Bewustwording door middel van uiterlijke factoren

uit de cursus ‘Kosmische filosofie’ december 1958

Wanneer wij spreken over bewustwording, impliceert dit woord: uitbreiding van bewustzijn. Het bewustzijn van de mens is de wijze waarop hij in zich een concept kan dragen van de totaliteit van de goddelijke schepping. Om van hieruit te komen tot een juiste ontleding van onze persoonlijke waarheid zowel als van de kosmische waarheid, zullen wij moeten beschikken over de kennis van zowel datgene wat buiten ons bestaat, als de verschillende werkingen die zich in ons kunnen afspelen. Gezien de belangrijkheid van de onvoorziene, buiten‑ons‑staande factoren zullen wij deze allereerst bezien. Een volgende maal hopen we dan de meer in ons liggende werkingen aan een nadere beschouwing te onderwerpen.

De wereld buiten ons doet zich aan ons oog voor als een bepaalde wereld. Het is lang niet zeker dat dit reëel is, dat dit werkelijk zo bestaat. Wanneer ik u mag verwijzen naar hetgeen wij o.a. in de vorige les hebben behandeld, zult u zich ongetwijfeld herinneren dat er geen sprake is van een kennen van onze wereld. Datgene, wat van buitenaf op ons inwerkt en zo bijdraagt tot onze bewustwording, moet dus op een an­dere wijze worden gerationaliseerd dan uit eigen beleven mogelijk is.

De factoren die van buitenaf komen, kunnen wij dan in de eerste plaats splitsen in goddelijke wetten en schijnbare wetten. In de tweede plaats in werkelijke invloeden en schijnbare invloeden. Het is zeer belangrijk dat wij het verschil tussen werkelijk en schijnbaar in dit verband goed begrijpen.

Er bestaat een goddelijke wet die wij noemen, de wet van oorzaak en gevolg. Men zal dus zeggen dat een bepaalde oorzaak altijd een bepaald gevolg moet hebben. Er moet nl. een vast en logisch verband zijn en dit verband kan binnen de Schepper alleen bestaan in een vast uit­gedrukte verhouding, gezien de eeuwigheid van Zijn wezen. Toch blijkt in de praktijk dat dit niet het geval is. Wij ontdekken dat dezelfde daad, gesteld door A, een totaal andere reactie teweegbrengt dan deze daad bij B tot stand bracht. En wij zullen ons gaan afvragen. Is er dan een goddelijke wet, of is er een zekere willekeur?

Hier nu komt het kritieke punt ter sprake. Er is voor A en B één wet, één vaste regel, waarvan niet kan worden afgeweken. Toch zal voor A en voor B de werking verschillen om de doodeenvoudige reden dat A en B een schijnbare wet ondergaan, waar hun daad niet beoordeeld kan worden aan de hand van hetgeen zij zelf daaromtrent beseffen. Het is niet alleen een kwestie van bewustzijn en het is niet alleen een kwestie van beleving. Het is een kwestie van de vaststaande goddelijke wet die onveranderlijk in de schepping en van uit het standpunt van de Schepper de verschillende gevolgen zodanig leidt, dat zij een aaneengesloten geheel vormen, dat aaneengeregen tot één keten, cirkelvormig, de volmaaktheid in zich draagt. Maar voor ons is dit ondergaan iets heel anders. Een zuivere cirkelbaan, waarbij wij alle sferen doorkruisen en tenslotte de hoogste zonder meer te bereiken; maar bewegen wij ons in een baan die eerder doet denken aan een spiraal. Aan de hand van het in ons aan­wezige bias zal een voortdurende afwijking plaatsvinden van de rechte baan, waarbij wel voortdurend alle sferen doorlopen worden, maar met een steeds groter wordende verschuiving in het totaal van de mogelijkheden die uit de kosmos voortkomen. Het gevolg is dat wij vele ervaringen zullen doormaken die bijna gelijk zijn. In feite is deze ervaring, kosmisch ge­zien dezelfde. Maar de verplaatsing van ons eigen standpunt doet ons steeds meer facetten van deze ene mogelijkheid zien, totdat eindelijk uit het totaal der facetten het oerbeeld terug groeit.

Ik spreek hier over oerbeeld. Want er moet ergens een oerbeeld zijn, een grondslag, waaruit alle verschijnselen, daarmee verwant, zijn voortgekomen. Wanneer wij zeggen: “God is liefde” dan menen wij dit over het algemeen te moeten omschrijven in een alleen hoogst‑esoterische en hoogst‑geestelijke zin. Maar kan dit waar zijn? Kan dit gezegde “God is liefde” alleen worden geïnterpreteerd als onze inspiratie omtrent het Goddelijke, verenigd met onze voorstelling omtrent een onpersoonlijke liefde? Dat zou betekenen dat er buiten deze geen werkelijke liefde in het Al bestaat. En wij weten dat die liefde wel bestaat. Wij zien facetten als de dierlijke moederliefde. Wij zien de genegenheden die bij dieren voorkomen. Wij zien de zinnelijke banden van de mensen. Wij zien de banden van verplichting die ook een zekere genegenheid in zich dragen tussen mens en mens, tussen mens en geest. En al deze banden moeten ten slotte ook een uiting zijn van de goddelijke liefde, want zonder deze kunnen zij niet bestaan. De goddelijke liefde omhelst dus alles en meer zelfs dan de mens onder liefde zou willen bevatten.

Het is eenvoudig om in onze innerlijke bewustwording te gaan spreken over het esoterisch beeld van God, van goddelijke liefde, goddelijke kracht en goddelijke mogelijkheid. Maar is dat beeld wel verwant aan de waarheid?

