Bidden

image_pdf

31 mei 1963

Alwetend of onfeilbaar zijn wij niet, dus moet u zelfstandig nadenken over hetgeen door ons wordt gebracht.

Misschien meent u nu, dat dit een vroom onderwerp is. Maar bidden hangt niet alleen maar met vroomheid samen, het is eerder een uiting van de behoefte, die de mens heeft zich te beroepen op anderen of een onbekende macht op het ogenblik, dat hij vreest zelf te kort te schieten.

Wij kennen, zowel in de oudheid als in de moderne tijd, vele voorbeelden van gebed, dat in de eerste plaats bestemd schijnt te zijn om het Ik enige vrijheid te verschaffen, om innerlijke spanningen af te reageren. Een voorbeeld uit de oudheid is bv. dit gebed tot Dagon:

“Hij is de machtige, hij heerst over de wateren en de luchten. Heer, versla onze vijanden, bescherm hen, die uittrekken. Daartoe brengen wij U onze offers …. enz.”

Dit gebed is een sterk verkorte weergave van een gebed, dat bewaard bleef voor het nageslacht, doordat het – waarschijnlijk aan de grenzen van een stadstaat – in de rotsen werd gehouwen. Het origineel is veel langer, de taal veel bloemrijker.

Hier gaat de mens kennelijk uit van het standpunt, dat God machtiger is dan hijzelf en daarom voor hem de vele problemen op moet lossen waarbij de mens faalt. In ruil geeft men de God een offer. In deze dagen horen wij onder meer:

“Heer, schenk ons de vrede. Heer, behoud het leven van…” enz.

God is kennelijk de natuur, het noodlot, de kracht, die alles kan wat aan de mens krachtens zijn wezen onmogelijk of moeilijk is. Of dit beeld nu in een enkele God of in vele goden tot uitdrukking wordt gebracht, maakt in wezen weinig uit. Het gaat om een kracht die ingrijpt, waar de mens faalt, sterker is dan de mens enz.

Opvallend is, dat elke godheid in het verleden haast zeker twee aangezichten, twee vormen heeft. Jahwe is de beschermer, maar ook de Wreker. Ishtar wordt vereerd in haar gedaante van liefelijkheid, maar evenzeer als haar zuster zelf, Ishtar de verschrikkelijke, de wrekende. In dit laatste geval verschilt de gestalte van de godin niet, maar worden haar eigenschappen hoofdzakelijk uitgedrukt door haar attributen. Als vorstin van liefde is haar symbool de duif. Zij brengt vrede, genegenheid, geluk, zij is de goedertierende. Als verschrikkelijke hanteert zij de maansikkel als een verschrikkelijk lichtend zwaard, doet haar strijdbare maagden aandrijven op de wind, of oprijzen uit de golven en verslaat al haar tegenstrevers van niet goddeljke natuur zonder pardon.

Misschien denkt u, dat de gebeden van de moderne mens toch eerlijker, realistischer zijn dan de smekingen van de oudheid. Ik ben het daarmee echter niet eens. Ook nu bidt men tot de goedertierende God om bv. het leven van de Paus te redden. Aan de andere kant is het nog niet zolang geleden, dat in vele christelijke kerken gebeden werd tot een verschrikkelijke en rechtvaardige God om ‘zoals eens de Egyptenaren, die Uw volk vervolgden’ de vijanden van de biddenden te verslaan. Ik heb dan ook de indruk, dat de voorstelling van God voor de mens aan veranderingen onderhevig is, zonder dat hierdoor de essentiële waarden van het gebed waarlijk veranderen.

Dit verschijnsel mag, als symptoom van bepaalde menselijke neigingen en behoeften, interessant worden, nog interessanter wordt het echter, wanneer wij trachten na te gaan, of er werkelijk in het gebed sprake kan zijn van een contact met het Hogere. Wanneer ik tot God bid, dien ik aan te nemen, dat die God mij ook kan antwoorden. Nu getuigt de mens vele malen, dat God inderdaad antwoord gaf, dat Hij gebeden verhoorde enz. Is hier echter wel sprake van een God, die antwoord geeft? Of is het misschien de mens, die zichzelf antwoord geeft? Voor het laatste zijn meerdere aanwijzingen. Ik kan u enkele voorbeelden geven uit de vele, die u bij onderzoek ongetwijfeld ook zelf zult aantreffen.

U kent allen het wonderoord Lourdes. Er gebeuren daar, door middel van een wonderdadige bron, opzienbarende genezingen. Onder meer werd een geval van acute encephalites genezen, maar ook meerdere gevallen van kinderverlamming, tuberculose, enz. Het water, dat de wonderen doet, blijkt vies en besmet te zijn, zodat het vergeleken werd met het water, dat uitstroomt uit de riolen van Parijs. Toch worden de mensen er niet zieker van. Dit alles is niet natuurlijk verklaarbaar. Men schrijft dit toe aan de bijzondere bescherming van de H. Maagd, die deze plaats onder haar bijzondere bescherming genomen zou hebben.

Als zekerheid mogen wij dit echter niet aanvaarden, want: in de buurt van Napels vertelden drie kinderen, dat zij de H. Maagd hadden gezien, men geloofde dit onmiddellijk. Vele pelgrims stroomden samen op een veldje, waar de verschijning plaats gehad zou hebben. Enkele zieken onder hen werden wonderdadig genezen. Een van de genezende was door de doktoren ongeneeslijk verklaard. Over het geval zelf wil ik niet te veel zeggen. Een geleerde heer in Milaan, die dit geval onderzocht, meende echter, dat een kleine maar zeer belangrijke verandering in de afscheiding van de schildklier hierbij wel de hoofdrol gespeeld zou hebben. Drie maanden lang duurde het spel.
Toen gaven de kinderen – mogelijk mede onder pressie van de pastoor en burgerlijke autoriteiten – toe, dat zij alleen maar een spelletje hadden gespeeld en in werkelijkheid helemaal geen verschijning hadden gezien. Toch was er een reeks ‘wonderen’ gebeurd.

Een soortgelijk geval is de zwendel van een herbergier met een bloedend heiligenbeeld. Er gebeurden ook hier wonderen. Toch werd de herbergier betrapt, toen hij ’s nachts het bloed van de heilige vernieuwde en gaf hij toe, deze mystificatie als een soort reclame voor zijn zaak – waar het beeld zich bevond – te hebben gebruikt.

Vaak blijken graven van heiligen, waarbij wonderen gebeuren, later niet het gebeente van de bewuste heilige te bevatten. Relieken blijken wel wonderen te doen, maar onmogelijk echt te kunnen zijn. Wanneer alle wonderen, die door splinters van het H. Kruis zouden zijn bewerkstelligd, als bewijs voor de echtheid van deze relieken zouden moeten gelden, zou het kruis rond tien grote bomen bevat moeten hebben. Dergelijke voorbeelden zijn er veel.

In al deze gevallen werd er door de mensen innig gebeden. Maar hun gebed vroeg de bemiddeling van een heilige, beriep zich op een reliek, die niet echt was, of ging uit van tekenen, die later bedrog bleken te zijn. Waar er dus kennelijk geen verband tussen het gebed, de kracht, waartoe het gericht is en de gevolgen van dit gebed hoeft te bestaan, lijkt het mij redelijk om te stellen, dat het antwoord op het gebed, de kracht die het wonder tot stand brengt, niet in relieken e.d. kan schuilen, maar voort moet komen uit de mensen zelf. Het is dus waarschijnlijk de mens zelf, die iets in zich – en soms in anderen – kan veranderen door een beroep te doen op een kracht, die niet feitelijk aanwezig hoeft te zijn. Zo dit juist is, zal een contact met het bovennatuurlijke niet noodzakelijk zijn en kan worden aangenomen, dat door de verschijnselen dit niet wordt bewezen.

Dit brengt ons tot de vraag: wat gebeurt er eigenlijk, wanneer de mens tot zijn God bidt?

Volgens mij stelt de mens zich in op zijn God. Maar deze God is niet de werkelijke, kosmische godheid, doch het beeld, dat in de mens werd gevormd door overlevering, geloof en behoefte. Wanneer men dus “met God spreekt”, zal men lang niet altijd een antwoord ontvangen. Wanneer dit antwoord toch komt, hoeft het niet begrijpelijk, verstaanbaar, of juist te zijn. Men verklaart dit weg door te stellen, dat God doet, wat Hij goed acht, terwijl de mens niet in staat is zijn raadsbesluiten te doorgronden. Het feit echter, dat de antwoorden die mensen van God menen te ontvangen, zo vaak kennelijk onjuist zijn, is toch reden om te twijfelen aan de waarheid van dit alles.

