Bewustwording in de grote wereld

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 7) – april 1957

De kleine wereld, die wij omschreven en beschouwd hebben, was een wereld, waarin onze persoonlijkheid een zeer grote rol speelde. In de kleine wereld is het voortdurend je eigen ik, dat je de waarde doet bepalen van hetgeen je omringt. Zelfs wanneer je geheel vrij bent van elke onmiddellijke binding met de kleine wereld, zul je nog altijd van uit jezelf die wereld moeten ondergaan en beleven.

De grote wereld nu is eigenlijk tegenovergesteld hieraan. Want de grote wereld is gebaseerd op de kosmos, de levenskracht, de levende waarde, die in ons allen bestaat. Om deze te doorleven, ons daarvan bewust te worden, zullen wij de gehele persoonlijkheid ‑ dus ook het eigen oordeel ‑ terzijde moeten stellen. Dit houdt in dat alle lagere voertuigen, die nog een vormbewustzijn kennen, bij een dergelijke bewustwording niet redelijk deel hebben aan het proces.

Hieruit blijkt wel dat voor de doorsneemens een bewustwording in de grote wereld moeilijk te bereiken is en ‑ zo ze al bereikt wordt ‑ nog moeilijker is uit te drukken in voor de stof nog enigszins aanvaardbare termen. Het proces van de bewustwording in de grote wereld kan alleen meegedeeld worden volgens mij door een gezamenlijke meditatie, waarbij de waarden der gedachten worden verlaten, de emotionele ervaring van eenheid met het Al optreedt en uit deze eenheid langzaam maar zeker een ver­vlechting van persoonlijkheden ontstaat, die een gezamenlijk omvatten van een deel van de kosmos tot realiteit maken voor elk der deelhebbers. Om nu de behoeften van de mens niet te kort te doen en toch ook in korte punten te omschrijven, hoe de bewustwording in de grote wereld gebaseerd moet zijn, zal ik enkele punten weglaten, waar deze in een menselijke wereld toch tot de onmogelijkheden behoren. In de allereerste plaats een bewustwording in de grote wereld is een het‑ik verliezen in de Al‑persoonlijkheid of de Algeest. Dit kan tijdelijk ‑ soms ook voor langere duur ‑ worden gerealiseerd en zal alle voertuigen, die op lager vlak bestaan, dan tot onmiddellijk voertuig maken van deze grote Kracht.

Ten tweede: Elk één‑worden met de krachten van het Al betekent gelijktijdig een in zichzelf verwerven van alle waarden, die in het Al zijn gelegen. Het bewustzijn van de grote wereld impliceert een volledig bewustzijn omtrent alle waarden, die eens bestaan hebben of zullen bestaan volgens menselijk begrip, in het ik, waar ‑ in het verband met de grote wereld ‑ dit gehele bewustzijn wordt afgedrukt in de persoonlijkheid.

Punt drie: In een bewustwording in de grote wereld gaat het ik niet ten onder, maar wordt teruggebracht tot zijn oorspronkelijke functie: Een klein deel van een groot geheel met nauw omschreven taken, maar gelijktijdig een bewustzijns mogelijkheid die het geheel omvat.

En dan als laatste punt: De bekroning, die wij kennen, van een bewustwording in de grote wereld, is het opgaan in God. De grote wereld omvat dus in haar mogelijkheden alle werelden, van de hoogste tot de laagste. Er is geen aparte bewustwording voor elke wereld te omschrijven in verband met de grote wereld. De grote wereld dringt door in alle kleine werelden en zal dus in elke kleine wereld gelijkelijk gerealiseerd kunnen worden, waarbij het persoonlijk bewustzijn op de duur zo zeer aan de grote wereld kan beantwoorden, dat de kleine wereld verlaten wordt, zelfs wanneer een deel van de vroegere persoonlijkheid nog actief in die wereld blijft.

Waar ons pogen in de kosmos één te zijn met alle dingen een directe band met alle dingen inhoudt, zal het ons vaak zeer moeilijk zijn een zuiver stoffelijk of zelfs in de vormwereld geestelijk bestaan aan te passen aan dit bewustzijn. Vandaar dat een bewustwording in de grote wereld, vanuit het standpunt der lagere werelden, een verliezen is van het ik, een versmelten van het ik of een opgaan van het ik in een grotere ikheid.

