mens, die de kunst van het leven heeft geleerd, kent de kunst van het sterven. Er is niet zó’n groot verschil tussen leven en dood. Dood is als het insluimeren op een dag en de volgende dag ontwaken in een andere kamer. Meer niet. Het is logisch dat het hechten van een te groot belang aan een verandering, die op zichzelf zo groot niet is, de mens in vele verwrongen situaties kan brengen. Het zal zijn leven en zijn bewustzijn aanmerkelijk benadelen; het zal daarnaast de overgang zelf moeilijker en zwaarder maken, dan noodzakelijk is. Indien u echter uzelf kent, indien u hebt geleefd volgens de intentie van uw wezen, en dit zo goed mogelijk hebt uitgedrukt in het materiële leven zowel als in uw denken en geestelijk streven, dan zult u ontdekken dat de dood niets is dan een moment duisternis, waaruit u ontwaakt tot een nieuw bestaan. Het probleem ‘dood’ komt ongetwijfeld in deze cursus nog ter sprake, zij het dat dit slechts aanvullend wordt gedaan, omdat daarover reeds twee brochures zijn verschenen. (nl.: De doodsengel en zijn geheimen. De kunst van het sterven.)
Onthoud echter dat u nooit goed zult kunnen overgaan en de krachten van de dood zult kunnen aanvaarden en tot uw eigen voordeel, tot vergroting van uw innerlijke harmonie met de kosmos zult kunnen gebruiken, als uw leven niet goed was.
Bedenk verder dat het leven altijd goed is, wanneer zelfkennis en de bereikte kennis in dit leven tot uitdrukking zijn gebracht. De tijd waarop is niet zo belangrijk: Een mens, die een heel leven van zelfbedrog achter zich heeft, maar een moment van waarheid vindt en deze waarheid metterdaad durft uit te drukken en in zijn wereld durft te uiten, heeft evenveel gewonnen als een mens, die voortdurend bewust leefde. Want het gaat hier niet om de ontwikkeling als zodanig, het gaat alleen om het resultaat op het punt van overgang.
Bewust leven betekent alleen maar: je voorbereiden op een bewuster, beter en lichtender leven later. Hoe het bewustzijn wordt verworven maakt niets uit. Is het eenmaal verworven, dan zal dit in een eeuwiger en minder begrensd leven weerspiegelen wat het stoffelijk leven u heeft geleerd. Vandaar dat wij hopen dat ook deze regels in deze korte beschouwing mogen bijdragen tot een bewuster leven voor u en een gemakkelijker overgaan en herboren worden in de vrije werelden van de geest.

NOOT.
Wanneer wij spreken over ‘de werkelijke geest’, dan bedoelen wij hiermee de totale geest ofwel het volledige bewustzijnsgebied, dat bereikt wordt door het wezen ‘ik’.
Men zou dit kunnen omschrijven als het aandeel in de totale opbouw van de kosmos, dat door het Goddelijke tijdloos aan het ‘ik’ wordt opgelegd. Het ‘ik’ is dus reëel, wanneer het zich uitdrukt in de werkelijke geest. Hierin heeft het al zijn ervaringen, al zijn geestelijke functies. Voor de mens is dit begrip wat abstract. Ik mag het misschien vergelijken met een bloembol. Als u de bol van een krokus, een tulp of een hyacint zou doorsnijden, dan zou u ‑als de bol maar enigszins leven heeft en dus niet in volledige rust is ‑ tot de ontdekking kunnen komen dat zich daarin reeds de bloem, de bloemkelk en alles principieel bevindt in miniatuur a.h.w., in een rustende staat.
