Bewustzijn en werkelijk leven

 3 juli 1959

Wij zijn niet alwetend, of onfeilbaar. Vanavond krijgen wij dan als onderwerp: Bewustzijn en werkelijk leven.  Wat moeten wij onder werkelijk leven verstaan? Per slot van rekening: alles leeft werkelijk, of de hele wereld moet een nachtmerrie zijn. Daarom ben ik zo vrij de steller een kleine verandering voor te stellen en te spreken over: Het leven in werkelijkheid.

De werkelijkheid is de Goddelijke kracht die het totaal van de kosmos beheerst. De kosmos is volledig harmonisch en evenwichtig. Zij kent goed noch kwaad, zij is volmaakt en een weerspiegeling van de Goddelijke scheppingswil te allen tijde. In deze werkelijkheid bestaat geen tijd, tenminste niet zoals men die op aarde of in sommige sferen meent te kennen. De werkelijkheid is eeuwig, onveranderlijk en één. Er bestaan niet meer werkelijkheden: er is één realiteit die gelijktijdig een openbaring van God is. U zult begrijpen dat, wanneer wij in die werkelijkheid leven, wij ons ervan bewust moeten zijn. Dus dit leven in werkelijkheid kan eerst bereikt worden, wanneer het bewustzijn ver genoeg is gevorderd om te komen tot een accepteren van het totaal van de Goddelijke waarden.

Nu de vraag: wat is bewustzijn? Wij verstaan onder bewustzijn de erkende relatie tussen het erkende deel van het ik en al hetgeen in de omwereld kan worden waargenomen. Er zijn heel veel dingen rond u, waar u misschien helemaal niets van merkt. Laten wij zeggen dat ik als geest ergens bij u op bezoek kom. U bent niet sensitief, dan bent u zich helemaal niet bewust van mijn aanwezigheid. Maar wanneer ik bewust genoeg ben, ben ik mij van uw aanwezigheid, uw handelingen, daden en gedachten wel bewust, zodat het bewustzijn een bepaald vlak van beleven bepaalt. Je kunt je voorstellen dat iemand die doof, stom en blind is, betrekkelijk weinig van de wereld weet. De tastzin geeft hem de mogelijkheid om veel van de wereld te erkennen, maar er zijn zo onnoemelijk veel dingen die hij mist, dat elke voorstelling, die hij van de wereld heeft, uiteindelijk maar een droom is, het is niet reëel. Iemand, die spreken kan en dus niet ook doof is, die doofheid kan overwinnen, zal ongetwijfeld wat meer contact met zijn omgeving hebben. Hij zal menen dat dit de wereld is, maar ook hem ontgaat onnoemelijk veel. Zo kun je verder gaan. Een mens die blind is, ziet niet. Hij kan voorstellingen hebben. Hij kan misschien vroeger gezien hebben, maar hij zal zich de latere ontwikkeling niet helemaal meer kunnen realiseren. Wanneer hij altijd gebouwen heeft gezien in de stijl van 1900, dan zal het hem erg moeilijk zijn zich een modern bouwwerk voor te stellen. Het is dus duidelijk dat bepaalde delen van die wereld, die voor u werkelijk is, voor anderen weg kan vallen.

Het standpunt dat wij dus hier moeten verdedigen, is: wanneer je leeft als mens, heb je geen volledig bewustzijn. Er bestaat ook in je eigen en stoffelijke wereld zeer veel wat je niet waarneemt, waarvoor je ongevoelig bent, wat je je niet voor kunt stellen, ofschoon je de werkingen ervan wel kunt ondergaan. Daar hebben wij het beginpunt. Wij hebben de twee delen van ons onderwerp tegenover elkaar gesteld, door ze te definiëren.

