Bewustwording, de kern van alles

21 februari 1960

Het is altijd moeilijk om de kern van de zaak met een paar woorden aan te duiden. En toch geloof ik, dat de kern van de zaak voor ons allen steeds weer dezelfde is. Het is eigenlijk de kern van het leven, de kern van onze bijeenkomst, de kern van alles, wat er gebeurt. We zouden het bewustwording kunnen noemen. Maar bewustwording is een groot woord waar iedereen zo het zijne in kan lezen. Wil je het nauwkeuriger definiëren, dan zou je kunnen zeggen: het doormaken van datgene, wat voor ieder noodzakelijk is om verder te komen.

Maar ook dat is voor menige interpretatie vatbaar. U moet mij dan ook niet kwalijk nemen dat ik mijn onderwerp voor vandaag niet samenvat in een korte titel. Ik wil alleen een paar punten naar voren brengen, een paar lessen die in de loop der eeuwen gegeven zijn en ik zou deze graag willen aanvullen met een paar lesjes, die wij in onze sferen krijgen en die op aarde zo hier en daar misschien wel bekend zijn, maar zelden op deze wijze worden uitgewerkt.

Wij stellen natuurlijk als middelpunt van alle dingen het begrip “leven”. Wat is leven? Ja, stoffelijk verstaan wij onder leven: een organische werking, welke het mogelijk maakt zich t.o.v. het omringende en niet-levende in stand te houden, terwijl door groeiprocessen een zeer eigen karakter blijft uitgedrukt in elke vergroting van het wezen.

Dat klinkt erg mooi, maar ik geloof toch dat het voor ons nog iets anders is. In de geheime leren vinden we ook verschillende definities van leven, waarvan ik er twee of drie naar voren wil brengen. Er is bv. een groep, die stelt: “Leven wil zeggen: denken en ervaren.” Daarmede kan men het ten dele eens zijn.

Een andere groep stelt: “Leven is het erkennen van het verschil tussen ons en het oneindige.” Daarmede kom ik al wat dichter bij wat voor mij belangrijk is. Als je bij ons komt, geeft men ook een definitie van leven. Dan zegt men: “Leven is een bewustzijn, waardoor men in relatie kan treden met datgene, wat rond ons als reëel of niet reëel verschijnsel optreedt.” U kunt niet leven, zonder dat u contact hebt met andere dingen. In de stof bestaat dit uit een reeks van – laat ons zeggen – wel zeer enge contacten. Een mens kan bv. niet leven, zonder dat hij andere organische producten tot zich neemt. Uw boterham, uw biefstukje, enz. of wat u verder prefereert, het is alles leven of levend geweest. U bestaat dank zij het feit, dat u ander leven tot u neemt. Wanneer u dit regelmatig zou doen, zou u zelfs niet van een bewust leven kunnen spreken, tenzij u zich ook realiseert wat voor anderen de betekenis van dit assimilatieproces is.

Geestelijk gezien geloof ik, dat dit precies ook zo is. Wij kunnen niet als geest leven, zonder een voortdurend contact met andere geesten. Soms druk je dit stoffelijk uit: soms blijft dit – zeker in de sferen – alleen in een voortdurende uitwisseling van gedachten bestaan. Maar het contact met die anderen heb je nodig. Een mens, die helemaal alleen zou zijn, zou misschien nog wel leven volgens de meest abstracte opvatting daarvan, maar hij zou zich van het leven niet meer bewust worden. Hij zou in de duistere ruimte staan. Hij zou niet weten en niet ervaren. De gedachten, die in hem leven, zouden hem al heel snel verlaten tot er ten slotte slechts een dof bestaan overblijft, dat geen werkelijk leven meer genoemd mag worden.

Wanneer wij leven, heeft dat leven bovendien nog een doel. Stoffelijk gezien zegt men veelal: Doel van het leven is de instandhouding van het wezen. Geestelijk wordt het een beetje duidelijker. In enkele geheime leren wordt dat leven op een andere manier omschreven, bv.: “Leven is het vergaren van bewustzijn, waardoor de persoonlijkheid nader wordt omschreven en zichzelf leert kennen.” In een meer abstracte zin bij mystieke scholingen: “Het hele leven is slechts een poging te erkennen, welke plaats we in de schepping innemen en in overeenstemming met het wezen van de Schepper deze plaats voortdurend te bekleden.”

Bij ons en in onze wereld vallen er weer veel van die verschilpunten weg en dan krijgt men dit te horen: “Het doel van het leven is: te zijn en daarvan bewust te zijn, n.l. bewust deel te zijn van het grotere leven, waaruit u voortkomt.”

