Bewustwording in de kleine schepping

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 6) – maart 1957

Wanneer wij zoeken naar een bewustwording en onszelf als doel stellen een volmaakte beleving, die overeenkomt met een opgaan in of een-zijn met God, dan dienen wij ons eerst onze eigen werelden te realiseren. Uit voorgaande onderwerpen heeft u kunnen vernemen, dat wij onze wereld gescheiden zien in een wereld van grote goden en van kleine goden. Zo bestaat er dan ook een grote wereld en een kleine wereld.

De grote wereld omvat delen van de kosmos en is direct gerelateerd met het Oneindige. In de grote wereld vinden we de kosmische waarden scherp uitgedrukt als wetten en zien wij minder het persoonlijk element optreden, dan in een kleine wereld mogelijk is. De kleine wereld met zijn kleine goden, met zijn kleine krachten is voor ons de wereld van de persoonlijke beleving. Om nu een bewustwording te beschrijven, die voor de mens mogelijk is, waarvan alle elementen voortdurend binnen het vermogen van de mens liggen, moeten we allereerst teruggrijpen naar het persoonlijke. En dus ook naar de kleine wereld.

Die kleine wereld bestaat uit verschillende waarden, die tezamen de mens vormen als deel van de kleine wereld. Zij zijn achtereenvolgend: de materie, de harmonie der materie, het astraal gebied of de semi materie, het mentaal gebied of de herinnering en het weten der materie; en daarboven ‑ de factor, die ook in de grote wereld geldt ‑ de geest met zijn verdere voertuigen en als kern daarvan de ziel.

Onze benadering van de kleine wereld moet geschieden van uit de laagste trap. Het is onmogelijk onmiddellijk in het hoogste te beginnen. Wel mogen wij trachten ons te realiseren, waar ons uiteindelijk doel ligt. Maar hebben wij ons dit gerealiseerd, dan zullen we moeten terugkeren tot het begin, de stof.

Bewustwording in de stof. In het lichaam zijn een aantal vaste normen uitgedrukt. Zij komen tot uiting in de vorm daarvan, in de samenstelling daarvan. Deze normen komen overeen met onze mogelijkheden binnen onze wereld. Enkele voorbeelden: het reversible zijn van de duim maakt het mogelijk, dat de mens een technische beschaving doormaakt en een technische wereld opbouwt. De plaatsing van zijn ogen en zijn wijze van voortbewegen, bestemmen hem voor om kunstmatige middelen aan te wenden en zo zijn beheersing over de stof te vergroten.

Dit lichaam moeten wij ons niet alleen maar realiseren als een voertuig zonder meer. Wij moeten er ons van bewust zijn, dat het door zijn vormgeving, zijn wijze van werken, voor een groot gedeelte bepaalt wat wij in de stof kunnen doen en moeten doen. Het is natuurlijk mogelijk dit kunnen doen en moeten doen even scherp te omschrijven. Ik moet dit echter doen vanuit het standpunt van een hoger voertuig, waar materie in zichzelf zijn doel vervult door materie te zijn. Vanuit mentaal gebied gezien is de taak van de stof en de bewustwording in de stof gelegen in deze waarden:

  1. Het kennen van de stof, het kennen van haar mogelijkheden en het gebruiken van haar mogelijkheden.
  2. Het aanpassen van de eigenschappen van de stof aan verlangde mogelijkheden, die buiten het onmiddellijk bereik van deze stof, deze lichamelijke vorm, liggen.
  3. Het scheppen van een samenhang tussen eigen materie en de materie der omgeving.
  4. Beheersing van deze materie door de hogere vorm van bewustzijn, die dan in het mentaal gebied wordt uitgedrukt voor het zuiver materiële

Is dit bereikt, dan zijn we wat verder gekomen, maar nog niet ver genoeg. Want om werkelijk iets te kunnen presteren met het stoffelijk lichaam, is het noodzakelijk dat wij de harmonie van de stof voor onszelf bereiken. Deze harmonie berust op een samenwerking van de volgende waarden:

  1. Spierweefsels, ofwel -cellen.
  2. De beide zenuwstelsels.
  3. Bloedsomloop.
  4. Interne secreties.

Deze factoren zijn sterk van elkaar afhankelijk. Slechts wanneer een juiste en harmonische verhouding is ontstaan, kan met het spierweefsel tijdig worden gereageerd, zullen de weefsels op de meest rendabele manier zijn opgebouwd, zullen zij zo groot mogelijke kracht en zo scherp en juist mogelijke reactie in richting en plaatsing kunnen bereiken. Het opbouwen van een lichamelijke harmonie is een perfectioneren van het voertuig, waarin nu eenmaal de bewustwording van de kleine wereld zich voor een groot gedeelte afspeelt. Is dit bereikt, dan heeft de mens dus een werktuig geschapen, dat in staat is aan praktisch alle omstandigheden der wereld redelijk tegemoet te komen. Hij zal hierdoor in staat zijn zich binnen de beperkingen der materie vrijelijk te bewegen en zijn bewustwording onafhankelijk van zijn lichamelijke toestand te doen plaats vinden, volgens zijn eigen verlangen en bewustzijn.