Op het ogenblik, dat een mens innerlijk volledig stil is en zo zonder woorden of voorwaarden innerlijk communiceert met zijn God, blijkt hij in een staat te komen, die hem van de menselijke werkelijkheid geheel vervreemdt en vaak zelfs kennelijk afscheidt. Wij vinden dan mystici, die in een soort trance schijnen te vallen bij hun gebed en meditatie en daarbij leviteren. Beschrijvingen van dergelijke voorvallen vinden wij terug in de levens van de heiligen, maar ook in de verhalen over de wijzen van de moslims, de heilige mannen van de hindoes, de bewuste Boeddha’s enz. Ik zal nu maar niet ingaan op alle verhalen omtrent indianenstammen, negerstammen, heidense priesters, waarbij deze verschijnselen ook genoemd worden.

Ik meen te mogen stellen: Het werkelijke gebed is niet een scheppen van een relatie tussen wereld en God, maar het scheppen van een innerlijke verbondenheid met iets hogers – wat niet verder definieerbaar is – waardoor de biddende in meerdere of mindere mate onttrokken wordt aan de werkelijkheid van de wereld, waarin de mensen bestaan, terwijl sommige in die wereld als wet geldende regels, klaarblijkelijk op dat ogenblik voor de biddende niet meer gelden. Naar ik meen, komen wij hiermee een stap verder.
Wanneer men door op deze innerlijke manier te bidden, zich verwijdert van de menselijke werkelijkheid, daarbij niet alleen de in trance veel voorkomende ongevoeligheid voor pijn e.d. vertonende, maar in enkele gevallen kennelijk zich aan natuurwetten als de zwaartekracht onttrekkend, volgt hieruit, dat de werkelijkheid van de biddende niet slechts geestelijk, maar ook stoffelijk verschilt van de normale wereld. Dan kunnen wij stellen, dat een soort tweede werkelijkheid of wereld bestaat, die de mens gedeeltelijk, of zelfs geheel betreden kan op het ogenblik, dat hij het totaal van zijn menselijk redelijk zijn achterlaat, om in plaats hiervan een binding te stellen met de onbekende factor X, die wij God plegen te noemen.

Waar echter ook woordgebed en zelfs lippengebed, dat innerlijk niet eens aanvaard wordt, soms resultaten zouden hebben, dienen wij terug te keren naar de mens. Het bidden is een vorm van concentratie, waardoor in zeer vele gevallen een aparte sfeer, een eigenaardigheid van de omgeving wordt veroorzaakt. Wanneer u bv. binnengaat in een kloosterkerk, waarin voortdurend wordt gezongen en gebeden, zo heerst hier een andere sfeer dan in de meeste kerken. U wordt omvangen door een sfeer van wereldvreemdheid, rust, ontspannenheid. Wat meer is, zelfs indien men niet hetzelfde geloof is toegedaan, wordt men haast onwillekeurig meegesleept. Het is niet meer mogelijk objectief waar te nemen, omdat men mee wordt gesleept door de subjectieve waarden van de gemeenschap.
Toch is er geen sprake van een suggestieve werking. Want wanneer een ietwat gevoelig persoon deze kloosterkerk binnentreedt terwijl niemand anders daar aanwezig is – buiten beschouwing latend of er iets of iemand in het tabernakel aanwezig is – ondergaat hij dezelfde beïnvloeding. Voor velen ontstaat zelfs precies dezelfde verbondenheid met de gemeenschap die in de kerk pleegt te bidden, ofschoon zij deze niet kennen en daarmede geen enkel werkelijk stoffelijk contact gehad hebben, of hebben.

Mijn conclusie luidt daarom: bidden is een vorm van concentratie waardoor een beïnvloeding van de mens en via hem een beïnvloeding van de omgeving ontstaat, welke kan worden vergeleken met een potentiaalverschil t.a.v. de verdere wereld. Deze uit de concentratie voorkomende energie kan zich, of plotseling, dan wel zeer geleidelijk ontladen op een mens, op zijn omgeving.

We hebben dus te maken met een zekere kracht, maar waar komt die kracht nu opeens weer vandaan? Te stellen, dat de gehele reeks van waarneembare beïnvloedingen, die uit gebed e.d. voortkomen, alleen maar een telepathische beïnvloeding door de mens als oorzaak hebben, lijkt mij wat te eenvoudig. Ik zou dan ook verder willen gaan:

Een mens, die geheel oprecht bidt, mediteert, of iets dergelijks, verandert in zich – door zijn concentratie – niet alleen zijn gevoelsleven, maar wel degelijk ook bepaalde details in zijn lichamelijke gesteldheid. Tijdelijk zullen dus de evenwichtsverhoudingen in het lichaam anders zijn dan normaal. Zijn geest – dat deel van het Ik, dat niet zuiver materieel is en na de dood blijft voortbestaan – heeft deel aan het geheel en schijnt door de op zich geringe veranderingen in het lichaam in versterkte mate ook binnen de stof tot uiting te kunnen komen.

Om mijn verdere zienswijze duidelijk te maken, moet ik naar een ietwat stoutmoedige vergelijking grijpen, die weliswaar niet geheel past, maar mij de enige weg lijkt om u een voorstelling van het geheel te geven, zonder daarbij te ingewikkelde beschouwingen te moeten geven.

Wanneer ik een elektromagneet heb, waarvan de kern weekijzer is, zal deze magneet haar eigenschappen eerst verkrijgen op het ogenblik, dat zij bekrachtigd wordt. Het ogenblik dus, waarop in de haar omgevende solenoïde of spoel een stroom gaat lopen. Het weekijzer richt zich nu en wordt magnetisch. Het bundelt het magnetisch veld, maar zal gelijktijdig, binnen het bereik van dit veld, alle andere stukken ijzer beïnvloeden en min of meer magnetisch maken. Een vorm van inductie, die, vooral bij een sterke magneet, een aardig stukje ledige ruimte kan overspringen.
Indien ik nu stel, dat de mens door zijn gebed geestelijk allereerst een behoefte element uitdrukt, welk element mentaal weer wordt omgezet – bv. in de rationalisatie: er is een God, die ik ken, ik ben zelf machteloos, maar kan op die God een beroep doen – geef ik een bepaalde handeling, een vorm van energie weer. Wanneer ik nu verder stel, dat, bij een voldoende intensiteit van bidden – sterkte van stroom – ook zijn lichaam wordt beïnvloed, zodat hierin een tijdelijke gerichtheid ontstaat, is het redelijk aan te nemen, dat ook zonder een kenbare beïnvloeding van de omgeving een vorm van inductie op kan treden, waarbij dus anderen deze inwerking mede ondergaan.

Wij kunnen vaststellen, dat bij het optreden van massahysterie enkele punten, of zelfs maar een enkel punt, aansprakelijk zijn voor de verdere ontwikkelingen. Hierbij blijkt allereerst een beroep te worden gedaan op het onderbewuste, de gevoelswereld van de mens. Deze worden allereerst beïnvloed, zodat onder deze inwerking de mogelijkheid tot een persoonlijk geheel bewust en beheerst gedrag aanmerkelijk zal verminderen. Deze optredende wijziging van het Ik zal vaak zo sterk zijn, dat de toestand ook gecontinueerd wordt, wanneer er geen verdere invloed van buitenaf meer optreedt. De intensiteit van de hysterische verschijnselen blijkt grotendeels of ten minste in aanmerkelijke mate, mede bepaald te worden door de dichtheid van de massa, de aanwezige aantallen.

Nu ben ik naar ik meen ver genoeg, om mijn vergelijking in ietwat andere termen te herhalen.

