Bewustzijn en tijd

image_pdf

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 1)- oktober 1974

Bewustzijn en tijd

Een mens heeft twee soorten bewustzijn. Hij heeft een geestelijk bewustzijn, dat steeds verder kan groeien, en een stoffelijk bewustzijn dat over het algemeen tamelijk snel zijn uiterste grenzen bereikt. In het stoffelijk bewustzijn speelt tijd een heel grote rol. Dat is begrijpelijk omdat de mens is gebaseerd op allerlei fasen die zich in zijn wezen afspelen, terwijl hij in de buitenwereld eveneens met bepaalde fasen wordt geconfronteerd waaraan hij eigenlijk niet kan ontkomen. Neem b.v. de wisseling van dag en nacht. Licht en donker zijn kenmerkend voor de mogelijkheden van de mens, voor het geheel van zijn beleven. Het zal dan ook duidelijk zijn dat hij komt tot een telling van de wisselingen en dat is tijd. In de geest ligt het een beetje anders. In de geest is tijd niet meer uitdrukbaar als een vaste waarde. Het is een relatieve waarde geworden en het geestelijk bewustzijn vergroot zichzelf. Nu zou men daarvoor misschien een formule kunnen vinden. Geestelijk kun je zeggen dat tijd minder betekenis krijgt naarmate de omvang van het bewustzijn toeneemt. Waar dus een volmaakt bewustzijn is, daar is geen tijd. Hoe minder volmaakt het bewustzijn is, des te sterker ook het tijdsver­loop is en bepaalde fasen, die nu alleen stammen uit eigen bewustzijn en relatie met de wereld, voor het ‘ik’ dus bepalend worden.

Tijd is ook een wat wonderlijk verschijnsel. Men kan zich ervan af maken door te zeggen: Tijd is een uitdrukking van beweging in ruimte. Maar je zou het ook nog anders moeten uitdrukken: Tijd is de afwezig­heid van besef omtrent de gelijktijdigheid der dingen. Ik meen dat ik dat verder duidelijk kan maken door u erop te wijzen dat een tijdsmaatstaf kan verschillen.

Een muis b.v. leeft korter en leeft sneller dan u. Voor die muis is het gehele gebeuren beperkter; hij ziet minder maar gelijktijdig is alles wat er gebeurt belangrijker en daardoor beleeft hij meer in de­zelfde tijdsspanne. Als u kijkt naar een aantal muizen in een kooitje, dan ziet u alleen wat gewriemel. Maar die muizen hebben allerlei socia­le contacten gehad. Ze hebben honger en eten (bevrediging) uitgedrukt. Ze hebben misschien geslapen en zijn weer ontwaakt. Op dezelfde manier kijkt een geest nu naar een mens. Een geest kijkt naar de mens en hij ziet de samenhang. Hij ziet het totaalbeeld. In dat totaalbeeld zijn de details op zichzelf wel ken­baar maar niet belangrijk. Tijd wordt eigenlijk bepaald door de details en de belangrijkheid van de details voor het ‘ik’.

Het bewustzijn kan slechts een bepaald aantal impulsen tegelijk op­nemen. Een heel bekend voorbeeld daarvan is de dame die naar de eta­lage kijkt. In die etalage staan 400 artikelen. Maar als je haar later vraagt wat ze heeft gezien, is het die ene voordelige aanbieding van een hoedje; meer heeft ze niet gezien. Nu kun je zeggen: een bewustzijnsvernauwing. Die komt ook bij de man voor. Die bewustzijnsvernauwing zou je kunnen opheffen indien je zou gaan kijken wat er allemaal omheen ligt. Je kunt dus ook als mens in je besef veel opbouwen door uit te gaan van dat brandpunt dat je hebt waargenomen: ik heb een ding gezien, maar dat ene voorwerp heeft rond zich een kader. Ik kan het kader gaan beseffen en dan kan ik misschien van de 400 ar­tikelen 20 prijzen terugvinden, artikel plus prijs. De rest blijft ver­getelheid.