Buiten ons bestaat een werkelijkheid. Het is niet alleen maar een waanwereld. Alleen dat wat wij ervan opnemen en de wijze, waarop wij het beleven, berust op waan. Maar niet het andere. De conclusie is logisch. Al datgene wat wij binnen ons menen te erkennen, bestaat buiten ons. Maar veel algemener dan wij het in onszelf kunnen opnemen. Al datgene wat kosmische of goddelijke liefde is, openbaart zich buiten ons. Al datgene wat goddelijke kracht is, openbaart zich buiten ons en niet slechts in ons. En niet alleen op de wijze, waarop wij het ons wensen voor te stellen. Wij zullen daardoor zowel met ons geestelijk leven als onze voorstelling van het stoffelijk leven, wanneer wij in de stof zijn, voortdurend in conflict zijn met de werkelijkheid buiten ons in een strijd. Deze strijd bestaat niet. Tussen ons wezen en de kosmos, maar tussen onze voorstelling van de kosmos en de kosmos zelf.

Wij zullen daardoor vaak lijden. Dit lijden is zoveel te groter, omdat wij de zin ervan niet begrijpen. Want wij weten niet, waarom ons leven juist deze resultaten heeft gebaard. Waarom in ons deze honger bestaat of waar­om deze oververzadiging nu plotseling optreedt. Wij hebben er geen flauw begrip van waarom er eigenlijk in ons een honger naar God bestaat, of dit verlangen om verheven te zijn boven de mensheid, verheven te zijn boven de geest, om afgezonderd te zijn van al het vulgus vulgarum. Dat is ons onbegrip En juist deze neiging brengt ons steeds in conflict met de we­reld, want wij kunnen in feite niet boven de mensheid of boven de geest staan. Wij kunnen onszelf niet afsluiten van de schepping in een klein hoekje van volmaaktheid, een persoonlijk paradijs. Wij worden steeds weer a.h.w. met de neus op de slijpsteen van de werkelijkheid geduwd. Het ene ogenblik gaat alles schitterend en het volgende ogenblik valt je wereld in puin. Waarom? Omdat de droom te veel verschilde van de werkelijkheid. En wij worden gedwongen door de ervaring steeds weer ons beeld van werkelijkheid zoals het in ons leeft, te herzien.

Natuurlijk bestaan er bepaalde waarden in ons die evenzeer een corrigerende werking hebben, die evenzeer een uitbreiding van bewust­zijn betekenen. Maar deze waarden liggen op een heel ander vlak. Wij hebben nu te maken met wat werkelijk is. En misschien kan ik u die werkelijkheid het gemakkelijkst duidelijk maken aan de hand van een beeld dat wij in de sfeer kunnen opdoen. Bij ons zijn de gedachten nl. ook feitelijk bepalend voor het beeld. Bij u is dit slechts ten dele. Bij u is het slechts de beeldinterpretatie die verschilt. Bij ons kan het beeld zelf verschillen.

Voorbeeld: Twee geesten, de een met een verlangen naar schoonheid, de ander door zijn enigszins ascetische inslag met een afschuw van alle te grote pracht, beschouwen hetzelfde beeld. De één ziet daar rijke tuinen met paleizen, vijvers, waarin zich een hemel weerspiegelt, koren die zingen met buitengewone schoonheid en kosmische lichten die neerdalen uit de einder. De ander ziet alleen de dorre verlatenheid van een woestijn met een verzengende zon, waarin alles door dorst schijnt om te komen en een enkele keer een trillend fata morgana een ogenblik aanduidt dat er misschien ergens nog iets anders bestaat. Toch bezien beiden hetzelfde beeld, beiden ondergaan dezelfde invloed. En geen van beiden ziet de werkelijkheid. Want de werkelijkheid is geen woud en geen woestijn, geen paleis of eenzaamheid. De werkelijkheid is goddelijke kracht, een alomvattend en aldoor trillend denkbeeld dat alle dingen gelijktijdig omvat.

Degene die in zijn tuin wandelt, zal op een gegeven ogenblik die tuin moeten verlaten voor een barheid die hem eigenlijk niet bevalt. Want hij moet verder. Degene die in de woestijn vertoeft, zal op een gegeven ogenblik zich plots te midden van een oase zien. En ook al verwerpt hij deze als een gevaarlijke spiegeling, voortdurend sterker zal hem dit omgeven, totdat hij het kan accepteren. Eerst wanneer beide tegendelen aanvaard zijn, is een innerlijk evenwicht ontstaan en in dit evenwicht het vermogen om iets meer van de werkelijkheid te zien.

Zo gaat het bij u ook. Wat u vandaag ziet als begerenswaardig gooit u morgen misschien in de asbak. Wat u vandaag het summum summarum lijkt van luxe, is morgen armelijk of omgekeerd. De tegenstellingen in uw eigen reactie op het ene en onveranderlijk buiten u bestaande feit is het feitelijke middel tot bewustwording, voor zover het die beïnvloeding van buiten betreft.

Nu wij de theorie zo goed mogelijk hebben uiteengezet, moeten wij deze natuurlijk ook enigszins op de praktijk betrekken. Naar ik meen, is het noodzakelijk om elke reeks van ‑ voor u althans ‑ theoretische waarden en waarnemingen terug te brengen tot een voor u in de praktijk te bren­gen geheel. En ik wil dan trachten dit te doen in een aantal korte re­gels, elk met een eigen verklaring.