Op die manier krijg je zo langzaam maar zeker een indruk van sfeer tot sfeer, van wereld tot wereld, wat nu eigenlijk het leven betekent. In het begin doet het heel eigenaardig aan dat – ofschoon het leven voor jezelf een permanente waarde lijkt – de betekenis daarvan in elke wereld verandert. Men zou zelfs kunnen zeggen, dat de tijd een voortdurende variant betekent van de waarde van het leven, zodat wij wat vandaag goed is, morgen als kwaad kunnen zien: en omgekeerd, datgene wat heden toegelaten is, morgen als verboden moeten beschouwen, datgene wat ons thans gezondheid en vreugde geeft, morgen moeten zien als iets, wat absoluut niet meer houdbaar is. Ik zal dit met een eenvoudig voorbeeld verduidelijken, dan begrijpt u wat ermee bedoeld wordt.

Als je 20 bent, dan is voetballen een heerlijke sport: als je 60 bent is het een inspanning en bovendien over het algemeen schadelijk voor je gezondheid. Het ligt er maar aan, hoe je de zaak bekijkt. Deze vaststellingen wil ik nu nemen als een basis voor een klein betoogje.

Wanneer je op aarde en in de geest leeft, dan kom je op een gegeven ogenblik tegenover het lijden te staan. Dat lijden kun je natuurlijk verwerpen of je kunt het aanvaarden. Maar je kunt er niet aan ontkomen. Het verwerpen van lijden wil alleen zeggen, dat je het wilt doen voorkomen, alsof het er niet is. Het wil niet zeggen, dat je het niet ondergaat. Het aanvaarden van het lijden wil zeggen, dat je het accepteert, maar het maakt het daarom niet meer of minder erg. De zin van deze dingen moet dus niet zijn gelegen in de geaardheid van het lijden zelf, maar in de wijze, waarop wij er tegenover staan. Deze kan slechts juist zijn, indien wij het lijden zien als een uitdrukking van kosmische verhoudingen.

In een aardse geheimschool werd geleerd: “Alle lijden is het resultaat van een onjuiste houding t.o.v. de kosmos.” Bij ons denkt men daar iets minder moeilijk over. Want het is niet prettig, als men te horen krijgt dat al het lijden dat men ondergaat het resultaat is van eigen fouten. Want dit zou die geheimschool in feite willen zeggen.

Bij ons wordt het zo gesteld: “Lijden wil zeggen: de innerlijke weerstanden overwinnen, die ons afhouden van hetgeen wij noodzakelijk moeten bereiken, n.l. God.” De overwinning van die weerstanden brengt met zich mee, dat men dikwijls zichzelf dreigt te vernietigen. Deze vernietiging kan echter nooit de kern van het bestaan raken, maar slechts de uiterlijkheden, die daarmee zijn verbonden. Kan men het lijden aanvaarden en overwinnen, dan komt men daardoor vanzelf tot een hoger punt van bewustzijn en tot intens geluk en grotere vrede. Want elk overwinnen van lijden door het a.h.w. te maken tot een actief en positief deel van eigen bewustwording betekent dat God dichterbij is.

Er is hier een leuke leer op aarde, die zegt: “Alle lijden is een bron van vreugde.” Dat heeft tot misvattingen geleid. Vandaar dat u bv. in India bedelaars ziet, die zichzelf verminken door hun handen omhoog te houden en af te binden en meer dergelijke stommiteiten. Die hebben de leer gehoord maar haar niet begrepen. Niettemin is lijden toch een bron van vreugde. Wanneer ik helemaal niets heb te lijden, wanneer ik nooit weerstand moet overwinnen, wanneer ik nooit strijd heb, betekent dit dat ik nooit verder kom. Juist door de strijd, door het lijden dat ik onderga, is a.h.w. het keur op mijn wezen gezet. Daardoor wordt dat uitgedrukt op een nieuwe, een sterkere en betere wijze. Ja, en zo moet ik zeggen dat van ons standpunt lijden tot op zekere hoogte noodzakelijk is. En dat is natuurlijk weer een kwestie, welke naar een paradox voert, want als men dit geestelijk erkent, dan zou men lijden, wanneer men geen lijden zou kennen. Zodat de erkenning alleen al het lijden medebrengt, hetzij in een reële, hetzij in een meer psychische vorm. De werkelijkheid is in beide gevallen voor het “ik” aanwezig zolang het “ik”  iets heeft wat het moet ondergaan, wat het moet overwinnen, want dit betekent een innerlijke vooruitgang en een innerlijke bewustwording.