Dit bewustzijn echter berust voor een groot gedeelte op het denken. Het denken is natuurlijk opgebouwd uit stoffelijke realisaties. Maar deze realisaties, die misschien een verbleekte schim uit het verleden zijn volgens zuiver stoffelijke waardering, zijn veelal gelijktijdig een realiteit in de astrale wereld. U moet zich dus voorstellen, dat elk probleem dat in u leeft, op astraal gebied een demon kan zijn die u kwelt. Elk verlangen, dat in u leeft en niet beheerst wordt, is op astraal gebied wederom een demon die u kwelt. Elke bereiking van iets goed, elk weten omtrent goede handelingen, goede gedachten, bouwt op astraal gebied een invloed op, die wij hemels zouden kunnen noemen en die het demonische neutraliseert.

De conflicten, die men vaak meent te erkennen tussen, bewustzijn en onderbewustzijn, worden op astraal gebied veelal veruiterlijkt. Zij worden dus buiten de mens geplaatst en door die mens ervaren als een buiten hem staande werkelijkheid. Wanneer wij een goed voertuig hebben, dan zal dit gehele voertuig ingesteld moeten zijn op het scheppen van een astrale vrede, waarbij het eigen astraal lichaam ‑ iets wat veel overeenstemming heeft met het stoffelijk voertuig en geneigd is de eigenschappen daarvan te imiteren – dus geheel afgesteld moet zijn op harmonie, innerlijke vrede.

Is dit bereikt, dan zijn wij op twee gebieden gelijktijdig in staat te ervaren en te handelen. De ervaring, die wij opdoen op astraal gebied, wordt geprojecteerd in onze stoffelijke beleving. Omgekeerd zal elke stoffelijke beleving verwerkt worden tot een nieuwe houding t.o.v. de erkende astrale …..(door hoesten onverstaanbaar).

Heb ik nu zowel het astraal gebied als het materiële gebied onder mijn beheersing gekregen, dan is het mogelijk datgene uit te drukken, wat in mijn bewustzijn ‑ het totale bewustzijn ‑ rust. Ik vind dit in het mentale gebied, het hoogste gebied, dat tot de kleine bewustwording alleen behoort.

Het mentaal gebied kan worden voorgesteld als een totaliteit van weten en ervaring, gebonden aan vormwaarden. Zodra dus niet meer stoffelijk redelijke elementen optreden, zodra geen vergelijking meer mogelijk is tussen vormen, impulsen en bewegingen, houdt het mentale op te werken. In de kleine bewustwording echter, de bewustwording van onze kleine wereld, zullen wij altijd gelimiteerd blijven juist door dit vormbewustzijn en dit vormdenken.

Wat speelt zich nu af wanneer wij in die kleine wereld bewustwording zoeken? In de eerste plaats bestaat er in de kleine wereld een directe relatie tussen delen der schepping en de z.g. kleine goden. Deze kleine goden zullen hun eigen wil afdrukken op de schepselen die aan hen onderdanig zijn. Wij kunnen ons niet geheel van hun invloed vrij maken, waar zij ‑ zo ze ons misschien niet kunnen beheersen ‑ meester zijn van de omgeving, waaraan wij nog volgens ons bewustzijn gebonden blijven. Het eerste probleem is dus: het benaderen van onze kleine goden, het erkennen van hun geaardheid, opdat wij in de verschijnselen rond ons zullen beleven, wat zij zijn en zullen leren hun houding t.o.v. onszelf van te voren a.h.w. vast te leggen.

Deze gehele wereld wordt nog beheerst door tijd; en tijd in drie verschillende elementen. In de eerste plaats de stoffelijke en dus geforma­liseerde tijd. In de tweede plaats de astrale tijd, die onmiddellijk gere­lateerd is met ruimtelijke verhoudingen. In de derde plaats de mentale tijd, die gebonden is aan het optredend aantal belevingsmomenten. Deze drie tijdsnormen vloeien voor ons tezamen tot een ervaring. Maar in elk van deze ervaringsfactoren zal de uiting van de kleine goden anders zijn. Onze reactie in de stof mag dus nooit alleen gebaseerd zijn op de waarde van geestelijke krachten, die in de stof werken. Wij moeten gelijktijdig hun betekenis zien in zowel astraal als mentaal gebied.

