Binnen en buiten

 ‘Geestelijke wetenschappen’ (hoofdstuk 6) – maart 1969

Binnen en buiten.

De mens is een complex samenspel van cellen, verschillende vochten en afscheidingen, elektrische prikkels, uitstralingen of velden; kortom, de mens is een kosmos in zichzelf. In deze kosmos zetelt een bewustzijn, dat zich per cel of per groep cellen kan uitdrukken, maar dat zichzelf alleen beseft als geheel.
Buiten de mens bestaat een kosmos. Deze kosmos is opgebouwd uit een groot aantal delen, in groepen samenkomend, die wederom door onderliggende stromen van kleinste delen verbonden of gescheiden worden, waarin grote stralingen voorkomen en magnetische stormen en velden een grote rol spelen. Elk deel van die kosmos heeft een zeker bewustzijn vanaf de mens via de planeten en de sterren tot de grote magnetische krachten en velden toe, ja, zelfs de stofwolken, die in de ruimte ronddrijven. Ook zij hebben een besef; maar dit besef wordt pas tot een werkelijk ‘ik’‑besef, indien het de totali­teit betreft.
Ik weet dat dit stellingen zijn, die niet iedereen zonder meer zal willen aanvaarden. Maar ik geloof niet dat dat veel ter zake doet, daar het mijn bedoeling is u duidelijk te maken hoe er een relatie kan bestaan tussen de innerlijke mens en de wereld buiten de mens, en daarnaast aan te tonen, voor zover mij dit mogelijk is, dat de wisselwerking, die tussen mens en kosmos bestaat, gebaseerd is op het deel‑zijn van de mens aan die totale kosmos.
In elk mens kennen wij bepaalde fluctuaties. De meest eenvoudige is de ademhaling en de polsslag. Daarnaast kennen wij energie‑ritmen. Wij kennen weekritmen, 10‑daagse, 28‑daagse en jaar‑ritmen. Datzelfde kennen wij in de kosmos.
Wanneer een mens innerlijk een bepaalde gesteldheid bereikt en er in die mens een bepaald evenwicht ontstaat, dan kan hij tijdelijk a.h.w. parallel lopen aan datgene wat er in de kosmos gebeurt. Is dat het geval, dan moeten wij ook aannemen dat de bestaande gelijkheid van waarden in die mens veel sterker wordt uitgedrukt dan in alle andere mensen. En hierdoor zouden verschijnselen die kosmisch optreden (of dit nu een kwestie van denken is, van invloeden, stralingen, velden of wat anders), mee in de mens tot uiting moeten komen.
Maar het omgekeerde zal eveneens kunnen plaatsvinden: De mens ontwikkelt innerlijk voor het totaal van zijn persoonlijkheid een bepaalde toestand, die door het ‘ik’‑besef in zijn hoogste waarde (het innerlijk ik) wordt bevestigd en beïnvloedt daardoor de kosmos rond hem.
Nu is de kosmos veel groter dan de mens. De invloed, die de kosmos op de mens zal hebben, zal dus totaler zijn dan de invloed, die de mens ooit op de kosmos heeft. Maar wij moeten toch een zekere gelijkheid of gelijkwaardigheid blijven accepteren. Per slot van rekening, omvang maakt misschien verschil in vermogen, indien wij zuiver technisch rekenen, maar gelijkwaardigheid schept toch, indien wij de omvang buiten beschouwing laten, een veel gro­tere relatie dan ooit in omvang kan worden uitgedrukt. Of om het anders te zeggen: Kwantitatieve verschillen kunnen naar buiten toe enorm belangrijk lijken; de kwalitatieve verschillen zijn in feite de meest bepalende.
Nu is de mens geneigd om zich wat anders te bekijken dan als een eenheid van vele cellen met daarin een centraal bewustzijn, dat niet geheel stoffelijk kan worden bepaald. Hij spreekt over zijn ego en is zich niet helemaal bewust van alles wat er in dat ego gebeurt. Alleen die delen, die door zijn wil bewust worden gebruikt of die bewust worden ondergaan omdat ze een grote verandering voor hem betekenen, die constateerbaar is, zal hij registreren. En deze zal hij altijd zien als een gebeuren, dat buiten hem ligt. Ik heb nog nooit een mens horen zeggen dat, wat er met hem gebeurt, alleen zijn eigen schuld is. Er is altijd wel iets anders. Zelfs als hij zich stoot aan een stoel, dan is het niet alleen zijn schuld maar ook van de stoel, die juist daar stond waar hij zich eraan kon stoten. Indien wij dat van een mens aannemen, moeten wij dat ook van de kosmos aannemen. Wij kunnen die kosmos natuurlijk wel God noemen of het totaal bewustzijn ervan. Maar dit totaal bewustzijn zal zich t.a.v. de interne processen net zo min bewust zijn als de mens zich bewust is van de interne processen in zijn wezen. De onverschilligheid voor veel van hetgeen er in het ‘ik’ gebeurt bij de mens, zal bij God ongetwijfeld worden weerkaatst. En dat betekent voor ons dus eigenlijk dat vanuit het standpunt van de materiële bevoertuiging (ik maak hier een beperking) God moet worden beschouwd vanuit menselijk standpunt als een soort parallel met het menselijke; en dat geeft ons een goede mogelijkheid om God te benaderen. Wanneer je in jezelf God probeert te benaderen, dan ga je altijd uit, niet alleen van de menselijke Godheid en vaak van jezelf, maar daarnaast ga je uit van iets wat qua eigenschappen beantwoordt aan mogelijkheden, die voor jezelf niet te realiseren zijn. Ik geloof dat je daar een fout maakt. God is ergens kwalitatief onze gelijke, ook als hij kwantitatief onmetelijk ver onze meerdere is. En als wij hiervan gebruik maken, dan komen wij vanzelf aan die punten van geestelijke wetenschappen, waarin de onbegrepen waarden van het ‘ik’ en van de kosmos een grote rol spelen.
Indien ik stel dat sterren invloed hebben op mensen, dan is dat dwaas zolang ik aanneem dat hier sprake is van een regelrechte en gewilde beïnvloe­ding. Maar ga ik uit van het standpunt dat een verandering van verhoudingen in de kosmos een zekere inductieve waarde heeft en dus in de mens mee tot uiting komt, dan zal elke verandering van de materie, vooral in de omgeving van de mens, van groot belang zijn en zal de massa, die die verandering onder­gaat, voor een deel bepalen in hoeverre de kwalitatieve werkingen op grotere afstand voor de mens nog realiseerbaar zijn.
Dan wordt astrologie dus eigenlijk een soort vergelijkingskunde en is zij niet meer een strikt mathematisch stelsel, gebaseerd op de astronomische waar nemingen. Hiermee komt men dus vanzelf dichter bij de gedachte dat in de hemelen te lezen staat wat er op aarde gebeurt. Indien er een harmonie ontstaat tussen een mens en een bepaalde kosmische toestand, zal de ontwikkeling van die mens beantwoorden aan de in de kosmische toestand optredende en waarneembare variaties. Dat klinkt allemaal erg ingewikkeld en moeilijk, toch is het heel eenvoudig.
Een maanfase verandert. Dat is vlakbij en eigenlijk is het alleen maar een verschil van straling. Toch kunnen wij nagaan dat menig mens t.a.v. één van de maanfasen een grotere gevoeligheid heeft dan voor andere. Er zijn mensen, die meer succes hebben bij afnemende maan en anderen, die meer succes hebben bij wassende maan. Er zijn mensen, die in een volle maanperiode ontzettend scherp denken, maar er zijn er ook die dat juist hebben bij nieuwe maan. U kunt dat voor uzelf nagaan en u zult dan wel moeten constateren dat er ergens een verbondenheid is. Doch die verbondenheid is dan alleen gebaseerd op een verschil in fase. Gaan wij nu verder, dan blijkt dat degene, die bij nieuwe maan scherp denkt, over het algemeen op dat moment juist technisch logisch denkt. Degene, die scherp denkt bij volle maan daarentegen, denkt gewoonlijk meer ideëel en abstract.
Waarom? Dat weten wij eigenlijk niet. Maar dat het zo voorkomt, is wel zeker. Iemand, die bij wassende maan de beste successen heeft, zal zelf kunnen constateren dat deze successen vaak liggen in handel, in invloeden die hij zelf enigszins beheerst. De mens, die de meeste meevallers heeft, die het best reageert als de maan afneemt, die zal moeten constateren dat hierin de toevalsfactor en het ingrijpen van anderen eigenlijk altijd weer de overheersende rol spelen. Daarmee kan men dan al zeggen: Ten aanzien van de sterren is ongetwijfeld een beïnvloeding aan de gang en deze kan, mits eenmaal beseft, worden gebruikt. Maar neem ik een beïnvloeding aan t.a.v. de maan, dan zal ik ook affiniteiten moeten erkennen met betrekking tot andere planeten, sterren of sterrenbeelden. Erken ik die, dan zal ook weer de gelijkheid van waarde t.a.v. een sterrenbeeld b.v. betekenis moeten hebben.
Als je in een levensjaar bent, waarin de geboorte‑constellatie zich zo’n beetje herhaalt (dus de zon in hetzelfde teken staat), dan zul je ontdekken dat je zeven jaren gaat aftellen. Dat is heel eigenaardig. In die zeven jaren begin je met eigen daadkracht; daarna met eigen denken; dan met wat invloeden uit de nabije omgeving en zo ga je verder. En dan op een gegeven ogenblik (dat is voor de mens meestal na zeven jaar) herhaalt zich de beslissingsmogelijkheid weer, maar nu in een versneld tempo. Het is dan alsof het sterrenbeeld weer dichter bij de geboorte-zon komt.
Wat er gebeurt, weten wij eigenlijk niet, maar wij kunnen constateren, dat het voor 99 van de 100 mensen wel klopt. Ze krijgen wederom een jaar, waarin ze zelf veel meer kunnen beslissen dan anders. En het jaar daarop blijken ze plotseling gebonden te zijn aan enorme drukte, die hen van alle kanten aanpakt. En vreemd genoeg, overigens in strijd met vele kabbalistische beweringen, blijkt dan dat, als het 12e jaar is bereikt (dus na 11 jaar), we dan weer de oude cyclus herhaald zien. Doch nu is de eigen cyclus van de mens verschoven.
Hier is dus een zekere analogie tussen het gebeuren buiten de mens en het gebeuren in de mens. Want niemand van u zal toch willen geloven dat alleen de plaatsverandering van een paar sterren aan de hemel bepalend zal zijn voor uw mogelijkheden. Die mogelijkheden komen van binnenuit. Maar u reageert op de omstandigheden, die er buiten u bestaan; en naarmate die omstandigheden meer harmonisch zijn, brengt u bepaalde facetten van uw wezen scherper naar voren.
Hier hebben wij nog altijd te maken met dingen, die betrekkelijk stoffelijk zijn. Maar de omgeving van de mens is niet alleen maar uit te drukken in ma­terie. Er zijn rond u stralingen, lucht‑elektrische potentialen, magnetische velden, storingen, emissies van het een of ander kleinste deeltje met grote snelheid door een ster of iets anders. En al die dingen hebben ook invloed, zoals in u uw zenuwstelsel invloed heeft. Nu is het vreemde dat deze half­stoffelijke (we zeggen ook vaak astrale) beïnvloedingen weer een heel andere cyclus volgen. Zij werken nl. in veelvouden van 3. Wij hebben dan de volgende fasen:

