Bijgeloof

image_pdf

13 april 1962

Op deze bijeenkomst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Op deze vrijdag, de 13e, zou ik graag met u spreken over: Bijgeloof.

Vandaag is het vrijdag de dertiende. Vrijdag is een ongeluksdag, dat het nog de dertiende is ook, maakt het geheel nog griezeliger. Dertien is een getal, dat ofwel veel ongeluk brengt, dan wel heel veel geluk. Hoe komen de mensen eigenlijk tot deze opvattingen? In de oudheid vinden wij de huidige vrijdag als een dag, die aan de Godin Venus is gewijd. Venus heeft in het begin van haar verering – evenals vele andere Godinnen – twee aangezichten. Venus heeft dit gemeen met Ishtar, Isis, Kwan Yin, Kali, die ook allen twee facetten tonen. Enerzijds zijn zij symbolen van vruchtbaarheid, vreugde, zelfs wel lichtzinnigheid. Aan de andere kant zijn deze Godinnen ook symbolen van dood, ondergang, de wreedheid van de natuur enz. Op de feestdagen van dergelijke Godinnen was men er niet geheel zeker van, welke zijde zij zouden tonen. Vandaar dat men voorzichtig was en er rekening mee hield, dat deze dagen ongeluk konden brengen .

Later kwamen de christenen. Deze namen het bijgeloof – aan bepaalde dagen verbonden – eenvoudig over; ook de vrees, die aan de vrijdag verbonden was. “Want” zo spraken zij” is onze Heer niet op een vrijdag gekruisigd? Dat is toch wel het ergste, wat er ooit op aarde gebeurde. Kan een vrijdag dan wel ooit iets goeds brengen? De 13 vinden wij bij de christenen ook als een ongeluksgetal: U herinnert zich misschien, dat er 13 mensen aan tafel waren bij het Laatste Avondmaal. Een van hen was Judas. Het gevolg van deze 13 mensen aan tafel was het verraad en de kruisiging. Twaalf gold een lange tijd als gunstig, of gelukkig getal, maar het getal 13 is altijd weer verraderlijk. Ook in de oude cijferleer vinden wij 13 eveneens. Soms als een geluksgetal. Dan stelt men: 1 = God, 10 de bereiking en 3 het getal van de openbaring. Bovendien is de stam van 13 volgens deze rekenwijze 4, het getal van het leven, wat zekerlijk geluk zal brengen.

Anderen stelden: wanneer 1 = de oergod, zich 3 = openbaart aan de onvolmaakte mensen, zal het deze mensen niet goed vergaan. Dertien gold dan ook bij sommigen als getal des oordeels. En waar niemand iets voelt voor een oordeel, vermeed men op dagen, in plaatsen en bij gelegenheden, waarmee het getal 13 verbonden was, zoveel mogelijk elke activiteit, om zo aan het oordeel te ontkomen. De meeste mensen zijn met deze punten niet meer op de hoogte, maar toch houden ook modernere mensen niet van het getal 13. Wist u, dat in vele wolkenkrabbers geen 13e etage voorkomt, zelfs al telt een dergelijk gebouw in werkelijkheid 40 of meer verdiepingen? Weet u, dat er in vele hotels wel een kamer 12 is, maar geen kamer 13.

Klaarblijkelijk is dit oude bijgeloof wel ingegroeid in de mensheid. Dit doet in de huidige rationele en materialistische wereld wat vreemd aan. Het is verbazingwekkend, dat men zich in een zo grote mate laat beïnvloeden door begrippen als 13, vrijdag de 13e, dertien aan tafel  enz. De enige verklaring, die hiervoor te geven is, luidt: De mens, die bijgelovig is, voelt zich onzeker. Een mens, die zich geheel zeker voelt, zal redelijk blijven denken en zich met dergelijke oude en nooit bewezen stellingen niet bezig houden. Maar een mens, die geen vast omschreven doel meer heeft in zijn leven, of voortdurend door eigen veiligheid bedreigd voelt, een mens ook, die misschien wel meent, dat hij machteloos en waardeloos is, zal grijpen naar alle middelen om zich zeker te stellen, zal overal gevaren zien en daarom ook bijgelovig zijn. Dan gaat hij immers alle mogelijkheden vermijden tot conflict en vreest hij alles, waarvan hij ooit heeft gehoord, dat het wel eens gevaarlijk kan zijn. Dan vreest hij opeens, dat het morsen van zout ruzie brengt. De reden van dit bijgeloof is overigens niet eens zo dwaas: In het verre verleden was zout een kostbaar iets. Het werd alleen in zoutpannen gewonnen, waarbij deze zoutwinning bovendien het voorrecht was van een keizer, heerser, of edelman, die hieruit zoveel mogelijk revenuen trok. Een gewone burger, die zout morste, morste dus eigenlijk geld. U kunt zelf wel uitrekenen, wat een huisvrouw met een haars inziens karig huishoudgeld zeggen zal tegen haar gade, wanneer deze zout morst, dat voor de huisvrouw een soort zilver in eetbare vorm is. Dan zal zij uitbarsten in verwijten als: “Sukkel, kun je niet uitkijken? Veeg bij elkaar” De ruzie is wel degelijk mogelijk in een dergelijke situatie. Oorspronkelijk was het gezegde: “Zout morsen betekent ruzie”, een aanmaning om met het kostbare zout wat voorzichtig om te gaan. Later werd zout meer algemeen verkrijgbaar en zocht men naar een verklaring voor deze zegswijze, waarvan de oorsprong immers allang vergeten was. Nu wordt in de magie zout ook gebruikt om bepaalde demonen uit te drijven.

Daardoor komt men tot de volgende verklaring: Wanneer men zout verspilt, verspilt men in feite de mogelijkheid om een demon te verdrijven. Men geeft de duivel dus meer kans om zich te openbaren. Zelfs volgens de redeneringen en het geloof van de vroege middeleeuwen, is dit in feite nog niet zo dwaas. Men ging nog verder: de verspilling van het zout werd natuurlijk door de duivel bevorderd. Deze zou wel eens toe kunnen kijken en trachten van de gelegenheid zoveel mogelijk profijt te trekken. Nu is de duivel boos en zal steeds aan de linkerzijde van de mens staan. Degene, die het zout morst, wordt hierbij waarschijnlijk door de duivel beïnvloed. Dan is het slechts logisch, dat deze – door wat zout over de linkerschouder te werpen – tracht de duivel uit te bannen.

In uw dagen doet men dit nog wel. Maar de mensen, die dit doen, weten eigenlijk niet eens waarom. Zij zijn wat onzeker en menen, dat het beter is geen risico’s te lopen, zelfs niet van het onbekende. Voorbeeld: In vele streken zal men trachten een echte schoorsteenveger aan te raken, of een bultenaar. Want, zo zegt men, dat brengt geluk. Vroeger meende de mens, dat de Goden, wanneer zij al neerkeken op de mensen, of zelfs tot hen neder daalden, dit door het rookgat van het huis, of de opening in het atrium zouden doen. Wanneer er dus vuil in een rookgat of schoorsteen zit, zou daarin wel eens iets van de kracht van de neerdalende Goden kunnen zitten. Een overblijfsel van dit geloof vinden wij overigens ook in het in de huizen komen door de schoorsteen van Sinterklaas en het Kerstmannetje. Vroeger meende men dus, dat iemand, die in contact was met iets, al was het dan ook maar vuil, dat door Goden beroerd werd, geluk moest hebben. Wanneer men zo iemand aanraakt, zal hij daarbij iets van dit geluk afgeven.

De bultenaar treedt eerst veel later in de tijd op als gelukdrager. Hier is de stelling: De bultenaar wordt door God wel bijzonder streng gekastijd. Wie God lief heeft, kastijdt Hij. Dus rust Gods liefde wel bijzonder sterk op een bultenaar. Door hem aan te raken kan men aan de zorgen en liefde Gods voor de bultenaar deelhebben. De oorsprong van bijgeloof is meestal in historie en godsdienst op eenvoudige wijze na te gaan. De moeilijkheid schuilt dan ook niet zozeer in de gebruiken, die men bijgelovig pleegt te noemen, als in de vraag, waarom mensen in dagen, die een dergelijk denken reeds lang ontgroeid zijn, toch deze oude en onredelijke gebruiken nog in ere houden. Het is wel wonderlijk te moeten vaststellen, dat de doorsnee mens, zelfs zonder redenen en bronnen te kennen, steeds weer instinctief terug schijnt te grijpen naar de primitief-magische gebruiken van zijn voorouders.