Ergens is een levende kracht. Wij noemen deze levende kracht God, het Licht enz. Deze kracht is overal potentieel aanwezig, maar de mens – en ook de geest – zijn niet altijd in een toestand, waardoor zij zich deze potentie voor zich kunnen realiseren.
Door het bestaan van een nood, een toestand van angst, of behoefte – dit zijn de bij de mens de sterkst werkzame invloeden – ontstaat een ontvankelijkheid voor deze kracht. Men wenst de potentie te realiseren en via het eigen Ik tot uiting te brengen. Dit wordt dan via het denkvermogen en de daarin levende voorstellingen gerationaliseerd, zodat het bewustzijn met deze kracht kan werken, het lichaam past zich hieraan aan. Tot op dat ogenblik is de kracht misschien geestelijk werkzaam geweest, maar op het ogenblik, dat het lichaam de juiste spanning of staat van rust bereikt – een evenwichtigheid – zal deze kracht geheel het Ik beheersen en zo ook naar buiten toe tot uitwerking kunnen komen.

Elke mens, die bidt – ook wanneer dit gebed alleen uit angst, begeerte, of innerlijke eenvoud ontstaat – zal door de kracht zelf gericht worden en zó via inductie een vaak aanmerkelijk deel van de omgeving eveneens kunnen beïnvloeden.

Dit zou een verklaring kunnen vormen voor de z.g. wonderlijke genezingen in bedevaartsplaatsen, zoals ik reeds besprak, en de goede resultaten van bepaalde gebedsgenezers, die in hoofdzaak met grote menigten werken. Wanneer er namelijk voldoende mensen onder dezelfde invloed komen, zal aan elk van hen ter beïnvloeding van de omgeving een zekere kracht worden ontnomen.
Indien er nu sprake is van een gelijkgericht verlangen of een gelijkgerichte verwachting, zal deze kracht het sterkst inwerken op de mens, die op dit ogenblik de minste weerstand tegen deze invloed in zich draagt. Ofschoon dit niet zonder meer noodzakelijk is, zal toch in vele gevallen deze kracht vooral ook op het lichaam zijn invloed doen gelden, daarbij bepaalde processen aanmerkelijk vertragen of versnellen, soms ook het evenwicht van de interne secreties wijzigen. Ook de mentale instelling kan worden gewijzigd door een deel van hetgeen bewust werd ervaren naar het onderbewustzijn te verwijzen of omgekeerd een deel van het onderbewustzijn voor het directe bewustzijn toegankelijk te maken.

Daarmede hebben wij mogelijk vele wonderen verklaard. Maar een punt blijft nog steeds: ik kan nu wel alle dingen beïnvloeden, maar kan ik de natuurwetten nu ook opheffen?

Een wijziging in de persoonlijke eigenschappen van de mens is op grond van het voorgaande aanvaardbaar. Maar een mens, die leviteert, maakt misschien zelfs de wet van de zwaartekracht tijdelijk ongedaan. Wij kunnen deze namelijk verklaren door een niet kenbare, onzichtbare, kracht van buitenaf, die aan de werkingen van de zwaartekracht tegengericht is en zo schijnbaar deze wet opheft, maar in feite alleen haar werkingen door een tegengerichte kracht tijdelijk wijzigt. Wij kunnen aan de andere kant ook aannemen, dat de wet van de zwaartekracht werkelijk tijdelijk buiten werking is, maar dan moet de mens, die leviteert, geheel buiten de wetten en werkingen van de materie vallen.

De aarde heeft massa, wenteling, snelheid in ruimte. Als gevolg hiervan heeft zij in verband met alle andere lichamen een veldverhouding, die voor de kleine wezens op de aarde tot uiting zal komen als een aangetrokken worden tot het middelpunt van de aarde, dat tevens het knooppunt is van alle veldkrachten, die op de aarde inwerken.

In dit geval is de enig aanvaardbare verklaring: een tweede werkelijkheid, waarin de mens tijdelijk kan leven, zonder dat hij hierdoor ook geheel buiten het kenbereik van andere mensen komt, waarbij zijn plaats bepaald wordt door zijn bewustzijn, niet door de wetten, die de anderen regeren.

Bruikbaar blijkt dit echter niet direct te zijn. Wanneer men de tweede werkelijkheid betreedt, dient het bewustzijn van eigen wereld tijdelijk weg te vallen. Daarvoor in de plaats komt een erkennen van een relatie tussen het Ik en het onbekende. Daarbij omvat het begrip Ik niet alleen eigen leven, maar ook alle omstandigheden van leven, als omgeving bv. die op dit ogenblik deel uitmaken van de ‘Ik’ realisatie. Als gevolg van dit omgaan van eigen wereldbewustzijn, zal men de ervaren of ontvangen krachten niet onmiddellijk op aarde tot uiting kunnen brengen. Hiertoe is immers een bewustzijn van die wereld noodzakelijk, terwijl op het ogenblik, dat het Ik zich eigen relaties met – en mogelijkheden op aarde realiseert – het zich niet meer geheel één kan voelen met het onbekende, met God.
Het werkelijke gebed is dus – waar het een absoluut opgaan in God vergt – niet te zien als iets, wat onmiddellijke invloed op aarde kan uitoefenen. Dan kan de mens ook nooit optreden als middelaar tussen wereld en God of mensen en God. In het ware contact met het onbekende kan hij alleen zijn God ondergaan, maar bezit hij geen beheersing.

Nu volgt hieruit weer de vraag, of het dan de moeite wel waard is op deze wijze te bidden.

Menigeen zal dit bevestigend beantwoorden, omdat de mystieke beleving van het Hogere hem boven alles gaat. Anderen zullen echter opmerken, dat er geen resultaten van verwacht kunnen worden en dat het uiteindelijk maar weinig zin heeft iets geheel voor niets te doen. U hebt misschien reeds vast kunnen stellen, dat er maar weinig mensen zijn, die iets werkelijk voor niets willen doen. Sommigen doen het voor God, anderen voor een glimlach of aanzien, maar geheel zonder loon willen maar weinigen werken. Daarom stel ik, dat de werkelijke vorm van gebed in zich zijn beloning dient te dragen. De mens moet rijp genoeg zijn, om met dit loon genoegen te nemen, voor hij werkelijk tot dit zoeken naar innerlijke banden met het oneindige zal komen.

Er is nog iets:

De mysticus zal innerlijk, zowel naar geest als naar stof, bepaalde veranderingen ondergaan. Zonder deze zal hij niet blijvend deel uit kunnen gaan maken, van de tweede werkelijkheid, die deze band met God betekent. Stel dus, dat het gebed in zijn ware betekenis niet een spreken met God inhoudt dat onmiddellijk door resultaten gevolg kan worden, maar eerder een persoonlijk ondergaan is van inwerkingen waardoor men, vrijstaand van eigen wereld, niet meer aan de eisen daarvan hoeft te beantwoorden. De wijzigingen, die het Ik zo ondergaat, komen overeen met het op aarde zo vaak gehanteerde begrip inwijding. Zeker is dat de mens die eenmaal het mystieke contact met het goddelijke heeft ondergaan, nimmer meer geheel zichzelf zal zijn. Ook al keert hij terug tot een besef van – en een handelen in – eigen wereld, zo is hij toch veranderd en kan de waarden van zijn wereld niet meer op de oude wijze ondergaan.

Eigenaardig doet hierbij aan, dat het normale bidden, dat dus in wezen vaak een gesprek met eigen Ik inhoudt, voor deze mensen een veel sneller en juister antwoord inhoudt dan voor anderen. Zo iemand wordt dan ook magiër, wonderdoener, profeet, omdat hij klaarblijkelijk zijn eigen wereld beter beheerst en kent, dan hij voor zich zou willen geloven en deze werkingen van het Ik dus veiligheidshalve aan God toekent. Wanneer de mens de bereidheid tot aanvaarden van kracht sneller verkrijgt en gelijktijdig zijn verbinding met het oneindige kan rationaliseren tot het contact met een God, die geheel aan zijn eigen voorstelling beantwoordt, zal hij intenser, sneller en met grotere kracht zijn eigen omgeving kunnen beïnvloeden.

Wat mij brengt tot een eindconclusie voor dit eerste deel van mijn betoog:

Wij moeten een zeer sterk verschil maken tussen een bidden, dat in wezen een ondergaan van God is, en het bidden, dat in wezen het stellen is van een noodzaak of behoefte in eigen wereld, deze daarbij in verband brengend met een denkbeeld, of met een al dan niet erkende hogere kracht. Het eerste heeft een zeer sterke invloed op het ego. Deze inwerking is blijvend. Het tweede brengt tijdelijke wijzigingen in de mens tot stand, waardoor hij eveneens tijdelijk eigen omgeving beïnvloeden en veranderen kan. Naarmate de mens een sterker contact met God aanvoelt en zijn rationalisatie van deze God en zijn werkingen beter past bij zijn eigen persoonlijkheid, zal hij grotere kracht kunnen ontwikkelen. Hij zal aan de hand daarvan meer wonderen kunnen volbrengen of over meer paranormale – occulte – krachten beschikken dan de normale mens, maar zijn invloed en inwerkingen, evenals de veranderingen in zijn eigen wezen zijn niet blijvend.

