Bezieling

uit de cursus ‘Kosmische krachten aan het werk‘ (hoofdstuk 9 ) – juni 1978

Bezieling

De kern van elk levend wezen is een ziel. Een ziel als zodanig is een kracht die niet geheel tot het eigen wezen behoort maar waardoor het verbonden is – in ons geval b.v. – met de oerkracht. De ziel op zichzelf zou men kunnen omschrijven als een kosmische energie die door haar aanwezigheid de mogelijkheid schept om een verschil tot stand te brengen tussen de omgeving en de directe nabijheid van die ziel, deze kosmische energie. De ziel vormt de begrenzingsmogelijkheid zoals de geest de bewustzijnsmogelijkheid omschrijft.

Nu wordt het woord bezieling in heel veel verschillende betekenissen gebruikt. Ze zeggen van iemand, dat hij een bezield redenaar is. Dan bedoelen ze helemaal niet dat die man zijn ziel erin legt, ze bedoelen alleen maar dat hij indruk maakt. Ze kunnen zeggen dat een bezielde werkelijkheid tot stand komt. Ze bedoelen: dit leeft voor mij. Zo kunnen we doorgaan. Het wezen van de bezieling is dus kennelijk dat er iets meer aanwezig is dan alleen datgene wat als eigen ‘ik’ kan worden beschouwd. Dat geldt voor uw ziel, dat geldt voor de kracht die een zon bezielt, dat geldt zelfs voor dat ogenblik van bezieling waarin u even buiten uw eigen mentale grenzen treedt en tot belevingen komt, dus tot een besef dat uw normale zijn te boven gaat. Het is dus een toevoeging.

Wat is de bron van die toevoeging? We kunnen het natuurlijk eenvoudig zeggen: alle bezieling komt van God. We weten wel niet wat God is, we weten niet wat bezieling is, maar het komt van God. We kunnen echter proberen om het een beetje te analyseren.

Onze ziel is deel van de kosmos. Of we dat nu het Licht noemen of God, dat blijft allemaal even vaag; het is tijdloos, het is niet overzienbaar. Het is eigenlijk niet eens benaderbaar. Wij kunnen het wel met ons gevoel beleven, maar we kunnen er niet werkelijk een mening of een oordeel over vormen. Dat is dus nogal gemakkelijk.

De ziel is een deel van ons, inderdaad. Maar als wij ons bezield voelen door de een of andere drang of door een verschijnsel, waar komt dat dan vandaan? Dan blijkt in 9 van de 10 gevallen dat die bezieling te maken heeft met hetzij invloeden hetzij gewoon krachten die van buitenaf optreden.

De bezieling, die een man of een vrouw kan treffen, de begeestering waardoor men plotseling wordt getroffen door een denkbeeld en eigenlijk over zijn eigen grenzen heen getild schijnt te worden, blijkt heel vaak een telepathische te zijn. Een bezieling kan gewoon voortkomen uit een harmonie tussen vele mensen die in u bepaalde grenzen, bepaalde beperkingen tijdelijk opheft en zo in uw wezen een grotere volheid van mogelijkheden schept dan normaal aanwezig is.

Het kan ook zijn dat het een geest is: een geest kan ook bezieler zijn. Niet dat hij u een ziel geeft, maar hij kan wel degelijk in uw bewustzijn waarden injecteren die daarin niet bestaan of combinaties mogelijk maken die voor u niet normaal zijn zodat u opeens met een nieuwe visie, een nieuw beleven, een nieuw gevoel mis­schien wordt geconfronteerd. We kunnen dus wel zeggen dat bezieling eigenlijk altijd een kwestie is van een kracht, die ons van buitenaf bereikt en dat de aard van de bezieling mee wordt bepaald door de geaardheid van die kracht.

Verder kunnen wij zeggen dat er één alomtegenwoordige en altijd op­tredende energie is die altijd bij ons blijft (onze werkelijke ziel). Dit geldt voor alle levende wezens. Daarnaast kunnen er ook incidenteel optredende krachten zijn – waar dan ook vandaan – en die kunnen invloed hebben op onze persoonlijkheid, op ons denken, ons bewustzijn en vaak zelfs op onze vermogens.

Bronnen van bezieling vanuit de geestelijke, niet‑stoffelijke werelden: er zijn bepaalde Heren. Dit zijn krachtlijnen, ontwikkelingslijnen, die een eigen frequentie hebben. Zij hebben contact met alle wezens die deze ontvangstmogelijkheid ingebouwd hebben. Het is zoiets als een afgestemde ontvanger. De mens is een ontvanger. Er is een kosmische kracht en deze zendt bepaalde golven uit. Soms zijn dat golven van wijsheid, soms andere. De golf waarop u bent afgestemd, spreekt aan. Op dat ogenblik ontstaat er in uw wezen de neiging en de mogelijkheid om uitvoeriger dan normaal te reageren op die invloeden en u zult alle werkingen daarvan in uw wereld beter begrijpen. U zult daardoor ongetwijfeld ook in eigen daad‑ en denk­patroon worden beïnvloed.

Deze Heren zijn ver weg. Hun invloeden zijn nogal algemeen. Wij spreken doorgaans over 7 grote Heren en nog 3 Heren van Kracht. Maar of je nu spreekt over een Heer van een Straal, over één van de Heren van Wijsheid of over de Heren van Kracht, het is altijd hetzelfde liedje: deze invloed is partieel. Ze spreekt dus niet iedereen aan maar alleen degenen die afgestemd zijn. Ze werkt echter op alle afgestemden wel gelijk in. Je kunt dus niet zeggen, zoals sommige mensen denken te kunnen doen: ik word be­zield door een hoge geest. De Heren van Wijsheid hebben mij beroerd. Als je dat denkt en je meent dat je daardoor anders bent dan een ander, dan ben je er maar beroerd aan toe want die wijsheid ontvangt een ander evenzeer. De uitdrukking die je eraan geeft, behoort wel tot je eigen wezen en je eigen mogelijkheden maar de mogelijkheid als zodanig is voor iedereen gelijk.