  1. ik ben rustig;
  2. ik ben gespannen;
  3. ik ben chaotisch.

Uit die chaos kom ik tot rust, en dan ga ik zo verder.
Maar er zit een aardigheidje bij. De eerste 3 jaren staan onder rust. De tweede 3 jaren staan onder gespannenheid. De volgende 3 jaren staan onder chaos. Dan kunnen wij zeggen, dat drie van deze cycli of totaal 27 jaren in een leven voor de geestesgesteldheid een bepaalde cyclus uitmaken. Gaan wij na waarmee dat allemaal samenhangt, dan blijkt dat o.m. samen te hangen met emissies van de zon, maar vooral ook met de veldverhoudingen, die door baanverschuivingen van de planeten t.o.v. het rechte vlak in het zonnestelsel ontstaan.
Een cyclus, die buiten mij bestaat, bestaat dus ook in mij. Maar een cyclus, die in mij ontstaat, moet ook buiten mij kunnen ontstaan. Op het ogenblik, dat ik rust weet te vinden in een periode van onrust, kan ik die onrust‑fase, voor zover het iets of iemand betreft die met mij harmonisch is of kan zijn, beperken.
Ik kan mijn eigen rust in vele gevallen in de plaats stellen van de gespannenheid of de onrust van anderen.
Natuurlijk is het t.a.v. elke andere factor precies hetzelfde. Hierdoor is het mij dus mogelijk om in mij een toestand op te bouwen, die ik niet alleen naar buiten toe projecteer, naar die door alles, wat met mij harmonisch is, a.h.w. automatisch wordt opgenomen. Als ego (mens) ben ik in feite te vergelijken met een ster, naar daarnaast ‑ en dat is veel belangrijker ‑ met een kracht. Rond mij zal de wereld reageren op datgene, wat ik ben als ster én op wat ik ben als kracht. Als ster is de reactie zuiver materieel; als kracht is zij hoofdzakelijk geestelijk of zo mogelijk gericht. Daar achter schuilt dan weer de geestelijke wereld.
De geestelijke wereld is voor de doorsnee‑mens een abstractie. Misschien zouden wij het zo kunnen zeggen:
Er zijn zeer vele werelden, elk ietwat anders geschapen, die dezelfde plaats in de ruimte innemen, die t.a.v. elkaar grote verschillen kunnen vertonen wat betreft de ontwikkeling van de individuen enz., maar die toch wel een eigen uitstraling hebben. Een dergelijke geestelijke wereld kan dan ook als een eenheid, een soort entiteit, worden beschouwd. Die eenheden wisselen hun contact met uw wereld; zij veranderen dus ten opzichte daarvan a.h.w. van plaats. Bij die verandering van plaats ontstaat er dus een wijziging van beïnvloeding.
Geestelijke werelden zullen de mensheid beïnvloeden naar gelang de nabijheid (in feite de gelijkheid van bepaalde waarden) van stoffelijk menselijke wereld en geestelijke sfeer of wereld. Dat houdt dus in dat niet altijd de ge­lijke geestelijke waarden en invloeden op de mens inwerken. Het houdt verder in dat een mens, die op een bepaalde sfeer is afgestemd in een periode dat die sfeer zijn wereld benadert (daarmee het meest harmonisch is, dus de grootste gelijkheid van waarden vindt), daaruit veel meer krachten en mogelijkheden zal kunnen putten dan ieder ander. Maar het betekent ook dat hij die krachten en mogelijkheden nimmer als geheel behorend tot zijn ‘ik’ kan beschouwen. Want op het ogenblik dat die sfeer of wereld wegvalt, vallen die mogelijkheden ook weg, tenzij de mens in staat is zijn innerlijke harmonie t.a.v. de omgeving zozeer te wijzigen, dat hij een zo groot mogelijke gelijkheid van waarden met een sfeer behoudt. En daarmee zijn wij alweer gekomen bij een ander punt:
Bij geestelijke werelden is het dus kennelijk niet alleen belangrijk welke sfeer op dat ogenblik die wereld het dichtst heeft benaderd, maar het is ook wel heel belangrijk hoe ik mij innerlijk verander. Voor de innerlijke weg betekent dit eigenlijk: Ik kan dus niet volstaan met één weg, één mentaliteit, één vorm van harmonie. Ik moet mijzelf innerlijk steeds veranderen, ik moet mij steeds aanpassen, anders zal ik hetgeen mij eens voordeel, grote krachten, grote mogelijkheden opleverde mij morgen misschien in een directe controverse brengen met de dan nabij zijnde geestelijke sfeer. Ik zal dan niet meer in staat zijn om daarmee contact te krijgen. Integendeel, ik zal er nadelen van ondervinden. Wat mij eens blij maakte, maakt mij nu mistroostig. Waar ik eens krachten uit putte, laat mij nu allerlei teleurstellingen beleven. Dat is een heel natuurlijke toestand.
Voor het innerlijk leven zou je daar dus een paar regels uit kunnen halen, vooral voor diegenen, die meer esoterisch zijn ingesteld.

1. Ben ik op dit ogenblik in staat om krachten te putten, zonder dat ik daarbij een methode van concentratie of instelling gebruik (mag­netiseren, maar ook een gevoel van vrede vinden), zo ja, dan moet ik uitgaan van hetgeen ik nú ben. Indien ik hetgeen ik nu ben beschouw als direct overgaande in de werkelijkheid (ook de uiterlijke wereld), dan zal ik die innerlijke toestand moeten veranderen t.a.v. de buiten mij gaande wereld op het ogenblik dat de door mij als normaal ervaren mogelijkheid om krachten te putten e.d. zich wijzigt. Die aanpassing dient dan als volgt te geschieden:
a. Ik ga na wat de disharmonie, de verstoordheid, de onlust is, die mij op het ogenblik niet alleen uiterlijk, maar zeker ook innerlijk bedreigt.
b. Ik ga na hoe ik in het verleden die harmonie heb beleefd (ik zoek dus een herinneringsbeeld) en tracht nu mijn verhou­ding tot de wereld buiten mij zodanig te wijzigen, dat de gevoelswaarde van het herinneringsbeeld in mij een rol speelt.

In feite verander ik dan mijn ‘ik’‑voorstelling. Daardoor ben ik in harmonie met die wereld of sfeer, die eens vlak bij mijn eigen we­reld was en zal daaruit verdere krachten kunnen putten, maar alleen ten koste van een grote concentratie waardoor ik de normale buitenwereld a.h.w. van mijn wezen afsluit.

2. Alles gehoorzaamt aan vaste regels voor degenen, die zich gebonden achten aan tijd. Dat wil zeggen dat op grond van elke willekeurig aanvaarde reeks tijdseenheden, mits gelijkblijvend, een aantal harmonieën en disharmonieën constateerbaar is en dat op grond daarvan een gevoel kan worden verkregen (het is geen zeker weten, het is een gevoel) voor een gelijkheid van fasen met geestelijke krachten en geeste­lijke werelden. Daarnaast zal een besef ontstaan voor de periodiciteiten, die stoffelijk als invloed optreden. Het besef daarvan maakt een aanpas­sing mogelijk. Daar, waar de aanpassing niet mogelijk blijkt of moeilijk wordt, kan men uit eigen actie en wil die elementen elimineren, die op dit moment als disharmonisch worden beschouwd. Hierdoor zal het mogelijk zijn innerlijk een zekere harmonie te behouden, die een innerlijke groei mogelijk maakt. Gelijktijdig zal door het elimineren van de contrastwaarden met de buitenwereld, die voor mij disharmonisch zijn, de mogelijkheid ontstaan in het overige harmonisch t.a.v. de wereld te reageren en zo te komen tot een ontvangen en overdragen van krachten uit en naar die wereld.

