Bewustwording deel 1

28 oktober 1955

Wij weten niet alles; wij kunnen falen. Denkt u zelf na gebruik uw eigen verstand. Probeer, wanneer het u gelukt, om uit hetgeen wij zeggen, iets te vinden, dat uw eigen leven harmonischer, beter en mooier maakt. Ik ga dan nu aan het kluifje beginnen, dat ik met ware vreugde ook u voorzet. Wij hebben n.l. op het programma staan een reeks van beschouwinkjes en lezingen over bewustwording – en ook beschavingen natuurlijk erbij – in prehistorische tijden. Menigeen onder u zegt misschien: “Maar komen wij dan niet terecht op het gebied van de Bijbel? Adam en Eva, Kaïn en Abel en dan ineens Noë?”

In het bijbelverhaal – al is het dan vaak wat eenzijdig en zéér kort op dit gebied – het werkt nu eens met beeldspraak, dan weer met feiten – zit echter juist in die korte overgang “eerste mensen- zondvloed” een zeer uitgebreide en grote beschaving verborgen, die ten onderging.

Denk niet, dat ik u alleen wil gaan spreken over Atlantis. Het gaat veel verder. Allereerst zou ik willen wijzen op het feit, dat de mens niet altijd de “mens” is geweest in huidige vorm en kwaliteiten. Wij moeten ons wel degelijk realiseren, wanneer wij over de prehistorie spreken, dat “homo-sapiëns”, dus datgene, wat u op het ogenblik bent, alleen reeds in de soort “genii homo”, een stuk of 20 voorgangers heeft gehad. De eerste van die voorgangers waren zekerniet “mensen” volgens uw uiterlijke indruk en opvatting. Maar van binnen zaten daar ook al waarden, waardoor zij de voorvaderen van het mensdom konden worden.

Deze primitiefste onder de mensen hebben eigenlijk een plotselinge periode van ontwikkeling doorgemaakt. Er zijn er misschien onder u, die mijn lezingen wel eens gehoord hebben, o.a. over Lemurië. Ik zal daar kort een paar punten van aanstippen, zodat wij een begin hebben.

Ik heb toen de these geponeerd, dat de mens uit de zee is gekomen; daar krijgt u één van de volgende keren een meer technisch betoog over, hoe dat kon en waarom. Van mij moet u dat dan maar eventjes aannemen. De voorvaderen van de mens waren zeedieren, die langzaam door de omstandigheden op het vasteland gingen leven. Wat men Lemuren noemt, bv. als vroegste beschaving, dat zijn eigenlijk wezens, die nog moerasdieren zijn. Er zit veel van het

menselijke in, zeker. Zij bezitten klauwen, die al handachtig waren. Maar er is nog geen sprake van een reversibele duim. Zij hebben een hoofd, inderdaad. Maar dat ziet er wel een klein beetje anders uit dan het uwe. De schedel is anders gewelfd, is veel dikker. De kaak is anders en draagt een aantal naaldachtige tanden, terwijl er van kiezen nog heel weinig sprake is. U ziet dus, het waren rare wezens. Toch waren die wezens al zo ver, dat zij geleid konden worden door de geest. Nu moet u zich dat “geleid worden door de geest” in ’s hemelsnaam niet voorstellen als een soort dictatuur. Geloof mij, er bestaat een groepsbewustzijn, ook bij de mens en dus ook bij de Lemuren.

Dit groepsbewustzijn wordt zo sterk uitgedrukt, dat wij op een bepaald moment vaste conventies krijgen; zo vast, dat elk wezen zich daaraan onderwerpt zonder aarzeling. U kunt dat nog zien in de zalmtrek, de palingtrek, de trekvogels, noemt U ze maar op. Zij kennen hun vaste wegen, hun vaste verzamelplaatsen, hun vaste methoden van bewegen. Wij kunnen rustig zeggen, dat ook zij hun schablonen hebben, waarbinnen hun leven past. Zo’n schabloon van leven nu is de leiding van de geest. Een leidende geest geeft dus a.h.w. zijn impulsen aa het groepsbewustzijn. Hij tracht daardoor dit groepsbewustzijn zo te leiden en te beheersen, dat op de duur de individuen zelf ontvankelijk worden voor de invloed van de geest. Wanneer dat bereikt is, dan krijgen wij eigenlijk de paradijstoestand.

Dan wandelt de mens met God, beter gezegd is met zijn God. Want voor hem is die geest God. Dat is alles. Deze fase treedt dan op in de tweede helft van de Lemurische beschaving. Ik zeg “beschaving”. Er waren dorpen. Die hutten doen denken aan beverhutten, zoals zij die op hun dammen zetten. Hun altaren zijn niets andere dan trapvormige gebouwde kleihopen.

Daarbovenop is een platvorm, waar eventueel vuur brandt, terwijl op de lager gelegen bordessen daaromheen de priesters en priesteressen, de tovenaars eigenlijk van het volk, hun bezweringen zingen. Heel primitief, geen werkelijke, geen werkelijke muziek maar iets, dat er al heel dichtbij komt. Sommige dieren kennen dat ook.

Ik bedoel maar weer: U moet hier nog niet gaan zoeken naar een beschaving en cultuur in uw zin. Maar er is in deze wezens een bewustzijn, waardoor zij gemeenschappelijk komen tot een verering van hogere krachten die zij voor zich persoonlijk reeds als leiding en leider aanvaarden. Daar begint dan eigenlijk de geschiedenis van de menselijke beschaming.

Vóór die tijd hebben er ook wezens op aarde geleefd. Die zijn volkomen vreemd aan het menselijk ras. Hier hebben wij de eerst onbewust denkende wezens, die – later wordend tot woud- en steppendieren – de soort genus homo onder hun nakomelingschap zullen tellen.

Zeker, nog meer. De apen ook. Tot zelfs de verschrikkelijke sneeuwman, als je het goed nagaat. Maar daar wordt dan nog niet aan gedacht.

Men vereert een God. Naarmate die God meer wordt vereerd en sterker wordt gezien als werkelijkheid, krijgt die God een persoonlijke relatie. Dat is een geestelijke leider, een geleidegeest. Bv. zoals Selenus een tijdlang geleidegeest is geweest voor een groep mensen.

Van hieruit gaan wij zien naar een verdere ontwikkeling. Wat gebeurt er? De veranderingen in de aarde er op de aarde brengen voor deze wezens de noodzaak mee in de eerste plaats om dichter het land in te trekken. In de tweede plaats moeten zij zich verdedigen tegen grote concurrenten. Dat weet de mens over het algemeen tegenwoordig niet zo goed, maar toen begonnen net de landdieren, de voorouders van het paard (leuke kleine dingetjes, kleiner dan menig schoothondje van tegenwoordig)? maar ook de hagedissen.

Nu moet u zich niet voorstellen, dat die toon al zo groot waren, denkt u niet aan de Sauriër, maar toch reeds gevaarlijk en vraatzuchtig. Het formaat van een kleine kaaiman, of een varaan, Deze wezens – de Lemuren – vragen een verdediging. Als verdediging beginnen zij – nu reeds meer op het land levende – zich te verdedigen; eerst alleen met een stok, een stuk hout, met een steen. Later meer en meer met speciaal daarvoor gebroken en geslepen houten werktuigen. Men leert het vuur, dat tot nog toe alleen door de natuur tot stand, werd gebracht en religieus in een tempelplatform werd bewaard, ook voor zichzelf te gebruiken. Nog steeds is er geen sprake van homo sapiens. Maar wel is er sprake van een soort mens, die reeds in verschillende rassen uiteenvalt. Elk dier rassen baseert zich nog steeds op het geloof van de Lemuren, de eerste God. Ieder interpreteert zijn God, zoals een ook tegenwoordig doet, naar eigen beeld en gelijkenis. Vandaar dat de verschillen in opvatting een hoe langer hoe zelfstandiger leven betekenen.

Om een voorbeeld te geven uit die tijden.

Er waren zulke intricate rituelen bij een huwelijk, zoveel formaliteiten, dat alleen daardoor al het aantal buiten de directe religieuze organisatie van de stam levenden steeds toenam. Hierdoor werd het persoonlijk handelen en denken sterk gestimuleerd.

In deze tijd leeft in het gebied van de Stille Oceaan een ras, dat ik maar liefst homo giganticus wil noemen, de reuzenmens. Hij doet wat denken aan de figuren van de oude reuzen. Hij torent niet omhoog, zodat hij boven een huis uitkomt, maar hij kan een lengte van drie, vier meter bereiken. Deze zijn de eersten- ook al door hun grotere lichaamskracht – die komen tot het gebruik van zeer, ruwe slingers, steenslingers en steenbijlen, in zeer primitieve vorm. Van hieruit gaat het betrekkelijk snel verder. Van de ruwe werktuigen, steen en hout, komt de mens al langzamerhand tot de ontdekking, dat bv. de z.g. donderstenen – ja, neem mij niet kwalijk, ik bedoel, die door de bliksem gemaakt worden, niet die anderen bruikbaar zijn, omdat die scherpe uitlopers hen geschikt maken. Men komt tot het vervaardigen van soms reeds zeer fijn afgewerkt benen gereedschap.

Men leert het splijten van steen door middel van vocht en houten wiggen. Kortom, die beschaving gaat aardig onderweg. Nu weet u, dan gaan de sterksten altijd de baas spelen. Dit is altijd in een primitieve gemeenschap het eerste verschijnsel. Wanneer er een baas is, die zich op zijn kracht beroept, dan zien wij meestal heel gauw daartegen de concurrent opstaan.