Zo is het ook met de mens, met de menselijke geest. Daarin is dus het totaal aanwezig wat er eens uit zal opbloeien. Dit totaal noemen wij de ware, de werkelijke geest. Maar voor het bewustzijn van de mens speelt de zaak zich wat anders af. Hij ziet niet de doorsnee van de bol, maar hij ziet langzaam maar zeker het eerste groen van het blad verschijnen, daarna ziet hij dit opschieten en misschien langzaam de knop van de bloem omhoog komen, maar hij ziet het niet in zijn volledige open gebloeide toestand. Eerst wanneer alles volledig is open gebloeid, is het ‘ik’ volledig geopenbaard. Dit is dan het werkelijke ‘ik’. Al het andere is maar een déél van de geest, een déél van de ik‑heid.
En zo mogen wij dus wel stellen dat de ware of werkelijk geest het geheel is, dat door het Goddelijke in ons werd gelegd; terwijl wat wij ‘geest’ noemen, een fase is van het ‘ik’ in zijn totale groei van potentie naar voleinding. Het is dus een tussenfase. De geest op dit ogenblik is niet veel meer of veel minder dan een plant, die zich reeds verheven heeft boven het aardoppervlak, dus uit haar wortels reeds de eerste verschijnselen van groei toont, maar haar volle bloei, die de levensvoleinding is, nog niet heeft bereikt.

Het begrip ‘sfeer’

Wij weten dat een woning een bepaalde sfeer kan hebben. Op bijeenkomsten is er soms sprake van een gezellige sfeer. Of van een onaangename sfeer. Helaas zijn slechts weinig mensen in staat dit begrip ‘sfeer’ te omschrijven of zelfs weer te geven in zijn ontstaan en zijn bestanddelen.
Vandaar dat ik op deze bijeenkomst gaarne enkele woorden zou willen wijden aan deze eigenaardige spanning en stemming, die zulk een grote invloed heeft op het menselijk welbehagen en zelfs op de geestelijke sferen, waarmee men een contact kan bereiken.
Onder het woord ‘sfeer’ mag worden verstaan: de totale gedachte-uitstraling van de aanwezigen en de daardoor tot uiting komende harmonische aspecten, verrijkt met alle indrukken, die daarmee in overeenstemming zijn.Sfeer kan dus opbloeien uit de wijze, waarop men een woning inricht, de plaatsing van een enkele bloem, uit kaarslicht, de geur van wierook, parfum of van verse bloemen. Zij kan eveneens ontstaan uit een onverwachte zielsverwantschap, die zich achter de muur van woorden en handelingen pleegt te verbergen. Het blijkt ons dat deze sfeer zeer grote en belangrijke gevolgen kan hebben.Wanneer mensen elkaar ontmoeten in, wat zij noemen, een gezellige sfeer en daarin werkelijk tot elkaar komen, zullen zij vele bestaande geschillen kunnen beslechten en eventueel voorgoed uit de weg ruimen.Zij zullen elkaar stimuleren en zo een hoogte bereiken die elk voor zich haast onmogelijk had geacht. Wanneer er een bepaalde sfeer heerst en de conversatie is ingespeeld op deze stemming, dan blijkt ze vaak als een flitsend lancet wereldproblemen op een geniale wijze te kunnen ontleden. Opmerkingen, die heen en weer worden geworpen, nemen vorm aan en geven een complete filosofie weer of worden een karikatuur van een door sommigen innerlijk nog bewonderde persoon, instelling of toestand. Het is duidelijk dat deze sfeer niet alleen kan werken op het menselijk lichaam en niet alleen kan worden geboren uit de zintuiglijke waarneming. Er zijn zelfs, wat sfeer betreft, bepaalde voorwaarden aan te geven.Wanneer wij sfeer willen vormen, zullen wij er ook zeker van moeten zijn dat ‑ indien de sfeer goed is en de mensen elkaar begrijpen ‑ er een zekere welwillendheid bestaat, terwijl anderzijds bepaalde remmingen en vooroordelen tijdelijk terzijde worden gesteld. De geest nu is zeer gevoelig voor