En dan zijn wij al heel dicht bij het punt, waar wij zeggen: Lijden en het doel van het leven zijn dikwijls identiek. Dikwijls, niet altijd.  Wanneer je in de sferen leeft en daarin dat geluk kent, wat voor ons allen bestaat, dan ben je niet zo geneigd dat lijden dermate au serieux te nemen. Heel vaak zegt de geest: “Lijden is een vergissing.” Ze vergeet één ding: dat ze zichzelf in zekere zin vrijwillig aan lijden onderwerpt en de bezwaren daarvan beschouwt als iets, dat vreugdig wordt gedragen, omdat het iets mogelijk maakt. Wanneer je leeft in een wereld van licht en van glans en je daalt af naar een lage wereld waar de zielen – neemt u mij niet kwalijk – als een soort stinkende engerlingen in het duister kruipen, dan is dat zeker geen vreugde. Het feit alleen dat je voor een ogenblik van het licht afstand moet doen om een ogenblik te “kunnen intreden en begrijpen wat er in die wereld is, dat is pijnlijk. Maar op de een of andere manier is dat een pijn, die je graag draagt. “Want,” zo zeg je “ik kan een ander daardoor helpen.” Het is a.h.w. een soort offer, waarbij je dus zelf lijdt ten bate van een ander en uit de hulp, die je aan die ander kunt geven, dan zoveel vreugde put, dat daardoor het lijden helemaal wordt opgeheven. Schijnbaar.

In vele gevallen zie je op aarde precies hetzelfde. Alleen de mens, die op aarde lijdt, beseft dat meestal niet. U kunt een gemakkelijk en prettig leventje leiden. Alles gaat zo gemoedelijk en prettig zijn gangetje. Iedereen is vriendelijk, je hebt geen tegenstand en je kunt zeggen: “Ik ben betrekkelijk gelukkig. Maar dan zul je ook nooit voor een ander intens iets betekenen. Je zult nooit werkelijk leven in de zin van leven in anderen. Wanneer je echter lijdt – onverschillig of dit een lichamelijk of geestelijk lijden is – dan zul je daardoor heel vaak een begrip voor anderen vinden. En dat begrip kan er toe leiden, dat je een grotere eenheid binnen de schepping ervaart. Het klinkt vreemd, als je dat zo zegt.

Iemand die ziek ligt, iemand die geestelijk gebukt gaat onder problemen, heeft dus in feite iets positiefs. Toch is dat waar, indien deze mens deze waarde voor zichzelf niet negatief gaat maken. Zolang in ons lijden een begrip, een medegevoel voor anderen blijft bestaan, zolang onze eigen problemen in het lijden op de tweede plaats komen en wij in de eerste plaats aan de ander denken, wordt er een soort offer gebracht, waardoor wij een kosmische wet vervullen en dus dichter bij God en Zijn eeuwigheid staan. Dat is een bewustwording, die zover kan gaan dat een vrijwillig gedragen lijden vaak voor de stofmens de sleutel is om het stoffelijk bestaan voor goed te verlaten en voor de geest vaak de stap, die je kunt doen om alle vorm en alle vormvoorstelling achter je te laten en daarvoor in de plaats iets te kennen van die oneindigheid, die God is, waar je eigenlijk geen uitdrukkingsmogelijkheid voor kunt vinden.

Nu rijst er natuurlijk weer een andere vraag. Want wanneer ik lijd en in dit lijden de band met anderen dreig te verliezen – want leven is gebaseerd op een voortdurende uitwisseling van gedachte-impulsen e.d. – zou je op een gegeven ogenblik door dat lijden zo geïsoleerd kunnen zijn, dat je met niemand meer in contact komt. Op het ogenblik dat het lijden contact met anderen niet meer mogelijk maakt, is het in zichzelf zinloos geworden en kan het – dat is een stelling, die wij in de geest en in de stof vele malen ervaren – door de enkele gedachte absoluut worden verworpen. Logisch. Op het ogenblik dat iets geen zin meer heeft, behoeft het niet te bestaan en kunnen wij het alleen in stand houden.

Lijden is in het leven niet het enige, dat er is, want u kent – en dat weten u en ook wij – zeer zeker vreugde. Vreugde, die in het “ik” wordt ervaren zonder meer, is waardeloos. Ook voor ons. Als wij ons verheugen over het feit, dat wij leven in een wereld van licht en glans en wij laten het daarbij, dan komen wij nooit een stap verder en dan heeft niemand iets aan ons bestaan, ook wijzelf niet. Pas als wij ontwaken tot de activiteiten van de vreugden, komen wij weer een stap verder.