Stel daartegenover dat je een foto neemt. Op die foto staan die 400 artikelen en de 400 prijzen. Nu is het de vraag in hoeverre ik die foto kan vergroten. Als de vergroting zo goed is dat ik elk detail apart kan zien, dan kan ik aan de hand van die foto zeggen wat voor 400 artikelen er in die etalage hebben gestaan en wat hun prijzen zijn.

Nu doet het bewustzijn van de mens eigenlijk zoiets als een foto nemen. Maar een groot gedeelte van die foto kan niet worden vergroot. De geest neemt die foto ook. Maar wat doet hij? De geest registreert niet de afzonderlijke voorwerpen maar de lijnen, die ze vormen. Wat voor u een aantal voorwerpen is, is voor de geest een soort web van lijnen en patronen. En daarin ligt niet alleen het verschil tussen het vergankelijk bewustzijn van de hersenen en het onvergankelijk bewust­zijn van de geest, maar er ligt ook het grote verschil in van de tijds­beleving. Want u ziet mensen. U ziet die mensen zich bewegen; dat zijn afzonderlijke dingen. U kunt die beweging reconstrueren, u kunt hun on­derlinge contacten reconstrueren, maar het blijven bewegingen van een­lingen. Een geest die naar hetzelfde schouwspel kijkt, ziet een aantal lijnen die elkaar kruisen en misschien iets van kleur veranderen wan­neer ze elkaar gekruist hebben door de wederkerige beïnvloeding. Hij ziet dus een beeld van een geheel ontstaan terwijl u alleen maar de details ziet, die u dan wel in het tijdsconcept kunt plaatsen maar waarbij het eigenlijke lijnenspel toch buiten beschouwing blijft.

Dan moeten wij natuurlijk hieruit enkele conclusies trekken.

In het menselijk bewustzijn kunnen samenhangen alleen achtereenvol­gens voldoende worden beseft. Zodra we de volgorde veranderen, ont­staat er een gebrek aan samenhang. Dit betekent ook een gebrek aan mogelijkheid om een conclusie te trekken. Als wij geestelijk echter iets overzien, dan is elk punt van uitgang altijd nog weer de reconstructie van het geheel. Het is niet mogelijk te zeggen: Ik ga dit in stukken breken en op een willekeurige manier samenvoegen. Ik kan het alleen in zijn geheel zien of niet zien.

Een geest die het geheel ziet, kent de onderlinge beïnvloedingen. Hij kent dus ook de werkingen die zijn ontstaan en eventueel de compen­serende mogelijkheden die uit die geest zullen zijn. Want als de geest zich als een contact voegt bij dat stoffelijke, dan is dat een verande­ring die blijvend is, ook voor die geest. Want elk contact dat die geest met de stof maakt, betekent voor die geest dat iets van het eigen ‘ik’ in het patroon dat hij ziet, verder verwerkt zal blijven. En dan krijgt u dit wonderlijke verschijnsel,

Een mens beleeft iets in een grote spanning. Hij gaat sterven. In menselijke tijd gezien zal dat te middernacht zijn. Daardoor breekt er iets wat normalerwijze geestelijk en stoffelijk bewustzijn van elkaar verwijderd houdt. Die mens overziet nu het hele patroon waarvan hij deel is en weet dat hij op een bepaald ogenblik de mogelijkheid heeft zich alsnog kenbaar te maken door projectie van zijn persoon of van zijn ge­dachten. En zo komt het dat hij zelf pas in stervensnood is om 12 uur maar dat hij om 10 uur (dus twee uren voordien) zich aan een familie­lid heeft gemanifesteerd in de toestand waarin hij pas twee uur later zou verkeren. Dat is in dergelijke gevallen voor de mens een beetje onbegrijpelijk. Maar tijd speelt geen rol. De tijd is voor de geest niets anders dan een kleurtje in de lijnen die de mensen met elkaar verbinden.