deze wereld van gevoel, deze wereld van paranormale invloed, die o.m. in de menselijke aura tot uiting komt. Wanneer u een sfeer weet op te bouwen, een sfeer die langzaam maar zeker uw eigen wereld terugdrijft en een eenheid van hooggestemden tot stand brengt, dan blijkt dat de geest onmiddellijk op deze sfeer inwerkt. Zij is er deel van. Door het scheppen van de sfeer hebt u in uzelf nl. bepaalde geestelijke voertuigen geactiveerd.Niet alleen kreeg de aura een prettiger gloed en werd haar licht stabieler, minder flitsend en flikkerend, maar bovendien bleek zich een soort gouden of zelfs zilverwit waas uit te spreiden, dat als een onzichtbaar web mens met mens verbond: een kracht, die tenminste behoort tot het mentaal gebied en in bepaalde gevallen zelfs hoger kan stijgen. Het is duidelijk dat de geest, die in een dergelijk gebied woont, een dergelijke reeks verbindingen in concreto voor zich zal zien en zich zal afvragen: Wat is het, dat zozeer met ons verwant is? En zo speelt zij a.h.w. op deze harp van gouden draden., die van mens tot mens zijn gesponnen, helpt en leidt, geeft impulsen, inspireert en geeft iets af van haar eigen wereld aan een lagere wereld, waarin door de sfeer het ontvangen van deze impuls mogelijk wordt.Zeer belangrijk is deze sfeer vooral, wanneer wij geestelijk werk willen doen, in contact willen komen met de geest, of ‑ wat voor mensen haast even belangrijk is ‑ tot bezinning willen komen en in innerlijke vrede en rust onze eigen weg willen vinden. Hoe sterker wij de sfeer kunnen richten en hoe meer wij deze kunnen opvoeren tot een geheiligdheid, tot die stille uitstraling die in sommige kerken schijnt te hangen, zelfs als ze verlaten zijn, alsof er ergens nog een echo van engelenzang uit de donkere dakbalken komt, hoe beter wij contact zullen krijgen met de geest; hoe beter wij in de stof éen kunnen zijn met hogere krachten en hoe eenvoudiger ook de hogere kracht zich goed en volledig in haar werkelijk wezen aan de mens kan openbaren.Het scheppen van sfeer is afhankelijk van kleinigheden. Degenen, die zich bezighouden met het beschouwen van een modern binnenhuis, zullen ongetwijfeld hebben opgemerkt, hoe een enkel achteloos neergeworpen opengeslagen boek, ja, misschien zelfs een enkele verontreiniging in een overigens perfecte kamer, daaraan plotseling een sfeer van bewoond‑zijn kan geven. U hebt zich waarschijnlijk niet afgevraagd, hoe die sfeerverandering daaruit kon voortkomen. Indien u echter nadenkt, zal dat u duidelijk worden. De meubelen, de muren, de op zichzelf mooie kleuren hebben weinig te zeggen, als u daarin niet een mens ziet leven. Het opengeslagen boek, de kleine verontreiniging zeggen het u. Hier wordt geleefd. Er is een intimiteit geschapen, er is een verband gelegd tussen uw wezen en deze u verder misschien geheel vreemde omgeving. Ge voelt u er plotseling thuis, want daar ligt zichtbaar het teken, dat hier mensen leven. Het zijn kleinigheden. Er brandt een kaarsvlam en het zachte, flakkerende licht schept een sfeer van knusheid en geborgenheid.Ach, u hebt die kaarsvlam misschien zien branden op een altaar; of zij herinnert u aan de geheiligde ogenblikken, dat u als kind hebt gezongen bij een kerstboom. Toen was u veilig en geborgen, toen was het wonder u nabij. En de kaarsvlam herschept dit, brengt de intimiteit en de geborgenheid, waarin een mens voor een ogenblik vergeet dat hij hard en zakelijk moet zijn, of dat hij redelijk is. Het schept een zachtheid van begrip, waardoor eigen fouten en fouten van anderen voor een ogenblik onbelangrijk worden. En zo schept het