  • In het verkeer van heden zeg ik vaak: “Heer, mag ik aan uw hand gaan?” Dan ben ik veel zekerder en het is mij of ik geleid word.

Dit is absoluut juist. De verklaring is echter anders dan de door u aanvaarde. De mens heeft de gewoonte om een deel van eigen onvermogen of begrip van onvermogen te sublimeren en dit God te noemen. God is dus voor de mens dan de kracht en werking, die een aanvulling van de menselijke onvolkomenheden vormt. God en mens tezamen zijn volmaaktheid. God zonder mens kan echter door de mens niet beseft worden als volmaakt. God + mens zijn zo voor u gezamenlijk het perfecte reactievermogen, omdat de onzekerheid, die u in uzelf erkent, daarbij afwezig is. Wanneer u zegt: “Heer, laat mij aan uw hand gaan”, zult u misschien wel eens een werkelijk contact met God gehad hebben. Dit zal ik niet ontkennen. Maar met deze bede doet u uiteindelijk niets anders dan uw eigen onzekerheden uitschakelen en, door uw beroep op God, zo een ongehinderd gebruik maken van uw eigen capaciteiten.

  • Maar Hij woont toch in ons?

Volkomen juist. Maar ook dit betekent heel iets anders, dan u schijnt te denken. God woont in u, maar niet als een mannetje. Hij is kracht. God zelf is in wezen een onbekende kracht, waaraan wij een bepaalde persoonlijkheid toekennen, ofschoon het wel zeker is, dat de soort persoonlijkheid, die wij God noemen, niet werkelijk deel is van deze kracht, of hoogstens een klein en onbelangrijk deel van deze werkelijkheid uitmaakt. Wij zijn een brokje van de dingen, die deel uitmaken van deze kracht en als zodanig ook deel van deze kracht. God woont in ons en wij wonen in God. God is het Zijn, niet de afzonderlijke beïnvloeding en actie, die de mens in Hem pleegt te zoeken. Hij is het geheel, niet de beïnvloeding van een enkel deel afzonderlijk.

  • Hij is het, die in mij zegt:” dit is goed, dat is niet goed”. Hij is dus Wel degelijk in mij en spreekt tot mij…

Stop. Nu gaat u uw geweten reeds God noemen. Toch kan er voor God geen goed af kwaad bestaan: Hij is immers alle dingen. Er is in deze zin dus geen sprake van goed en kwaad.
Wanneer iets mogelijk is, bestaat het in God. Als wij God goed noemen, is dit ook goed.
Wat buiten God ligt, is niet mogelijk, ja niet eens voorstelbaar.
U hebt echter wel een bepaald standpunt. Dit komt voort uit uw opvoeding, uw ervaringen, het geloof, waarin u leeft, de verhouding binnen de maatschappij, waarvan u deel uitmaakt. Ten laatste kunnen wij nog wijzen op vroegere levens, de ervaringen in vorige incarnaties opgedaan, die mede eigen oordeel over goed en kwaad beïnvloeden. Wat u dus goed en kwaad noemt, kan in wezen beter beschouwd worden als goed voor het Ik en niet goed voor het Ik. Of zelfs wel: prettig en niet prettig, aanvaardbaar en niet aanvaardbaar, volgens eigen denken. Dit is de stem, waarover u het hebt.

Zeg dus liever: er bestaat een maatstaf in eigen wezen, die ook door mijn bewustzijn gehanteerd wordt wanneer ik dit eigenlijk liever niet heb. Wanneer je tegen deze maatstaf ingaand handelt, zo handel je tegen jezelf, kun je daaraan dus niet met geheel je wezen deel hebben. Het gevolg is, dat men tegen zichzelf verdeeld is en, geleid door dit schuldbewustzijn, deze verdeeldheid, bewust of onbewust zichzelf zoekt te bestraffen voor de ‘zonde’, zo het tegengestelde in eigen wezen ondergaan en het innerlijke evenwicht, de innerlijke eenheid voor zich weer herstellen. Het is dus in deze gevallen ook niet God, die de mens bestraft, maar de mens, die zichzelf bestraft.

In wezen doet u dus niets anders, dan een ‘Scheingestalt’ opbouwen, welke uw deel van perfectie projecteert, zo de onvolkomenheden van het Ik aanvullend en gelijktijdig de maatstaf vormen, waarmee u uzelf pleegt te meten. Wanneer uw gebed dus op deze waarden is gericht, doet u in wezen geen beroep op God, maar op uzelf. Dit betekent, dat de mensen, die zoveel tot God te vertellen hebben, in wezen voortdurend met zichzelf praten. Degenen, die luisteren, beginnen ook allereerst met naar zichzelf te luisteren. Omdat dit echter een gelijkmatigheid is, zullen zij de vreemde invloed, die in wezen de eenheid met alle dingen vertegenwoordigt, toch ondergaan. Dit is een gevoel, geen gedachte. Je kunt deze ervaring m.i. het beste omschrijven als een zeer diepe emotie zonder rijm, zonder reden, zonder omschrijf bare inhoud.

Dit is dus het contact met God, waarover ik spreek. Nu heb ik gesteld, dat dit contact het de mens mogelijk maakt, de omschreven aanvulling van eigen wezen sneller en beter te doen geschieden, door het putten van krachten hieruit, zelfs de hem omringende wereld beïnvloeden en meer in overeenstemming met eigen beeld van een ideaal bestaan brengen.

Ik hoop, hiermee mijn stellingen duidelijker te hebben gemaakt. Wanneer u eenvoudigweg doet zoals u gewend bent, en hierdoor zekerheid en geluk vindt, zult u er goed aan doen, dit ook verder zo te doen. Misschien dat u het werkelijke contact met God daarnaast nog wel zult leren ervaren, maar zeker is, dat u dit beroep op God, waaraan u zich gewend hebt, nodig zult hebben om het beste te zijn, wat u in uw wereld kunt zijn. Neem mij niet kwalijk, dat ik op de maatschappelijke aspecten van de zaak niet verder doorga. Want dan komen wij in de richting van de Gestaltpsychologie, en dat lijkt mij voor de meeste toehoorders een toch wel wat zware en misschien zelfs verwarrende materie.

Nu u geen verdere vragen stelt, wil ik overgaan tot het tweede punt van mijn betoog.

U weet zo langzaamaan wel, dat wij in deze tijd geen enkel onderwerp behandelen, tenzij het ook in verband staat met de invloeden en werkingen van deze tijd. Ook dit onderwerp ‘bidden’ heeft zeker relaties met de nu heersende werkingen. Misschien bidt u zelf niet zo veel meer in deze dagen, maar er zijn ook mensen, die juist de laatste jaren meer en intenser bidden dan voorheen.

Waarvoor bidden deze mensen? In wezen voor zichzelf. Dat kan men natuurlijk op vele schijnbaar onzelfzuchtige wijzen doen. Maar het kan vaak worden vergeleken met de volgende bede:

“Heer, maak mij toch miljonair, opdat ik meer voor mijn medemensen zal kunnen doen.”

Dit soort gebed komt in deze dagen heel wat meer voor, dan u zou denken. Zelfs in de leuzen van het dagelijks leven, de economie en de politiek, sluipen soortgelijke beden in. Geef mij meer macht, opdat ik anderen beter zal kunnen leiden. Geef mij meer geld, opdat ik meer voor anderen zal kunnen verdienen enz. enz.

De mens, die in deze dagen bidt, heeft niet alleen meer te maken met de werkingen en krachten die ik ook voor de eenling omschreef als normaal. De gehele wereld verkeert in een toenemende staat van spanning. Daarbij is een groot deel  van de mensheid op deze wereld in een mentaal zeer wankel evenwicht, waardoor zij gemakkelijker dan anders zijn te beïnvloeden. Verder blijkt een groot deel van de mensheid het vertrouwen in de rede en logica op te zeggen. Naar ik vermoed, is dit een voortvloeisel van het feit, dat theorie en praktijk steeds meer twee afzonderlijke en gescheiden waarden blijken te zijn, die slechts in zeldzame gevallen elkaar geheel kunnen dekken. De mensen, een praktijk ondergaand, die, voortvloeiend uit een verkeerd begrepen reeks theorieën, is daarmee niet bepaald gelukkig. De mensen zijn daardoor nog gemakkelijker dan anders te beïnvloeden.