Iets anders wordt het wanneer we te maken krijgen met sterkere per­soonlijke krachten. Sommige mensen noemen dat engelen, anderen weer hoge geesten. Sommigen zeggen zelfs: het zijn de Meesters die leiding geven aan de aarde. Maar hoe u ze ook noemt, deze zijn Persoonlijkheden. Terwijl een Heer van een Straal, van Harmonie, van Wijsheid of van Kracht eigenlijk het gehele Al beroert, zal zo’n Meester, zo’n Persoonlijkheid, alleen een bepaald deel van het Al beroeren. Wat meer is, hij zal daarbij een veel scherpere afstemming kiezen dan denkbaar is voor iemand, die in het algemeen een golf van bewustzijn de wereld instuurt. Een voorbeeld!

Neem Jezus, die zich de laatste tijd weer wat meer met de wereld be­zighoudt. Jezus is een Grootmeester. Jezus kan inspireren. Jezus kan kracht geven, natuurlijk. Maar hij geeft deze bewust. Hij kan in verschijning treden op misschien 20 plaatsen op aarde gelijktijdig, indien hij dat wenst, maar hij zal elke plaats afzonderlijk kiezen en bestemmen. Er is geen alge­meenheid meer. Dit is bewust en met wil bepaald.

Een bezielende kracht van deze geaardheid, dus stammend uit de geeste­lijke werelden, kan bij een groot aantal mensen selectief bepaalde mogelijk­heden wekken. Dat kan voor de één zijn: een juister besef van eigen situatie; voor een tweede misschien het ontdekken van krachten die in hem sluimeren en voor een derde de mogelijkheid om iets te veranderen. Dat is dan, stuk voor stuk, een gerichte bezieling. Anders gezegd: Jezus is degene die niet alleen de kracht maar ook de geaardheid van de mogelijke reactie bepaalt en deze beperkt tot een enkeling of desnoods tot enkele mensen, dus nooit tot een heel volk. In deze vorm van bezield-zijn krijg je dus kennis, invloeden, mogelijkheden van de hoogste geestelijke werelden (de niet-­stoffelijke werelden) die worden aangepast aan en uitgedrukt in de stoffelijke wereld en wel door specifiek voor een bepaald doel geko­zen representanten.

Dan hebben we de gewone bezieling die heel dicht ligt bij wat men inspiratie noemt. Die kan ook uit de geest komen.

Kijk eens, wanneer ik over deze wereld loop rond te dolen – wat nog weleens gebeurt – en ik zie iemand in moeilijkheden zitten, dan kan ik zeg­gen: als je dat piefje nu op dat palletje drukt, dan doet dat ding het weer. Of ik kan zeggen: nu moet je even stil zijn en diep ademhalen, dan gaat het wel beter. En dan kan ik op zo’n ogenblik de reactie wel doorzetten en de persoon bewust maken van die invloed. Er kan dan nu een situatie ontstaan waarin mijn kennis en soms ook mijn kracht tijdelijk via zo’n persoon werkt.

Zo kan ik ook iemand helpen wanneer er een argumentatie of een dispuut is. Ik zou langs komen en denken: daar moet een goed antwoord op worden gegeven. Dan kan ik zo iemand stimuleren totdat hij zijn normale grenzen van uitdrukking en mogelijkheden overschrijdt en daardoor een bezield ant­woord geeft waarvan hij later zelf staat te kijken. Dit zijn normaal voor­komende dingen.

Dan zijn er nog de stoffelijke zaken. Dat zijn al die invloeden uit de kosmos waarover we al meer hebben gesproken. We hebben daar te maken met uitstralingen van de zon. We hebben te maken met sterke veranderingen van lucht‑aarde potentiaal: lucht‑elektriciteit. We kunnen te maken krij­gen met magnetische wervelingen. We kunnen te maken hebben met allerlei biologische of geestelijk aansprekende beïnvloedingen die stammen van de zon, uit de ruimte enz.

Dit lijkt ook bezieling maar is dat in wezen natuurlijk niet. We zullen het heel vaak wel bezieling noemen omdat daardoor onze eigen reacties zozeer veranderen dat we onszelf niet meer herkennen. Zo kan b.v. – ik noem nu maar wat – een uitbarsting op de zon voor sommige men­sen leiden tot een enorme agressiviteit maar voor anderen met hetzelf­de gemak voeren tot een bijzonder scherp inzicht waardoor ze plotseling, door de problemen heen, het feit zien waar het om gaat. Zij hebben dan toch ook het idee dat er iets op hen inwerkt, dat ze iets meer zijn. En zij zul­len dat dan ook bezieling noemen. In het persoonlijk leven speelt bezie­ling in deze zin dus wel degelijk een rol.

Er zijn meer van die gevallen waar we eigenlijk wel van een soort be­zieling kunnen spreken. Wat moeten we denken van een rassengeest? Een rassengeest zal natuurlijk niet een heel ras gelijkschakelen. Die nei­ging om alles te normaliseren tot het denken en het bestaan toe, dat is typisch menselijk. Een rassengeest bewaakt o.m. erfelijke eigenschappen en factoren. Hij bewaakt ook het geestesleven van een bepaalde groep die hij onder zijn beheer heeft. Als er nu in die groep bepaalde elementen gaan optreden die, op dat ogenblik gezien, in dit ras niet aanvaardbaar zijn, dan treedt hij op als bezieler; d.w.z. dat hij dit ras op grond van here­ditaire kwaliteiten gaat aanspreken. Dat betekent dat hij dan 70% tot 80% van zo’n ras inderdaad bereikt. Hij laat bij allen ongeveer gelijke impulsen opkomen. Het gedrag wordt dan tijdelijk veranderd en door die ge­dragsverandering kan weer het lot van zo’n ras worden bestemd.