Als ik zie dat een mens lijdt, dan kan ik dat lijden niet opheffen want het is beseft maar ik kan wel de werking van dat lijden verande­ren. Op het ogenblik dat ik tot een geestelijk concept kom dat niet tijdgebonden is ‑ en dat is heel belangrijk! ‑ en dat alleen zegt: die toestand is er en die wijzig ik, kan ik er iets van mijzelf aan toevoe­gen. Ik kan dan aan het voorgaande niets veranderen, want dat is in de stof beseft, maar de normale consequentie van de gehele beleving wordt afgebroken en er ontstaat een nieuwe toestand die in de stof misschien als een verrassing zal worden beseft maar die verder logisch lijkt, terwijl ik in wezen iets van mijzelf heb gegeven en daarmee ook een deel van de gevolgen uit het patroon heb verwijderd. Maar ze moeten ergens naar toe.

In de kosmos kun je niets teniet doen. Je kunt echter alles omvor­men. Wat lijden is, kan worden omgezet in vreugde, in verbazing, in be­vrediging, mits ik eerst iets van lijden neem en in mijzelf die verande­ring tot stand breng. En nu zie ik weer iets wonderlijks.

Het geestelijk bewustzijn van de mens heeft het vermogen om ook stof­felijke vormen van lijden, die langs geestelijke weg ten dele zijn geabsor­beerd, voor zich om te vormen in een andere emotionaliteit die eveneens een kleuring van het normaal ervaren betekent.

Het geheel van de tijd wordt bepaald door de kleinheid die ik voor mij besef ten aanzien van de grootheid van het andere dat ik meen te be­seffen. Een heel gemene formule. Nu, daar moet u eens goed over nadenken.

Als ik de hele kosmos in mij draag, dan is hij voor mij gelijktijdig. Zijn veranderingen zijn niets anders dan mogelijkheden die ik realiseer uit een geheel dat ik ben. Heb ik maar de helft van de kosmos, dan zullen de veranderingen in mij nog steeds worden beseft als tijdloos. Maar gelijktijdig is er buiten mij een aantal veranderingen die voor mij iets van tijd gaan betekenen. Dit zijn niet beheersbare veranderingen. Word ik nog kleiner en ben ik b.v. een mens of een wereld, dan draag ik maar een heel klein deel van die werkelijkheid in mij en de tijd wordt voor mij meer bepalend. De veranderingen buiten mij betekenen voor mij een voortdurend aanpassen van besef en het onvermogen het geheel van het zijnde gelijktijdig te overzien. De tijd wordt sneller.

Stel dat u zou kunnen leven op een elektron tijdens de omloop voordat het weer van baan verwisselt. Dan zou u in die tijd eigenlijk doormaken wat de aarde doormaakt in, laten we zeggen, 100.000 miljoen jaar. Het zou een enorme tijd zijn. Zou u het in menselijke tijd uitdruk­ken, dan zou het waarschijnlijk iets van een 2 honderdste sec. zijn.

Tijd is een persoonlijke zaak, gebonden aan onze waarneming en onze beleving. Het lichaam kan niet groter worden, de geest kan wel groter worden. En nu zien wij iets eigenaardigs in de relatie lichaam en geest. Naarmate de geest groter wordt, wordt het lichaam onbelangrijker. Want de factoren van verandering die eens het lichaam domineerden, worden nu alle geabsorbeerd door een geestelijk meer tijdloos, althans in tijd veel trager bewustzijn. Daardoor worden vele gebeurtenissen on­belangrijk die eens overweldigend belangrijk leken. En daardoor zijn de dingen die gebeuren vaak alleen een bevestiging van hetgeen in ons be­staat en niet meer de uitdrukking van een ontwikkeling. En daar zit nu een belangrijk punt.

Naarmate het innerlijk besef groeit, zal het gebeuren in de mate­rie niet zijn waarde maar zijn betekenis veranderen. De waarde van het stoffelijk gebeuren wordt in een stoffelijke kosmos bepaald en vastge­legd. De betekenis ervan echter wordt vastgelegd in de innerlijke we­reld en is afhankelijk van de relaties welke in die innerlijke wereld er­kend zijn.