De mensen staan onder spanning. Nu is dit wel niet de spanning van een gezamenlijk bidden of een massameeting, maar dit toont daarmee toch veel overeenkomst. De oorzaak kan atoomangst of oorlogsvrees zijn. Daardoor kan er ongeveer hetzelfde plaats vinden, als bij een samenkomst in een bedevaartoord. De mensen zijn zodanig gelijk gericht, dat zij een gelijksoortige kracht uitstralen, die dan ook weer op punten van minste weerstand – dus grootste zwakheid of suggestibiliteit – tot uiting pleegt te komen. Dan kunnen wij zeggen, dat er op het ogenblik reeds uit het leven van de mensheid alleen krachten ontstaan, die in overeenstemming met de veroorzakende angsten, egoïsmen enz. in de zwakkere mensen tot uiting zullen komen door een overschrijden in hen van alle grenzen van beheersing en redelijkheid.
Deze mensen komen niet alleen tot een overdrijving van normale uitingen – in plaats van zich alleen te ergeren, zullen zij een ander afrossen om een kleinigheid – maar hen er zelfs toe brengt, direct tegen eigen welzijn en behoeften in te gaan. Schijnbaar verloochenen zij onder deze inwerking hun eigen karakter zelfs. Schijnbaar, want de daden zijn in overeenstemming met hun wezen, maar komen voort uit een ongeremdere uiting, waardoor zij verder gaan dan zij bewust aanvaardbaar vinden of wensen. In deze dagen zullen de consequenties van schijnbaar onbelangrijke gebeurtenissen, personen en waarden, tot onmetelijkheid vergroot kunnen worden.

Nu ik dit heb gesteld, zal ik er ook over na moeten denken, dat naast deze menselijke krachten, die zetelen in een gezamenlijk ondergaand bovenbewustzijn, ook nog krachten zijn die stammen uit de tweede werkelijkheid, uit de werelden van de geest. Een geest leeft natuurlijk niet onmiddellijk in uw wereld. Hij leeft echter in gebieden, die a.h.w. onmiddellijk aan de menselijke wereld grenzen. Hij is a.h.w. uw buurman. Uw buurman kan veel voor u doen, maar kan u ook hinderen en storen. Voor de mens ziet het er nu als volgt uit: hijzelf heeft weinig of geen Licht ter beschikking, de buurman daarentegen beschikt over een overvloed van Licht. Hij is bereid u, waar mogelijk, een deel van dit Licht af te staan. Concentreert u dit Licht eenzijdig op een enkel punt, dan zien wij een soort brandglaseffect: de sterke bundeling van de nu optredende krachten op een beperkt gebied veroorzaakt ontbinding en verval. Omgekeerd zal een algemener verwerken van het Licht de mens de mogelijkheid geven sneller en bewuster te reageren. Zijn eigen capaciteiten worden aanmerkelijk vergroot.

Door het Licht in alle dingen te willen zien en gebruiken, zal de mens zijn mogelijkheden vooral beter kunnen gebruiken in overeenstemming met zijn eigen wereld, omdat hij weliswaar gebruik kan maken van vele aspecten van dit Licht, maar er niet aan onderworpen is en eigen mogelijkheid tot denken en besluiten blijft behouden. Zijn prestatie is vergroot. Vergelijkend gezegd: iemand die normaal 15 tot 20 pond gemakkelijk kan drukken, drukt nu even vlot 50 pond. In dezelfde verhouding zullen niet alleen prestatie mogelijkheden, maar ook reactiesnelheid en waarde toenemen.

Nog iets sterker neemt de inwerking van de ene mens op de andere toe. Wanneer deze inwerking sterk genoeg is, zal men zelf niet beseffen, hoezeer men anderen a.h.w. dwingt. De mens begrijpt over het algemeen maar heel weinig van alles, wat hij op dit gebied zelf voortbrengt. Zo kan worden gesteld, dat een zeer groot deel van de eigenaardige verschijnselen, die in deze dagen op alle gebied voorkomen, onbewust zal worden veroorzaakt door de personen, die zich in het midden van het gebeuren bevinden en waarschijnlijk over de gebeurtenissen het meest verrast blijken te zijn. Zelfs wanneer een dergelijke mens zich er bewust van is, dat hij werkt met de krachten van een andere wereld – het Licht van buurman – zal hij niet begrijpen, dat deze kracht via zijn persoonlijkheid tot uiting komt in eigen wereld en daarbij zijn eigen persoonlijkheid sterker uitdrukt, zo beantwoordend aan zijn wereld en alleen op zijn eigen wezen reagerend. Het onbegrijpelijke komt vooral voort uit het ongewone. Vergelijkend: vroeger moest je om licht te maken knopjes omdraaien, nu behoef je alleen aan licht te denken.

Wanneer het eigen denken van de mensen op de juiste wijze toeneemt in deze dagen door een toenemend bewustzijn en het kiezen van een positieve richting van reageren, zullen positieve resultaten in ongekende sterkte optreden, welke de mens niet meer aan eigen kunnen of ingrijpen zal durven wijten, maar alniettemin daaruit direct of indirect voortgekomen zijn. Zou de mens tot een negatieve instelling komen, dan zal hij getroffen worden door vele, volgens hem onverdiende rampen, die zijn houding tegenover de wereld weerspiegelen, maar gelijktijdig hem zelf de gevolgen van deze instelling doen ondergaan. Het is duidelijk, dat deze rampen niet alleen hemzelf zullen treffen, maar ook de wereld rond hem, ofschoon dit grotendeels wordt bepaald door de belangrijkheid van het deel der wereld, dat met de negativist in harmonie is.

Misschien lijkt dit alles in de eerste plaats op mystiek te berusten. Aan de andere kant is de raad, die er uit voortkomt, vooral in deze dagen zeer praktisch en bruikbaar:

Denk positief. Dat is een mooie leuze. Maar wat houdt het in?

Positief denken begint in de eerste plaats met in het denken zichzelf als oorzaak en gevolg centraal te stellen. De positief gerichte mens zal in de eerste plaats ervan uitgaan, dat zijn eigen reactie, zijn eigen denken, handelen en zijn, bepalend zal blijven voor alles, wat hij zelf in het leven ervaren zal. Hij beseft, geheel voor eigen leven en ervaren, verantwoordelijk te zijn. Tevens erkent hij dat juist deze verantwoordelijkheid inhoudt, dat hij zelf steeds een keuze zal moeten doen in overeenstemming met zijn eigen wezen. Een afwachten van de besluiten van anderen, een onderwerpen van eigen keuzen aan invloeden, waarover men geen directe invloed kan uitoefenen, erkent hij als onaanvaardbaar.

Wanneer de mens een bewuste keuze in overeenstemming met zijn eigen wezen moet doen, zal hij deze ook moeten zoeken in overeenstemming met de mogelijkheden van leven en de wijze van uitdrukking, die hij kent. Anders gezegd: positief denken wil zeggen dat men met een aanvaarden van de wereld buiten het Ik, zoals zij nu eenmaal is, het Ik ziet als instrumentaal om voor dit Ik veranderingen te veroorzaken, zonder dat men zich daarbij op initiatief of actie van deze buitenwereld kan verlaten. Belangrijk is hierbij vooral het besef, dat het Ik de vrije keuze en mogelijkheid heeft om, zich baserende op dat, wat in de wereld buiten het Ik nu eenmaal bestaat, elke relatie met die buitenwereld zelf geheel te bepalen.

U zult stellen, dat dit binnen de maatschappij niet geheel waar kan zijn. Toch is het wel degelijk waar. Maar het menselijk denken is zozeer aan de maatschappelijke concepten gebonden, dat het weigert zich deze vrijheid en mogelijkheden te realiseren door te weten: ikzelf ben de enige, die handelen kan. Ik kan niet een ander delegeren om voor mij goed te doen, dit zal ikzelf moeten doen, én zelfs wanneer ik via een ander goed wil doen, zal ik er zeker van moeten zijn  dat deze ander het ‘goede’ volgens mijn wensen en inzichten zal volbrengen.