Die concurrent, dat is een tovenaar. Die heeft ook krachten. Die zitten niet in zijn spieren. Die zitten in zijn toverwoorden, de geesten, die met hem gaan. Hij beheerst de natuur. Hij weet waar het vee weidt. Hij weet, waar jachtbuit te halen is. Hij weet, wanneer de vis komt, wanneer de zon verduisterd wordt. Hij weet, wanneer de wolken komen en gaan. Zo hebben wij dan het begin weer een beschaving, zelfs reeds vóór het paleolythicum. Zij hebben n.l. stamverband, godsdienst en machtspolitiek, Dat zijn van elke beschaving eigenlijk de grondslagen. Grondslagen overigens, die de geestelijke bewustwording wel zeer sterk bevorderen. Want juist hierdoor komt in de kudde het verzet vaak op.

Denkt u nu maar eens even aan een kudde, wat gebeurt daar? In het begin zie je, dat die dieren vechten om het leiderschap van de kudde. De jonge bokken meten zich met de oude leider en wanneer het afgelopen is, gaat de overwinnaar met de kudde strijken en de ander

wordt uitgestoten, Zo was het in het begin ook. Maar er komt iemand, die zegt; “Kijk eens, winnen kan ik niet. Aan de andere kant wil ik toch regeren. Ik wil toch zelf vrijheid in keuze hebben” Die neemt een paar van zijn soortgenoten bijeen en die grondvest een nieuwe stam buiten de stam. Dus alweer: afvallen van de stam, verwerpen van stamgebruiken. Daardoor wordt men echter gedwongen zich veel te realiseren, wat in je stam nog verborgen blijft. Het gaat met u ook zo. Zolang u hier in Nederland bent, gelooft u de dingen wel. Maar komt u in het buitenland, dan gaat u over Nederland nadenken.

Vooral, wanneer u daar lange tijd bent, u gaat vergelijkingen maken. u gaat zeggen: “Hoe kunnen wij dat nu het beste doen?” Ik neem direct aan, dat u veel van Holland houdt, maar toch, u moet vergelijken. U gaat zeggen; “Kijk, dat is nu toch eigenlijk niet zo goed. Daar heb ik nu altijd tegen opgespeeld en dat was wel goed.”

Zo zijn het steeds de uitgeworpenen a.h.w., die zich vrijmaken van delen van bijgeloof en die de machtspolitiek langzaam veranderen, totdat wij niet meer te maken hebben met enkele grote stammen, maar met groepen, die tezamen leven. Sommigen daarvan leven in de bossen. Anderen zien zich genoopt soms door de omstandigheden om meer naar de vlakte te gaan, – Vergeet niet, het boze in hun tijd zag er anders uit dan het Uwe. Dat betekent, dat voor degenen, die op de vlakte leven, de wisseling licht en donker, dag en nacht – de zon zagen zij toen niet al te veel – van heel groot belang werd. In het bos is altijd veel schaduw. Daar op die vlakten worden juist de perioden van halfduister belangrijk voor de jacht, voor verplaatsing enz. Overdag voedt men zich. Maar men trekt meestal tegen de avond. Overigens – voor degenen, die van Darwin houden -, van die stam komen uiteindelijk die apen af, waarvan, de mens zegt: “Het lijken net mensen”. Terwijl de aap waarschijnlijk in zijn kooi zit en denkt: “Als zij nu een beetje mooiere vacht hadden, zouden zij best een aap kunnen zijn”.

Nu komt er een tijd, dat dus de groepsgeest, de massageest, de kuddegeest zo gebroken is, dat een geleidegeest niet meer in staat is om alle impulsen van zo’n gemeenschap te leiden.

Wij zien dat allereerst, wanneer de paartijd begint te verschillen van groep tot groep, van stam tot stam. Wij zien het verder naar voren komen, wanneer de religieuze gebruiken gaan verschillen, wanneer de jachtmethoden veranderen. Om …… nu ja, veel tijd heb ik wel niet, maar om een klein voorbeeld te geven dan toch.

In de tijd, dat men al jaagde op de holentijger en de holenbeer, dus al heel wat later, toen zagen wij die eigenaardige verschillen in jachtmethoden, die kenmerkend zijn, ook voor deze eerste methoden. Ik neem twee methoden; De eerste noem ik methodes stam A; de andere stam B. Stam A ging uit van het feit, dat het dier ten allen tijde weer zijn leger, zijn hol opzoekt. Nu werd bij beren dat hol een grote muur opgestapeld van losse rotsblokken en stenen.

Wanneer het dier naar binnen ging, dan gooide men deze rotsblokken naar beneden en hoopte dan, dat het dier ernstig gekwetst zou zijn. Wilde het uitbreken, dan werd het zoveel mogelijk met rotsen en stenen bekogeld en wanneer het dier dan voldoende verzwakt was door bloedverlies, dan probeerde men door het werpen van aangepunte houten spiezen het dier te doden. Dat is methode A. Groep B begon op ongeveer dezelfde manier. Maar i.p.v. een muur te bouwen, ging men met zo’n jachtgroep, die tien, twaalf, soms zelfs veertig man sterk, een zo groot mogelijke steen in wankel evenwicht brengen, Men liet deze vallen op het moment, dat men meende, dat men de kop van het binnengaande dier zou kunnen raken, of wel daarvoor. Men gooide dus liever te vroeg dan te laat. Dan had men aan de andere kant een omsingelende beweging gemaakt, dus men had geprobeerd te vinden, waar men achterdochtig zou maken en vandaar begon onmiddellijk het aanvallen; ook weer hoofdzakelijk met steenslingers; kleine stenen, die geslingerd worden, zoals in David’s tijd de herders nog deden. Daarnaast ook al weer spiezen.

Maar die worden niet gebruikt als werptuig. Die worden schuin neergezet. Wanneer het dier dan niet gewond is, of dol van woede is, probeert men het door vluchten te lokken, zodat het zichzelf op die spiezen gooit.

Twee verschillende methoden. De grondslag is oorspronkelijk natuurlijk hetzelfde geweest. Dat zien wij bij al die primitieve groepen over heel de wereld. Je kunt niet zeggen; dit ras is anders dan dat ras. Zij hebben zich uiterlijk anders ontwikkeld. De grondslag blijft gelijk. Langzaam veranderen de uiterlijke vormen.

Ik zou natuurlijk hier een hele reeks van citaten kunnen gaan aanhalen uit deze primitieve tijden, Maar ik wil het niet doen. Ik wil u alleen een stukje primitieve filosofie een ogenblikje verklaren. Men ging uit van het standpunt, dat het beeld de geest weergeeft. Men zei dus:  “Een mens is een soort geestelijke kracht”. Zij hadden er andere woorden voor, maar daar kwam het op neer. “Wanneer ik de vorm van een mens zie, dan kan daar ook de geest van een mens inzitten. De geest van de mens spreekt tot de mens. Wanneer wij dus iets willen hebben, of het nu groente is, of dat het een dier is, dan gaan wij zo goed mogelijk daarvan een vorm maken. Die vorm geeft uiting aan de eigenschappen van de geest, die er in leeft.

Dus zal die geest ook in die vorm komen. Nu moeten wij tegen die tijdelijk in een onbeweeglijke vorm vastgebonden geest erg vriendelijk zijn. Dan zal die geest door zijn contact met de andere geesten ons vertellen, waar wij zijn soortgenoten kunnen vinden”.

Hier is dus eigenlijk sprake van een bewustzijn van een Alziel, zij het dan, dat die Alziel van ras tot ras wordt beschouwd. Men gelooft hier aan groepsgeesten. Men gelooft verder aan een sterke onderlinge band in elk ras afzonderlijk. Nu gaat die bewustwording natuurlijk al heel gauw verder. Wij komen al in een begin van een stenen tijdperk.

Zo’n stenen tijdperk betekent, dat men oorspronkelijke gevonden schilfers en mooie stenen gebruikte voor een bepaald doel. Al heel gauw ging men zo’n steen geschikt maken. Uit de tijden, waaruit u nog wat kunt vinden bv. – denk maar eens aan een vuistbijl, eensteelbijl -, kun je zien, dat heel voorzichtig zo’n steen is gekloofd en gespleten en geschuurd, totdat hij dan scherpe kant heeft. Geloof mij, daar kun je vandaag aan de dag nog bomen mee vellen.

Later hecht men zo’n soort vuistbijl, die wat langer is uitgevallen dan normaal, in een gespleten stok. Dan krijgen wij de steelbijl. Later zien wij, dat er hamers en knotsen worden gemaakt, allemaal van steen. Maar de één is daar niet zo handig mee dan de ander. En vreemd genoeg zien wij industrieën ontstaan. Er zijn stammen, die vlak in de buurt wonen van plekken, waar je werkelijk mooie stenen hebt en die blijven daar een hele tijd in die buurt jagen. Kom je tegenwoordig op zo’n plaats, dan zou je dat allemaal na kunnen graven en dan zou je ook zien, dat je steeds weer plekken vindt vol met steenschilfers. Als je dan goed kijkt, merk je, daar hebben zij steenmesjes gemaakt. De scherpe scherven, waar je mee kunt snijden. Er zijn ook wel andere dingen gemaakt, maar die vindt je niet terug. De stam had er helemaal geen belang bij om die goedkope mesjes, die al heel gauw beschadigd waren bovendien, te fabriceren en mee te slepen. Maar wat deden zij wel? Zij maakten bijzondere stenen werktuigen en die werden verhandeld. Zo was er in die heel vroege tijd al handel.