Ik heb maar een beperkt bewustzijn. Hoe ver kan ik dan in die werkelijkheid leven? Het antwoord lijkt mij betrekkelijk eenvoudig. Wij moeten proberen door onze eigen gedachten en reacties niets te vertekenen van datgene wat rond ons gebeurt, en zoveel ons ook van ons eigen wezen, ons eigen bestaan, reëel bewust te zijn. Dat is natuurlijk wel erg moeilijk, omdat je je niet altijd in het standpunt van een ander kunt indenken en omdat de waarderingen die je voor de wereld hebt, van de ander verschillen. Laat ons niet vergeten dat heel veel op de wereld een schijn is. Een illusie die door mensen is geschapen. Wanneer die illusies door ons gekend worden voor wat zij zijn, wanneer wij erkennen wat voor ons werkelijk belangrijk is en de rest een beetje opzij kunnen leggen, zijn wij al een heel eind verder gekomen. Want dat deel dat wij dan ervaren, is althans een deel van de werkelijkheid. Wij leven dan dus – zij het nog ten volle – in werkelijkheid. En niet meer in maya, begoocheling. Hoe verder wij doordringen in onszelf, hoe groter de kennis die wij van onszelf verwerven, hoe meer zich het Goddelijke – of de werkelijkheid, zo u wilt – gaat openbaren voor ons in ons eigen bestaan en op dit ogenblik.

Het is duidelijk dat die werkelijkheid waarin wij leven, aan voortdurende wijziging onderhevig is. Zelfs wanneer wij alle schijn terzijde stellen, wanneer wij met een perfecte en ideale zelfkennis, steeds weer ons realiseren wat zich rond ons afspeelt en waarom wij zo zijn, of reageren, dan nog zijn er steeds onbekende factoren. Hoe groter de zelfkennis, hoe sneller, maar ook hoe zuiverder de uitbreiding van ons bewustzijn. De uitbreiding van ons bewustzijn brengt met zich mee: een steeds sterker erkennen van God, van werkelijkheid. Zo ontstaat er een band die tussen de Goddelijke kracht en onszelf wordt gevlochten. Deze band wordt gerealiseerd door dat deel van ons wezen, dat volledig eerlijk en waar is.

U kunt proberen eerlijk te zijn in de wereld, maar ik ben bang, dat u er zeer weinig in zult slagen, althans 10% van de tijd werkelijk eerlijk te zijn. Niet omdat u oneerlijk bent, maar eenvoudig, omdat u niet wilt, of durft, er voor uitkomen wat u werkelijk denkt en meent. Zolang als wij met de leugen, althans de vertroebeling van de waarheid, hanteren en werken, verwijderen wij ons van het werkelijke leven. Dan scheppen wij een schijn en illusie, waaraan wij, ondanks ons eigen zoeken misschien en onze eigen instelling, toch deel moeten hebben.  Je moet toch al heel ver gevorderd zijn, wanneer je het leven als een komediespel kunt zien en jezelf helemaal op een afstand houden. Je wordt door je eigen leugens en verklaringen beïnvloed. Dat heeft Emile Coué al bewezen. Het resultaat is dus, dat wij met een betrekkelijk klein deel van ons wezen tot God kunnen komen. Wij staan dan in een realiteit en kunnen alle krachten die in die gekende realiteit bestaan, voor ons zelf gebruiken. Daaruit kunnen wij de kracht putten om mensen te genezen, om de toekomst te voorspellen, of in het verleden te zien. Daaruit kunnen wij alle gevoeligheid putten om waarheid te openbaren en werkingen te doorzien.

Zelfs dat echter doen wij meestal niet. Het leven in werkelijkheid brengt consequenties met zich mee, waar de doorsneemens en ook een groot gedeelte van de geest bang voor is. Wij geloven allemaal graag dat wij bewuster moeten worden. Wij werken allemaal aan onze bewustwording. Maar één ding vragen wij dan toch boven alles, dat wij de illusie omtrent onze eigen persoonlijkheid mogen handhaven; dat wij, zo wij omtrent onszelf een eerlijk oordeel vellen, toch ons t.o.v. de buitenwereld ons voordoen als iets, wat wij niet zijn. Daardoor wijzen wij dus realiteit af, vrienden. De beide punten tegenover elkaar stellen, is eigenlijk een beetje dwaas. Je zou ze moeten zien als een verlengstuk van elkaar. Bewustzijn bepaalt het vermogen om in werkelijkheid te leven. Het leven in werkelijkheid betekent de zuiverheid van bewustzijn en dus de zuivere, directe Goddelijke bewustwording, die dan in de mens wordt tot openbaring.