In de eerste plaats: U hebt een bepaalde voorstelling omtrent uzelf. U weet dat deze niet werkelijk is. U weet echter tevens dat ge volgens die voorstelling zult moeten handelen om verder te komen en uw eigen ware persoonlijkheid te kunnen ontdekken. Wanneer wij aannemen dat wij precies datgene zijn wat wij in onze eigen ogen zijn, dan maken wij de fout dat wij de rest van de wereld van ons afwerpen. Dat kunnen wij niet aanvaarden. Die wereld van buitenaf is een middel tot bewustwording, zonder hetwelk wij het niet kunnen doen. Het gevolg is dus dat wij wel degelijk bewust moeten zijn van het feit dat onze voorstelling van eigen persoonlijkheid maar zeer ten dele juist en reëel is.

Maar aan de andere kant: Weten we wat wij wel zijn? Neen, nietwaar? Je weet eigenlijk niet wat je bent. Soms sta je verbaasd over jezelf. Daarom moeten wij handelen volgens datgene wat wij menen te weten. Dit is volkomen in overeenstemming met de wetten die wij kennen. Want indien wij handelen vanuit het gekende, zal het ongekende zich aan ons kenbaar moeten maken, mits wij het willen aanvaarden. Zo zult u door te handelen volgens uw persoonlijkheid, zoals die op dit ogenblik ziet, u houdende aan de waarderingen die in dit “ik” op dit ogenblik volgens u bestaan, uw buitenwereld benaderen; daarbij u realiserende dat er in die buitenwereld factoren bestaan die uw hele wezen kunnen veranderen en de nieuwe facetten van uw persoonlijkheid naar voren kunnen brengen.

De tweede regel is al even eenvoudig: Denk nooit dat u iets weet, maar probeer datgene wat u beschouwen en kennen kunt, te begrijpen. Er is een groot verschil tussen weten en begrijpen. Weten houdt feiten­kennis in, begrijpen betekent werkingen zien. De feiten die u kunt vaststellen in uw wereld en die ook wij in onze wereld kunnen vaststel­len, zijn zeer gelimiteerd door ons wezen. Zelfs als wij alle feiten van de gehele wereld samenbrengen, zullen wij niets van de realiteit zien, van de werkelijkheid zoals God die heeft geschapen. Maar als wij werkingen zien door begrip, dan treden overal analogieën op. Wij zien overeen­komsten, gelijksoortige krachten, gelijksoortige werkingen. En in deze overeenkomsten erkennen wij dan bepaalde universele waarden die voor het “ik” ‑ vooral bij bewustwording door verschillende sferen heen ‑ veel belangrijker zijn dan al het zgn. weten. Probeer liever in weinig weten veel begrip te vinden, dan veel weten zo nu en dan met ietwat be­grip aan te vullen.

Het derde punt is ook al eenvoudig: Er bestaan goddelijke wetten. Tegen deze goddelijke wetten kunt u niet zondigen. U kunt daar niet te­gen ingaan, omdat zij tevens de begrenzing van uw levensmogelijkheid in­houden. Buiten dit kunt u niet bestaan en dus niet bewust zijn. Een over­schrijden van de goddelijke wet is u onmogelijk. U kent echter daarnaast wel wetten die voor u bestaan en die u wel kunt overschrijden. Wanneer u dit doet, verstoort u evenwicht en in dit geval niet een innerlijk evenwicht maar een evenwicht dat in de relatie tussen de buitenwereld en u bestaat. Soms kan dit voor de bewustwording zeer dienstig zijn. Maar laat ons niet vergeten dat wij dan consequenties te dragen krijgen van geschillen tussen innerlijke en uiterlijke wereld, waarbij de uiter­lijke invloeden op de duur vaak worden weggedrukt door een zgn. berouw ‑ in feite een onbesef of niet aanvaarden van het gestelde ‑ waardoor­ wij de bewustwordingsfactor van buitenaf niet meer voldoende ondergaan. Houdt u dus zoveel mogelijk aan hetgeen voor u aanvaardbaar en goed is, begrijpende dat deze wetten niet eeuwig of onveranderlijk zijn, maar we­tende dat ze voor u een noodzaak zijn om in harmonie te blijven met de goddelijke wetten die voor u nog niet kenbaar zijn.

Het vierde punt: In ieder mens bestaat de behoefte tot projectie. Deze bestaat evenzeer voor praktisch alle geesten buiten de allerhoog­ste. Projectie betekent dat wij onze innerlijke wereld aan de buitenwe­reld trachten op te dringen en dat wij de wereld buiten ons willen hervor­men naar het beeld dat in ons bestaat. Wanneer wij in conflict komen met de buitenwereld, dan zal dit in vele gevallen het resultaat zijn van een persoonlijkheidsprojectie die voor die wereld niet aanvaardbaar is. Het aanvaardbaar of niet‑aanvaardbaar zijn van de innerlijke wereld kan echter nooit worden geweten aan personen, aan wezens, aan omstandigheden. Het is altijd een direct met de grote en goddelijke werkelijkheid in con­flict komen, waardoor de correctie optreedt. Wanneer wij geschillen hebben met de buitenwereld moeten wij daaruit lering trekken voor onze eigen houding; niet t.o.v. een bepaald deel van de mensheid of van het leven, maar t.o.v. de goddelijke werkelijkheid. Hoe groter de geschillen die wij met anderen hebben, hoe duidelijker naar voren komt waar wij falen in onze wereldaanvaardingen, ons begrip omtrent God en Diens schepping.