Dit kunnen wij alleen leren door met een beheerst lichaam, waarin wijzelf een harmonie hebben geschapen, de stoffelijke waarden vast te stellen en gelijktijdig de astrale belevingen, die daarmee parallel lopen, hiermee te vergelijken Daardoor is het van mentaal gebied uit mogelijk deze twee factoren te beschouwen en gelijktijdig eigen houding daartegenover te bepalen. In eigen houding ligt de werking van de kleine goden op het mentale gebied inbegrepen.

Redelijkerwijze gezien kan de mens al deze dingen ogenblikkelijk verwerkelijken. De moeilijkheid is echter, dat hij zich de wijze van verwerkelijking niet kan voorstellen. En dit is begrijpelijk. Wie leeft in een kleine wereld, is zozeer gebonden aan de waarden daarvan, dat hij niet kan leren zichzelf los te maken en als beschouwer ‑ zonder deel te hebben ‑ tegenover die werelden te staan. Het resultaat is, dat hij door zijn emotie en zijn schijnbaar opgelegde belevingen gedrongen, voortdurend valse waarderingen vindt. Bewustwording in de kleine wereld houdt dan ook de volgende noodzaken in, wat betreft eigen houding t.o.v. die wereld:

Een algehele onthechting aan alle waarden die permanent lijken in die wereld. Dit houdt zowel in: een gehecht zijn aan goederen, aan dieren en mensen, als een gehecht zijn aan geloof, abstracte waarden en dergelijke. Men moet onthecht zijn, deze dingen doorleven, maar ze niet maken tot basis van eigen beleven.

Deze onthechting als eerste punt vraagt veelal jaren van streven. Is zij bereikt, dan kunnen wij van buitenaf de wereld beschouwen zonder werkelijk deel daarvan te zijn, terwijl wij gelijktijdig onze rol daarin toch spelen. Hieruit vloeit dan voort, dat onze wereld ons een voortdurende openbaring wordt van alle krachten, van goden en demonen, die in die wereld optreden. Op astraal gebied zullen wij dus krachtens dit weten trachten de voor ons nu kenbaar geworden tegenstellingen te projecteren van uit onszelf, en voor onszelf – waar wij scheppende macht zijn op het astraal gebied – een evenwicht tussen deze krachten te scheppen.

De bewustwording is niet gelegen – zoals men foutievelijk vaak aanneemt – in een alleen vergaren van ervaringen en feiten, maar in het vinden van een evenwicht, waarbij ervaring en feiten het ik steunen, zonder het ik te beroeren en in waarde te veranderen. Omtrent dit laatste zou ik enige opmerkingen willen plaatsen, die niet onmiddellijk met mijn onderwerp samenhangen.

Ik – in zijn wezen – staat boven de grote en de kleine schepping. Het is als deel daarin weliswaar aanwezig, maar zijn kern ligt onmiddellijk boven deze werelden in de alleen-Schepper of Alkracht. De daaronder als scheppend optredende krachten verwerven dus hun wezen en vermogen uit dezelfde Bron, waaruit de mens dit verkrijgt. Het resultaat is dus dat de mens krachtens de kernwaarde, die in hem ligt, zich onttrekken kan aan de directe beïnvloeding door zowel de grote als de kleine schepping. Het feit dat hij deze eigenschap bezit, maakt het voor hem mogelijk zich te verheffen boven de kleine goden, zich op gelijke voet te stellen met de grote goden en uiteindelijk van uit het gewonnen begrip – dit laatste punt – over te gaan tot de Algeest.

Ik heb dit even genoemd om u duidelijk te maken hoe de samenhangen in feite zijn. Zijn wij in die laatste toestand gekomen, ja zeker, dan is het tijdloze onze realiteit. Dan is het voor ons te verwerkelijken, ongeacht hoe onze voertuigen op dat ogenblik zijn, ongeacht de werelden waarin onze uiting plaats vindt.

Dit is voor ons erg prettig, want buiten de tijd is al ons zijn en zijn al onze momenten van bestaan gelijktijdig. Wij kunnen ons dus niet ontdoen van die waarden, maar wij kunnen ze op een andere wijze realiseren.

In de kleine schepping is het ons nog niet mogelijk ook maar een flauw begrip te krijgen van de werkelijke betekenis van hetgeen ik hier zeg. Wel kunnen wij opgroeien, zodat de kleine goden voor ons worden tot krachten, die wij kennen, eventueel zelfs hanteren. Wij weten wat hen beroert, wat hen tot hun werken brengt. Indien wij dit weten, kunnen wij ook trachten hun werken te leiden door onze eigen invloed, handelingen en daden, zodat zij met ons tezamen of – zo u wilt – wij met hen in de schepping bepaalde elementen brengen, die wij voor onze eigen bewustwording noodzakelijk achten.