U weet natuurlijk allemaal, dat sommige mensen visioenen hebben. Soms heel eigenaardige. “Toen ik vannacht op mijn bed lag, werd ik wakker door een groot licht en kwam de Here Jezus binnen marcheren met al zijn apostelen.” Dan vraag ik mij altijd af, is dat een beleefdheidsvisite geweest? “Ik heb een hele wereld in ondergang gezien.” Dergelijke visioenen wil ik niet zien als een openbaring. Een openbaring is iets anders. Een openbaring is het in jezelf op onverklaarbare wijze plotseling begrijpen van een Goddelijke wet, een Goddelijke waarheid. Al het andere wordt bijkomstig. Wanneer die openbaring plaats vindt, is zij een realisatie van werkelijkheid. En God openbaart Zich voortdurend voor een ieder die in staat is om Hem te begrijpen. De Goddelijke wetten zijn zo zuiver kenbaar, wanneer je door de sluier van schijn heen ziet, dat het haast niet anders kan, of je moet de werkelijkheid steeds steviger in jezelf zien groeien tot een volmaakt harmonisch bouwwerk. Er zijn echter zoveel bezwaren tegen in te brengen, dat de doorsnee- mens, ofwel die weg niet volgen kan, dan wel volgens zijn eigen overtuiging en die van zijn medemensen asociaal wordt.

Heeft de mens het recht ter wille van zijn bewustwording en het leven in de werkelijkheid zijn medemensen op te offeren aan zijn idee van Goddelijke wetten? Op het ogenblik dat een mens, om deze weg der werkelijkheid te volgen, anderen moet kwetsen, is zijn bewustzijn zozeer onvolledig, dat hij niet de grote wetheid van eenheid begrijpt die alles ontwapent. Hij zal daardoor zelf in een valse verhouding komen te staan t.o.v. het Goddelijke en als resultaat, door lijden, nood, verlies en teleurstelling, moeten komen tot een praktisch uitoefenen van de naastenliefde. Dit met een behoud van alle werkelijkheid, zoverre deze uitgedrukt kan worden. Het lijkt mij niet noodzakelijk, om de Goddelijke werkelijkheid waarin je leeft, zonder meer aan een ieder te openbaren. Een enthousiast voetballer die probeert een baby van 6 maanden te leren voetballen verklaart u voor gek, nietwaar? Toch zijn er heel veel mensen die, getroffen door iets van het Goddelijke Licht, proberen de waarheid van dit Licht op anderen te richten, die – qua bewustzijn en ontwikkeling – niet veel meer zijn dan een baby.

Er zijn mensen die hun eigen inzichten omtrent goddelijke wetten, noodzaken en verplichtingen, zo sterk in zich dragen, dat zij deze aan anderen willen opleggen. Zij menen een aanvaarding van hun weten als een recht van anderen te mogen eisen. Zij wensen dat alle anderen zich zullen houden aan hun concept. Zij vergeten daarbij, dat hun bewustzijn en vermogen om de goddelijke werkelijkheid te realiseren, niet parallel hoeft te lopen met de ontwikkeling van anderen. Ik zou dan ook willen stellen, dat het voor elke mens met een redelijk bewustzijn, die streeft naar een leven in de goddelijke werkelijkheid, noodzakelijk is, om in de eerste en voornaamste plaats een dienende functie in te nemen t.o.v. de mensheid. Verder, dat deze dienende functie niet beperkt of bepaald mag worden – op enigerlei wijze – door geloof, voorkeur, huidskleur en dergelijke. Zij moet dus inderdaad universeel zijn.

Verder meen ik, dat een ieder die op een dergelijke wijze dienende in zijn leven tracht te komen tot een groter bewustzijn van God en een beter aanvaarden van de werkelijkheid, in zich verplicht zal zijn, al degenen te helpen en bij te staan, die volgens zijn bewustzijn en weten op dat ogenblik zijn hulp werkelijk en feitelijk behoeven. Dit houdt dus in, vrienden, dat het hooggestemde, waarmee wij zo-even begonnen zijn, althans ten dele theorie blijft.