Verklaring: Op het moment, dat een mens meent een groot gebrek te moeten vrezen, grote weerstanden te moeten overwinnen, of onder grote gebreken gebukt te gaan, zal hij trachten alle voorzorgen te nemen, die denkbaar zijn. De redelijke mogelijkheid daartoe is beperkt en kan de mens niet werkelijk bevredigen. Hij tracht nu op andere dan redelijke wijze zijn zekerheid te herwinnen. Naarmate de onzekerheid van de mens toeneemt, zal hij ook ontdekken, dat er dingen zijn, waartegen geen redelijke zekerheid te vinden is. Het noodlot kan door verzekeringen en redelijke besluiten nimmer geheel beheerst worden. Onbewust zoekt hij nu de onredelijke, de magische, of geloofsweg te vinden, waardoor hij in staat zal zijn toch enige zekerheid te herwinnen. Hij doet een beroep op magische werkingen, maar beseft niet, wat zij in feite inhouden. Indien een mens op de hoogte is van bepaalde magische mogelijkheden en inwerkingen, zal hij zich niet zo snel overgeven aan redeloze bijgelovigheden, als op het ogenblik bij velen voorkomt. Hij ziet dan de methode, waarmee hij gebruik kan maken van bepaalde niet gekende wetten en krachten, zo zich een zekerheid verschaffende, die voldoet aan zijn innerlijk verlangen. De bijgelovige roept weliswaar ook – onbewust – bepaalde krachten aan, maar zal – door gebrek aan inzicht – zijn werkwijze zó wijzigen, dat zij zinneloos en nutteloos kan worden.

Een voorbeeld van een dergelijke vervorming van een oud geloof tot een redeloos bijgeloof vinden wij in het z.g. afkloppen. Wanneer je iets beweert, wat te goed is, opschept enz., dien je onmiddellijk het gesprokene af te kloppen, bij voorkeur op ongeverfd hout, of staand hout.

Waar komt dit gebruik nu vandaan? In de oudheid kende de mensen heilige bomen. Wanneer men nu, door woorden of daden, een Godheid beledigd had, of diens afgunst opgewekt vreesde te hebben, ging men naar een heilige boom toe en klopte op de bast daarvan, terwijl men de boomgeest verzocht het dreigende onheil af te wenden en evt. demonen, die men door woorden of daden aangelokt zou kunnen hebben, te verdrijven. In vele gevallen hechtte men aan de boom dan nog een haarlok, of enkele draden van een kleed, zodat de boomgeest zich steeds bewust zou blijven van de gevraagde bescherming. De bron van het gebruik is allang vergeten, maar nog klopt men af, wanneer men iets goeds over zich heeft gezegd, of zijn geluk geroemd heeft. Men gelooft allang niet meer in boomgeesten enz. Ook weet men niet meer, dat het gebruik alleen zin heeft i.v.m. levend hout, maar duizenden kloppen dagelijks nog iets af. Men is niet zeker van zichzelf. Het zou immers heel anders kunnen gaan, dan men hoopt?

M.i. is de basis van alle bijgeloof en alle dwaasheid in dit opzicht te wijten aan onkunde en gebrek aan innerlijke zekerheid. Iemand, die op de hoogte is van esoterie en iets van de magie afweet, zal zich niet snel tot dwaze gebruiken laten brengen. Hij weet iets van werelden en sferen af en beseft, wat wel en niet mogelijk is. De onwetenden beseffen niet, dat deze waarden allen inderdaad aan wetten en regels gebonden zijn, terwijl zij toch de aanwezigheid van ongekende kracht rond zich steeds weer vaag aanvoelen. Dus grijpen zij terug naar oude en onbegrepen gebruiken, waarom zij zelf eigenlijk wat verlegen moeten lachen. Opvallend is daarbij, dat men zich voor zijn onzekerheid schijnt te schamen. “Door een toeval zijn wij vanavond met 13 aan tafel. Niemand bijgelovig?” “O, neen. Ik ben niet bijgelovig, hoor”. Helemaal niet erg, maar de uiterlijke moed wordt gelogenstraft door de zuchten van verlichting, wanneer de 14e gast uiteindelijk toch nog op komt duiken en plaatsneemt.

De mens meent zich te kunnen beschermen tegen het noodlot door schijnbaar zinloze handelingen en het rekening houden met al even zinloze taboes. Men stelt symbolen in de plaats van werkelijke maatregelen en tracht het noodlot te binden door handelingen enz., die nimmer werkelijke invloed uit kunnen oefenen. Denk nu niet, dat dit alleen i.v.m. het verleden voorkomt. Wij treffen in de moderne tijd soortgelijke bijgelovigheden aan. In Engeland en de USA zijn op het ogenblik vele mensen bezig schuilkelders voor zich te graven. In vele gevallen zijn deze kelders zeer eenvoudig en goedkoop van opzet, zodat zij bij een werkelijk vallen van een atoombom geen enkele werkelijke bescherming kunnen bieden, maar eerder nog gevaarlijk zijn. Vaak worden dergelijke schuilplaatsen met wat hout en kistenmateriaal uiterlijk tot een aardige onderaardse schuilgelegenheid gemaakt.

Daarmee is de onzekerheid en angst voor een deel van de mensen geweken. Het is, alsof zij zichzelf zeggen: “Nu hebben wij een schuilkelder, wanneer wij die eenmaal hebben, zal het wel niet noodzakelijk zijn, dat wij deze ook in gebruik nemen. In ieder geval zijn wij er beter aan toe dan zij, die een dergelijke schuilplaats niet hebben”. Al snel zet men dit om in een houding van “mij kan niets gebeuren”. Het is opvallend, dat mensen, die een dergelijke schuilplaats hebben – hoe onvoldoende dan ook – geneigd zijn om veel agressiever te denken dan anderen, waardoor zij vaak maatregelen voorstaan en trachten te bevorderen, die voor de wereldvrede niet goed zijn.

Een ander bijgeloof in uw tijd is de steeds meer voorkomende mening, dat je alles door de menigte op kunt laten lossen. Dit voert tot een beroep op de massa in gevallen, dat dit werkelijk geen zin heeft, alleen omdat men meent hierdoor zich veiligheid en goedkeuring te kunnen verwerven. Een staaltje van dit bijgeloof heeft u voor kort in Frankrijk kunnen zien. Men ging daar – verkeerdelijk – uit van de gedachte: “Wanneer nu alle mensen maar zeggen, dat de Gaulle een goede man is en al zijn maatregelen juist zijn, zullen wij dus ook op alle mensen kunnen rekenen”. Maar dat is bijgeloof. Want degenen, die zich niet de moeite nemen werkelijk kritiek uit te oefenen en zelfstandig in te grijpen, ten voordele of ten nadele van een bepaalde mens of richting, zijn niet de elementen, waarop men werkelijk kan rekenen, wanneer het noodzakelijk is.

Een andere veel voorkomende vorm van bijgeloof: Democratie is de beste wijze van bestuur en niet een dictatuur van het laagst gemiddelde, of – wanneer er geen werkelijke democratie is – een voortdurende misleiding van de menigte. Een ieder kan dit wel beseffen, maar men wil dit eenvoudig niet zien. Men wil zijn vrijheid hebben, men wil de illusie hebben, dat men ook zelf iets te zeggen heeft, terwijl anderzijds alle verantwoordelijkheid op anderen afgeschoven kan worden. Om zijn illusies te sparen, zal de mens eenvoudig blind zijn en zichzelf voorhouden, dat hij de beperkingen van zijn persoonlijke vrijheid met een stembriefje kan bestrijden, terwijl hij met redevoeringen zijn werkelijke tekorten en steeds groter wordende beperking van eigen mogelijkheden teniet kan doen. Een veelomvattende democratie zal uiteindelijk zelfs de geestelijke vrijheid en mogelijkheden van de mens beknotten. De mens beseft dit wel, maar wil het niet weten en houdt zich krampachtig aan zijn toverformule vast. Zelfs indien deze in feite niet van toepassing is voor eigen wereld en omstandigheden.

Een in uw dagen eveneens veel voorkomende vorm van bijgeloof is de steeds meer zich verbreidende opvatting, dat men door het scheppen van een uiterlijke schijn de werkelijkheid zou kunnen veranderen. Een voorbeeld daarvan zult u binnenkort wel zien in de Duitse economie.

Daar is men n.l. te ver gegaan met een voortdurend verhogen van de lonen. Men wilde immers, dat de welvaart steeds groter zou worden. Wanneer men meer geld heeft, zal het ook beter gaan. Men kan immers meer besteden enz….. Maar dit is te dwaas. De Duitsers zouden zeker moeten weten, dat getallen niets zeggen. Er zijn tijden geweest, dat men in dit land voor enkele uren werk meerdere miljoenen marken kon incasseren. Maar dan moest men wel heel snel een doosje lucifers daarmee gaan kopen, want anders kon men dit niet eens meer voor een dergelijk bedrag krijgen. Teveel geld betekent in feite een vermindering van welvaart, niet een vermeerdering. Nu heeft men wéér dezelfde fout gemaakt. Om de welvaart te stabiliseren moet men nu de bestedingen beperken, de lonen fixeren enz…

Tot zover is dit alles nog wel redelijk. Maar nu het bijgeloof: Men heeft deze maatregelen genomen, dus zal de welvaart nu blijven bestaan. Het is niet noodzakelijk het in omloop zijnde geld te verminderen en door een verminderen van de beschikbare kasmiddelen de koopkracht feitelijk te remmen. De staat heeft immers voor haar eigen uitgaven geld nodig, dus beperkt men wel de stijging van lonen en tracht men de besteding te beperken, maar drukt men gelijktijdig meer geld. In feite ontstaat zo een vergroting van de bankbiljettencirculatie, die reeds nu aantoont, dat – tenzij men zeer directe maatregelen neemt – de Duitse economie praktisch aan het einde van dit jaar ineen zal moeten storten. Nogmaals: Het is bijgeloof, indien men meent, dat men door uiterlijke maatregelen, die niet het werkelijke kwaad aantasten, dergelijke dingen kan voorkomen.