Dit is echter slechts ten dele waar. Want ofschoon de uitdrukkingswaarden, zoals die in het onvolmaakte voor het ik nog bestonden, wegvallen bij de eenheid met de grote wereld, zal die eenheid met alle krachten, dus ook met alle door ons opgesomde krachten, die gezamenlijk de werelden regeren en beheersen, ons de uiting “volmaakt” doen geven. De uiting is volmaakt, omdat de Alkracht met Zijn volledig bewustzijn onze uiting beheerst. Wij zijn dan voertuig geworden van de Alkracht, maar gelijktijdig hebben wij een volledig bewustzijn, zowel omtrent de Alkracht als omtrent hetgeen door ons wordt volbracht in eenheid met de Alkracht.

Alle realisatie, die in de grote wereld plaats vindt, is volmaakt d.w.z. alomvattend en albeheersend. Een bewustwording in de grote wereld betekent dus gelijktijdig een vergroting van onze beheersing, van onze kracht en ons vermogen. Waar echter de ikheid opgaat in de grote Wil, zal de kracht in het ik dan in overeenstemming gebruikt worden met de grote Wil. Wanneer deze processen zich voltrokken hebben, kunnen wij zeggen dat voor ons hemel en aarde niet meer bestaan. Voor ons bestaat alleen de Wil, waarvan wij nog de uiting zijn.

Om echter tot een dergelijke toestand te geraken, is het noodzakelijk dat men eerst de kleine wereld leert beheersen. Heeft men de onthechting, die in de kleine wereld ook noodzakelijk is, bereikt, dan is het noodzakelijk zich een beeld te vormen van de hogere krachten. Dit beeld wordt verworven door de zuivere en onpartijdige beschouwing van alle levenswaarden – geestelijk zowel als stoffelijk – die kenbaar zijn. Men ziet dan in het gehele leven een reeks van richtlijnen, een reeks van wetten, die veel verder reiken dan de kleine wereld, die wij kennen en waarin wij beheersingsmogelijkheden voor onszelf vinden.

Als resultaat zullen wij kunnen streven naar dit hogere beeld. Dat betekent op de duur zelfs de waarnemingen, waaruit het bewustzijn eerst werd verworven, verwaarlozen. De waarneming is een bijkomstigheid, evenals de beleving. Het streven wordt hoofdzaak.

Zo is het mogelijk een bewustwording in de grote wereld uit te drukken als een volledige inzet van de wil in één richting, met uitschakeling van alle bijkomstige factoren, waardoor deze wil een contact verwerft met grote krachten die volmaakt zijn. De wil moet dan ook nog in staat zijn bij bereikt contact het eigen ik om te stellen als een uiting van de grote kracht, die men nu eenmaal heeft ervaren en bereikt. De consequenties hiervan zijn van uit de verschillende werelden als volgt:

Materie, o.a. aarde: Een wegvallen van de levensmogelijkheid op deze aarde, zodra de taak die men op aarde voor zichzelf gesteld ziet door het Goddelijke, is volbracht. Het verdwijnen zal echter niet plaats vinden door een normale dood of overgang, maar ofwel door een volkomen uitblussing, dan wel door een directe transformatie, waarbij de eigen materie wordt getransmuteerd tot fijnere en zo het werkingsbereik in andere werelden wordt vergroot, terwijl de zichtbare en stoffelijke benaderingsmogelijkheid van de materiële wereld tijdelijk teloor gaat. Zij kan wel zij – het niet voortdurend ‑ gerealiseerd worden. De enige uitzondering hierop: indien de goddelijke Wil deze uiting op aarde doet weerkeren.

Van uit de lagere sferen (gerekend hieronder zowel astraal gebied, mentaal gebied, als de eerste lichtsferen), waar vormen hier reeds de gedachten volgen, zal het eerste verschijnsel zijn een totale verandering van de wereld, die zo sterk wordt gehandhaafd, dat alle persoonlijkheden die hiermee in contact komen, de sereniteit hiervan ondergaan. In deze wereld volgt een sublimatie van het ik, waarbij elk vormbewustzijn teloor gaat, maar eigen activiteit ‑ als resultaat van het willen één‑zijn met de Volmaakte, met het Goddelijke ‑ zeker blijft voortgaan, waarschijnlijk in het begin normaal. Langzaam maar zeker treden veranderingen in, waarbij de persoonlijkheid ‑ zich volledig bewust van het Goddelijke ‑ in zijn eigen wereld en sfeer gelijk leidsman en baken kan worden voor anderen.