Ik meen dat het voor de doorsnee mens niet is weggelegd de totale goddelijke werkelijkheid te erkennen. De doorsnee mens mag blij zijn, wanneer hij een enkele openbaring krijgt van werkelijkheid gedurende een enkel ogenblik van zijn leven. De doorsnee mens mag dankbaar zijn, wanneer voor een enkel ogenblik iets van die grote en goddelijke kracht rond hem hanteerbaar wordt, wanneer hij een schim ziet van de werkelijkheid die verborgen ligt achter de sluiers van waan. Eisen stellen aan die mensheid kan ons niet helpen. Dit betekent, dat, zolang wij met die mensheid bezig zijn, of onder die mensheid leven, wij verplicht zullen zijn de normen van die mensheid mede te accepteren. Ons erkennen van een grotere werkelijkheid zal dan ten hoogste tot uiting komen door een ons terug houden van bepaalde algemeen gangbare gebruiken en een ons langzaam en onmerkbaar onttrekken aan verplichtingen die niet noodzakelijk zijn.   Wij zullen verder heel goed moeten opletten, dat wij ondanks onze goede wil de minder bewuste mensheid niet toch nog dwingen onze weg te volgen. Op het ogenblik dat een bereikt peil van bewustzijn en kennen der goddelijke werkelijkheid leidt tot het dwingen van anderen, is m.i. een grote misdaad gebeurd die op het ik terugslaat. Men heeft dan immers gepoogd, geestelijk niet rijpen, geestelijk nog niet volwassenen in een wereld binnen te voeren, die voor hen alleen nog maar een grotere en wredere waan kan worden. In deze gevallen wordt de waarheid die u voor uzelf gevonden hebt, een misleiding voor een ander.

Mijn conclusie moet dus luiden: Wanneer ons bewustzijn groot genoeg is, kunnen wij althans een deel van de goddelijke werkelijkheid ervaren. Wij zullen daarin moeten leven zo goed als wij kunnen. Maar wij zullen steeds weer moeten trachten, vooral de waarheid der dingen te zien, zoals zij in God bestaan, en niet zoals wij ze zouden wensen. Daarnaast is het dan onze taak de anderen in hun illusies en waan niet te ontgoochelen, hun leven niet te breken, maar door ons streven ook voor hen de groei van bewustzijn mogelijk te maken, waardoor ook zij zullen kunnen leren begrijpen, waarom wij denken zoals wij denken en zijn, zoals wij zijn. Uiteindelijk zullen immers ook zij zien, dat achter de schijn der wereld, ook rond hen de grote goddelijke en enige waarheid bestaat. En nu wacht ik op uw reacties.

  • Krijgt men met de vergroting van bewustzijn ook niet het inzicht hoe men tegenover anderen moet handelen?

Dit betwijfel ik, zolang u tenminste bestaat in de menselijke vorm. Wanneer je in de stof leeft, leef je in een lichaam dat zekere eigenschappen en kwaliteiten bezit, terwijl het bewustzijn ervan gevormd wordt door reeksen van stoffelijke ervaringen. Ook erfelijke eigenschappen hebben hun invloed. Zowel het redelijk denken als de instinctieve reacties zijn dus wel in de eerste plaats op stoffelijke waarden gebaseerd. Hierbij zal het geestelijk ervaren en het geestelijk gerealiseerde niet altijd een overwegende invloed hebben. Ik meen dan ook dat uw handelen tegenover anderen zoals het aangevoeld wordt in de meeste gevallen een samenvatting van al deze waarden zal zijn, een soort compromis, waarbij zowel het geestelijk begeerde als de stoffelijke begeerte langzaam maar zeker trachten tot een eenheid te komen. Dit schept echter onzekerheden. Ik meen dan ook, dat het juist voor degenen die geestelijk verder gekomen zijn, wel zeer noodzakelijk is, heel ernstig na te denken over hetgeen zij als juist menen aan te voelen, terwijl men zich tevens af moet vragen wat die voor anderen zou kunnen betekenen. Eerst dan zullen zij de grote wetten van eenheid werkelijk leren beseffen en door een modificatie van hun oorspronkelijk inspiratief gedrag, kunnen komen tot een juist handelen ten opzichte van God, de medemens en zichzelf.