Ik heb voorbeelden genomen, die u allen reeds nu, of tenminste binnenkort, zult kunnen controleren. Naar ik hoop, zijn wij het ook eens over de definitie van bijgeloof: Een denkwijze, die voert tot een nemen van maatregelen, die niet met de werkelijkheid in direct verband staan, in de verwachting, dat deze werkelijkheid daardoor gewijzigd zal kunnen worden. M.a.w.: bijgeloof is steeds weer gebaseerd op een denkwijze, die de werkelijkheid tracht te ontlopen. Wat ons tot de vraag brengt, of de mens de werkelijkheid ooit kan ontlopen. Het antwoord hierop moet wel luiden, dat de mens nimmer de werkelijke gebeurtenissen kan wijzigen. Wel kan hij zijn eigen verhouding tot de gebeurtenissen wijzigen vanuit eigen bewustzijn en weten; mits deze waarden natuurlijk in de werkelijkheid tot uiting worden gebracht. Wanneer ik weet, dat er een geldontwaarding plaats zal hebben en mijn kapitaal zo weet te beleggen, dat het hierdoor niet wordt aangetast, zal ik voor mij persoonlijk aan de gevolgen van deze ontwaarding wel kunnen ontkomen. Ik zal haar echter niet geheel ongedaan kunnen maken, of geheel kunnen verhinderen. Wie dit beseft en zich op eigen erkennen en weten baseert, is niet bijgelovig, maar bereikt veel, wat de bijgelovige met zijn zinloze handelingen voor zich tracht te bereiken.

Aan de andere kant moet gesteld worden, dat men toch een zeker geloof moet kennen om tot handelen over te kunnen gaan. In het geciteerde geval zal ik moeten geloven, dat mijn bezit als zodanig waarde en belang voor mij zal hebben, zodat de moeite, die ik neem, beloond zullen worden. Men meent, dat het behoeden van eigen bezittingen tegen algemeen optredende tendensen gerechtvaardigd is. Zeker kan men hiervan nimmer zijn. Men neemt het aan en denkt redelijk. Daardoor zal men ook veel kunnen bereiken. Er is aan de irrationele aspecten van het bijgeloof iets verbonden, waarop ik de aandacht moet vestigen. Iemand, die stelt, dat vrijdag de 13e een bijzondere dag is, zal dit zeer waarschijnlijk ten dele voor zichzelf waar maken. Het bijgeloof heeft een psychologische en stoffelijk vaak direct vaststelbare invloed op het leven en denken en reageren van de mens. Men stelt niet-juiste condities en mogelijkheden. Door het aanvaarden hiervan zal men vaak op de bestaande invloeden en mogelijkheden verkeerd gaan reageren, waardoor men de invloed van het bijgeloof voor zich tot waarheid maakt.

Stel, dat het bijgeloof is om te denken, dat men door een toverformule zonder meer een mens kan genezen. Dit is inderdaad een bijgeloof. Maar wanneer ik in dit bijgeloof meen een genezing te kunnen verwerkelijken, zal ik bepaalde krachten ter genezing kunnen activeren, die wel degelijk werkelijk zijn en bestaan. Bij een nuchter en zuiver materieel denken zou ik diezelfde krachten en mogelijkheden echter afwijzen en daardoor voor mijzelf onbruikbaar maken.

Daarom wil ik met nadruk stellen, dat de werkingen van het bijgeloof zeker niet alleen negatief en dwaas behoeven te zijn. In vele gevallen kan een bijgeloof, door de verandering en persoonlijke instelling, die het teweeg brengt, zeer positieve waarden hebben. Stel, dat men zich een systeem opbouwt, waarmee men voor zich de werkingen van de Goddelijke kracht, het lot, alle ingrijpen in het menselijke leven verklaart. Dan zal dit systeem in de meeste gevallen gebaseerd zijn op eigen waarnemingen en denkwijzen.

Daaruit volgt reeds, dat – gezien de beperkingen van menselijke waarnemingen en menselijk denken – een groot deel van het gestelde niet waar, dus eigenlijk bijgeloof is. Er zal tussen vele stellingen, procedures en de realiteit, geen enkel onmiddellijk en werkelijk verband bestaan. Stel verder, dat dit systeem eenvoudig belachelijk is in de ogen van een denkend wezen. Dan zal nog door de aanvaarding van dit systeem de eigen instelling t.a.v. de werelden van stof en geest gewijzigd worden. Men komt voor zich tot een geheel nieuwe toestand.

Geestelijke waarden, krachten en wetten, die bij een rationeel denken eenvoudig verworpen zouden moeten worden, worden nu – volgens het gestelde systeem dus – voor de mens geheel aanvaardbaar. De reden, waarom ik deze waarden zal aanvaarden, is nimmer van belang. Belangrijk is slechts, dat men tot een aanvaarden komt en zo bepaalde krachten en mogelijkheden voor zich tot deel van de werkelijkheid maakt.

Wel dient men een verklaring voor zich te kunnen geven, waardoor zowel eigen bestaan, denken en leven, als de krachten, die buiten dit Ik optreden, zinrijk en aanvaardbaar worden. Het gevolg hiervan is een zekere harmonie met de werkelijke wereld. Door mijn systeem en de schijnbare bevestigingen, die ik daaruit verkrijg, zal ik de zelfverzekerdheid verwerven, waardoor ik de wereld aan kan. De basis van dit alles is gelegen in de menselijke psyche, zodat een groot deel van het gestelde valt onder de zuiver menselijke wetenschap van de psychologie.

Wij zullen nog verder moeten gaan. Rond u zijn ongetelde geesten. In de ogen van sommigen zal dit wel bijgeloof zijn. Voor mij – en naar ik meen voor u – is dit een bewezen waarheid. Onder deze entiteiten zijn bepaalde krachten aanwezig. U kunt via deze krachten bepaalde werkingen in en voor uzelf bereiken, terwijl u langs dezelfde weg kunt behoren tot bepaalde groepen en zelfs een esoterische priesterschap kunt bereiken, mits u de krachten rond u kunt aanvaarden. Nu is het niet belangrijk, op welke wijze u ertoe komt deze geestelijke krachten en mogelijkheden te aanvaarden. Dit is voor u evenmin belangrijk, als het voor een kind belangrijk is, met welke voorstellingen het naar school gaat. Belangrijk is alleen, dat het – op die school gekomen – leert. De menigte, die gelooft in samenwerking met de geest, geestelijke meesters enz., laboreert over het algemeen aan een reeks voorstellingen, die ik bijgeloof zou willen noemen. Maar zij komt tot een aanvaarden van feitelijk bestaande krachten, ook indien deze in wezen veel van de eigen voorstellingen verschillen. Door deze aanvaarding is een wisselwerking tussen de mens in de stof en de geestelijke krachten, entiteiten en leraren mogelijk geworden.

Nu maakt in dergelijke gevallen het bijgeloof een deel uit van een zo bewust mogelijk streven en denken. Hierdoor wordt het tot een brug tussen het voor de mens aanvaardbare en de bestaande kosmische werkelijkheid. Dit is een punt, dat men niet over het hoofd mag zien.

Wanneer wij alleen maar lachen over het bijgeloof van anderen en desnoods verklaren, waarom dit geloof bestaat – bv. uit de historie – zullen wij steeds weer ergens met onze verklaringen vastlopen, omdat het bijgeloof klaarblijkelijk door de feiten bevestigd wordt. Men mag nimmer vergeten, dat alle bijgeloof en geloof directe invloed uitoefent op degene, die er aan gelooft; zelfs indien het op zich de meest baarlijke onzin is. Deze invloed zal steeds in de stof merkbaar zijn. De stoffelijke en evt. historische verklaring van een bepaald bijgeloof is daarom niet zo belangrijk, als men pleegt te veronderstellen. Zij is interessant, wetenswaardig, maar de inwerking van het bijgeloof op de mens is belangrijker.