Een conclusie die u hieraan kunt toevoegen is de volgende:

Wie meer samenhangen in de stof beseft en ze weet over te brengen naar zijn innerlijk bewustzijn, zal gelijktijdig meer tijd vinden. Of om het anders te zeggen: de stoffelijke tijd loopt voor zijn bewustzijn langzamer omdat hij in staat is in die tijd sneller te overzien en te combineren dank zij de inhoud van zijn geestelijk bewustzijn. Dit is dus een reden om te leren begrijpen. Hoe meer u in de materie begrijpt, hoe meer u leert en hoe meer u ook de werkelijkheid zult aanvoelen. U ziet niet meer enkele facetten van de zaak, u ziet een ge­heel. Dat overzien moet gepaard gaan met emotie, met een gevoelsbele­ving en wordt daardoor in het geestelijke ‘ik’ verankerd. In het geeste­lijk ‘ik’ verankerd, kan het niet meer teniet worden gedaan en dus zal dat overzicht blijven bestaan en zal de tijdsbeheersing, die voor de stof daaruit voortkomt, voortdurend uitgedrukt blijven. Ik weet niet of u tijd tekort komt. Als dat zo is, kijkt u dan eens naar uw bewustzijn. Hoe bewuster u bent, hoe meer tijd u heeft. Niet om­dat de tijd in de wereld verandert. Maar omdat uw besef dan mogelijkheden heeft om binnen hetzelfde stoffelijke tijdsverloop meer te overzien, meer te beseffen en dus juister te reageren. Elke juiste reactie betekent be­sparing van tijd en gelijktijdig weer het winnen van een groter overzicht. De situatie waarin u als mens verkeert, is over het algemeen van uw standpunt gezien wat bedroevend. Want u heeft dat geestelijk bewustzijn wel, maar u bent niet in staat om dat stoffelijk te omschrijven. Ook dat is dui­delijk te maken.

Daar waar de hersenen denken, kunnen ze alleen de in de hersenen geregistreerde waarden samenvoegen en wel volgens de wet van registratie. Daar waar het innerlijk bewustzijn denkt, is het mogelijk het geheel samen te voegen. Het wordt dan geen verstandelijke gedachte naar het wordt, een impuls, een intuïtie, een niet redelijk verklaarbare conclusie. Als je leert deze conclusies te erkennen en er gebruik van te maken, zul je enorm veel tijd besparen maar gelijktijdig ook je evenwicht met de wereld veranderen. En dat brengt mij dan weer tot een eenvoudige formule. Het evenwicht tussen ‘ik’ en wereld wordt bepaald door geestelijk overzicht plus het vermogen om stoffelijk daaraan vorm te geven. Hoe groter het innerlijk besef plus het vermogen om daaraan uiting te geven, des te evenwichtiger je in de wereld bent en des te groter je beheersing is ten aanzien van de wereldse ontwikkelingen.

Nu gaan we het wat abstract doen. Men heeft de neiging de tijd voor te stellen als een lijn die zich voortdurend vertakt waarbij elke nieuwe vertakking een keuze representeert. Dat is waar van een stoffe­lijk standpunt. Maar van een geestelijk standpunt is er maar één ontwik­keling die geheel beantwoordt aan het eigen innerlijk besef. De inner­lijke keuze ligt dus vast voor een veel groter deel van het menselijk leven dan stoffelijk denkbaar is. Hierdoor kan worden gesproken van een door eigen besef bestemde lotsbepaling. Dit moet u trachten goed te be­grijpen. Er is geen noodlot dat u dwingt maar uw eigen wezen bepaalt wat voor u mogelijk is. Indien u een verkeerde keuze doet, zult u er op moeten terugkomen. Dat kan niet anders. U kunt een beleving nemen en zeggen: Die heeft voor mij betekenis. Maar u kunt geen ontwikkeling nemen en zeggen: Die heeft voor mij bete­kenis, tenzij u innerlijk deze ontwikkeling voor uzelf bestemd heeft. Zou u een ontwikkeling kiezen die niet past bij uw innerlijk, dan breekt ze af en zult u tot de hoofdontwikkeling moeten terugkeren. Dit impliceert dat het geestelijk ‘ik’ en wat daarin bestaat, eigenlijk veel belangrijker is dan een mens pleegt te denken, en dat is ook de reden dat men moet komen tot een innerlijke ontwikkeling waarbij dat geestelijk deel van het ‘ik’ een zo groot mogelijke zeggenschap heeft.