  •  Is in deze zin de menselijke rechtspraak niet wreed, waar men de mensen vaak  dingen voor de voeten gooit en hen veroordeelt, terwijl zij niet in staat zijn aan de eisen  van de wereld te voldoen?

 Het is mij onmogelijk, ook maar enige relatie te ontdekken tussen de menselijke rechtspraak en het Goddelijk Recht. De menselijke rechtspraak en rechtspleging is gebaseerd op het nut der massa. En wel volgens het oordeel van een bepaalde maatschappelijke vorm, zoals deze op een bepaald ogenblik bestaat. D.w.z., dat de wet in de meeste gevallen zal trachten te beletten dat een bepaalde vooruitgang wordt gemaakt, omdat zij achterblijft bij de bereikte vorm van beschaving.

Als voorbeeld: Wist u, dat in bepaalde plaatsen in Engeland nog steeds de gemeentelijke verordening bestaat, dat een door een motor voortbewogen voertuig – een auto bv. – zich niet met grotere snelheid dan 5 km. per uur mag voortbewegen binnen de gemeente, en dan nog moet worden voorafgegaan door een man, die overdag een rode vlag, ’s avonds een rode lantaarn draagt? U meent dat dit onzin is, een curiositeit? Neen, het is een typische uiting van de werking bij wetten. De wet wordt vastgelegd op een ogenblik dat zij de meerderheid redelijk schijnt. Nu gaat men die wet steeds weer anders interpreteren, om te voorkomen dat zij te scherp in tegenspraak raakt met de gangbare opvattingen in een bepaalde tijd. De wet wordt dus in feite steeds een weinig veranderd, of, wanneer dat gemakkelijker is, geheel vergeten. Maar die wet kan nooit een uitdrukking zijn van enig goddelijk recht. Zij is de uitdrukking der opvattingen van een meer volmaakte maatschappij, die nu eens beheerst zal worden door een deel der massa, dan weer door enkele personen, dan weer door bepaalde standen

Als regel kan worden gesteld, dat elke machthebber door het materiële recht, tracht zijn eigen positie te versterken en te handhaven, om zo voor zich de meest gunstige levenscondities te scheppen. Indien u dit niet wilt geloven moet u maar eens zien naar wat er op het ogenblik in Indonesië gebeurt. Daar kunt u een wel zeer sprekend voorbeeld hiervan zien. Is u dit niet voldoende, bestudeert u dan de Nederlandse wetgeving eens en bezie daarbij de wijze waarop de geest van de grondwet omzeild werd in 1923 – 1937-38 – 1946-47 en het jaar 1951. In die jaren heeft men werkelijk in de Wetgeving reeds vastgelegd recht van mensen en ook verantwoordelijkheden van bepaalde groepen, omzeild. De rechtspraak is dan ook een in feite slechts op de verdediging van een bepaalde toestand gebaseerde reeks van gebruiken. Zij zal altijd blijven berusten op de door het gemiddelde der massa nog juist aanvaardbare beperkingen geven van gedrag en vrijheid. Al wie aan deze wetten en de eisen daarin vervat niet tegemoet kan komen, moet veroordeeld worden, omdat hij een stoornis in de loop der maatschappelijke verhoudingen betekent en men dit nu eenmaal niet kan dulden. Van Goddelijk recht of zelfs maar werkelijke rechtvaardigheid is hier dan ook zelden of nooit sprake.

Men tracht wel zo rechtvaardig mogelijk te zijn, maar zal hierbij steeds weer worden geleid door de belangen van de sterkste. Er is dus bij de beschouwing minder sprake van recht of onrecht in absolute zin, dan wel van een eenvoudige drang tot zelfhandhaving in de maatschappij.