Het is bv. aardig na te gaan, waarom men in vele streken op ’t brood – voor men het aansnijdt – een kruisje trekt met het mes. Dit gebruik is te herleiden tot de oude Germanen en hun Goden. Wanneer nl. Thor boos werd, slingerde hij zijn bliksem naar de aarde. Hij gaf dan geen aandacht aan de graanvelden van de mensen, die dus tot grote schade zouden komen. De toorn van Thor zou het brood kunnen verdrijven, het graan kunnen doden. Daarom werd alles, wat men aan brood nuttigde, als gave van Thor beschouwd en getekend met zijn hamer. Men offerde dus a.h.w. zijn maal, droeg het aan Thor op, zich onder zijn bescherming stellende en o.m. zo bereikende, dat het graan door de krachten van de natuur wat meer gespaard zou worden. De christenen namen het gebruik over en wijdden hun brood aan God door een kruisje daarop te snijden. Op zich is het gebruik onbelangrijk. Belangrijk is, dat men de kostbaarheid van het brood besefte, de verbondenheid met de natuur, die uit het zich voeden met de gaven van de natuur voorkomt.

De mens, die zich buiten en boven de natuur wil stellen, is te zeer geneigd alles eenvoudig te gebruiken naar eigen inzichten. Een dergelijke mens is geneigd te stellen: Geen koren meer? Dan maken wij wel iets in een reageerbuisje. Wij mensen kunnen alles…. Door het scheppen van kunstmatige vervangingsmiddelen voor de natuurlijke voeding maakt de mens zich misschien iets meer onafhankelijk, maar in alle kunstmatige voedingsmiddelen ontbreekt iets, wat hij voor de zuiverheid van zijn geslacht, voor een werkelijk gezond leven, nodig heeft. Dit kan hij, zelfs met de huidige wetenschappelijke middelen, op het ogenblik nog niet voldoende beseffen. Want met het meten van eigen trillingen of uitstralingen van bepaalde voedingsmiddelen, is hij nog niet ver gevorderd. De eerbied, die de mens – door het tekenen van zijn kruisje op het brood – krijgt voor de Schepper en de natuur, is dan ook belangrijk. Het erkennen van de directe samenhang tussen God en de voeding zal niet alleen voeren tot een zich juister voeden en het beter waarderen van de gaven van de natuur, maar tevens tot een juister beseffen van de werkelijke waarden en schoonheden in de natuur. De mens vindt via dergelijke gebruiken, die op zich bijgeloof worden, een grotere harmonie met de natuur. Hier denk ik onwillekeurig aan oude inwijdingen. Deze oude inwijdingen hingen volgens vele moderne denkers ook van bijgelovigheden aaneen. In bepaalde inwijdingsmysteriën ontmoeten wij steeds weer het brood, oftewel het graan. Soms in de vorm van een visioen, soms in de vorm van een feestmaaltijd. Aan de mens, die inwijding zoekt, wordt steeds weer een dubbele eis gesteld:

  1. Hij dient zich te realiseren, wat dit alles is.
  2. Hij moet alle persoonlijk begeren hiernaar bedwingen, waar hij niet voor zich mag eisen.

Slechts wanneer het voedsel niet door hem begeerd en gezocht wordt, doch indien het voedsel tot hem komt en door hem aanvaard wordt, kan er sprake zijn van een volledige eenheid tussen hem en de natuur. Daaruit kan de mens dan de werkelijke waarden van de voeding, maar ook van de krachten van de natuur genieten, zodat de volmaakte voeding ontstaat.

De opvatting, die ik zelf dien te erkennen, maar alleen mag aanvaarden, wat uit de natuur tot mij komt, heeft overigens tot vele misvattingen aanleiding gegeven. Het impliceert, dat eigen streven in de kosmos niet alleen op het verwerven van kennis, inzicht, macht en bewustzijn gericht mag zijn, maar steeds gericht moet zijn op het zodanig verwerven van deze waarden, dat men in staat blijft al, wat vanuit de kosmos de mens tegemoet treedt, te erkennen en evt. te aanvaarden.

Gezien vanuit dit standpunt is menig inwijdingsgebruik geen bijgeloof, maar eenvoudig een methode om de mens tot de juiste wijze van leven, beleven en aanvaarden van de werkelijkheid te brengen. Indien men begint te stellen: “Ik moet de geaardheid van de dingen erkennen, maar dien mijzelf in verband daarmee steeds weer te beheersen”, dan mag de wijze, waarop men hiertoe komt, misschien onzinnig zijn en bijgeloof heten, de methode die gevonden wordt langs deze weg, maakt het de mens toch mogelijk hogere geestelijke krachten in zich op te nemen, in zich bepaalde waarheden te erkennen en de werkelijkheid van het leven te genieten. Men kan de inwijding op deze wijze maken tot een actieve factor in het bestaan, waardoor men wordt meegedragen naar een nieuwere, ruimere en voor het ik betere wereld.

Een wijsgeer heeft eens gesteld, dat de bijgelovigheden van de mensen niets anders zijn dan een uitdrukken van hun onbegrip voor de werkelijkheid, die zij ondanks zichzelf met hun bijgeloof erkennen. Deze vaststelling ligt m.i. zeer dicht bij de waarheid. De oude inwijdingen waren immers gebaseerd op angst en het overdrijven van het angstwekkende in leven en geest. Verder hielden zij een beproeving van de moed en wilskracht in, zodat zij de persoonlijkheid van de mens juister deden beseffen, ook door hemzelf. Daarnaast werden zijn kennis, zijn kenvermogen en weten steeds weer beproefd, ofschoon de hoofdbeproeving altijd weer neerkomt op een testen van het eigen vermogen om harmonisch te zijn met zich en de wereld ondanks alle verschijnselen. De op zich zinloze schrikaanjaging, de beproeving, de offers tijdens de inwijding, hadden dus wel degelijk een goed en door de bewusten ook wel degelijk beseft resultaat.

Ook in deze dagen komen dergelijke dingen voor. Men beseft alleen hun werkelijke betekenis niet. De wereldpers heeft zich enige tijd geleden algemeen lustig gemaakt over de bijeenkomsten van de Hindoes, die de wereldondergang vreesden en deze wilden voorkomen door hun offers van boter en gerst, hun gebeden. Men is voorzichtig geweest tot de fatale datum. “Er zou eens iets van waar kunnen zijn”. Daarna heeft men uitgeroepen: “Nu ziet men eens, waartoe bijgeloof al niet kan voeren”. Maar zij hebben geen aandacht geschonken aan typische verschijnselen, die met deze angst gepaard gingen. Allereerst zijn – sinds de gevreesde datum – de onverwachte ontwikkelingen en gebeurtenissen op aarde aanmerkelijk toegenomen. Sinds die bewuste dag zijn er steeds meer conflictwaarden op aarde geschapen. De mensen, die zich gered voelen van een totale ondergang, kunnen dit alles gemakkelijk aanvaarden en zullen de nieuwe kracht, die voor vele ontwikkelingen toch verantwoordelijk gesteld kan worden, gaarne en zonder voorbehoud aanvaarden, want zij zijn immers in hun gedachten ondergegaan en a.h.w., herboren in een nieuwe wereld, waarin elke dag en elke waarde van het leven een geschenk is, zodat men tevreden kan zijn met al, wat komt.

Dit betekent, dat degenen, die aan hun bijgelovigheid bijna ten gronde gingen, door alles, wat zij doormaakten, nu beter dan de meeste andere mensen in staat zullen zijn de nieuwe invloeden en krachten te aanvaarden, zodat deze voor hen een levenskracht en een impuls tot nieuw leven en werken wordt, die alle lachers op de wereld niet bezitten. Toch is deze aanvaarding van de feiten en de ontwikkelingen noodzakelijk, wil men in de wereld van heden resultaten kunnen behalen en op de juiste wijze harmonisch voortbestaan.

Bijgeloof is wel een vreemd verschijnsel, waaraan heel wat meer kanten zitten, dan men gemeenlijk pleegt te beseffen. Ook zal het bijgeloof soms vermomd zijn als deel van een wetenschap, of deel van een geloof. Neem bv. de astrologie. In de astrologie ligt heel wat bijgeloof. U vindt het erg, dat ik dit durf te stellen? Toch is het waar. Een van de grootste misvattingen, die er bestaat, is bv., dat de astrologie is gebaseerd op de feitelijke beweging van sterren en planeten aan de hemel. Iets, wat niet waar is. De astrologie is gebaseerd op geestelijke krachten en krachtcentra, die vroeger door de mensen met planeten en sterren wel vereenzelvigd werden, maar in feite toch daarvan onafhankelijk bestaan. Nu kan de astroloog wel degelijk bepaalde tendensen en optredende impulsen berekenen. Soms kan hij zelfs zeer juist bepalen, wat er aan werkingen optreedt. Maar hij mag nooit trachten deze inwerkingen om te zetten in een eenvoudig voorschrift. Dan ontstaat dwaasheid en bijgeloof gelijktijdig. Dan horen wij bv.: Vandaag treedt een driehoek op tussen Venus, Mars en Jupiter. Men neme dus zoveel geduld, voege daarbij zoveel daadkracht en wage een gokje. Dan zal men met grote successen de dag beëindigen…. Zodra de astrologie dergelijke recepten gaat geven, is zij inderdaad niets meer dan bijgeloof en kolder.