Enkele praktische tips:

  1. Niet elke impuls komt uit de geest maar een impuls die zichzelf herhaalt, komt wel uit de geest. De zich herhalende im­puls namelijk representeert een in u niet bewust levende waarheid of werkelijkheid die voor u geldt. De uitleg die u er stoffelijk aan geeft, is niet belangrijk. Wel is belangrijk dat u probeert, op welke manier dan ook, die voortdurende impuls waar te maken. Hierdoor schept u een grotere mogelijkheid voor uw geestelijk ‘ik’ om in de stof harmonisch te zijn. En als u dan stoffelijk ook nog tot de juiste emoties komt, is er een wederkerige overdracht van waarden mogelijk waardoor het geestelijke wezen zijn overzicht duidelijker in de stof kan uitdrukken en gelijktijdig de stoffelijke ervaringen voor de geest nog eens nadruk kunnen geven aan datgene wat gezien het stoffelijk bestaan op dit moment belangrijk is.
  2. De geest beschikt over de energie die haar wezen uitmaakt, is dus in elke mens en overal waar een geest ook maar denkbaar is of aanwezig is, een grote hoeveelheid energie die kan worden uitgedrukt in elke wereld die wordt beseft. Ik kan nl. niet buiten dit lijnenstelsel, dat in mijn besef bestaat, mijn krachten uitdrukken en ontladen. Maar waar ik eenmaal de verbindingen, de relaties tussen dingen en mensen heb beseft, kan ik op elk punt mijn totale kracht doen inwerken zonder daardoor mijn wezen in welke zin of betekenis dan ook in inhoud of waarde te zien verminderen.
  1. Alle kracht die je kunt uitdrukken, moet echter stoffelijk­ vorm krijgen zodat het eigen besef hieraan kan deelhebben. Het heeft dus geen zin een geestelijke kracht uit te oefenen op een punt dat niet stoffelijk kenbaar is. Als u iemand wilt genezen en u kent die mens niet, u weet niet of het werkt, dan is dat van het standpunt bewustzijn al­thans zinloos. Als u iemand op afstand geneest en u heeft de mogelijkheid te controleren, dan is het zinvol. Hier is de rela­tie stoffelijk besef en geestelijk gebeuren samengekoppeld. Zoek daarom altijd naar datgene wat voor u controleerbaar blijft. Datgene wat stoffelijk niet te beseffen of te ervaren is, kan geestelijk betekenis hebben maar er is geen mogelijkheid om een brug te slaan tussen stoffelijke wereld en geestelijke wereld en zo zal er geen uitwisseling van krachten, vermogens of gegevens meer kunnen zijn. Dan kunt u een keer een kracht ontladen en ver­der bent u gefrustreerd, terwijl bij een stoffelijk kenbare reactie de herhalingsmogelijkheid blijft bestaan. De vonk kan a.h.w. voort­durend overspringen en zo kan een permanente reeks reacties of werkingen tot stand worden gebracht. Ook dit moet u onthouden. Voor een stoffelijk mens klinkt dat al­lemaal een beetje moeilijk. Daarom wil ik hierop een variant ge­ven georiënteerd op de stof.
  1. Als u, op welke wijze dan ook, een geestelijke kracht gebruikt en een voorstelling daaraan heeft verbonden en de resultaten er­van kenbaar zijn, dan zal deze zelfde voorstellingswijze, die dan voor een ander object bedoeld is, kunnen dienen tot het herontstaan van dezelfde werking, ook indien in het eerste geval er sprake was van een krachtvoorstelling die uw eigen kracht te boven gaat. U kunt dan zelf uit uw eigen geestelijk vermogen blijven reprodu­ceren wat u eens uit een groter vermogen meende te ontlenen.
  2. Tijd telt zwaarder naarmate je probeert haar meer te registreren. Om het anders te zeggen: Als je denkt dat je geen tijd hebt, krijg je steeds minder tijd. Als je wacht tot een bepaald ogenblik is aangebroken, duurt de tijd veel langer. Dat betekent dus dat we tijd niet moeten zien als een werkzame factor. Wij moeten ons niet met de tijd bezighouden maar met onze actie of met ons innerlijk besef en door de tijd te verwaarlozen waar dit maar mogelijk is. Dat betekent dus niet dat u moet zeg­gen: De trein vertrekt wel wanneer ik klaar ben. U moet zeggen: Als ik zeg dat ik op dat tijdstip bij die trein ben, dan loopt alles goed. Als u zegt: Als ik het maar haal, dan bent u of een uur te vroeg of 1 minuut te laat. Er is geen tussenfase.