Zoekende naar de bewustwording in de kleine wereld, zullen wij een aanvang moeten maken met het trainen van ons lichaam. Maar de directe relatie, die bestaat tussen ons stoffelijk denken en het lichaam, brengt een scholing met zich mede, die gelijk met het lichaam, althans de reacties van het lichaam, die in het denken verwerkt worden, doet beheersen. De trainingen die hiervoor bestaan, zijn van zeer verschillende geaardheid. Wij zien o.a. yoga training optreden. Daarnaast vele meditatieve oefeningen die, gepaard gaande met houdingen, bezigheden, ja zelfs met zuiver lichamelijke vermoeidheid (bereikt op dan nauw‑omschreven wijze) alle tezamen natuurlijk kunnen meewerken. Maar ik voor mij geef er de voorkeur aan de volgende methode toe te passen, die ik u hier ter beschouwing voorleg:

In de eerste plaats zal men moeten leren dit streven onafhankelijk te stellen van de z.g. stoffelijke noodzaken. Een lichaam, dat gezond moet zijn, moet voldoende beweging hebben. Men let er op dat het deze krijgt. Deze beweging moet echter gepaard gaan met een uitschakelen van problemen, die normalerwijze het denken beheersen. Ik geef hiervan het volgende voorbeeld (ieder kan dit naar eigen behoefte dus wijzigen):

Ik ga een wandeling maken en leg mijzelf op deze in de vrije lucht te maken voor een periode van een half uur. Ik leg mijzelf daarbij een zeker ritme op, maar zal gelijktijdig deze wandeling gebruiken om zoveel mogelijk alle dagelijkse beslommeringen van mij af te zetten. In het begin zal mij dit moeite kosten. Ik kan als eerste rem komen te staan tegenover het feit, dat ik eigenlijk geen tijd heb voor die wande­ling. Vandaag gaat het wel, morgen gaat het niet. Ik zal eerst deze moe­ten overwinnen en zo voor mijzelf de regelmaat van mijn oefening moeten verzekeren. Zelfs dan zal blijken, dat ik gedurende deze wandeling pro­blemen overdenk die in directe samenhang liggen met mijn eigen wereld, mijn eigen bestaan.

Nu kan ik niet al wandelende mij verzinken in kosmische waarden. Want ik wandel in een wereld die van mij een zekere oplettendheid eist tijdens het mij verplaatsen. Als resultaat mag mijn denken vaag en fragmentarisch zijn, mits het elke beslommering, die met het dagelijks leven in verband staat, verwerpt.

Heb ik deze oefeningen eenmaal enige tijd doorgevoerd, dan zal ik beginnen mijn lichaam ook verder te trainen. Dat wil zeggen: ik ga oefeningen maken, die er op gebaseerd zijn elk deel van het lichaam afzonderlijk te ontwikkelen, te prikkelen, de nodige soepelheid, de nodige kracht te verschaffen.

Voor sommigen lijkt het een paskwil iets dergelijks voor te schrijven. Men zal zeggen: Wanneer je nu al 60 of 80 jaar bent, wat heeft het dan nog voor nut deze dingen te doen? Ik wil u onmiddellijk toegeven, dat u niet dezelfde resultaten hiermee behaalt als een jonger mens. Maar het feit op zichzelf dat u dit doet, is een prikkel, die zich richt op activiteit in het lichaam en ook uw gedachteleven hiermee bezig doet zijn. Hierdoor alleen reeds bevordert u een harmonie in uw lichamelijk gestel. Want het feit dat u zich oefent in de beheersing van spierdelen, van lichaamsdelen, brengt met zich mede dat onwillekeurig reeds de bloedsomloop, de interne secreties en ook de reacties van het zenuwstelsel worden aangepast aan een betere toestand van het spierweefsel, dan in feite aanwezig is. De samenwerking maakt dus reeds een grotere lichamelijke harmonie mogelijk en zal zeker indien men ‑ ook wat lichamelijke begeerten betreft ‑ zich matigheid weet op te leggen, als gevolg een verbetering geven van de algehele toestand, gepaard gaande met een helderder, scherper denken.

Het laatste is belangrijk. Eerst wanneer wij zo ver zijn gekomen, dat wij inderdaad vlug, scherp en zuiver denken, wordt het voor ons tijd ook aan de scholing van ons gedachteleven enige tijd te gaan wijden. Deze training zou volgens mij het best op de volgende wijze kunnen geschieden:

Afwisselend oefent men zich in het vasthouden van één bepaalde voorstelling en in het voor zichzelf ontwikkelen van mogelijkheden, gekoppeld aan een bepaalde voorstelling. Hierbij tracht men zoveel mogelijk voor zichzelf raadselen te stellen. Deze mogen van filosofische geaardheid zijn, maar evenzeer met een meer technische inslag gekozen worden. De keuze is dus weer betrekkelijk vrij.