Wanneer nu een dergelijke poging plaatsvindt, zullen de mensen dus anders gaan redeneren, ze gaan anders denken, hun emoties zoeken een brand­punt. Je kunt dan iemand in dat brandpunt plaatsen. Je krijgt dan b.v. een nieuwe staatsman, een nieuwe prediker, priester of profeet. Al deze mensen, omdat ze het brandpunt zijn van een werking die de rassengeest in het gehele ras tot stand tracht te brengen, worden vervreemd van hun persoonlijke re­actie. Wat zij dan zijn, is eigenlijk iets anders dan hun werkelijke wezen. Hun uitstraling is veel sterker. Hun invloed op de mensen is veel groter. En juist daardoor lijkt het weer of ze bijzonder bezielde persoonlijkheden zijn, die – of ze nu door de duivel of door God bezield zijn, want daar heeft de mens altijd wel een bepaald oordeel over – meer zijn dan gewone mensen. In feite is dat niet waar. Het is zo dat iemand door de omstandigheden blijkt te kunnen functioneren als brandpunt voor een invloed van een rassengeest.

Dan hebben we de groepsgeesten. Een groepsgeest kan ook reageren. Een groep kan groot of klein zijn. Laten we ons voorbeeld maar beperken tot een groep van maximaal 100 personen, dus een kleine groep.

De groepsgeest probeert al die mensen te helpen. Voor een groepsgeest is een harmonisch patroon in de groep noodzakelijk, onvermijdelijk. En als daarin stoffelijk en misschien ook kosmisch storingen optreden, dan zal hij alles doen om ze op te heffen. Hij wil dat de groep als een eenheid functioneert en wil dat in stand houden. Dus moet hij ingrijpen in het bewustzijn van de leden van de groep. Hij kan dit niet doen door hen hun vrijheid te ontnemen. Hij kan het wel doen door een preferentie te creëren voor bepaalde denkbeelden en bepaalde reacties. Hij kan de groep zo aaneensmeden dat ze een gesloten geheel vormt. En als het niet anders gaat, doet hij dat desnoods door een vijandschap te scheppen t.a.v. alles wat niet tot de groep behoort. Het belangrijke is dat de groep in de eerste plaats een eenheid vormt. Ook dan kunnen we zeggen dat de mensen van die groep bezield zijn door gevoelens, emoties en denkbeelden die eigenlijk niet thuishoren in hun persoonlijk bestaan maar die hun van buitenaf worden ingelegd. Ze gaan reageren op iets wat ze beschouwen als deel van zichzelf, ofschoon het in feite een invloed is die door de groepsgeest wordt uitgeoefend.

Nu zult u zeggen: waar blijven wij dan eigenlijk? De mensen zijn altijd zo druk bezig met vragen als: wanneer komt de ziel in het lichaam? Ja, wanneer stapt de passagier in de autobus? Niet op het ogenblik dat hij uitstapt maar op het ogenblik dat hij vertrekt. Dat zijn dingen waarover je moeilijk iets kunt zeggen.

Een geest die incarneert, bezielt in feite ook iets. Want zo’n stoffelijk organisme werkt wel, het biologisch geheel bestaat wel, maar het heeft iets nodig dat coördineert, dat a.h.w. inhoud, betekenis geeft aan het stoffelijk werken. Die geest zal een lichaam kiezen. Dat is altijd het eerste punt. Bij de keuze van het lichaam verbindt hij iets van zijn eigen kracht aan het wordend organisme. Het is alleen een lijntje, maar het is toch voldoende om daardoor eigenschappen en kwaliteiten van de geest te laten mee vibreren in die stof. Omgekeerd ook: de stoffelijke ontwikkeling a.h.w. door te stuwen zodat ze in die geest, en vooral in het besef van die geest, vorm krijgt en hij weet wanneer hij moet reageren. Dan komt er een ogenblik dat die geest in het lichaam trekt. Is dat nu bezieling? In zekere zin wel want die geest brengt zijn eigen ziel mee. Is het bezieling in de zin dat er een nieuwe ziel wordt geschapen op dat moment? Neen, want het is goddelijke levenskracht die al in andere vormen en structuren eveneens bezielend is opgetreden en die rond zich bovendien een persoonlijk bewustzijn bezit. Maar goed, je kunt zeggen: de vrucht wordt op een bepaald moment bezield. Ik heb hiermee, meen ik, het merendeel van de belangrijke factoren van bezieling wel genoemd.

Gezien het feit dat we nu bezieling hebben beschouwd als één invloed, moeten we ons ook nog realiseren dat er heel veel mensen zijn die inspiratie met bezieling verwarren. Inspiratie is heel iets anders.

Wat u inspiratie noemt, kan van buitenaf komen, dat is ongetwijfeld waar. Maar het is niet iets wat het geheel van uw wezen beïnvloedt. Inspiratie is altijd datgene waardoor uw denkprocessen worden beïnvloed. Waar bezieling altijd externe factoren veronderstelt, kan inspiratie uit het eigen ‘ik’ voortkomen. Een mens kan gewoon vanuit zijn onderbewustzijn bepaalde dingen opeens beseffen en denken: dit is een inspiratie en misschien daarvoor zelfs een schuldige aanwijzen: dat heeft de geest gedaan.

Inspiratie heeft dus alleen te maken met het plotseling ontstaan van denkbeelden die niet in overeenstemming zijn met datgene wat je zelf als normaal beschouwt.

Bezieling daarentegen is een beïnvloeding van een persoon of van vele personen, desnoods van een deel van de ruimte waardoor het geheel van de geaardheid en de bewustzijnswaarde zodanig worden beïnvloed dat de externe factor tenminste ook een deel van het gedragspatroon en de bewustwordingsmogelijkheid beïnvloedt. Als we het zo zeggen, dan wordt het misschien ook duidelijk waarom er zo’n verschil moet worden gemaakt.

Een ziel is altijd iets wat niet van uzelf is. Als we bepaalde dingen ‘bezieling’ noemen, dan hebben we altijd nog te maken met beelden die in de eerste plaats buiten u bestaan en om welke reden dan ook op u worden afgedrukt. Of met een beheersing van uw persoonlijkheid waardoor die wordt omgevormd tot ze beantwoordt aan de eisen van een wezen dat buiten u bestaat. Maar als u gewoon tot iets wordt geïnspireerd, dan is het het geheel van uw wezen dat daarbij een rol speelt.

Inspiratie is ook niet iets wat om je heen gebeurt. Het is altijd een proces dat in je gevoelens, in je denken een rol speelt en waarbij je zelf de beslissing neemt.