Het vijfde punt: Bij elke esoterische bewustwording is het noodzake­lijk om op een gegeven ogenblik te filosoferen. Het is dan ook niet voor niets dat wij bv. deze cursus kosmische filosofie hebben genoemd. Want wij moeten thesen opbouwen om een begrip te krijgen voor het schijnbaar niet­ begrijpbare. Wij moeten stellingen opbouwen ‑ ook al zijn ze volkomen onjuist ‑ om voor ons bepaalde dingen in de wereld en de schepping aanvaardbaar te maken. Filosofie is in feite een rationalisatieproces waarbij wij trachten voor onszelf op aanvaardbare wijze een wereldbeeld te tekenen, omdat wij slechts zo volledig kunnen leven. Het is ons dus volledig toegestaan om te filosoferen over alle dingen. Alleen moeten wij wel begrijpen dat het filosofisch argument nooit een werkelijkheidsargument is. Wanneer onze filosofie bedreigd wordt door waarden die van buiten komen, zullen wij de filosofie zo moeten wijzigen dat zij deze van buiten komende waarden mede omvat en voor ons aanvaardbaar maakt. Slechts op deze wijze heeft filosofie en denken voor ons werkelijke inhoud en betekenis.

Een zesde en laatste punt: Elke invloed die ons van buitenaf bereikt, is een directe werking Gods. Voor velen betekent dit dat wij die invloed moeten aanvaarden. Men vergeet daarbij dat deze aanvaarding niet de aanvaarding van een werkelijkheid is, maar slechts van ons beeld. Wanneer wij ons verzetten tegen datgene wat de wereld buiten ons produceert, op ons afjaagt of rond ons vormt, dan verzetten wij ons in feite tegen onszelf. Mits wij met dit verzet niet verder gaan dan onze krachten toelaten, zullen wij juist daardoor een steeds sterkere bewustwording tot stand doen brengen binnen onszelf. Onze innerlijke wereld zal door dit voortdurend strijden verrijkt worden en grotere gelijkenis met de buitenwereld, de buiten‑ons‑bestaande~werkelijkheid, mogelijk maken.

Wanneer ik deze paar punten slechts terloops beredeneerd aan u voorleg, dan schuilt daar natuurlijk meer achter dan alleen in mijn betoog, hier voorgaand, werd gezegd. Wij mogen nl. één ding nooit uit het oog verliezen. Ofschoon het de vraag is of wij nu werkelijk in staat zijn het volledige van de schepping in onszelf a.h.w. te herscheppen, is het zeker dat wij tenminste een gedeelte daarvan met volkomen waarheid en gelijkenis in ons zullen herscheppen. Eerst dan vinden wij het doel van ons leven. Wij streven naar een congruentie tussen innerlijke en uiterlijke wereld. En deze congruentie moet voortdurend tot uiting komen in een zoveel mogelijk gelijk gericht zijn van de buiten‑ons-optredende factoren en de in‑ons‑optredende factoren die gezamenlijk de bewustwording betekenen.

Wereldaanvaarding is daarbij vaak een zeer gunstige factor, maar niet altijd noodzakelijk. Een volgen van de regelen der wereld en der massa kan soms dienstig zijn, maar lang niet altijd. Eerst wanneer de we­reld buiten ons zoveel mogelijk beantwoordt aan de wereld in ons, wan­neer wij in staat zijn uit elk nieuw geschil een grotere overeenkomst tussen de werkelijkheid buiten ons en het begrip in ons tot stand te brengen, hebben wij ons levensdoel bereikt. Eerder niet. Dit geldt voor elke wereld, voor elke sfeer, voor alle tijden. Omdat we slechts zo het volmaakte kristal, eens geschapen en sedertdien de schepping genaamd, kunnen begrijpen en onze eigen plaats daarin vinden.

Onze bestemming

Er is eigenlijk geen enkel wezen dat zich precies realiseert wat de eigen bestemming is. Ja, wij kunnen nog wat verdergaan. Niemand weet eigenlijk precies wat hij is, waarom hij leeft en waarheen hij leeft. De grote vraag die velen zullen stellen, is: Hoe kom je dan tot een realisatie van je bestemming? Komt er niet een ogenblik in je leven dat je ineens weet: “Ja, daar moet ik naartoe, dat is mijn doel?”

Helaas moet ik hierop ontkennend antwoorden. Bewustzijn is een groei. Een proces van een voortdurende innerlijke uitbreiding, waardoor je meer en meer één wordt met delen van de schepping en op de duur met de Schepping zelf.

En daarbuiten? Ja, daar ligt wat wij kosmos noemen, de kosmische Godheid, de scheppende Kracht, zo groot dat wij ons zelfs niet kunnen realiseren waar of hoe Die bestaat. Het is logisch dat een doel dat zo ver buiten ons begripsvermogen ligt, een bestemming die zo ver ligt buiten elke gedachtegang die wij als mens of geest kennen, voor ons niet realiseerbaar is.

Wij weten niet waar onze plaats is. Wij kennen onze bestemming niet. Er is maar één Kracht, Die de bestemming werkelijk kent. En dat is zelfs niet de kleinere godheid of planeet of sterrengeest in wiens bereik wij onze bewustwording doormaken. Dat is alleen de kosmische God Zelf. U moet niet vergeten dat bestemming een eeuwigheidsbestemming betekent, wanneer wij dat absoluut willen zien. Daarom moet ik ‑ misschien teleurstellend voor velen – zeggen: Het is ons onmogelijk en zeker in de huidige fase van bestaan om ons onze werkelijke bestemming te realiseren.

Toch moeten wij streven. Dit streven echter is nooit gericht op een absolute bestemming. Het is niet gericht op een eeuwig doel. Wij gaan van doel tot doel, van plaats in de schepping tot plaats in de schepping, steeds volgens ons bewustzijn handelend, steeds strevend naar datgene wat het dichtst bij ons ligt, wat het gemakkelijkst voor ons bevatbaar is.