Ruilhandel, zeker. Maar een handel, die contact bracht tussen verschillende stammen, die ondertussen al heel verschillende gebruiken, denkwijzen, legenden en Godsopvattingen hadden ontwikkeld. Godsopvattingen in primitieve vorm, hoor. Heel vaak fetisjistisch.

Nu kan door een uitwisseling van gedachten zo’n koopmansstam op de duur een beter inzicht krijgen in een gemiddelde, dat overal wel geldt, dan ieder ander, die in zijn eigen stam zit.

Vandaar, dat het de handelsvolken zijn, meestal kleine stammen, die hooguit 100 man tellen in de betere tijd en wanneer het weer slecht wordt, zoveel leden verliezen, dat er uiteindelijk 5, 6 a 7 overblijven. Dat is tegenwoordig in sommige Eskimodorpen wel gebeurd, ofschoon men het ook daar tegenwoordig heeft getracht te voorkomen. Die stammen zijn het, die net hun Godsbegrip o.a. de reuzenmensen bereikt hebben. De reuzenmensen, die intussen al aardig aan het afzakken zijn. Zij hebben n.l. geen verstand, dat aangemeten is aan hun grote gestalte. Aan de andere kant hebben zij toch wel weer zeer eigenaardige opvattingen. Zij zijn Maan-aanbidders bv. Vandaar, dat in de gebieden, waar zij geleefd hebben, ook nu soms nog wel eigenaardige bouwwerken te zien zijn, die hun vroegere maanvijvers waren. Cirkelvormige rijen stenen met daarin een verdieping. In die verdieping, die uitholling, werd water geworpen en daar moest de maan zich in weerspiegelen. Dan gooide men er een paar aardige vraatzuchtige beestjes in, die dan voor “mond van de maan” doorgingen. Dan maar offeren!

Die reuzenvolkeren zijn o.a. voor de ontwikkeling van het Paaseiland aansprakelijk. Daar heb ik ook al eens uitvoerig over gesproken. Zij, de handelsstammen, vertellen over vreemde volkeren. Ondertussen ondergaat het aardklimaat de ene schokkende verandering na de andere. Een ijstijd zou voor u, moderne mensheid, lang niet zoveel betekenen als voor primitieven. Elke ijstijdperiode – en er zijn er een aardig stelletje – brengt, wanneer hij komt, sprongmutaties teweeg bij de menselijke rassen, die er het sterkst door getroffen worden. Die mutaties gaan niet alleen hun stoffelijk wezen aan. Zij gaan bv. veel groter worden. De mensen, ook zelfs de eerste Atlanten waren zo groot als een tegenwoordige Bosjesman. De restvolken van het laatste van Atlantis, dat waren de kleine Kelten. Niet de grote Kelten, Maar de kleine Kelten, die zich ontwikkeld hebben door hun zwervend leven, zich steeds aangepast aan de omstandigheden en natuurinvloeden en een steeds groter ras voortgebracht hebben. U ziet, er zit een hele hoop aan vast aan dit onderwerp. Wat is eigenlijk: de kern van de zaak?

Het geloof aan een God in de wereld. Het geloof aan een voortbestaan, ergens in het geestenland. Het geloof aan wonderen, paranormale gaven, gebeurtenissen en krachten bestaat praktisch vanaf de eerste tijd der mensheid tot de periode, dat de eerste meer mechanische beschavingen hun intrede doen. Dat is de tijd, dat er sprake begint te komen van wagens, dat vuur vervoerd kan worden en men later reeds heel wat leert bv. over de loop der sterren enz. Maar in die vóórperiode, voor de Zondvloed zogezegd, ontwikkelt zich een beschaving, die veel primitiever is in menig opzicht.

U moet niet denken, dat Atlantis een motor kende. Men kende methoden om te vliegen.

Inderdaad. Men kende zelfs twee methoden. Eén pseudo-mechanische en één zuiver geestelijke. Men kende nog heel wat andere mogelijkheden. Men wist ook grote schepen te bouwen. Maar hun grote schepen waren ongeveer zo groot als een middelmatige prauw van tegenwoordig. Men denkt tegenwoordig zo graag aan dat oude Atlantis, als een rijk met heel grootse schepen, grootse paleizen. Dan denkt men bv. voor een paleis aan Versailles. Dan denken zij aan een als de “Queen Mary”. In de “Queen Mary” zou je een 20 vloten als die van Atlantis makkelijk kunnen opbergen in ruim één. Wat die paleizen betreft, ik vermoed, dat men 3/4 van de paleizen van Atlantis wel met een gunstig stapelen in de Sint Pieter te Rome zou kunnen onderbrengen. Dus laat u niet misleiden. Het was een andere beschaving dan de uwe. Een heel andere vorm. Maar een vorm, die voortbouwende op het fetisjisme van de ouden, op de vreemdsoortige Godsopvattingen van de oude mensheid moest komen tot een magische Godsverering. Deze magische Godsverering is – zij het dan via vele schijven – het erfdeel geworden van zelfs de mystici van uw eigen tijd, Atlantis is voorbij gegaan. De grote handelssteden, die in de buurt van het tegenwoordige Gibraltar en Cadiz liggen, zijn allang tot het rijk der legenden verwezen. Het Middellandse Zee-bekken is één groot bekken geworden i.p.v. twee. De binnenzee, die een de Sahara vruchtbaar maakte is allang verdampt en afgevoerd door ondergrondse stromen. De tijden zijn voorbij en veranderd. Maar de gedachtegang is voortgegaan. De erfenis van Atlantis. is het, die de mensen weer brengt tot het schilderen van hun magische beelden, zoals nu de primitieven nog maken in de Sahara, zowel als in Nieuw-Guinea.

Deze zijn het, die – kunstzinnig als zij waren in Atlantis – na de eerste ramp als erfdeel laten aan de vele verwilderde stammen de kunst om een dier met enkele lijnen schitterend te typeren. Zij zijn het, die de kunst van het mengen van plantaardige kleurstoffen hebben gegeven, die nog niet verloren is gegaan op de wereld.

Kijk, rijken gaan onder, rassen verdwijnen en blijft over en superieur uw eigen ras; mens. De tijd rolt verder en voor je het weet, zit je in een tijd van wolkenkrabbers en atoom-motoren.

Wat is eigenlijk dan het grote verschil? Het verschil is gelegen in de uiterlijke dingen, maar niet in de innerlijke. Zoals vroeger het “Tabu” van een stam ook vaak werd behouden door leden, die door omstandigheden nooit meer zo’n volk zouden terugzien; zoals elk volk zijn eigen interpretatie had van Goden en geesten, ofschoon uit alles van één punt uit oorspronkelijk is ontstaan, van één leidende geestelijke kracht, zo is het in Uw wereld, dat ieder bidt tot zijn God, roept over zijn waarheid, zijn vrijheid en zijn vrede. Al deze dingen zijn gekomen uit hetzelfde oerbeginsel. De mens jaagt geen holentijgers meer. Zijn slagveld is misschien de beurs of een bureau, of ergens diep in de mijnen. Maar die mens werkt daar ook nog met zijn zelfde bijgelovigheden, die hij uiterlijk ontkent. Die mens voelt zich nog even onverbrekelijk gebonden door het lot. Hoopt evenzeer als de ouden, dat een wonderdadige invloed hem plotseling in staat zal stellen het leven te veranderen. Ook al heette misschien in Indië eens die God: Fohi en heet hij tegenwoordig hier de 100.000.

Men hoopt op het lot, op bovennatuurlijke machten. Men acht zichzelf beter dan een ander. Men meent, dat het respect voor anderen, zwakte wordt, wanneer zij het “ik” niet onmiddellijk op de voorgrond plaatst. Men droomde vroeger over een doelmatiger bijl en een lans met een harde spits. Tegenwoordig droomt men van betere wapens.

Vroeger beperkte men de handel door roof, tegenwoordig door tarieven aan de grenzen. Er is wel wat veranderd. Wij zijn wat beschaafder. Maar qua bewustwording, wat is daar veranderd?

De mens, die op deze wereld geboren wordt in Uw tijd, beleeft nog veel van dezelfde omstandigheden van vroeger. Alleen het uiterlijk is anders. Het spel van de kinderen onder elkaar draagt vaak in zich dezelfde strijdlust en strijdvaardigheid, die de primitieve mens kende in de jungle. Zij houden zich aan hun onderlinge kleine afspraken en opvattingen, zoals de menselijke kudden, die voor het eerst leefde temidden van de steppen en langzaam groeit die mens verder.

De Goden en de stamgoden verdwijnen. Wat komt daarvoor in de plaats? Wel, uw wereld biedt bewustwording langs een technische, een wetenschappelijke weg. De mens van heden kan – indien hij dat wil – zo enorm veel leren omtrent de kwaliteiten en eigenschappen van de Schepping, dat een God hem ook verstandelijk aannemelijk wordt gemaakt. Wanneer een mens tegenwoordig; eerlijk en oprecht zoekt, dan vindt hij ergens de onverklaarbare en onzichtbare macht. Maar hij kan deze macht niet meer verwerpen, of omschrijven in zijn eigen vorm. Wie dat doet heeft niet goed gezocht. Die is eenzijdig. Vroeger kon dat niet. Het gehele verschil in bewustwording van de prehistorie en uw tijd kan in twee woorden worden gezegd: Vroeger geloofden zij, tegenwoordig trachten zij te geloven.