In de niet‑meer‑vorm‑kennende sferen, dus de hogere lichtsferen, die nog de entiteit afzonderlijk en begrensd erkennen, ligt de zaak als volgt: De persoonlijkheid, die hier het contact zoekt en vindt met de grote wereld, zal als resultaat hiervan zijn eigen persoonlijkheid versmelten met elke persoonlijkheid die in de nabijheid te vinden is. In deze versmelting wordt de emotie, de beleving en de ervaring, die het ik heeft doorgemaakt, aan anderen zo volledig mogelijk overgegeven. Wanneer de eenheid volledig bereikt werd, zal het oorspronkelijke voertuig (dus het vorm begrensde ik) zich voor de anderen oplossen, terwijl dit ik zich gelijktijdig blijft uiten in al degenen, die deel konden en wilden hebben aan het ervaren, dat tijdens het bewustzijn van de grote wereld optrad.

Daarboven gelegen werelden kan ik u helaas niet beschrijven. De consequenties, die dus een bewustwording in de grote wereld voor ons heeft, zijn vele. In de eerste plaats houden zij in: Een verlies van onze eigen wereld. Een verlies van onze eigen persoonlijkheid en al datgene wat daarvoor op het ogenblik nog belangrijk is. Het is een volledige opoffering en overgave aan het Goddelijke, gepaard gaande met een volledig beleven van het Goddelijke, dat in het bewustzijn zeer sterk wordt uitgedrukt, maar niet meer wordt gerealiseerd als een functie van het ik, doch slechts als een functie van het Goddelijke.

Indien u zich de moeite wilt getroosten deze woorden te herlezen, dan zult u zien dat ondanks hun beknoptheid zij zeker een richtlijn inhouden voor een streven, dat misschien aarzelend in deze wereld begon­nen kan worden, maar dat zijn voltooiing voor praktisch allen van ons, zeker eerst zal kunnen vinden in een van de hogere sferen, waarin vorm niet meer gekend wordt.

Enige gegevens over het astraal gebied

Onder astraal gebied verstaan wij een wereld die zeer fijnstoffelijk is. In vergelijking tot vaste materie zou men kunnen spreken over gasvormen, maar nog niet ontbonden in kleinste delen zonder meer. Er bestaan n.l. nog krachtvormen, die ‑ als straling tot uiting komende ‑ boven het astrale gebied liggen en toch nog materieel zijn. Over het astrale gebied dan het volgende:

Het bestaat uit los‑gebonden materie, die door haar eigen onderlinge verhouding geleider is voor bepaalde krachten, die binnen frequenties vallen van ongeveer het gedachteveld. Het zijn dus nog in angström meetbare waarden.

Dit astrale gebied doordringt praktisch alle materie en vormt een band met de buitenwereld. Deze band met de buitenwereld moet u zich dus voorstellen als een contact, dat reikt naar andere krachtgebieden en vormgebieden die vager zijn en niet bevattelijk voor de mens die op aarde leeft.

In de mens treedt het astraal gebied betrekkelijk scherp op, omdat hij als drager van zijn gedachte een zeker fijn‑materieel iets nodig heeft, dat in staat is deze gedachte buiten hem in de wereld uit te zenden en omgekeerd, te ontvangen. Alles wat dus behoort tot de gave van helderziendheid, helderhorendheid en verdere paranormale gaven berust over het algemeen op werkingen, die direct met astrale waarden samenhangen.

In het astrale gebied zelf is echter de materie ‑ deze fijne materie ‑ zo weinig vormvast, dat zij als amorf beschouwd kan worden. Zij kan elke willekeurige vorm aannemen. De vorm die wordt opgelegd, wordt in deze wereld bepaald door een spanning, dus door een zekere veldsterkte. De groepering gebeurt ongeveer zoals ijzervijlsel zich groepeert onder invloed van een magnetisch krachtlijnenveld. Het resultaat is, dat elke gedachte die in zich een scherp en begrensd beeld vormt, automatisch zich zal spiegelen in de haar omringende gebieden van het astrale bereik. Elke vorm, die op het astrale tot uiting komt, is in feite een waan, voor zover het een stoffelijke realiteit aangaat. Zij is een werkelijkheid, voor zover het een gedachte betreft. Als gedachte kan verder worden gesteld, dat zij de weerkaatsing is van een waarde, die binnen een bewustzijn‑hebbend wezen geboren is.