Van onrechtvaardigheid in juridische zin kan alleen sprake zijn, wanneer men voor een begane daad een zwaardere straf oplegt dan door de gekende norm der jurisprudentie wordt aangegeven. Van een onrecht dat tegen de wet zelf ingaat kunnen wij pas dan spreken, wanneer men een schuldige vrijspreekt, bewust een onschuldige veroordeelt, dan wel een grote straf oplegt – ongeacht de gebruikte voorwendsels daarbij veelal gebruikt – dan wordt aangegeven en toegestaan door het wetboek van strafrecht. Daarnaast zullen toevalsfactoren grote invloed kunnen hebben. Wanneer de rechter een goed humeur heeft, evenals de officier, dan gaat het gemoedelijker, wat de beklaagde weleens een paar maanden straftijd kan schelen. Een verbitterd mens als officier zal vaak hogere straffen eisen en door weten te drijven, terwijl ook de eigen relatie met het misdrijf op de rechter natuurlijk invloed heeft. Een rechter-voetganger zal een automobilist sneller veroordelen dan een rechter- automobilist. Maar dat alles is geen onrecht in juridische zin. Wanneer u iets misdoet, dan kunt u weten dat daar bv. maximaal 2 jaar op staat. Wanneer u die straf dan krijgt – zelfs wanneer u bv. niet wilde stelen, maar alleen inbrak om uw sigaret aan te steken – dan hebt u geen enkele reden tot klagen. U hebt de daad gesteld en draagt nu de gevolgen die staan op het ingaan tegen de opvattingen van de maatschappij.

Misschien zult u zeggen dat u die wetten niet kende. Dat is mogelijk. Maar als lid van de gemeenschap zult u in ernstiger gevallen zeker wel weten wat is toegestaan en wat zeer zeker verboden is. Wanneer u ooit tegen een landwet ingaat, zou ik u dan ook zeker de raad willen geven, nooit op een mogelijke rechtvaardiging daarvan, zelfs door een goddelijke opdracht, te rekenen. En vindt u een misdaad werkelijk noodzakelijk? Vraag dan eerst eens aan een handige advocaat, hoeveel dat kosten kan, reken met het maximum en het valt het u haast altijd mee. Met dat laatste hoop ik overigens meteen even aangeduid te hebben, hoe vaak de menselijke rechtspleging in feite een satire is op het werkelijke recht.

  •  U stelt dat het kennen van God voor de mens zeer beperkt is. Maar met onze  zintuigen nemen wij toch niets dan God waar?

Dat is wel waar. Maar er bestaan voor u vele niet waargenomen dingen. Denk maar aan de andere sferen, andere stoffelijke werelden, bezielde samenscholingen van sterren.

  •  Maar een redelijk denkend mens zal tenminste in alles rond zich God zien.

 Een dergelijk denken is niet redelijk, maar bovenredelijk. Wanneer de mens echter in alle dingen rond zich God ziet, zal hij in die God toch nog de werkelijke volmaaktheid niet kunnen ontdekken. Want het gehele beeld is nog te onsamenhangend, om ook maar enig beeld van volmaaktheid naar waarheid in jezelf te vormen. Zelfs deze houding is dus alleen een begin. Wanneer later de mogelijkheden worden uitgebreid door het steeds bewuster worden van de geest en dus het toevoegen van meerdere werelden aan de oorspronkelijk met stoffelijke zintuigen waargenomen wereld, krijgen wij enig inzicht op de inwerkingen die tussen de verschillende vlakken van bestaan mogelijk zijn. Eerst dan is het misschien mogelijk iets te beseffen van de ware goddelijke harmonie. Wij zien dan, hoe de krachten der natuur, de krachten van alle sferen en werelden, onmiddellijk reageren op hetgeen bv. in uw wereld gebeurt, evenals u – ook onbewust – zult moeten reageren op al hetgeen in die andere werelden en bereiken gebeurt. U kunt immers niet anders: de wet zegt, dat alle dingen één zijn in God. Erkenning van de volmaaktheid is dan ook afhankelijk van het kunnen beseffen en erkennen van deze relaties.

  • Maar wij weten toch, dat alles in en uit God is?