Het bewijs, dat deze tijd hen geeft, maakt het hen mogelijk om toch te geloven. Dat is een factor, die de mensheid van begin tot einde heeft samengebonden en samengehouden. Geloof!

De behoefte aan bovennatuurlijke steun. De gedachte aan grote wijsheid. Wijsheid, niet van hen, maar geopenbaard, plotseling op de wereld gekomen. Wetten, die zo heilig zijn, dat niemand ze mag aantasten. Dat kent uw wereld en dat kende de oudheid. Zoals dat door een filosoof werd samengevoegd in een paar zinnen: Een mens, die geen God heeft, heeft zichzelf verloren. Maar een mens, die een God vindt, vindt een geloof en een vaderland. Hij vindt zichzelf en een taak in het leven. Of die God in een hemel woont of op de aarde, een God moet een mens hebben. Want God is het doel van al, wat er leeft. Ik geloof, dat ik daarmee een aardige inleiding heb gehouden over het onderwerp, waar het mij werkelijk een plezier zal zijn u met verschillende experts op dit gebied kennis te laten maken. Mensen, die u vertellen, hoe het eerste leven ontstond en wat daar de bewustzijnsverschijnselen waren. Degenen, die u vertellen, hoe het was, toen Atlantis onderging en de primitieven hun eerste gang begonnen over de vaste landen, zowel van Afrika als Amerika. Degenen misschien, die u iets kunnen zeggen over de oude wijsheid en de nieuwe wijsheid van hun standpunt uit.

Ik kan alleen maar zeggen: “Wat er ook geëvolueerd is en veranderd, het verlangen van de mens is hetzelfde gebleven. Omdat het verlangen van de mens hetzelfde is gebleven, zal zijn doel hetzelfde zijn. Ik voor mij kan dat doel niets anders zien dan: “GOD”. Daar laat ik het dan voor vandaag bij, hopende, dat ik u niet te zeer verveeld heb met het onderwerp. wanneer het niet goed is, dan hoor ik het nog wel. Als het wel goed is, gaan wij rustig in dezelfde stijl verder de volgende keer

o-o-o-o-o

  • Wij lezen en horen vaak over het Aquariustijdperk. Wilt u daar iets over vertellen?

Dat is inderdaad wel een erg actueel onderwerp. Het Aquariustijdperk is een periode, die – zoals u weet – wordt vergeleken met de indeling (sterrenbeelden), die nu eenmaal voor elke astroloog zo erg belangrijk zijn. Hoe komt het, dat deze sterrenbeelden dan die belangrijkheid hebben, zo zeer zelfs, dit wanneer een bepaald sterrenbeeld een tijdlang regeert, hierdoor een nieuwe tendens in ontwikkeling op de aarde verwacht kan worden? Want in de allereerste plaats; de zon beweegt zich mede in een grote spiraal langs de buitenkant van het Melkwegstelsel. Dat die snelheid zeer groot is, moet u geloven, want u merkt er zelf weinig van. Maar dat komt, omdat de afstanden zo enorm groot zijn.- Nu bevinden zich in het Melkwegstelsel, zowel als in de Ruimte daarbuiten bepaalde wolken primitieve materie. Deze primitieve materie wordt voortdurend geraakt door licht en wel in een bepaalde richting.

Daardoor worden kleinste delen, door lichtdruk versneld, voortgeschoten in de ruimte en wij vinden hier dan verschillende sporen van primitieve elementen. Wanneer zo’n element nu een zon bereikt bv., dan wordt daardoor het verbrandingsproces van die zon gewijzigd. Die wijziging kan soms zo erg zijn, dat een nova ontstaat, dat dus een plotselinge uitbarsting een heel zonnestelsel vernietigt. Het kan echter ook zijn, dat zij alleen op de eigen elektrostatische verhoudingen (in een zon is n.l. een zeer behoorlijke elektrostatische lading t.o.v. de omgeving) plus de magnetische wervelingen, die zich daarin voordoen, van invloed is.

Het verbrandingsproces verandert iets, wordt iets getemperd, iets gestimuleerd; hierdoor verandert de straling, die zo’n zon afgeeft. De reflex van de planeten verandert. De loop van hun banen kan zelfs lichtelijk veranderen. Het resultaat is, dat zo’n bepaalde stroom dus alles, wat er door komt in de eerste plaats een aparte – laat ik zeggen – bijsmaak verleent, een aparte geur, u weet wel, men kan lucht blazen door een ruimte, waarin parfum is. Komt het er aan de andere kant uit, dan ruikt men dat. Nu is dat natuurlijk niet iets, wat u ruiken kunt, het is kosmische straling in verband staande met bepaalde kosmische afvaldeeltjes zelfs, die aan de buitenkant van de atmosfeer van de aarde ook zijn. Maar in ieder geval alles bij elkaar is dit voldoende om een sterke indruk uit te oefenen op de organismen van de mens, dier en plant.

Wanneer zo’n periode begint heeft men berekend, staat er een sterrenbeeld zo en zo. Wij ontdekken, dat die invloeden periodiek voorkomen, naarmate de aarde zich rond de zon beweegt. Dus de stand t.o.v. de zon is mede bepalend voor wat er hier op aarde eigenlijk zo’n beetje gebeurt, welke invloed daar heerst. Nu heeft men gezegd; wanneer de zon zich gaat bewegen en in een bepaald deel komt, zodat dat overheersende invloed heeft, dan zal die invloed natuurlijk versterkt worden.

Wat ik u hier vertel over die kosmische stromingen, weet men misschien nog niet. Maar als ze een jaar of 4 5 gelegenheid hebben gehad om de omstandigheden aan de uiterste grens van de stratosfeer, of zelfs – zoals zij dat noemen – in de ruimte te onderzoeken, dan zullen wij wel ontdekken, dat dit heel aardig klopt.

Hierdoor is mens gekomen tot het nemen van sterrenbeelden. Die sterrengroeperingen betekenen dus eigenlijk richtingaanwijzers in de ruimte. Het is een plaatsbepaling in werkelijkheid. Uit die richting komt dat en dat. De sterrenbeelden zelf hebben er niets mee te doen. Dat men tegenwoordig Aquarius zegt, nu ja, dat komt, omdat deze manier van die richting aangeven nu op het ogenblik het meest populair is. De Chinezen hebben er een andere aanduiding voor. De oude Perzen hadden ook weer andere aanduidingen. In Griekenland had men weer een andere nomenclatuur. Ik bedoel: dat is maar een naam, dat Aquariustijdperk. U moet dus begrijpen: het gaat hier niet om een naam, of om een geest of een God, die daar invloed krijgt. Het is een toestand, die verandert, waarbij zon en aarde mee betrokken worden in een nieuwe werking.

De nieuwe werkingen hebben een invloed o.a. op lucht-elektriciteit; o.a. op vochtigheidsgehalte, aardtemperatuur, maar ook op het doordringen van kosmische straling en daarmee het ontstaan van varianten in genetische waarden, Ja, zelfs de evenwichten in de mens, zijn secreties, zijn haargroei, zijn lichaamsbouw ondergaat hiervan mede een invloed. U heeft mij gevraagd; wanneer begint dat Aquariustijdperk? Het Aquariustijdperk begint ongeveer over een jaar of tien, twaalf dan, volgens de meest geldende berekeningen. In feite

is de invloed van Aquarius reeds sterk toenemend in de laatste 100 jaar. Die periode kent nu nog de afnemende invloed dus van het vorige sterrenbeeld. Wij zitten a.h.w. tussen 2 punten in. Dat maakt het juist zo moeilijk. Twee gelijksoortige invloeden scheppen tegenstellingen. Die tegenstellingen openbaren zich in strijd, oorlog, onevenwichtigheden, rampen op de wereld enz. Het openbaart zich verder in een grotere intensiteit en periodiciteit van zonnevlekken en een aanmerkelijke verandering en vergroting van de corona van de zon bv. Die periode beleeft u op het ogenblik, maar het gaat wel weer de goede kant uit. In zo’n periode komen een aantal crisisjaren voor. Dat zijn de jaren, waarin de invloed van de één óf de ander bijzonder groot is. – De baan van de zon is niet volkomen recht en ook de aarde zelf draait excentrisch -. De invloed van één der dier beelden is dan bijzonder groot, maar het andere beeld is wassend in invloed. Dat gaat steeds toenemen met zijn drang. Het resultaat, dat zo’n jaar dan een korte terugval kan betekenen op oude waarden; daarna een strijd, om daar dan de nieuwe waarden weer enigszins te consolideren.

Maar pas wanneer zo’n andere stroom – laten wij zeggen, dat wij het voorstellen met een koolstof – en waterstof stroom. Wanneer de waterstofstroom helemaal uit de buurt is en de koolstof stroom overheerst (koolzuurstroom, noemt u maar een naam, ik geef het alleen maar een naampje? voor mijn part is het helium ) alles daardoor wordt gefilterd, dan is die tegenstrijdigheid weggevallen. Zolang die samenwerken is er strijd. Wanneer u mij vraagt; wat betekent dus het Aquariustijdperk, dan kunnen wij zeggen; het is een wijze van aanduiden, dat esoterisch en ook astrologisch een nieuwe fase van veranderingen op de wereld is aangebroken. Men kan dat precies astronomisch berekenen, hoeveel tijd men daar nodig heeft om er door te gaan. Dat kunt U nauwkeuriger in een boek vinden, dan dat ik het u vertellen kan. Ik kan u natuurlijk erop wijzen, dat er steeds weer tijdperken zijn van ongeveer een 1400, 1500 jaar, waarin men komt van bijna gelijk tot bijna gelijk punt historisch, waarna dan een nieuwe ontwikkeling begint, die hoger ligt, sterker georganiseerd is, a.h.w. glorierijker, voller is dan de vorige, maar die dan toch weer eindigt met een soortgelijke of iets hoger liggend eindpunt, u kunt dus zeggen: het is eigenlijk een brug, die zo gaat ( het medium beschrijft halve bogen met de punten naar beneden gericht ) maar steeds iets hoger.