3. Daar voortdurende verschuiving van waarden t.o.v. elkaar het gehele heelal (de kosmos) beheerst, maar eveneens in het menselijk lichaam en het menselijk leven de voortdurende wijziging van verhoudingen een gro­te rol spelen, moeten wij uitgaan van het feit dat de verschuiving van waarden normaal is. Elke poging om een enkele waarde constant te bele­ven en te hanteren, moet voeren tot een grotere disharmonie, een grotere innerlijke onrust en misschien zelfs gevoelens van innerlijk onvermogen, terwijl daarnaast in de buitenwereld gevoelens van ergernis, lusteloosheid, kortom, allerhande vormen van negativisme optreden. Wij mogen dan ook nooit uitgaan van een gelijkblijvende waarde. Wij moeten voortdurend uitgaan van een langzaam maar voortdurend veranderde waardering voor onze wereld, gepaard gaande met een steeds zich wijzigend contact met onze wereld.

Een aanpassing van de wijziging uit de innerlijke processen naar de daad toe betekent voor ons dat wij door onze voortdurende verande­ring in staat zijn steeds meer momenten te vinden, waarop harmonie het­ zij met de meer materiële, hetzij met de astrale of zelfs met de geeste­lijke wereld rond ons, mogelijk is zodat wij vele punten kunnen vinden, waarop wij door enige concentratie en het richten van onze persoonlijk­heid (zie voor) in staat zijn meer krachten te putten (geestelijke en le­venskracht) of zelfs stoffelijke mogelijkheden te vinden, die in overeen­stemming zijn met ons wezen en ons willen.
Hebben wij dit allemaal bezien, dan komt natuurlijk de grote vraag: Wij spreken nu wel van ‘binnen en buiten’, maar is dat eigenlijk waar? Ons besef maakt een onderscheid tussen die dingen, die wij innerlijk noemen (d.w.z., exclusief tot ons wezen behorende en alleen daarin bestaande) en buiten: waarden alleen buiten ons wezen bestaande, die misschien wel invloed op ons kunnen hebben, maar die nooit deel van ons kunnen zijn. Die waardering is waarschijnlijk iets, wat uit ons bewustzijn voortkomt. Misschien bestaat er geen innerlijke en geen uiterlijke wereld, maar alleen een wereld, waarvan wij deel zijn. Zolang wij dit echter niet weten, zullen wij alleen vanuit onszelf kunnen reageren indien de scheiding, die in ons gemaakt wordt tussen ‘ik’ en niet‑’ik’, leren overschrijden door deze aanpassing, deze creatie van harmonische waarden etc. Ik heb dan ook de titel van dit onderwerp gekozen niet om een tegenstelling aan te geven, maar om te tonen hoe er twee facetten zijn in het bestaan, die voor de mens bijna gelijkwaardig plegen op te treden. Het is de tegenstelling tussen binnen en buiten, die voor u het element van vorming en bewustwording bepaalt. Het is de tegenstelling van uw innerlijk en uw ervaring van de buitenwereld, die door de subjectiviteit die zo ontstaat, voor u een eigen levensinterpretatie mogelijk maakt.
Een groot gedeelte van uw bewustzijn en kennen ‑ en wat dat betreft ook van ons in de geest ‑ is gebaseerd op het verschil tussen wat er in mij en wat er buiten mij bestaat. Zolang wij aannemen dat deze waarden beide vast­staand, onveranderlijk zijn, dat ze eigenlijk niets met elkaar te maken hebben en dat alleen door onze wil, door onze uiting van het innerlijk enig contact tot stand komt, zullen wij slechts met teleurstellingen te worstelen hebben. Wij ontdekken voortdurend onze machteloosheid, onze teleurstelling. We ontdek­ken invloeden, die wij helemaal niet hadden verwacht. Wij worden door een noodl­ot heen en weer geslingerd. Wij kunnen dat voorkomen, indien wij gaan begrijpen dat ‘binnen en buiten’ met elkaar gerelateerd zijn. Aangezien die relatie zich voor ons uitdrukt in ritmen (wij noemen dat voor een groot gedeelte kosmische ritmen, daarnaast spreken wij van onze biologische ritmen; van de geestelijke ritmen spreekt de mens niet, al bezit hij die evenzeer), kunnen wij zeggen: Er bestaan bepaalde ritmen, waardoor onze relatie wordt aangepast en gewijzigd. Dan moet ik dus met een erkennen van die ritmen kunnen komen tot een integra­tie van mijn persoonlijkheid in de kosmische totaliteit.
Het einddoel van alle bewustwording is natuurlijk het bereiken van die volledige integratie van het ‘ik’ in het geheel. Maar in alle geestelijke wetenschappen speelt een benadering van een zekere eenheid met wat buiten u bestaat, een grote rol.
In de magie kennen wij de klanken, de ritmen, de geuren, kortom, al die dingen, die misschien suggestief van buitenaf op ons inwerkend, een zekere gerichtheid van het ‘ik’ kunnen veroorzaken.
In de kerken, maar ook in de maatschappij, kennen wij bepaalde riten en rituelen, die een betekenis moeten geven aan dingen, die ze misschien niet bezitten, maar waardoor wij komen tot een benadering van geestelijke en stoffelijke waarden, die ons weer een beheersingsmogelijkheid geeft. Dan is dat alles eigenlijk helemaal niet zo occult als het lijkt; het is niet duister. Het is eenvoudig iets, wat wij moeilijk begrijpen.
Dan is er een conclusie, die wij hieraan onmiddellijk moeten verbinden:
Het menselijk voorstellingsvermogen, dat zich te sterk beperkt tot de tegenstelling ‘ik’ ‑ wereld, zal het de mens onmogelijk maken zichzelf te kennen en zijn wereld voldoende te erkennen om zich daaraan aan te passen en zo uit eigen wil een maximum aan beheersing te verkrijgen t.a.v. de eigen plaats en van de beleving in de wereld buiten het ‘ik’.
Het komt altijd weer op jezelf neer. Het is natuurlijk vervelend voor de mens te horen dat zelfs God, Die grote Persoonlijkheid, Zich helemaal niet zo erg van Zichzelf bewust is als Hij wel denkt, maar dat Hij in die God een rol speelt en dat die God voor hem pas een rol speelt, indien er een harmonie mogelijk is. Het is voor de mens erg vervelend te horen dat er geen noodlot is dat hem beheerst, maar dat hij leeft in een maatschappij, waarin bepaalde pulsen nu eenmaal regelmatig voorkomen en waarbij een al of niet aanpassen van het ‘ik’ aan die pulsen uitmaakt wat hij gaat beleven. Hij krijgt al heel gauw het gevoel dat hij tekort schiet; dat er ergens in hem iets niet deugt. Ik geloof dat wij daarom nog een paar opmerkingen moeten lanceren.