Wij kunnen dit misschien het best zo zeggen: Wanneer je begint te leven, realiseer je je alleen maar: Ik ben. En je voelt het als een noodzaak om dat “ik” te uiten. Door de uiting wordt dit “ik” op de duur een actief “ik”. Er is vandaag gesproken over invloeden van buitenaf. Wel, die invloeden van buitenaf, plus die waarden van binnen, komen zo tot stand. En dan ontstaat er op een gegeven ogenblik een wezen dat wij mens kunnen noemen. Dat is dan een bestemming geweest. Die bestemming is bereikt.

Maar als mens sta je weer in een ‑ ik zou haast willen zeggen ‑ eeuwigdurend conflict met je God. Want je wilt meer, je wilt machtiger zijn, groter. Je wilt niet besloten en beperkt blijven binnen dat eigen “ik”. Je wilt dit “ik” zich zien ontplooien, totdat het in die hele kosmos thuishoort. Totdat het a.h.w. kan spelen met de sterren en een nieuwe wereld scheppen, wanneer het er lust in heeft.

Natuurlijk druk je dat niet zo uit. Maar eigenlijk verlang je er wel naar, want eenieder droomt zijn dagdromen over wat hij zou willen doen, wat hij zou willen zijn, wat hij voor de wereld zou willen doen. Ja, hoe hij misschien een heel heelal zou willen hervormen. En daarin wordt weer een bestemming geuit. Was het eerst noodzakelijk om te komen tot de vorming van een bewust “ik” dat in staat was zichzelf te be­schouwen en in deze zelfbeschouwing dus de uiteindelijke kennis van het ego te verkrijgen; nu moet het ego a.h.w. naar een grotere kracht. Men noemt dat wel eens “superego”, maar dat is niet juist uitgedrukt. Men moet groeien naar de beheersing, niet van het “ik” maar van al hetgeen waarmee het “ik” in harmonie is. Dat is de tweede bestemming.

Dit is een bestemming die voor de meeste mensen nog niet geheel gerealiseerd is. En wanneer u dus wilt spreken over menselijke bestemming en menselijke plaats, dan zou u dit althans als een voorlopig doel kunnen aanduiden. Je wilt dus proberen om zozeer één te worden a.h.w. met die wereld, dat je eigen reacties plus de reacties van die wereld één harmonisch geheel vormen.

Nu zul je denken: “Wanneer ik dat nu eenmaal tot stand heb gebracht, dan is mijn “ik” afgerond, dat is één geheel geworden en daar kan ik dan verder niets meer mee doen.” Maar dat is niet waar. Want op het ogenblik dat ik dit tot stand heb gebracht in mijn wereld of werelden (want daar spelen sferen ook een rol in mee), ontdek ik dat buiten deze werelden nog weer werelden bestaan. En nu kun je het je het best zo voorstellen:

Hebt u wel eens een zgn. rol‑eg gezien? Dat zijn die messen waarmede men de grond fijnsnijdt. Het zijn vele schijven naast elkaar. Elke schijf is op zichzelf een afgeronde wereld met een Schepper, waarmee wij perfect harmonisch kunnen worden. Maar wij worden niet harmonisch slechts in één vlak. Wij gaan, wanneer het ene vlak voltooid is, door naar het volgende en beginnen daar hetzelfde proces, tot eindelijk het totaal van alle vlakken in de schepping door ons gelijkelijk gekend wordt en wij in alle vlakken gelijkelijk een aanpassing hebben gevonden. Wij zijn dan niet slechts een “ik” meer, wij zijn een persoonlijke continuïteit geworden, a.h.w. bestaande uit vele verschillende ikjes die tezamen een weerspiegeling vormen van de schepping.

Ja, dan zijn wij zover. En wat dan? Dan ontmoeten wij de Grote Schepper. Is dat al de schepper van de kosmos? Dat weten wij niet. Misschien dat wij dan nog weer op een andere manier moeten gaan streven en denken en werken. Dat wij nog weer met vele … mag ik zeggen “godheden” één moeten worden.

Onze uiteindelijke bestemming? Ja, dat kunnen wij alleen uitdrukken volgens geloof. En in dat geloof zou ik willen zeggen: Onze uiteindelijke bestemming is een opgaan in God, in die zin dat wij volgens eigen wezen en capaciteiten, door de Schepper daarin gelegd, plus ons besef van de totaliteit van alle delen der schepping en zo ook van de kosmische schepping, in alle delen juist die plaats vervullen, die plaats innemen, waardoor de perfecte harmonie van het geheel ook in ons wezen volledig wordt uitgedrukt. Het is een mooi doel, het is een mooie bestemming, maar het ligt veel te ver af. Misschien doe ik er verstandiger aan om eerst te proberen de mens duidelijk te maken, wat zijn bestemming in de wereld is.

Wanneer u hier in deze wereld bent, wat is dan uw bestemming? Uw bestemming is om als mens (dus als individu, als persoonlijkheid) een eenheid te vormen met de mensheid. Niet met dieren en planten, niet met de zon en de regen en de wind, maar met de mensheid, want dat is hetgeen, waarop u bent afgesteld. Uw eigen taak ligt in de eerste plaats en te allen tijde in de mensheid. Wanneer u in staat bent deze zozeer te begrijpen en zozeer te dienen, dat u enerzijds de vreugden van de wereld en anderzijds alle lijden van de wereld in uzelf kunt bevatten, dan heeft u het eerste doel wel bereikt.