Wanneer er uit de kosmos een golf aanrolt die de mensen agressief maakt, dan kun je de mensen slechts aansprakelijk stellen voor die agressie in zoverre ze bewust wordt gehanteerd. Als een poging tot inspiratie ook agressie inhoudt, dan wordt het beeld van de agressie wel in u wakker maar u bent in staat om de werkelijkheid nog daarmee te vergelijken; u kunt tot een zelfstandig besluit komen. Dit grote verschil zullen de meeste mensen helaas over het hoofd zien.

Inspiratie kan een mens er zeker toe brengen om een hele toespraak te houden waarbij een geest bepaalt wat die mens zegt. Dat kan echter alleen indien er tussen die mens en die geest een harmonie bestaat. Wat meer is: als die mens zich ook bewust is van die harmonie. Zelfs bij alle gezonde vormen van mediumschap (er zijn ook nog andere) is het nodig dat er eerst een harmonie is tussen de persoon die doorgeeft op aarde en de entiteit die de boodschap bepaalt, zoals in mijn geval b.v. U moet begrijpen dat we alles wat dwingt op een andere manier moeten beschouwen dan iets wat hoogstens kan conditioneren. Conditioneren is het steeds herhalen van waarden waardoor je misschien op den duur vergeet wat je ziet, wat je beleeft, wat je waarneemt en het anders gaat interpreteren. Dat is mogelijk. Maar je bent er zelf bij. Je hebt nog steeds de mogelijkheid tot beseffen. Alles wat je doet, is nog steeds deel van je persoonlijkheid, van je wezen. Op het ogenblik echter dat je niet meer in staat bent het uitzonderlijke van de situatie te begrijpen, daaraan helemaal geen deel kunt hebben en op generlei wijze je bewust daarmee verbonden weet, spreken we pas van werkelijke bezieling.

Bezieling is iets wat in u kan berusten en uitstralen naar anderen, zonder dat u zich van die uitstraling bewust bent en waarschijnlijk zelfs zonder dat u zich bewust bent van de invloeden die u hebben wakker geroepen en van de invloeden die ook rond u een rol zijn gaan spelen. Het is voor een mens misschien beter om zich niet al teveel met die dingen bezig te houden.

U heeft een ziel. Goed. De kosmos beïnvloedt u. Zeker. Maar als mens kunt u die dingen niet allemaal uit elkaar houden. U kunt misschien – we hebben daarvoor wel eens aanwijzingen gegeven – met enige moeite en experimenten erachter komen tot welke straal u eigenlijk behoort. En weet u dat, wat heeft u er dan nog aan? U kunt misschien als mens geestelijke harmonieën wat gemakkelijker bepalen maar als u dat allemaal weet, wat heeft u eraan? Alleen als het een essentieel deel is van uw bewust streven en werken waar u zelf bij betrokken bent, is het zinvol. In de gevallen dat het niet zo is, zou u eigenlijk die dingen voorlopig maar terzijde moeten leggen. Dat ligt mij beter.

Ik neem graag aan dat God ons allen heeft bezield. Maar of God dat nu wel of niet heeft gedaan of dat een ander daarvoor aansprakelijk is (als je naar het gedrag van de mensen kijkt, denk je dat wel eens), dat gaat mij niet aan. Ik ben er. Het feit dat ik er ben, betekent dat ik moet leven. Het feit dat ik leef, betekent bewustzijnsprocessen, betekent emoties, betekent ook erkenning van verschillende werelden en van omstandigheden. En zolang die direct betrokken zijn bij dat wat ik nu ben, bij de waarheid, de wereld die ik nu erken, is het zinvol. Op het ogenblik dat ze er ver van af liggen, heb ik er niets aan.

Het is natuurlijk heel mooi om over het paradijs te filosoferen en over Adam en Eva, de eerste naturisten ter wereld. Maar als u daar nu een hele tijd over filosofeert en u vergeet wat u zelf bent, heeft u niets bereikt.

We zijn bezield, goed. Er zijn invloeden uit de kosmos, geestelijke en zelfs stoffelijke, die inwerken op de mens en daardoor zijn persoonlijkheid enigszins beïnvloeden en veranderen zonder dat hij het zelf kan weten. Dat is waar. Maar als u het niet kunt zien of weten, wat heeft u er dan aan om de mogelijkheid te kennen? Het belangrijke bij bezieling is juist dat de eigen persoonlijkheid in een positieve erkenning reageert, ongeacht waarop, ongeacht hoe in overeenstemming met wat het ‘ik’ op dit moment als volledig juist, als waar ervaart. En waar het dan vandaan komt, zal u een zorg zijn.

Bij inspiratie kan het nog zijn dat je zegt: waar komt het vandaan? omdat je dan je eigen vermogens hebt. Je kunt kritisch kijken naar hetgeen er in je ontstaat of uit je voortkomt. Maar bij bezieling ben je, op dat punt althans, niet meer volledig jezelf. De verandering is niet iets wat onder controle valt van je bewustzijn, je rede of je wil. Het is iets wat pas later kan worden beseft of in zijn gevolgen kan worden erkend maar niet op zichzelf valt te definiëren. Waarom je je dan druk maken? U vindt het misschien gek dat ik dat erbij zeg.

Het leven van een mens (dit behoort wel niet helemaal bij het onderwerp maar het lijkt mij toch wel belangrijk) is eigenlijk een deel van de totale mensheid. U weet het, het verhaal van de Rode Adam en al wat erbij hoort. Deze parabel heeft wel zin. De mensheid omvat een bepaald deel van het scheppend vermogen en de erkenningen, die binnen het scheppend vermogen bereikbaar zijn vanuit een bepaalde benadering. Mensen zijn dus onderling voortdurend met elkaar verbonden. Maar de bewustzijnswaarde van het geheel der mensheid, inclusief alle geesten die ooit mens zijn geweest en die het ooit zullen worden én ook u, verandert elk ogenblik. Elk ogenblik wordt de betekenis anders in het geheel. En dat betekent dat uw eigen waarderingen, uw eigen wetten en regels maar beperkt gelden. Ze gelden wel voor u maar ze bepalen niet de waarde in het geheel.