  1. Groeien naar een beheersing van de harmonie tussen de wereld in u en de wereld buiten u, is op zichzelf een bereiking. Die bereiking be­tekent een toestand, niet een verdienste. Uw streven is echter voor uzelf een verdienste, daar het uw bewustzijn vergroot en daarmee uw mogelijkheid tot integratie in de totaliteit.
  2. Het vinden van een juiste aanpassing, krachtens eigen bewustzijn en wil, aan het totaal impliceert het erkennen van alle harmonische, maar ook van alle niet‑harmonische fasen. Dit houdt in dat elke niet-harmonische fase, mits als zodanig erkend en gevolgd door een poging tot correctie, voor u in feite de eenheid met de totaliteit vergroot. Hieraan voeg ik toe: ziekte behoeft dus niet noodzakelijkerwijze een straf van God te zijn of een gevolg van uw eigen dwaasheid, zij kan evenzeer een conflict zijn dat u kunt leren overwinnen en waaruit u wijzer, beheerster en vooral meer aangepast aan de totaliteit tevoorschijn komt.
  3. Dit punt zal wel pijnlijk aankomen, maar het is juist en moet hier dus wel gesteld worden: Klagen helpt u nooit. Klagen is iets, wat alleen bepalend kan zijn, indien daardoor een zekere harmonie of zelfs een bewust gewilde disharmonie met iets in de buitenwereld tot stand wordt gebracht. Een klacht op zichzelf heeft verder geen zin dan alleen in de vorm van contact. Daarom heeft het geen zin te klagen tegen uzelf of over uzelf. Het heeft alleen zin te klagen, indien u tracht door de klacht een verschil van waarde tot uitdrukking te brengen en een actie te beginnen, waardoor een gelijkwording van waarden met iets in de buitenwereld bereikbaar is.

Dus, vrienden, uzelf beklagen of zeggen dat u het zwaar heeft, helpt niet. Erkennen dat de oorzaak van uw waardering is gelegen in bepaalde omstandigheden, kan u helpen wanneer u tracht uw innerlijke relatie met de oorzaak buiten u te veranderen.
Dan heb ik daarmee mijn onderwerp eigenlijk wel afgehandeld. Zoals u hebt gemerkt, heb ik hierbij bepaalde wetenschappen buiten beschouwing gelaten zo­als b.v. de kabbala, bepaalde vormen van overdrachtelijkheids‑ en gelijkheids­magie. Ik heb dat opzettelijk gedaan. Zij passen wel degelijk in dit onderwerp, maar ik meen dat u ‑ als u eerst het onderwerp heeft begrepen en het tracht toe te passen ‑ alle waarden van magie, esoterie, kabbala, alchemie zelf zult vinden. Want alles, wat wij als wetenschap uitdrukken in geestelijke zin, is een poging om dit systeem te benaderen. Zodra dit systeem rigide wordt, is het iets, wat ons belemmert de waarheid te aanvaarden.
De kabbala is erg belangrijk zolang wij beseffen dat haar indelingen een aanleiding voor ons zijn om de mogelijkheid van verandering in onszelf te con­stateren. Zodra wij echter aannemen, dat zij een rigide heelal weergeeft (geeste­lijk of anderszins) zijn wij daardoor niet meer in staat juist te reageren op het voor ons zich voortdurend wijzigende heelal.
Als wij over magie spreken, dan is het natuurlijk een beetje vreemd te zeggen dat wij grote krachten kunnen ontketenen, dat wij geesten kunnen bezwe­ren en al die dingen meer. Het is ergens waar en het is ook weer niet waar. Maar als ik uitga van het standpunt, dat elke harmonie het mij mogelijk maakt mijn wil uit te drukken (ook buiten mijzelf), dan wordt duidelijk dat gelijkheids­magie in feite niets anders is dan uiting geven aan een ontstane analogie tus­sen innerlijke processen en processen, die in de buitenwereld potentie zijn en worden waargemaakt. Dan wordt het duidelijk dat al dat oproepen van geesten niet alleen maar berust op het inschakelen van andere krachten, maar in feite tevens inhoudt een projectie van een deel van je wezen. Ik hoop dus dat u mij niet kwalijk neemt dat ik dergelijke aspecten buiten beschouwing laat. In u is een wereld, die u nooit helemaal zult kunnen omschrijven en ont­leden. Een wereld waarvan u toch de ritmen en de voortdurende verandering van waarden kunt beseffen en hanteren. Aanvaard de veranderingen en ritmen zoals ze zijn, tracht ze niet te wijzigen. U zult in uw buitenwereld hetzelfde aantreffen: verandering van ritmen, andere fasen treden op. Pas u erbij aan, maar tracht een zo groot mogelijke harmonie tot stand te brengen tussen wat in u is en wat buiten u is. Het geeft u beheersing en kracht. Wat betreft de ongeziene werelden, u weet heus wel met welke sfeer u zich harmonisch voelt, ook al kent u de naam van die sfeer niet. Want in uw eigen voorstellingswereld, in uw gevoelswereld is een bepaalde tendens nu eenmaal dominant. Zoek dan daarmee harmonie. Maak u niet te druk over het systeem, maar maak u wel druk over de mogelijkheid om uit dit innerlijk manoeuvreren, dit innerlijk zoeken van een uitbeelding kracht te putten. Waar u kracht kunt putten, is de harmonie bereikt.
Onthoud dat elke kracht, die uit een geestelijke sfeer wordt geput krachtens een ontstane harmonie of althans een analoge ontwikkeling, in uw eigen wereld alleen kan worden geuit in overeenstemming met de stoffelijk heersende ritmen. Dan heeft u verder niet veel nodig. Daarom meen ik dat ik mijn onderwerp hiermee kan afsluiten.