U hebt dan uw bestemming binnen de mensheid bereikt. En daarvoor heeft men een heel mooie naam. Dat noemt men wel eens de christusgeest dragen. Want de geest van de mensheid, in het individu geuit, is tevens de geest van vele sferen, die uit de mensheid zijn voortgekomen. Het is a.h.w. een uitdrukking van hoogste tot lage kracht, een enorm vermogen dat door het onzelfzuchtige “ik” wordt gedragen.

Maar als je dit nu bereikt hebt, onverschillig in welke wereld of sfeer, wat dan? Dan heb je je menselijke bestemming bereikt, maar je moet nog naar je geestelijke bestemming zoeken. En die ligt verder. Want alle vormen zijn voor de geest het speeltuig van eigen wezen. En alle vormen moeten in een voortdurende harmonie binnen dat “ik” a.h.w. vastgelegd worden, neergeschreven, opgetekend. Opdat wanneer deze de christusgeest, of misschien mag ik zeggen: de goddelijke liefde dragende kracht nu ook het scheppend vermogen heeft, zij in staat zal zijn een paradijs te scheppen.

Op een dergelijke manier heeft een Schepper eens op aarde het paradijs geschapen. Uit de stoffen van de zeeën, van de rotsen heeft Hij de rode aarde gemaakt en uit de rode klei heeft hij Adam gevormd. 0, via vele tussenvormen. Niet als een plotseling wonder maar als een langzame, voortdurende opbouw, waarbij steeds meer geestelijke krachten aan het werk werden gezet, tot op de duur een geheel als brandpunt vond: de mens. Een symbolische mens ‑ want er waren veel mensen ‑ maar toch: de mens. De mens, die ‑ nog in perfect contact zijnde met de geest ‑ niet bewust stoffelijk buiten zich leefde.

Hij leefde in zich en daardoor wandelde hij met God. Het bewustzijn van het “ik” werd voortgezet van geslacht tot geslacht, zonder dat er ooit een werkelijk bewustzijn van wisseling was. Men leefde a.h.w. eeuwig. Dat was niet voldoende. De Schepper moest immers de mens scheppen naar Zijn beeld en gelijkenis. En dan is het aanwezig zijn in opeenvolgende fasen niet voldoende. De mens moet leren zichzelf te zijn in alle fasen én gelijktijdig. Onder meer houdt dit in een bewustzijn, waarbij de tijd kan worden weggenomen als een factor in de beleving. De beleving moet tijdloos worden en dat kan alleen, wanneer die mens op zichzelf wordt gesteld. Vandaar het probleem van de zondeval. Goddelijke werking, goddelijke kracht.

De mens, verbrekend het ritme van de natuur, wordt voor zichzelf een zoeker en strever, die langzaam maar zeker ontwaakt tot het ik-besef, dat groeit en groeit, totdat we in deze egoïstische tijd ten slotte het “ik” zien als het meest belangrijke van de mensheid. Maar gelijktijdig zien we alweer door ditzelfde egoïsme, ter verdediging van het individuele “ik”, grotere ik‑heden en persoonlijkheden in de mensheid opbouwen. Zo streeft men altijd voort.

Heeft men de christusgeest eenmaal bereikt, dan zal men moeten leren om ook zo te scheppen. Misschien zal die schepping een heel andere zijn dan die van de godheid die eens op deze wereld de mens creëerde. Maar wij kunnen niet zeggen, wat het dan wel zal zijn. Dat ligt in de kosmos vast. Maar in deze uiting zullen wij moeten leren vele werelden te combineren. Want de Schepper leeft enerzijds als wezen in Zijn goddelijke wereld; en in de tweede plaats in Zijn geschapen wereld, die weer een reflex is van goddelijke aspecten. En Hij ziet uit Zijn werelden ook weer scheppers komen en leeft daarin. In een oneindige verschakeling gaat de bestemming steeds verder en verder. Het is als een boom die opgroeit en steeds meer takken uitwerpt, tot hij ten slotte een schaduw werpt over een hele wereld heen.

En wat dan? Ja, dan is ‑ voor zover wij het kunnen zien – de bestem­ming vervuld. Dan zijn alle mogelijke en kenbare werelden ook geschapen van uit het bewustzijn van deze ene, die tot godheid, tot schepper werd, maar gelijktijdig een steeds bewuster deel werd van de grote scheppende Kracht, Wier schepping hij verwerkelijkte.

Het is moeilijk om te zeggen hoe je je bestemming kent, omdat er eigenlijk maar één bestemming is. Een bestemming die elk voor zich op een andere wijze vervult. Een bestemming, die voor eenieder langs ande­re wegen schijnt te lopen, naar die uiteindelijk toch precies gelijk en pre­cies hetzelfde is en zal blijven, omdat slechts dit betekent de absolute éénwording.

Ik zeg: Ik weet niet hoelang het proces voortgaat. Ik weet niet hoever het zich uitstrekt. Zo groot ben ik niet. Maar ik weet dat het bestaat. En dan vraagt u: Wat is nu onze bestemming, wat is onze plaats? Ach, uw plaats in het leven zult u leren kennen, wanneer u ziet wat rond u is. Rond u zijn mensen die u kunt dienen, die u kunt helpen. Er zijn mensen en wezens die u moet leren verdragen. U moet leren a.h.w. het leven en de wereld lief te hebben. U moet leren ook zelf ‑ bewust van uzelf en van uw vermogens ‑ in die wereld te staan. Dat is uw plaats. Het is leven op een wijze dat je te midden van de mensheid, waartussen je nu eenmaal leeft, een ware betekenis gewint. Dat je voor de mensen kracht, zekerheid, steun betekent. Dat je iets van uit jezelf a.h.w. kunt doen uitvloeien in die andere mensen.