Activiteiten van vreugden kunnen op verschillende manieren worden uitgedrukt. In de stof bestaan veel handelingen, welke daarvan een symbool zijn, als het geven van iets aan anderen en het gezamenlijk volbrengen van een bepaalde taak of een bepaald werk. Dit alles kan voortvloeien uit de vreugde en in zichzelf vreugde baren. In de geest is vreugde eigenlijk niets anders dan het erkennen van tegenstellingen en het genieten van de mogelijkheden, die je door je eigen toestand hebt in die tegenstellingen voor anderen ook weer vreugde te brengen.

Kort gezegd: Lijden heeft alleen zin in het leven, indien het een begrip voor dit lijden baart en zo de ontworsteling aan het lijden teweegbrengt. Vreugd heeft alleen dan zin, indien zij buiten het “ik” de vreugde opnieuw baart en zo een uitdrukking wordt van de Goddelijke harmonie ook in anderen. Het is betrekkelijk eenvoudig, zou ik zeggen: Maar wij moeten nu toch ook even aan de praktijk gaan denken. En die praktijk, vrienden, brengt nogal wat verschillende eigenaardigheden met zich mede. Want in de praktijk is het niet zo, dat we lijden en vreugde gaan beschouwen alleen uit het standpunt van “wat doen ze”, maar dat wij ze in de eerste plaats zelf ondergaan. En denkt u nu niet dat dit alleen voor de stofwereld geldt, want het geldt voor heel veel geestelijke werelden ook. Om praktisch te zijn moeten we dus uitgaan van het standpunt, dat lijden ons overvalt: dat vreugde ons meevoert en dat wij voor een deel onszelf zullen vergeten zowel in lijden als in vreugde. Bij ons is daarover vaak veel gesproken. De lessen, die wij in de geest hebben gekregen, moet ik nu aan het leven op aarde gaan aanpassen. Ik zal het proberen en ik hoop, dat u het duidelijk vindt.

In de eerste plaats het idee van de vreugde. Alle vreugde is een uitdrukking van bereiking. Een bereiking betekent een beweging van het “ik” in positieve zin. Zolang wij vooruitgaan, onverschillig op welk terrein, zullen wij de vreugde kennen. Deze vooruitgang is voor de mens in verschillende waarden uit te drukken, t.w. de vooruitgang in de beheersing van het “ik” en in de aanpassing van het “ik”. Deze vreugden vinden wij in een menselijke verbintenis als bv. een huwelijk. Wij vinden haar ook in vriendschap en zelfs tot op zekere hoogte in het zakenleven, Daarnaast kennen wij de vreugde van de arbeid, zonder dat de gevolgen daarvan onmiddellijk een ander schijnen te raken. Het vervaardigen van een kunstwerk, dat uit jezelf ontstaat, maar waarvan de vreugde ligt in de vormgeving van een gedachte, opdat ze voor een ander waarneembaar wordt.

Als wij werkelijk goed willen leven, geestelijk goed willen leven – onverschillig of het een sfeer of de aarde betreft – dan zullen wij de vreugden moeten zoeken. Wij zullen nooit de vreugden mogen afwijzen of terzijde stellen. Integendeel, ons leven moet zo vreugdig mogelijk verlopen. Stoffelijk kan dit tot misvattingen leiden. Al wat je werkelijk vreugde baart is iets, wat in jezelf geen enkel schuldbewustzijn achterlaat. Er mag geen enkel innerlijk verzet zijn tegen dat, wat vreugde geeft. Voor ons eigen bewustzijn moet het goed zijn, moet het aanvaardbaar zijn. Het behoeft niet afhankelijk te worden gesteld van stoffelijke wetten, van usances, van geldende mores. Deze zijn niet belangrijk. Belangrijk is echter wel, dat voor het “ik” de vreugde te allen tijde verantwoord is. Op het ogenblik dat het “ik” een deel van de vreugde betwijfelt of meent haar op een andere wijze te moeten interpreteren om te ontkomen aan een schuldbewustzijn, is deze vreugde voor ons niet meer zuiver en daardoor niet meer bruikbaar in de vooromschreven zin.

Lijden. Het lijden kent over het algemeen van buiten. Slechts zelden zullen wij onszelf lijden berokkenen, onszelf bewust een smart veroorzaken. Als wij ons het lijden bewust op de hals halen, dan zal daartegen over het algemeen een innerlijk verzet rijzen. Dit innerlijk verzet neemt een groot gedeelte van de waarde van het lijden weg, omdat het elk lijden gepaard doet gaan met een zelfbeschuldiging en een zekere spijt.