Bezie nu echter de ontwikkelingen van de astrologie. Uit de verkeerde stellingen en bijgelovigheden van het verleden, waarin men meende, dat planeten en sterren niets anders zijn dan hemelse wezens, die rondzwerven door de hemelruimten, terwijl de mens alleen hun ogen kan zien, kwam men tot het besef, dat er materiële lichamen aan de hemel staan, terwijl er daarnaast – en niet zichtbaar voor de mens – geestelijke krachten bestaan, die invloed op de wereld hebben. Verder heeft de ervaring bewezen, dat deze geestelijke krachten zich op aarde uiten op een wijze en in een ritme, die het mogelijk maakt ook hen te beschouwen als hemellichamen, die in verschil met de stoffelijke sterren enz. een t.a.v. de aarde vaste plaats innemen en t.a.v. die aarde vaste en onveranderlijke banen beschrijven. Wat de mensen denken van de astrologie, is vaak bijgeloof. Maar de esoterische waarheid, die uit deze bijgelovigheid voortkwam, evenals de geestelijke of magische wetenschap, is wel degelijk werkelijk.

Zelfs in de dagen, dat de mensheid van deze ware toestanden niets afwist, heeft hij reeds – dankzij zijn bijgeloof – eigenlijk iets kunnen bereiken, wat zonder dit niet bereikbaar lijkt: Een inzicht in de kosmische invloeden op zijn levenspad, gepaard gaande met de mogelijkheid in het leven steeds weer rekening te houden met de invloeden uit de geestelijke werkelijkheid en zo ook stoffelijk de meest juiste weg te kiezen. Herinner u nu even, wat ik zo-even over de oude inwijdingen heb gesteld. Voeg hierbij al, wat ik over het bijgeloof in de astrologie naar voren bracht. Dan komt u automatisch terecht in de wereld van het zuiver magische. Wanneer ik een bepaalde en willekeurige geest veronderstel en deze bij name noem, hem uitzendende om een taak voor mij te vervullen, zo kan ik er zeker van zijn, dat in 99 van de 100 gevallen deze geest niet werkelijk bestaat. Maar de werkingen, die ik – door middel van de niet werkelijk bestaande entiteit dus – tot stand wil brengen, komen desalniettemin tot stand. Het resultaat is, alsof de geest, de entiteit, wel bestaat. Dit is schijnbaar onmogelijk, doch kan op de volgende wijze worden verklaard: Omdat ik in mijzelf de mogelijkheid schep, door aanvaarding en concentratie, bepaalde hogere krachten actief te maken, zal ik voor mijzelf ook werkingen en krachten, die ik niet besef, in werking kunnen stellen door middel van het op zich niet ware beeld. Verder zal ik, in mijn geloof aan de geest of entiteit, een brandpunt scheppen in mijn gedachten, waarop andere krachten gericht kunnen worden. Of dit nu een kracht is, die ik vanuit mijzelf zend, dan wel een kracht, die ik van elders wek of verkrijg, is onbelangrijk – althans volgens vele magische opvattingen – omdat het begeerde resultaat wordt bereikt.

Een mens, die zich volledig bewust is van alle waarden in het Al en alle mogelijkheden, die ook voor de mens en de menselijke geest bestaan, zal daarom in de ogen van zijn medemensen soms buitengewoon bijgelovig schijnen, zonder dit in feite te zijn. Iemand, die beseft, welke mogelijkheden er bestaan voor de menselijke geest, zal wel degelijk geloven in de mogelijkheden en verschijnselen van goena-goena en voodoo. De bewuste zal zich vaak bezighouden met velerlei bezweringen, die in de ogen van anderen vreemd zijn. Hij heeft begrip voor de werkelijke waarde van symbolen, al gelooft hij niet, dat je zonder meer met een heiligenprentje veeziekten kunt voorkomen en met een schietgebed zonder meer je verloren portemonnee terug vinden zult. Veel van hetgeen de bewuste doet, zal in de ogen van de z.g. redelijke mensen dwaas zijn. Maar gedachten zijn krachten, die tot uiting kunnen komen in de ons allen omringende levenskracht. Rond ons is het Al, dat gevuld is met een energie van een groot-orde en een vermogen, zo groot, dat dit voor mensen niet voorstelbaar is. Onze gedachten zijn nu onder omstandigheden in staat bepaalde delen van die energie te activeren en zo een stroming daarvan te veroorzaken in overeenstemming met die gedachten. Hoe wij deze krachten in werking stellen, is dan minder belangrijk, zoals het ook niet belangrijk kan worden geacht, op welke wijze wij de gedachten concentreren. Wanneer de resultaten maar goed zijn, is de methode van minder belang.

Laat ons nu verder nog eens stellen, dat er in het Al vele werelden bestaan. Sommige van die werelden zijn bv. werelden van de stof en geest, die in hetzelfde vlak liggen. Andere werelden zullen weer door enkele momenten van de tijd van elkaar gescheiden zijn. Dan zijn deze werelden van uw eigen wereld in hoofdzaak gescheiden door het bewustzijnsverschil, dat het onmogelijk maakt tijdens een verblijf in de ene wereld de andere als geheel werkelijk te  erkennen en waar te nemen.

Men kan de waarheid van bepaalde zaken niet in de stofwereld erkennen, omdat de menselijke vermogens nu eenmaal weigeren voor het bewustzijn ook maar een enkele waarde van de andere wereld te registreren. Door het bijgeloof, door een volgens eigen wereld geheel zinloos aanvaarden van iets, kan men voor zich een conditie van ontvankelijkheid creëren, waardoor men krachten, waarden en mogelijkheden kan beseffen van andere werelden dan de eigen.

Ook kan men contact krijgen met de werelden van de geest, met verschillende sferen, ook wanneer de redelijke mensen dit alles alleen maar middeleeuws bijgeloof noemen. Het is voorval dit laatste aspect, wat mij er toe bracht op vrijdag de dertiende bepaalde aspecten van het bijgeloof eens met u te bespreken en de werkelijke mogelijkheden en waarden daarvan voor u te analyseren. Hoe verder wij gaan met deze materie, hoe moeilijker het blijkt om een volledig overzicht van deze materie en een voldoende juiste analyse van alle verschijnselen te geven.

Daarom wil ik mijn onderwerp besluiten door op eenvoudige wijze de waarden, die in alle bijgeloof liggen, duidelijk te maken.

Elke gedachte, die in mij leeft, is een kracht, die werkzaam zal zijn in het totaal van mijn wezen. Elke gedachte, die ik bij voortduring kenbaar zal maken in de wereld, waarin ik leef.

Overal, waar mijn gedachte niet gebonden of gevormde krachten, dan wel niet gevormde fijnere materie ontmoet, zal de gedachte – zij het tijdelijk – haar eigen inhoud en tendensen daaraan opleggen.

Ten tweede kan de mens stellen: Ik ben – al dan niet bewust – een blijvend deel van het heelal. Daarin heb ik een vaste plaats, terwijl geheel mijn leven daarin een vaste betekenis en zin zal hebben. Al, wat ik zelf binnen het Al doormaak, kan grotendeels door mijzelf worden bepaald en is in ieder geval aan mijn persoonlijke waarden onderhevig. Hetgeen ik als geheel beteken en de gehele weg, die ik binnen het Al afleg, zullen door de kosmische krachten zelf bepaald worden en kunnen vanuit mijn standpunt worden gesteld een ingrijpen buiten mijn eigen wil of vermogen om te representeren van de Alkracht, of facetten daarvan als bv. hoge en lichtende geesten.

Ten derde zal men kunnen stellen, dat, door het juiste denken, een zekere harmonie en overeenstemming met bepaalde delen van de Alkracht, of bepaalde hoge en lichtende krachten tot stand kan komen, waaruit de eigen werkelijkheid – het persoonlijk beleven van de kosmische werkelijkheid – aanmerkelijk gewijzigd kan worden. Alles is op deze wijze mogelijk, mits het in overeenstemming blijft met de Goddelijke wetten en het Goddelijke Scheppingsplan. Elke harmonische waarde, die men in zichzelf schept – ongeacht het punt van uitgang – kan dus gebruikt worden om tussen het ego en de kosmische kracht, of delen daarvan, een harmonie te doen ontstaan, waarin men zich sneller van zichzelf en de kosmische werkelijkheid rond dat ik bewust kan worden. Verder zal men voor zich daarin grotere mogelijkheden en krachten vinden om juist te leven.