En wat je bestemming is? Dit zo perfect te bereiken dat je komt tot het offer van het “ik” aan de mensheid. Waardoor je het bewustzijn van de grotere geest die in deze mensheid werkt, regeert. En vandaaruit ga je weer verder, altijd verder. En niemand kan zeggen waar het einde is. Alleen geloof ik te mogen zeggen dat er eens een einde is. Ik weet niet waar en wanneer.

Wanneer u daarmee dan genoegen wilt nemen, meen ik hier toch wel alles gezegd te hebben wat ik verantwoord durf en kan zeggen over de plaats en de bestemming van de mens.

Oordeel niet

Oordelen betekent in feite een vaststellen van eigen verhouding t.o.v. anderen, waarbij men van tevoren aanneemt dat men zelf superieur is. Een oordeel houdt dus in, een verwerpen van een deel der schepping, terwijl men niet in staat is het geheel der schepping te beoordelen en dus de verhouding van de onderdelen t.o.v. elkaar juist in te schatten. Vandaar dat het ons niet geoorloofd is een oordeel uit te spreken. Want elk oordeel dat wij uitspreken, betekent een scheiding tussen ons en andere waarden in de wereld. Die scheiding zal niet alleen het andere tegenover ons stellen, maar ook ons tegenover het andere. En dat is juist het gevaarlijke.

Het stellingnemen dat aan het oordeel verbonden is, betekent in feite dat wij onszelf een vijand scheppen. En wij hebben geen behoefte aan vijanden, want wij hebben het in het leven al moeilijk genoeg om met onszelf en de fouten die in onszelf liggen, klaar te komen. Het gevolg van het oordeel is dan ook meestal dat wij ertoe komen in anderen te veroor­delen ‑ en dus in anderen iets te bestrijden ‑ terwijl wij gelijktijdig ons­zelf volledig openstellen voor elke fout die in ons wil woekeren. Het is zoiets als de boer die voortdurend zijn buren wijst op het onkruid in hun tuinen, terwijl hij bij zichzelf nooit wiedt. En hoe meer oordelen je uitspreekt, hoe meer je dus de wereld a.h.w. naar jouw maatstaf wilt meten, hoe moeilijker het wordt aan jezelf te werken. Want met het eerste oordeel neem je misschien nog aan dat er ook over jou een oordeel bestaat, maar op de duur ga je aannemen dat jouw maatstaf de enig juiste is. En dat is fataal.

Toch zullen wij natuurlijk onze houding wel moeten bepalen. En als wij dat niet mogen doen door een oordeel, wordt het heel erg moeilijk. Daarom gaan wij waarderen. Wij gaan bepalen welke waarden sommige dingen voor ons hebben, zonder daarbij ooit te trachten de waarde van die dingen t.o.v. het geheel van de mensheid of van de kosmos te bepalen.

Wij drukken onze waardering uit t.o.v. het leven van anderen, t.o.v. de gedachten van anderen, naargelang de impulsen die ze in ons wekken. En daarbij laten wij het.

Wanneer wij zeggen: “Wat die mensen doen, is slecht”, dan hebben wij daartegenover een “goed” geschapen; en dat goed is dan wat wij denken, terwijl wij niet eens in staat zijn om te bepalen of onze gedachtegang juist is t.o.v. die anderen. Maar wij kunnen ook zeggen. “Wij kunnen dat niet waarderen.” Wat die anderen daar doen, wekt in ons een onaangename indruk, waardoor wij ons van deze daadstelling van anderen en alle impulsen daaraan verbonden zullen verwijderen. Niet van de mensen, maar van de daad die voor ons geen waarde heeft.

Het is gemakkelijk om voorbeelden te geven van dingen die waardevol zijn, maar die wij niet kunnen beoordelen. Denk alleen eens aan de Evangeliën. Daarin zijn gelijkenissen gegeven en lessen vastgelegd, daarin vinden we de subliem‑juiste dichterlijkheid van de Bergrede en wij kunnen zeggen: “Ja” dat is goed.” Maar wij spreken dan een oordeel. Dus: “Dit is waardevol.” Het wekt in ons een antwoord. Het geeft ons een zekere lichtheid vanbinnen. Het maakt het ons mogelijk even uit te grijpen naar groter kosmische kracht.

Het is waardevol. Maar is het goed of is het kwaad? Wij weten het niet. Wij kunnen evengoed beweren dat het kwaad is. Want in naam van deze zelfde leer zijn volkeren uitgeroeid. In naam van deze zelfde leer heeft men martelingen en martelwerktuigen geschapen zo wreed, als de wereld slechts zelden gekend heeft sedert Jezus’ geboorte. Er is dus wel degelijk kwaad aan geweest ook. Maar ligt dat nu weer in die wereld of ligt dat ergens anders in? Wij kunnen daarover gaan praten. Wij kunnen elk van ons standpunt uit bewijzen dat wij gelijk hebben. En wij komen niet verder.