U kunt dus niet zeggen: “Ik wil wat goed doen, hier hebt u 100 euro, doe daar maar wat goeds mee”. Men zal tenminste duidelijk moeten maken, waarvoor het bestemd is, terwijl men dan ook nog de plicht heeft zich te overtuigen, of de gave ook inderdaad voor het genoemde doel besteed wordt. Op deze wijze leert de mens zijn werkelijke plaats in de wereld te beseffen, onafhankelijk van de gebruikelijke uitvluchten, waarbij de toestanden, het lot, de domheid van anderen, of zelfs de gehele wereld aan elke mislukking schuld is, maar het Ik alleen verantwoordelijk wordt gesteld bij een slagen.

Hij zal ook in deze situatie zeker vaak een beroep doen op God zoals wij dit bespraken. Hij doet dit echter nu zozeer bewust en gebaseerd op eigen werkelijkheid en wezen, dat hij vele mogelijkheden zal vinden om de buitenwereld aan zijn behoeften en wezen aan te passen. Ook zal hij op deze wijze er sneller toe komen zichzelf, waar nodig, aan zijn omgeving aan te passen.

Men hoeft zichzelf dan niet meer te verloochenen of zijn persoonlijke eigenschappen en waarden te ontkennen, evenmin hoeft men de wereld te verwerpen, of daarin bestaande toestanden en waarden te verwerpen.

De basis voor deze tijd is dan ook wel het gevoel van persoonlijke aansprakelijkheid, die echter alleen geldt ten opzichte van eigen wezen. Wie zo leeft en denkt, zal niet alleen de versterkte krachten van deze dagen kunnen ontvangen, maar hij zal ook in staat zijn, deze krachten bewust te richten en vervult zo juister de bestemming, die in zijn wezen ligt.

Kan men bovendien die emotionele ervaring, die innerlijke ontmoeting met het onbekende vinden, zoveel te beter. Dan zal men daaruit ongetwijfeld de kracht en het vermogen vinden, om meer aan eigen taak te beantwoorden en zo uiteindelijk meer te doen in en voor de wereld.

Maar bidden of niet bidden, hetgeen waar het op het ogenblik bovenal op aan komt, bent uzelf. Dit is wel een oude waarheid, maar in deze dagen geldt zij nog meer dan ooit tevoren. Juist in deze dagen, waarin solidariteitsgedachten enz. een zo grote rol spelen is de mens zo snel geneigd alles aan een ander over te laten en alles aan anderen te wijten. Of men het nu erkent of niet, wie zo leeft en handelt, maakt in wezen de maatschappij tot zijn God – ook al bidt hij regelmatig vroom geknield in de kerk.

Kort gezegd: je bidt tot God, maar verwacht uitkomst via het ministerie van sociale zaken. De maatschappij echter kan steeds minder werkelijk tot stand brengen, naar mate deze mentaliteit toeneemt. Om dit te voorkomen zal men voor alles terug moeten keren tot de erkenning: ik, mijn leven, mijn bestaan, mijn verantwoordelijk zijn, zijn voor mij de enige belangrijke waarden in een wereld, die in haar geheel nimmer mijn leven en taak kan zijn, maar slechts voor mij belangrijk is, waar ik innerlijk en door ervaring een band met die wereld erken.

Maak hier niet een bezwaar, dat u een deel Gods bent en dat alle dingen zo verbonden zijn. Dit is waar. Maar uw taak is het niet er voor te zorgen, dat de andere delen goed, juist, prettig leven, maar alleen om er voor te zorgen, dat dit deeltje dat u “ik” noemt zijn taak op juiste wijze vervult. Er bestaat dan ook geen andere leidraad voor de mens dan het goede, dat hij in zichzelf erkent. Niemand kan zeggen, wat goed of kwaad is voor een ander, of in een ander.

Weet u, waarom dit onderwerp juist vandaag zo toepasselijk is? Omdat wij binnenkort de nederdaling van de H. Geest over Jezus’ leerlingen herdenken. Het voorgaande kan u misschien helpen om te beseffen, dat dit niet een gebeurtenis is, die maar één enkel keer voorkomt, maar dat hier eerder sprake is van een gebeuren, dat verankerd ligt in het wezen van de mensheid en zolang voor zal komen, als er mensen bestaan. In deze dagen dient men dit te begrijpen. Want juist in deze dagen wordt u steeds weer geconfronteerd met meerdere leraren, Meesters, Lichtende krachten en wat al niet meer.

Besef, dat u vandaar echter niets kunt verwachten, wanneer uzelf niet allereerst werkzaam bent. Wij allen tezamen moeten, elk in ons eigen Ik, deze krachten werkzaam en levend maken. Dan eerst zullen zij voor ons een werkelijke betekenis krijgen en met dit alles kunnen werken, iets kunnen bereiken. Zonder eigen werkzaamheid zijn zij waardeloos voor u, zelfs indien uw leven er misschien wat door verandert.

Dit lijkt u misschien een omslachtige weg, wanneer ik spreek over bidden om uiteindelijk terecht te kunnen komen op de nederdaling van de H. Geest. Het gebed, was echter het begin van dit gebeuren. Eigen werken, het nemen van risico’s en besluiten bracht de kracht van de H. Geest eerst kenbaar aan de wereld.

Wanneer ik dit alles vanuit een zuiver religieus standpunt had benaderd, zou ik nooit zo nadrukkelijk en uitvoerig duidelijk kunnen maken, wat dit alles in wezen inhoudt. Een parallel tussen het heden en het Pinkstergebeuren zou gezocht geklonken hebben. Nu zult u echter beseffen, dat het niet voldoende is, om te vertrouwen op een H. Geest, die je wel eens even zal laten doen, wat noodzakelijk is. God heeft ons geplaatst op déze plaats in de schepping. God is de drijvende kracht van ons leven. Maar wij zijn het, die persoonlijk en vanuit onszelf dát, wat wij zijn, volgens de goddelijke wil, zullen moeten realiseren tot in zijn uiterste consequenties.

God heeft hemel en aarde gemaakt. Maar wij maken de wereld der mensen. God geeft de levende kracht. Maar wij leven, wij moeten het leven zinrijk en aanvaardbaar maken voor onszelf. Hoe wij antwoorden op de noodzaak, allereerst zelf te zijn, is minder belangrijk. Of wij dit doen door eenvoudig te leven, door ons een Scheingestalt te maken, die onze onvolkomenheden aanvult en zo een godgenoemde compensatie wordt van ons erkende onvermogen, dan wel een andere weg kiezen, maakt weinig uit. Indien wij maar beseffen, dat dit niet alles is. Want zodra wij menen, dat wíj alleen het weten, dat alleen deze dingen bepalend zijn voor geheel de schepping – in plaats van enkel ten volle te gelden voor ons eigen Ik – zullen wij al snel uit gaan roepen: “Onze god is de enige ware God”.
De werkelijke God kunnen wij alleen ontmoeten, wanneer wij geheel afstand doen van onszelf, ons denken, onze opvattingen, ons persoonlijk bestaan. Maar wat God aan krachten in de wereld gegeven heeft, kunnen wij, door een beroep te doen op de wereld en onze persoonlijke God vaak sterk kenbaar en richtbaar in eigen wereld realiseren. Waarmee ik mijn beschouwing voor heden besluit.

Esoterie : inwijding

Het tweede deel van onze bijeenkomst is meestal gewijd aan de esoterie. Ik zou, aansluitend op het onderwerp van mijn voorganger vanavond eens willen spreken over inwijdingen en al wat daarmee verband kan houden.

In de eerste plaats moeten wij onthouden, dat het priesterschap en de wetenschap vroeger eigenlijk één en hetzelfde waren. Een priester had de gelegenheid om te studeren en wist dan ook meer dan andere mensen. Zijn kennis werd beschouwd als een belangrijk deel van zijn priester-zijn, zijn plaats in de maatschappij werd door weten bepaald. Zo weten wij bv.  dat de eenvoudigste priester in Egypte, de dorpspriester, optrad als schrijver voor de gemeenschap, als boekhouder voor de bezitters van het dorp en Farao, en verbinding tussen de hooggeplaatsten en de eenvoudigste boeren en slaven. Het voornaamste was dus in wezen niet het feit, dat hij de band met de goden in stand hield, maar dat hij kon lezen en schrijven. Wanneer wij ons bezig houden met andere wetenschappen, geneeskunde – van kruidenkunde tot chirurgie toe – zo treffen wij overal priesters aan. Leken zijn er weinig of niet bij betrokken. Tempels nemen de plaats in van ziekenhuizen en hospitalen. De kern van de macht van de priesters is niet hun bovennatuurlijke machten of de aan hen toevertrouwde zorg voor de doden, maar de kennis die zij weten te verwerven, het onderzoek.