Het is de taak van de mens om vreugde te zoeken: hij mag het lijden niet zoeken. Wanneer het van buiten tot hem komt, dient hij het te aanvaarden. Lijden kan een bijproduct zijn van een streven, dat in zichzelf vreugde is. In een dergelijk geval is het lijden volledig aanvaardbaar, nuttig en in geestelijk opzicht zelfs krachtgevend, mits wij ons door het lijden zelf niet laten belemmeren datgene te volbrengen, wat ons vreugde schijnt te geven.

Alle lijden van buiten gekomen moet in positieve zin worden verwerkt. Op het ogenblik dat wij een lijden met innerlijk verzet ondergaan, heeft het geen waarde en geen betekenis. Als wij echter tot een redelijke overgave in staat zijn, welke zelfs nog niet eens volledig behoeft te zijn, zal dit lijden een voortdurende loutering betekenen. Het is een steeds verwerpen van die delen van het wezen, welke niet geheel tot het onze behoren. Zo kan dus de vreugde door het lijden evenzeer worden bereikt.

Men spreekt over het algemeen van de eeuwige vreugde, als men het over de hemel heeft. Laat ik hier allereerst vaststellen, dat er in de eeuwigheid noch vreugde noch lijden bestaan. De onevenwichtigheid van onze eigen persoonlijkheid en ons eigen wezen echter brengt voortdurend lijden en strijd als tegenstelling tot vreugde. Beide afwijkingen van de norm van het absolute evenwicht zijn voor ons noodzakelijk, omdat wij slechts door een voortdurende innerlijke verstoring van evenwicht nu te ener dan te andere zijde het bewustzijn van onze eigen persoonlijkheid en wezen kunnen uitbreiden.

Ik hoop dat ik duidelijk ben. Teruggebracht tot uw stoffelijk leven zou ik willen stellen: Tracht je steeds te realiseren wat de bron is van een vreugde, die ervaart. Tracht er verder steeds van bewust te zijn, welke vreugden het leven je biedt, zonder dat enig innerlijk verzet of schuldbewustzijn door die vreugde kan ontstaan. Zoek die vreugde, onderga die vreugde en maak haar tot een voortdurend deel van je bestaan. Op deze wijze vind je kracht, innerlijke kracht, veerkracht, levenskracht. Niet alleen dat een menselijk leven door die vreugde aanmerkelijk kan worden verlengd, maar ook het geestelijk leven wordt intenser, krijgt een veel groter contact, met de wereld en zal dus de beleving aanmerkelijk verstevigen en verbeteren.

Altijd weer als wij in moeilijkheden verkeren – en dat komt op aarde nogal eens voor – als wij toestanden beleven, waarin wij niet precies weten wat te doen, zullen wij ons moeten afvragen: welke oplossing geeft mij de meeste voldoening, de grootste innerlijke vreugde, zonder daarbij tegen de kern van mijn wezen en denken in te gaan? Kies in uw leven nooit de weg van het zware lijden, waaruit gij een zelfrechtvaardiging meent te kunnen putten. Dit lijden komt wel vanzelf, als het noodzakelijk is. Vreugde echter kunt ge voor uzelf aanvaarden of verwerpen. Leer die vreugde aanvaarden, zoek haar niet in het grote, zoek haar niet in het absurde. Zoek haar in de kleine dingen van alle dag. Tracht steeds sterker de vreugden te ervaren van al, wat je gewoonlijk doet. Probeer voor jezelf het hele leven licht te maken, zodat je eigenlijk voortdurend zou kunnen zingen. Zoek van alles de goede kant op.

Geloof mij, dit is belangrijk, vrienden. Het is niet alleen maar een praatje voor de vaak. Door u al of niet te houden aan hetgeen ik u nu heb gezegd, zal ofwel het leven voor u een zekere vreugde betekenen en goede geestelijke vruchten afwerpen, dan wel bar en nutteloos blijven. Een mens, die bang is voor de vreugden die hem zijn geschonken in alle sferen en werelden en daarvoor wegvlucht, ontkent het Goddelijke. Hij ontkent de waarheid van de wereld. Hij schept zichzelf een sombere waan, waarin eigen superioriteit gebruikt wordt als het enige middel om dat lijden nog enigszins te compenseren. Iemand, die alleen maar het lijden in deze wereld zoekt, hoort thuis in een gekkenhuis. Iemand, die alleen maar het lijden zoekt in onze wereld, verzinkt in het duister, in een moeras waaruit hij zich moeilijk kan ontworstelen, tenzij hij eerst leert zichzelf prijs te geven en zo de vreugde toch weer te aanvaarden. Dat is de feitelijke toestand.