Karakter

Karakter is bij de mens het aantal eigenschappen dat hij bezit plus de voorstellingen, waardoor de gerichtheid van die eigenschappen wordt bepaald. Het karakter van een mens wordt bij velen vooral afgemeten aan de wilskracht; en deze blijkt dan voor de menselijke voorstelling te bestaan in het vermogen anderen te dwingen om te beantwoorden aan je eigen voorstelling. Dat dit met het werkelijke karakter, de werkelijke geaardheid maar zeer weinig van doen heeft, schijnt men zich niet te realiseren. Mijn karakter is het gepredisponeerd zijn voor het ervaren en ondergaan van bepaalde invloeden van buiten. Je kunt stemvorken maken, die op verschillende tonen zijn afgeslepen. Als wij dit op toon geslepen zijn het karakter van de stemvork zouden noemen, zouden wij een vergelijking kunnen maken met het menselijk karakter.
Een mens is lichamelijk, erfelijk, door milieu, maar zeker ook door de geestelijke voorgeschiedenis afgestemd op een bepaald deel van de invloeden, die rond hem optreden. Dat betekent dat hij bij die invloeden dus heviger in beweging komt; hij wordt sterker gestimuleerd tot reactie. De wijze waarop die reactie plaatsvindt, heeft eigenlijk met de wil maar heel weinig te maken. Vele mensen zijn alleen wilskrachtig omdat ze zich het vermogen tot begrijpen van anderen of hun voorstellingen niet eigen kunnen maken. Men noemt iemand b.v. wilskrachtig, die zijn hele leven wijdt aan het verbreiden van een bepaald idee. Maar pas als die idee voor hem niet de enige idee is en er dus van een keuze sprake is, zal men over wil kunnen spreken. Gedwongen zijn om in een bepaalde richting te leven en te handelen, komt veel meer voor dan u denkt. En juist bij mensen, die het sterkst van wil heten te zijn, blijkt die eigenaardigheid het veelvuldigst voor te komen.
Veel mensen willen iets omdat ze zo eenzijdig gericht zijn in hun verlangens en voorstellingsvermogen, dat zij voor zichzelf niets van waarde kunnen achten (ook zichzelf niet) tenzij aan de voorstelling wordt voldaan. Iemand, die werkelijk wilskrachtig is, is iemand die zijn eigen leven tot het uiterste toe kan beheersen. Mensen denken dat iemand, die ophoudt met roken, wilskrachtig moet zijn. In vele gevallen betekent het alleen maar dat hij bang is voor de gevolgen van het roken, of dat hij de een of andere stimulans in een andere richting heeft ontvangen, die voor hem sterker is dan de neiging tot roken. De overwinning mag dan stoffelijk een zekere beheerstheid vragen, maar de voorstelling die er achter ligt, is in feite niet een willen, een bewuste keuze, het is eenvoudig een in het ‘ik’ bestaande situatie, waaraan men beantwoordt.
Wie op deze wijze redeneert, zal begrijpen dat het heel erg moeilijk is om een bepaald type te beschrijven. Maar we hebben gelukkig een aantal factoren in het menselijk lichaam, waarmee wij rekening kunnen houden.
Wij hebben b.v. het lethargische type en het sanguinische type. Dat lethargische zou betekenen: daadloos. Ik weet niet of men een schildpad een daadloos wezen kan noemen of een wezen zonder wil. Het is alleen in zijn normale levensreacties veel trager. Iemand met een stoffelijk lethar­gisch karakter is in zijn reacties, zijn beantwoorden aan stoffelijke impulsen, traag.
Een sanguinisch type (wat overigens zeer weinig met bloed te maken heeft) is een type, dat kennelijk zeer snel tot een uiting wordt geprikkeld en datgene, wat een lethargisch type in zich verwerkt en daardoor veelal ongeuit laat, eerst tot uiting brengt voordat hij tot de verwerking overgaat. Dat zou eerder in de hersenlobben kunnen liggen dan in het karakter. Maar de mens moet nu eenmaal gerubriceerd worden.
Bij dat rubriceren ontdekken wij dan dat er een aantal mensen bestaat, die we stoffelijk door omstandigheden, die we dan op grond van erfelijkheid kunnen uitzoeken, maar die we ook heel vaak op grond van de tijd, waarop zij worden geboren (beter gezegd: als de eerste perforatie van de eicel plaatsvindt) kunnen berekenen. We kunnen dan zeggen: Nu is er in het moederlichaam die reeks omstandigheden geweest, dan hebben we te maken met een lichaam, dat voor bepaalde fouten gepredisponeerd is; dat in zijn reacties bepaalde versnellingen of vertragingen ondergaat en dat daarom moet worden beschouwd als een type, dat geschikt is voor b.v. politie‑agent, rechter, dominee, bontwerker of iets dergelijks. Dan spreekt de mens dus weer van karakter. Maar wij hebben hier in feite te maken met een materiële conditionering. Daarom zou ik willen proberen om enkele punten recht te zetten.
Ik kan begrijpen dat u tot op heden het karakter van iemand zult beoordelen aan zijn daden en niet aan de innerlijke processen. Daaraan bent u nu eenmaal gewend. Maar u moet zich aan de andere kant toch realiseren dat het karakter hoofdzakelijk tot uiting komt op het ogenblik, dat een innerlijke voorstelling en een uiterlijke waarde gelijk wordt gemaakt. In u bestaat een veel grotere levensvrijheid dan uiterlijk. In u bestaat verder ‑ ongeacht uw stoffelijk karakter ‑ een aantal geestelijk impulsen, die gezamenlijk in ver­schillende grootorden en in verschillende capaciteiten een gerichtheid voor uw denken en uw voorstellingsleven bevatten. Zij bevatten daarnaast de drang om met de mogelijkheden, die u heeft, op een bepaalde wijze te reageren. En uit de manier, waarop je nu aan dit gevoel van juist reageren krachtens innerlijke waarden toegeeft en dus ook jezelf beperkt t.a.v. niet juist ervaren waarden en uitingen, blijkt dus wat wij karakter noemen. Het heeft niets met wil te maken, het heeft te maken met een inzicht, niet een bewuste keuze.