Laat mij het zo stellen : er kan een ogenblik zijn dat het doden van een medemens eigenlijk voor de mensheid noodzakelijk is. Dan is het nog niet goed dat u een medemens doodt want u kunt hem zijn leven niet teruggeven. Dat is dan vanuit een menselijk standpunt gezien. Maar tevens wordt het onvermijdelijk dat u bewust of onbewust de dood van die ander veroorzaakt. Dan moet u dat aanvaarden. Het kan zijn dat een mens in zijn gedragingen op een gegeven moment helemaal afwijkt van alles wat ethisch, moreel, sociaal, menselijk of economisch verantwoord wordt geacht. Het is heel begrijpelijk dat dat niet wordt goedgekeurd maar op dat ogenblik is dat juist binnen de totale mensheid. Want het geheel van de mensheid kent natuurlijk ook een ‘bezieling’. Dat wil zeggen: alle delen van de kosmische of de goddelijke kracht die in de mensen aanwezig zijn, beantwoorden weer aan het patroon van de kosmische mens. Zo is de mensheid dus bezield door een harmonische waarde die in elke ziel is terug te vinden. En het is die harmonische waarde, die voor een groot gedeelte de kleine dingen bepalen.

Er zijn mensen die zeggen: dat kan alleen gelden als het om grote dingen gaat. Waarom? Als je kijkt naar de stranden die rond een oceaan liggen, dan kun je wel zeggen: dat zijn tenminste grote dingen. Maar ze zijn ook uit korrels zand opgebouwd. Als drie korrels zand een beetje van positie veranderen, dan betekent dat misschien dat bij vloed één rimpeltje van het zand anders komt te liggen. En dat betekent weer dat, wanneer het zand opdroogt en het gaat verstuiven, de wind net een iets andere werking heeft. En dan kan dat ook nog betekenen dat er een duinenrij komt of misschien dat de zee gemakkelijker toegang krijgt. Dat kunnen die korrels zand niet overzien. Zo kunt u niet overzien wat datgene wat u bent en doet, betekent voor een deel van de mensheid.

Maar er is een soort monitor. Er is een gemeenschappelijke kracht in de ziel (niet in de geest, dus niet in het bewustzijn maar in de levende kracht zelf) waardoor dergelijke dingen mee gereguleerd worden. Niet alles wat u doet, is belangrijk. Maar op sommige ogenblikken is dat wat u doet voor de gehele mensheid in haar ontwikkeling zo belangrijk dat het a.h.w. moet gebeuren. Denk niet dat dit een kwestie is van inspiratie die u dan krijgt. Het is een bezield zijn door de totaliteit. Het is een gedreven worden in een bepaalde richting. Zelf zul je dat nooit weten of misschien pas veel later erkennen maar de wetten en de krachten van de kosmos houden nu eenmaal geen rekening met het menselijk bewustzijn. Ze zijn eenvoudig deel van Je totaliteit. Ze regeren die totaliteit en u wordt mee geregeerd.

Daarom zou ik zeggen, als u zich druk maakt over vragen als ‘bezieling’,  bewogen wordt door geestelijke of andere krachten, trek u er niet al teveel van aan. Probeer in uzelf een gevoel van juistheid te bewaren. Probeer in uzelf te beseffen: elk ogenblik verandert de betekenis van de door mij erkende regels en wetten voor mij indien ik juist wil reageren in de totaliteit. In deze totale veranderlijkheid heb ik maar één beroep: de kracht van mijn ziel. Dat is de innerlijke energie die mij beweegt, dat is de innerlijke veerkracht die, buiten alle redelijkheid om, in mij steeds weer aanwezig is. Het is datgene wat mij ondanks mijn emoties voortjaagt. Het is datgene wat mij tegen mijn redelijkheid in plotseling ertoe brengt ons bepaalde dingen te doen. En als ik ze gedaan heb, wanneer ik heb beantwoord aan deze kosmische bezielende impuls, dan ga ik gewoon verder zoals ik ben, met gevolgen die ik misschien zelf niet heb gewenst, dat is mogelijk, met ervaringen waarvan ik de betekenis zelf nog niet geheel kan beseffen; maar omdat ik de uitdrukking ben geweest van de noodzaak van het geheel op dat ene ogenblik, ben ik binnen dat geheel aansprakelijk en word ik door het geheel gesteund zodat geestelijk, wat kracht en besef betreft, het ‘ik’ zichzelf kan handhaven, ja, zijn eigen waarde en betekenis binnen het geheel eerder juister dan minder juist gaat beseffen.

Ik heb vele dingen gezegd die u reeds heeft gehoord. Ik zou u willen raden in dit verband vooral te letten op de nieuwe samenhangen, die ik in het onderwerp naar voren heb geschoven. Ik heb u hiermee eigenlijk het raadsel verklaard van de werking van de goddelijke Kracht via de essentie van de totale mensheid naar uw eigen wezen toe. Ik meen dat dit voor u verhelderend zou kunnen werken en daarom heb ik dat laatste stukje erbij gegeven.

De samenwerking tussen stof en geest

Als u vanuit een geestelijk standpunt de aarde en het stoffelijk bestaan bekijkt, dan moet u zich wel realiseren dat voor de geest de aarde eigenlijk een soort school is, een testbaan waar je alle eigenschappen die je als geest nodig hebt om een kosmische harmonie te beleven, kunt ontwikkelen, eventueel bekritiseren en leren verbeteren. Het is duidelijk dat de geest dus interesse heeft voor de stof, al is het maar uit zelfzuchtige of doelmatige overwegingen. Ik zeg niet dat het altijd zo is, we zijn niet altijd zelfzuchtig, maar het komt toch voor. Als je dus kijkt naar de samenwerking tussen stof en geest, dan is vanuit de geest gezien het belangrijkste dat de stoffelijke bewustwordingsmogelijkheden blijven bestaan en eventueel worden uitgebreid.

Verder is het van groot belang voor de geest dat de mogelijkheden die er op aarde bestaan weer in overeenstemming zijn met de belevingsbehoefte van allen die in de geest op incarnatie wachten. De geest zal dus vanuit haar eigen standpunt altijd weer proberen om vooral die geestelijke elementen en de situaties waarin ze beproefd kunnen worden op aarde, te bevorderen.