Het scherp doordenken van het probleem moet gepaard gaan met een scherp formuleren, zowel van het probleem als van het door het ik via het denken bereikte eindresultaat. Daardoor verandert de denkgewoonte en komt men tot hetgeen onze vrienden rationeel denken noemen. Dit den­ken is dan de basis, waarop wij een benadering van de beide andere gebie­den kunnen doen plaats vinden.

Nu mijn denken scherp geschoold is, mijn lichaam in staat is in zich harmonisch te zijn, zal ik beginnen met dit lichaam te vermoeien, tot een grens waarop rust en dus ontspanning voor dit lichaam uitermate begeer­lijk is. Gelijktijdig zal ik mijn denken richten op astraal gebied, dus op belevingen, die liggen buiten mijn eigen wereld, blijkt dan dat een voorstellingswereld wordt opgebouwd, die ongeveer identiek lijkt met de wereld die ik ken, maar waarin – naarmate ik ze scherper beschouw – steeds meer verschillen met het mij bekende optreden. Vooral deze verschillen nagaande krijg ik een beeld, dat mij een indruk geeft van veranderingen, die voor mijzelf plaatsvinden wanneer ik mij ga bewegen in het astraal gebied. Ik moet hier nog steeds blijven overwegen, natuurlijk. En zo zal ik – terugkerende in de stof – mijn oefeningen van het stoffelijke paren aan meditaties over hetgeen ik astraal beleefd heb.

Dit klinkt waarschijnlijk voor velen van u moeilijk. Ik kan u verzekeren dat het enige, wat er voor nodig is om deze resultaten te bereiken, doorzettingsvermogen is. De een zal eerder slagen in een resultaat dan een ander. Maar ieder kan deze resultaten verwerven, indien wordt doorgezet. Hebben we dat peil bereikt, dus het peil van het gezonde lichamelijke bestaan, waarbij een zo groot mogelijke harmonie wordt gevonden, (het maximum, dat mogelijk is aan innerlijke harmonie en aan stoffelijke beheersing is afhankelijk van de voorgeschiedenis die men stoffelijk heeft gehad) indien ik daar ongeveer mijn maximum peil bereikt heb plus een zeker bewustzijn omtrent de astrale wereld, dan zal ik in staat zijn het mentale gebied op mij te laten inwerken.

Dit wordt dan voor mij een niet meer redelijk, maar een inspiratief denken daarbij in het begin zeker een sprongsgewijs denken optreedt. Bijvoorbeeld een beeld dat begint met ‘a’, gaat niet logischerwijze over naar ‘b’, maar zal bv. op ‘w’ of ‘ij’ springen. Vandaar gaat het terug b.v. tot ‘d’. Dit schijnbaar erratische van mijn denken brengt dan met zich mede, dat juist hierdoor een volkomen nieuwe waardering voor sommige feiten wordt geschapen. Dit is in het stoffelijk bewustzijn te realiseren. Het,gaat hier dan om een verandering van denken plus reacties, die ervaren kunnen worden doch niet omschreven.

Indien aan al deze voorwaarden voldaan wordt, bereiken wij een eenheid met het totaal van de kleine wereld. Hierdoor zullen wij ook flitsen kunnen opvangen van een beleving dat buiten onze persoonlijkheid in deze kleine schepping plaats vindt. Op de duur – gezien het feit, dat wij gezocht hebben naar de uiting van de kleine schepper – zullen wij de kleine schepper leren kennen als een nauw omschreven entiteit. Het kennen van diens persoonlijkheid maakt het ons op de duur niet slechts mogelijk op de eigenschappen van die persoonlijkheid onze eigen handelingen te baseren, maar – wat meer is – ons door eigen scholing, door eigen denk- en redeneringsvermogen voortdurend te richten op die persoonlijkheid en zo naast haar te treden, haar eigen capaciteiten ook voor onszelf verwervende.

Vragen

  • De eerste vraag betreft het aanpassen van de eigenschappen van de stof aan verlangde mogelijkheden, die buiten het onmiddellijk bereik van deze stof liggen.