Een geest heeft vanuit uw standpunt waarschijnlijk weinig karakter. Want hij past zich ontzettend snel aan zijn omgeving aan en reageert zoveel mogelijk in harmonie met zijn omgeving. Is dit niet mogelijk, dan openbaart de geest zich daar niet. Die geest reageert dus alleen op het harmonische. Toch betekent een dergelijk reageren dat die geest een zekere inhoud heelt. Die inhoud is ook weer niet in de eerste plaats wil; ze is besef.
Als ik tot u spreek, dan doe ik dit omdat ik besef dat ik hiermee iets uit, dat in mij bestaat als een voorstelling. De geest, die in u woont, heeft dus ook eigen besef. Hij heeft geen karakter in de stoffelijke zin van het woord, maar door het het besef is hij in staat om aan de bestaande waarden van de materie een gerichtheid te geven. Die gerichtheid is dus eenzijdig; ze versterkt al hetgeen parallel loopt met zijn eigen besef, hij remt af wat daarmee in strijd is.
Nu blikt, dat het werkelijke karakter van mensen, als je ze nader leert kennen en over de rubricering in typen kunt heenstappen, gelegen is in hun wijze van denken. Niet in hun daden, niet in de manier waarop ze denken, in de reden waaróm ze reageren. Hoe onontkoombaar lijkt dan vaag de reactie op hysterie, waarvan men op aarde pleegt te zeggen: Ja, maar dat moet je beheersen; of: daar moet je toch meester zijn van jezelf. Het is het denken dat heel vaak alles wat je doet, haast onvermijdelijk maakt. Je kunt in het denken de aanpassing vinden aan je wereld. Je kunt je ge­dachten harmonisch of disharmonisch uiten, mits je besef hebt van harmonische of disharmonische waarden. Hier is dan sprake van een keuze en kunnen we spreken van een geringe wilsactie, maar niet van meer.
Nu is het karakter van de mens eigenlijk helemaal niet zo belangrijk als het lijkt. Het is een uiting van een bestaand besef; niet in de eerste plaats de uiting van een bepaald vermogen. Ongeduldige mensen kunnen dingen bereiken, die voor een geduldig mens onbereikbaar zijn. Heel vaak wordt met de improvisatie van een haastig iemand iets tot stand gebracht wat een traag, bedachtzaam, systematisch iemand nooit voor elkaar brengt. Ook het omgekeerde komt voor. Het gaat er maar om wat er op dit moment juist is in de omstandigheden. En dat ligt niet aan jezelf. Je kunt niet buiten je besef om reageren, maar je kunt wel buiten je type om reageren.
Er zijn mensen, die flegmatisch of lethargisch genoemd worden en die on­der omstandigheden buitengewoon snel, fel, bewust en improviserend kunnen optreden. Dat gaat geheel tegen het stoffelijke type in. Heel vaak blijkt dat ook erfelijk die eigenschap niet aanwezig is in ‑ laten we zeggen ‑ de eerste 10 voorgaande geslachten. Toch reageert iemand zo. Wat is er aan de hand?
Hier is het besef zo sterk, dat het de traagheidselementen van het stoffelijk voertuig absoluut kan overvleugelen.
Wij kennen mensen, die erg driftig zijn, die uit een zeer driftige familie stammen (waar bijna iedereen is gestorven aan een rolberoerte van woede) en die toch ijzig kalm, beheerst en duidelijk kunnen zijn. Naderhand komt de uitbarsting dan toch nog wel los, maar als het erop aan komt, zijn ze beheerst. Hoe komt dat? Alweer: het besef domineert de uiting; en het besef is voor een groot gedeelte geestelijk.
Daarom, mijn vrienden, kunnen we nooit het karakter van iemand bepalen aan de hand van sterrenbeelden of van materiële klasseringen. We kunnen alleen door langdurige ervaring zien hoe het feitelijke karakter ‑ als we er al over willen spreken ‑ in feite is. Want pas op langere duur zullen we zien hoe op belangrijke momenten het besef ineens de uiterlijkheden, de stoffelijke eigenschappen domineert en weet te richten en te gebruiken. Hier heb ik geloof ik een belangrijk punt gegeven, dat voor velen van u de overdenking waard is.
Er zijn veel mensen, die menen dat ze zich moeten laten gelden ten koste van alles en die blind willen zijn voor hetgeen ze zelf zijn. Anderen menen dat je je maar aan alles moet onderwerpen en dat het dan niet belangrijk is of je daar nu zelf profijt van hebt of niet. In beide gevallen kunnen wij zeggen: Lieve mensen, dit is iets wat alleen juist is, indien het innerlijk besef daarmee strookt. Wat je innerlijk voelt en weet, dat is belangrijk, niet het andere. Het domineren van anderen heeft in zich geen enkele betekenis. Gelijk hebben tegenover anderen, is eigenlijk alleen maar een dwaasheid. Gelijk hebben voor jezelf en in je uiting, één‑zijn in jezelf, dat is belangrijk. Je onderwerpen aan anderen, is absoluut onbelangrijk, maar je kunnen neerleggen bij de waarheid, die je innerlijk beseft en deze tot uiting brengen, dát is belangrijk.
Misschien vindt u dat dit alles weinig praktische betekenis heeft, ofschoon het voor de verklaring van veel van uw gedragingen soms toch belangrijk kan zijn. Ik geloof dus dat het verstandig is hier een paar gevolgtrekkingen te maken, die ik ‑ zoals gebruikelijk is ‑ kort en opeenvolgend zal formuleren:

  1. Het grootste gedeelte van de menselijke daden, dat z.g. uit het karakter voortvloeit, is niets anders dan een onderwerping aan omstandigheden. Daarom zal men niemand om zijn daden kunnen roemen of laken. Men zal ook zichzelf niet kunnen roemen of laken om eigen daden, zolang er geen innerlijk besef is dat een strijdigheid erkent tussen innerlijke waarden en uiting.
  2. Wil is in feite slechts besef, waaruit een verlangen voortkomt. Een geneigdheid, die al het andere overvleugelt. Bewonder de wilskracht van anderen niet. Beroem u niet op uw eigen wilskracht, deze waarde is van weinig betekenis, maar handelen volgens eigen innerlijk besef is zeer belangrijk.
  3. Als u iemand ziet, die zeer wilskrachtig lijkt en die niet in staat blijkt te zijn zelf met die wilsuiting harmonisch te leven, dan weet u dat hier iemand is, die niet volgens zijn besef handelt. Tracht die mens harmonie te geven en vergeef hem zijn z.g. wilskrachtigheid. Ontdekt u iemand, die een slappeling lijkt, maar die voortdurend een zekere harmonie schijnt te bezitten, die gelukkig schijnt te zijn ondanks alles, vraag u dan eens af of deze mens misschien niet ‑ levend volgens zijn innerlijk besef ‑ veel juister reageert dan al degenen, die voortdurend bezig zijn de wereld te vertellen wat er moet gebeuren.
  4. Het gebeuren in de wereld wordt bepaald door factoren, waarop u zelf geen onmiddellijke invloed heeft. U heeft alleen invloed op uw houding t.a.v. het gebeuren. Die eigen houding kunt u nooit bepalen aan de hand van redeneringen of van emoties alleen. U kunt die houding slechts juist bepalen door uw besef van datgene, wat in de omstandig­heden harmonisch en wat niet harmonisch is met u. Degene, die zich met negatie van alle disharmonische factoren richt op al hetgeen waarmee hij of zij harmonisch is, zal ‑ of men dit nu slapte of wilskracht noemt ‑ in de buitenwereld voor zich niet alleen een zeker geluk bereiken, maar bovendien zijn leven en zijn wereld voor een groot gedeelte bepalen.
  5. Leven is niet alleen een kwestie van levenskracht, maar vooral harmonie in die levenskracht. Dit wordt innerlijk beseft. Op het ogenblik dat men, om welke reden dan ook, de besefte harmonische noodzaken niet tot uiting weet te brengen, zal men daardoor zijn levenskracht aangetast voelen: zij is disharmonisch en is dus niet meer naar buiten toe in haar geheel bruikbaar.
  6. Elke beoordeling van het karakter van anderen berust op veronderstellingen, die door u niet zonder meer te controleren zijn. Indien u een bepaald uiterlijk gedragspatroon bij anderen herkent., is het verstandig er rekening mee te houden dat dit zich zal herhalen. Het betekent niet dat dit gedragspatroon te allen tijde zal domineren. Zodra u een contact krijgt met de innerlijke mens en dus het besef van de mens harmonisch kan worden met u en uw wilsuiting, zal het karakterpatroon zich wijzigen. Indien het karakter van anderen voor u onaanvaardbaar lijkt, zo zal dit dus heel vaak voortkomen uit uw onvermogen door te dringen tot de kern en het kernbesef van de persoon in kwestie.