Voor de mens is dat weer heel iets anders. De mens denkt aan het geestelijk bestaan als een soort luilekkerland in de wolken. Hij probeert zich voor te stellen hoe hij zo snel mogelijk in dat heerlijke gebied kan komen waar alle zorgen voorbij zijn, waar de zon eeuwig schijnt en waar het toerisme tot aan het goddelijk licht toe mogelijk is gemaakt. De mens zal dus proberen de geest te zien als een veredeling van het menselijk zijn en daar zit een zekere strijdigheid in.

Een mens die al te zeer geestelijk leeft en streeft, zal daardoor heel veel stoffelijke ervaringsmogelijkheden terzijde leggen. Indien dat nu in overeenstemming is met de geest die in dat lichaam leeft, dan is daar helemaal geen bezwaar tegen. Integendeel, dan zal men vanuit de geest zo iemand vaak helpen omdat men denkt: daardoor komen er weer meer ervaringsmogelijkheden in de wereld die voor verdere incarnaties in de stof van belang kunnen zijn.

Maar als zo’n mens zich helemaal afzondert van het stoffelijke bestaan en alleen nog maar met het hoofd in de wolken leeft, dan zeg je als geest nog maar: potverdorie, daar worden kansen verknoeid. Daar moeten we iets tegen doen. En dat probeer je dan ook. Niet dat het altijd lukt. Als je b.v. probeert een kloosterzuster bij te brengen dat het alleen leven met een hypothetische verloofde in een voortdurende gebedsbezigheid niet voldoende is, dan zal ze niet accepteren dat ze een verkeerde keuze heeft gemaakt; ze zal alleen steeds zuurder en bitterder worden. Het geheel van haar innerlijke teleurstelling komt tot uiting in het knijpen van degenen die ze eventueel mag verzorgen. (Ik zeg niet dat ze de kat in het donker knijpt, ze doet het meer overdag. De nachten zijn voor het gebed gereserveerd.) Hier heeft u al een voorstelling van het verschil in benadering.

U weet allemaal dat één van de belangrijkste factoren die op aarde werkzaam zijn, de z.g. Witte Broederschap is tezamen met het Verborgen Priesterrijk en nog enkele andere groepen. Deze groepen zijn bezig om op aarde de belevingsmogelijkheden te scheppen die voor de geest goed zijn en die gelijktijdig voor de mensheid een optimale mogelijkheid tot bewustwording kunnen leveren. Dat betekent dat men de nadruk legt op de stoffelijke aspecten en de daaruit voortvloeiende consequenties; dus niet eerst op de geestelijke consequenties, maar op het stoffelijke aspect waaruit de geestelijke consequentie kan voortkomen. Dat betekent dat de bewustwording, die men de mensen op aarde geeft, voor de mensheid inderdaad gééstelijk van groot belang is maar dat gelijktijdig stoffelijk allerlei dingen worden gedaan waarvan je zegt: hoe kunnen zij nu zo stom zijn? Dat is heel begrijpelijk want zij zijn niet menselijk.

De mens, die vanuit zijn standpunt meewerkt met de Witte Broederschap, bekijkt het eigenlijk precies van de andere kant. Er is een uiterlijke samenwerking maar toch zal degene die in de stof meewerkt met de Witte Broederschap, vooral bezig zijn om dit geestelijk bewustzijn onder de mensen (de hogere ethiek zoals hij die ziet) naar voren te schuiven. Terwijl de geest juist bezig is om de stoffelijke belevingsmogelijkheid te accentueren. Zo ontstaat er eigenlijk een soort compromis. Want de geest, die samenwerkt met de stof, moet heel goed begrijpen dat de geest die in de stof zit, haar eigen geestelijk bestaan toch ook wil realiseren en dat ze dat alleen maar heel beperkt kan uitdrukken in het lichaam dat ze heeft. Zodat de voorstelling, die men van een geestelijk bestaan ontwerpt, niet altijd direct met de geestelijke behoefte en noodzaken in overeenstemming is. Zo`n geest geef je de mogelijkheid om enerzijds al die dingen te beleven en waar te maken. Anderzijds confronteer je haar weer met de bitterheid van het stoffelijk bestaan. Om het heel eenvoudig te zeggen: misschien wandel je op aarde met de Vader en doe je wonderen maar dan moet je niet verbaasd zijn als er een kruisiging op moet volgen. Dat is gewoon onvermijdelijk.

Deze situatie heeft geleid tot pogingen om in de mensheid een golfbeweging van bewustzijn op gang te brengen. Dat impliceert dat je probeert om leiding te geven aan de stoffelijke ontwikkeling. Gelijktijdig aanvaard je als geest dat er op aarde heel veel verschillende groepen van besef en van mogelijkheid bestaan. Dat is gunstig want zoveel te meer verschillende mogelijkheden heeft een geest die wil incarneren. Daardoor ben je weer in staat om elk van die groepen te stimuleren en de daarin bestaande afwijkingen t.a.v. wat de stofmens als norm ziet, gewoon te handhaven. Die handhaving is belangrijk. Het is een extra ervaringsmogelijkheid voor de geest en als zodanig geeft het dus voor het geheel van de mensheid en voor het geheel van het geestelijk bestaan een grotere besefsmogelijkheid en een betere kans op inwijding.

Het zal u duidelijk zijn dat die strijdigheid – want dat is het eigenlijk wel – in doelstelling tussen de grote geestelijke groeperingen die de aarde proberen te helpen en te leiden en de mensen die op aarde leven, zal worden weerspiegeld in uw eigen persoonlijkheid.

U heeft een lichaam. Dat lichaam is geconditioneerd, het is erfelijk bepaald, het heeft eigenschappen en kwaliteiten. Daarin leeft een geest. Die geest heeft heel eigen behoeften: belevingsbehoeften, ervaringsbehoeften. Die zullen soms heel erg strijdig zijn met alles wat u stoffelijk heeft geleerd. Het resultaat is dat u dan dingen gaat doen waardoor u dan op grond van uw stoffelijk gekregen conditionering enorme problemen gaat krijgen. Of omgekeerd, dat u een bepaalde droom, een geestelijke noodzaak eigenlijk, wel voortdurend koestert maar dat u haar niet aan de werkelijkheid durft toetsen. Dat is dan een tekortkoming. U moet gewoon proberen om geest en stof te laten samenwerken. Het beste zou zijn – zowel in de grote gemeenschap als in de mens zelf – als u zou proberen om het innerlijk licht (de geestelijke noodzaak) te toetsen aan de stoffelijke mogelijkheden.