Alle bijgeloof en alle geloof, alle vertoon en omschrijvingen van waarden, die niet werkelijk bestaan, of niet bestaan, zoals men ze aanneemt, kunnen dientengevolge toch nuttig en bruikbaar zijn. Als punt van concentratie brengen zij de gedachten in focus. Daardoor is een harmonie met omschreven en daardoor voor het Ik ook merkbare en bruikbare delen van het Al mogelijk. Door het volgen van deze gedachten zal men ontdekken, dat de gestelde waarden niet juist waren, maar gelijktijdig zal men de weg vinden om volgens de waarheid het begeerde en/of noodzakelijke te bereiken. Zeker is, dat in alle gevallen het denken zelf, de inhoud van de gedachten en de wijze, waarop deze door wil of begeerte gericht worden, bepalend zal zijn voor de gevolgen, ongeacht het al dan niet juiste punt van uitgang. Bovendien vestig ik de aandacht er op, dat niet in de eerste plaats de redelijkheid, of de juistheid van de gedachte van belang is, waar haar werking bepaald zal worden door de intensiteit, waarmee de gedachten worden ondergaan en de overgave, waarmee zij binnen het Ik worden beleefd. Waar dit alles binnen geloof en zelfs bijgeloof in meerdere mate het geval pleegt te zijn, dan bij wetenschap en redelijk denken, zullen deze beide waarden dus, zover het kosmische harmonieën betreft en de werkingen van de kosmos, belangrijker zijn, dan de mens ooit zichzelf toe durft te geven.

Gebruik te maken in het leven van de juiste krachten en de juiste vormen van energie te doen ontstaan, is iets, wat men door ervaring leert. Wie dit eenmaal geleerd heeft, weet, dat hij daarin alleen reeds een machtsmiddel bezit, dat hem binnen de wereld, waarin hij leeft, zekerheid en veiligheid zal geven, terwijl het hem gelijktijdig mogelijk zal zijn voor anderen – binnen eigen besef – op eigen wereld – of in andere sferen – veel ten goede te doen.

De mens, die met zijn bijgeloof de verkeerde kant uitgaat, denkt vaak, dat hij wraakzuchtig mag zijn en zal zijn magie en bijgelovige procedures hierop richten. Daarmee zal hij een  kracht scheppen, die zo sterk aan zijn eigen wezen gebonden is, dat zij altijd weer op hem zelf terug zal slaan. Wie rechtvaardig en liefdevol is, zal nooit een terugslag van uitgezonden gedachtekracht en gebruikte kosmische krachten kunnen ondergaan, omdat hij krachten uit het Goddelijke in overeenstemming met het Goddelijke gebruikt. Ook dit mag men in deze dagen niet uit het oog verliezen. Wanneer anderen bijgelovig zijn – of uzelf misschien bijgelovig bent – zo mag u daarover heus wel eens glimlachen, maar vergeet niet, dat bijgelovigheden en de schijnbare irrationaliteit van handelen en denken bij de mensen rond hen condities zullen scheppen, waaraan zij zich niet kunnen onttrekken. Menigeen zal vanuit kosmische, maar door hem niet besefte krachten, verwerkelijkingen ondergaan van beelden, die hij zelf heeft geschapen.

Daarom is het belangrijk, dat men zowel in het dagelijkse leven, als in de grote waarden van geloof en kosmische wereld, alle bijgeloof tracht te vermijden, evenals elke concentratie van gedachten, tenzij deze dingen voeren kunnen tot directe werkingen in meer positieve zin. Ook het geloof dient men te vermijden, tenzij het innerlijk zekerheid geeft en innerlijk besef van harmonie. Ontdekt men, dat iets zin heeft voor het ik – onverschillig of dit nu valt onder weten, geloof, of bijgeloof – geef ik u de raad onmiddellijk daarmee te gaan werken. Wanneer men begint deze waarden, die binnen het ik werkzaam blijken, ook in het eigen leven en werken te gebruiken, zal men immers al snel bemerken, wat daarin werkelijk waardevol is en wat daarvan zonder meer terzijde gesteld kan worden. Misschien zult u grote delen van uw weten, uw geloof, of uw bijgelovigheden, uiteindelijk terzijde moeten stellen, als niet waar en niet doelmatig. Maar dan heeft u ondertussen een innerlijke harmonie en waarheid gevonden, die in een tijd als de huidige, voor uw eigen wezen van buitengewoon groot belang geacht moet worden.

Vragen

  • Bij de Orde van de Kousenband, bij de instelling door Edward-III, bestond de groep uit de koning en 12 ridders, dus 13 personen. Later is – naar ik meen – dit uitgebreid tot 13×13.

Over de geschiedenis van de Orde van de Kousenband kan een verschil van mening bestaan. Algemeen is alleen de ridderlijke legende van haar ontstaan bekend. Minder bekend is het feit, dat bepaalde vormen en kleuren van een kousenband voor dames worden gedragen als teken van hun behoren tot bepaalde magische gezelschappen, of – in sommige gevallen – aangaven, dat de dames in kwestie – tijdelijk of blijvend – lichte zeden huldigden. Naar ik meen, is het ‘Honi soit, qui mal y pense’, niet alleen uit ridderlijkheid voortgekomen, maar uit een poging de dame in kwestie en de groep, waartoe zij behoorde, te dekken. Op de keper beschouwd, werd eigenlijk geen Orde van de Kousenband ingesteld, maar werd de kousenband gemaakt tot kenteken van een reeds bestaande groep – waartoe de vorst behoorde – terwijl de regels van de Orde een dekmantel werden om de bijeenkomsten enz. van deze groep zo openlijk mogelijk en voor anderen aannemelijk te maken. Ofschoon men dit op het ogenblik liever niet meer toegeeft, moet m.i. dit als de juiste historische achtergrond van de stichting van de Orde beschouwd worden.

Overigens speelt het getal 13 bij de middeleeuwse magiërs een belangrijkere rol, dan men nu pleegt te beseffen. Ook bij de zwarte magie was dit het geval. De z.g. zwarte mis werd bij voorkeur gelezen op de 13e van de maand, bij voorkeur op een zaterdag en bij volle maan, in een gewijde kerk of kapel. De plechtigheid begon als de klok 12 had geslagen, waaraan men zelf een klepelslag toevoegde, zodat het dertiende uur aangebroken was. Ofschoon het aantal aanwezigen bij dergelijke plechtigheden uiteenloopt, was een ieder van de aanwezigen lid van een groep van 13.

  • De kousenband had toch zelf ook een betekenis?

Een kousenband kon – door kleur en daarop aanwezige versieringen – het behoren tot een bepaalde groep inderdaad aangeven. Een bepaalde kleur rood met zwart bv., versierd met een maan of een bok, gold als teken van satanisten. Helderrood met wit en een ster of zon – ook wel oog – gold als teken van bepaalde wit-magische groepen. Het gestelde zal daarom, zover het het verleden en de oprichting betreft, wel juist zijn. Wij moeten voorzichtig zijn dit ook voor deze dagen te stellen, omdat de Orde sindsdien haar stellingen aanmerkelijk gewijzigd heeft. Naar ik meen, zullen zelfs onder de ridders van deze Orde, nog maar zeer weinigen weten, waaruit zij is voortgekomen.

  • Dertien heeft toch ook een andere betekenis? Twaalf apostelen plus de Christus, die misschien zelf weer tot een andere groep van 12 behoorde.

Daarin heeft u gelijk. Wij gaan dan echter een kant uit, die voor het aanwezige gezelschap wel wat té zeer esoterisch magisch is. Wij komen dan bij het bekende 12×12 of 144; 144 is n.l. ook het getal van een inwijdingsschool. Deze kent een raad van 12, waarnaast inderdaad ook groepen van 12 zouden bestaan, waaraan dan steeds een lid van de raad als 13e is toegevoegd. De raad zelf erkent de kracht van de kosmische God als leidende kracht, beroept zich hierop steeds en vergadert dus steeds met de scheppende kracht als 13e in hun midden. Deze raad zou zich beschouwen als de verwerkelijkende en openbarende raad van de levende God, Die voor hen de 13e is, het begin en einde van alle dingen. Daarom stelt men ook wel, dat 13 het getal is van de volle leer, waarin leerlingen en meester één zijn.

In deze organisatorische getalsverhouding stelt men verder: De ene – meester – is de leer, de anderen zijn de wereld en zijn 3×4 of 2×6. Zo wordt bij bereiking door de groep 4 maal de openbaring Gods beseft: Stoffelijk persoonlijk, geestelijk persoonlijk, kosmisch persoonlijk en kosmisch. De groep brengt dan de kosmische eenheid tot uiting in de tegenstelling, ofwel 2 maal het menselijke. De bereikingen van de 12, de leerlingen, is zonder zin, wanneer zich daarbij niet steeds weer de 13e, de openbarende kracht, de kracht van het bewustzijn vanuit God, zich openbaart. In bepaalde magische formules treffen wij dan ook het getal 13 aan als heilig getal. In de zwarte magie treft men dit getal veel aan, maar hier wordt toch ook gewerkt met de getallen 7, 9 en 10. De 9 en 10 spelen ook in de heksencovens  een rol: de 9 heksen en hun meester. De negen heksen zijn vrouwen, de 10e is een man, die in plechtigheden de rol speelt van de satan, de meester van alle heksen. Het heksengeloof is feitelijk een milde vorm van middeleeuws satanisme, voortgekomen uit natuurverering. Er is dus geen sprake van duivelsaanbidding door de heksen, zoals de leken vaak menen, maar is eerder een verering van de natuur in de vorm van de grote Pan. Dit heeft niets te maken met de grote bok van Mendes. De heksengebruiken stammen uit een verering voor bepaalde krachten in de natuur en het gebruik maken van bepaalde mogelijkheden en krachten in de natuur, die door de kerk voor demonisch en satanisch werden verklaard.