En wat het lijden betreft, ik kan u ook heel goed vertellen wat u daarmee moet doen. Het lijden moet voor de mens altijd worden teruggebracht tot een minimum. Dat wil zeggen dat wanneer een lijden optreedt, waar u ook maar iets aan kunt doen, u inderdaad handelend zult moeten optreden. Dat wil zeggen dat wanneer bepaalde dingen voor u lijden veroorzaken, u in uzelf (dus psychisch) moet trachten vast te stellen wat daar tegenover staat. Alleen door voortdurend, zelfs ook in het lijden, te zoeken naar de beste en meest vreugdevolle kant, kun je het lijden dragelijk maken en het zo geheel verwerken, waardoor zijn gehele geestelijke inhoud en waarde ook je eigen wordt.

En nu kom ik aan het laatste punt van mijn betoog. Ik heb het voortdurend over vreugde en lijden gehad en in het begin wat over leven gesproken. Maar er bestaat natuurlijk ook dood. Wij hebben de dood tot nog toe buiten beschouwing gelaten, omdat wij weten dat dood geen blijvende en feitelijke toestand is. Ik wil er toch op wijzen, dat je op een gegeven ogenblik kunt sterven, kunt dood gaan, ongeacht het feit dat je stoffelijk blijft voortleven of geestelijk levend blijft. Sterven en dood zijn het resultaat van een innerlijke houding. Volgens bepaalde leringen zou zelfs in de stof beredeneerd kunnen worden, dat als de mens psychisch volledig evenwichtig zou zijn, de ontwikkeling van zijn lichaam eveneens volledig evenwichtig zou zijn, zodat hij niet zou verouderen en sterven. Dat gaat een beetje ver, hoewel het eigenlijk wel juist is. Bedenk echter, dat alles wat u doet om uzelf een deel van het leven of zelfs maar een deel van een waarheid te ontzeggen, een sterven is.

Het kan heel vaak gebeuren dat je dingen, waarvan je later zegt: “Dat had ik beter niet kunnen doen.” Als je dat eerlijk toegeeft en voor jezelf zuiver omschrijft wat het verkeerde erin was en hoe je het in den vervolge zult moeten doen om verantwoord te zijn tegenover jezelf, dan leef je absoluut en dan vind je er zelfs vreugde in. Want elke ervaring geeft je het idee: nu ben ik de problemen beter baas. Maar op het ogenblik dat je gaat zeggen: “Het was toch zo erg niet en ik zou toch  best ….. nu ja, goed, elke mens heeft zijn fouten,” dan sterft er iets in je. Hoe meer je iets voor jezelf vergoelijkt, hoe meer je voor jezelf de feiten tracht te ontkennen, hoe meer je sterft. En een mens, die alle feiten – geestelijke en stoffelijke – van de werkelijkheid terzijde stelt, is dood. Hij heeft geen enkel contact meer met het leven. Dat noemen wij de buitenste duisternis, de diepste hellesferen.

Dit zijn geen toestanden, die uit de Goddelijke wil voortkomen of die nu eenmaal inherent zijn aan de natuur van de mens of aan de kosmos. Het is doodgewoon een jezelf afsluiten. Een mens moet zonder uitzondering openstaan voor alle dingen. Hij moet daarin zijn eigen weg kiezen, zeker volgens zijn eigen bewustzijn. Maar hij mag nooit voor zichzelf eigen omstandigheden goedpraten of anderen beschuldigen, omdat ze toevallig niet in overeenstemming zijn met zijn eigen handelen, denken en leven. Misschien is het een zeer gevaarlijke stelling, als wij weer eens de opmerking maken dat er geen goed en geen kwaad is. Toch is dit waar uit God. Goed en kwaad zijn zeer relatieve waarden, die alleen voor onszelf bestaan en wel overeenkomstig ons bewustzijn en de wijze, waarop wij in de wereld bewust kunnen worden. Laten wij dit goed onthouden. Geen goed en geen kwaad voor anderen. Alleen goed en kwaad voor onszelf. Volbrengend het voor ons juiste, opdat de vreugde van het leven voor ons zo intens mogelijk en het lijden van de wereld voor ons zo draaglijk mogelijk zij. Dan ontkomen wij aan elke dood. En wanneer uw stoffelijk lichaam misschien zal sterven, weet u toch dat uw persoonlijkheid en het leven voortgaan met hetzelfde licht en dezelfde vreugde. Misschien met grotere mogelijkheden tot het verwerven van nieuwe vreugden en het erkennen van het lijden als een noodzakelijkheid en slechts ter verwerving van de vreugde.