Ik ben mij ervan bewust dat een groep als de Witte Broederschap op aarde dingen waarmaakt die verder gaan dan goed is voor degenen die leven. Het zal niet vaak gebeuren, maar het gebeurt.

Het is mij ook bekend dat er mensen zijn die door de geestelijke inbreng in hun eigen bewustzijn tot een aantal reacties komen, die helemaal niet meer stroken met hetgeen stoffelijk voor hen nog aanvaardbaar is en hen daardoor in een positie brengen waardoor ze én geestelijk én stoffelijk soms geen uitweg meer zien. Het belangrijke is dat er een samenwerking is. Die samenwerking zullen we dan ook eens bekijken.

Wat is de optimale samenwerking tussen geest en stof? In de eerste plaats: als je in de stof leeft, heb je te maken met stoffelijke wetmatigheden en mogelijkheden. Daarmee moet je rekening houden, dat kan niet anders. In de tweede plaats heb je een geest. Deze geest heeft bepaalde ervarings- en belevingsbehoeften. Deze ervarings‑ en belevingsbehoeften moeten dan worden afgespiegeld in de mogelijkheden. Voor zover die mogelijkheden reiken, kan dan de ervaring gezocht worden. Voor zover echter de beperkingen van de stof aanwezig zijn, moet men ook dit geestelijk element terzijde stellen. U moet er innerlijk dus niet mee bezig blijven en over iets blijven dromen terwijl de rest van het leven aan u voorbijgaat. U moet gewoon proberen een combinatie te vinden waardoor deze beide samen een realiteit gaan vormen. Het wonderlijke hierbij is dat u dan op den duur als vanzelf die mogelijkheden gaat vinden en zien, die voor u geestelijk en stoffelijk belangrijk zijn. U krijgt nieuwe ontplooiingsmogelijkheden maar u zult ook, als u uw keuze verkeerd maakt, nieuwe tegenslagen ondervinden. Een mens kan dus harmonisch gaan leven. En datzelfde kunnen de grote groeperingen als de Witte Broederschap met de mensheid langzamerhand tot stand brengen.

We weten dat er altijd in een tijd van ongeveer 2200 jaar een periode is van circa 100 tot 150 jaar (niet erg lang misschien maar toch wel belangrijk voor het stoffelijke leven) waarin optimale mogelijkheden zich voordoen voor het weergeven van geestelijke erkenningen in de stof en het uitdrukken van stoffelijke erkenningen op een zodanige manier dat ze ook geestelijk belangrijk zijn. Er is dan een Gouden Eeuw.

De geest, die een dergelijke periode wil vervroegen, zal er rekening mee moeten houden dat gewoonlijk de mensheid op dat moment er nog niet rijp voor is en dat de kosmische stromingen en invloeden alle pogingen en werkzaamheden zullen verstoren; dus dat hij niets bereikt. Wacht hij te lang, dan heeft de mensheid haar top overschreden en kan in de mensheid die harmonie van stof en geest niet voldoende sterk tot uiting komen. Het is dus een kwestie van timing. Ook als je als geest geen an­dere tijd kent dan de persoonlijke, zo moet je rekening houden met de rit­men die het stoffelijk bestaan regeren.

Je moet proberen in het stoffelijk leven te constateren op welk ogenblik de grootste mogelijkheid in de mensheid bestaat voor een directe en volledige harmonie tussen het geestelijk willen en het stoffelijk kunnen. Als je dat waarmaakt, heb je een heel grote vooruitgang gekregen. We krijgen dan in zo’n periode wat men noemt: de vervulling van de Meester of Leraar.

‘Meester’ en ‘Leraar’ zijn ook weer van die woorden waar de mensen eigenlijk een beetje raar tegenaan kijken. Een Meester of Leraar is in feite niets anders dan een zeer hoge geest, die zijn geestelijke mogelijkheden volledig of grotendeels behoudt, ook wanneer hij incarneert in de stof. Hier kan de geestelijke wereld als de voornaamste naar voren worden geschoven en wel in de termen van het lichamelijke en stoffelijke beleven.

Zo’n Leraar of Leermeester brengt dan een aantal belangrijke waarden de mensen onder ogen. En deze gaan daar op hun eigen manier naar leven. Het wonderlijke is echter dat zo’n leer dan bij de mensen a.h.w. versteent, het wordt een soort reliek van het verleden. Maar het heeft toch ook wel weer processen in de mensheid op gang gebracht.

Om u een voorbeeld te geven: het christendom is geen groen hout meer en geen dor hout, het is versteend hout. Dus als je nu nog christen bent in de volledig dogmatische zin van het woord, ben je eigenlijk van het versteende houtje. Maar wat heeft het christendom niet allemaal voortgebracht: het heeft nieuwe filosofische richtingen gestimuleerd. Het heeft een nieuwe inhoud en betekenis gegeven aan allerlei begrippen als magie, alchemie. De kabbala b.v. is filosofisch gezien zo sterk, mede door het christendom, bepaald dat alleen daardoor al grote bereikingen mogelijk waren. Als we nu kijken naar de periode van ongeveer 150 jaar waarin deze dingen het sterkst door werkten, dan ontdekken we dat in die tijd de meeste richting gevende denkers en filosofen hebben geleefd, maar ook de beste scheppende kunstenaars, dat alles van geestelijke en stoffelijke waarde is samengevoegd en in een enorm harmonisch aspect is verwerkt.

Elke keer weer komt er een dergelijke periode. De Witte Broederschap en het Verborgen Priesterrijk kunnen zeker proberen eenlingen in te wijden en kracht te geven. Ze kunnen proberen om de wereld te sturen in de richting van een betere bewustwording, naar de mogelijkheid van een grotere vervulling, maar pas wanneer de harmonische periode optreedt, zal die vervulling werkelijkheid worden. Dan zullen de mensen de geestelijke waarden weten weer te geven en zullen hun stoffelijke overwegingen en belevingen een directe weergave zijn van een geestelijke behoefte aan bewustwording. U ziet dat er in die samenwerking tussen geest en stof wel het een en ander schuilt.