Zo werkt langzaam maar zeker de mens zich toch wel tot een bepaalde hoogte op.

Het Aquariustijdperk is, of beter; de periode, die daarvoor staat, een tijd, waarin in de mens de geestelijke tendensen sterker boven komen. Zoals u weet, er zijn tijden, dat iedereen naar waarzeggers loopt, of naar de kerk gaat. Er zijn tijden, dat niemand aan een waarzegger gelooft en niemand haar de kerk gaat.

Zo’n periode dus, die primitief; gezien betekent “gaan naar de waarzegger en naar de kerk” is aangebroken. En wel zo, dat dit aspect het meest beïnvloede zal zijn en het meest beïnvloedende in de samenleving. Nu leert de ervaring ons, dat wij – gaan wij werkelijk aan die dingen geloven – of komen tot een cynisme, dat verwerpt, of – blijft de tendens aanhouden – zoeken naar een redelijke verklaring. Wij zoeken werkelijk naar een verklaring, die voor ons het mogelijk maakt, dit geheimzinnige, of occulte, of hoe u het noemen wilt, te benaderen. Dit is een kenteken van dit komende tijdperk. Het betekent dus, dat geestelijke belangen meer en meer worden gesteld boven stoffelijke.

U kunt er vandaag aan de dag al heel aardig wat uit zien. Vroeger werd de oorlog gevoerd om winst, hetzij economisch, of direct door het maken van buit. Tegenwoordig voert men oorlog om ideeën, om macht in de eerste plaats en komen de andere belangen steeds verder achterop. Waren ongeveer een 40 jaar geleden oorlogen nog een kwestie, waarbij munitiefabrikanten en wapenfabrikanten zeer sterk meespraken, tegenwoordig wordt er een zodanige winstbeteugeling toegepast, dat dergelijke fabrikanten geen reden meer hebben om oorlog te wensen. Zij willen veel liever een gewapende vrede. Dat is voor hen veel voordeliger.

Toch zijn er steeds weer oorlogen, is er steeds weer strijd. Reden: de mens gaat strijden voor andere dan direct stoffelijke voordelen. Nu komt er natuurlijk een periode, waarin ook de strijd als te materialistisch tijdelijk terzijde wordt gesteld. Dat duurt nog wel enige honderd jaren.

Rekenen wij zo’n tijdperk 2100 jaar, ik geloof, dat het 2272 is, dan krijgen wij natuurlijk een middenperiode, dat is een gouden tijdperk. Daarin is alle tegenstelling weggevaagd. Zodra wij weer wat verder naar de andere kant komen, krijgen wij weer reeds de nieuwe invloed, die sterker en sterker wordt, een hervorming en een omvorming teweeg brengt. Wat wij voor de wereld mogen verwachten hiervan, gezien de ogenblikkelijke toestand der dingen, moet ik enig voorbehoud in acht nemen. Er zijn nog enkele kritieke jaren te beleven, Volgend jaar, 1966, 1972. Wanneer men daar redelijk doorheen komt, dan voorzie ik een maatschappij, die in staat is alles ten volle te produceren, wat zij wenst, maar vanuit sterk gemechaniseerde levensidealen en levenswijze terug zal gaan naar de eenvoud, een zeer grote tijd voor geestelijke onderzoekingen, wetenschappelijke onderzoekingen terzijde zal stellen, grote resultaten zal kunnen bereiken op elk gebied van techniek en geneeskunde, maar dit alles steeds weer zal baseren op een wetenschappelijke filosofie en zo kan komen tot een kennis omtrent werelden en toestanden, die tot voor kort onmogelijk werden geacht. Een voorloper daarvan kunnen wij zien in bv. Einstein en verschillende van de andere grote denkers en mathematici, die op het ogenblik a.h.w. filosofisch redenerend, hun filosofieën omzettende in vormen en formules, die aangepast kunnen worden bij de werkelijkheid, berekeningen maken omtrent in hun gedachten ontstane denkbeelden, schijnbaar denkbeeldige toestanden, die doormiddel van de berekening een mogelijkheid tot realisering bieden. Dus een uitbreiding van het perceptievermogen van de mens. De omstandigheden lijken mij verder gunstig voor een aanmerkelijke vergroting van de hersencapaciteit van de mens en als resultaat daarvan waarschijnlijk bepaalde kleinere mutaties, waarbij ik aanneem, dat bv. telepathie sterker ontwikkeld zal worden, dat de reactiesnelheid van de mens aanmerkelijk nog zal worden verhoogd. Aan de andere kant daarentegen de lichaamsgroei volgens uw opvattingen wat minder mooi wordt. Ik zou haast zeggen; wat magerder, wat simpeler.

  • Dus ongeveer het Saturnustype?

Ja, een klein tikje zo. Er zit wel iets in. Wanneer wij dit dan goed overwegen, dan zien wij verder, dat geestelijke belangen op de voorgrond komen. Wij kunnen dus verwachten, dat – wanneer deze periode goed aan de gang is over ongeveer 4 a 500 jaar – de belangstelling voor de techniek, die in het begin een grote beschaving opbouwt, zal zakken. Men zal technisch ongeveer op gelijk peil blijven, langzaam verminderen. Maar aan de technische kwaliteiten van deze eeuwen en de daarop volgende voldoende hebben om nog een lange periode van rust, van vrede, zonder veel voor- of achteruitgang op stoffelijk gebied, te handhaven. Op de duur zal een stoffelijke verarming optreden, waar alle interesse voor het geestelijke langzaam maar zeker betekent; armoede in het stoffelijke. In die periode zal weer een verzet komen. De eersten, die zich weer tot het materialisme wenden, zijn degenen van het volgende tijdperk.

Dit tijdperk houdt in, dat degene, die in of voor deze periode een geestelijke rijpheid bereikt hebben, dat i.v.m. karma- of reïncarnatietheorie, niet meer op deze aarde zullen terugkeren.

Het is dus de beëindiging tevens van de levenscyclus voor zeer velen, die men dan “oude geesten” noemt. Dat zijn degenen, die zijn blijven zitten in de school van het leven dus. Ja, dan geloof ik, dat ik eigenlijk zo’n beetje alles er over heb gezegd. Maar als u over dit onderwerp vragen wilt stellen wil ik u met alle genoegen nog verder te woord staan.

  • U had het over verandering van het genus in deze tijd. Kunt u een vergelijking trekken tussen het genus van de vorige tijd en van het a.s. Aquariustijdperk?

Het voortijdperk richtte zich niet zozeer op de materie, als wel op de persoonlijkheid. D.w.z., dat persoonlijke kracht, persoonlijke moed en zo, zeer sterk bepalend waren voor de waarderingen in de wereld en meer golden dan goederen. Zo zal in de toekomst geestelijke grootheid veel belangrijker zijn dan iets anders. Vroeger was de bouw van de mens, het uiterlijk van de mens, het vertoon, dat hij maakte, van het allergrootste belang voor zijn plaats in de maatschappij. Deze waarden zullen in de Aquariusperiode betekenen; een verwijdering van de gemeenschap. Een ieder, die uiterlijk vertoon maakt, zal worden geminacht. De zenuwen van de vroegere mensen en dat kunnen zij zelfs nog zeggen in het Romeinse tijdperk – wij hoeven niet eens zo ver terug te gaan – waren wel zeer grof. Deze grofheid vinden wij in mindere mate bv. weer in 1500 ongeveer.

Op het ogenblik is het zenuwstelsel van de mens weer gevoeliger en fijner geworden – zij het dan ook, dat het gedeeltelijk verdoofd wordt door overbelasting -.

Het Aquariustijdperk ziet een nog veel verfijnder zenuwstelsel, met groter gevoel nog voor pijn, maar ook een scherper perceptie en daardoor grotere vreugde. Een veel sterker emotioneel type, dat echter redelijk en daardoor beheerster is dan heden ten dage en zeker beheerster dan vroeger. Dan; vroeger waren de fantasie, het voorstellingsvermogen zeer grote waarden in de wereld. Zij fantaseerden er op los, vaak zonder enige reden bv. Een ridder ging op stap. Hij liep toevallig tegen een schaap aan. Het beest viel om. Dan vertelde hij, dat hij een tovenaar had verslagen, die hem in een schaapsvacht tegemoet gesprongen kwam. Dat soort dingen werd vroeger geaccepteerd, dat werd tamelijk redelijk aanvaard, daar geloofde men wat in. Men maakte dus gebruik van deze fantasieën om soms tot aanzien te komen.