Onthoudt u dit: elk offer heeft zin, zodra het voor het “ik”, hetzij via anderen, hetzij onmiddellijk vreugden baart. Maar een offer dat geen vreugden schenkt is zinloos. Elke handeling en elke daad, die bijdraagt tot vreugde, tot harmonie, tot geluk op de wereld, is een daad die onmiddellijk in geestelijke waarden kan worden uitgedrukt. Een daad, die de vreugde niet bevordert of deze ontkent, die noch voor het “ik” noch voor anderen enige betekenis van vreugde bezit, is een verloren daad, welke veelal ons alleen maar nieuw lijden op de hals haalt.

Veel verder wil ik er vandaag niet op ingaan, maar ik hoop dan toch wel dat u voor uzelf hierin iets kunt vinden. Het is niet plechtstatig. Ik kan het ook in een preek zeggen. Maar weet u wat ik vind van een preek? Bij een preek is meestal de enige vreugde, die eruit voortkomt, die van de spreker over de tonen, die hij produceert en voor de rest is het slaapverwekkend. Ik heb getracht dit te voorkomen. Het was mij een vreugde te spreken, maar het kan pas een werkelijke vreugde worden, als ik mij niet behoef te verwijten, dat u mij niet hebt kunnen of willen aanhoren.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Na alle beschouwingen over de vreugde en over de smart voel ik mijzelf eigenlijk zo iets als mosterd na de maaltijd. Aan de andere kant heeft ieder zo zijn eigen ervaringen. En nu mag ik misschien erg prozaïsch worden en u een paar voorbeelden van vreugde en leed bij mijzelf vertellen.

Toen ik leefde, had ik de gewoonte mij wel eens op te winden. Typisch, er zijn meer mensen die zichzelf regelmatig opwinden, dan mensen die dit geregeld hun uurwerken doen. En deze opwinding was mij soms wel een vreugde om te beginnen, want ik meende dat ik daardoor mijn persoonlijkheid nu eens echt goed naar voren bracht. Om u een voorbeeld te geven – ik geloof niet dat ik het wel eens verteld heb en is dit wel zo, vergeef het mij dan maar -. Ik was geneigd om met mijn echtgenote een minder vreedzame uitwisseling van woorden te plegen. Zij was een heel goede vrouw, maar bezat een redelijke woordenrijkdom en weinig begrip voor mijn behoefte om eens te gaan biljarten of naar de sociëteit te gaan. Wanneer dan een dergelijke aanval op mijn gemoedsrust word ontketend, placht ik mijn hoed te pakken, naar buiten te stormen en de deur met een buitengewone kracht achter mij te sluiten om mij vervolgens bij mijn vrienden te beklagen, hun zeggende dat ik mij toch niet door zo’n vrouw liet ringeloren en mij langzaam maar zeker te verheugen over het feit, dat ik de sterkere was gebleven.

Maar op een goede dag – ik had pas een mooie nieuwe strohoed, u weet wel met zo’n gestreept lint, een dure van 69 cent en had die op mijn hoofd geplant – maakte mijn gade enige opmerkingen omtrent nietsnutterij, welke mij bewogen tot een zeer stormachtig vertrek. Ik wierp de deur met een slag dicht en zonder direct onbehoorlijk te spreken, mompelde ik voor mij heen toch wel enkele woorden, die ik voor het gehoor van dames niet wens te herhalen. Ik keek helemaal niet uit en stapte daardoor met een van mijn voeten op een klein speelgoedtrekwagentje – toch nog altijd een ding van een vijf stuiver – waarmee een klein meisje aan het spelen was. Het gevolg was dat ik mijzelf onwillekeurig tot een zittende houding bracht en dit met een geweld tenminste evenredig aan de kracht, waarmee ik de deur achter mij had dichtgeslagen. Het ergste was, dat mijn hoofddeksel (69 cent) daarbij als een soort stootkussen onder mijn zitvlak belandde.

U lacht over het verhaal, dat kan ik mij voorstellen. Ik ben bang dat mijn zelfbeheersing mij toen voor een kort ogenblik heeft verlaten. Zeker ten vermake, maar ongetwijfeld niet ter leringe, van de jeugd. Ik ben toen stijf en met het gevoel ook innerlijk gewond te zijn, alsnog naar mijn sociëteit gegaan. Ik heb de kosten van het uiteen getrapte speelgoedwagentje betaald, een nieuwe hoed moeten kopen en mijn echtgenote een argument gegeven tegen mijn driftig vertrek, dat mij nog vele malen tot – laten wij zeggen – innerlijke beroering heeft gebracht.