Als ik dat allemaal zo vertel, dan kan ik mij best voorstellen dat er dan mensen zijn die zeggen: als dat allemaal zo is, wat moet dan daarmee? Wat u moet doen? In de eerste plaats beseffen wie u bent. Dat betekent dat u zowel uw materiële neigingen als uw geestelijke neigingen moet kennen. In de tweede plaats moet u beseffen dat elk innerlijk proces alleen dan betekenis en waarde krijgt indien het wordt omgezet in de daad. De daad is namelijk de stoffelijke uitdrukking van datgene wat ‘geestelijk beseffen’ heet. Alleen door de daad is het mogelijk het besef te toetsen op zijn werkelijke betekenis en te komen tot een verruiming van eigen mogelijkheid en besef. In de derde plaats moet u zeggen: mens, je verandert steeds. U bent niet altijd dezelfde, ook al denkt u dat. En het is niet alleen een lichamelijke verandering. Het zijn ook veranderingen van temperament, van denken, maar ook van innerlijke beleving, van geestelijke ervaring, van het ontvangen en uitstralen zelfs van krachten uit andere werelden.

Elke periode geeft dus haar eigen mogelijkheden maar ook haar eigen verplichtingen. De verplichting is altijd weer: datgene wat je innerlijk beseft, waarmaken en wel in overeenstemming met wat je bent en met de mogelijkheden waarover je beschikt. Als je dat nu maar in de gaten houdt, zul je ontdekken dat ook persoonlijk een harmonische samenwerking, zelfs in een minder harmonische wereld, denkbaar is. Dan kunnen stof en geest langzaam maar zeker een eenheid worden waarin elke daad de weergave is van een geestelijke behoefte en inhoud. Omgekeerd, alle gebeuren op aarde kan worden omgezet in een geestelijke betekenis zodat er krachten aan kunnen worden ontleend of een nieuw besef daarin kan worden gevonden.

De samenwerking tussen stof en geest is helaas niet altijd volledig of goed, maar in beginsel bestaat ze altijd en overal. En ze zal altijd – of we het ook bekijken in massaal of in persoonlijk opzicht – zich verwezenlijken. Pas als die verwezenlijking reëel en volledig is geworden voor het ‘ik’, kan de geest zeggen: ik heb de school van de stof achter mij en ik ga verder op nieuwe wegen.

U moet dit goed onthouden. Wat ik u hier voorzet, is een feit; het is niet alleen theorie, niet alleen filosofie maar een weergave van werkelijke verhoudingen zoals ze bestaan. Ieder mens is echter op zich anders. Dus moet eenieder maar eerst uitmaken wat hij zelf is en wat voor hem belangrijk is. Wat hij geestelijk wil, wat hij geestelijk voelt en erkent, wat hij stoffelijk voelt, denkt en erkent. Als u die twee nu maar met elkaar in overeenstemming kunt brengen, dan bent u al een heel eind.

Ik wil u nog wel een aardig ding verraden: op het ogenblik dat u zelf die harmonie bereikt, zelfs al is dat maar voor een kort ogenblik, dan bent u daardoor ook volledig in harmonie met die grote geestelijke kracht zoals o.m. de Witte Broederschap en zeer waarschijnlijk ook met specifieke entiteiten die meewerken. Die erkenningen geven u dan het gevoel van ontzettend licht zijn en ‘het leven is toch nog de moeite waard’ (het is soms moeilijk om het je tegenwoordig in te denken maar dat komt wel weer) en dan keert u terug tot wat u bent. En dan moet u niet blijven hunkeren naar wat is geweest maar proberen het harmonisch element dat daar op dat moment bestond, te continueren in het alledaagse. Dan krijg je als vanzelf de inwijding omdat die grotere harmonie met de grotere geestelijke eenheid je duidelijker laat zien wat je stoffelijk betekent en wat je in feite moet zijn.

Kracht en energie

Kracht is dat wat je in je body hebt. Energie is datgene waarvoor je een rekening krijgt van het G.E.B.

Energie is in feite kracht. Het zijn twee woorden voor hetzelfde. Dus als je die dingen wilt onderscheiden, dan moet je dat doen door te zeggen: voor mij is energie zielekracht of wilskracht. Kracht zonder meer is zuiver materieel. Maar dat is een onderscheid dat je zelf maakt.

Wil je over kracht of energie mediteren, dan is het eerste wat je moet beseffen: er is altijd en overal energie, er is altijd kracht aanwezig. Als je dit beseft, kun je die kracht gebruiken. Het belangrijke voor een mens is niet om altijd weer zijn eigen kracht en energie in te zetten maar om te beseffen welke krachten en energieën er rond hem zijn en deze dan te gebruiken, wanneer hij voelt dat dit de beste resultaten geeft.

Een mens of een geest kan een‑zijn met de kosmos. Maar als je werkelijk één bent met de kosmos, dan blijft er geen behoefte meer over om iets aan de krachtverhoudingen, zoals ze bestaan, te veranderen. Elke beïnvloeding van bestaande krachtverhoudingen is in feite iets waarbij het ‘ik’, een rol speelt ; dus het ‘ik’ in tegenstelling tot de kosmos.

Wie mediteert, moet beseffen: door mijn eigen beperking kom ik tot het gebruiken van krachten. Door mijn besef van de wereld rond mij kom ik tot het opnemen van krachten en zo tot een vergroten van mijn mogelijkheden. Maar volledig bewust geworden ben ik één met alle krachten en zal deze niet meer richten, omdat hun bestaan op zichzelf voor mij voldoende is.

Voor de rest moet u maar één ding onthouden: hoe energieker u het leven te lijf gaat, hoe groter het aantal krachten u tegenover u vindt. Dus is het altijd zinvol om zo nu en dan wat langzaam aan te doen, juist om tegenstellingen en tegenstanden te vermijden waar ze niet noodzakelijk zijn.