Hierbij werden de volgende voorbeelden gegeven:

Een geest verlangt een uiting in het stoffelijke, aangevuld met een beleving in het geestelijke. De beleving in het geestelijke behoort niet tot de normaal stoffelijke eigenschappen en zal dus in een één-wording met het stoffelijke allereerst moeten worden verworven. Zij bereikt daardoor capaciteiten en mogelijkheden, die buiten het normaal stoffelijk gebied liggen en toch in de persoonlijkheid verwerkelijkt kunnen worden. Een concreet voorbeeld hiervan te geven is erg moeilijk, omdat voor u concreet betekent: zuiver stoffelijk. En deze waarden zijn juist allesbehalve stoffelijk. Laten we het zo proberen:

We nemen aan dat een mens op aarde geboren zal worden. De geest die incarneert heeft een bewustzijn. Dat bewustzijn wordt overgebracht op het stoffelijk vlak. Het wordt daarmee mentaal gebied, beheersende een reeks van lagere voertuigen plus het stoffelijk lichaam. In het stoffelijk lichaam zijn bepaalde mogelijkheden en eigenschappen. De geest kan echter -krachtens haar vorige belevingen ‑ verlangen om meer door te maken, meer te beleven, meer waar te nemen, te kunnen handelen enz., dan stoffelijk normaal kan gebeuren.

Wanneer die geest dan deze stof instelt op een gedeeltelijk samenwerken met de geest, die daardoor vrij is in haar eigen gebieden te opereren, maar de resultaten van haar operaties in geestelijke gebieden stoffelijk kan uitdrukken (dat kan op allerhande gebied zijn zoals genezing, lering, enz.; dat is de uitdrukking, want de actie gaat nog verder), dan heeft ze dus iets bereikt wat niet ligt op normaal stoffelijk niveau – dus buiten de mogelijkheden van het normaal stoffelijke – maar wat door de geest in samenwerking met het stoffelijke wel gerealiseerd kan worden. Dit wordt vaker bereikt dan u denkt. Bewuste helderziendheid, bewuste inspiratie, kortom alle bewust gebruik van occulte of z.g. paranormale gaven op aarde, is reeds in zekere mate een bereiken van hetgeen hier wordt aangeduid. Het moet echter bewust gebeuren. Want op het ogenblik dat u er niet van bewust bent, is er nog geen deelgenootschap tussen geest en stof. En dit deelgenootschap is juist het begeerlijke, omdat hierdoor de eerste reeks der ervaringen van de stof, enz. ‑ dus het eerste punt ‑ wordt aangevuld met de nieuwe factor: samenwerking tussen stof en geest en de mogelijkheden daarvan.

Hoe is het nu mogelijk die samenwerking te krijgen. Over het algemeen begint het streven bij de geest. De geest streeft. Daardoor komt de stof tot een reeks onverklaarbare handelingen. Ze kunnen niet redelijk worden verklaard maar desalniettemin wel worden aangevoeld en van binnen uit beleefd en verwerkt. Dan treedt een rationalisatieproces op, waarbij de stof plus het stoffelijk bewustzijn trachten een eigen verhouding te vinden tot het optreden van deze krachten in het ik. Daarna treedt een toestand op, waarbij deze krachten dus door het stoffelijke bewustzijn kunnen worden geëvoceerd, a.h.w. kunnen worden opgeroepen en gebruikt, om daarmede in overeenstemming met het geestelijk streven – want dat is noodzakelijk, anders kan de kracht niet tot uiting komen – dus deze krachten te uiten op de ogenblikken dat het stoffelijk begeerlijk is. En hiermee is het ogenblik van beheersing ingetreden.

  • In verband met punt 2: Het aanpassen van de eigenschappen van de stof aan verlangde mogelijkheden, die buiten het onmiddellijk bereik van deze stof, deze lichamelijke vorm, liggen

Op het ogenblik dat ik materieel besta, afgezonderd van de wereld, blijf ik beperkt tot een zelfbeleving, waarbij ik geen deel heb aan hetgeen anderen overkomt, aan hetgeen anderen aan vreugden, smarten en dergelijke hebben. Voorbeeld: Ik sta ergens buiten en zie een dier lijden. Het lijden van dat dier spreekt mij aan en ik zal handelen om het lijden van het dier op te heffen. Ik heb mijn eigen bewustzijn plus mijn eigen ervaring uitgebreid tot dit dier. Zodoende ben ik in contact gekomen met de materie rond mij. En uit die materie rond mij zal ik ervaringen opdoen binnen de vermogens van mijn bewustzijn, die ik anders niet zou ervaren. In zijn zuiverste uitdrukking is het: kosmische naastenliefde. Dus een naastenliefde, die alle zijn ‑ onverschillig in welke vorm ‑ gelijktijdig tracht te beleven als deel van het ik en handelend optreedt, alsof dit deel van het ik ware.