Zeker. Maar laat ons daarbij niet vergeten dat de mens die leeft als mens, zich moeilijk voor zal kunnen houden bij het nuttigen van een biefstuk: hier eet ik nu een beetje van God, gebakken in een ander beetje van God. Dat is natuurlijk wel zo, maar vanuit menselijk standpunt is een dergelijke beschouwing absurd. Voor een mens is een biefstuk een stuk van een koe, of, wanneer het goedkoop wordt, een stuk van een paard die gebakken wordt in boter, margarine of olie. De mens definieert alle dingen die kenbaar zijn nu eenmaal in de eerste plaats onder de vorm, waarin zij zich aan hem vertonen. Het is hem onmogelijk dit geheel te identificeren met God. Als je een closetrol hebt meegebracht, zul je niet zeggen: hier heb ik een rol “God”. Toch is het in feite zo. Want alles is energie.

  •  Alle energie – het enige in de ruimte wat is – is goddelijk.

Natuurlijk. Toch moeten wij oppassen dat ons gesprek niet te zeer goddelijk wordt, want dan bestaat het gevaar dat het uiteindelijk ontaardt in gezwam in de ruimte. Ik wilde alleen maar zeggen: Alle dingen zijn wel uit God, maar zolang je mens bent, kun je je dat toch niet voortdurend en volledig realiseren. De stoffelijke dingen horen daarvoor te veel bij de enige jou bekende manier van leven. Het is natuurlijk wel goed te zeggen dat alle dingen uit God zijn, maar alleen in de uitzonderingsverschijnselen is het u mogelijk, u dit werkelijk geheel te realiseren. Dit is juist een van de redenen die mij er toe brachten te zeggen, dat voor de mens het kennen van God beperkt is. Gewoonte stompt af, zeker wanneer wij over God na gaan denken. Het is haast onmogelijk, je steeds weer voor ogen te houden, dat alle, maar dan ook alle dingen uit God zijn, ook de meest zondige dingen, de meest onsmakelijke toestanden en voorwerpen.

  • Dat is dan gebrek aan bewustzijn.

Neen. Het is het je realiseren van een voor jou vaste waarde in een goddelijke wereld, waarbinnen u op dit ogenblik in deze verhouding geprojecteerd bent en uw bewustzijn opdoet. Mijn argumenten zijn natuurlijk ook in zekere zin beperkt, dat geef ik graag toe. Maar juist wanneer wij over het Goddelijke bezig zijn, moeten wij toch zorgen, dat wij dit op een hoog plan blijven stellen. Het is nu voor ons vaak zo moeilijk, bepaalde dingen geheel met het goddelijke te associëren, dat wij m.i. beter doen eerst eens te proberen God te ontdekken in alle dingen, waarin Hij voor ons gemakkelijker te vinden is. Laat ons niet steeds weer met het moeilijkste beginnen en ons ook vooral voor ogen houden dat onze voorstellingen omtrent God en onze begrippen van zijn kracht altijd onvolledig zijn, tot wij de hoogste trappen van bewustzijn werkelijk bereikt hebben. Het is niet zo belangrijk in het heden dat wij God als zodanig volledig leren kennen. Belangrijk is, dat wij in dat deel der goddelijke schepping, waarin wij leven, de goddelijke werkelijkheid leren erkennen en het leven leren ervaren zoals God dit bedoeld heeft. Daar gaat het om. Het gaat om het werkelijke leven, het leven in de goddelijke werkelijkheid. Wanneer wij dit nu maar kunnen, dan mag dit misschien heel erg beperkt zijn –  misschien 10% -. Een moment op de tien ten hoogste, dat je door de sluiers van waan heen kunt zien en de werkelijkheid begrijpen. Maar dat is precies voldoende, om te komen tot hogere innerlijke waarden, groter innerlijk erkennen en hoger leven.

  •  Om God te leren kennen moet je toch eerst erkennen dat Hij in jezelf leeft?