Wanneer wij het astrale gebied van uit het stoffelijke moeten benaderen, dan krijgen wij te maken met spanningen van microvolt, met stromingen, die kunnen lopen van micro ampères tot honderdste ampères; en daarbij fluctuatiewaarden en trillingswaarden, die kunnen lopen van ongeveer 2/100 angström tot ongeveer 23 angström. Er zijn dus inderdaad grote variaties mogelijk binnen dit gebied en het omvat betrekkelijk veel.

Voor de mens kan normalerwijze gezegd worden, dat de zich binnen hem bevindende en gedeeltelijk rond hem bevindende astrale materie de vorm aanneemt van zijn lichaam, waar het ik‑bewustzijn dit lichaam vereenzelvigt met het ik en tot basis maakt van het denken. De stroomwaarden, die daarin optreden, liggen over het algemeen rond de 2 tot 3 duizendste volt, en de 2 tot 3 duizendste ampère. Ze zijn dus microwaarden,

Onder emotionele toestanden echter kan de spanning zozeer worden verhoogd, dat stromen kunnen optreden die zelfs 1/10 ampère benaderen, terwijl de spanning in enkele gevallen t.o.v. de omgeving steeg tot honderdvoud de grondwaarde omgeving. Hieruit blijkt wel, dat in de mens juist de astrale waarde als een zeer variabel iets optreedt. Dit is te danken aan het feit dat aan het celweefsel zekere krachten onttrokken kunnen worden voor het astrale, die tijdelijk op dit gebied getransponeerd daar geuit worden.

Het astrale gebied, staande onder de indruk en invloed der gedachten, kan blijven voortbestaan voor de mens, nadat zijn lichaam uit zijn bewustzijn is uitgeschakeld, dan wel teniet gaat. In dit astrale gebied zal dan zijn ik‑voorstelling ‑ gebruik makende van een hoeveelheid astrale materie, die hij voortdurend binnen zijn eigen vorm heeft samengebracht ‑ een volkomen belichaming geven. Een belichaming, waarmee gehandeld wordt als met een stoffelijke. Onder gunstige condities, wanneer voldoende spanning uit omringende mensen, wezens, of zelfs uit de omgeving zonder meer onttrokken kan worden, is een verdichting van de astrale materie mogelijk, die haar in staat stelt om zuiver materiële waarden te benaderen, te beroeren en eventueel daarop invloed uit te oefenen.

Waar het astrale gebied voor de mens dus een deel van zijn wezen uitmaakt, dienen wij ons te realiseren, dat daarnaast andere wezens kunnen leven en bestaan, wier bevoertuiging alleen astraal is. Zij zullen dan op dit vlak de mens ontmoeten, eventueel met die mens kunnen werken of die mens kunnen beïnvloeden.

Waar dit astraal is, is het semi stoffelijk. De waarden, die van uit dit gebied komen, zullen dus nooit hooggeestelijk zijn of alleen denkbeelden bevatten. Zij gaan gepaard met daadprikkels, daadstellingen, of kleine gebeurtenissen, enz.

Om van uit jezelf dit astraal gebied te realiseren, zou je afstand moeten doen van je stoffelijke werkelijkheid met een bijbehouden van je persoonlijkheidsvoorstelling. Hierdoor sluit je n.l. een ogenblik je eigen wereld uit, terwijl je ‑ jezelf kennende, zoals je bent ‑ de begrenzing van de astrale materie in jezelf voortdurend nog scherp tekent. Zo treed je dan als astraal wezen astrale invloeden tegemoet.