Dergelijke dingen zullen weer voorkomen in het Aquariustijdperk, met één verschil. Dat het nu niet meer zal gaan om een fictieve waarde, die het schaap precies op de weg van de ridder doet komen, maar het gaat om een kosmische waarde, die deze twee wezens op dat moment samenbrengt. Ook hier zal men vooral in het begin zeer veel verhalen zien van een zuiver speculatief karakter. Verder overeenkomst tussen de oude tijd – het vorige geslacht – en het komende geslacht. Vroeger grote trots in handwerkschap, een zoeken naar originaliteit en een vaste waardering voor een groot aantal kleuren, metalen. stoffen, die speciaal pasten bij bepaalde rang of stand. Dit zelfde principe zal men in de toekomst weer zien, met dien verstande, dat het handwerk alleen dan waarde heeft, wanneer het naast de gebruikswaarde een symbolische heeft en zo gelijktijdig de beschouwer een geestelijk idee schenkt en een stoffelijk gebruiksvoorwerp. Fabricage en massaproductie zal waarschijnlijk al zeer snel afnemen – behalve voor wat men dan de levensnood- zakelijkheden noemt – (Dat is heel wat meer, dan u op het ogenblik zo noemt), maar behalve voor die levensnoodzakelijkheden zal men dan handwerk verlangen en een verachting hebben voor het massaproduct. Er moet dus gebruikswaarde en idee inzitten. En wel een voor elk voorwerp en elke persoon afzonderlijk juist gevonden idee, mee verwerkt in lijn enz.

  • Wij hadden in de jaren 1500, 1600 en 1700 bij deze materialistische ingestelde mens toch een zeer grote bloei gekregen, zoals Goethe, Schiller, in de letteren, in de muziek enz. Was dit bedoeld als tegenwicht op dit materialistisch denken?

Het is het resultaat ervan. Wij moeten niet vergeten, dat in de materialistische denkwijze, de esoterische wijsbegeerte wel eigenaardige vormen aanneemt, maar het blijft voortbestaan. De alchemist zoekt naar goud en naar de Steen der Wijzen, maar hij baseert dit op Oosterse wetenschap – ondanks de dwaasheden, die hij verder uithaalt -. Zo is een Goethe bv. zeer zeker in vele opzichten een materialist, ook al zou men dat uit zijn werken niet zeggen. Maar zijn filosofieën zijn gebaseerd op de geheime waarden, die in zijn persoonlijk leven maar heel zelden naar voren komen. Wanneer wij op het ogenblik de wereld in grote bewondering zien opstaren naar Bach, dan denken wij wel eens een keertje aan het gezin Bach en het rommeltje, dat daar was, terwijl Papa er slordiger bijzat dan menig hedendaagse huisvader.

Die juist door zijn ergernis vaak een variant maakte, die men tegenwoordig als origineel bewondert.

Men zegt: grote schilderkunst. Inderdaad. Maar een naturalistische weergave. Zo kunt u dus zien, dat hier wel degelijk van materialisme sprake is. Maar dat de geestelijke waarden, ook in het materialisme een – zij het materialistische – uitdrukking gaat zoeken. Een materialistisch beeld, nietwaar? In de toekomst zal het precies omgekeerd zijn. Dan zal het materialisme een nevenverschijnsel zijn van het geestelijk streven. Dus het geestelijk streven in de door u genoemde tijd een nevenverschijnsel was van materiële zorg.

  • U had het over perioden van 1500 jaar, waarin éénzelfde toestand op een iets hoger niveau weer optrad, terwijl u de kosmische maand schat op 2272 jaar. Doorkruisen deze perioden elkaar dan?

Niet geheel. Want u kunt die 2272 verdelen in 3 x 750 en zoveel. Twee van die perioden zijn dan zo’n cyclus. Nu ligt één zo’n cyclus in het midden a.h.w. Zij liggen 700 jaar in het midden en dan is hier een overgangsperiode en daar is een overgangsperiode. Van dit punt naar dat punt geeft de gelijke toestand, van dit punt naar dat punt geeft de gelijke toestand.

  • Zal men, wanneer men tot zekere hoogte van bewustwording is gekomen, daar bij latere reïncarnatie nog iets van merken? Toont men dan als kind reeds een bewustzijn, of openbaart dit zich eerst op rijpere leeftijd? Bestaat de mogelijkheid, dat het teniet wordt gedaan door invloeden van buitenaf? Of is de geest dan zo sterk, dat dit niet mogelijk is?

Bewustzijn en dus ook bewustwording in de geestelijke zin van het woord, is een functie van de geest. Het kan dus niet verloren gaan door de dood en zal in elke volgende reïncarnatie weer tot uiting kunnen komen. De bewustwording leidt tot een bewustzijn van eigen toestand.

Hierdoor zal de juiste keuze worden gedaan ten opzichte van tijd, plaats en punt van incarnatie. In de incarnatie zal het bewustzijn echter meestal niet tot uiting komen, vóórdat er sprake is van zekere stoffelijke vorming. Ik wil niet zeggen, rijpere of latere leeftijd. Maar over het algemeen vindt de eerste bewustwording van geestelijke bewustzijnswaarden plaats, wanneer het lichaam reeds of bijna reeds volgroeid is. Voor die tijd kunnen zich wel enkele aspecten der geestelijke eigenschappen reeds openbaren, mits hiervoor het juiste lichaam werd gekozen. Het kind kan dus onder omstandigheden een deel van het geestelijk bewustzijn reeds vroeg openbaren. Zelden echter het geheel. Bewustzijn gaat echter niet verloren, maar blijft ten allen tijd bestaan. Het kan stoffelijk geheel geopenbaard worden, wanneer de geest zo ver bewust is dat hij zich een lichaam kan kiezen, dat geheel in evenwicht en harmonie is met het geestelijk streven, dat de geest terug voert tot het stoffelijk bestaan.

  • U zegt: juist kiezen. Er kan dus verkeerd gekozen worden?

Inderdaad, Anders zou ik deze opmerking niet gemaakt hebben. De mogelijkheid bestaat n.l., dat men ofwel zichzelf, ofwel stoffelijke waarden verkeerdelijk waardeert en daardoor in stoffelijke omstandigheden komt te verkeren, waar de geest zich niet harmonisch mee kan gevoelen. Hierdoor ontstaat dan een innerlijke strijd, waardoor uiterlijk de bewustzijnswaarden niet tot uiting komen. Verder wordt bewustzijn verkregen en behouden en zo nodig zelfs vergroot; om dus nog eens heel duidelijk te zijn; uiterlijke omstandigheden kunnen het bewustzijn niet te niet doen. Zij kunnen wel de uiting daarvan belemmeren, of zelfs gedurende enige tijd geheel voorkomen.

  • Krijgt men dan hulp om die verkeerde keuze te voorkomen?

Men krijgt daar helemaal geen hulp bij in die zin. Men heeft de mogelijkheid om in een bepaalde tijd op een bepaald punt te incarneren. Er zijn meerdere mogelijkheden. Gedreven door eigen ongeduld kan men bv. te vroeg incarneren, soms in een “fout” lichaam, omdat op het ogenblik geen “beter” lichaam beschikbaar is. Men kan natuurlijk zich altijd om raad tot anderen wenden. Maar het feit der incarnatie zelf, het zich wenden tot een wordend en ter beschikking komend lichaam, is een kwestie, die wordt beslist door de geest zelf. Het wordt geheel aan eigen krachten en oordeel over gelaten. Dit geldt alleen voor alle bewuste geest. Niet voor de onbewuste geest, die hierin door anderen leiding ontvangt.

  • Hoe zit het dan met een 7-maand kindje? Keuze is conceptie heb ik begrepen. Ook astrologisch heb ik dat nooit goed begrepen.

Astrologische vaststelling is gebaseerd op invloeden en niet op het een bepaalde tijd in het moederlichaam bestaan. Een te vroeg geboren kind kan incarnerende wel geen of te weinig aandacht geschonken hebben aan de omstandigheden, die er toe zullen leiden. Ofschoon deze invloeden door de geest redelijk te beredeneren en van te voren te overschouwen zijn. Het is dus niet noodzakelijk, dat de geest dit zo gekozen heeft. Er zijn omstandigheden, waarbij alleen reeds de tijd van eenheid met de moeder voldoende is om het gewenste bewustzijn te verwerven. In een dergelijk geval kan men zelfs te maken krijgen met een kind dat dood geboren wordt, terwijl de geest dan toch reeds voldoende vruchten van het leven heeft geplukt. Hier zijn dus wel zeer vele mogelijkheden.

  • Kan het leven van de moeder dan invloed hebben op het bewustzijn van de geest ook ten nadele?

Neen, Het laatste is praktisch onmogelijk. Het bewustzijn is geestelijk en kan niet worden veranderd door enkele stoffelijke omstandigheden, die optreden in het moederlichaam. Tenzij natuurlijk de gehele ervaringsbehoefte gericht is op deze ervaringen, terwijl men gebonden is aan de stofwereld en gelijktijdig beperkt is is in ervaring ten opzichte van de wereld van de geest. Dit is de enige omstandigheid, waarbij het bewustzijn van de geest in het moederlichaam zodanig kan veranderen, dat het voor de geest werkelijk meetelt, nuttig is voor het verdere leven.

  • Hoe komt heb dan, dat men zich dan van deze dingen niets herinnert?