U zult begrijpen, dat ik dit verhaal niet vertel om u een inzicht te geven in iets wat vroeger zo wel eens gebeurde maar om iets duidelijk te maken. Kijkt u eens, ik weet heel goed dat als ik mijn vrouw eens in haar kinnetje had geknepen – nu ja, kinnetje, het was meer een serie – en ik had gezegd: “Kom meid, ik ga eens even een eindje om. Misschien loop ik nog even bij de soos aan. Kan ik nog wat voor je doen?” dat ze daartegen heus niet zo sterk zou hebben geageerd. Maar ik vond mijzelf niet verplicht iets voor haar te doen, ze had toch ook een bediende in huis. Daar zat de eerste fout. Met andere woorden, ik begon al op het ogenblik, dat ik mij naar buiten begaf, de fout te maken eerst te kijken naar de strijd en niet naar de vraag: Ik ga mijzelf amuseren. Kan ik hier ook nog een beetje vreugde achterlaten? Daarvoor heb ik altijd de rekening moeten betalen. In het onderhavige geval in lichamelijk letsel en geld: maar in andere gevallen door het aanhoren van bedsermoenen van een ontstellend lange duur en dat zonder veel herhalingen. Ik had het dus anders kunnen doen.

Maar nu gaan wij verder. Wat gebeurde er. Ik kwam in een slecht humeur op de soos, dus dronk ik een beetje meer. En als ik dan een paar pintjes had gedronken, begon ik wel vrolijk te worden, maar deze vrolijkheid was zeker niet die, welke te mijnen huize werd gewaardeerd. Integendeel, zij gaf altijd aanleiding tot predicaties en enkele malen – zou ik willen zeggen – in de destructie van op zichzelf toch wel kostbare verbruiksgoederen. Zo was het begin verkeerd en daardoor de rest ook. Ik weet het nu en kan er rustig voor uitkomen. Als ik was begonnen er voor te zorgen, dat er voor mijn vrouw een klein pleziertje aan vast zat, al was het maar dat ik van de een of andere patissier voor haar een extra koekje had meegebracht, wat keurig verpakte chocolade of zelfs een enkele bloem, was dat heus niet zo duur geweest. Ik zou dan de huiselijke vreugde hebben gekend en veel plezier. Maar omdat ik van het standpunt uitging: wat wil ik nu en wat is voor mij leuk, zonder aan een ander te denken, was er altijd maar weer ruzie en strijd. Ik geef toe, een karakter als ik had, kan onaangenaam zijn. Niet alleen voor anderen maar ook voor jezelf.

Ik heb het zelfs een keer meegemaakt dat – u ziet dat de ontstellende verwording van de maatschappij in mijn tijd ook al aan de gang was – ik tegen een soort sjouwerman van de groentemarkt aanliep en deze man op mijn manier een licht verwijt maakte door te zeggen: “Kijk uit je ogen als er een heer aankomt.” Waarop deze kinkel ongetwijfeld meende, dat ik niet voldoende heer was om tot een dergelijke uitlating gerechtigd te zijn. De bloemkoolstronken veroorzaakten een zeer onaangename smet op mijn gewaad.

Ik haal dat nu zo maar aan. Had ik mijzelf wat meer bedwongen en wat meer gedacht aan het plezier van anderen, dan was mijn leven goedkoper en genoeglijker geweest. Om het in het moderne te zoeken: innerlijke vreugde en zelfbeheersing zijn zoiets als C&A. n.l.: toch voordeliger. En je zou eraan kunnen toevoegen, als wij ons toch wenden tot meer moderne toestanden, dat het geven van vreugde aan anderen, dan een andere firmanaam oproept n.l.: De Gruijter. Het geven van vreugde aan anderen betekent altijd voor jezelf goede waar en bovendien nog 10 %

Ik wil u hier niet te lang mee bezighouden, vrienden ik hoop alleen dat ik mijn betoog hiermede heb geïllustreerd. Dat ik u aan het verstand heb gebracht dat het erg belangrijk is, als je anderen vreugde kunt geven en dat u dat ook inderdaad moet doen. Dat het misschien nog belangrijker is dat je niet te veel aan jezelf denkt als het over vreugde gaat. Want als je in alles je eigen plezier zoekt en je eigen vreugde en je vergeet daarbij een ander, dan kun je er zeker van zijn, dat je alleen door dit vergeten van anderen je eigen vreugde terugbrengt tot een zeer geringe of zelfs tot iets negatiefs, tot een ergernis. Alleen het kleine beetje attentie, dat je voor de buitenwereld nodig hebt om anderen wat vreugde te geven, maakt eigen leven gelukkiger en geeft je bovendien nog de innerlijke voldoening, dat je ook voor een ander zo kwaad nog niet bent.