Het zal u duidelijk zijn, dat het niet gemakkelijk, zoal mogelijk was, deze kennis ook aan leken over te dragen. In de eerste plaats moet de uitlegging van vele feiten in overeenstemming blijven met de leer, zodat menige ontdekking onmiddellijk tot de geheimen van de godsdienst ging behoren, terwijl de macht van de priesterkaste bovendien in zeer sterke mate berustte op deze kennis en de behoefte, die daarom vele regeerders hadden aan priesterlijke steun en raad.

Zo ontstaat binnen de priesterkasten het gebruik van de inwijding. Deze is niet zozeer een geestelijke beproeving, maar eerder een examen, dat men afneemt om na te gaan of eventuele kandidaten wel in het priesterlijke milieu zullen passen. Wij mogen niet vergeten, dat de wereld van de priesters al snel niet meer een wereld was, die beheerst werd door onbekende krachten, demonen, goden en voortekenen, maar een wereld, waarin men enerzijds deze beelden hanteert t.o.v. het volk, terwijl men voor zich reeds lang beseft, dat dit alles geheel andere achtergronden moet hebben.

In vele gevallen leven de leken nog in een wereld, waarin zij geheel aan de willekeur van goden en demonen zijn overgeleverd, terwijl de priesters al leven in een beheersbare wereld. Om de wereld te kunnen beheersen, moet men echter vooruit kunnen zien, wat er gaat gebeuren. Men moet  van  tevoren het verloop van een ziekteproces kunnen voorspellen. Nu beschouwt ook de priester over het algemeen de wereld nog als geheel bezield. Alleen meent hij, dat het mogelijk is zich meester te tonen van deze bezielde wereld, terwijl de leek zich daaraan meestal op genade of ongenade overlevert. Het resultaat is een bestudering van alle fenomenen.
Een voortbrengsel van deze studie is o.m. het z.g. hemelschrift, dat wij bij meerdere volkeren aantreffen. De wijze ontdekt de sterren en hun combinaties. Hij ziet hierin symbolen of letters en tracht hun betekenis te duiden. Er is een tijd, dat men eerlijk overtuigd is van het feit, dat het hemelschrift al het gebeuren voor de komende dagen en uren reeds  van tevoren kenbaar maakt: het lot staat aan de hemelen geschreven. Later voert dit o.m. tot de ontwikkeling van de astrologie, terwijl het lezen van tekenen in de ingewanden van dieren op een gelijksoortige beschouwing berust: het lot van de dingen staat vast in de natuur, men moet het alleen maar leren zien.

De priesters zoeken niet alleen naar een methode om de betrouwbaarheid van kandidaten voor een wijding te toetsen, maar wensen ook hun kennis zo snel mogelijk uit te breiden. Deze uitbreiding van kennis kan echter moeilijk langs de nu gebruikelijke wegen gaan: men heeft geen instrumenten. De middelen om te onderzoeken zijn er nog niet. Daarom is men zich van eigen stoffelijk onvermogen in dit opzicht ook wel zeer bewust. Men leerde echter, dat door hypnose vele gegevens konden worden verkregen en geverifieerd, die op andere wijze niet verkrijgbaar waren. Dankzij de hypnose kon men door een medium, doordringen in gebieden die anders voor de mens en zijn navorsingen gesloten bleven.

Er ontstaat een soort wetenschappelijke cultus, waarbij de geest van mensen op onderzoek wordt uitgezonden. De praktijk toont veel overeenkomst met de clairvoyance, het mesmerisme e.d. Nu zal iemand, wiens geest wordt uitgezonden, inderdaad veel waar kunnen nemen. Maar hij zal zich dit moeten kunnen herinneren of betrouwbare gegevens moeten kunnen verstrekken. Inderdaad vindt men op deze wijze veel uit omtrent de samenhangen in eigen wereld en de mogelijkheden van ‘andere’ of geestelijke werelden. Men heeft echter in het begin vele moeilijkheden, doordat men nog niet in staat is de vertekening van waarden, tijdsverloop enz. te corrigeren, die ontstaat, wanneer een geest met een bepaalde taak wordt uitgezonden.

Men bestudeert de vele verschijnselen die bij hypnose, zelfhypnose en de daaruit voortkomende trance optreden. Daarbij blijkt, dat vele moeilijkheden ontstaan, doordat de mens kennelijk met zijn eigen angsten en denkbeelden wordt geconfronteerd. Niet alleen zijn deze denkbeelden gevaarlijk voor de geestelijke gezondheid en het lichamelijk welzijn van het medium – daar zou men in die tijd nog vrede mee genomen hebben – maar hierdoor ontstaat een sterk persoonlijke vertekening van alles, wat tijdens de trance of daarna weergegeven wordt. Sommigen blijken sterk genoeg zich tegen deze producten van eigen denken te verzetten. Zij bereiken betere resultaten. Daarom acht men het noodzakelijk bij inwijdingen de kandidaten ook geestelijk op de proef te stellen.
Men confronteert hem tijdens een hypnotische trance met de dood in velerlei vormen en belaagt men met vele geïnduceerde illusies. Wanneer nu blijkt, dat de leerling of kandidaat ondanks dit alles zich van zichzelf bewust weet te blijven en bij alle optredende beelden blijkt te onthouden, dat dit een beproeving is – zodat hij dus niet ondergaat en zichzelf verliest in de geprojecteerde beelden – zal hij bruikbaar zijn als proefpersoon, zal hij later zelf bewust geestelijk kunnen onderzoeken en observeren.

Rond 5000 jaar geleden vinden wij op aarde vele inwijdingen, die van deze methode gebruik maken. De overeenkomst met de werkelijkheid is zo groot, dat wij kleinere verschillen terzijde kunnen schuiven: de goden heten anders, hier maakt men gebruik van roes veroorzakende middelen, elders gebruikt men dans, of absolute afzondering in diepe duisternis. Alles is echter een zekere inleiding tot het belangrijke moment: het ogenblik, waarin een splitsing ontstaat tussen de stoffelijke persoonlijkheid en het geestelijke Ik, dat afzonderlijk waarneemt. De magiërs van die dagen trachten zich zo een beeld te vormen van het Al en komen tot vele eigenaardige uitspraken.
Zo vinden wij in China enkele uitspraken, die kennelijk te maken hebben met wat wij tegenwoordig atomen noemen. Elders vinden wij uitspraken omtrent het bloed en de bloedsomloop waaruit blijkt, dat men niet alleen besefte, dat het bloed voor het leven van de mens van het allerhoogste belang was, maar zich ook reeds een beeld maakte van de bloedcirculatie, zij het, dat dit beeld nog zeer onvolledig schijnt te zijn geweest. Aan de hand van de verschillende geschriften, die bewaard bleven en sommige overleveringen kunnen wij reeds vaststellen, dat de mensen van vroeger heel wat meer hebben waargenomen, dan zij ooit op redelijke wijze konden verklaren.

Daarnaast kwam men al snel tot een grote belangstelling voor het eigen Ik. Mogelijk uitgaande van het standpunt, dat men dan in ieder geval op bekend terrein was en dus niet zo vaak voor onverklaarbare of tegenstrijdige waarnemingen zou komen te staan.

Men ontdekt, dat het Ik een eigenaardig beeld geeft, wanneer men het vanuit de geest tracht te bezien. Er is geen tijd, geen opeenvolging van momenten, maar een groot aantal toestanden, die allen deel uitmaken van het Ik, als gelijktijdig worden beseft en steeds even werkelijk zijn. In het begin zal de waarnemer niet in staat zijn deze toestanden geheel te overzien. Zijn kennis nemen daarvan is een opmerken van delen, terwijl anderen over het hoofd worden gezien. Het lijkt wel, of men zichzelf en zijn lot sprongsgewijze onderzoekt en zo de samenhang tussen de verschillende episoden en hun werkelijke betekenis niet beseft. Op de duur komt men echter tot een werkelijk hanteren van de tijdlijn binnen het eigen Ik, waarbij men deze lijn in het verleden weet te volgen tot voorbij het ogenblik van geboorte en soms zelfs nog verder: namelijk tot voorbij de dood van een individu, waarvan het Ik klaarblijkelijk vroeger deel heeft uitgemaakt Ook ontdekt men de meervoudige persoonlijkheid, die in de meeste mensen schuilgaat. Raadselen te over. Toch zijn dezen niet van overwegende invloed op de reacties van de priesters.
Wanneer men zichzelf en zijn leven als een lijn leert zien, zal men de betekenis van gebeurtenissen in het heden geheel anders interpreteren. Men zoekt dit beeld van het Ik met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen.