Vallen deze astrale invloeden binnen datgene wat stoffelijk realiseerbaar is, dan zullen de indrukken daarvan optreden als een soort van droom, een dagdroom; of vaak ook als een emotie, waarvan de oorzaak niet geheel duidelijk is. Dit laatste treedt echter vooral op, wanneer geen zuivere herinnering wordt meegebracht uit het astrale naar het zuiver stoffelijke, terwijl de toestand zelf ook in het lichaam nog gerealiseerd wordt. Dit weer door de spanningsverhouding die bestaat tussen de cellen van het lichaam en het astraal lichaam, dat zich in dit lichaam beweegt.

Waar de materie in het astraal gebied zo weinig vormvast is, rijst wellicht de vraag, hoe men zich de omgeving daar voorstelt. Qua vormen is de astrale wereld voor de doorsneemens het duplicaat van die waarden, die hij in zijn eigen wereld scherp omschreven kent. Met andere woorden een wereld, die gelijk komt aan alle beelden, die in hem leven. Verder blijft zij enigszins mistig, dus er is geen vast‑getekende‑einder. Er is niet vast te stellen, waar de vorm ophoudt en het vormloze begint, of omgekeerd.

Opmerkelijk is verder, dat de gedachte, die in de mens leeft en niet door hem als deel van zijn persoonlijkheid wordt erkend, door hem in dat astraal gebied juist vaak wordt beleefd als een buiten hem staande waarde. Zo zal menig mens voor zichzelf zekere impulsen ontkennen en deze buiten zich zien als levende wezens. Wanneer een dergelijk wezen echter niet door één maar door meerderen wordt gezien in ongeveer dezelfde vorm of verhouding, dan zal het beeld, dat door hen astraal ervaren wordt, een composietbeeld zijn dat de eigenschappen, die allen daaraan toeschrijven, ongeveer gelijkelijk in zich draagt, daarbij alleen die eigenschappen eliminerend, die door sommigen van de denkers worden tegengesproken. Het wezen krijgt dan een eigen gestalte en eigen geaardheid.

Naarmate men aan dit wezen meer aandacht schenkt, dus meer van zijn gedachten daaraan wijdt, zal het ook een meer zelfstandig leven gaan voeren. Dit laatste is begrijpelijk, want waar de invloed van meerderen het beeld in stand houdt en het beeld als geheel door allen is aanvaard, is de controle van de eenling over dat beeld aanmerkelijk verminderd.

Op de duur kunnen composietbeelden ontstaan met een buitengewone kracht en activiteit, die zelfs een stoffelijke bevoertuiging tijdelijk kunnen simuleren (dus in de vorm van een mens of een materialisatie op aarde zouden kunnen verschijnen) en die gedurende zeer lange tijd een bestaan kunnen voeren. We moeten ons echter realiseren, dat deze astrale vormen dan slechts bezield zijn door de gedachten die er aan worden gewijd. Op deze wijze zien wij dus inderdaad vele schijnwezens optreden, maar we mogen niet de fout begaan aan te nemen dat zij waan zijn. Op astraal gebied hebben zij inderdaad krachten en machten. En zijn zij dan ook niet vrij in hun handelingen, maar worden zij daarin bepaald door de ingelegde waarden, zo zullen zij desalniettemin handelen als een realiteit en ons zo kunnen beïnvloeden.

Verder mag u niet concluderen, dat u al wat u denkt, daar kunt zien. Want hier hebben we te maken ‑ zoals gezegd ‑ met fijne materie en er is dus een zekere intensiteit van gedachte nodig, voordat gesproken kan worden van werkelijk zien of waarnemen. In andere sferen, die boven of onder het astraal gebied liggen (dus lichte of duistere sferen, waar geen materie is), wordt het gedachteleven automatisch geuit en ziet men buiten zich alles wat men denkt. U moet dat niet met elkaar verwarren. Alleen hetgeen sterk in u leeft en door u toch niet als deel van uzelf wordt erkend, zult u in het astrale buiten u zien als vorm.

Die andere gebieden, zoals bv. Nevelland, bevatten het astrale niet meer in zich. Het is ijler qua substantie, d.w.z. in het Nevelland treden krachten op, die niet meer in vaste materiële schema’s geacht kunnen worden gebonden te zijn. Qua ervaringen kan het er soms boven, soms beneden liggen. Anders gezegd: de astrale wereld is een uitingswereld, Nevelland een bewustzijnstoestand.

Ik hoop dat deze samenvatting het voor u iets begrijpelijker maakt, wat we met astraal gebied bedoelen