Ik zou hier al meteen kunnen opmerken dat de mensheid er mee begonnen is, zijn God buiten zich te zoeken. Het bewustzijn, dat daaruit voor de mensheid is voortgevloeid, is zo groot, dat hij zich nu de God in hem kan gaan realiseren. Een begrip dat zich op deze stofwereld steeds meer verbreidt. Het is dus duidelijk dat in het bewustzijnsproces het God erkennen belangrijk is, maar het buiten je, of in je, erkennen meer een kwestie van bewustwording is: hoe ver ben je gevorderd? Hoe verder je gevorderd bent, hoe meer je God in jezelf zult zoeken, omdat je daar de enige volledige kenbare waarde vindt en dus de alleen kenbare waarheid.  Maar ik stel uitdrukkelijk: je kunt ook God buiten je zoeken, want God is overal. Omdat God overal is, zullen wij beginnend bij elk willekeurig beeld, elke willekeurige voorstelling, altijd tot God kunnen komen.

De mens begint God eerst te projecteren in voorwerpen, daarna in dieren en daarna in mensen. Pas, wanneer hij dat heeft gedaan, dus het Goddelijke in anderen heeft erkend, komt hij tot het erkennen van God in zichzelf. Maar in zichzelf God erkennen, dan komt hij tot het erkennen van de Goddelijke eenheid, de band die hem bindt met al het geschapene. Dat is een bepaalde cyclus van bewustwording.

Wanneer wij nu voorop gaan stellen dat het idee en het bewustzijn dat wij nu bereikt hebben, het beginpunt moet zijn, dan maken wij een grote fout. Want dan werpen wij daarmede alles terzijde wat er in ongekende aantallen van duizenden jaren door de mensheid op dit terrein bereikt is, door de geest in de mens. De bewustwording is niet begonnen met “God leeft in ons”. De bewustwording is begonnen met een lichtende zuil op een altaar in een nevelachtige wereld, met daar rond wezens die eigenlijk nog dieren waren, die zich bij hun paringsdrang meer en meer bewust lieten leiden door de lichtende verschijningen. Zo is het begonnen. Daarom is dus het erkennen van God in jezelf een bepaalde en zeer belangrijke fase in het bewustwordingsproces. Het is het bewustzijn dat de mens voor het eerst zonder bemiddeling en zonder suggestieve ingrijpen van buitenaf, een directe relatie met zijn God mogelijk maakte.  Dus met uitschakeling van priesterdom, dienende geesten en tussenschakels als heiligen, heilige boeken, openbaringen en profetieën e.d.

Het erkennen van God in jezelf op de juiste wijze betekent een openbaring van het Goddelijke in jezelf, de Goddelijke kracht in jezelf. De volmaaktheid is niet te verklaren. Maar de benadering en de verhouding tot het volmaakte is wel te verklaren. Dat is m.i. een definitie van het eigen standpunt, dat nooit voor allen kan gelden. Dat heb ik uitdrukkelijk een paar keer gezegd. Waardoor wij dus voor onszelf een visie krijgen op, en een bewustzijn van het Goddelijke. Dan geven wij toe dat het een deel is, dat het onvolmaakt is, vanuit ons standpunt. Ook al zie je de zon niet: één straal van de zon is al licht. Op deze manier schakelen wij dus datgene uit, waarvoor wij op de wereld zijn gekomen, het contact met de buitenwereld en de bewustwording door redelijke redenatie.

Wanneer wij op aarde leven, dan kunnen wij zeggen dat wij op ons gevoel afgaan. Maar is dat gevoel een zuiver gevoel, dat u op aarde kent? Uw gevoel is opgebouwd uit een groot gedeelte van menselijke waarden die onvolmaakt zijn. Alleen door aanvulling kunnen zij volmaakt worden. Daarom is het voor ons wel noodzakelijk, dat wij inderdaad de tussenschakels zoveel mogelijk wegvagen, maar toch komen tot een bewust erkennen van het Goddelijke en een redelijk erkennen van hetgeen dit ervaren van het Goddelijke voor ons inhoudt. Dat is voor de mens zeker noodzakelijk. Het is een deel van de bewustwording. God wordt kenbaar in het verschijnsel. God is in alle dingen, maar een erkennen van God in onszelf is de verklaring van alle verschijnselen en de realisatie van alle bestaansvormen.