Probeer dus altijd de tijd zoveel mogelijk buiten beschouwing te laten en ga in uw werken niet uit van de tijd die het zal kosten maar van het werk dat u wilt verrichten. Hoe meer u dat doet, hoe meer u presteert en hoe minder de prestatie u stoffelijk aan kracht en zenuwkracht kost en hoe groter uw mogelijkheid verder is om geestelijke energieën in te schakelen bij het gebeuren en bovendien nog te komen tot een prestatie die uw stoffelijke top benadert, bereikt of soms zelfs te boven gaat.

Tijd is en blijft voor de mens een wonderlijk verschijnsel. Het innerlijk bewustzijn, minder tijdgebonden, is in staat veel van die wonderlijke verschijnselen van de tijd te reduceren of om te vormen tot iets waar je eigenlijk alleen het voordeel van hebt, wat al­leen maar harmonie betekent.

In u is de kosmos en buiten u bestaat de kosmos. Waar beide één worden is er geen tijd. Waar een tijdelijke eenheid tussen innerlijke en uiterlijke wereld bestaat, heeft u alle tijd. Het is belangrijk u dat steeds voor ogen te stellen.

Einstein

Einstein. Een naam, en niet meer dan een naam, want het besef dat zo geheten heeft, bestaat nog steeds maar het heet anders. Dat wat was, is nu in een andere vorm. En dat wat nu is, herhaalt wat was zon­der zichzelf te veranderen maar anders in verschijning tegenover de wereld. Want niets is gelijk voor de mens wanneer de tijd erbij betrok­ken wordt. Maar is tijd eigenlijk niet slechts een uitdrukking van verandering? Een verandering van plaats, van uiterlijkheid of inhoud?

Einstein heeft op zijn wijze deze mystieke werkelijkheid gestalte gegeven. Hij heeft duidelijk gemaakt dat de tijd geen werkelijkheid is maar dat de tijd alleen maar een maatstaf is waarmee wij het verschijnsel meten en dat de relativiteit wordt bepaald door het enerzijds zus en anderzijds zo zien van een verschijnsel. Er is geen vaste regel en geen vaste wet die altijd kan gelden in de beperking van het menselijk zijn.

Het menselijk zijn is ontwikkeling. Maar ontwikkeling kan alleen ontstaan, indien wij uitgaan van de veranderingen die zich in en rond ons voortdurend manifesteren. Wij zijn geen meesters van de tijd wanneer wij leven in de tijd. Maar wij kunnen wel meesters worden van het besef dat de tijd uitdrukt.

Alles is betrekkelijk. Alles kent wetten die veranderen wanneer de omstandigheden veranderen zonder dat hun wezen daardoor wordt gewijzigd.

Dat is wat Einstein in mij wakker roept: de zekerheid dat in de voortdurende verandering één werkelijkheid leeft maar dat de wijze waarop we die werkelijkheid beseffen, steeds weer een andere zal zijn tot wij met die werkelijkheid verenigd zijn.

image_pdf