Het oordeel brengt ons niet verder. Het oordeel brengt ons alleen tot grotere tegenstelling, tot grotere verdeeldheid, tot tegenstellin­gen die niet noodzakelijk zijn. Maar wanneer wij waarderen, dan kunnen wij zelfs in datgene wat op zichzelf misschien verwerpelijk is, soms iets vinden waarvan wij zeggen: “Ja, dat kunnen wij waarderen” dan krijgt het leven inhoud. Het krijgt betekenis en waarde. Wij krijgen banden met de schepping. Wij krijgen een zekere harmonie met hetgeen rond ons bestaat. Wij leven intenser, wij leven beter, we beleven a.h.w. God in Zijn schepping. Laten we weer een voorbeeld nemen: Twee dieven overvallen een man. Ze slaan hem bewusteloos, ze nemen hem zijn aktetas af, waarin zij geld­ vermoeden en gaan heen. Maar nu blijkt dat zij in de eerste plaats de neergeslagen man ergens hebben neergelegd waar hij snel gevonden zou worden en waar hem toch geen kwaad kon overkomen. Dat kunnen wij waarde­ren, dat is sportief. Wij kunnen waarderen dat men het kwaad niet met een onverschilligheid voor het mensenleven heeft bekroond. Wat blijkt verder? Het geld hebben ze uit de tas weggenomen, alle andere papieren hebben zij teruggestuurd, doen vinden of aan de politie doen toekomen. Dan zeggen we weer: Dat is sportief, dat is goed”, dan maken we een fout, want we nu zeggen: de daad (ontvreemding) was binnen de menselijke opvatting van de maatschappij volkomen verkeerd. Gaan we zeggen “dat was slecht”, dan vergeten we dat er zelfs bepaalde goede dingen hebben gezeten in deze daad. Dat er dus geen absolute verworpenheid, geen demonie heerste, maar dat er wel degelijk iets lichters doorkwam. Toch een wil om de mens niet helemaal te verwerpen, maar hem nog even te helpen en te dienen. Daarom moeten wij zeggen: “Kijk eens, wij kunnen de diefstal en de overval niet waarderen, maar wij kunnen wel waarderen dat men  de daad eenmaal gesteld hebbende, de gevolgen daarvan, zoveel mogelijk beperkt heeft en bovendien de ander niet buiten het door‑het‑ik‑begeerde nog andere overlast heeft bezorgd door het achterhouden van bezittingen. Het verschil tussen het oordeel en de waardering is dus betrekkelijk groot. En de les die u daaruit kunt putten, is wel deze: Oordeel niet. Oordeel nooit. Ook niet wanneer men bij u komt met een huishoudmachine of met een auto. Zeg niet: “Deze auto is prima” of “dit huishoudapparaat deugt niet”. Want u weet niet of het voor een ander doel misschien wel zal deugen; of dat het bij een grotere bekwaamheid wel zal deugen. U weet niet of die auto misschien elders slecht zal zijn, omdat zij niet beantwoordt aan de eisen die daar worden gesteld. U kunt geen algemeen oordeel vellen. Vel het niet, maar zeg: “Deze wagen kan ik waarderen. Voor mij voldoet hij.” Zeg: “Dit huishoudapparaat kan ik niet waarderen. Voor mij is het waardeloos.” Dan heeft u de juiste relatie geschapen. Dan heeft u de verhouding t.o.v. uzelf gedefinieerd, zonder daarbij een wereldomvattende mening a.h.w. op te dringen aan eenieder die u ontmoet.

Er bestaat in feite geen goed en geen kwaad. Er bestaat alleen datgene wat van uit ons standpunt aanvaardbaar of niet‑aanvaardbaar is. En dat noemen wij: goed en kwaad. Wanneer wij gaan oordelen, dan betekent dit dat wij onze maatstaf van goed en kwaad willen toepassen op iedereen. Maar dan zou een Eskimo, die gewend is buiten in grote pelzen te lopen, wel eens kunnen zeggen tegen een neger, die in de Sahara woont: “Het is kwaad, dat jij daar zo onbekleed rondloopt.” Dat zou dwaasheid zijn. En omgekeerd zou iemand, die misschien de vrijheid der ledematen zeer op prijs stelt, tegen een Eskimo kunnen zeggen: “Het is zonde wat je daar doet; met een grote pels rondlopen.”

Dat klinkt idioot, daarvan ben ik mij bewust, maar het is waar. Want al zijn mijn voorbeelden dan wat ongewoon en overdreven, in feite zien wij dit elke dag. Wij horen de meester aan Jantje vertellen  dat het slecht van hem is dat hij zijn vriendje eens een opdoffer geeft. Maar weet meester wel hoe vaak Jantje eerst wat van dit vriendje heeft moe­ten verduren? Dat weet meester niet. Meester zegt. Jantje, je bent een slechte jongen,” Maar Jantje heeft toch ook het recht om te leven? Meester klopt Pietje op de schouder en zegt. “Kerel, je hebt weer prima gewerkt. Ik zie allemaal achten en tienen op dat rapport. Jij bent zo’n vent”‘ Maar weet meester wel, dat Pietje zo gemakkelijk leert en dat Jantje die eigenlijk over het hoofd wordt gezien, omdat hij maar net met hangen en wurgen overgaat, veel langer, veel harder, veel intenser en vasthoudender heeft gewerkt, dan Pietje ooit heeft gedaan? Dat weet mees­ter niet. Daarom kan meester geen oordeel spreken. En wanneer hij op een gegeven ogenblik zegt: “Jantje deugt niet en Pietje is een reuze‑jongen” dan heeft hij daarbij een indruk geschapen die volkomen fout is en die bovendien zowel Pietje als Jantje in hun verdere leven kan schaden.

Daar wringt hem altijd weer de schoen. Op het ogenblik dat wij een oordeel uitspreken, zullen wij bewust of onbewust medemensen onrecht aandoen. Dan zullen wij bewust of onbewust harmonieën verstoren, niet alleen voor onszelf, maar vaak ook voor anderen. Dan zullen wij aansprakelijk zijn voor heel wat meer, dan wij beseffen. Daarom zou eenieder eigenlijk voortdurend een bordje in zijn huis moeten hebben waarop met grote letters staat: OORDEEL NIET.