  • Ik meen, dat in elke religie veel bijgeloof zit en in elk bijgeloof veel godsdienstigheid.

Mooi gezegd. De meeste religies zijn niets anders dan een samenspel van bijgelovigheden, die de mens voor zich nodig heeft om het erkennen van de grote waarheden, waarop de religie gebaseerd is, voor zich mogelijk te maken, zonder zich aan het verwerkelijken van deze waarheden geheel gebonden te willen achten. Dit klinkt misschien wel scherp, maar is feitelijk waar. Laat ons ter vereenvoudiging de normale betekenissen van de begrippen aanhouden en stellen: Bijgeloof is al datgene, waarvan de werkelijke zin ons niet bekend is, maar door ons als een soort magisch middel om het ik te beschermen of te bevoordelen gebruikt wordt. Al, wat uit een bewust erkennen van alle leven voortvloeit, zullen wij – ongeacht de vormen, die het aanneemt – geloof noemen. Ik mag u wel verklappen, dat bij ons in de geest niet iedereen even goed te spreken is over de godsdiensten op aarde. De reden hiervan is, dat vele van deze godsdiensten een leer verkondigen, die zij door hun eigen praktijken onmogelijk te verwerkelijken maken. Wanneer u in deze christelijke maatschappij zou willen proberen als een waar christen en geheel volgens de leer van Jezus te leven, zou u de keuze hebben tussen de gevangenis, het gekkenhuis en het buitenland.

  • Maar godsdiensten wijzigen zich toch?

De nadruk in een geloof wordt vaak opeens geheel anders gelegd, dat is waar. Volgens mij is dit niet aanvaardbaar, wanneer dit geloof gelijktijdig beweert de enige en onfeilbare of volmaakte waarheid te zijn. Ik stel, dat, zo ik Jezus leven en leer als een dergelijke waarheid beschouw, voor mij Maria en Haar leven verder van weinig of geen belang zal zijn.

Het gaat immers niet om de personen, die eens leefden en hun waarde in het Al, maar om een leven, dat beantwoordt aan Jezus leer en leven. Dát is het enige, wat er werkelijk op aan komt. Het heeft geen zin mij druk te maken over de vraag, hoe een engel er uit ziet, of er een hemel of een hel bestaat enz. Het bouwen van kerken enz. kan mij onverschillig laten. Het enige, wat voor mij belangrijk is, blijft steeds weer dat ik, levende volgens Jezus leer, de innerlijke harmonie met het Al bereik, die Jezus het Koninkrijk Gods noemt, wanneer ik dit bereikt heb, zo staat er immers in de evangeliën geschreven, zal mij al het andere toegeworpen worden? Al het andere is voor mij van geen enkel belang.

Men kan niet stellen, dat hetgeen Jezus van Zijn volgelingen eist, voor een normaal mens onmogelijk is, omdat Jezus Zelf door Zijn leven en werken, evenals overigens vele christenen in verschillende eeuwen, aantoont, dat een werkelijk leven volgens Jezus’ leer wel degelijk mogelijk is. Menigeen verontschuldigt zich onmiddellijk, wanneer je dit naar voren brengt, met de woorden: “Maar Hij was God”. Dit punt wordt op die manier ook bijna bijgeloof. Niet zozeer, omdat het niet waar zou zijn, maar omdat men aan de betekenis daarvan tracht te ontkomen en het argument alleen gebruikt om te voorkomen aan de noodzaak beter te moeten leven, dan men eigenlijk wel wenst.

De grens tussen geloof en bijgeloof is inderdaad vaak erg vaag. Wij weten ook, dat geloof – en veel wat men bijgeloof noemt – bruikbaar is, wanneer men grote geestelijke bereikingen nastreeft en een vergroting van het eigen contact met God en de kosmos zoekt. Ongeacht de feitelijke waarheid van hetgeen men gelooft, mag ik dan ook wel stellen, dat vanuit een waar geloof en een eerlijk beleefd bijgeloof voor de mens een bereiken van juiste inzichten en een deel hebben aan grotere waarheden mogelijk wordt. Dit is een van de belangrijkste punten van mijn betoog. Ik besef, evengoed als u, dat bijgelovigheden in vele gevallen dwaas kunnen zijn. Maar wanneer je eenmaal weet, wat je doet, kunnen vele gebruiken, die voor een ander bijgeloof schijnen, je toch helpen een juistere harmonie met de kosmos te vinden.

  • U sprak alleen over het getal 13. Er zijn toch meerdere getallen, waaraan men een bijzondere waarde pleegt te hechten?

Inderdaad, er zijn verschillende cijfer-leren. Een van de belangrijkste is wel de kabbala, die niet alleen rekent met getalswaarden, maar daarnaast het begrip letterwaarden hanteert. Dit is begrijpelijk, omdat in het Hebreeuwse schrift bepaalde letters tevens een getal uitdrukken. Indien dergelijke letters tevens deel uitmaken van een Godsnaam, of de combinatie van cijfers een heilige naam zou vormen, is het getal eveneens heilig, zelfs indien men het normaal in cijfers uitdrukt, omdat het immers geschreven zou kunnen worden als de heilige naam. Men gebruikt overigens de getallen om door het hechten van willekeurige betekenissen daaraan, voor zich een eenvoudiger voorstelling van de kosmos en kosmische verhoudingen te kunnen verkrijgen. Binnen een systeem zijn de waarden weliswaar gefixeerd, maar daarom oorspronkelijk nog niet zonder willekeur gekozen.

Werkelijke waarde verkrijgen getallen eerst, wanneer zij niet alleen een getal zonder meer zijn, maar er een waarde of begrip daaraan is toegevoegd. Voorbeeld: Een vloekformule, die spreekt van 7x7x7 betekent niets. Wanneer echter wordt gesproken over een vloek, die 7×7 generaties zal treffen, heeft de formule inhoud en betekenis. Wanneer ik Gods zegen over de 3 afroep, zegt dit niets. Indien ik Gods zegen afroep over de 3 krachten, die de mens bezielen, roep ik Gods zegen af over de mens in stoffelijke vorm, in zijn geestelijke voertuigen en de ziel. Zolang ik de betekenis van de getallen in mijzelf ken, kan ik eenvoudigheidshalve de definitie achterwege laten. Het getal dankt dan zijn inhoud aan hetgeen ik daaraan heb toegevoegd. De getallen worden dan ook eerst heilig enz. door de waarde, die er aan wordt toegekend. En zelfs deze waarde zal een weergave zijn van een kracht – of krachten – die werkelijk in de kosmos bestaan. Dan krijgen wij bv.: 3 = drie-eenheid enz.. De kabbala leert ons verder nog, dat betekenissen onder bepaalde voorwaarden verwisselbaar zijn, terwijl verschillende begrippen eenzelfde getal kunnen hebben.

In het oude Assyrische systeem blijkt men getallen en hun betekenis te binden aan bepaalde parallellen. Voorbeeld: zeven. Dit getal is het aantal graankorrels door een vogel opgepikt. Gezien de wijze, waarop deze korrels werden gegeten, binnen het kader van een graanorakel, zal het getal nu kunnen gelden voor de graanoogst, de verstrekker van het graan, de vorst en de Schepper of Schenker van het graan, de aarde, of de Godheid der aarde. Het getal is dan heilig. Elk orakel, dat op dit getal 7 gebaseerd is, zal dus op alle genoemde waarden van toepassing zijn. De kernwaarde: Levenskracht. Deze ligt in het graan, wordt geuit door de vorst – vaak als Godheid beschouwd – en komt voort uit de aarde en de hemelgoden. Zeven gevolgd door 0 kan in een dergelijk geval betekenen, dat allen, die graan verwerken door de toevoeging van het begrip eeuwig of oneindig – de cirkel of nul – een goede week zullen hebben. In een vorstenorakel kondigt het een overwinning van de vorst aan, getrokken op de Goden zelf, geeft het aan, dat het komende jaar bijzonder vruchtbaar zal zijn. Hierbij is het toekennen van waarden aan getallen dus ondergeschikt aan het punt van uitgang.

Er zijn nog vele andere systemen. Elk van die systemen op zich is in feite bijgeloof. Door het gebruiken van de juiste associatietechniek komt de mens met behulp van zijn verschillende getallensystemen zo dicht bij de kosmische werkelijkheid, dat een groot deel van de berekeningen, die men maakt, inderdaad zin zullen hebben en uit zullen komen. De heiligheid van een getal is steeds afhankelijk van de gevormde associatie. Hetzelfde geldt voor z.g. slechte of demonische getallen.