Wat dat handelen betreft, is hier een ander voorbeeld. Nemen we aan dat een hond een wond heeft opgelopen. Die wond is pijnlijk. U begrijpt dat het dier zenuwachtig is. Dit begrijpen op zichzelf betekent dus reeds dat u zich in de denkprocessen van het dier verplaatst, in diens bewustzijnsprocessen. U gaat daarna handelend optreden door te kalmeren en de wond te verbinden. U heeft dus een lijden ongedaan gemaakt. Dat heeft u alleen gedaan, omdat dit lijden voor u begrijpelijk en voelbaar was. Naarmate u dit sterker voelt en u sterker realiseert, wat het voor het dier ‑ niet voor u ‑ betekent, zult u meer één‑zijn met het dier en als zodanig het ervaren van het dier kunnen toevoegen aan uw eigen ervaring.

  • Inzake punt 4: Beheersing van deze materie door de hogere vorm van bewustzijn, die dan in het mentaal gebied wordt uitgedrukt voor het zuiver materiële.

Deze woorden lijken weinig‑zeggend, omdat het hier een technische constructie is, een soort advocatentaal. Met andere woorden, het is juist in deze vorm gegoten, om elke uitwijking en andere uitleg onmogelijk te maken. Maar om het iets soepeler te zeggen, waarbij ik dan steeds weer moet verwijzen naar de oorspronkelijke zin: op het ogenblik dat mijn denken zo sterk is, dat ik de kracht van mijn denken kan gebruiken om toestanden of vormen in mijn omgeving te wijzigen, te creëren of te vernietigen, heb ik een beheersing over de materie van uit het mentale bereikt. Voorbeelden hiervan vindt u o.a. in telekinese, teleportatie, enz. Maar dat is niet alles. Een beheersing gaat nl. veel verder. Vandaar juist deze constructie van de punten. Want er worden hiermee niet alleen verschijnselen bedoeld, waarbij gedachtekracht invloed uitoefent op stof, zoals bij telekinese enz., maar zelfs de absolute vorm van beheersing, waarbij dus stof vormgebonden wordt (d.w.z. dat een vorm wordt geschapen) alleen door middel van gedachtekracht. En wel tijdelijk of voorgoed. Dat is het scheppend vermogen, dat als mogelijkheid in elke mens ligt, maar over het algemeen niet gerealiseerd wordt. Toch behoort het verwerven van deze beheersing tot het doel van ons leven. Het is niet een van de hoogste of een der meest nabijstaande punten. Het is a.h.w. de laatste fase, the finish.

  • Daarna werd de volgende alinea aangehaald: “Zodra niet meer stoffelijk redelijke elementen optreden, zodra geen vergelijking meer mogelijk is tussen vormen, impulsen en bewegingen, houdt het mentale op.”

Dit is niet eenvoudig te vertolken door de woorden: “Als er geen indrukken komen, houdt het mentale werken vanzelf op.” Want men moet niet vergeten dat hier gewezen wordt op een associatie of een vergelijking tussen vorm, impuls en beweging. Men zou kunnen zeggen: “Waar de vormwereld ophoudt, houdt de mentale wereld op.” Er zijn n.l. emotionele toestanden die helemaal niet met vorm, met tijd of met beweging in samenhang zijn, maar die innerlijk ervaren worden, bv. liefde. Zo’n emotie reikt dus boven het mentale uit, waar zij daar volkomen gelijksoortig desnoods nog ervaren kan worden. Maar wanneer de liefde gepaard gaat met een persoonlijke bezitsuitdrukking, met een bezitsverlangen, dan is het weer vormgebonden en behoort het dus nog tot het mentale gebied.

  • Het begrip “tijd”

We hebben een geformaliseerde tijd, d.w.z. de tijd die op aarde geldt voor tijdsberekening. Waar deze in het gewoonteleven van de mens en in zijn realisaties als mens een zeer grote rol speelt, moeten we deze nemen als eerste en meest voorkomende. Maar daarnaast bestaat de persoonlijke tijd. En die persoonlijke tijd bestaat wel degelijk in een vormwereld. Met terzijdestelling van de zuiver uiterlijke elementen is het echter een innerlijke beleving, waarbij indruk, vormgeving en dergelijke bepalend zijn voor het tijdsverloop. Want ook dat is een tijd. Denkt u bv. eens aan het lezen van een boek, waarbij men de tijd vergeet. Het is een wereldafgeslotenheid, waarbij het persoonlijk tijdselement op de voorgrond treedt en later – bij vergelijking met het geformaliseerde tijdselement van deze wereld – tot de ontstellende ontdekking voert, dat men uren bezig is geweest, of dat men pas zo kort bezig is.

  • Een vraag over “onthecht” zijn.

Kort en eenvoudig gezegd is het dit: op het ogenblik dat wij leren het leven te ondergaan, het in onszelf te waarderen, zonder één van die waarden te beschouwen als iets dat noodzakelijk is voor ons eigen bestaan, komen we tot een ware onthechting en dus ook pas tot een ware beleving.