sfeer.Wierook, brandende harsen, ze doortrekken met een nauw merkbare geur de kamers, de vertrekken, misschien de kerken, de tempelruimten. En uit die nauw merkbare geur vloeit iets naar u toe van bossen misschien, of van een heiligdom en u wordt er wat stil van. Het lijkt u plotseling, of de omgeving rijker en reiner is geworden en uw wezen stelt er zich op in.Suggestie misschien, maar dan een suggestie van buitengewone waarde, omdat in vele mensen precies dezelfde reactie wordt geschapen. Omdat in vele mensen precies hetzelfde denken ontstaat en daardoor een gelijkheid, een harmonie, die aanvaarding van hoge waarden mogelijk maakt. Denk niet dat deze dingen op zichzelf belangrijk zijn. De tempelzang van een koor of de haast lichtzinnige liederen van hen die Dionysus vereren en offeren aan Bacchus, zij kunnen evenzeer sfeer scheppen. Wanneer ze uit eenheid voortkomen, wanneer ze voortkomen uit een gezamenlijk denken en leven, wordt er een harmonie geschapen. En het is deze harmonie, die door het gezamenlijk streven van het innerlijk wezen naar een ander leven of een betere sfeer of hogere impuls bepaalt wat zich nu kan uiten.Het vormen van sfeer is belangrijk, en zeker ook het gesproken woord kan daartoe het zijne bijdragen. Soms klinkt alleen een tekst uit de Bijbel. Je bent ontroerd, er is een ademloze stilte gekomen, men absorbeert het woord. En het woord zelf is onbelangrijk, er ontstaat eenheid. En in die eenheid openbaart zich de Geest Gods. U wilt gezamenlijk een kracht oproepen. Er is een stilte, er is een verwachting. En in die verwachting krijgen wij de climax van woord na woord, namen die op zichzelf misschien zinloos schijnen, naar nu met een siddering andere werelden schijnen open te breken als met geweld. En er is kracht, er is een uitstorting van geestelijk vermogen en geestelijke werking. Dit werd mogelijk gemaakt door de eenheid, door de sfeer.Sfeer is belangrijk; en het scheppen van sfeer is een van de meest belangrijke taken, die een mens op zich kan nemen, wanneer hij het hogere zoekt. De sfeer, die u schept, is in feite het vormen van een geestelijke poort, waardoor ander licht kan binnentreden. Het is de openbaring van uzelf aan uzelf, maar ook aan een hoger weten. Het is de ontsluiting van uw hart en uw meest verborgen weten voor een ander licht; en wat in de schemer spookachtig leek, wordt nu helder en zuiver kenbaar, redelijk en logisch; en wat eens kostbaar scheen, valt misschien weg; afval, niet eens waard om verder te bewaren.
De mens heeft licht nodig. En omdat hij licht nodig heeft, is het noodzakelijk dat hij leert sfeer te scheppen. Dat hij leert uit zichzelf en anderen de onzichtbare banden van harmonie te doen samenvloeien tot het lichtend web, waarop de hoogste krachten iets van de eeuwige melodie der schepping kunnen spelen. Het is belangrijk dat uit de zilveren kracht van het eigen wezen de mogelijkheid wordt geboren het gouden licht van ongekende werelden in je wezen toe te laten en uit dit wezen hernieuwd te laten opgaan, nu dragend je zorgen en problemen tot het licht.
Het scheppen van sfeer, vrienden, is belangrijk. Belangrijker dan vele vragen. Belangrijker dan strijd en politiek en godsdienst. Want waar velen zijn vergaderd en éen zijn in denken en verwachting, één zijn in leven en streven -al is het voor een kort ogenblik ‑ daar kan zich de kracht van de kosmos ontladen. Helaas daar, waar mensen zich disharmonisch en elkaar verachtend tegenover elkander stellen, daar scheppen zij de zwarte verbindingen, de negatieve kracht, waarin de onbewuste demonie van duistere sferen zich openbaart.