Esoterie

Vormen van wijsheid

Met u wil ik spreken over vormen van wijsheid en uitspraken, die ten dele zeer oud zijn, ten  dele van meer recente datum. Ik baseer mij daarbij op spreuken.

“Het lichte leeft. Waar ik het licht erken, ben ik licht. Waar het lichte leeft en ik slechts het duister wil kennen, is de duisternis mijn meester en ben ik slaaf van het ongeuite”.

Deze spreuk komt voort uit een begrip omtrent de eenheid van een oude Aziaat. Hij erkent de volheid van licht en leven, maar erkent tevens, dat hij voor zich deze volheid vanuit zichzelf tot werkelijkheid moet maken.

Een recentere spreuk past hierbij wonder juist aan:

“Indien ik slechts schouw naar de demonen rond mij, leef ik in een hel. Indien men durft te schouwen naar alle lichtende krachten, die zich rond het Ik openbaren, zo wordt de wereld een herboren Eden en is het hemelrijk voor de blik en de mensen geopend”

De mens, die in zichzelf wel de waarheid zoekt, maar buiten zich alleen aandacht heeft voor het duistere, het slechte en naargeestige, schept zich een hel. Door deze buitenwereld zal immers binnen het Ik een reeks van problemen ontstaan, waaraan men niet kan ontkomen. De mens, die rond zich het lichte durft erkennen, in en rond zich de ware vreugde en krachten des levens durft aanschouwen, zal beseffen, dat de scheppende kracht zelf zich ook binnen het leven van zijn dagen en wereld voortdurend manifesteert. Hij ziet rond zich zovele krachten, vreugden en mogelijkheden, dat hij zich steeds weer gevoelt als een mens, die wandelt met God en binnentreedt in een koninkrijk, waarin geen werkelijk leed meer kan bestaan.

Ik heb deze beide spreuken genomen als een kort en duidelijk begin van mijn beschouwing over esoterie, want het is niet alleen een zoeken naar het innerlijk, dat de esoterische bewustwording mogelijk maakt. Het is bovenal de wijze, waarop men zoekt, die bepaalt, wat men in zichzelf vinden zal. Wanneer ik in mijzelf slechts zoek naar al, wat in mij niet aanvaardbaar, in mij slecht en verwerpelijk is, zo vind ik in mijzelf slechts neerslachtigheid. Dan leeft er in mij zoveel duister, dat ik moet overwinnen, dat het licht door mij niet meer beseft wordt, zodat het mij lijkt, of het voor mij gedoofd is.

Bruggen van licht bouwt de hemel een ieder, die in zich de harmonie met de eeuwige kracht kan aanvaarden. De oude sterren schijnen opnieuw en de oude tekenen hebben nieuwe waarden gekregen. Want ziet, de kracht, die uitging en de rassen heeft geschapen, de een na de ander, keert terug en zal zijn werk herscheppen. Deze spreuk is een zeer recente uitspraak van een groot wijsgeer in N-India. Er zijn altijd weer golven van bewustzijn en beschaving. Elk daarvan kent eigen waarden en draagt voor de mens eigen eigenschappen en kwaliteiten. Elk heeft ook zijn eigen mogelijkheden, maar elke golf wordt ook beheerst door de krachten van het licht. Wanneer de tijd is gekomen, zal het licht zich steeds weer opnieuw op aarde manifesteren. Dit betekent dan, dat er een einde komt aan een oud ras, dat een nieuw ras de wereld gaat overheersen. Tevens betekent het verder, dat allen van het oude ras, die de vernieuwing en verandering kunnen aanvaarden, zullen worden opgetrokken tot een nieuw bewustzijn, een nieuwe kracht en een nieuwe beleving.

Wij mogen niet stellen, dat ons ras, ons volk, of onze wereld, de enigen zijn. Ook mogen wij niet stellen, dat ons begrip van waarheid de gehele werkelijkheid omschrijft. Eerst indien wij beseffen, dat wij de voorlopers zijn van een nieuwere en meer volmaakte mensheid, dat ons geestelijk streven niets anders is dan een voortgaan in de richting van een geheel nieuwe bereiking en geheel nieuwe mogelijkheden, zullen wij in onszelf werkelijk bewust kunnen groeien en ons eigen wezen geheel kunnen beseffen. In de oudheid stelde men eens het volgende: Zoals de ziel uitgaat van het licht en de vele werelden doorlopende, de aarde beroert, om vandaar – wederom gaande door vele werelden – tot het licht zelf terug te keren, zo gaat het ook met de zielen van volkeren en het wezen van de planeten. Want ook deze waarden stammen uit het licht, gaan door vele werelden en erkennen in elke wereld steeds weer zichzelf, tot het licht uiteindelijk bereikt is.

“Wee hem, die zichzelf niet erkent en niet streeft naar het licht, zij hij mens, volk, of planeet. Want zodra het werkelijk lichte deze benadert, zal hij de ogen sluiten en als verdoofd niet meer beseffen, hoe hij is en waar hij vertoeft, zo verblind uitgaande naar een nieuwe gang door alle werelden. Gezegend de held, die – strijdende voor de waarheid – in zich al durft aanvaarden, al wat hem geschiedt en uit dit alles voor zich het licht weet te puren, want hij aanschouwt zijn bron en doel tegelijk. Wetend is hij deel van een volmaking en een bereiking”.

De vertaling is van mij, de spreuk is zéér oud. Geldt zij niet waarlijk zowel in uw dagen als in vervlogen tijden? Niet alleen ons strijden en zoeken naar innerlijk bewustzijn is van belang.

Belangrijker haast nog is de moed, om de werkelijkheid steeds weer onder ogen te zien. Het is de moed, die men moet bezitten, om in staat te zijn zelfs het geringste zelfbedrog terzijde te stellen; de moed, die nodig is om werkelijk te durven beseffen en inzien, wat al aan waarheid de mens wordt geopenbaard. Alleen daarin kunnen wij het bewustzijn vinden, alleen daaruit kunnen wij de ware voleinding van het eigen wezen bereiken. Een oud lied, dat in zich elementen draagt, die van uw tijd konden zijn, bezingt de weg van die ziel. Wij, in deze groep, zouden eigenlijk moeten zeggen: van de geest. Want het gaat hier om het bewustzijn.

Wanneer de geest voor zichzelf spreekt, zo schetst zij haar angsten en haar begeerten, evenals haar bereikingen.

“Ik ben gegaan door de landen van de wereld en ik heb mijn strijd gestreden. Gevallen ben ik op het slagveld. Uit de verwezing en verwording van het slagveld ben ik opgegaan naar ander bestaan; gedoold heb ik door vele werelden. Overal heb ik gezocht naar de waarheid, maar ik vond ze niet. Toen heb ik mijzelf gezegd: Dit alles baart geen waarheid. Daarom zal ik het verwerpen. Ik heb het verworpen en ziet: ik kon ingaan in een grote tuin van licht. Hierin zag ik Goden en Godinnen. Ik wilde tot hen spreken, maar hun namen had ik vergeten, want deze waren waan. Zo heb ik mij gezegd: Indien uw naam niet waarlijk deel is van uw wezen, bestaat u niet voor mij… En de tuin was weggewist. Er bleef mij duister. Ik zei mijzelf: Is er dan niets, wat voor mij waarlijk bestaat? Ik aanschouwde mijzelf, en toen sprak ik: Ook gij zijt een leugen…Toen bleef slechts een parelend licht, waarin ik mijzelf erkende, wetende, hoe ik deel ben van al het zijnde, niet meer vragen naar het Al, naar het lichten of doven van de sterren. Zo werd ik één met het parelende licht. En ingaande daarin erkennende alle dingen, wetende: Zo ik geboren wordt, is het mijn wil. Zo ik een taak vervul, zo is zij uit dit licht en mijn wezen gelijkelijk voortgekomen. Toen sprak ik tot mijzelf: Ga uit, opdat velen dit licht der waarheid mogen erkennen. Door vele levens ben ik gegaan. In vele levens heb ik gesproken, in vele levens heb ik gestreden, maar het licht heeft mij niet verlaten, want het licht der eeuwigheid leeft in mij en daarin ben ik vervuld en al”.

De mens zoekt het in het leven, in zijn strijd, zijn genoeg doeningen en vervullingen, maar telkenmale sterft er iets. De mens laat het verleden als een slagveld achter, waarop menig onaangenaam deel van het ik langzaam verteert en vergaat. De mens zoekt het daarna in de werelden van de droom, maar die werelden kunnen hem niet bevredigen, want in de droom is geen waarheid. Eerst wanneer men de waarheid omtrent zichzelf heeft beseft en aanvaardt en zelfs in dit erkennen geleerd heeft nog te zeggen: “De kracht in mij is het enige, wat waarlijk leeft, zo vindt men de voltooiing”.

image_pdf