Heel eenvoudig. Men heeft zoveel andere dingen, die de aandacht vragen, dat men geen tijd heeft hierover, of over vroegere incarnaties te denken voor de herinnering hieraan al zeer verzwak, of stoffelijk geheel teloor is gegaan. Zoiets als de melk, die u had opgezet, toen er visite kwam. U geraakte in druk gesprek en toen u terug kwam in de keuken was de melk een bruine korst. U had het helemaal vergeten. Zo vergeet u ook de vorige incarnatie, omdat vooral de jeugdjaren, die hierbij het meeste tellen voor u, een buitengewoon grote reeks van indrukken geven, die eerst moeten worden verwerkt. Daarna komt weer de strijd, om het dagelijks bestaan. Begint men er dan eenmaal over te denken, dan heeft men het reeds zolang vergeten, dat de geest deze gegevens niet ineens weer ter beschikking van het stoffelijk bewustzijn kan stellen. Soms kan men via het onderbewustzijn toch wel iets hiervan terug vinden, maar indrukken gebaseerd op huidig stoffelijk bestaan en waarden zullen dan toch het werkelijke beeld vertroebelen. Dit is goed, anders zouden vorige levens een te sterke invloed uitoefenen op het huidige leven, waar men dan geneigd zou kunnen zijn zich te veel te houden aan vroegere waarden en vroeger geleerde wetten, waardoor geen verdere en nieuwe bewustwordingen mogelijk zouden worden voor de geest.

  • Eén der sprekers, sprekende over de huidige toestand, heeft de volgende uitdrukking gebezigd; Gezien de thans heersende negatieve tendensen enz. Wat bedoelt hij hiermede?

Hiermede wordt bedoeld, dat men op het ogenblik niet geneigd is te bouwen, maar eerder bij anderen wil breken, terwijl men gelijktijdig het bij het “ik” bestaande wil handhaven. Een negatieve tendens kan ook zijn het zuiver persoonlijk, maar niet in samenwerking opbouwen.

Wanneer een men of een bepaalde groep voordelen voor zichzelf vraagt ten koste van anderen en geen rekening houdt met de moeilijkheden, die daardoor zouden kunnen ontstaan, noemen wij dit een negatieve tendens, waar het hier tegen over het geheel der mensheid een brekend werk wordt verricht. Wanneer men meent politiek bv. blind te mogen zijn voor bepaalde beschouwingen, opvattingen en gebeurtenissen, omdat deze niet passen in de kraam van degenen, die een bepaald ideaal nastreven, noem ik dit evenzeer een negatieve tendens.

Wanneer een communist probeert zijn eigen leringen als onfeilbaar voor te stellen, ondanks het feit, dat de uitwerking van verschillende van deze instellingen, vooral in bolsjewistische zin, in Rusland negatief ten uiting zijn gekomen, dan is dit ook een negatieve tendens, omdat men daden niet, of verkeerd verricht en probeert daar dan maar woorden voor in de plaats te geven. Dit is in de wereld op het ogenblik zeer sterk. Niet alleen in de landen, waar de vrijheid der enkelingen werd weggenomen, maar ook elders en bij de gewone burgers. Als ik u te vlug spreek, dan zegt u het maar. Dan spreek ik iets langzamer. (Ja). Enkelen,die dit niet kunnen volgen? Kort gezegd, dan: Een negatieve tendens is elke tendens van handelen en denken, die fictieve, ofwel persoonlijke waarden stelt boven de reëel algemene toestand. Dat is dan kort gezegd. De rest moet u maar eens nalezen, of van anderen horen nog.

  • Hoe komt het, dat edelstenen ongeluk aanbrengen? Bv. “de Hope”.

Edelstenen kunnen ongeluk aanbrengen, omdat zij krachtens hun structuur vatbaar zijn voor bepaalde trillingen van het menselijk denken. Wanneer een edelsteen voortdurend wordt omgeven door begeerten, wanneer zij – vaak hierdoor al – steeds weer in verband komt met ongeluk, diefstal en moord, dan zullen deze eigenschappen als gedachtekrachten op de edelsteen worden afgedrukt. Een persoon, die hiervoor gevoelig is, verkeert dan onder de indruk hiervan zolang hij of zij deze edelsteen in de nabijheid heeft of draagt. Wanneer de steen verder weg wordt geborgen is de invloed meestal gebroken, ondanks hetgeen men op grond van toeval, of uitzonderingsgevallen hierover vaak beweert. Het is hier dus vooral een gedachtekracht, die innerlijke onzekerheid schept, hierdoor aanleiding geeft tot aarzelend, verkeerd of onoordeelkundig handelen, terwijl de begeerten bij anderen gewekt door de steen voor de bezitter natuurlijk nog bovendien grote gevaren met zich mede kunnen brengen.

  • Speelt het begeren van de mens dan een hoofdrol?

Ja. Het begeren van de mens speelt hier wel een hoofdrol, maar in dit geval toch niet de enige hoofdrol. De werkelijke hoofdrol wordt gespeeld door de edelsteen zelf, die krachtens haar structuur in staat is tot het scherp opnemen van begeerten en onrusttendensen en deze uitstraalt naar degenen, die weer in onmiddellijk contact staan met deze steen. Zij brengen dan dus niet alleen hun bezitters ongeluk aan, maar praktisch iedere sensitieve persoon, die in de omgeving is.

  • Is iedereen daar dan gevoelig voor?

Niet iedereen, maar de meeste mensen toch wel.

  • Wat is de sneeuwman voor een wezen?

De verschrikkelijke sneeuwman. Er bestaan verschillende wezens, die zo worden genoemd. De één is een zoolganger. Beer. Deze behoort dus voor ons niet tot hetgeen wij zelf onder de sneeuwman willen verstaan. Het tweede type is een verwilderd wezen van oorspronkelijk menselijke oorsprong. Het heeft door het klimaat een harige pels gekregen, beweegt zich redelijk en overlegd en voedt zich voornamelijk door jacht. Dus geen planteneter. Schedel wijkt af van de menselijke door een laag voorhoofd. Puntig achterhoofd, dat doet denken aan bepaalde Egyptische beelden.

  • Heeft het rede?

Ja, maar dat hebben haast alle wezens.

  • Waar komt hij voor?

Hoofdzakelijk in de zoutwoestijnen, die ten westen van Tibet liggen. Komt ook schaars voor in bepaalde delen van het Karakorumgebergte, ofschoon steeds minder. Oorspronkelijk zijn het afstammelingen van primitieve stammen, die door de strijd in de Gobi in de bergen werden terug gedrongen en daar in vele honderden jaren volkomen vervallen zijn door o.a. inteelt. Ik heb het hier over de aapachtige, niet over de beerachtige sneeuwman. De laatste heeft een niet zozeer uitgesproken teenvorm, daarentegen scherpere en langere nagels. Niet zo groot.

Andere vorm van kop. De mensen hebben hen wel eens gezien, maar de Sherpa’s zijn over het algemeen niet erg gesteld op de verschrikkelijke sneeuwman. Sherpa’s zijn de gidsen en reisleiders, die in de bergen het meeste lopen, werken en jagen. De boerenbevolking houdt zich nog veel meer afzijdig. Wanneer men daar een sneeuwman meent te zien, begint men onmiddellijk met veel lawaai een bezwering te houden, waarvoor de sneeuwman zich dan ook onmiddellijk terug trekt. Voor het lawaai. Het zijn, al zijn zij dan ook wel gezien, zeer moeilijk zijn dit wezen te benaderen. Op hulp van de inwoners van het land behoeft men niet te rekenen, waar dezen een afschuw hebben voor het wezen, dat hen zo zeer in vorm gelijk komt. Zij zien hen als zeer machtig en demonisch. Ook al om de grote spierkracht, die deze wezens bezitten.

  • Waarom zoekt de geest in de stof bewustwording?

Er zijn twee cycli, die de totale ontwikkeling binnen het Goddelijke zover als wij deze kunnen overzien, gezamenlijk tot stand brengen. De één is geest, de ander is stof. Geest is bewustzijn. Bewustzijn zoekt vorm om zichzelf te kunnen realiseren, wat in het “ik” leeft. Stof daarentegen is vorm, die zichzelf zoveel mogelijk gelijkvormig in stand tracht te houden om zo tot een zo goed mogelijke realisatie van eigen innerlijke structuur te kunnen komen.

Wanneer de geest dus tracht zichzelf te realiseren in de stof, schept zij voor zichzelf een wereld van onveranderlijke waarden, waarin zij door moeite en arbeid zich uit, zichzelf haar innerlijke waarden realiserende door schepping. Scheppen in de materie betekent voor haar een uiting van haar wezen en dus ook een realisatie van de waarden, die in haar schuilen. Zo kan zij een – beter inzicht krijgen in haar wezen, haar geestelijk bereik vergroten, zelfs het totaal geestelijk bereik leren overschrijden en zo iets gaan begrijpen van de grondwaarde, die schuilt achter stof en geest, die wij God noemen.

Niet verstaan? Ik zal het langzamer herhalen. Twee grondvormen, die voor ons het Al opbouwen; Stof en Geest, Ziel is onkenbaar. Stof en geest zijn beiden realiseerbaar. Stof is vormbehoudend en tracht zich in de vorm de structuur schuilend achter de vorm te realiseren. Geest daarentegen draagt in zich de gedachte, die pas geheel te realiseren is, wanneer zij volledig buiten het “ik” wordt geprojecteerd. Deze zo te projecteren, dat ervaring met anderen objectief kunnen worden vergeleken, is voor haar slechts mogelijk binnen de stof. Zij komt inde stof om zichzelf daarin scheppend te uiten en zo een realisatie te vinden van de krachten, die in haar zelf leven. Zo tracht zij te komen tot een hogere bewustwording. Zo is het dan wel iets korter, maar naar ik hoop, langzamer en begrijpelijker. Leest u het verder zo mogelijk na en u zult zien, dat het heus goed in elkaar zit.