Schep uw sfeer, vrienden, bewust en overlegd, zo u kunt. Schep een harmonie, waarin het hogere, het lichtende, de goddelijke Liefde zelf a.h.w. een rol speelt. Zo kunt u overbruggen wat nu nog een kloof zonder brug schijnt: de begrenzing van het leven. Zo kunt u komen tot de eenheid met het leven na de dood. En zo kan voor u werkelijk worden alles, wat eeuwig en tijdloos bestaat, zelfs in de gejaagdheid van een bestaan, dat door enkele jaren beperkt en begrensd is.
Leer sfeer te bouwen. Zoek een sfeer te scheppen van harmonie, van liefde, van licht, altijd weer. U zult uzelf ruimschoots beloond zien door het vele, dat zich uit andere werelden voor u zal openbaren en door de intensiteit van band en binding, die u kunt verkrijgen met uw eigen wereld en het begrip dat u zult vinden voor uw eigen wezen.

Inkeer

“Keer in!” zo roept men mij, maar Ik weet niet waar mij heen te wenden.
Hoe ik ook keer en wend, ik vind de inkeer niet tot ‘t ‘ik’, die ik zozeer begeer.
Want zoek ik wel mijzelf en keer ik tot mijzelf in, zo blijkt mij, dat mijn eigenmin het mij onmogelijk maakt om in het ‘ik’ ook dat te zien wat mens of kosmos laakt.
0, ‘k keer wel in tot eigen huis
en ‘k keer het vuil misschien eruit.
Maar telkenmale als ik kom tot een besluit om voort te gaan,
dan is daar weer mijn eigen sfeer,
mijn wereld. en mijn waan.
En ‘k leg mij er bij neer.
En zegt men mij dan: “Keer toch in,” dan zeg ik: “een volgende keer.”
Maar als je de inkeer niet beseft,
als iets wat je zelf doet,
maar eerder in wil zien als kracht, die leeft
in adem, aura en je bloed,
dan rijst in het ‘ik’ als een stijgende gloed
de waarheid, die uit ‘t ‘ik’ geopenbaard ‑
je aanstaart en je dwingt de dingen anders te
zien, anders te zingen je zang van het leven
en anders te streven, te geven méér,
te zijn veel meer.
Dan zie je in jezelf, gehouwen uit leed
om wat je nog niet bent: een beeld.
Je weet: dit moet ik zijn.
Verdeeld ben ik nog in mijzelf.
Maar hier is het doel en de werkelijkheid.
Zo werd ik geschapen voor de eeuwigheid.
Zo moet ik voortgaan tot de laatste dag.
En dan zeg je, terneergeslagen:
“Al wat ik kan, wat ik vermag,
zal ‘k doen om eens dit beeld niet slechts als beeld
maar als belichaming voor ‘t ‘ik’ te dragen
en zo te treden in de wereld, voor mij bedoeld.
Ik stel mij geen vragen. Ik vráág niet meer.
‘k Erken in mij de lichte Kracht.
‘k Erken, hoe in mij wordt volbracht
een werk zo groot, dat ik het niet kan overzien.
Ik vraag niet meer, ik dien!
En in het dienen ‑ met de Kracht,
die mij voert, uiteindelijk misschien vertrouwd
wordt uit mijn wezen ‘t ware ‘ik’,
het beeld van eeuwigheid en zijn,
voor mijnen Schepper opgebouwd;
en zie ik eens de ware lijn
van tijdloos, eeuwig leven.

Ik zou zeggen: Dat kunt u dan nog wenden en keren, zo u wilt, maar waar u zich ook wendt, alleen wanneer u zich wendt tot die innerlijke kracht en het beeld dat, ondanks uw innerlijke verdeeldheid in u bestaat, zult u uzelf leren kennen. Niet als wat u nu bent, want dat is onmogelijk, maar als wat u zijn moet en worden kunt.
Dit beseffen, daarheen streven, dat is de zin van inkeer en doet ons inkeren tot de werkelijkheid, die men wel het Vaderhuis noemt. Gods rijk, de kosmische Werkelijkheid, die rond ons allen bestaat en die wij zeker te enigerlei tijd voor ons ook werkelijk zullen winnen.