Zo ontstaat de eerste vorm van werkelijke esoterie, die niet, zoals later, hoofdzakelijk filosofisch is, maar eerder geheel op de praktijk gericht en uit de praktijk voortkomend geen vaste regels erkent. Men beseft ook, dat de lijn van het leven niet stil kan staan bij het heden. Daarom interpreteert men al snel het leven als een zich bewegen langs een lot- of levenslijn. Wie weet, waar een lijn vandaan komt, zal haar verloop ook verder kunnen vermoeden. Zo komt men tot een – overigens beperkt – erkennen van de toekomst. Een reliëren van de bekende wereld met het toekomstbeeld is moeilijker dan men dacht – vandaar de dubbelzinnigheid van vele orakels.  Wel erkent men, dat het einde van de persoonlijke lijn, dus de eigen toekomst, steeds weer schijnt te voeren tot een oplossen van eigen wezen. Men komt a.h.w. in een andere wereld. Zo ontstaat voor het eerst het begrip van het ingaan in en leven in de wereld van de goden. Men gaat dus verder dan de oude geestenwereld, die wij in het moderne spiritisme plegen aan te treffen onder de naam ‘zomerland’.
In het begin neemt men aan, dat het voortleven op deze wijze afhankelijk is van het beseffen van deze mogelijkheden in eigen wezen. Vandaar, dat deze wereld van de goden haast overal voorbehouden schijnt te zijn aan voorname persoonlijkheden en priesters. Eenvoudige mensen konden eenvoudig weg niet alle offers brengen, die nodig waren, om hun eigen persoon zo te laten bestuderen. Later gebruikt men magie als middel om na de dood toch eigen pad geheel ten einde te kunnen gaan. Dit werd o.m. in dodenboeken vastgelegd.

Nu het voortbestaan afhankelijk is van de innerlijke erkenning, wordt de esoterie van levens- belang. Menige priester keert zich niet meer tot de goden om kennis te verwerven of sociaal iets te bereiken, maar vooral om aan dit eeuwige leven in een uitverkoren godenwereld deelachtig te kunnen worden. Men zoekt niet meer naar kennis – die dan ook snel tot stilstand schijnt te komen, of overgaat in handen van leken – omdat men voor alles de eeuwigheid van eigen wezen tracht te verzekeren. Later zal men ditzelfde ook voor anderen doen of voorgeven te doen.

De ontmoeting met de eeuwigheid impliceert echter voor de zoekers, dat er ergens een samenvattend begrip moet zijn, waarin geheel het leven kan worden bevat. Alle waarden van leven, geestelijk en stoffelijk, moeten gezamenlijk een enkele idee, een enkel doel inhouden. Dit nu is voor de esotericus de grote moeilijkheid: jezelf zien als een eenvoudig en compleet concept, dat alle waarden en mogelijkheden omvat, is praktisch niet mogelijk. Er moet een andere waarde zijn, waarvan de mens misschien ergens deel uitmaakt, of mee verbonden is.

Nu ontstaat het zoeken naar de ‘geheime Naam Gods’. De esotericus vindt deze in zichzelf. De betekenis en waarde van deze geheime naam blijkt echter teloor te gaan op het ogenblik, dat hij haar openbaart. Op het ogenblik dus, dat de naam vanuit de innerlijke wereld naar de uiterlijke wereld wordt overgebracht. Innerlijke waarden hebben dus in de gekende omschrijving naar buiten toe klaarblijkelijk geen gelding. Omgekeerd blijken dingen, die in het uiterlijke leven van het allerhoogste belang worden geacht, in het innerlijke leven geen betekenis meer te hebben. Men legt daarom de nadruk op de innerlijke werkelijkheid. In vele gevallen verwijdert daardoor de inwijdingsleer zich echter van de uiterlijke werkelijkheid. De leringen worden steeds meer wereldvreemd, steeds meer nemen theorieën en systemen de plaats in van eigen ervaringen.

De mens, die enige tijd deze weg gegaan is en eerlijk blijft tegenover zichzelf, zal zich op een gegeven ogenblik afvragen: “Wat is het nut van dit alles?” Want hij kan voor zich uit dit alles nog wel een bevrediging scheppen, maar een werkelijk levensdoel ziet hij hierin niet meer. Wanneer hij dit ogenblik van oververzadiging ervaart, beseft de mens, dat hij niet twee afzonderlijke wezens is, een innerlijk wezen dat naar God streeft en een uiterlijk wezen, dat een wereldse taak heeft, maar één geheel. Hierdoor komt hij verder op het pad, want hij beseft tevens, dat dit geheel niet gebonden kan zijn aan het stoffelijk denken, of zelfs maar het weten op zich. Je bent een geheel, zodat alles wat je stoffelijk beleeft, deel is van het geheel. Men realiseert zich, dat men dit geheel op elk ogenblik van het nu bewust beleefde stofbestaan kan uiten. Hierdoor ontstaat dan wederom een praktische vorm van esoterie, die in vele gevallen overloopt in een vorm van mysticisme! Men beleeft een andere wereld en draagt haar wezen en krachten in deze wereld uit, maar kan gelijktijdig geen erkenning voor deze krachten en werelden vergen van eigen wereld.

Degenen, die op deze wijze beleefd en gestreefd hadden, kwamen tot de conclusie, dat een inwijding op zich niet voldoende zou zijn, tenzij dan de mens daarin ook vrij gemaakt kon worden van zijn stoffelijke beperkingen en kon leren ook in de materie zijn eigen Ik uit te leven. De mysteriën van Dionysos brengen een inwijding, die geheel is gebaseerd op een mysteriespel, waarbij de ingewijde zich vereenzelvigt met een bepaalde persoonlijkheid, zijn verbondenheid met het eeuwige zich op deze bepaalde wijze leert realiseren en zo beleeft. Dit voerde vaak tot een zekere roes. Het ging er tijdens en na die spelen dan ook volgens moderne begrippen niet direct netjes aan toe, maar de mens van toen vond daarin zijn contact met de godenwereld en de meer ingewijde zijn verbonden zijn met de eeuwige. Typisch voor de realisatie van dit alles is bv. het feit dat bij de Grieken – en elders – chronos of de tijd, als eerste God wordt genoemd: de continuïteit van werken en beleven, die men innerlijk beseft is voor de esotericus een van de belangrijkste aspecten van het leven.

Elk ogenblik van leven op zichzelf is zinloos, tenzij men beseft: dit is het verleden, dat tot rijping komt en het morgen, dat reeds nu zijn vorm gaat vinden. De esotericus loopt ook hier vaak in vast, omdat de mens aan de hand van deze feiten maar al te vaak zijn stoffelijk heden te belangrijk gaat vinden en daarover de evenzeer bestaande geestelijke werkelijkheid van heden vergeet. Daarmee verliest men zijn inzicht in de werkelijke betekenis van alle dingen en wordt blind, waar men eens ziende was. Alleen de mens, die zich terug kan trekken in zichzelf, daar eigen wezen steeds opnieuw wil leren kennen en daarnaast de erkenning van dit Ik voor zich kan realiseren in zijn wereld van trage tijd en drie dimensies, zal zich voortdurend aan kunnen passen aan de grote werkelijkheid en daarmede de noodzakelijke harmonie met de eeuwigheid ervaren.

Jammer is het, dat zovele mensen de esoterie vooral willen zien als iets, waardoor men kan afwijken van de normale wereld. Naar ik meen kan men zich aan de werkelijkheid niet onttrekken, zodat ik liever zou stellen: de werkelijkheid van deze wereld moet voor de mens de bevestiging zijn van zijn innerlijk beleven en de innerlijke werkelijkheid, waaruit hij uiteindelijk leeft en bestaat.

image_pdf