  • Ten opzichte van het geschoolde denken rees de moeilijkheid het denken te richten op astraal gebied, dus op belevingen die liggen buiten de eigen wereld. De vraag rees, hoe men dat zou moeten doen, waar men in het waakbewustzijn van het astrale niets af weet.

Wanneer een autobus een rondrit maakt, is het dan noodzakelijk dat de bus ook weet hoe de route loopt? Neen, niet waar? Dat moet de chauffeur weten. Op het ogenblik dat u dus deze periode van vermoeidheid hebt doorgemaakt ‑ een bewust verwekte vermoeidheid wel te verstaan, juist om het bewustzijn van het lichaam zo ver mogelijk uit te schakelen – neemt automatisch zonder meer (omdat de reactie op indrukken en eigen denkproces is uitgeschakeld) het z.g. onbewuste of onderbewuste denken over. En het onbewuste denken draagt waarden in zich, die wel degelijk thuis zijn op astraal gebied. Ja, verder waarden, die ook het mentale gebied enz. kent. Dus dan ontstaat automatisch een toestand, waarin astrale waarden gemakkelijker worden gerealiseerd. En dan kan uw hele vraag dus worden teruggebracht, niet tot: “Hoe moeten we dat nu precies zien?” maar eenvoudig tot: “Welke gedachte kan ik bij mijn concentratie of bij benadering gebruiken om deze toestand zo snel mogelijk te realiseren.”

Het is voor ons dus helemaal niet noodzakelijk om het astrale gebied te kennen. Maar het zou wel begeerlijk kunnen zijn een methode te kennen, een wijze van concentratie of een onderwerp van beschouwing, dat voor ons de astrale elementen scherper doet doorkomen. En dan kunnen we dat heel eenvoudig zo zeggen:

Op het ogenblik dat er beelden gaan optreden in ons bewustzijn, zullen ze over het algemeen betrekkelijk vaag zijn en soms met herinneringsbeelden a.h.w. doorweven. Nu geef ik geen aandacht ‑ dat zult u misschien heel vreemd vinden, maar het is toch juist ‑ aan alle elementen, die mij niet bekend voorkomen. Ik realiseer me dus herinneringsbeelden en niet de vormen die daarbij nog verder optreden.

Het herinneringsbeeld breng ik terug tot een realisatie van mijn eigen toestand, in de periode dat dit beeld bestond; plus een oordeel over mijn eigen houding ‑ vanuit mijn huidig standpunt ‑ over hetgeen toen bestond. Hierdoor heb ik mijzelf losgemaakt van mijn continuïteit in tijdsbeleving en ruimtebeleving.

Met dit losmaken heb ik ook tevens mijn beschouwing beperkt tot een enkel punt, zodat geen volgorde van scènes mij meer lastig kan vallen, maar slechts één scène door mij wordt beschouwd. En dan zal ik zien, dat deze langzaam weg wijkt, alsof het een soort film is, waarbij de camera van het beeld wegloopt, terwijl wij dan als bij een soort coulisse andere vormen daarvoor zien treden.

Die andere vormen ‑ in het begin meestal wazig ‑ zullen zich langzaam maar zeker omschrijven. Wij letten daar niet op. Dan komt er een ogenblik, dat deze scène verdrongen is door een reeks van andere beelden, die we dan nolens volens moeten ondergaan. In dit ondergaan is de realisatie van het astrale gebied geboren. En dan krijgen we dus associatiebeelden, die wel degelijk in relatie staan met de eigen instelling t.o.v. dat beeld, maar die desalniettemin waarden van een minder stoffelijke wereld realiseren, kenbaar maken en op de duur ook beleefbaar. Het is niet iets dat met de eerste oefening altijd slaagt, maar het is wel iets dat bij een regelmatig pogen in deze richting – laten we zeggen na 49 of 50 oefeningen – zeker resultaat afwerpt.

  • Is het wenselijk dat we dit soort dingen doen, omdat astrale ervaringen ook lagere emoties omvatten?

Ze zijn een ontleding van de lagere emoties en een erkennen van de drijfveren daartoe. Dat wil zeggen, wie het astraal gebied kan beschouwen van uit een kritisch standpunt ‑ vandaar mijn opmerking “beschouw dat beeld vanuit je eigen tijd en oordeel daarover” ‑ zal de kritische instelling ook behouden tegenover het astrale beeld. Hij zal dus de relatie tussen de waarde van de astrale wereld en de daarin optredende emoties en zijn eigen oordeel en wereld vaststellen, waardoor een werkelijke bewustwording van het astrale plaats vindt. Een zuivere beleving van het astrale kan nooit een zuivere bewustwording zijn.