Dit zijn enkele punten, die met het onderwerp samenhangen. Er zou veel meer over te zeggen zijn, maar aan de andere kant vraag ik mij af of veelheid niet vaak verwarrend is. Juist daar, waar wij ons kunnen bepalen tot eenvoudi­ge stellingen, tot zeer eenvoudige regels zelfs, worden wij begrepen. Want het besef van de mens reageert niet in de eerste plaats op een logische verkla­ring of op een alle omstandigheden omvattende uiteenzetting; ze reageert in de eerste plaats op een gevoel van verwantschap en harmonie. En daar, waar harmonie met een eenvoudig begrip wordt verkregen, zal de interpretatie daarvan juister zijn en zal de praktische mogelijkheid ervan veel groter zijn dan bij een verstandelijk volledig te volgen en begrijpbare uiteenzetting, die echter het innerlijk niet beroert. Ik neem aan dat daarom hetgeen ik heb gezegd, de uiterste grens van complexiteit voor de meesten van u reeds heeft bereikt.
Ga na, wat u gevoelsmatig hierin als juist ervaart. Het geeft iets aan van uw innerlijk besef, van uw innerlijke verwantschap en het zal u dan misschien mogelijk zijn ook t.a.v. uw karakter en uw uitingen iets meer te begrijpen van uzelf. Want dit innerlijk besef is de gerichtheid, die door uw gehele karakter mede toch tot uiting komt.

Massahysterie

Daar, waar velen samen zijn, een ogenblik geconcentreerd op één denken, op één doel, verliest de mens een deel van zijn zelfstandigheid. De waarden veranderen, de wereld is anders, het gedrag wordt anders. De mens wordt deel van een veelkoppig wezen, dat massa heet en men spreekt over massa‑hysterie; een soort ontwrichting van een klierevenwicht, waardoor de mens zich anders gedraagt dan normaal aanvaardbaar wordt geacht.
Het is een menselijke overtuiging, want is niet elke mens deel van een massa? Zijn zij, die in de kerken tot verstilling en vroomheid komen, niet evenzeer deel van een bepaalde massaliteit en kunnen wij ook hun beleving en uiting dan niet toeschrijven aan massa‑hysterie? Zijn de mensen met hun poli­tieke vooroordelen, met hun denkbeelden omtrent manierismen, die in de maatschappij wel of niet juist zijn, niet evenzeer slachtoffers van een massaal den­ken, een massale gerichtheid en als zodanig van een massahysterie? Want een mens wil altijd weer de afwijking van de algemeen geldende norm buiten het normale plaatsen. En toch zeg ik u dat vele mensen, die in de massaliteit voor een ogenblik hun beheersing schijnen te verliezen, zich meer gedragen volgens hun natuurlijke eigenschappen en mogelijkheden dan zij, die schijnbaar beheerst innerlijk ziek worden door de spanningen, hun opgelegd door een deel‑zijn van de massa. Zij zijn vaak meer het slachtoffer van een massa‑hysterie dan degenen die zich uiten.
Wie daaruit geestelijke lering wil trekken, beseffe dit: Niemand kan zich eraan onttrekken deel te zijn van de mensheid, van groepen in de mensheid. Niemand kan zich eraan onttrekken dat hij doel is van de kosmos en van bepaalde delen van de kosmos, zoals de totale mensheid. Hij zal door die invloeden voortdurend worden benaderd en soms worden overspoeld. Hij zal telkenmale weer een doel van wat hij zijn ‘ik’ noemt, zien opgaan in een groter geheel, in een andere totaliteit. Dit is normaal. Dit is onvermijdelijk. Dit is noodzakelijk. Want de mens moet niet groeien naar de vergroting van een eigen ‘ik’, dat zich isoleert van al het andere, maar naar een vrij en bewust gebruiken van het eigen ‘ik’, juist in het contact met anderen, als deel van de groep.
Vrij zijnde in zichzelf, maar reagerende in het bevrijd‑zijn van zijn persoonlijke grenzen door zijn behoren tot de groep.
Wanneer wij deel willen zijn van God, dan ontstaat er een vervreemding van de menselijke rechten, wetten en denkbeelden, die wij evenzeer massa‑hysterie kunnen noemen. Maar is dit niet datgene, wat men u overal aanprevelt als het beste, het grootste wat ooit geestelijk bereikbaar is? Is niet het verliezen van het ego in de grote totaliteit, het bewust‑worden van jezelf als deel van een grote eenheid het doel, dat men zich stelt?
Laat men dan niet oordelen over massa‑hysterie, maar laat men eerder oordelen over de massa als geheel en laat men zich afvragen: Waar vind ik, bevrijd van de remmingen die de massa mij heeft opgelegd, mijn eigen harmonie met het hogere en het grotere? Waar kan ik mijzelf vergeten zonder mij geheel te verloochenen? Waar kan ik mijzelf vergeten en opgaan in het grotere deel zijn van iets waartoe ik behoor? Want dit is het doel van het leven. Al het an­dere is menselijke dwaasheid, waarin men onderscheid maakt om zich te recht­vaardigen en zo zichzelf verwijdert van de menselijkheid waartoe men behoort.