  • Waarom is de Rooms-Katholieke kerk zo onverdraagzaam, o.a. in sommige Zuid-Amerikaanse staten?

Omdat zodra een levensbeschouwing tot godsdienst wordt, hieraan bepaalde machtsfactoren moeten worden verbonden. Een kerk als deze bestaat krachtens het gezag, dat zij heeft, zowel over haar leden als haar priesters. Het gezag o.a. van haar priesters, kan zij alleen handhaven, wanneer ook het wereldlijk gezag dit erkent in de landen, waarin zij werkzaam is.

Zodra haar gezag wordt aangetast en gekleineerd door een dergelijke staat, acht zij dus veiligheid en zekerheid van haar geloof aangetast, terwijl zij het juist als haar zending beschouwt alle mensen te brengen onder haar banier, tot haar geloof. Zo is zij aan zichzelf verplicht zonodig door politieke strijd, of zelfs met soldaten en geweld de wereld te bekeren en zich te wenden tegen elk werelds bestuur, dat reëel of schijnbaar haar gezag aantast. Zij predikt naastenliefde, geen verdraagzaamheid. Dat prediken wij. De vorm van naastenliefde, die door vele christelijke kerken en genootschappen wordt beleden luidt ongeveer als volgt:

“Kom, mijn vriend, ik wil je ziel redden voor de hel. Kom bij ons in de kerk, of ik sla je dood. Dan kun je in ieder geval geen kwaad meer doen.” Dat is natuurlijk ietwat overdreven, maar tekent de opvattingen, die op dit gebied nogal eens bestaan. Wanneer men begrijpt, dat naastenliefde eigenlijk betekent, dat men de naaste volledig vrijlaat, doch hem met geheel het vermogen dient en tracht te leiden tot bewustwording, zonder enige dwang, zal er van werkelijk christelijke naastenliefde sprake zijn. In een dergelijk geval heeft echter een dogmatische kerk geen zin meer.

  • Maar dan mogen zij zich toch eigenlijk niet christelijk noemen?

Binnenkort zult u heel veel mensen zien, die zich Sint Nicolaas noemen. Zij hebben daarop ook geen recht. Toch worden zij gedurende een bepaalde periode als zodanig geaccepteerd. Het begrip christelijk is tegenwoordig meer met kerken verknoopt dan met de leerstellingen van Jezus Christus Zelf.

  • Men beroept zich wel op de uitspraak; “Dwingt ze om in te gaan”. Is dat een foute interpretatie van de discipelen geweest, of was dat werkelijk zo bedoeld?

Spreuk, zowel als interpretatie stammen van Paulus, niet van Jezus. Hierover is later verwarring ontstaan. Overigens heeft Paulus wel meer vreemde dingen gedaan. Hij heeft o.a. in het begin eens een gemeenschap willen dwingen om eerst de Joodse besnijdenis te ondergaan, voor hij hen als christenen wilde erkennen. Dit werd na een bespreking met anderen, waaronder Andreas en Simon herroepen. Er is door Jezus nooit gesproken! “Dwingt hen om in te gaan”. Wel heeft Hij gezegd: “Leidt hen, tot zij ingaan”. Dat is heel iets anders dan; dwingt hen! Wanneer men iemand dwingt tot ingaan, vernietigt men de waarden, die in de mens zelf leven.

  • U sprak over de woestijn Gobi. Zal deze nog een rol spelen in de bewustwording der mensen, o.a. door ontdekking van oude waarheden daar?

Men zegt wel: Wanneer het water van de zee weer bruist in Gobi, zullen de oude steden herrijzen. M.a.w. wanneer men overgaat tot het weer vruchtbaar maken van deze gebieden, zal men, wanneer het water daar weer komt en men daar weer gaat bouwen en ploegen, zullen daar nog heel wat oude dingen naar boven komen. Maar bepaalde bibliotheken, die daar nu nog begraven zijn, zullen dan wel verwijderd zijn door degenen, die nu nog daarvan weten.

  • Hoe, wanneer en waar is de Kabbala ontstaan?

De kabbala stamt in primitievere vorm eigenlijk reeds van de zwart-magiërs en wichelaars van Atlantis. Het was echter nog niet de vorm, die men tegenwoordig daarvan kent. Zij werd later verder ontwikkeld In Azië door de vroege Chinezen. Deze cijferleer wordt nu nog daar gebruikt in de astrologie. Zij werd overgebracht naar het Zuiden, waar zij werd overgebracht naar de Chaldeeën. Dezen verspreidden de leer naar Perzië en Babylon, waar zij in groot aan zien was.

In Babylon is het overgenomen door Joodse wetgeleerden, die het systeem toepasten als deel van hun eigen leer. In Salomo’s tijd was het al een deel van de Joodse wijsbegeerte geworden.

Salomo voegde de grote sleutels toe aan de kabbalistische leer, zoals de Joden die kennen. Zij planten het dan voort over heel Noord-Afrika. Zo is zij ook een bezit geworden van enkele richtingen onder de tegenwoordige moslims. Zij werd langs twee onafhankelijke wegen overgebracht naar Europa. De ene weg loopt via Tunis – Algiers naar Spanje. De andere route; Joden naar Byzanthium. Vandaar door christenen naar het Noorden, o.a. Rusland, daar overgenomen door een Joodse school. Hierdoor twee christelijke scholen in het Zuiden van Duitsland, o.a. Wurzburg en een Joodse school in Hamburg. De oudste en meest betrouwbare geschriften hierover in Europa zijn afschriften van verklaringen in Granada gegeven en gekopieerd in Parijs.

  • Op welke theorie is het gebaseerd? Op de levensboom?

De oorspronkelijke theorie, waarop het gebouwd is, gaat terug tot de Chaldeeën. Vroegere theorieën kenden niet de verdeling in positief, en negatief met elke weer een onderverdeling in verschillende stammen. De bedoeling der voorstelling is dit: Uit het Goddelijke gaat het leven uit; wortel. Komt vandaar tot levensuiting; de ene God openbaart Zich. Stam; de God deelt Zich. Uit het ene komt de veelvuldigheid; kroon. Deze bereikt de hemel, waarmee zij God wederom bereikt. De cirkelgang des levens wordt weergegeven in de rondgang van de Goddelijke krachten door de Schepping, God is Eén.

  • Vragen over primitieve tekeningen o.a. in de Sahara.

Er bestaan verschillende stammen die dergelijke tekeningen nu nog vervaardigen. Sommige der tekeningen zijn dan ook twee, drie honderd jaren oud, anderen zijn zelfs van nog recenter datum. De oudste tekeningen zijn gemaakt door een volk, dat bijna is uitgestorven en stamverwant is aan de meeste Kopten. Kopten; godsdienst, omvat een aantal negerstammen en hun gebieden. Ook de Massai kennen een dergelijke tekentechniek. Voordien vinden wij dit ook nog terug bij een ouder volks de dolmenbouwende negerstammen, die eens leefden in het zuiden van Afrika. De tekeningen zijn dus wel zeer gemengd van afkomst.

  • Een wonderkind, waar komt dat eigenlijk vandaan?

Om te spreken met een Duits dichter; Man nennt ja vieles Natur, doch leider ist es oft Dressur.

M.a.w. vele van de wonderkinderen danken hun begaafdheid aan een buitengewone scholing, waardoor ontwikkeling van bepaalde stoffelijke bekwaamheden, die erfelijk reeds aanwezig waren. In sommige gevallen kan een bewustere geest in het lichaam van een dergelijk wonderkind geïncarneerd zijn. In dergelijke gevallen krijgen wij een grotere rijpheid van uiting. Bij de meesten onder de kinderen was echter meer sprake van dressuur dan van natuur.

  • Mozart componeerde reeds op 4-jarige leeftijd.

Mozart schreef een melodietje op 4-jarige leeftijd, dat door zijn vader werd gecorrigeerd.

Wanneer u zich de moeite getroost onbevooroordeeld de verschillende levensbeschrijvingen na te gaan, zult u het mij eens kunnen zijn, dat zeer veel van Mozart dressuur was, tot de maniertjes toe, die zelfs vorsten vertederden. Er was sprake van een begaafdheid, die door de ouders werd geëxploiteerd. Ik geef toe, dat ook de geest een zeker bewustzijn had. Toch moet men, niet vergeten, dat Mozart de eerste jaren van zijn optreden eerder virtuoos is dan kunstenaar en componist. Dit werd hij pas op wat rijpere leeftijd. Wij kunnen dus aannemen, dat in dit lichaam een geest was geïncarneerd, die zocht op muzikale wijze uiting te geven aan zijn innerlijk, maar moeten bemerken, dat de opmerkelijke prestaties van Mozart liggen op de lichamelijke, reeds wat rijpere leeftijd van 14 tot 15 jaar. Wel baart hij op 9-jarige leeftijd reeds veel opzien doch zijn werken uit die tijd zijn later, grotendeels door hem zelf, herschreven en gecorrigeerd. In de jonge jaren ging het hen, zoals uw kind, wanneer het een aardig opstel maakt. U zegt dan: het is heel mooie, maar verander dit en dat er nog even in, dan klinkt het beter. U kunt dan beter tegen anderen zeggen; mijn kind heeft dit gedaan. Maar u heeft precies gezegd, hoe het dat moest doen. Het is dus eigenlijk niet origineel. Zo waren de eerste composities ook alles behalve origineel.